Titel
5 JUNI 2025. - Wet houdende titel 1 "Persoonlijke zekerheden" van boek 9 "Zekerheden" van het Burgerlijk Wetboek
Bron: Justitie
Publicatie: 11 juli 2025
Nummer: 2025005089
bladzijde: 59056
Dossiernummer: 2025-06-05/09
Inwerkingtreding : 1 januari 2026
Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd:
1804032155 1998016046 2013003461 1967101056Inhoudstafel
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingArt. 1
HOOFDSTUK 2. - Inhoud van titel 1 "Persoonlijke zekerheden" van boek 9 "Zekerheden" van het Burgerlijk Wetboek
Art. 2
HOOFDSTUK 3. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek
Art. 3
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
Art. 4-13
Afdeling 3. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 14-15
Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen
Art. 16
Afdeling 5. - Wijziging van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap
Art. 17
HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepaling
Art. 18
HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding
Art. 19
Tekst
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingArtikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2. - Inhoud van titel 1 "Persoonlijke zekerheden" van boek 9 "Zekerheden" van het Burgerlijk Wetboek
Art. 2. Boek 9, titel 1, van het Burgerlijk Wetboek ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 13 april 2019 tot invoering van een Burgerlijk Wetboek en tot invoeging van boek 8 "Bewijs" in dat Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 april 2022, bevat de volgende bepalingen:
"Boek 9. Zekerheden
Titel 1. Persoonlijke zekerheden
Hoofdstuk 1. Gemeenschappelijke regels
Art. 9.1.1. Aanvullend recht
De partijen kunnen afwijken van de bepalingen van deze titel, behalve indien het om definities gaat of indien de wet anders bepaalt.
Art. 9.1.2. Definities
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
1° "persoonlijke zekerheid": verbintenis van een derde om aan een schuldeiser de betaling te waarborgen van een verbintenis van de hoofdschuldenaar tegenover de schuldeiser;
2° "accessoire persoonlijke zekerheid" of "borgtocht": persoonlijke zekerheid die afhankelijk is van de geldigheid, de modaliteiten, de omvang en het voortbestaan van de gewaarborgde verbintenis;
3° "autonome persoonlijke zekerheid" of "autonome garantie": persoonlijke zekerheid die krachtens de termen ervan niet afhankelijk is van de geldigheid, de modaliteiten, de omvang en het voortbestaan van de gewaarborgde verbintenis;
4° "hoofdschuldenaar": de persoon die gehouden is tot de gewaarborgde verbintenis tegenover de schuldeiser;
5° "hoofdelijkheid tot zekerheid": de gebondenheid ten aanzien van een schuldeiser als hoofdelijke medeschuldenaar voor zover de schuld deze medeschuldenaar niet aangaat in de zin van artikel 5.164, § 1, derde lid;
6° "zekerheid voor alle schuldvorderingen": een persoonlijke zekerheid waarvan is overeengekomen dat zij de bestaande en toekomstige verbintenissen van de hoofdschuldenaar tegenover de schuldeiser waarborgt of die een gelijkaardige strekking heeft;
7° "hoofdverbintenis" of "gewaarborgde verbintenis": de verbintenis die door een persoonlijke zekerheid wordt gewaarborgd;
8° "zakelijke borgtocht": een zakelijke zekerheid gesteld voor andermans schuld;
9° "patronaatsverklaring": al dan niet bindende toezegging door een derde dat de hoofdschuldenaar zijn verbintenis zal nakomen.
Art. 9.1.3. Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle vormen van persoonlijke zekerheid, en in het bijzonder op de accessoire persoonlijke zekerheid (borgtocht) en de autonome persoonlijke zekerheid (autonome garantie).
Art. 9.1.4. Ontstaan
Een persoonlijke zekerheid kan voortvloeien uit een contract, een eenzijdige wilsuiting of de wet.
Een persoonlijke zekerheid kan betrekking hebben op om het even welke hoofdverbintenis.
Men kan een persoonlijke zekerheid stellen zonder opdracht van de hoofdschuldenaar, en zelfs buiten zijn weten.
Men kan een persoonlijke zekerheid stellen, niet alleen voor de hoofdschuldenaar, maar ook voor de persoon die voor hem een persoonlijke zekerheid heeft gesteld.
Art. 9.1.5. Rechtverkrijgenden van de zekerheidssteller
De verbintenissen van de persoonlijke zekerheidssteller gaan over op zijn erfgenamen en andere algemene rechtverkrijgenden en rechtverkrijgenden onder algemene titel.
