Titel
13 DECEMBER 2017. - Koninklijk besluit houdende oprichting van de bijzondere raadgevende commissie " Verbruik " binnen de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en tot opheffing van de Commissie voor Milieu-etikettering en milieureclame(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2017 en tekstbijwerking tot 02-08-2023)
Bron: Economie, KMO, Middenstand en Energie
Publicatie: 28 december 2017
Nummer: 2017040989
bladzijde: 115653
Dossiernummer: 2017-12-13/14
Inwerkingtreding : 1 januari 2018
Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd:
1964022008 1994011039 1995011029 1998011096 2001081450 2002011065 2007011179 2007011219 1990003737 2011011331 2006023146 2007A11412 2009021138 1998022861 1993018062 2014011239 2002003392Inhoudstafel
Art. 1-14Tekst
Artikel 1. Binnen de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven wordt een bijzondere raadgevende commissie genaamd `'Verbruik" opgericht, hierna genoemd "de Commissie".Art. 2. Onverminderd de toepassing van artikel XIII.6 van het Wetboek van economisch recht, bestaat de opdracht van de Commissie erin om:
1° adviezen uit te brengen over problemen die de consumptie van producten en het gebruik van de diensten aanbelangen en over problemen die voor de consumenten van belang zijn;
2° voorstellen doen inzake de acties die worden ondernomen of nog moeten worden ondernomen in het voordeel van de consument;
3° gedachtewisseling en overleg mogelijk te maken tussen de vertegenwoordigers van de consumentenorganisaties en de vertegenwoordigers van de organisaties van de productie, de distributie, de landbouw en de middenstand, over alles wat de problemen van de consument aanbelangt;
4° documentatie te zoeken en te verzamelen over de consumptieproblemen in het algemeen, de daarmee samenhangende onderzoekswerkzaamheden te volgen en aan te moedigen, alsook de acties, ondernomen om de consument te informeren, te coördineren en te harmoniseren.
Met betrekking tot de veiligheid en de gezondheid van de consumenten heeft de Commissie eveneens tot opdracht:
1° advies uit te brengen bij het opstellen van reglementering die verband houdt met de bescherming van de veiligheid en gezondheid van de gebruikers;
2° advies te geven over het beleid van de federale overheid inzake de bescherming van de veiligheid en gezondheid van de gebruikers en de consumenten ten gevolge van het op de markt brengen en het gebruik van producten;
3° advies te geven aan de minister wanneer men het publiek moet inlichten over risico's en algemene problemen bij specifieke producten of diensten;
4° het overleg te organiseren tussen de producenten, de distributeurs, de gebruikers, de overheid en de gespecialiseerde instellingen.
Art. 3. § 1. De effectieve en plaatsvervangende leden, bedoeld in artikel XIII.7 van het Wetboek van economisch recht, worden aangeduid als volgt:
1° dertien leden ter vertegenwoordiging van de consumentenorganisaties;
2° acht leden ter vertegenwoordiging van de organisaties van de productie;
3° twee leden ter vertegenwoordiging van de organisaties van de distributie;
4° twee leden ter vertegenwoordiging van de organisaties van de middenstand;
5° één lid ter vertegenwoordiging van de organisaties van de landbouw.
§ 2. De ondervoorzitters worden benoemd onder de effectieve leden van de Commissie, op de respectieve voordracht van de leden die de consumentenorganisaties vertegenwoordigen en van de leden die de organisaties van de productie, de distributie, de landbouw en de middenstand vertegenwoordigen.
§ 3. De effectieve leden en hun plaatsvervangers worden benoemd onder de kandidaten voorgesteld door de representatieve consumentenorganisaties en de representatieve organisaties van de productie, de distributie, de landbouw en de middenstand
§ 4. De voorzitter wordt benoemd voor een termijn van zes jaar. De ondervoorzitters, de effectieve leden, hun plaatsvervangers en de leden befaamd wegens hun wetenschappelijke of technische waarde worden benoemd voor een termijn van vier jaar.
Art. 4. De zittingen zijn niet openbaar.
Art. 5. Het secretariaat wordt waargenomen door de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. De FOD Economie en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven sluiten hiertoe een dienstverleningsovereenkomst.