Art. 9.1.6. Zekere wilsuiting
Een persoonlijke zekerheidsstelling wordt niet vermoed; de wil moet zeker zijn en mag zich niet verder uitstrekken dan de grenzen waarbinnen zij is aangegaan.
Art. 9.1.7. Interpretatie
In geval van twijfel over de draagwijdte van de persoonlijke zekerheidsstelling moet deze worden uitgelegd in het voordeel van de zekerheidssteller.
Art. 9.1.8. Hoofdelijkheid tot zekerheid en sterkmaking tot uitvoering
Niettegenstaande enig andersluidend beding is de hoofdelijkheid tot zekerheid onderworpen aan hoofdstuk 1 van deze titel en aan de artikelen 5.160 tot 5.165.
Niettegenstaande enig andersluidend beding is de sterkmaking tot uitvoering onderworpen aan hoofdstuk 1 van deze titel en aan artikel 5.106.
Art. 9.1.9. Solvabiliteit en bekwaamheid van de zekerheidssteller
De hoofdschuldenaar die krachtens de wet, een gerechtelijke uitspraak of een contract verplicht is een persoonlijke zekerheid te verlenen, moet een zekerheidssteller aanbieden die bekwaam is om contracten aan te gaan en die voldoende solvabel is om de verbintenis te kunnen nakomen.
Art. 9.1.10. Insolvabiliteit van de zekerheidssteller
Wanneer de zekerheidssteller die door de schuldeiser is aangenomen of die de rechter hem heeft toegewezen, naderhand insolvabel is geworden, moet de hoofdschuldenaar een andere persoonlijke zekerheid verlenen.
Deze regel lijdt slechts uitzondering in geval de zekerheid verleend is ten gevolge van een contract waarbij de schuldeiser een bepaalde persoon als zekerheidssteller heeft geėist.
Hoofdstuk 2. Accessoire persoonlijke zekerheid (borgtocht)
Afdeling 1. Aard en omvang van de borgtocht
Art. 9.1.11. Vermoeden van borgtocht
Elke persoonlijke zekerheid wordt vermoed een borgtocht te zijn, tenzij de schuldeiser aantoont dat anders is overeengekomen.
Art. 9.1.12. Accessoir karakter
De geldigheid, de modaliteiten, de omvang en het voortbestaan van de verbintenis van de borg zijn afhankelijk van de geldigheid, de modaliteiten, de omvang en het voortbestaan van de hoofdverbintenis.
Art. 9.1.13. Omvang van de gewaarborgde verbintenis
De verbintenis van de borg reikt niet verder dan de gewaarborgde verbintenis.
De borgtocht die voor meer dan de hoofdverbintenis of onder meer bezwarende voorwaarden is aangegaan, is niet nietig; zij wordt verminderd tot wat in de hoofdverbintenis begrepen is.
De borgtocht kan worden aangegaan voor slechts een gedeelte van de gewaarborgde verbintenis en onder minder bezwarende voorwaarden.
Een contract tussen de schuldeiser en de hoofdschuldenaar dat de omvang van de gewaarborgde verbintenissen vergroot, de modaliteiten ervan verzwaart of de opeisbaarheid vervroegt, aangegaan na het ontstaan van de borgtocht, laat de verbintenis van de borg onverlet, behalve in geval van een borgtocht voor alle schuldvorderingen.
Art. 9.1.14. Excepties
De borg kan aan de schuldeiser alle excepties die inherent zijn aan de gewaarborgde verbintenis tegenwerpen met betrekking tot het bestaan, de geldigheid, de afdwingbaarheid, de modaliteiten of het voortbestaan van de gewaarborgde verbintenis.
De borg kan de persoonlijke excepties zoals de onbekwaamheid of onbevoegdheid van de hoofdschuldenaar, natuurlijke persoon of een rechtspersoon, of het niet-bestaan van de schuldenaar-rechtspersoon niet tegenwerpen indien hij hiervan op de hoogte was op het tijdstip waarop de borgtocht is aangegaan.
De borg kan zich evenmin beroepen op een gerechtelijke kwijtschelding in het kader van een insolventieprocedure of op een respijttermijn overeenkomstig artikel 5.201.
Art. 9.1.15. Gezag van gewijsde
De borg kan het gezag van gewijsde inroepen van gerechtelijke beslissingen die gewezen zijn tussen de schuldeiser en de hoofdschuldenaar.
Art. 9.1.16. Toekomstige verbintenissen - Borgtocht voor alle schuldvorderingen
Een borgtocht kan voor toekomstige verbintenissen worden aangegaan voor zover zij voldoende bepaalbaar zijn, dit laatste niettegenstaande enig andersluidend beding.
Niettegenstaande enig andersluidend beding, dient een borgtocht voor alle schuldvorderingen het maximale bedrag te vermelden van de verbintenissen van de borg. Wordt geen maximumbedrag bepaald, dan is de borgtocht beperkt tot de verbintenissen die bestonden bij het aangaan van de borgtocht.
Art. 9.1.17. Interpretatie borgtocht voor alle schuldvorderingen
Niettegenstaande enig andersluidend beding, strekt de borgtocht voor alle schuldvorderingen zich enkel uit tot de verbintenissen die redelijk voorzienbaar waren bij het sluiten van de borgtocht.
Een dergelijke borgtocht dekt enkel verbintenissen die ontstaan zijn uit de contracten gesloten tussen de hoofdschuldenaar en de schuldeiser.
De borgtocht wordt niet uitgebreid tot schulden van de rechtverkrijgenden van de hoofdschuldenaar of, in geval van een rechtspersoon, van deze die door de hoofdschuldenaar is opgeslorpt. De borgtocht wordt evenmin uitgebreid tot schulden die overgaan naar een hoofdschuldenaar ten gevolge van een overdracht of inbreng van een bedrijfstak.
De borgtocht strekt zich niet uit tot schuldvorderingen van een rechtsvoorganger van de schuldeiser die zijn ontstaan voor de rechtverkrijging door die schuldeiser en op dat ogenblik niet door de borgtocht waren gedekt.
Art. 9.1.18. Rechtverkrijgenden van de borg
De erfgenamen en andere algemene rechtverkrijgenden en rechtverkrijgenden onder algemene titel van de borg staan enkel in voor de verbintenissen die bestaan op het ogenblik van de rechtverkrijging.
Als de borg een natuurlijke persoon is, wordt bij diens overlijden een andersluidend beding voor niet geschreven gehouden.
Art. 9.1.19. Opzegging van de borgtocht voor onbepaalde duur
De borgtocht kan worden aangegaan voor een bepaalde of onbepaalde duur.
Is de borgtocht aangegaan voor een onbepaalde duur, dan kan elke partij deze beėindigen met inachtneming van een redelijke opzegtermijn, niettegenstaande enig andersluidend beding. Deze opzeggingstermijn bedraagt vijfenveertig dagen, tenzij een kortere termijn is overeengekomen.
Wanneer de borgtocht aldus wordt beėindigd, blijft de borg gehouden voor de schulden die ontstaan voor het tijdstip van het verstrijken van de opzegtermijn, ook al zijn zij nog niet opeisbaar, behoudens indien de gehoudenheid van de borg contractueel is beperkt.
Art. 9.1.20. Omvang van de dekking
§ 1. Is de omvang van de borgtocht onbepaald, dan strekt de borgtocht zich uit tot de gewaarborgde verbintenis in hoofdsom en tot de accessoria, zoals de interest en de schadevergoeding of het bedrag van schadebeding in geval van niet-nakoming door de hoofdschuldenaar.
De gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten van rechtsvervolging zijn eveneens gedekt indien de borg tijdig door de mededeling van het voornemen tot rechtsvervolging in de gelegenheid is gesteld om deze kosten te voorkomen.
Strekt de hoofdverbintenis tot een andere prestatie dan de betaling van een geldsom, dan geldt de borgtocht ook voor de vordering tot schadevergoeding verschuldigd wegens de niet-nakoming van die verbintenis, behoudens andersluidend beding in het voordeel van de borg.
§ 2. Is er een maximumbedrag voor de gehoudenheid van de borg bepaald, dan dekt de borgtocht binnen dit maximumbedrag de in paragraaf 1 bepaalde schuldvorderingen.
Art. 9.1.21. Pluraliteit van borgen
Voor zover meerdere borgen dezelfde verbintenis hebben gewaarborgd, is elke borg binnen de grenzen van zijn verbintenis tegenover de schuldeiser hoofdelijk verbonden met de andere borgen. Deze regel geldt ook indien deze borgen hun verbintenissen tot zekerheid onafhankelijk van elkaar zijn aangegaan.
De bijkomende gevolgen van de hoofdelijkheid bedoeld in artikel 5.163 zijn niet van toepassing op de borgen die zich onafhankelijk van elkaar hebben verbonden.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de zakelijke borgtocht.
Afdeling 2. Gevolgen van de borgtocht tussen de schuldeiser en de borg
Art. 9.1.22. Subsidiaire aard - Ingebrekestelling
De borg is niet gehouden tot nakoming vooraleer de hoofdschuldenaar in verzuim is.
De schuldeiser die de hoofdschuldenaar in gebreke stelt, is verplicht hiervan tegelijkertijd aan de borg kennisgeving te doen.