Art. 6.[1 Aan de voorzitter, ondervoorzitters, voor de vergaderingen van de subcommissies die zij voorzitten, en leden befaamd wegens hun wetenschappelijke of technische waarde van de Commissie die geen lid zijn van het rijkspersoneel in de zin bepaald door het koninklijk van 2 oktober 1937 houdende statuut van het rijkspersoneel, wordt per zitting een presentiegeld toegekend waarvan het bedrag vastgesteld is als volgt:
a) 120,5 euro aan de voorzitter, en
b) 75 euro aan de ondervoorzitters en de leden befaamd wegens hun wetenschappelijke of technische waarde.]1
----------
(1)<KB 2023-05-29/08, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2023>
Art. 7.[1 Aan de voorzitter, ondervoorzitters, voor de vergaderingen van de subcommissies die zij voorzitten, en leden befaamd wegens hun wetenschappelijke of technische waarde van de Commissie, die hun hoofdactiviteit hebben buiten de Brusselse agglomeratie, worden de reiskosten terugbetaald die zij hebben gedragen, op basis van de wettelijke afstand tussen hun woonplaats en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de kostprijs van een treintraject 2e klas over deze afstand.]1
----------
(1)<KB 2023-05-29/08, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2023>
Art. 8. De werkingsmiddelen die in de begroting van de FOD Economie werden voorbehouden voor de Raad voor het Verbruik en de Commissie voor de Veiligheid van de Consumenten, worden overgeheveld en toegevoegd aan de toelage van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.
Art. 9. Het mandaat van de voorzitter, zoals toegekend bij het ministerieel besluit van 1 oktober 2014 tot benoeming van de voorzitter van de Raad voor het Verbruik, neemt een einde op 14 november 2018, en de mandaten van de ondervoorzitters, zoals toegekend bij het ministerieel besluit van 9 oktober 2014 tot benoeming van de ondervoorzitters van de Raad voor het Verbruik, en van de leden, zoals toegekend bij het ministerieel besluit van 14 juli 2014 tot benoeming van de leden van de Raad voor het Verbruik, nemen een einde op 31 december 2017.
Art. 10. Artikel 8 van het koninklijk besluit van 27 april 2007 ter bepaling van werkingscriteria en de modaliteiten van de controle op de werking van tussenkomende organismen, wordt vervangen als volgt:
"Art. 8. Alvorens maatregelen te nemen in uitvoering van artikelen 3, 4 en 5 raadpleegt de Minister of zijn gemachtigde het betrokken tussenkomend organisme.".
Art. 11. De woorden "Commissie voor de Veiligheid van de Consumenten" en "Raad voor het Verbruik" worden telkens vervangen door de woorden "bijzondere raadgevende commissie Verbruik" in de volgende wetsbepalingen:
1° artikel 224 van de wet van 4 december 1990 op de financiėle transacties en de financiėle markten;
2° artikel 17 van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten;
3° artikel 19, § 1, van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers;
4° artikel 7, § 3, van de wet van 27 februari 2002 ter bevordering van sociaal verantwoorde productie;
5° artikelen 30bis en 127, § 1, 4°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiėle sector en de financiėle diensten;
6° de artikelen 4, § 2, 8 en 10, § 2, van de kaderwet van 24 september 2006 betreffende het voeren van de beroepstitel van een dienstverlenend intellectueel beroep en het voeren van de beroepstitel van een ambachtelijk beroep;
7° artikel 22, § 2, van de kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen;
8° artikel 20 van de wet van 28 augustus 2011 betreffende de bescherming van de consumenten inzake overeenkomsten betreffende het gebruik van goederen in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling;
9° artikel 184 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen;
10° artikel 301, § 2, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen;
11° de artikelen I.8, 29°, VI.1, § 2, VI.9, § 2, VI.30, VI.35, § 2, VI.89, § 3, VI.119, VI.123, VII. 217, VII.218, IX.4, §§ 1 en 5, IX.5, § 5, IX.14, 2°, XI.336, § 2, eerste lid, 4°, XIV.17, § 2, XV.19, 1°, XVII.7, eerste lid, 4°, XVII.28 en XVII.39, tweede lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht.
Art. 12. Worden opgeheven:
1° de wet van 9 februari 1994 betreffende de veiligheid van producten en diensten, laatst gewijzigd bij de wet van 20 november 2013;
2° artikel VI.36 van het Wetboek van economisch recht;
3° het koninklijk besluit van 20 februari 1964 tot oprichting van een Raad voor het Verbruik, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 januari 1997;
4° het koninklijk besluit van 28 april 1965 houdende toekenning van presentiegelden aan de voorzitter, leden, plaatsvervangende leden en deskundigen van de Raad voor het Verbruik, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 juni 2001;
5° het koninklijk besluit van 13 januari 1995 houdende oprichting van de Commissie voor Milieu-etikettering en milieureclame, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 juli 2001;
6° het koninklijk besluit van 2 maart 1998 betreffende de werkingswijze van de Commissie voor de Veiligheid van de Consumenten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 juli 2001;
7° het koninklijk besluit van 21 april 2007 tot toekenning van bijkomende opdrachten aan de Commissie voor de Veiligheid van de Consumenten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007.