Art. 9.1.23. Voorrecht van uitwinning
De schuldeiser moet, vooraleer de nakoming te vorderen van de borg, gepaste pogingen ondernemen om voldoening te verkrijgen van de hoofdschuldenaar, behalve indien de borg zich hoofdelijk heeft verbonden.
De schuldeiser is niet gehouden tot deze voorafgaande verplichting voor zover het klaarblijkelijk onmogelijk of buitensporig moeilijk is om voldoening van de hoofdschuldenaar te verkrijgen. Deze uitzondering geldt in het bijzonder wanneer de hoofdschuldenaar het voorwerp is van een faillissement, een gerechtelijke reorganisatie of een collectieve schuldenregeling, tenzij er voor dezelfde verbintenis door de schuldenaar een zakelijke zekerheid is gesteld.
Art. 9.1.24. Informatieplicht
Niettegenstaande enig andersluidend beding, is de schuldeiser ertoe gehouden om de borg op diens verzoek zonder uitstel in te lichten over het bedrag van de gewaarborgde verbintenis.
Afdeling 3. Gevolgen van de borgtocht tussen hoofdschuldenaar en borg en tussen borgen onderling
Art. 9.1.25. Verhaalsrecht borg
De borg kan de terugbetaling vorderen van de hoofdschuldenaar van het bedrag dat hij aan de schuldeiser heeft betaald. Tot zekerheid daarvan is de borg, binnen de grenzen van hetgeen hij betaald heeft, gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser tegenover de hoofdschuldenaar, en dit niettegenstaande enig andersluidend beding.
In geval van gedeeltelijke nakoming hebben de resterende gedeeltelijke rechten van de schuldeiser tegenover de hoofdschuldenaar voorrang op de rechten waarin de borg is gesubrogeerd.
Krachtens de in het eerste lid bedoelde subrogatie gaan de accessoria, met inbegrip van de persoonlijke en zakelijke zekerheidsrechten, van rechtswege over op de borg, niettegenstaande enig andersluidend beding of uitsluiting van de overdraagbaarheid. Rechten tegenover andere zekerheidsstellers kunnen slechts binnen de grenzen van artikel 9.1.26 worden uitgeoefend.
Is de hoofdschuldenaar wegens onbekwaamheid of onbevoegdheid van de hoofdschuldenaar, of het niet-bestaan dan wel de miskenning van het maatschappelijk doel van de schuldenaar-rechtspersoon niet verbonden tegenover de schuldeiser, dan kan de borg niettemin terugbetaling vorderen van de hoofdschuldenaar ten belope van diens verrijking. Deze regel geldt ook wanneer de hoofdschuldenaar niet geldig als rechtspersoon is opgericht.
Art. 9.1.26. Pluraliteit van borgen: onderling verhaal
In de gevallen bedoeld in artikel 9.1.21 hebben de stellers van persoonlijke zekerheden of stellers van zakelijke zekerheden op elkaar verhaal in verhouding tot ieders aandeel.
Het aandeel van iedere zekerheidssteller wordt bepaald door het breukdeel van het maximumrisico aangegaan door die zekerheidssteller en de som van de maximumrisico's aangegaan door alle zekerheidsstellers. Het doorslaggevende tijdstip is dat waarop de laatste zekerheid wordt gesteld.
Bij een persoonlijke zekerheid wordt het maximumrisico bepaald door het overeengekomen maximumbedrag van de zekerheid. Werd geen maximumbedrag overeengekomen, dan geldt het bedrag van de gewaarborgde verbintenis.
Bij een zakelijke zekerheid wordt het maximumrisico bepaald door het overeengekomen maximumbedrag van de zekerheid. Is er geen maximumbedrag overeengekomen, dan is de waarde van de tot zekerheid bezwaarde goederen bepalend.
De voorgaande regels zijn niet van toepassing op zakelijke zekerheden gesteld door de hoofdschuldenaar en op stellers van zekerheden waarop de schuldeiser op het tijdstip waarop hij werd voldaan geen aanspraak had kunnen maken.
Art. 9.1.27. Pluraliteit van borgen: verhaal tegenover de hoofdschuldenaar
Niettegenstaande enig andersluidend beding kan iedere borg die een verhaalsvordering van een andere zekerheidssteller heeft voldaan de terugbetaling vorderen van de hoofdschuldenaar van het bedrag dat hij aan de andere zekerheidssteller heeft betaald. Tot zekerheid daarvan is hij ten belope van zijn betaling gesubrogeerd in de rechten die de andere zekerheidssteller tegenover de hoofdschuldenaar heeft verkregen.
Art. 9.1.28. Verbintenissen van de borg voor nakoming
Vooraleer de schuldeiser te betalen, moet de borg de hoofdschuldenaar van zijn voornemen daartoe kennisgeven en bij deze informeren naar het uitstaande bedrag van de gewaarborgde verbintenis en diens excepties of tegenvorderingen.
Komt de borg na zonder zich te informeren of laat hij na een exceptie tegen te werpen die hem door de hoofdschuldenaar is meegedeeld of hem uit andere bronnen bekend is, dan is hij tegenover de hoofdschuldenaar aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade.
Niettegenstaande enig andersluidend beding, blijven de rechten van de borg tegenover de schuldeiser hierdoor onverlet.
Art. 9.1.29. Anticipatief verhaalsrecht
De borg kan, zelfs vooraleer hij betaald heeft, de hoofdschuldenaar in rechte aanspreken om door hem schadeloos gesteld te worden:
1° indien hij tot betaling in rechte vervolgd wordt;
2° indien de hoofdschuldenaar het voorwerp is van een insolventieprocedure of in staat van kennelijk onvermogen verkeert;
3° indien de hoofdschuldenaar zich verbonden heeft om hem binnen een bepaalde tijd het ontslag van zijn borgtocht te bezorgen;
4° indien de hoofdverbintenis opeisbaar is geworden door het verstrijken van de termijn waarop zij betaalbaar was gesteld;
5° na verloop van tien jaren, indien de hoofdverbintenis geen bepaalde vervaltijd heeft, tenzij de hoofdverbintenis van dien aard is dat zij niet voor een bepaalde tijd kan vervallen.
Afdeling 4. Tenietgaan van de borgtocht
Art. 9.1.30. Zelfstandige gronden
De verbintenis uit borgtocht gaat teniet door dezelfde oorzaken als de overige verbintenissen.
Wanneer de borgtocht een uitdovende tijdsbepaling bevat om de borg aan te spreken, dan is de borg bevrijd bij het verstrijken van de termijn indien de schuldeiser daarvan binnen die termijn geen kennisgeving heeft gedaan.
Art. 9.1.31. Schuldvermenging
Schuldvermenging in de persoon van de hoofdschuldenaar en van zijn borg, bijvoorbeeld wanneer de ene erfgenaam wordt van de andere, doet geenszins de schuldvordering teniet van de schuldeiser tegen hem die zich heeft borg gesteld voor de borg.
Art. 9.1.32. Verhinderde subrogatie
Niettegenstaande enig andersluidend beding is de borg bevrijd in de mate hij door de fout van de schuldeiser niet meer in de rechten of nuttige hypotheken, pandrechten en voorrechten van die schuldeiser kan treden. Het tijdstip waarop deze rechten zijn ontstaan, is hierbij zonder belang.
Art. 9.1.33. Inbetalinggeving
In geval van inbetalinggeving is de borg bevrijd, al wordt het ontvangen goed naderhand tegen de schuldeiser uitgewonnen.
Art. 9.1.34. Termijnverlenging
Eenvoudige termijnverlenging, door de schuldeiser aan de hoofdschuldenaar toegestaan, ontslaat de borg niet. Laatstgenoemde kan in dat geval de hoofdschuldenaar vervolgen, om hem tot betaling te verplichten.
Hoofdstuk 3. Autonome persoonlijke zekerheid
Art. 9.1.35. Toepassingsgebied
De geldigheid, de nadere regels, de omvang en het voortbestaan van de autonome garantie zijn niet afhankelijk van de geldigheid, de nadere regels, de omvang en het voortbestaan van de gewaarborgde verbintenis.
De autonome aard van een zekerheid komt niet in het gedrang door een louter algemene verwijzing naar een gewaarborgde verbintenis, daaronder begrepen een persoonlijke zekerheid.
Dit hoofdstuk is ook van toepassing op stand-by kredietbrieven.
Art. 9.1.36. Verbintenissen van de steller van de autonome garantie bij afroep van de autonome garantie
De steller van de autonome garantie is slechts tot betaling verplicht indien het verzoek tot betaling beantwoordt aan de in de autonome garantie gestelde nadere regels. De steller van de autonome garantie mag enkel rekening houden met het verzoek tot betaling om te bepalen of dit het geval is.
De steller van de autonome garantie moet na ontvangst van het verzoek tot betaling de opdrachtgever van de autonome garantie hiervan zonder verwijl op de hoogte brengen en meedelen of het verzoek daaraan al dan niet voldoet.
De steller van de autonome garantie kan aan de begunstigde alle excepties tegenwerpen die hij put uit zijn verhouding met deze laatste.