Art. 13. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2018.
Art. 14. De minister bevoegd voor Economie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Handtekening
Gegeven te Brussel, 13 december 2017.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Economie en Consumenten,
K. PEETERS
Aanhef
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op het Wetboek van economisch recht, artikel IX.11, ingevoegd bij de wet van 25 april 2013, en de artikelen XIII.7, eerste en tweede lid, XIII.8, XIII.9 en XIII.17, ingevoegd bij de wet van 15 december 2013;
Gelet op de wet van 4 december 1990 op de financiėle transacties en de financiėle markten;
Gelet op de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten;
Gelet op de wet van 9 februari 1994 betreffende de veiligheid van producten en diensten;
Gelet op de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers;
Gelet op de wet van 27 februari 2002 ter bevordering van sociaal verantwoorde productie;
Gelet op de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiėle sector en de financiėle diensten;
Gelet op de kaderwet van 24 september 2006 betreffende het voeren van de beroepstitel van een dienstverlenend intellectueel beroep en het voeren van de beroepstitel van een ambachtelijk beroep;
Gelet op de kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen;
Gelet op de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen;
Gelet op de wet van 28 augustus 2011 betreffende de bescherming van de consumenten inzake overeenkomsten betreffende het gebruik van goederen in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling;
Gelet op de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen;
Gelet op het Wetboek van economisch recht, de artikelen I.8, 29°, VI.1, § 2, VI.9, § 2, VI.30, VI.35, § 2, VI.36, VI.89, § 3, VI.119, VI.123, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, de artikelen VII. 217 en VII.218, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en gewijzigd bij de wet van 22 april 2016, artikelen IX.4, §§ 1 en 5, IX.5, § 5 en IX.14, 2°, ingevoegd bij de wet van 25 april 2013, artikel XI.336, § 2, eerste lid, 4°, ingevoegd bij de wet van 10 april 2014, artikel XIV.17, § 2, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, artikel XV.19, 1° ; ingevoegd bij de wet van 20 november 2013, de artikelen XVII.7, eerste lid, 4°, en XVII.28, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013, en artikel XVII.39, tweede lid, 1°, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013 en vervangen bij de wet van 18 april 2017;
Gelet op het koninklijk besluit van 20 februari 1964 tot oprichting van een Raad voor het Verbruik;
Gelet op het koninklijk besluit van 28 april 1965 houdende toekenning van presentiegelden aan de voorzitter, leden, plaatsvervangende leden en deskundigen van de Raad voor het Verbruik;
Gelet op het koninklijk besluit van 13 januari 1995 houdende oprichting van de Commissie voor Milieu-etikettering en milieureclame;
Gelet op het koninklijk besluit van 2 maart 1998 betreffende de werkingswijze van de Commissie voor de Veiligheid van de Consumenten;
Gelet op het koninklijk besluit van 21 april 2007 tot toekenning van bijkomende opdrachten aan de Commissie voor de Veiligheid van de Consumenten;
Gelet op het koninklijk besluit van 27 april 2007 ter bepaling van werkingscriteria en de modaliteiten van de controle op de werking van tussenkomende organismen;
Gelet op de adviezen van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, gegeven op 21 mei 2014, 24 februari 2016 en 18 juli 2017;
Gelet op het advies van de Commissie voor de Veiligheid van de Consumenten, gegeven op 3 juli 2017;
Gelet op de adviezen van de Raad voor het Verbruik, gegeven op 5 juni 2014 en 5 juli 2017;
Gelet op het advies van de inspecteur van Financiėn, gegeven op 3 mei 2017;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 18 juli 2017;
Gelet op het advies 62.282/1 van de Raad van State gegeven op 8 november 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Overwegende de mogelijkheid die Boek XIII van het Wetboek van economisch recht voorziet om de raadgevende commissies die als bevoegdheid hebben het uitbrengen van adviezen met algemene draagwijdte betreffende economische aangelegenheden, te integreren binnen de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, onder de vorm van een bijzondere raadgevende commissie;
Gelet op het akkoord van de Ministerraad, gegeven op 6 oktober 2017;
Op de voordracht van de Minister van Economie en Consumenten en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Wijziging(en)
- Koninklijk Besluit van 29-05-2023 gepubliceerd op 02-08-2023
Gewijzigde artikelen :
6; 7