De steller van de autonome garantie kan geen excepties tegenwerpen die betrekking hebben op de gewaarborgde verbintenis of geput zijn uit zijn verhouding met de opdrachtgever van de autonome garantie of met diegene wiens verbintenissen worden gewaarborgd.
De steller van de autonome garantie moet zonder verwijl en ten laatste binnen zeven werkdagen na ontvangst van een schriftelijk verzoek tot betaling, het verzoek uitvoeren of de begunstigde op de hoogte brengen van zijn weigering en de redenen hiervan.
De steller van de autonome garantie is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door het niet nakomen van de verplichtingen van dit artikel.
Art. 9.1.37. Manifest abusief of bedrieglijk verzoek
De steller van de autonome garantie weigert een verzoek tot betaling indien in zijnen hoofde onmiddellijk blijkt dat het verzoek manifest abusief of bedrieglijk is.
In een dergelijk geval mag diegene die opdracht tot de autonome garantie gaf of wiens verbintenissen worden gewaarborgd, de nakoming door de steller van de autonome garantie of een verzoek daartoe door de begunstigde verbieden.
Art. 9.1.38. Recht op terugvordering van de steller van de autonome garantie
De steller van de autonome garantie is gerechtigd om wat de begunstigde heeft ontvangen van deze laatste terug te vorderen indien het verzoek tot betaling niet beantwoordde aan de voorwaarden van de autonome garantie.
Art. 9.1.39. Termijn
Indien rechtstreeks of onrechtstreeks een termijn werd bepaald, neemt de verbintenis van de steller van de autonome garantie een einde bij het verstrijken ervan.
Ieder verzoek tot betaling moet, om geldig te zijn, de steller van de autonome garantie bereiken voor het verstrijken van de termijn.
Werd geen termijn bepaald, dan is de autonome garantie opzegbaar met inachtneming van een redelijke opzegtermijn.
Art. 9.1.40. Overdracht
De overdracht van de gewaarborgde verbintenis heeft niet de overdracht van een autonome garantie tot gevolg.
Een autonome garantie kan niet worden overgedragen aan een andere begunstigde.
Na afroep van de autonome garantie kan de schuldvordering tot betaling worden overgedragen of verpand.
Art. 9.1.41. Rechten van de steller van de autonome garantie na nakoming
De steller van de autonome garantie kan van de opdrachtgever van de autonome garantie alle sommen terugvorderen die hij heeft betaald overeenkomstig artikel 9.1.36, eerste lid. Tot zekerheid daarvan is de steller van de autonome garantie binnen de grenzen van hetgeen hij betaald heeft, gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser tegenover de schuldenaar.
Hoofdstuk 4. Persoonlijke zekerheid gesteld door een consument
Art. 9.1.42. Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing wanneer een persoonlijke zekerheid wordt gesteld door een consument.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk is een consument te begrijpen in de zin van artikel I.1, 2°, van het Wetboek van economisch recht. Indien de hoofdschuldenaar een rechtspersoon is, is dit hoofdstuk niet van toepassing op de zekerheidssteller indien deze zekerheidssteller een substantiėle invloed kan uitoefenen op de besluitvorming van die rechtspersoon.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing indien de schuldeiser optreedt buiten zijn beroepsactiviteit, met uitzondering van de artikelen 9.1.46, eerste, tweede en vijfde lid, 9.1.47 en 9.1.50.
Art. 9.1.43. Toepasselijke regels
Voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald, gelden voor een persoonlijke zekerheid binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk de regels van de hoofdstukken 1 en 2.
Een consument kan geen andere persoonlijke zekerheid verlenen dan een borgtocht. Indien een consument een autonome garantie, sterkmaking tot uitvoering, bindende patronaatsverklaring of hoofdelijkheid tot zekerheid stelt, wordt deze van rechtswege omgezet in een borgtocht.
Men kan niet afwijken ten nadele van een zekerheidssteller van de regels van dit hoofdstuk, noch van de artikelen 9.1.12, 9.1.13, eerste en vierde lid, 9.1.14, eerste en tweede lid, 9.1.15, 9.1.21, 9.1.22, 9.1.29 en 9.1.32.
De schuldeiser draagt de bewijslast dat de persoonlijke zekerheidssteller op het ogenblik van de zekerheidsstelling geen consument is in de zin van artikel 9.1.42.
Na advies van de bijzondere raadgevende commissie Onrechtmatige bedingen bedoeld in de artikelen VI.86 en VI.87 van het Wetboek van economisch recht, kan de Koning bepalen welke vermeldingen moeten voorkomen in het contract, alsook de informatie met betrekking tot de hoofdverbintenis die het voorwerp uitmaakt van de borgtocht.
Art. 9.1.44. Precontractuele informatieplicht van de schuldeiser
Vooraleer een zekerheid wordt gesteld, moet de schuldeiser de beoogde zekerheidssteller de in artikel 5.16 bedoelde informatie verstrekken en deze meer bepaald inlichten over de omvang van de gewaarborgde schuldvordering, het algemene gevolg van de beoogde zekerheid en de bijzondere risico's waaraan de zekerheidssteller volgens de voor de schuldeiser toegankelijke informatie kan zijn blootgesteld in het licht van de financiėle situatie van de hoofdschuldenaar.
De schending van de informatieplicht wordt gesanctioneerd overeenkomstig artikel 5.17.
Het bewijs van de nakoming van deze informatieplicht is ten laste van de schuldeiser.
Art. 9.1.45. Vormvereisten
Op straffe van nietigheid moet de zekerheidsstelling het voorwerp uitmaken van een geschrift dat te onderscheiden is van het hoofdcontract, waaruit de toestemming van de zekerheidssteller blijkt.
Art. 9.1.46. Dekking
De persoonlijke zekerheid voor toekomstige schuldvorderingen is beperkt tot de schuldvorderingen die ontstaan uit een contract dat bestaat op het ogenblik dat de zekerheidssteller zich verbindt en dat precies in de zekerheidsstelling is aangeduid.
Het contract waarvan de schuldvorderingen zijn gewaarborgd, kan geen raamcontract als bedoeld in artikel 5.9 vormen. Het contract waarvan de schuldvorderingen zijn gewaarborgd, kan een uitvoeringscontract, dat reeds bestaat op het ogenblik van de zekerheidsstelling, van een raamcontract zijn.
De persoonlijke zekerheid wordt toegestaan voor een bepaald maximumbedrag, dat in de zekerheidsstelling precies wordt bepaald.
De gehoudenheid van de borg dekt de borgtocht binnen dit maximumbedrag voor de in artikel 9.1.20, § 2, bedoelde schuldvorderingen.
De accessoria waartoe de persoonlijke zekerheidssteller is gehouden, mogen niet groter zijn dan 50 % van de hoofdsom op het ogenblik dat de schuldeiser de borg aanspreekt.
Art. 9.1.47. Kennelijke wanverhouding
Een persoonlijke zekerheid dient in verhouding te staan tot het vermogen en de inkomsten van de zekerheidssteller.
In geval van een kennelijke wanverhouding ten tijde van het aangaan van de verbintenis, wordt de verbintenis van de zekerheidssteller herleid tot het bedrag dat hij kan voldoen op het ogenblik van de zekerheidsstelling.
De bewijslast van de kennelijke wanverhouding berust bij de persoonlijke zekerheidssteller.
Art. 9.1.48. Verplichting van de schuldeiser tot jaarlijkse informatie
De schuldeiser moet de zekerheidssteller jaarlijks informeren over de gewaarborgde verbintenis in hoofdsom, interest en andere accessoire verbintenissen verschuldigd door de hoofdschuldenaar op de dag van de informatie.
De schuldeiser is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door het niet of het laattijdig nakomen van deze informatieplicht.
Art. 9.1.49. Informatieplicht in geval van niet-nakoming
De schuldeiser moet zonder onnodig uitstel de zekerheidssteller informeren over de niet-nakoming door de hoofdschuldenaar en over een uitstel van opeisbaarheid. De kennisgeving moet inlichtingen bevatten over het bedrag van de gewaarborgde verbintenis in hoofdsom, interest en andere accessoire verbintenissen verschuldigd door de hoofdschuldenaar op de dag van de kennisgeving. Een bijkomende kennisgeving van een nieuwe achterstal in nakoming is niet vereist vooraleer drie maanden zijn verstreken sinds de vorige kennisgeving. De kennisgeving is niet vereist indien de niet-nakoming uitsluitend accessoire verbintenissen van de hoofdschuldenaar betreft, tenzij het totale bedrag van alle niet-nagekomen gewaarborgde verbintenissen vijf ten honderd van het uitstaande bedrag van de gewaarborgde verbintenis heeft bereikt.
De schuldeiser is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door het niet of laattijdig doen van de door dit artikel bedoelde kennisgeving.
Art. 9.1.50. Erfgenamen
De verbintenissen van de erfgenamen van een persoonlijke zekerheidssteller zijn beperkt tot het erfdeel dat aan elk van hen toekomt.
Hoofdstuk 5. Wettelijke borgtocht en gerechtelijke borgtocht
Art. 9.1.51. Voorwaarden
Wanneer iemand krachtens de wet of krachtens een rechterlijke beslissing verplicht is een borg te verlenen, moet de aangeboden borg voldoen aan de bij de artikelen 9.1.9 en 9.1.10 bedoelde vereisten.
Art. 9.1.52. Vervangende zekerheid
Hij die geen borg kan vinden, is gerechtigd een zakelijke zekerheid met een toereikend onderpand in de plaats te geven.
Art. 9.1.53. Voorrecht van uitwinning
Artikel 9.1.23 is niet van toepassing op de gerechtelijke borg.
Art. 9.1.54. Achterborg
Hij die zich enkel voor een gerechtelijke borg heeft borg gesteld, kan noch van de hoofdschuldenaar, noch van de borg de uitwinning vorderen.".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek
Art. 3. In boek III van het oud Burgerlijk Wetboek wordt titel XIV "Borgtocht", die de artikelen 2011 tot 2043octies bevat, opgeheven.
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
Art. 4. In artikel VII.111 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en vervangen bij de wet van 22 april 2016, worden de woorden "artikel 2021" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.22 en 9.1.23".
Art. 5. In artikel VII.147/28 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 april 2016, worden de woorden "artikel 2021" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.22 en 9.1.23".
Art. 6. In artikel XX.54 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wet van 7 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 worden de woorden "artikelen 2043bis tot 2043octies van het oud Burgerlijk Wetboek" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.42 tot 9.1.50 van het Burgerlijk Wetboek";
2° in de paragrafen 3 en 4 worden de woorden "natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld" telkens vervangen door de woorden "consument die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 7. In artikel XX.66 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "de natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld" vervangen door de woorden "de consument die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 8. In artikel XX.82, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het zesde lid worden de woorden "artikelen 2043bis tot 2043octies van het Oud Burgerlijk Wetboek" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.42 tot 9.1.50 van het Burgerlijk Wetboek";
2° in het zevende lid worden de woorden "natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld" vervangen door de woorden "consument die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 9. In artikel XX.83/20, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het zesde lid worden de woorden "artikelen 2043bis tot 2043octies van het Oud Burgerlijk Wetboek" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.42 tot 9.1.50 van het Burgerlijk Wetboek";
2° In het zevende lid worden de woorden "natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid heeft gesteld" vervangen door de woorden "consument die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 10. In artikel XX.103, eerste lid, 6°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker gesteld hebben" vervangen door de woorden "consumenten die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 11. In artikel XX.156, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld" vervangen door de woorden "consument die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 12. In artikel XX.175 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wet van 7 juni 2023, worden de woorden "artikelen 2043bis tot 2043octies van het Oud Burgerlijk Wetboek" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.42 tot 9.1.50 van het Burgerlijk Wetboek".
Art. 13. In artikel XX.176, eerste lid, van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wet van 7 juni 2023, worden de woorden "natuurlijke persoon die zich persoonlijk kosteloos zeker heeft gesteld" vervangen door de woorden "consument die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek".
Afdeling 3. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 14. In artikel 1675/11, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998, worden de woorden "2028 tot 2032 en 2039" vervangen door de woorden "9.1.25 tot 9.1.29 en 9.1.34".
Art. 15. In artikel 1675/16bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "natuurlijke personen die kosteloos een persoonlijke zekerheid hebben gesteld" vervangen door de woorden "consumenten die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid" vervangen door de woorden "consument die een persoonlijke zekerheid in de zin van artikel 9.1.42, eerste en tweede lid van het Burgerlijk Wetboek".
Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen
Art. 16. In artikel 8/1, § 2, van de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen, ingevoegd bij de wet 21 van december 2017, worden de woorden "artikelen 2043bis tot 2043octies" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.42 tot 9.1.50".
Afdeling 5. - Wijziging van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap
Art. 17. In artikel 57 van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, gewijzigd bij de wet van 23 maart 2019, worden de woorden "artikelen 2011 tot 2039" vervangen door de woorden "artikelen 9.1.10 tot 9.1.33".
HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepaling
Art. 18. Deze wet is van toepassing op alle persoonlijke zekerheden die zijn gesteld na de inwerkingtreding van deze wet.
Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, is deze wet niet van toepassing en blijven de vorige regels van toepassing op de toekomstige gevolgen van persoonlijke zekerheden die zijn gesteld voor de inwerkingtreding van deze wet.
HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding
Art. 19. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Parlementaire werkzaamheden
Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 56-0261 Integraal Verslag: 15 mei 2025.
Handtekening
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 5 juni 2025.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
A. VERLINDEN
Met ?s Lands zegel gezegeld:
De Minister van Justitie,
A. VERLINDEN
Aanhef
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :