einde

Publicatie : 2020-08-05

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN

20 JULI 2020. - Wet houdende diverse bepalingen tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten (1)



FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :
HOOFDSTUK 1 - Algemene bepalingen
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Art. 2. Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering en tot wijziging van de richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU.
Artikel 131/1, § 2, voorziet in de gedeeltelijke omzetting van artikel 117, lid 5, van richtlijn 2013/36/EU betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2019/878 tot wijziging van richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen.
HOOFDSTUK 2 - Wijzigingen van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België
Art. 3. In artikel 35, § 1, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, gewijzigd bij de wet van 13 maart 2016 en het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "en behalve wanneer zij informatie verstrekken in het kader van parlementaire onderzoekscommissies," ingevoegd tussen de woorden "Behalve wanneer zij worden opgeroepen om in strafzaken te getuigen," en de woorden "zijn de Bank en de leden en gewezen leden van haar organen en van haar personeel aan het beroepsgeheim gebonden";
2° in hetzelfde lid worden de woorden "de Bank en de leden en gewezen leden van haar organen en van haar personeel" vervangen door de woorden "de Bank, de leden en gewezen leden van haar organen en van haar personeel en de deskundigen waarop zij een beroep doet";
3° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"De in het eerste lid bedoelde personen worden vrijgesteld van de verplichting waarvan sprake in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering.".
Art. 4. Artikel 35/1, § 1, 1°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 18 september 2017, wordt opgeheven.
Art. 5. In dezelfde wet wordt een artikel 35/3 ingevoegd, luidende :
"Art. 35/3. Artikel 35 is van toepassing op de erkende commissarissen, op de bedrijfsrevisoren en op de deskundigen wat de informatie betreft waarvan zij kennis hebben genomen in het kader van de opdrachten van de Bank of in het kader van de verificaties, expertises of verslagen die de Bank hen, in het kader van haar opdrachten als bedoeld in de artikelen 36/2 en 36/3, heeft gelast uit te voeren dan wel voor te leggen.
Het eerste lid en artikel 86, § 1, eerste lid, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, zijn niet van toepassing op de mededeling van informatie aan de Bank die is voorgeschreven of toegestaan door de wettelijke of reglementaire bepalingen die de opdrachten van de Bank regelen.".
Art. 6. Artikel 36/1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, wordt aangevuld met de bepalingen onder 30° tot 32°, luidende :
"30° "wet van 18 september 2017" : de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
31° "Verordening GTM" : Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen;
32° "richtlijn 2015/849" : richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie.".
Art. 7. In artikel 36/2, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 september 2017, worden de woorden "De Bank heeft eveneens als opdracht, overeenkomstig artikel 12bis, de bepalingen van dit hoofdstuk, en in de mate waarin de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten hierin voorziet," vervangen door de woorden "De Bank heeft eveneens als opdracht, overeenkomstig artikel 12bis, de bepalingen van dit hoofdstuk, en in de mate waarin artikel 85 van de wet van 18 september 2017 hierin voorziet,".
Art. 8. In artikel 36/4 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de woorden "een instelling die onder haar prudentieel toezicht staat" vervangen door de woorden "een instelling die overeenkomstig artikel 36/2 onder haar toezicht staat".
Art. 9. In hoofdstuk IV/1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, wordt een Afdeling 3ter ingevoegd, luidende "Beroepsgeheim - finaliteitsbeginsel".
Art. 10. In Afdeling 3ter, ingevoegd bij artikel 9, wordt een artikel 36/12/4 ingevoegd, luidende :
"Art. 36/12/4. De Bank mag de informatie die zij ontvangt in het kader van haar bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 36/2 en 36/3 enkel gebruiken voor de uitvoering van haar opdrachten, met name om sancties op te leggen of in het kader van een beroepsprocedure of rechtsvordering die wordt ingesteld tegen een beslissing van de Bank. In het kader van de in artikel 36/2, § 1, bedoelde opdrachten mag de informatie met name worden gebruikt om toezicht uit te oefenen op de naleving van de voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheden van de instellingen die krachtens artikel 36/2 onder haar toezicht staan en om het toezicht, op individuele of geconsolideerde basis, op de naleving van de voorwaarden voor de uitoefening van deze werkzaamheden te vergemakkelijken, om corrigerende maatregelen of sancties op te leggen, of, in voorkomend geval, in het kader van het buitengerechtelijk mechanisme voor de behandeling van klachten van beleggers.".
Art. 11. In hoofdstuk IV/1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, wordt het opschrift van Afdeling 4 vervangen als volgt : "Uitzonderingen op het beroepsgeheim".
Art. 12. In Afdeling 4, waarvan het opschrift wordt gewijzigd bij artikel 11, wordt een Onderafdeling 1 ingevoegd, luidende "Opdracht op het gebied van de voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme", waarin artikel 36/13 wordt opgenomen.
Art. 13. Artikel 36/13 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 13 maart 2016, wordt hersteld als volgt :
"Art. 36/13. § 1. In afwijking van artikel 35 en binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie en van de bepalingen van de bijzondere wetten, in het bijzonder van de wet van 18 september 2017, mag de Bank aan de volgende autoriteiten en instellingen vertrouwelijke informatie meedelen die zij in het kader van de uitvoering van haar in artikel 36/2, § 2, bedoelde taken heeft ontvangen :
1° aan de Belgische toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85 van de wet van 18 september 2017;
2° aan de toezichtautoriteiten van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte alsook aan de toezichtautoriteiten van derde Staten die één of meerdere toezichtsbevoegdheden uitoefenen op grond van richtlijn 2015/849 of van gelijkwaardige bepalingen van hun nationaal recht;
3° aan de FSMA;
4° aan de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie, in zijn hoedanigheid van toezichthouder in de zin van artikel 120/2, 7°, van de wet van 18 september 2017;
5° aan de bevoegde autoriteiten van de Europese Unie en van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en aan de bevoegde autoriteiten van derde Staten die taken uitvoeren op het gebied van het toezicht op de naleving van de Europees- of nationaalrechtelijke bepalingen betreffende het toezicht op de kredietinstellingen en/of financiële instellingen als bedoeld in artikel 2, leden 1 en 2 van richtlijn 2015/849 of van gelijkwaardige bepalingen van nationaal recht, alsook aan de Europese Centrale Bank voor wat betreft de taken die haar zijn opgedragen bij de GTM-verordening;
6° aan de CFI;
7° aan de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën, indien het recht van de Europese Unie of een wettelijke of reglementaire bepaling inzake financiële sancties (met name de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's die in artikel 4, 6° van de wet van 18 september 2017 zijn opgenomen) in de mededeling van vertrouwelijke informatie voorziet, of wanneer de Algemene Administratie van de Thesaurie optreedt als autoriteit die toezicht houdt op de naleving van Verordening (EG) nr. 2271/96 van de Raad van 22 november 1996 tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen;
8° binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, aan de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen en aan de Europese Bankautoriteit.
§ 2. De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie krachtens paragraaf 1 meedelen op de volgende voorwaarden :
1° de autoriteiten of instellingen die de informatie ontvangen, gebruiken deze voor de uitvoering van hun opdrachten, met inbegrip van de mededeling van deze informatie aan derden ingevolge een wettelijke verplichting van deze autoriteiten of instellingen; in de andere gevallen kan de Bank evenwel toestaan, binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, dat de ontvangers van de informatie deze bekendmaken aan derden, mits de Bank daar voorafgaandelijk mee heeft ingestemd en, in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de door de Bank toegestane doeleinden bekendgemaakt wordt;
2° wat de aldus aan hen meegedeelde informatie betreft, zijn deze buitenlandse autoriteiten of instellingen aan een beroepsgeheim gebonden dat gelijkwaardig is aan dat van artikel 35;
3° indien de betrokken informatie wordt uitgewisseld met de autoriteiten van een derde Staat, is er een samenwerkingsovereenkomst gesloten;
4° indien de betrokken informatie afkomstig is van een autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, mag zij enkel bekendgemaakt worden aan een autoriteit van een derde Staat mits de autoriteit die de informatie heeft verstrekt uitdrukkelijk akkoord gaat met deze bekendmaking, en, in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de door deze autoriteit toegestane doeleinden bekendgemaakt wordt.
§ 3. Onverminderd de strengere bepalingen van de bijzondere wetten die op hen van toepassing zijn, zijn de in paragraaf 1 bedoelde Belgische personen, autoriteiten en instellingen, wat de vertrouwelijke informatie betreft die zij van de Bank ontvangen met toepassing van paragraaf 1, gebonden door het beroepsgeheim als bedoeld in artikel 35.".
Art. 14. In Afdeling 4, waarvan het opschrift wordt gewijzigd bij artikel 11, wordt een Onderafdeling 2 ingevoegd, getiteld "Prudentiële toezichtsopdracht", waarin artikel 36/14 wordt opgenomen.
Art. 15. In artikel 36/14 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 :
a) wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "die zij ontvangen heeft in het kader van de uitvoering van haar in artikel 36/2, § 1 bedoelde opdrachten :";
b) in de bepaling onder 2° :
i) worden de woorden "van de Europese richtlijnen" vervangen door de woorden "van het recht van de Europese Unie";
ii) worden de woorden "Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen" vervangen door de woorden "de GTM-verordening";
c) wordt een bepaling onder 2° /1 ingevoegd, luidende :
"2° /1 binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte die één of meerdere toezichtsbevoegdheden uitoefenen ten aanzien van de onderworpen entiteiten die worden opgesomd in artikel 2, lid 1, punten 1) en 2) van richtlijn (EU) 2015/849, met het oog op de naleving van die richtlijn en in het kader van de uitvoering van de opdracht die hen is opgedragen bij die richtlijn;";
d) in de bepaling onder 3° :
i) worden de woorden "de Europese richtlijnen" vervangen door de woorden "het recht van de Europese Unie";
ii) worden de woorden ", met inbegrip van de autoriteiten die soortgelijke bevoegdheden hebben als de in de bepaling onder 2° /1 bedoelde autoriteiten," ingevoegd tussen de woorden "de artikelen 36/2 en 36/3" en de woorden "en waarmee de Bank een samenwerkingsovereenkomst voor de uitwisseling van informatie heeft gesloten;";
e) in de bepaling onder 7° worden de woorden "de Europese richtlijnen" vervangen door de woorden "het recht van de Europese Unie";
f) wordt de bepaling onder 13° opgeheven;
g) wordt de bepaling onder 14° vervangen als volgt :
"14° aan de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën, indien het recht van de Europese Unie of een wettelijke of reglementaire bepaling inzake financiële sancties (met name de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's die in artikel 4, 6°, van de wet van 18 september 2017 zijn opgenomen) in de mededeling van vertrouwelijke informatie voorziet, of wanneer de Algemene Administratie van de Thesaurie optreedt als autoriteit die toezicht houdt op de naleving van Verordening (EG) nr. 2271/96 van de Raad van 22 november 1996 tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen;";
h) worden in de bepaling onder 15° de woorden "de Europese richtlijnen" vervangen door de woorden "het recht van de Europese Unie";
i) wordt een bepaling onder 25° ingevoegd, luidende :
"25° aan de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie, in het kader van de uitvoering van zijn opdracht bedoeld in artikel 85, § 1, 5°, van de wet van 18 september 2017 ten aanzien van de entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 21°, van dezelfde wet.";
2° paragrafen 2 en 3 worden vervangen als volgt :
" § 2. De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie krachtens paragraaf 1 meedelen op de volgende voorwaarden :
1° de autoriteiten of instellingen die de informatie ontvangen, gebruiken deze voor de uitvoering van hun opdrachten, met inbegrip van de mededeling van deze informatie aan derden ingevolge een wettelijke verplichting van deze autoriteiten of instellingen; in de andere gevallen kan de Bank toestaan, binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, dat de ontvangers van de informatie deze bekendmaken aan derden, mits de Bank daar voorafgaandelijk mee heeft ingestemd en, in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de door de Bank toegestane doeleinden bekendgemaakt wordt;
2° Wat de aldus aan hen meegedeelde informatie betreft, zijn deze buitenlandse autoriteiten of instellingen aan een beroepsgeheim gebonden dat gelijkwaardig is aan dat van artikel 35; en
3° indien de betrokken informatie afkomstig is van een autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, mag zij enkel bekendgemaakt worden aan de volgende autoriteiten of instellingen mits de autoriteit die de informatie heeft verstrekt uitdrukkelijk akkoord gaat met deze bekendmaking, en, in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de door deze autoriteit toegestane doeleinden bekendgemaakt wordt :
a) de in paragraaf 1, 5°, 6°, 8° en 11°, bedoelde autoriteiten of instellingen;
b) de in paragraaf 1, 3°, 5°, 8°, 9°, 11°, 18° en 22°, bedoelde autoriteiten of instellingen van derde Staten;
c) autoriteiten of instellingen van derde Staten die opdrachten uitvoeren die gelijkwaardig zijn aan die van de FSMA.
§ 3. Onverminderd de strengere bepalingen van de bijzondere wetten die op hen van toepassing zijn, zijn de in paragraaf 1 bedoelde Belgische personen, autoriteiten en instellingen, wat de vertrouwelijke informatie betreft die zij van de Bank ontvangen met toepassing van paragraaf 1, gebonden door het beroepsgeheim als bedoeld in artikel 35.".
Art. 16. Artikel 36/15, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 en gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, wordt opgeheven.
Art. 17. In hoofdstuk IV/1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, wordt na artikel 36/15, opgeheven bij artikel 16, een Afdeling 4/1 ingevoegd, luidende "Samenwerking met de buitenlandse autoriteiten en uitwisseling van informatie".
Art. 18. In Afdeling 4/1, ingevoegd bij artikel 17, wordt een Onderafdeling 1 ingevoegd, luidende "Algemene samenwerkingsverplichting", waarin artikel 36/16 wordt opgenomen.
Art. 19. In artikel 36/16 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 november 2013 en de wet van 13 maart 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 :
a) in het eerste lid worden de woorden "Onverminderd de artikelen 35 en 36/13 tot 36/15, en de bepalingen in bijzondere wetten" vervangen door de woorden "Onverminderd de artikelen 35, 35/2, 35/3, 36/13 en 36/14 en de bepalingen in bijzondere wetten";
b) wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
"In het bijzonder werkt de Bank voor de toepassing van richtlijn 2015/849 samen, in het kader van haar in artikel 36/2, § 1, bedoelde bevoegdheden, met de buitenlandse bevoegde autoriteiten bedoeld in de artikelen 130 en 131/1 van de wet van 18 september 2017.";
c) in het derde lid worden de woorden "Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen" vervangen door de woorden "de GTM-verordening";
2° wordt paragraaf 3, opgeheven bij de wet van 13 maart 2016, hersteld als volgt :
" § 3. Onverminderd de artikelen 35, 35/2, 35/3, 36/13 en 36/14 en de bepalingen van bijzondere wetten sluit de Bank samenwerkingsovereenkomsten met de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen betreffende de materie van de aanvullende ziekteverzekering door de maatschappijen van onderlinge bijstand bedoeld in de artikelen 43bis, § 5 en 70, §§ 6, 7 en 8, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen. De samenwerkingsovereenkomsten regelen onder meer de uitwisseling van informatie en de eenvormige toepassing van de betrokken wetgeving.".
Art. 20. In Afdeling 4/1, ingevoegd bij artikel 17, wordt een Onderafdeling 2 ingevoegd, luidende "Uit richtlijn 2014/65/EU voortvloeiende specifieke verplichtingen tot samenwerking in het kader van de prudentiële toezichtsopdracht", waarin artikel 36/17 wordt opgenomen.
Art. 21. In artikel 36/17 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 november 2013 en de wetten van 25 oktober 2016 en 21 november 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 1°, worden de woorden "bevoegdheden die haar zijn verleend, krachtens de Belgische wetten. De Bank beschikt hiertoe inzonderheid over de bevoegdheden die haar bij deze wet zijn toegekend. De Bank" vervangen door de woorden "wettelijke bevoegdheden waarover zij beschikt en";
2° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 22. Artikel 36/18 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, wordt opgeheven.
HOOFDSTUK 3 - Wijzigingen van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
Art. 23. In artikel 75 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de bepaling onder 15° worden de woorden "binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie," geschrapt;
b) de bepaling onder 16° wordt vervangen als volgt :
"16° aan de Algemene Administratie van de Thesaurie als een dergelijke mededeling is voorgeschreven door het recht van de Europese Unie of door een wettelijke of reglementaire bepaling over financiële sancties (met name de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's als gedefinieerd in artikel 4, 6° van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten) of als de Algemene Administratie van de Thesaurie optreedt in de hoedanigheid van toezichthouder die zorgt voor de naleving van Verordening (EG) nr. 2271/96 van de Raad van 22 november 1996 tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen;";
2° in paragraaf 5 worden de woorden "die rechtstreeks van toepassing zijn" vervangen door de woorden "of de bijzondere wetten waarin de opdracht van de FSMA is vastgelegd".
Art. 24. In artikel 77 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, worden de woorden "de Europese Gemeenschappen" telkens vervangen door de woorden "de Europese Unie".
Art. 25. In artikel 77bis, § 5, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, worden de woorden ", b)" geschrapt.
Art. 26. In artikel 77quater van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, worden de woorden "sluiten de Bank en de FSMA" vervangen door de woorden "sluit de FSMA".
HOOFDSTUK 4 - Wijziging van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten
Art. 27. In artikel 8, eerste lid, van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden in de bepaling onder 12° de woorden "of enige andere wettelijke of reglementaire bepaling waarop zij toeziet" ingevoegd tussen de woorden "ter uitvoering van deze wet" en het woord ", verricht".
HOOFDSTUK 5 - Wijziging van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen
Art. 28. In artikel 266, eerste lid, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 april 2019, worden in de bepaling onder 12° de woorden "of enige andere wettelijke of reglementaire bepaling waarop zij toeziet" ingevoegd tussen de woorden "ter uitvoering van deze wet" en het woord ", verricht".
HOOFDSTUK 6 - Wijzigingen van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten
Art. 29. In artikel 1, § 2, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de eerste zin worden de woorden ", alsook de financiering van de proliferatie van massavernietigingswapens" ingevoegd na de woorden "financiering van terrorisme";
2° de tweede zin wordt vervangen als volgt :
"Ze verzekert de gedeeltelijke omzetting van de richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie, en van richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering en tot wijziging van de richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU.".
Art. 30. In de Franse tekst van artikelen 2 en 3 van dezelfde wet worden de woorden "la présente loi, des arrêtés" vervangen door de woorden "la présente loi et des arrêtés".
Art. 31. In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de bepalingen onder 5° /1 tot 5° /3 worden ingevoegd, luidende :
"5° /1 "Verordening 2016/679" : Verordening (EU) 2016/679 van het Europees parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);
5° /2 "Europese verordening betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten" :
a) tot en met 2 juni 2021, Verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten;
b) vanaf 3 juni 2021, Verordening (EU) 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1889/2005;
5° /3 "Verordening 910/2014" : Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG;";
b) de bepalingen onder 6° /1 tot 6° /3 worden ingevoegd, luidende :
"6° /1 "Wet van 11 maart 2018" : de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen;
6° /2 "Wet van 8 juli 2018" : "Wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest;
6° /3 "Wet van 30 juli 2018" : Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens;";
c) in de bepaling onder 13° wordt het woord "25" vervangen door het woord "28";
d) in de bepaling onder 23°, c) worden de woorden "illegale drughandel" vervangen door de woorden "illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen";
e) in de bepaling onder 23°, bb) wordt het woord "informaticabedrog" vervangen door het woord "informaticacriminaliteit";
f) de bepaling onder 24° /1 wordt ingevoegd, luidende :
"24° /1 "kunstwerk" : het oorspronkelijk kunstwerk zoals gedefinieerd in artikel XI.175, § 1, tweede en derde lid, van het Wetboek van economisch recht;";
g) in de bepaling onder 27°, tweede lid :
i) wordt in de bepaling onder b) de zin "in het geval van fiducieën of trusts :" vervangen als volgt :
"b) in het geval van fiducieën of trusts, alle volgende personen :";
ii) wordt in dezelfde bepaling onder b), i) het woord "oprichter" vervangen door het woord "oprichter(s)";
iii) wordt in dezelfde bepaling onder b), iii) het woord "protector" vervangen door het woord "protector(s)";
iv) wordt de bepaling onder c), i) tot en met iv), vervangen als volgt :
"i) de personen, respectievelijk bedoeld in artikel 9 :5, eerste lid, artikel 10 :9 en artikel 11 :7 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, die lid zijn van de raad van bestuur;
ii) de personen die gemachtigd zijn de vereniging te vertegenwoordigen overeenkomstig artikel 9 :7, § 2, van hetzelfde Wetboek;
iii) de personen belast met het dagelijks bestuur van de (internationale) vereniging of stichting, bedoeld respectievelijk in artikel 9 :10, artikel 11 :14, en artikel 10 :10, van hetzelfde Wetboek;
iv) de stichters van een stichting, bedoeld in artikel 1 :3, van hetzelfde Wetboek;";
h) de bepaling onder 28° wordt aangevuld, luidende :
"i) de natuurlijke personen die functies uitoefenen die worden aangemerkt als prominente publieke functies opgenomen in de door de Europese Commissie in toepassing van artikel 20bis, lid 3, van richtlijn 2015/849 gepubliceerde lijst;
Middelbare of lagere functies vallen niet onder de in de punten a) tot en met i) bedoelde publieke functies;";
i) in de Franse tekst van de bepaling onder 30°, a), wordt het woord "exposé" aan het einde van de zin vervangen door het woord "exposée";
j) in de bepaling onder 34°, a), worden de woorden "3° en 4° " vervangen door de woorden "4° tot en met 7°, 9° tot en met 14° en 16° tot en met 22° ";
k) in dezelfde bepaling, b) worden de volgende wijzigingen aangebracht :
i) de woorden "3° en 4° " worden vervangen door de woorden "4° tot en met 7°, 9° tot en met 14° en 16° tot en met 22° ";
ii) de woorden "punt 2" worden vervangen door de woorden "punten 1 en 2";
l) de bepaling onder 35° wordt vervangen als volgt :
"35° "elektronisch geld" : elektronisch geld in de zin van artikel 2, 77°, van de wet van 11 maart 2018, met uitsluiting van de monetaire waarde die wordt uitgegeven overeenkomstig de artikelen 164 en 165 van de voornoemde wet;";
m) de bepalingen onder 35° /1 en 35° /2 worden ingevoegd, luidende :
"35° /1 "virtuele valuta" : een digitale weergave van waarde die niet door een centrale bank of een overheid wordt uitgegeven of gegarandeerd, die niet noodzakelijk aan een wettelijk vastgestelde valuta is gekoppeld en die niet de juridische status van valuta of geld heeft, maar die door natuurlijke of rechtspersonen als ruilmiddel wordt aanvaard en die elektronisch kan worden overgedragen, opgeslagen en verhandeld;
35° /2 "aanbieder van een bewaarportemonnee" : een entiteit die diensten aanbiedt om namens haar cliënten cryptografische privésleutels te beveiligen om virtuele valuta aan te houden, op te slaan en over te dragen;";
n) het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 41°, 42°, 43° en 44° luidende :
"41° "authenticatiedienst" : dienst aangeboden door de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, overeenkomstig artikel 9 van de wet van 18 juli 2017 inzake elektronische identificatie, die elektronische aanmeldingsdiensten voor overheidstoepassingen omvat;
42° "Gegevensbeschermingsautoriteit" : de autoriteit opgericht door de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit;
43° professionele topvoetbalclub" : elke in België gevestigde onderneming die een professionele voetbalclub bezit of beheert waarvan ten minste één ploeg in het (de) kampioenschap(pen) van het hoogste niveau van de competitie in België speelt. De Koning voorziet in hun registratie door de FOD Economie volgens de nadere regels, criteria en voorwaarden die Hij bepaalt;
44° "sportmakelaar in de voetbalsector" : elke in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die in de voetbalsector particuliere arbeidsbemiddeling verricht voor potentiële betaalde sporters of voor rekening van werkgevers met het oog op het sluiten van een arbeidsovereenkomst voor betaalde sporters en waarvan de activiteit wordt geregeld door het decreet van het Vlaamse Gewest van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling, de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 14 juli 2011 betreffende het gemengd beheer van de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het decreet van het Waalse Gewest van 3 april 2009 betreffende de registratie en de erkenning van de arbeidsbemiddelingsbureaus. De Koning voorziet in hun registratie door de FOD Economie volgens de nadere regels, criteria en voorwaarden die Hij bepaalt.".
Art. 32. In artikel 5 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wetten van 29 maart 2018, 30 juli 2018 en 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 :
a) in de inleidende zin wordt het woord "gereglementeerde" ingevoegd tussen de woorden "in het kader van hun" en het woord "beroepsactiviteiten";
b) de bepaling onder 4° wordt aangevuld met de bepaling onder d), luidende :
"d) de kredietinstellingen bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, van dezelfde wet, die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die een beroep doen op een in België gevestigde agent om er diensten te leveren die bestaan in het in ontvangst nemen van deposito's of andere terugbetaalbare gelden, in de zin van artikel 4, 1), van de voornoemde wet;";
c) in de bepaling onder 6°, a), worden de woorden "de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen" vervangen door de woorden "de wet van 11 maart 2018";
d) de bepaling onder 11° wordt aangevuld met een bepaling onder c), luidende :
"c) de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die een beroep doen op een in België gevestigde verbonden agent om er beleggingsdiensten en/of -activiteiten in de zin van artikel 2, 1°, van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, en, in voorkomend geval, nevendiensten in de zin van artikel 2, 2°, van dezelfde wet, te verrichten;";
e) in de bepaling onder 12°, d), worden de woorden ", 163 en 166" vervangen door de woorden "en 163";
f) in de bepaling onder 13° wordt de bepaling onder b) opgeheven;
g) de bepalingen onder 14° /1 en 14° /2 worden ingevoegd, luidende :
"14° /1 aanbieders van diensten voor het wisselen tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta gevestigd op het Belgisch grondgebied, en bedoeld in het koninklijk besluit genomen krachtens het tweede lid van deze paragraaf;
14° /2 aanbieders van bewaarportemonnees gevestigd op het Belgisch grondgebied, en bedoeld in het koninklijk besluit genomen krachtens het tweede lid van deze paragraaf;";
h) in de bepaling onder 15° wordt het woord "marktondernemingen" vervangen door het woord "marktoperatoren";
i) in de bepaling onder 16° worden de woorden "artikel 102, tweede lid" vervangen door de woorden "artikel 102, derde lid";
j) in de bepaling onder 17° worden de woorden "van personen" ingevoegd tussen de woorden "bijkantoren" en "die gelijkwaardige";
k) in de bepaling onder 22° worden de woorden "de natuurlijke of rechtspersonen, andere dan degene bedoeld in de bepalingen onder 4° tot en met 21°, die in België ten minste één van de activiteiten uitoefenen" vervangen door de woorden "de in België gevestigde natuurlijke of rechtspersonen, die ten minste één van de activiteiten uitoefenen" en worden de woorden ", zonder in die hoedanigheid al onderworpen te zijn in het kader van één van de bepalingen onder 4° tot en met 21° " ingevoegd tussen de woorden "en beursvennootschappen" en de woorden "evenals de in België gevestigde bijkantoren";
l) de bepaling onder 24° wordt vervangen als volgt :
"24° de natuurlijke personen of rechtspersonen ingeschreven in het openbaar register als gecertificeerde accountants bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur of als gecertificeerde belastingadviseurs bedoeld in de artikel 2, 2°, van voormelde wet, alsook de natuurlijke personen of rechtspersonen ingeschreven in het openbaar register met overeenkomstig artikel 29, § 1, derde lid, van voormelde wet de vermelding van stagiair bij een van voornoemde hoedanigheden, voor zover deze personen beroepsbeoefenaars zijn bedoeld in de artikel 2, 3°, van voormelde wet;";
m) de bepaling onder 25° wordt vervangen als volgt :
"25° de natuurlijke personen of rechtspersonen ingeschreven in het openbaar register als accountants bedoeld in artikel 2, 4°, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur of als fiscale accountants bedoeld in artikel 2, 5°, van de voornoemde wet van 17 maart 2019, alsook de natuurlijke personen of rechtspersonen ingeschreven in het openbaar register met overeenkomstig artikel 29, § 1, derde lid, van voornoemde wet de vermelding van stagiair bij een van voornoemde hoedanigheden, voor zover deze personen beroepsbeoefenaars zijn bedoeld in de artikel 2, 3°, voormelde wet van 17 maart 2019;";
n) de bepaling onder 25° /1 wordt ingevoegd, luidende :
"25° /1 de natuurlijke of rechtspersonen ingeschreven op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, van de voornoemde wet van 17 maart 2019, die zich ertoe verbinden als voornaamste bedrijfs- of beroepsactiviteit, rechtstreeks of via andere met hem gelieerde personen materiële hulp, bijstand of advies op fiscaal gebied te verlenen;";
o) in de bepaling onder 30° :
i) worden de woorden "of op de lijst" telkens ingevoegd tussen de woorden "tableau" en "bedoeld";
ii) wordt in de Franse tekst het woord "visé" vervangen door het woord "visés";
p) de bepalingen onder 31° /1 tot 31° /5 worden ingevoegd, luidende :
"31° /1 de natuurlijke personen of rechtspersonen die kopen, verkopen of optreden als tussenpersoon in de handel van kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud, wanneer de verkoopprijs van een of een geheel van deze werken of goederen gelijk is aan of hoger is dan 10 000 euro en die overeenkomstig het zevende lid van deze paragraaf ingeschreven zijn bij de Federale Overheidsdienst Economie, kmo, Middenstand en Energie;
De tussenpersonen omvatten kunstgalerieën, veilinghuizen en organisatoren van beurzen en salons;
Wanneer de tussenpersoon een veilinghuis is, is de in het eerste lid bedoelde verkoopprijs de maximumschatting door het veilinghuis;
31° /2 de natuurlijke personen of rechtspersonen die eigenaar of beheerder zijn van entrepots, met inbegrip van douane-entrepots of in vrijhavens gelegen entrepots, die specifiek een opslagdienst aanbieden voor kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud en alleen voor dergelijke goederen en werken en die overeenkomstig het zevende lid van deze paragraaf ingeschreven zijn bij de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie;
31° /3 de professionele topvoetbalclubs;
31° /4 de sportmakelaars in de voetbalsector;
31° /5 de VZW Koninklijke Belgische Voetbalbond.";
q) de paragraaf wordt aangevuld met zeven leden, luidende :
"De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de FSMA, welke de regels en voorwaarden zijn voor de inschrijving, bij de FSMA, van aanbieders van diensten voor het wisselen tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta, en van aanbieders van bewaarportemonnees, alsook welke voorwaarden voor de uitoefening van die activiteiten en welk toezicht op hen van toepassing zijn.
Die voorwaarden moeten met name van de in het vorige lid bedoelde aanbieders eisen dat zij over de noodzakelijke professionele betrouwbaarheid en de passende deskundigheid beschikken voor de uitoefening van hun activiteiten. Zij mogen zich niet in één van de gevallen bevinden als beschreven in artikel 20 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen. Wanneer het een vennootschap betreft, gelden voornoemde voorwaarden voor de personen belast met de effectieve leiding.
De Koning bepaalt ook in welke vorm en onder welke voorwaarden de inschrijvingsaanvragen bij de FSMA moeten worden ingediend, alsook welke informatie en documenten de aanvrager ter staving van zijn aanvraag moet voorleggen om aan te tonen dat aan de inschrijvingsvoorwaarden is voldaan.
De inschrijving van de vennootschap wordt geweigerd als de personen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een al dan niet stemrechtverlenende deelneming van ten minste vijf procent in het kapitaal van de vennootschap bezitten, niet geschikt zijn gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beheer van de vennootschap.
De Koning kan bepalen dat de inschrijving wordt geweigerd, herroepen of geschorst wanneer de in het tweede lid bedoelde personen niet voldoen aan voornoemde voorwaarden of aan de andere voorwaarden die Hij bepaalt.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, welke de regels en voorwaarden zijn voor de inschrijving bij de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie voor :
1° de natuurlijke personen of rechtspersonen die kopen, verkopen of optreden als tussenpersoon in de handel van kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud, wanneer de verkoopprijs van een of een geheel van deze werken of goederen gelijk is aan of hoger is dan 10 000 euro; en
2° de natuurlijke personen of rechtspersonen die eigenaar of beheerder zijn van entrepots, met inbegrip van douane-entrepots of in vrijhavens gelegen entrepots, die specifiek een opslagdienst aanbieden voor kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud en alleen voor dergelijke goederen en werken.
Die regels moeten met name van de in het vorige lid bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen eisen dat zij over de noodzakelijke professionele betrouwbaarheid beschikken voor de uitoefening van hun activiteiten. Ze moeten beantwoorden aan de volgende betrouwbaarheidsvoorwaarden :
1° niet uit hun burgerlijke en politieke rechten zijn ontzet;
2° niet failliet zijn verklaard zonder eerherstel te hebben gekregen;
3° in België of in een andere lidstaat van de Europese Unie geen van de volgende straffen hebben opgelopen :
a) een criminele straf;
b) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste zes maanden voor een van de strafbare feiten vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen;
c) een strafrechtelijke geldboete van minstens 2 500 euro, vóór toepassing van de opdeciemen, wegens overtreding van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan.".
2° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "van boek II" vervangen door de woorden "van deze wet".
Art. 33. In artikel 6 van dezelfde wet wordt het woord "giften" vervangen door het woord "schenkingen".
Art. 34. In artikel 9 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, eerste lid :
a) worden de woorden "en de ter uitvoering van artikel 54 vastgestelde bepalingen" ingevoegd tussen de woorden "artikel 47" en de woorden ", en met de mededeling van de informatie bedoeld in artikel 54";
b) worden de woorden "de informatie bedoeld in artikel 54" vervangen door de woorden "de informatie bedoeld in artikel 48";
2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 35. In artikel 13, § 1, van dezelfde wet wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
"De in het eerste lid bedoelde gedragslijnen en procedures voor het delen van informatie schrijven voor dat de entiteiten die deel uitmaken van de groep, wanneer dat nodig is ter voorkoming van WG/FT, alle relevante informatie met betrekking tot, met name, de identiteit en de kenmerken van hun betrokken cliënten, de identiteit van de lasthebbers en de uiteindelijke begunstigden van deze cliënten, het doel en de aard van de zakelijke relaties met deze cliënten, hun verrichtingen, alsook, in voorkomend geval, de analyse van hun atypische verrichtingen en, behoudens andersluidende instructie van de CFI, de meldingen van vermoedens waarbij deze cliënten betrokken zijn, delen overeenkomstig modaliteiten en onder voorwaarden die afdoende garanties bieden met betrekking tot vertrouwelijkheid, de bescherming van persoonsgegevens en het gebruik van de uitgewisselde informatie, met inbegrip van garanties om de onthulling ervan te voorkomen.".
Art. 36. In artikel 15 van dezelfde wet worden de woorden "6°, d), en 7°, e)," vervangen door de woorden ""4°, c), 6°, d), 7°, e), en 10°, c),".
Art. 37. In artikel 19, § 1, van dezelfde wet wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt :
"3° "een waakzaamheid aan de dag leggen ten aanzien van de occasionele verrichtingen, alsook een doorlopende waakzaamheid ten aanzien van de verrichtingen die gedurende de zakelijke relatie worden uitgevoerd, overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4.".
Art. 38. Artikel 20 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 20. De in artikel 5, § 1, 3° tot en met 22°, bedoelde onderworpen entiteiten mogen geen anonieme rekeningen of kluizen of rekeningen of kluizen onder valse namen of pseudoniemen openen. Ze nemen alle passende maatregelen om de naleving van dit verbod te verzekeren.".
Art. 39. In artikel 21, § 1, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de bepaling onder 2°, b), tweede lid, iii), worden de woorden "via de begustigde" vervangen door de woorden "via de begunstigde";
b) in de bepaling onder 3° worden de woorden "onder 5° en 6° " vervangen door de woorden "onder 4° tot en met 6° ".
c) de bepaling onder 6° wordt ingevoegd, luidende :
"6° voor wie er redenen zijn om te betwijfelen dat de persoon die in het kader van een zakelijke relatie een verrichting wenst uit te voeren wel degelijk de cliënt is met wie de zakelijke relatie is aangegaan of zijn gemachtigde en geïdentificeerde lasthebber.".
Art. 40. Artikel 22 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 22. In voorkomend geval identificeren de onderworpen entiteiten de lasthebber(s) van de in artikel 21 bedoelde cliënten. Zij verifiëren hun identiteit en hun bevoegdheid om op te treden in naam van die cliënten.".
Art. 41. Artikel 23, § 1, van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De in het eerste lid bedoelde verplichting om de redelijke maatregelen te nemen die nodig zijn om de identiteit van de uiteindelijke begunstigde te verifiëren, is met name van toepassing wanneer de geïdentificeerde uiteindelijke begunstigde een in artikel 4, 27°, tweede lid, a), iii), bedoeld lid van het hoger leidinggevend personeel is.".
Art. 42. In artikel 25 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in het eerste lid, 1°, worden de woorden "250 euro" vervangen door de woorden "150 euro";
b) in het eerste lid, 2°, worden de woorden "250 euro" vervangen door de woorden "150 euro";
c) het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"De uitgever van elektronisch geld gaat echter over tot de identificatie en verificatie van de identiteit van eenieder :
1° aan wie hij de monetaire waarde van het elektronisch geld terugbetaalt in contanten, indien het om een bedrag van meer dan 50 euro gaat;
2° die de monetaire waarde van het elektronisch geld opneemt in contanten, indien het om een bedrag van meer dan 50 euro gaat; of
3° die betalingstransacties op afstand uitvoert in de zin van artikel 2, 23° van de wet van 11 maart 2018, indien het om een bedrag van meer dan 50 euro per transactie gaat.";
d) het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 4°, 6° en 7°, die de betalingsdienst aanbieden die bestaat in de acceptatie van betalingstransacties, als bedoeld in punt 5 van Bijlage I.A. van de wet van 11 maart 2018, aanvaarden enkel betalingen die zijn verricht met anonieme prepaidkaarten die zijn uitgegeven in derde landen indien deze kaarten voldoen aan voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgesteld in lid 1 en 2.".
Art. 43. In artikel 27 van dezelfde wet wordt paragraaf 1 vervangen als volgt :
" § 1. Om te voldoen aan hun verplichting tot verificatie van de identiteit van de personen bedoeld in de artikelen 21 tot en met 24, toetsen de onderworpen entiteiten, om voldoende zekerheid te verkrijgen dat ze de betrokken personen kennen, alle of een deel van de identificatiegegevens die verzameld zijn op grond van artikel 26 aan :
1° één of meerdere bewijsstukken of betrouwbare en onafhankelijke informatiebronnen die deze gegevens kunnen bevestigen;
2° indien beschikbaar, informatie verkregen door middel van elektronische identificatiemiddelen zoals deze aangeboden of erkend binnen de authenticatiedienst zoals bedoeld in de artikelen 9 en 10 van de wet van 18 juli 2017 inzake elektronische identificatie, die de identiteit van personen online bevestigen;
3° indien beschikbaar, informatie verkregen door middel van relevante vertrouwensdiensten zoals bedoeld in Verordening 910/2014.
Daarbij moeten de onderworpen entiteiten rekening houden met het overeenkomstig artikel 19, § 2, eerste lid, geïdentificeerde risiconiveau.".
Art. 44. In artikel 29 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord "echter" wordt ingevoegd tussen de woorden "baseren zich" en de woorden "niet uitsluitend";
2° een lid wordt toegevoegd vóór het eerste lid, dat het tweede lid wordt, luidende :
"Bij het aangaan van een nieuwe zakelijke relatie met juridische entiteiten bedoeld in artikel 74, § 1, verzamelen de onderworpen entiteiten een bewijs van de registratie van de in artikel 74, § 1, bedoelde informatie of een uittreksel uit dat register.".
Art. 45. In artikel 33, § 1, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "30 tot en met 31" vervangen door de woorden "30 en 31".
Art. 46. In artikel 34 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "de cliënt" vervangen door de woorden "de overeenkomstig artikel 21, § 1, geïdentificeerde cliënten";
2° in dezelfde paragraaf, tweede lid, worden de woorden "de verplichting tot doorlopende waakzaamheid ten aanzien van de zakelijke relaties en de verrichtingen" vervangen door de woorden "de verplichting tot waakzaamheid ten aanzien van de zakelijke relaties en de occasionele verrichtingen";
3° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zin "Ze beëindigen bovendien de zakelijke relatie die reeds werd aangegaan of passen in voorkomend geval de alternatieve, beperkende maatregelen toe, bedoeld in artikel 33, § 1, derde lid." opgeheven.
Art. 47. In Boek II, Titel 3, Hoofdstuk 1, van dezelfde wet, worden in het opschrift van Afdeling 4 de woorden "Verplichting tot doorlopende waakzaamheid" vervangen door de woorden "Verplichting tot waakzaamheid ten aanzien van de zakelijke relaties en de occasionele verrichtingen".
Art. 48. In artikel 35, § 1, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de woorden "van de zakelijke relatie een doorlopende waakzaamheid aan de dag die evenredig is" worden vervangen door de woorden "van elke verrichting die occasioneel of gedurende de zakelijke relatie wordt uitgevoerd door hun overeenkomstig artikel 21, § 1, geïdentificeerde cliënten een waakzaamheid aan de dag die evenredig is";
b) de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt :
"1° een aandachtig onderzoek van de occasionele verrichtingen en een doorlopend onderzoek van de verrichtingen uitgevoerd gedurende de zakelijke relatie, alsook, indien nodig, van de oorsprong van de geldmiddelen, om te verifiëren of deze verrichtingen stroken met de kenmerken van de cliënt, met zijn risicoprofiel en, in voorkomend geval, met het doel en de aard van de zakelijke relatie, en om atypische verrichtingen op te sporen die aan een grondige analyse moeten worden onderworpen overeenkomstig artikel 45,";
c) in de bepaling onder 2° worden de woorden "in het geval van een zakelijke relatie," ingevoegd vóór de woorden "het actueel houden van de gegevens die worden bijgehouden" en wordt dezelfde bepaling onder 2° aangevuld met de woorden ", wanneer de onderworpen entiteit wettelijk verplicht is in de loop van het betrokken kalenderjaar contact op te nemen met de cliënt voor het evalueren van relevante informatie met betrekking tot de uiteindelijke begunstigde(n), of indien de onderworpen entiteit hiertoe verplicht is krachtens de wet van 16 december 2015 tot regeling van de mededeling van inlichtingen betreffende financiële rekeningen, door de Belgische financiële instellingen en de FOD Financiën, in het kader van een automatische uitwisseling van inlichtingen op internationaal niveau en voor belastingdoeleinden".
Art. 49. In artikel 36 van dezelfde wet wordt het woord ", elke vergeldingsmaatregel" ingevoegd tussen de woorden "elke bedreiging" en "of daad van agressie".
Art. 50. In artikel 37, § 2, van dezelfde wet worden de woorden ", 34, § 3," opgeheven.
Art. 51. Artikel 38 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 38. § 1. De onderworpen entiteiten passen, in het kader van hun zakelijke relaties of occasionele verrichtingen met natuurlijke of rechtspersonen of met juridische constructies, zoals trusts of fiducieën,
die met een derde land met een hoog risico verband houden, de volgende maatregelen van verhoogde waakzaamheid toe ten aanzien van hun cliënten :
1° aanvullende informatie inwinnen over de cliënt en de uiteindelijk begunstigde(n);
2° aanvullende informatie inwinnen over de beoogde aard van de zakelijke relatie;
3° informatie inwinnen over de bron van de geldmiddelen en de bron van het vermogen van de cliënt en de uiteindelijk begunstigde(n);
4° informatie inwinnen over de redenen voor de beoogde of verrichte verrichtingen;
5° goedkeuring van het hoger leidinggevend personeel verkrijgen voor het aangaan of voortzetten van de zakelijke relatie;
6° verscherpte monitoring verrichten van de zakelijke relatie door het aantal en de frequentie van de controles te verhogen en door transactiepatronen te selecteren die nader onderzocht moeten worden;
7° er, in voorkomend geval, voor zorgen dat de eerste betaling wordt verricht via een rekening op naam van de cliënt bij een kredietinstelling waarvoor waakzaamheidsnormen ten aanzien van de cliënten gelden die niet minder streng zijn dan de in deze wet vastgestelde normen.
§ 2. Onverminderd de artikelen 14 en 54 kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen op advies van de toezichthouders van de betrokken onderworpen entiteiten, en, in voorkomend geval, rekening houdend met de verslagen en beoordelingen die de Financiële Actiegroep, het Ministerieel Comité voor de coördinatie van de strijd tegen het witwassen van geld van illegale afkomst en de Nationale Veiligheidsraad ter zake hebben opgesteld :
1° van de onderworpen entiteiten eisen dat zij op personen en juridische entiteiten die transacties uitvoeren die verband houden met derde landen met een hoog risico, een of meer aanvullende waakzaamheidsmaatregelen toepassen. Het kan daarbij om de volgende maatregelen gaan :
a) de invoering van verscherpte relevante meldingsmechanismen of het systematisch melden van financiële transacties; en/of
b) de beperking van zakelijke relaties of transacties met natuurlijke personen of juridische entiteiten uit derde landen met een hoog risico;
2° een of meer van de volgende maatregelen toepassen ten aanzien van derde landen met een hoog risico :
a) de vestiging weigeren van dochterondernemingen, bijkantoren of vertegenwoordigingskantoren van onderworpen entiteiten uit het betrokken land, of anderszins rekening houden met het feit dat de betrokken onderworpen entiteit afkomstig is uit een land dat niet over adequate instrumentaria ter bestrijding van WG/FT beschikt;
b) onderworpen entiteiten verbieden om bijkantoren of vertegenwoordigingskantoren in het betrokken land te vestigen, of anderszins rekening houden met het feit dat het betrokken bijkantoor of het betrokken vertegenwoordigingskantoor zich in een land zou bevinden dat niet over adequate instrumentaria ter bestrijding van WG/FT beschikt;
c) verscherpte vereisten inzake prudentieel toezicht of inzake externe audit voorschrijven voor in het betrokken land gevestigde dochterondernemingen en bijkantoren van onderworpen entiteiten;
d) hogere eisen inzake externe audit voorschrijven voor financiële groepen ten aanzien van hun dochterondernemingen of hun bijkantoren in het betrokken land;
e) de in artikel 5, § 1, 4° tot 7°, 9° tot 14° en 16° tot 22° bedoelde onderworpen entiteiten verplichten de correspondentenrelaties met respondentinstellingen in het betrokken land te herzien en te wijzigen of, indien nodig, te beëindigen.
De toepassing van maatregelen als bedoeld in de bepaling onder 1°, a), wordt geëist door de Koning op advies van de CFI.".
Art. 52. In artikel 39, eerste lid, 1°, van dezelfde wet worden de woorden "artikel 307, § 1, zevende lid" vervangen door de woorden "artikel 307, § 1/2, derde lid".
Art. 53. In artikel 40 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 :
a) in het eerste lid worden de woorden "3° en 4° " vervangen door de woorden "4° tot en met 7°, 9° tot en met 14° en 16° tot en met 22° " en de woorden "die grensoverschrijdende correspondentrelaties met een respondentinstelling uit een derde land aangaan" vervangen door de woorden "die met een respondentinstelling uit een derde land grensoverschrijdende correspondentrelaties aangaan waarbij betalingen worden verricht";
b) de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Deze maatregelen worden genomen voordat een zakelijke relatie wordt aangegaan.";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "bedoeld in artikel 5, § 1, 1° en 3° tot en met 22° " ingevoegd tussen de woorden "De onderworpen entiteiten" en de woorden "mogen geen correspondentbankrelatie aangaan of handhaven".
Art. 54. In artikel 41 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Onverminderd artikel 8 leggen de onderworpen entiteiten passende risicobeheersystemen, inclusief passende, op het risico afgestemde procedures, ten uitvoer om te bepalen of de cliënt waarmee ze een zakelijke relatie aangaan of hebben of waarvoor ze een occasionele verrichting uitvoeren, een lasthebber van de cliënt of een uiteindelijke begunstigde van de cliënt een politiek prominente persoon, een familielid van een politiek prominente persoon of een persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon is of is geworden.
Wanneer zij vaststellen dat een cliënt, een lasthebber of een uiteindelijke begunstigde van een cliënt een politiek prominente persoon, een familielid van een politiek prominente persoon of een persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon is of is geworden, nemen de onderworpen entiteiten naast de waakzaamheidsmaatregelen ten aanzien van de cliënten, als bedoeld in hoofdstuk 1, de volgende maatregelen van verhoogde waakzaamheid :
1° toestemming verkrijgen van het hoger leidinggevend personeel om zakelijke relaties met dergelijke personen aan te gaan of voort te zetten of om een occasionele verrichting voor dergelijke personen uit te voeren;
2° passende maatregelen nemen om de oorsprong vast te stellen van het vermogen en van de geldmiddelen die bij zakelijke relaties of verrichtingen met dergelijke personen worden gebruikt;
3° een verscherpt toezicht uitoefenen op de zakelijke relatie.";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "uiterlijk op het tijdstip van uitbetaling of op het tijdstip van de gehele of gedeeltelijke overdracht van de verzekeringsovereenkomst" ingevoegd tussen de woorden "ten aanzien van de cliënten, als bepaald in hoofdstuk 1," en de woorden "de volgende maatregelen :";
3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
" § 4. De lijst van exacte functies die overeenkomstig artikel 4, 28°, als prominente publieke functie worden aangemerkt zijn de functies bepaalt in Bijlage IV, alsook deze opgenomen in de lijst gepubliceerd door de Europese Commissie in toepassing van artikel 20bis, lid 3, van richtlijn 2015/849. De Koning actualiseert, binnen de grenzen van de in artikel 4, 28°, opgenomen definities, deze bijlage telkens er wijzigingen gebeuren in de aan te duiden functies. De minister van Financiën maakt deze lijst over aan de Europese Commissie alsook elke actualisatie ervan.
De minister van Buitenlandse Zaken verzoekt de internationale organisaties die op het Belgisch grondgebied geaccrediteerd zijn een lijst van prominente publieke functies, als bedoeld in het eerste lid, bij die organisatie op te stellen en te actualiseren. Hij zorgt voor de overzending aan de Europese Commissie van de lijsten opgesteld door die internationale organisaties.
Met de functies die op de in het eerste en tweede lid bedoelde lijsten staan, zal worden omgegaan overeenkomstig de volgende voorwaarden :
1° persoonsgegevens worden alleen verwerkt met het oog op het voorkomen van WG/FT en worden niet verder verwerkt op een manier die niet verenigbaar is met deze doelstellingen;
2° de verwerking van persoonsgegevens op deze lijsten voor andere doeleinden dan deze voorzien door deze wet, met name commerciële doeleinden, is verboden.".
Art. 55. In artikel 44, § 2, van dezelfde wet wordt het tweede lid aangevuld met de volgende zinnen ", met inbegrip van :
1° indien beschikbaar, informatie verkregen door middel van elektronische identificatiemiddelen zoals deze aangeboden of erkend binnen de authenticatiedienst zoals bedoeld in de artikelen 9 en 10 van de wet van 18 juli 2017 inzake elektronische identificatie, die de identiteit van personen online bevestigen;
2° indien beschikbaar, informatie verkregen door middel van relevante vertrouwensdiensten zoals bedoeld in Verordening 910/2014.".
Art. 56. Artikel 45, § 1, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" § 1. De onderworpen entiteiten voeren onder de verantwoordelijkheid van de overeenkomstig artikel 9, § 2, aangeduide persoon een specifieke analyse uit van de met toepassing van artikel 35, § 1, 1°, geïdentificeerde atypische verrichtingen, teneinde vast te stellen of van deze verrichtingen vermoed kan worden dat ze verband houden met het witwassen van geld of financiering van terrorisme. Zij onderzoeken met name, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de achtergrond en het doel van alle verrichtingen die voldoen aan ten minste een van de volgende voorwaarden :
1° zij zijn complex;
2° zij zijn ongebruikelijk groot;
3° zij vertonen een ongebruikelijk patroon;
4° zij hebben geen duidelijk economisch of rechtmatig doel.
Hierbij nemen zij alle nodige maatregelen ter aanvulling van de in de artikelen 19 tot en met 41 bedoelde maatregelen en verhogen zij in het bijzonder de intensiteit en de aard van de waakzaamheid ten aanzien van de zakelijke relatie, teneinde te bepalen of die verrichtingen verdacht blijken.
Art. 57. In artikel 51, § 1, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "aan de CFI gemeld voor de uitvoering ervan. In voorkomend geval wordt de termijn vermeld waarbinnen de desbetreffende verrichting moet worden uitgevoerd." vervangen door de woorden "onmiddellijk aan de CFI gemeld voor de uitvoering ervan. In voorkomend geval vermeldt de meldende onderworpen entiteit de termijn waarbinnen de desbetreffende verrichting moet worden uitgevoerd en geeft zij gevolg aan de instructies van de CFI in toepassing van de artikelen 80 en 81.".
Art. 58. In artikel 52, tweede lid, van dezelfde wet wordt het woord "onmiddellijk" ingevoegd na het woord "51,".
Art. 59. In artikel 55, § 1, eerste lid, van dezelfde wet wordt het woord "52," ingevoegd na het woord "48,".
Art. 60. In artikel 57 van dezelfde wet worden de woorden "alsook door een advocaat aan de Stafhouder in toepassing van artikel 52," ingevoegd tussen de woorden "of door de Stafhouder bedoeld in artikel 52," en de woorden "vormt geen inbreuk op".
Art. 61. In artikel 59 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "te beschermen tegen bedreigingen of daden van agressie" worden vervangen door de woorden "wettelijk te beschermen tegen bedreigingen, vergeldingsmaatregelen of daden van agressie";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De personen die aan bedreigingen, vergeldingsmaatregelen, daden van agressie of nadelig of discriminerend optreden van de werkgever zijn blootgesteld omdat zij intern of aan de CFI een vermoeden van witwassen of terrorismefinanciering hebben gemeld, kunnen een klacht indienen bij de bevoegde autoriteiten, zonder afbreuk te doen aan de toepassing van artikel 90. Met het oog op een doeltreffende voorziening in rechte, blijft de uitzondering op het mededelingsverbod voor repressieve doeleinden krachtens artikel 56, § 1, onverkort van toepassing.".
Art. 62. In het opschrift van Boek II, Titel 4, Hoofdstuk 2, Afdeling 4, van dezelfde wet worden de woorden "en bescherming" opgeheven.
Art. 63. In artikel 60, eerste lid, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt :
"1° de identificatiegegevens bedoeld in afdelingen 2 en 3 van titel 3, hoofdstuk 1, in voorkomend geval bijgewerkt in overeenstemming met artikel 35, en een afschrift van de bewijsstukken of van het resultaat van de raadpleging van een informatiebron, bedoeld in artikel 27, met inbegrip van :
a) indien beschikbaar, informatie verkregen door middel van elektronische identificatiemiddelen zoals deze aangeboden of erkend binnen de authenticatiedienst zoals bedoeld in de artikelen 9 en 10 van de wet van 18 juli 2017 inzake elektronische identificatie, die de identiteit van personen online bevestigen;
b) indien beschikbaar, informatie verkregen door middel van relevante vertrouwensdiensten zoals bedoeld in Verordening 910/2014.
De voornoemde bewijsstukken en informatie worden bewaard gedurende tien jaar vanaf het einde van de zakelijke relatie met hun cliënt of vanaf de datum van een occasionele verrichting;";
b) de bepaling onder 1° /1 wordt ingevoegd, luidende :
"1° /1 de documenten waarin de maatregelen zijn vastgelegd die zijn genomen om te voldoen aan de verplichting tot verificatie in het in artikel 23, § 1, derde lid bedoelde geval, met inbegrip van de informatie over de eventuele moeilijkheden die zich tijdens het verificatieproces hebben voorgedaan. Deze documenten en informatie worden bewaard gedurende tien jaar vanaf het einde van de zakelijke relatie met hun cliënt of vanaf de datum van een occasionele verrichting;".
Art. 64. In artikel 61, tweede lid, van dezelfde wet, worden de woorden "interne controleprocedures" vervangen door de woorden "interne procedures".
Art. 65. In artikel 63 van dezelfde wet worden de woorden "in toepassing van van artikel 81" vervangen door de woorden "in toepassing van artikel 81".
Art. 66. Na artikel 63 van dezelfde wet wordt een nieuw Boek II/1 ingevoegd, luidende "Verwerking en bescherming van persoonsgegevens" waarin artikelen 64 en 65 zijn opgenomen.
Art. 67. In artikel 64 van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. De verwerking van persoonsgegevens krachtens deze wet door de onderworpen entiteiten, alsook door hun toezichthoudende autoriteiten, is onderworpen aan de bepalingen van Verordening 2016/679.
De verwerking van deze gegevens is noodzakelijk voor het vervullen van een taak van algemeen belang in de zin van artikelen 6, 1. e) en 23, e) en wat betreft de toezichtautoriteiten 23, h), van Verordening 2016/679, en is gegrond en noodzakelijk om de wettelijke verplichtingen na te leven die de onderworpen entiteiten en hun toezichtautoriteitenkrachtens deze wet in acht moeten nemen.
Deze verwerking is bovendien een noodzakelijke maatregel voor de voorkoming, de opsporing van het misdrijf witwassen van geld, de onderliggende misdrijven die hiermee verband houden en de financiering van terrorisme in de zin van artikel 23, d) van Verordening 2016/679.";
2° paragrafen 1/1 en 1/2 worden ingevoegd, luidende :
" § 1/1. De verwerking van persoonsgegevens krachtens deze wet door de CFI is onderworpen aan de bepalingen van Titel 2 van de Wet van 30 juli 2018.
De verwerking van deze gegevens is een noodzakelijke maatregel voor de voorkoming en opsporing van het misdrijf witwassen van geld, de onderliggende misdrijven die hiermee verband houden en de financiering van terrorisme in de zin van artikel 27 van de Wet van 30 juli 2018 en is gegrond en noodzakelijk om de wettelijke verplichtingen na te leven die de CFI krachtens deze wet in acht moet nemen.
§ 1/2. In toepassing van artikel 4, § 1, eerste lid, van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit is de Gegevensbeschermingsautoriteit verantwoordelijk voor het toezicht op de verwerking van persoonsgegevens en van de naleving van de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens in het kader van deze wet.";
3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "door onderworpen entiteiten" opgeheven;
4° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. De onderworpen entiteiten verstrekken aan hun nieuwe cliënten, alvorens een zakelijke relatie aan te gaan of een occasionele verrichting uit te voeren, een algemene kennisgeving over de krachtens deze wet en Verordening 2016/679 geldende wettelijke verplichtingen bij de verwerking van persoonsgegevens met het oog op het voorkomen van WG/FT.".
Art. 68. Artikel 65 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 65. § 1. Elke onderworpen entiteit die wordt bedoeld in artikel 5, § 1, of die wordt aangewezen door de Koning krachtens artikel 5, § 2, is de verwerkingsverantwoordelijke van de persoonsgegevens die zij krachtens deze wet verzamelt voor de in de artikelen 1 en 64 bedoelde doeleinden.
De in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens worden verzameld door de onderworpen entiteit voor de vervulling van :
1° haar verplichtingen inzake identificatie en verificatie, als bedoeld in de artikelen 21 tot en met 29;
2° haar verplichting tot identificatie van de kenmerken van de cliënt en van het doel en de aard van de zakelijke relatie of van de occasionele verrichting, als bedoeld in artikel 34; alsook
3° haar verplichting tot doorlopende waakzaamheid, als bedoeld in artikel 35;
4° haar verplichtingen inzake verhoogde waakzaamheid, als bedoeld in de artikelen 37 tot en met 41; en
5° haar verplichting tot analyse van atypische verrichtingen, als bedoeld in de artikelen 45 en 46.
Op grond van het in artikel 55 vastgestelde mededelingsverbod en naast de uitzonderingen als bedoeld in de artikelen 14, lid 5, onder c) en d), 17, lid 3, onder b), 18, lid 2, en 20, lid 3, van Verordening 2016/679 wordt, teneinde de doelstellingen te waarborgen van artikel 23, lid 1, onder d) en e), van de voornoemde verordening, de uitoefening van de rechten als bedoeld in de artikelen 12 (transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene), 13 (te verstrekken informatie wanneer persoonsgegevens bij de betrokkene worden verzameld), 15 (recht van inzage), 16 (recht op rectificatie), 19 (kennisgevingsplicht inzake rectificatie of wissing van persoonsgegevens of verwerkingsbeperking), 21 (recht van bezwaar), 22 (recht inzake profilering) en 34 (mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene) van deze verordening geheel beperkt voor verwerkingen van persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, van dezelfde verordening en zoals vastgelegd in het eerste lid van deze paragraaf, die worden uitgevoerd door de onderworpen entiteit als verwerkingsverantwoordelijke die belast is met een taak van algemeen belang op grond van de artikelen 1 en 64, teneinde :
1° de onderworpen entiteit, haar toezichtautoriteit als bedoeld in artikel 85 en de CFI in staat te stellen de verplichtingen na te komen waaraan zij op grond van deze wet zijn onderworpen; of
2° ervoor te zorgen dat het voorkomen, opsporen en onderzoeken van witwassen en financiering van terrorisme niet in gevaar worden gebracht, en het belemmeren van officiële of gerechtelijke informatieverzoeken, analyses, onderzoeken of procedures in het kader van deze wet te voorkomen.
Artikel 5 van de voornoemde Verordening 2016/679 is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde verwerkingen van persoonsgegevens, voor zover de bepalingen van dit artikel overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 van deze verordening.
Wanneer bij de Gegevensbeschermingsautoriteit een klacht wordt ingediend krachtens artikel 77 van Verordening 2016/679 met betrekking tot een in het eerste lid bedoelde verwerking van persoonsgegevens, deelt zij de betrokkene uitsluitend mee dat de nodige verificaties werden verricht.
§ 2. Elke toezichtautoriteit als bedoeld in artikel 85 is de verwerkingsverantwoordelijke van de persoonsgegevens die zij krachtens deze wet verzamelt voor de in de artikelen 1 en 64 bedoelde doeleinden.
De in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens worden verzameld door de toezichtautoriteit voor de uitvoering van :
1° haar toezichtsbevoegdheden, als omschreven in Boek IV, Titel 4;
2° haar verplichtingen inzake nationale en internationale samenwerking, als omschreven in Boek IV, Titels 5; en
3° haar bevoegdheden inzake administratieve sancties, als omschreven in Boek V, Titel 1.
Op grond van het in artikel 55 vastgestelde mededelingsverbod en van het beroepsgeheim als omschreven in artikel 89 en in andere wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op de betrokken toezichtautoriteit, en naast de uitzonderingen als bedoeld in de artikelen 14, lid 5, onder c) en d), 17, lid 3, onder b), 18, lid 2, en 20, lid 3, van Verordening 2016/679 wordt, teneinde de doelstellingen te waarborgen van artikel 23, lid 1, onder d), e) en h), van de voornoemde verordening, de uitoefening van de rechten als bedoeld in de artikelen 12 (transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene), 13 (te verstrekken informatie wanneer persoonsgegevens bij de betrokkene worden verzameld), 15 (recht van inzage), 16 (recht op rectificatie), 19 (kennisgevingsplicht inzake rectificatie of wissing van persoonsgegevens of verwerkingsbeperking), 21 (recht van bezwaar) en 34 (mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene) van deze verordening geheel beperkt voor verwerkingen van persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, van dezelfde verordening en zoals vastgelegd in het tweede lid van deze paragraaf, die worden uitgevoerd door de toezichtautoriteit als verwerkingsverantwoordelijke die belast is met een taak van algemeen belang op grond van de artikelen 1 en 64, teneinde :
1° deze toezichtautoriteit en de CFI in staat te stellen de verplichtingen na te komen waaraan zij op grond van deze wet zijn onderworpen; of
2° ervoor te zorgen dat het voorkomen, opsporen en onderzoeken van witwassen en financiering van terrorisme niet in gevaar worden gebracht, en het belemmeren van officiële of gerechtelijke informatieverzoeken, analyses, onderzoeken of procedures in het kader van deze wet te voorkomen.
Artikel 5 van de voornoemde Verordening 2016/679 is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde verwerkingen van persoonsgegevens, voor zover de bepalingen van dit artikel overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 van deze verordening.
De toezichtautoriteit bewaart de persoonsgegevens niet langer dan nodig voor de doeleinden waarvoor ze worden opgeslagen.
Deze paragraaf is van toepassing onverminderd andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door een toezichtautoriteit krachtens deze wet.
Wanneer bij de Gegevensbeschermingsautoriteit een klacht wordt ingediend krachtens artikel 77 van Verordening 2016/679 met betrekking tot een in het eerste lid bedoelde verwerking van persoonsgegevens, deelt zij de betrokkene uitsluitend mee dat de nodige verificaties werden verricht.
§ 3. De CFI is de verwerkingsverantwoordelijke van de persoonsgegevens die ze krachtens deze wet voor de doeleinden bedoeld in artikelen 1, 64 en 76 verzamelt.
De persoonsgegevens die de CFI krachtens het eerste lid verzamelt zitten vervat in :
1° de meldingen, bijkomende informatie en inlichtingen ontvangen van onderworpen entiteiten en van de Stafhouder, uit hoofde van artikelen 47, 48, 52, 54, 66, § 2, derde lid;
2° de informatie, bijkomende inlichtingen, vonnissen en andere informatie ontvangen van de toezichthoudende autoriteiten, politiediensten, administratieve diensten van de Staat, gerechtelijke autoriteiten, financiële inlichtingeneenheden, en andere diensten en overheden bedoeld in artikelen 74, 79, 81 en 90/2, uit hoofde van artikelen 74, 79, 81, 82, 84, 90/2, 121, 123, 124, 127 en 135.
De CFI bewaart de persoonsgegevens niet langer dan nodig voor de doeleinden waarvoor ze worden opgeslagen, en voor een termijn van maximaal tien jaar na hun ontvangst.
Onder voorbehoud van andere toepasselijke wetgevingen wist ze de persoonsgegevens bij het verstrijken van deze bewaringstermijn.
Uit hoofde van het versterkte beroepsgeheim van de CFI, krachtens artikel 83, § 1, van deze wet en om ervoor te zorgen dat de toepassing van het mededelingsverbod krachtens artikel 55 van deze wet wordt nageleefd en nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen te voorkomen zoals bepaald in artikelen 37, § 2, 38 § 2, 39, § 4, en 62, § 5, van de Wet van 30 juli 2018, zijn het recht op informatie, rectificatie, wissing of de kennisgeving van de veiligheidsgebreken, zoals respectievelijk bepaald in artikelen 37, § 1, 38 § 1, 39, § 1, en 62, § 1, van de Wet van 30 juli 2018 voor de verwerking van persoonsgegevens, zoals bedoeld in het tweede lid van deze paragraaf, geheel beperkt.
Krachtens artikel 43 van de Wet van 30 juli 2018 worden de rechten van de betrokken personen, bedoeld in het voorgaande lid, uitgeoefend door de Gegevensbeschermingsautoriteit. De Gegevensbeschermingsautoriteit deelt uitsluitend mee aan de betrokkene dat de nodige verificaties werden verricht.".
Art. 69. In artikel 67 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende :
"5° "poststorting" : een financiële postdienst waarbij opdracht wordt gegeven om een geldsom te crediteren op een postrekening-courant of op een bankrekening bij een begunstigde financiële instelling gevestigd in België.";
2° in paragraaf 2 worden het tweede en derde lid vervangen als volgt :
"Behalve in geval van openbare verkoop, uitgevoerd onder het toezicht van een gerechtsdeurwaarder :
1° mag de betaling van koperkabels niet in contanten worden verricht of ontvangen, wanneer de koper geen consument is;
2° mag de betaling van oude metalen of goederen die edele stoffen bevatten, tenzij deze edele stoffen slechts in kleine hoeveelheid en enkel omwille van hun noodzakelijke fysische eigenschappen aanwezig zijn :
a) niet in contanten worden verricht of ontvangen, wanneer noch de verkoper, noch de koper een consument is;
b) niet in contanten worden verricht of ontvangen voor een bedrag van meer dan 500 euro wanneer de verkoper een consument is en de koper geen consument. Indien in dat laatste geval de koper de betaling geheel of gedeeltelijk in contanten aanvaardt te verrichten, moet hij de consument identificeren, zijn identiteit verifiëren en zijn gegevens en het bewijs van de verificatie bewaren, overeenkomstig de door de Koning bepaalde modaliteiten.";
3° in dezelfde paragraaf, in het vroegere vierde lid, dat het derde lid wordt, wordt in de bepaling onder 3° de woorden "evenals de andere natuurlijke of rechtspersonen wanneer zij" vervangen door de woorden "evenals hun cliënten wanneer zij";
4° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Worden onweerlegbaar verondersteld te zijn verricht of ontvangen in het kader van een geheel van verrichtingen waartussen een verband bestaat, en zijn dus beperkt tot een totaal van 3 000 euro in contanten, het geheel van de bedragen vermeld in een officiële of een officieuze boekhouding, die geen betrekking hebben op één of meerdere welbepaalde schulden."
5° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
" § 4. Onafhankelijk van het totale bedrag kunnen poststortingen op rekeningen van derden of postrekeningen - courant enkel worden verricht door consumenten en dit voor een maximumbedrag van 3 000 euro per storting of een geheel van stortingen waartussen een verband lijkt te bestaan.".
Art. 70. In artikel 70 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt de inleidende zin vervangen als volgt :
"In het rapport zoals bedoeld in artikel 68, tweede lid, en desgevallend op basis van de nationale risicobeoordeling dat het bevat, zullen de coördinatieorganen :";
2° in hetzelfde lid wordt de bepaling onder 5° vervangen als volgt :
"5° de institutionele structuur en de algemene procedures beschrijven die binnen het nationaal dispositief WG/FT gelden, onder meer die van de CFI en de belastingautoriteiten en gerechtelijke autoriteiten, alsook de hiervoor bestemde personele en financiële middelen, voor zover deze informatie beschikbaar is;";
3° hetzelfde lid wordt aangevuld met de bepaling onder 6°, luidende :
"6° de nationale inspanningen en middelen (personeel en begroting) die aan de bestrijding van WG/FT zijn gewijd beschrijven.";
4° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De coördinatieorganen stellen de resultaten van hun risicobeoordelingen, inclusief de geactualiseerde versies daarvan, beschikbaar aan de Europese Commissie, de ETA's en de andere lidstaten. De coördinatieorganen kunnen zo nodig relevante aanvullende informatie verstrekken aan een andere lidstaat die zijn risicobeoordeling uitvoert, alsook rekening houden met dergelijke informatie die wordt ontvangen van een andere lidstaat. Een samenvatting van de analyse wordt openbaar gemaakt. Die samenvatting bevat geen geclassificeerde informatie krachtens hoofdstuk 2 van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.".
Art. 71. In artikel 71, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "evenals de methodologie op basis waarvan deze statistieken moeten worden bijgehouden" opgeheven.
Art. 72. In artikel 72, § 2, van dezelfde wet, wordt het woord "jaarlijks" geschrapt en opnieuw ingevoegd tussen de woorden "en doet dit" en de woorden "toekomen aan".
Art. 73. In artikel 74 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid :
a) worden de woorden "fiducieën of" ingevoegd tussen de woorden "bedoeld in artikel 4, 27°, b), van" en de woorden "trusts, over de uiteindelijke begunstigden";
b) wordt het woord "entiteiten" vervangen door het woord "constructies";
2° in dezelfde paragraaf, tweede lid :
a) wordt het woord "welke" vervangen door de woorden "de lijst van";
b) wordt het woord "entiteiten" vervangen door het woord "constructies";
c) wordt het woord "zijn" geschrapt";
3° dezelfde paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De minister van Financiën maakt de in het tweede lid bedoelde lijst over aan de Europese Commissie met daarbij de vermelding van de categorieën, de beschrijving van de kenmerken, de naam en indien van toepassing de rechtsgrondslag.";
4° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "58/11, derde en vierde lid, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, en in artikel 14/1, tweede en derde lid, van het Wetboek van Vennootschappen" vervangen door de woorden "1 :35 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen".
Art. 74. In artikel 75 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de woorden "de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, opgericht bij artikel 23 van wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens," vervangen door de woorden "de Gegevensbeschermingsautoriteit,".
Art. 75. In artikel 76, § 3, eerste lid, 2°, van dezelfde wet worden de woorden "witwassen van geld en financiering van terrorisme" vervangen door de woorden "WG/FTP".
Art. 76. In artikel 78 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de tweede zin wordt aangevuld met de woorden : ", actuele informatie over praktijken van witwassen en financiering van terrorisme, en over aanwijzingen om verdachte verrichtingen te kunnen onderkennen, alsook algemene feedback gericht aan de onderworpen entiteiten om hen nadere bijzonderheden te verschaffen over de doeltreffendheid en het vervolg van hun meldingen";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende : "Een specifieke feedback over de doeltreffendheid en het vervolg van meldingen wordt verzekerd door de CFI, in de mate van het mogelijke, ten aanzien van de onderworpen entiteiten, desgevallend tijdens gezamenlijke vergaderingen.".
Art. 77. In artikel 79 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, eerste lid, 6°, worden de woorden "Verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de gemeenschap binnenkomen of verlaten" vervangen door de woorden "de Europese verordening betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten";
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende :
" § 6. Onverminderd andere wettelijke bepalingen heeft de CFI, voor de uitoefening van haar bevoegdheden bepaald door of krachtens deze wet, toegang tot de informatie die zich bevindt in de documenten, stukken, plannen, databanken en gegevens waarover de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën beschikt in het kader van de haar, in uitvoering van titel IX van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, opgedragen taken. Deze toegang gebeurt overeenkomstig titel 3 van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende het aanleggen en bijhouden van de kadastrale documentatie en tot vaststelling van de modaliteiten voor het afleveren van kadastrale uittreksels en artikel 64, §§ 1 tot en met 2, van deze wet.
De informatie verkregen op grond van het eerste lid maakt het voor de CFI mogelijk om alle natuurlijke of rechtspersonen die eigenaar zijn van een onroerend goed tijdig te identificeren. De gegevens in deze informatie zijn de gegevens bedoeld in artikel 11, eerste lid, 1° en 3°, van het voornoemd koninklijk besluit van 30 juli 2018.".
Art. 78. In artikel 81, § 1, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, 3°, worden de woorden "artikel 44/11/9, § 1, 2°, " vervangen door de woorden "artikel 44/11/9, § 1, 1°, ";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"Met dezelfde doeleinden als die bedoeld in het eerste lid is de informatie bewaard in het centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten gehouden door de Nationale Bank van België en georganiseerd krachtens de wet van 8 juli 2018 rechtstreeks, onmiddellijk en ongefilterd toegankelijk voor de CFI, een van haar leden, of een van haar personeelsleden die daartoe wordt aangewezen door de magistraat die de CFI leidt of zijn plaatsvervanger. Overeenkomstig artikel 123 mag de CFI deze informatie tijdig aan enige andere FIE bezorgen.".
Art. 79. In artikel 83 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 30 juli 2018 en 5 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden "paragraaf 2" vervangen door de woorden "paragrafen 2 en 3";
2° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "deze Administratie, een afschrift" vervangen door de woorden "deze Administratie een afschrift";
3° in dezelfde paragraaf, vijfde lid, worden de woorden "Financiën, de op dit gebied" vervangen door de woorden "Financiën de op dit gebied";
4° in dezelfde paragraaf, zevende lid, worden de woorden "Economie, de op dit gebied" vervangen door de woorden "Economie de op dit gebied";
5° in dezelfde paragraaf wordt tussen het negende en tiende lid, een lid ingevoegd, luidende :
"Wanneer deze mededeling inlichtingen bevat over witwassen van geld afkomstig van misdrijven waarvoor de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten toezichts- en onderzoeksbevoegdheden heeft, bezorgt de CFI haar de ter zake relevante inlichtingen die voortvloeien uit de doormelding van het dossier aan de procureur des Konings of de federale procureur, krachtens artikel 82, § 2.".
6° in de Franse tekst van dezelfde paragraaf, het vroegere tiende lid, dat het elfde lid wordt, wordt het woord "a" ingevoegd tussen de woorden "Lorsque la CTIF" en de woorden "transmis des informations aux banques";
7° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
" § 3. In afwijking van paragraaf 1, en binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, mag de CFI toegang geven tot vertrouwelijke informatie aan de Gegevensbeschermingsautoriteit, voor zover deze autoriteit deze informatie nodig heeft voor de uitoefening van haar taken.".
Art. 80. Artikel 84 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Met toepassing van het tweede lid, wanneer er objectieve redenen zijn om aan te nemen dat de verstrekking van dergelijke informatie een negatief effect zou hebben op lopende onderzoeken of analyses, of, in uitzonderlijke omstandigheden, indien openbaarmaking van de informatie duidelijk niet in verhouding zou staan tot de legitieme belangen van een natuurlijke of rechtspersoon of niet relevant zou zijn voor de doeleinden waarvoor de informatie is gevraagd, is de CFI niet verplicht het verzoek in te willigen.".
Art. 81. In artikel 85 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 30 juli 2018 en 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 :
a) in de inleidende zin worden de woorden "in voorkomend geval" ingevoegd tussen de woorden "van richtlijn 2015/849," en de woorden "de Europese Verordening betreffende geldovermakingen";
b) in de bepaling onder 3° worden de woorden "bedoeld in artikel 5, § 1, 4° tot en met 10°, ook voor wat betreft de activiteiten die deze entiteiten uitoefenen als kredietgevers in de zin van artikel I.9, 34°, van het Wetboek van economisch recht" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 5, § 1, 4° tot en met 10°, voor de gereglementeerde activiteiten die in die hoedanigheid worden uitgeoefend, alsook voor de activiteiten die, in voorkomend geval, door diezelfde entiteiten worden uitgeoefend als kredietgevers in de zin van artikel I.9, 34°, van het Wetboek van economisch recht";
c) in de bepaling onder 4° worden de woorden ", voor de gereglementeerde activiteiten die in die hoedanigheid worden uitgeoefend" ingevoegd tussen de woorden "artikel 5, § 1, 11° tot en met 20° " en de woorden ", met uitsluiting van de kredietgevers";
d) in de bepaling onder 5° worden de woorden "tot en met 31° " vervangen door de woorden "tot en met 31° /5";
e) de bepalingen onder 6° en 7° worden vervangen als volgt :
"6° het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren, ten aanzien van de onderworpen entiteiten als bedoeld in artikel 5, § 1, 23°, bij uitoefening van hun revisorale opdrachten en van de andere activiteiten die zij mogen verrichten door inschrijving of registratie in het openbaar register van de bedrijfsrevisoren of op grond van hun hoedanigheid van stagiair-bedrijfsrevisor;
7° het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants, ten aanzien van de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 24° tot en met 25° /1;";
f) de bepaling onder 8° wordt opgeheven;
2° het artikel wordt aangevuld met de paragraaf 4, luidende :
" § 4. De minister van Financiën en de minister van Economie verstrekken aan de Europese Commissie de lijst van de toezichtautoriteiten bedoeld in paragrafen 1 tot en met 3, hun contactgegevens alsook elke wijziging aan deze gegevens.".
Art. 82. Artikel 86, § 1, van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Op technisch vlak kan met name betrekking hebben op de verduidelijking van bepaalde begrippen die al dan niet in de wet zijn gedefinieerd, zoals de begrippen "cliënt" of "zakelijke relatie", in functie van de betrokken sector.".
Art. 83. In artikel 87, paragraaf 2, van dezelfde wet worden de woorden "in de bijlagen II en III" vervangen door de woorden "in bijlage III en, in voorkomend geval, in bijlage II".
Art. 84. In artikel 90, tweede lid, van dezelfde wet, worden de woorden "en de opvolging ervan." vervangen door de woorden "via een of meer beveiligde communicatiekanalen die ervoor zorgen dat de identiteit van de personen die informatie verstrekken, uitsluitend bekend is bij de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, zelfregulerende organen, alsook specifieke procedures voor de opvolging van deze meldingen.".
Art. 85. In dezelfde wet wordt een artikel 90/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 90/1. Onverminderd artikel 137, tweede lid, wanneer de in artikel 85 opgesomde toezichtautoriteiten inbreuken vaststellen waarop strafrechtelijke sancties bedoeld in artikelen 136 en 137 van deze wet staan, stellen zij de procureur des Konings daarvan tijdig in kennis.
Art. 86. In dezelfde wet wordt een artikel 90/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 90/2. Onverminderd andere wettelijke bepalingen hebben de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, §§ 1 en 2, voor de uitoefening van hun bevoegdheden bepaald door of krachtens deze wet, toegang tot de informatie die zich bevindt in de documenten, stukken, plannen, databanken en gegevens waarover de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën beschikt in het kader van de haar, in uitvoering van titel IX van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, opgedragen taken. Deze toegang gebeurt overeenkomstig titel 3 van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende het aanleggen en bijhouden van de kadastrale documentatie en tot vaststelling van de modaliteiten voor het afleveren van kadastrale uittreksels en artikel 64, §§ 1 tot en met 2, van deze wet.
De informatie verkregen op grond van het eerste lid maakt het voor de voornoemde toezichtautoriteiten mogelijk om alle natuurlijke of rechtspersonen die eigenaar zijn van een onroerend goed tijdig te identificeren. De gegevens in deze informatie zijn de gegevens bedoeld in artikel 11, eerste lid, 1° en 3°, van het voornoemd koninklijk besluit van 30 juli 2018.".
Art. 87. In dezelfde wet wordt een artikel 91/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 91/1. Inspectieverslagen en meer in het algemeen alle documenten die uitgaan van de Bank, waarvan zij aangeeft dat ze vertrouwelijk zijn, mogen niet openbaar worden gemaakt door de onderworpen entiteiten zonder uitdrukkelijke toestemming van de Bank.
De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek.
Art. 88. In dezelfde wet wordt een artikel 91/2 ingevoegd, luidende :
Art. 91/2. De Bank kan de commissaris of de erkend revisor bij de onderworpen entiteit belasten met het opstellen van bijzondere verslagen die betrekking hebben op de naleving door deze laatste van de bepalingen van deze wet of van de besluiten en reglementen genomen ter uitvoering ervan, van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2015/849, van de Europese verordening betreffende geldovermakingen of van de waakzaamheidsplichten bedoeld in de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's en, met name, op de tenuitvoerlegging van de in artikel 93, § 1 bedoelde aanmaningen. De kosten voor de opstelling van deze verslagen worden gedragen door de betrokken onderworpen entiteit.
Bij onderworpen entiteiten die niet beschikken over een commissaris of revisor die de hoedanigheid van erkend revisor heeft in de zin van het Reglement van de Nationale Bank van België van 21 december 2012 betreffende de erkenning van revisoren en revisorenvennootschappen, kan de Bank een dergelijke revisor aanstellen om de in het eerste lid bedoelde bijzondere verslagen op te stellen.
De in het eerste en tweede lid bedoelde erkende revisoren handelen op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank.
De in dit artikel bedoelde verslagen mogen slechts aan derden worden meegedeeld mits de Bank hier voorafgaandelijk mee heeft ingestemd en op de door haar vastgestelde voorwaarden. Mededelingen die in strijd met dit lid worden verricht, zijn strafbaar met de straffen waarin artikel 458 van het Strafwetboek voorziet.
De in het eerste en tweede lid bedoelde erkende revisoren kunnen de verificaties verrichten die nodig zijn om bijzondere verslagen op te kunnen stellen voor de bijkantoren in het buitenland van de betrokken onderworpen entiteit.".
Art. 89. In artikel 93, § 1, van dezelfde wet worden de bepalingen onder 1° /1 en 1° /2 ingevoegd, luidende :
"1° /1 te voldoen aan een vereiste die wordt opgelegd door de Bank met toepassing van de bepalingen van deze wet, van de besluiten en reglementen genomen ter uitvoering ervan, van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2015/849, van de Europese verordening betreffende geldovermakingen en van de waakzaamheidsplichten bedoeld in de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's;
1° /2 te voldoen aan de vereisten die door de Bank als voorwaarden worden gesteld voor een beslissing die wordt genomen met toepassing van de bepalingen van deze wet, van de besluiten en reglementen genomen ter uitvoering ervan, van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2015/849, van de Europese verordening betreffende geldovermakingen en van de waakzaamheidsplichten bedoeld in de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's;".
Art. 90. In artikel 94, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "of indien de ernst van de feiten dit rechtvaardigt," ingevoegd tussen de woorden "In spoedeisende gevallen" en de woorden "kan de Bank de in het eerste lid bedoelde maatregelen nemen".
Art. 91. Artikel 95 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 95. Voor de toepassing van artikel 94, eerste lid, 3°, wanneer de betrokken onderworpen entiteit een onderworpen entiteit is als bedoeld in artikel 5, § 1, 6°, d), of 7°, e) en wanneer de ernst van de feiten dit rechtvaardigt, omvatten de in artikel 94, eerste lid, 3°, bedoelde maatregelen de bevoegdheid om de onderworpen entiteit te verbieden om in België diensten te verstrekken via één of meerdere agenten of distributeurs in België die de Bank aanwijst.".
Art. 92. In artikel 96 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 1° /1 ingevoegd, luidende :
"1° /1 de mate van verantwoordelijkheid van de betrokken onderworpen entiteit;".
Art. 93. In Boek IV, Titel IV, hoofdstuk 2, van dezelfde wet, wordt een artikel 98/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 98/1. Artikel 135, § 3, is van toepassing op de maatregelen die worden opgelegd door de Bank krachtens de artikelen 93 tot en met 95.".
Art. 94. In artikel 99 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden ", bedoeld in artikel 5, § 1, 11° tot en met 20° " vervangen door de woorden "die onder haar toezicht vallen krachtens artikel 85, § 1, 4° ";
2° tussen het eerste en tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
"Met het oog op de naleving, door de FSMA, van artikel 87, § 1, derde lid, bezorgen de onderworpen entiteiten aan de FSMA met name de door haar bepaalde relevante informatie en documenten die zij nodig heeft om hun risicoprofiel op te stellen. De FSMA kan bij reglement de modaliteiten, de inhoud en de frequentie vastleggen voor het verstrekken van die informatie en documenten, waarbij zij, zo nodig, een onderscheid kan maken naargelang het type onderworpen entiteit.".
Art. 95. In dezelfde wet wordt een artikel 99/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 99/1. Voor de uitvoering van haar opdrachten als bedoeld in artikel 85 en onverminderd de prerogatieven als bedoeld in artikel 99, kan de FSMA aan de erkende revisoren met een revisoraal mandaat bij onderworpen entiteiten die door of krachtens deze wet onder haar toezicht vallen, vragen om haar, op kosten van deze entiteiten, bijzondere verslagen te bezorgen over onderwerpen die zij aangeeft.".
Art. 96. In artikel 101, § 1, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de woorden "bedoeld in artikel 5, § 1, 11° tot en met 20° " worden vervangen door de woorden "die onder haar toezicht staat krachtens artikel 85, § 1, 4° ";
b) in de bepaling onder 1° worden de woorden "of van artikel 99" ingevoegd tussen de woorden "te voldoen aan welbepaalde voorschriften van boek II" en de woorden "van deze wet".
Art. 97. In artikel 102, eerste lid, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de bepaling onder 2° /1 wordt ingevoegd, luidende :
"2° /1 aan elke persoon met managementverantwoordelijkheden bij de onderworpen entiteit of elke andere natuurlijke persoon die verantwoordelijk wordt geacht voor de inbreuk, een tijdelijk verbod opleggen om managementfuncties uit te oefenen bij een of meer onderworpen entiteiten;";
b) de bepaling onder 3° wordt aangevuld met de woorden "of de inschrijving schrappen".
Art. 98. Artikel 103 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De maatregelen die de FSMA neemt met toepassing van artikelen 101 en 102 worden gepubliceerd conform artikel 72, § 3, vierde tot en met zevende lid, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, behalve wanneer het vijfde lid van dit artikel verwijst naar de stabiliteit van het financiële systeem.".
Art. 99. In Boek IV, Titel 4, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 30 juli 2018 en 2 mei 2019, wordt in het opschrift van Afdeling 1 de woorden "met 31° " vervangen door de woorden "met 31° /5".
Art. 100. In artikel 108, § 1, van dezelfde wet worden de woorden "met 31° " vervangen door de woorden "met 31° /5".
Art. 101. In Boek IV, titel 4, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 30 juli 2018 en 2 mei 2019, wordt na artikel 116 een hoofdstuk 6/1 ingevoegd, luidende "Toezichtsbevoegdheden en -maatregelen van het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren".
Art. 102. In Hoofdstuk 6/1, ingevoegd bij artikel 101, wordt een artikel 116/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 116/1. § 1. Onverminderd de prerogatieven die aan het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren zijn toegekend voor het vervullen van zijn andere wettelijke toezichtsopdrachten, kan het zich voor de uitoefening van zijn toezichtsbevoegdheden bepaald door of krachtens deze wet, alle informatie en elk document doen verstrekken in welke vorm ook, en met name alle informatie over de organisatie, de werking, de positie en de verrichtingen van de onderworpen entiteiten, als bedoeld in artikel 5, § 1, 23°, met inbegrip van de informatie betreffende de relaties tussen een onderworpen entiteit en haar cliënten.
Het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren kan ter plaatse inspecties verrichten alsook ter plaatse kennisnemen en een kopie maken van alle informatie, documenten, gegevensbestanden en registraties, alsook toegang hebben tot alle informaticasystemen om na te gaan of de bepalingen van boek II en IV van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2015/849 en de waakzaamheidsplichten bedoeld in de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's worden nageleefd.
§ 2. Relaties tussen de onderworpen entiteit en een bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren, tenzij het toezicht op die onderworpen entiteit dit vergt.".
Art. 103. In hetzelfde Hoofdstuk 6/1 wordt een artikel 116/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 116/2. § 1. Onverminderd de andere maatregelen die zijn vastgesteld in deze wet of in andere wettelijke of reglementaire bepalingen, kan het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren een onderworpen entiteit als bedoeld in artikel 5, § 1, 23°, bevelen om binnen de door hem bepaalde termijn te voldoen aan welbepaalde bepalingen van boek II en IV van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, aan de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2015/849 en aan de waakzaamheidsplichten als bedoeld in de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's.
In spoedeisende gevallen kan het College de onderworpen entiteit gedurende een bepaalde termijn verbieden om alle of een deel van haar activiteiten uit te oefenen, en haar inschrijving in het register schorsen.
Indien het College een verbod uitspreekt in de zin van het tweede lid, kan het zelf, op kosten van de onderworpen entiteit, overgaan tot de publicatie van de maatregelen die het de onderworpen entiteit oplegt, in de dagbladen en publicaties van zijn keuze en op de plaatsen en voor de duur die het vaststelt. Het College kan ook beslissen om die maatregel te publiceren op internet, in voorkomend geval, op de wijze als bepaald in artikel 72, § 3, vierde tot en met zevende lid, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
Bij niet-naleving door een onderworpen entiteit van een in het tweede lid bedoelde schorsing kan een dwangsom, bedoeld in artikel 57, § 1, derde lid, 2°, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, en een administratieve geldboete, bedoeld in artikel 59, § 1, 8°, van dezelfde wet worden opgelegd. De dwangsommen die met toepassing van dit lid worden opgelegd, worden ingevorderd door de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen, overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.
§ 2. Onverminderd de andere maatregelen die in deze wet of in andere wettelijke of reglementaire bepalingen zijn vastgesteld, kan het College, indien de onderworpen entiteit tot wie een bevel is gericht op grond van paragraaf 1, nog steeds in gebreke blijft bij afloop van de opgelegde termijn, en op voorwaarde dat de onderworpen entiteit haar middelen heeft kunnen laten gelden :
1° een of meerdere maatregelen nemen als bedoeld in artikel 57, § 1, derde lid, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren;
Wanneer een dwangsom die door het College is opgelegd op grond van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader wordt verbeurd, maakt het College zijn beslissing tot oplegging van de dwangsom en de redenen hiervan, alsook de verbeuring van de dwangsom bekend op internet, volgens de modaliteiten en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 72, § 3, vierde tot en met zevende lid, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
Bij niet-naleving door een onderworpen entiteit van een in artikel 57, § 1, derde lid, 3°, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren bedoelde aanmaning om zich voorlopig van iedere beroepsmatige dienstverlening of van bepaalde dienstverlening te onthouden, kan een dwangsom, bedoeld in artikel 57, § 1, derde lid, 2°, van dezelfde wet, en een administratieve geldboete, bedoeld in artikel 59, § 1, 8°, van dezelfde wet worden opgelegd;
2° het dossier overmaken aan de sanctiecommissie van de FSMA, conform artikelen 56, 58, 59, 60 en 61 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.
Als het College het dossier overmaakt aan de sanctiecommissie van de FSMA overeenkomstig het eerste lid, zijn de artikelen 59 tot 61 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren van toepassing.
§ 3. Als het College maatregelen neemt met toepassing van paragrafen 1 en 2, houdt het met name rekening met de omstandigheden als bedoeld in artikel 96.
§ 4. Onverminderd de andere maatregelen die in deze wet of in andere wettelijke of reglementaire bepalingen zijn vastgesteld, kan het College, wanneer de feiten die de onderworpen entiteit worden verweten, hoewel zij vaststaan, de oplegging van een in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde termijn niet verantwoorden, de onderworpen entiteit terechtwijzen.".
Art. 104. In hetzelfde Hoofdstuk 6/1 wordt een artikel 116/3 ingevoegd, luidende :
"Art. 116/3. Als het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren in het kader van zijn toezichtsopdracht en met name van zijn inspecties bedoeld in artikel 116/1, een inbreuk vaststelt op de bepalingen van artikel 66, § 2, eerste lid, of van artikel 67, brengt het de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie daar zo spoedig mogelijk van op de hoogte.".
Art. 105. Artikel 117 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 117. Onverminderd de prerogatieven die hen zijn toegekend door of krachtens andere wettelijke of reglementaire bepalingen, stellen de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 1°, en 7° tot en met 12°, een toezichtregime vast, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 48, leden 1 en 2, van richtlijn 2015/849, om door de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, 24° tot en met 28°, en 32°, de naleving te verzekeren van de bepalingen van boek II en van artikel 66, § 2, tweede en derde lid, van deze wet en de besluiten en reglementen genomen ter uitvoering ervan, alsook de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2015/849.
Indien de toezichtautoriteiten bedoeld in het eerste lid nalaten de in hetzelfde lid bedoelde mechanismen op te stellen of in de toekomst te wijzigen, kan de Koning deze mechanismen Zelf aannemen of wijzigen.".
Art. 106. In artikel 118 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden "de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 6° tot en met 12° " vervangen door de woorden "de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 7° tot en met 12° ";
2° in dezelfde paragraaf worden de woorden "onderworpen entiteit, bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, 23° tot en met 28°, en 32° " vervangen door de woorden "onderworpen entiteit, bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, 24° tot en met 28°, en 32° ";
3° in paragraaf 3 worden de woorden "De toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 6° tot en met 11° " worden vervangen door de woorden "De toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 7° tot en met 11° en 14° ".
Art. 107. In artikel 120 van dezelfde wet worden de woorden "de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 6° tot en met 12° " vervangen door de woorden "de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 7° tot en met 12° ".
Art. 108. In dezelfde wet wordt een artikel 120/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 120/1. De toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 7° tot en met 11°, publiceren elk voor zich jaarlijks een verslag met informatie over :
1° de krachtens artikelen 118, 132, §§ 1 tot en met 3 en 135, § 3, genomen maatregelen en sancties;
2° in voorkomend geval, het aantal ontvangen meldingen van inbreuken bedoeld in artikel 90;
3° voor wat betreft de toezichtautoriteit bedoeld in artikel 85, § 1, 11°, in voorkomend geval, het aantal ontvangen meldingen van vermoedens bedoeld in artikel 52, eerste lid;
4° in voorkomend geval, het aantal meldingen van vermoedens doorgezonden aan de CFI overeenkomstig artikel 47;
5° in voorkomend geval, het aantal en een beschrijving van de maatregelen genomen krachtens deze wet en andere wettelijke en reglementaire bepalingen om de naleving te verzekeren, door de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 24° tot en met 28°, van de bepalingen van boek II van deze wet en de besluiten en reglementen genomen ter uitvoering ervan, alsook de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2015/849.".
Art. 109. In Boek IV van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 4 februari 2018, 30 juli 2018 en 2 mei 2019, wordt het opschrift van Titel 5 vervangen als volgt : "Beroepsgeheim en samenwerking".
Art. 110. In Boek IV, Titel 5, van dezelfde wet, waarvan het opschrift wordt gewijzigd bij artikel 109, wordt een Hoofdstuk 1 ingevoegd, getiteld "Gemeenschappelijke bepalingen".
Art. 111. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 110, wordt een artikel 120/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 120/2. Voor de toepassing van deze Titel wordt verstaan onder :
1° "financiële toezichtautoriteiten" : de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 3°, 4° en 5°, in het kader van hun opdracht om toezicht uit te oefenen op de kredietinstellingen en de financiële instellingen overeenkomstig of krachtens deze wet;
2° "financiële instellingen" : de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 5° tot en met 7°, 9° tot en met 14° en 16° tot en met 22°, de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 2) van richtlijn 2015/849 en entiteiten van dezelfde aard die ressorteren onder het recht van een derde land;
3° "kredietinstellingen" : de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 4°, de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 1) van richtlijn 2015/849 en entiteiten van dezelfde aard die ressorteren onder het recht van een derde land;
4° "buitenlandse toezichtautoriteiten" : de toezichtautoriteiten van een lidstaat en de toezichtautoriteiten van een derde land;
5° "toezichtautoriteiten van een lidstaat" : de toezichtautoriteiten die ressorteren onder het recht van een lidstaat en die taken van dezelfde aard uitvoeren als de toezichtautoriteiten;
6° "toezichtautoriteiten van een derde land" : de toezichtautoriteiten die ressorteren onder het recht van een derde land en die taken van dezelfde aard uitvoeren als de toezichtautoriteiten;
7° "toezichthouders" : de autoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 3°, 4° en 5°, in het kader van hun opdracht om toezicht uit te oefenen op de naleving van de Europeesrechtelijke bepalingen en van de wetten en reglementen betreffende het toezicht op de kredietinstellingen en de financiële instellingen;
8° "buitenlandse toezichthouders" : de toezichthouders van een lidstaat en de toezichthouders van een derde land;
9° "toezichthouders van een lidstaat" : de toezichthouders die ressorteren onder het recht van een lidstaat en die taken van dezelfde aard uitvoeren als de toezichthouders, met inbegrip van de Europese Centrale Bank voor wat betreft de taken die haar zijn opgedragen bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen;
10° "toezichthouders van een derde land" : de toezichthouders die ressorteren onder het recht van een derde land en die taken van dezelfde aard uitvoeren als de toezichthouders;
11° "autoriteit belast met het toezicht op de financiële markten van een lidstaat" : de autoriteiten die ressorteren onder het recht van een lidstaat en die toezichtsopdrachten op de financiële markten uitvoeren.".
Art. 112. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 110, wordt een artikel 120/3 ingevoegd, luidende :
"Art. 120/3. De financiële toezichtautoriteiten mogen de vertrouwelijke informatie waarvan zij kennis krijgen bij de uitoefening van hun opdrachten in die hoedanigheid, uitsluitend gebruiken bij het vervullen van hun toezichtsopdrachten in het kader van deze wet, of van andere opdrachten die zij als toezichthouders uitoefenen, bij een administratief beroep tegen één van hun beslissingen of in het kader van een rechtsvordering.".
Art. 113. In Boek IV, Titel 5, van dezelfde wet, waarvan het opschrift wordt gewijzigd bij artikel 101, wordt een Hoofdstuk 2 ingevoegd, getiteld "Nationale samenwerking".
Art. 114. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 113, wordt een Afdeling 1 ingevoegd, getiteld "Nationale samenwerking tussen de toezichtautoriteiten en tussen de toezichtautoriteiten en de CFI", waarin artikel 121 wordt opgenomen.
Art. 115. In artikel 121 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden "wisselen alle nuttige informatie uit, telkens als dit nodig is voor de uitoefening van hun toezichtsbevoegdheden" vervangen door de woorden "wisselen alle informatie uit die nuttig is voor de uitoefening van hun toezichtsbevoegdheden";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "bedoeld in titel 4" opgeheven en worden de woorden "wisselen alle nuttige informatie uit, telkens als dit nodig is voor de uitoefening van hun bevoegdheden" vervangen door de woorden "wisselen alle informatie uit die nuttig is voor de uitoefening van hun bevoegdheden";
3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Het feit dat de betrokken autoriteiten en de CFI onderworpen zijn aan een beroepsgeheim vormt geen belemmering voor de naleving van de in dit artikel bedoelde verplichting tot samenwerking.".
Art. 116. In hetzelfde Hoofdstuk 2 wordt een Afdeling 2 ingevoegd, luidende "Nationale samenwerking tussen de financiële toezichtautoriteiten en de toezichthouders".
Art. 117. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 2, Afdeling 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 116, wordt een artikel 121/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 121/1. § 1. De financiële toezichtautoriteiten en de toezichthouders werken onderling samen. In dit verband wisselen zij alle informatie uit die nuttig is voor de uitvoering van hun respectieve taken.
§ 2. Het feit dat de betrokken autoriteiten onderworpen zijn aan een beroepsgeheim vormt geen belemmering voor de naleving van de in dit artikel bedoelde verplichting tot samenwerking.".
Art. 118. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 2, van dezelfde wet wordt Afdeling 3 ingevoegd, luidende : "Nationale samenwerking tussen de toezichtautoriteiten en de autoriteit die belast is met het toezicht op de financiële markten".
Art. 119. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 2, Afdeling 3, ingevoegd bij artikel 118, wordt een artikel 121/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 121/2. § 1. De toezichtautoriteiten, die handelen in het kader van de hun door artikel 85 toevertrouwde opdrachten, en de FSMA, in haar hoedanigheid van autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de financiële markten, werken samen. In het kader daarvan wisselen zij alle nuttige informatie uit die nuttig is voor de uitoefening van hun respectieve toezichtsopdrachten.
§ 2. Het feit dat de betrokken autoriteiten onderworpen zijn aan een beroepsgeheim vormt geen belemmering voor de naleving van de in dit artikel bedoelde verplichting tot samenwerking.".
Art. 120. In Boek IV van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 2 februari 2018, 30 juli 2018 en 2 mei 2019, wordt het opschrift "Titel 6. Internationale samenwerking" vervangen als volgt : "Hoofdstuk 3. Internationale samenwerking".
Art. 121. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 3, van dezelfde wet, hernoemd bij artikel 120, wordt het opschrift "Hoofdstuk 1. Samenwerking van de Cel voor Financiële Informatieverwerking met andere financiële inlichtingeneenheden" vervangen als volgt : "Afdeling 1. Samenwerking van de Cel voor Financiële Informatieverwerking met andere financiële inlichtingeneenheden".
Art. 122. In artikel 122 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "en onder de voorwaarden bepaald dit hoofdstuk, en dit ongeacht hun organisatorische status" worden vervangen door de woorden "en dit ongeacht hun organisatorische status, onder de voorwaarden vermeld in deze Afdeling, alsook deze vermeld in artikelen 66 tot 70 van de Wet van 30 juli 2018.";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De overeenkomstig deze Afdeling ontvangen informatie en documenten worden gebruikt voor het vervullen van de taken van de CFI als bepaald in deze wet.".
Art. 123. In artikel 123 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, worden de woorden "ongeacht het type verband houdende onderliggende criminele activiteit en" ingevoegd tussen de woorden "de betrokken natuurlijke of rechtspersonen," en de woorden "zelfs indien op het tijdstip van de uitwisseling nog niet is vastgesteld welk type van onderliggende criminele activiteit daarbij betrokken is.";
2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Wanneer de CFI informatie of documenten van een andere FIE ontvangt, en deze beperkingen of voorwaarden oplegt voor het gebruik ervan, neemt de CFI deze in acht.";
3° in de Franse tekst van paragraaf 3 worden de woorden "en vertu de la présente loi" ingevoerd tussen de woorden "elle a habituellement recours" en de woorden "pour recevoir et analyser";
4° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
" § 4. De CFI wijst ten minste één contactpersoon of -punt aan verantwoordelijk voor de ontvangst van verzoeken om informatie uitgaande van de andere FIE's.".
Art. 124. In artikel 124, § 2, tweede lid, worden de woorden "maakt ze gebruik van alle bevoegdheden waarover ze beschikt krachtens deze wet voor het ontvangen en analyseren van meldingen van vermoedens, en", ingevoegd tussen de woorden "van een andere FIE," en de woorden "verzendt ze onverwijld de gevraagde informatie.".
Art. 125. In artikel 125, § 2, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden ", ongeacht het type verband houdende onderliggende criminele activiteit";
2° in het tweede lid wordt het woord "strafonderzoek" vervangen door het woord "onderzoek", en worden de woorden "of duidelijk onevenredig zou zijn met de legitieme belangen van een natuurlijke of rechtspersoon of België," opgeheven;
3° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin :
"Die uitzonderingen worden op zodanige wijze gespecificeerd dat misbruik van en onredelijke beperkingen op de verstrekking van informatie worden voorkomen.".
Art. 126. In artikel 128 van dezelfde wet worden de woorden "fiscale misdrijven vormen geen beletsel voor de CFI om informatie uit te wisselen of bijstand te verlenen aan een andere FIE." vervangen door de woorden "met het witwassen van geld verband houdende onderliggende criminele activiteiten, zoals beoogd in artikel 4, 23°, van deze wet, vormen geen beletsel voor de CFI om informatie te gebruiken, uit te wisselen of bijstand te verlenen aan een andere FIE, overeenkomstig de bepalingen van dit Hoofdstuk.".
Art. 127. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 3, van dezelfde wet, zoals hernoemd in artikel 120, wordt het opschrift "Hoofdstuk 2. Samenwerking tussen de toezichtautoriteiten en hun buitenlandse tegenhangers" vervangen door het opschrift "Afdeling 2. Samenwerking tussen de toezichtautoriteiten en de buitenlandse toezichtautoriteiten".
Art. 128. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 3, Afdeling 2, van dezelfde wet, zoals hernoemd in artikel 127, wordt artikel 129 opgeheven.
Art. 129. In dezelfde Afdeling 2 wordt artikel 130 vervangen als volgt :
"Art 130. § 1. De toezichtautoriteiten werken samen met de buitenlandse toezichtautoriteiten en wisselen met hen alle informatie uit die nuttig is voor de uitoefening van hun respectieve toezichtsbevoegdheden waarin is voorzien bij of krachtens deze wet, richtlijn 2015/849 of de gelijkwaardige bepalingen van hun nationaal recht.
§ 2. De in het eerste lid bedoelde samenwerking en uitwisseling van informatie vinden met name plaats met de volgende autoriteiten :
1° de toezichtautoriteiten van een lidstaat of van een derde land wanneer de Belgische onderworpen entiteiten bijkantoren, dochterondernemingen of andere vestigingsvormen zijn van onderworpen entiteiten die onder het recht van die lidstaat of van dat derde land ressorteren;
2° de buitenlandse toezichtautoriteiten die toezicht houden op de naleving van de gedragslijnen en procedures als bedoeld in artikel 45, lid 1 van richtlijn 2015/849 of in de gelijkwaardige bepalingen van hun nationaal recht, op het niveau van de groep waar een Belgische onderworpen entiteit deel van uitmaakt;
3° wanneer de groep waar de Belgische onderworpen entiteit deel van uitmaakt, andere vestigingen in het buitenland heeft, de buitenlandse toezichtautoriteiten die toezicht houden op die vestigingen; deze samenwerking heeft met name tot doel een doeltreffend toezicht uit te oefenen op de naleving door de Belgische onderworpen entiteit van de artikelen 13 en 14, en houdt ook in dat alle informatie wordt uitgewisseld die nuttig is om te bepalen of de voorwaarden voor de toepassing van artikel 43, § 2, tweede lid, vervuld zijn;
4° wanneer de Bank een maatregel wil nemen als bedoeld in artikel 95, de toezichtautoriteit van de lidstaat waaronder de onderworpen entiteit ressorteert; de samenwerking heeft met name tot doel de vastgestelde ernstige inbreuken zo spoedig mogelijk te beëindigen;
5° de buitenlandse toezichtautoriteiten die hun bevoegdheid willen uitoefenen om aan de onderworpen entiteiten die onder hun bevoegdheid vallen, sancties en maatregelen op te leggen als bedoeld in de artikelen 58 tot en met 60 van richtlijn 2015/849 of in de gelijkwaardige bepalingen van hun nationaal recht.
§ 3. Het beroepsgeheim waaraan de toezichtautoriteiten gebonden zijn, vormt geen belemmering voor de naleving van de in dit artikel bedoelde verplichting tot samenwerking.
§ 4. De toezichtautoriteiten mogen zich niet onttrekken aan de verplichting tot samenwerking en informatie-uitwisseling met de toezichtautoriteiten van een lidstaat op grond van het feit dat :
1° het verzoek om samenwerking betrekking heeft op belastingaangelegenheden;
2° het verzoek betrekking heeft op informatie die onder een op de betrokken onderworpen entiteiten rustende geheimhoudings- of vertrouwelijkheidsplicht valt, behalve, voor wat betreft de in artikel 5, § 1, 23° tot en met 28°, bedoelde onderworpen entiteiten, indien het gaat om informatie als bedoeld in artikel 53 van deze wet;
3° er in België reeds een onderzoek of een gerechtelijke of administratieve procedure is ingeleid voor dezelfde feiten en/of tegen dezelfde personen, tenzij het betrokken verzoek dit onderzoek of deze procedure kan schaden. Te dien einde onderneemt de aangezochte toezichtautoriteit de nodige stappen bij de eventueel met het onderzoek of de procedure belaste autoriteiten en vraagt zij van tevoren toestemming aan deze autoriteiten om de betrokken informatie bekend te maken;
4° de juridische status van de buitenlandse toezichtautoriteit verschilt van die van de aangezochte toezichtautoriteit.".
Art. 130. Artikel 131 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 131. § 1. De samenwerking en de uitwisseling van vertrouwelijke informatie krachtens artikel 130 zijn afhankelijk van de naleving van de volgende voorwaarden :
1° overeenkomstig de bepalingen van zijn nationaal recht onderworpen aan een beroepsgeheimregeling die ten minste gelijkwaardig is aan die waaraan de betrokken toezichtautoriteit is onderworpen;
2° het wederkerige karakter van de informatie-uitwisseling;
3° het verbod om de meegedeelde informatie voor andere doeleinden dan het toezicht op de naleving van de verplichtingen tot voorkoming van WG/FTP te gebruiken, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de autoriteit die deze informatie meedeelt; deze toestemming kan niet worden verleend als dit doeleinde niet verenigbaar is met het toezicht op de naleving van de verplichtingen tot voorkoming van WG/FTP;
4° het verbod om de ontvangen informatie door te geven aan eender welke derde, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de autoriteit die deze informatie meedeelt. In geval van samenwerking tussen de financiële toezichtautoriteiten en hun tegenhangers van een lidstaat is dit vereiste om van tevoren toestemming te verkrijgen niet van toepassing wanneer de informatie wordt meegedeeld aan andere financiële toezichtautoriteiten van een lidstaat;
5° de buitenlandse toezichtautoriteit heeft met de toezichtautoriteit een samenwerkingsovereenkomst ondertekend die voorziet in de uitwisseling van informatie en voldoet aan de in de punten 1° tot en met 4° van dit artikel bedoelde voorwaarden. In geval van samenwerking tussen de financiële toezichtautoriteiten en hun tegenhangers van een lidstaat is deze voorwaarde niet van toepassing.
§ 2. Wanneer de informatie die wordt meegedeeld afkomstig is van een toezichtautoriteit van een lidstaat, wordt deze alleen bekendgemaakt aan de toezichtautoriteiten van een derde land mits de autoriteit van die lidstaat uitdrukkelijk akkoord gaat met deze bekendmaking, en, in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de door deze autoriteit toegestane doeleinden bekendgemaakt wordt.".
Art. 131. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 3, van dezelfde wet wordt na artikel 131 een Afdeling 3 ingevoegd, luidende "Internationale samenwerking tussen de financiële toezichtautoriteiten en de toezichthouders".
Art. 132. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 3, Afdeling 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 131, wordt een artikel 131/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 131/1. § 1. De financiële toezichtautoriteiten werken samen met de buitenlandse toezichthouders en wisselen met hen alle informatie uit die nuttig is voor de uitoefening van hun respectieve toezichtsbevoegdheden.
De financiële toezichtautoriteiten maken gebruik van hun wettelijke prerogatieven om aan de toezichthouders van de andere lidstaten bijstand te verlenen bij het verrichten van onderzoeken.
§ 2. De toezichthouders werken samen en wisselen informatie uit met de buitenlandse financiële toezichtautoriteiten onder dezelfde voorwaarden als die welke bedoeld zijn in paragraaf 1. De toezichthouders mogen de aldus vergaarde informatie enkel gebruiken voor de uitvoering van hun toezichtstaken, met inbegrip van het opleggen van sancties, alsook in het kader van een beroepsprocedure of rechtsvordering die wordt ingesteld tegen een beslissing.
§ 3. Het beroepsgeheim waaraan de financiële toezichtautoriteiten of de toezichthouders gebonden zijn, vormt geen belemmering voor de naleving van de in dit artikel bedoelde verplichting tot samenwerking.".
Art. 133. In dezelfde Afdeling 3 wordt een artikel 131/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 131/2. § 1. De samenwerking en de uitwisseling van vertrouwelijke informatie krachtens artikel 131/1 is afhankelijk van de naleving van de volgende voorwaarden :
1° de buitenlandse toezichthouder of de buitenlandse financiële toezichtautoriteit is overeenkomstig de bepalingen van zijn nationaal recht onderworpen aan een beroepsgeheimregeling die ten minste gelijkwaardig is aan die waaraan de betrokken toezichtautoriteiten of toezichthouders zijn onderworpen;
2° het wederkerige karakter van de informatie-uitwisseling;
3° het verbod om de meegedeelde informatie voor andere doeleinden te gebruiken dan het uitvoeren van de wettelijke taken van de buitenlandse financiële toezichtautoriteit of de buitenlandse toezichthouder, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de autoriteit die deze informatie meedeelt; deze toestemming kan niet worden verleend als dit doeleinde niet verenigbaar is met het toezicht op de naleving van de verplichtingen tot voorkoming van WG/FTP;
4° het verbod om de ontvangen informatie door te geven aan eender welke derde, behoudens voorafgaande en schriftelijke toestemming van de autoriteit die deze informatie meedeelt. In geval van samenwerking tussen de financiële toezichtautoriteiten en de toezichthouders van een lidstaat, of tussen de toezichthouders en de financiële toezichtautoriteiten van een lidstaat, is dit vereiste niet van toepassing wanneer de informatie bekendgemaakt wordt aan de financiële toezichtautoriteiten of de toezichthouders van een andere lidstaat;
5° tenzij de Europese richtlijnen voorzien in een beroepsgeheim voor de buitenlandse betrokken autoriteiten, heeft de buitenlandse financiële toezichtautoriteit of de buitenlandse toezichthouder een samenwerkingsovereenkomst ondertekend die voorziet in de uitwisseling van informatie en voldoet aan de in 1° tot en met 4° bedoelde voorwaarden.
§ 2. Wanneer de informatie die wordt meegedeeld afkomstig is van een financiële toezichtautoriteit of van een toezichthouder van een lidstaat, wordt deze alleen bekendgemaakt aan de autoriteiten van een derde land mits deze autoriteit van de lidstaat uitdrukkelijk akkoord gaat met deze bekendmaking, en, in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de door deze autoriteit toegestane doeleinden bekendgemaakt wordt.".
Art. 134. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 120, wordt na artikel 131/2 een Afdeling 4 ingevoegd, luidende : "Internationale samenwerking tussen de toezichtautoriteiten en de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten".
Art. 135. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 3, Afdeling 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 134, wordt een artikel 131/3 ingevoegd, luidende :
"Art. 131/3. § 1. De toezichtautoriteiten werken samen met de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten van een lidstaat, en wisselen met hen alle nuttige informatie uit die nuttig is voor de uitoefening van hun respectieve toezichtsopdrachten.
§ 2. Als autoriteit die belast is met het toezicht op de financiële markten, werkt de FSMA samen met de toezichtautoriteiten van een lidstaat en wisselt zij alle nuttige informatie met hen uit, telkens als dit nodig is voor de uitoefening van hun respectieve toezichtsopdrachten.
§ 3. De onderwerping van de in dit artikel bedoelde autoriteiten aan een beroepsgeheim vormt geen belemmering voor de naleving van de in dit artikel bedoelde verplichting tot samenwerking.".
Art. 136. In dezelfde Afdeling 4 wordt een artikel 131/4 ingevoegd, luidende :
"Art. 131/4. De in artikel 131/3 bedoelde samenwerking en uitwisseling van vertrouwelijke informatie zijn afhankelijk van de naleving van de volgende voorwaarden :
1° naargelang het geval is de toezichtautoriteit van een lidstaat of de autoriteit die belast is met het toezicht op de financiële markten van een lidstaat, overeenkomstig de bepalingen van zijn nationaal recht, onderworpen aan een beroepsgeheimregeling die ten minste gelijkwaardig is aan die waaraan de FSMA, als autoriteit die belast is met het toezicht op de financiële markten, of de toezichtautoriteiten zijn onderworpen;
2° het wederkerige karakter van de informatie-uitwisseling;
3° het verbod om de meegedeelde informatie voor andere doeleinden te gebruiken dan het uitoefenen van de wettelijke opdrachten van de toezichthouder van een lidstaat of van de autoriteit die belast is met het toezicht op de financiële markten van een lidstaat, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de autoriteit die deze informatie meedeelt;
4° het verbod om de ontvangen informatie door te geven aan eender welke derde, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de autoriteit die deze informatie meedeelt. In geval van samenwerking tussen de FSMA, die optreedt als autoriteit die belast is met het toezicht op de financiële markten, en de toezichtautoriteiten van een lidstaat, of tussen de toezichtautoriteiten van een lidstaat en de autoriteiten van die lidstaat die belast zijn met het toezicht op de financiële markten, is dit vereiste niet van toepassing wanneer de betrokken informatie wordt doorgegeven aan de toezichtautoriteiten of aan de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten van een andere lidstaat;
5° tenzij de Europese richtlijnen voorzien in een beroepsgeheim voor de betrokken autoriteiten van een lidstaat, heeft de toezichthouder van een lidstaat of de autoriteit die belast is met het toezicht op de financiële markten van een lidstaat, een samenwerkingsovereenkomst ondertekend die voorziet in de uitwisseling van informatie en voldoet aan de in voornoemde punten 1° tot en met 4° bedoelde voorwaarden.
§ 2. Wanneer de informatie die wordt meegedeeld, afkomstig is van een toezichtautoriteit van een lidstaat of van de autoriteit van die lidstaat die belast is met het toezicht op de financiële markten, wordt deze alleen bekendgemaakt aan de autoriteiten van een derde land mits de autoriteit van die lidstaat uitdrukkelijk akkoord gaat met deze bekendmaking, en, in voorkomend geval, mits de informatie alleen voor de door deze autoriteit toegestane doeleinden wordt doorgegeven.".
Art. 137. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 120, wordt na artikel 131/4 een Afdeling 5 ingevoegd, luidende : "Internationale samenwerking tussen de toezichtautoriteiten en de ETA's".
Art. 138. In Boek IV, Titel 5, Hoofdstuk 3, Afdeling 5, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 137, wordt een artikel 131/5 ingevoegd, luidende :
"Art. 131/5. De in artikel 85, § 1, 3° en 4°, bedoelde toezichtautoriteiten fungeren als aanspreekpunt voor de ETA's.
Deze toezichtautoriteiten stellen de ETA's in kennis van de gevallen waarin hun met toepassing van artikel 13, § 3, derde lid, wordt meegedeeld dat het volgens het recht van een derde land niet is toegestaan dat de voorgeschreven gedragslijnen en procedures worden toegepast, rekening houdend met eventuele juridische beperkingen die de correcte toepassing van deze gedragslijnen en procedures kunnen belemmeren, onder meer inzake geheimhouding en gegevensbescherming en andere beperkingen op de uitwisseling van informatie die daartoe relevant kan zijn. Ze werken samen met de ETA's bij het zoeken naar een oplossing.".
Art. 139. In artikel 132 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragrafen 1 en 2 worden vervangen als volgt :
" § 1. Onverminderd andere bij deze wet of bij andere wettelijke of reglementaire bepalingen voorgeschreven maatregelen, kunnen de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85 of, in voorkomend geval, de bij andere wetten aangewezen autoriteiten, indien zij vaststellen :
1° dat een inbreuk is begaan op de bepalingen van deze wet of van de besluiten en reglementen genomen ter uitvoering ervan, van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2015/849, van de Europese verordening betreffende geldovermakingen, of van de waakzaamheidsplichten bedoeld in de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's, die onder hun bevoegdheid vallen;
2° dat niet wordt voldaan aan een vereiste die wordt opgelegd door de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85 of, in voorkomend geval, door de bij andere wetten aangewezen autoriteiten met toepassing van de in 1° bedoelde bepalingen;
3° dat niet wordt voldaan aan vereisten die door de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85 of, in voorkomend geval, door de bij andere wetten aangewezen autoriteiten als voorwaarden worden gesteld voor een beslissing die wordt genomen met toepassing van de in 1° bedoelde bepalingen, een administratieve geldboete opleggen aan de onderworpen entiteiten die onder hun bevoegdheid vallen en, in voorkomend geval, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van die entiteiten, van hun directiecomité en aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde inbreuk verantwoordelijk zijn.
§ 2. Indien de in paragraaf 1 bedoelde inbreuk werd begaan door een van de in artikel 5, § 1, 1° tot en met 22°, bedoelde onderworpen entiteiten, bedraagt de in dezelfde paragraaf 1 bedoelde administratieve geldboete, voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten :
1° maximaal 5 000 000 euro of, indien dit hoger is, tien procent van de jaarlijkse netto-omzet van het voorbije boekjaar, indien het gaat om een rechtspersoon;
2° maximaal 5 000 000 euro, indien het gaat om een natuurlijke persoon;
Indien de in paragraaf 1 bedoelde inbreuk werd begaan door een van de in artikel 5, § 1, 23° tot en met 33°, bedoelde entiteiten, bedraagt de in dezelfde paragraaf 1 bedoelde administratieve geldboete, voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten, maximaal 1 250 000 euro.
Onverminderd de in het eerste en tweede lid bepaalde maximumbedragen voor de geldboetes mag, wanneer de inbreuk voor de onderworpen entiteit winst heeft opgeleverd of haar heeft toegelaten verlies te vermijden, het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het dubbele van het bedrag van deze winst of dit verlies.
Het eerste lid, 2°, en het tweede en derde lid zijn van toepassing wanneer een administratieve geldboete wordt opgelegd aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van een betrokken entiteit, van haar directiecomité of aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan de effectieve leiding van de entiteit, overeenkomstig paragraaf 1.".
2° paragraaf 3 wordt aangevuld met de bepaling onder 8°, luidende :
"8° de mate waarin de betrokkene heeft rekening gehouden met de richtsnoeren voor de risico-gebaseerde benadering die de toezichtautoriteiten gebeurlijk hebben uitgewerkt op basis van artikel 86, § 2.";
3° in paragraaf 6, eerste lid :
a) worden de woorden "artikel 58/11, derde en vierde lid, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, of op artikel 14/1, tweede en derde lid, van het Wetboek van Vennootschappen" vervangen door de woorden "artikel 1 :35 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen";
b) worden de woorden "voornoemde artikelen" vervangen door de woorden "voornoemd artikel";
c) worden de woorden "artikel 58/11 van de voornoemde wet en in artikel 14/1 van het voornoemde wetboek" vervangen door de woorden "hetzelfde artikel";
4° het artikel wordt aangevuld met de paragrafen 7 en 8, luidende :
" § 7. Voor de toepassing van paragraaf 2, eerste lid, 1°, wordt de jaarlijkse netto-omzet bepaald op grond van de meest recente door de raad van bestuur of het bestuursorgaan van de onderworpen entiteit opgestelde jaarrekening. Indien de betrokken rechtspersoon geen omzet realiseert, wordt onder totale jaaromzet begrepen de met omzet overeenstemmende soort inkomsten, hetzij overeenkomstig de toepasselijke Europese jaarrekeningenrichtlijnen hetzij, indien die niet van toepassing zijn op de betrokken rechtspersoon, overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat waar de rechtspersoon gevestigd is.
Indien de rechtspersoon een moederonderneming is of een dochteronderneming van een moederonderneming die een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, dan wordt onder jaarlijkse netto-omzet begrepen de jaarlijkse netto-omzet op grond van de meest recente door de raad van bestuur of het bestuursorgaan van de uiteindelijke moederonderneming opgestelde geconsolideerde jaarrekening.
§ 8. Rechtspersonen, zelfs indien zij niet zijn onderworpen, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de administratieve geldboetes die worden opgelegd aan de onderworpen natuurlijke personen die er hun activiteit uitoefenen als bestuurder of actieve vennoot of op grond van een ondernemingsovereenkomst of mandaat.".
Art. 140. In artikel 133 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, luidende :
" § 2/1. De administratieve geldboete voor de onderworpen entiteiten als bedoeld in artikel 5, § 1, 23°, wordt opgelegd conform de bepalingen van artikel 56 en 58 tot 60 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.";
2° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Voor de toepassing van artikel 132, § 6, gebeurt het horen of oproepen bedoeld in het eerste lid door de Administratie van de Thesaurie en bij voorkeur schriftelijk op elektronische wijze. De betrokken entiteit of persoon kan steeds verzoeken om mondeling gehoord te worden. De Koning kan voor de toepassing van dit lid aanvullende modaliteiten en procedureregels bepalen.";
3° in paragraaf 4 :
a) worden de woorden "De toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 5° tot en met 12° " vervangen door de woorden "De toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 85, § 1, 5° en 7° tot en met 12° ";
b) worden de woorden "de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 21°, 23° tot en met 32° " vervangen door de woorden "de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 21°, 24° tot en met 32° ".
Art. 141. In artikel 135, § 2, van dezelfde wet worden de woorden "met inbegrip van de minnelijke schikkingen die ze in voorkomend geval mogen treffen," ingevoegd tussen de woorden "bedoeld in artikel 5, § 1, 4° tot en met 21°, " en de woorden "evenals over een eventueel beroep daartegen".
Art. 142. In de Franse tekst van artikel 136 van dezelfde wet worden de woorden "la présente loi, des arrêtés" vervangen door de woorden "la présente loi et des arrêtés".
Art. 143. In bijlage II, artikel 1, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de bepaling onder 2°, c), wordt het woord "aanvullend" ingevoegd tussen de woorden "een" en "pensioenstelsel";
b) in de bepaling onder 3° wordt het inleidende gedeelte vervangen als volgt :
"3° geografische risicofactoren - registratie, vestiging of woonst in :".
Art. 144. In bijlage III, artikel 1, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de bepaling onder 1° wordt aangevuld met de bepaling onder g), luidende :
"g) de cliënt is een onderdaan van een derde land die in een lidstaat verblijfsrechten of het staatsburgerschap aanvraagt in ruil voor kapitaaloverdrachten, de aankoop van onroerend goed of overheidsobligaties of investeringen in vennootschappen in een lidstaat;";
b) in de bepaling onder 2° wordt :
i) in de Franse tekst het woord "transactions" vervangen door het woord "opérations";
ii) de bepaling onder c) vervangen als volgt :
"c) zakelijke relaties op afstand of verrichtingen op afstand, zonder bepaalde garanties, zoals elektronische identificatiemiddelen of relevante vertrouwensdiensten zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 910/2014 of ieder andere identificatieproces dat veilig is, op afstand of langs elektronische weg plaatsvindt en door de relevante nationale autoriteiten is gereglementeerd, erkend, goedgekeurd of aanvaard;";
iii) de bepaling wordt aangevuld met de bepaling onder f), luidende :
"f) verrichtingen in verband met aardolie, wapens, edele metalen, tabaksproducten, culturele kunstvoorwerpen en andere artikelen van archeologisch, historisch, cultureel en religieus belang of met grote wetenschappelijke waarde, alsook ivoor en beschermde soorten.".
Art. 145. In dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019, wordt een bijlage IV ingevoegd die als bijlage is gevoegd bij deze wet.
HOOFDSTUK 7 - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
Art. 146. In artikel VII.181, § 1, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden in de bepaling onder 7° de woorden "of enige andere wettelijke of reglementaire bepaling waarop zij toeziet" ingevoegd tussen de woorden "ter uitvoering van dit hoofdstuk" en het woord ", verricht".
HOOFDSTUK 8 - Wijzigingen van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren
Art. 147. In artikel 5, § 1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt :
"2° betrouwbaar zijn, wat betekent :
a) niet beroofd zijn of zijn geweest van de burgerlijke en politieke rechten;
b) niet in staat van faillissement zijn of verklaard zijn geweest zonder eerherstel te hebben gekregen;
c) niet veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf, zelfs voorwaardelijk, van ten minste drie maanden op grond van de volgende Belgische regelgeving of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben :
i) een van de strafbare feiten vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen;
ii) een inbreuk op de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
iii) een inbreuk op het Wetboek van Vennootschappen of het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en hun uitvoeringsbesluiten;
iv) een inbreuk op het Wetboek van economisch recht en haar uitvoeringsbesluiten;
v) een inbreuk op de fiscale wetgeving;
d) niet veroordeeld zijn tot een criminele straf;
e) niet veroordeeld zijn voor een inbreuk op artikel 140, 140septies, 141 of 505, 2°, 3° en 4°, van het Strafwetboek of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben;
f) niet veroordeeld zijn tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten en op haar uitvoeringsbesluiten, of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben;".
Art. 148. Artikel 6, § 1, van dezelfde wet wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende :
"4° één van haar vennoten, één van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijke begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, bevindt zich niet in één van in artikel 5, § 1, 2°, bedoelde situaties.".
Art. 149. In artikel 6, § 2, van dezelfde wet wordt de bepaling onder 4° opgeheven.
Art. 150. In artikel 7, § 1, van dezelfde wet wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt :
"3° voldoen aan de voorwaarden van betrouwbaarheid, wat betekent zich niet bevinden in één van in artikel 5, § 1, 2°, bedoelde situaties;".
Art. 151. Artikel 8 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt aangevuld met de bepaling onder 9°, luidende :
"9° één van haar vennoten, één van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijke begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, bevindt zich niet in één van in artikel 5, § 1, 2°, bedoelde situaties.".
Art. 152. In artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende :
"3° wanneer de bedrijfsrevisor, of in het kader van een rechtspersoon, één van haar vennoten, één van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijke begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten zich bevindt in één van in artikel 5, § 1, 2°, a) tot en met f), bedoelde situaties.";
2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "de artikelen 5, § 1, 6°, en 7, § 1, 7°, " vervangen door de woorden "artikel 5, § 1, 2,° en 6°, artikel 6, § 1, 4°, artikel 7, § 1, 3° en 7°, en artikel 8, 9°, ".
HOOFDSTUK 9 - Wijzigingen van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur
Art. 153. Artikel 6 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 en 3, luidende :
" § 2. Niemand mag als zelfstandige, noch als natuurlijk persoon noch als rechtspersoon, voor rekening van derden, in hoofdberoep of bijberoep, de beroepsactiviteiten als bedoeld in paragraaf 1 uitoefenen, indien hij niet ingeschreven is in het openbaar register als beroepsbeoefenaar, noch op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de personen die op grond van wettelijke of reglementaire bepalingen of op grond van beroepsgebruiken gewoonlijk de activiteiten uitoefenen bedoeld in paragraaf 1 en die eveneens onderworpen zijn aan de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.
§ 3. Kunnen niet ingeschreven worden op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2 :
1° diegenen die in het verleden tuchtrechtelijk werden geschrapt van het tableau der leden of de lijst van de stagiairs van een gereglementeerd beroep, zolang zij geen eerherstel bekomen hebben;
2° diegenen die niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 10, § 1, 2°, 3° en 4°, § 2 en § 3;
3° diegenen die veroordeeld zijn voor een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten of die een sanctie hebben opgelopen in de zin van artikel 118 van deze wet.".
Art. 154. Artikel 29 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. Het Instituut houdt in het openbaar register een aparte lijst bij van de personen bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, omvattende de personen die de beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 6, § 1, uitoefenen, zonder het voeren van de beroepstitel bedoeld in paragraaf 1, om toe te laten de lijst van deze personen te raadplegen en na te kijken.".
Art. 155. In artikel 30 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de eerste zin worden de woorden "bedoeld in artikel 29, § 1," ingevoegd tussen de woorden "register" en "bevat";
2° het artikel, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 en 3, luidende :
" § 2. De aparte lijst van het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, bevat :
1° de naam van de persoon, natuurlijke persoon en rechtspersoon, en de contactgegevens;
2° het adres waar deze persoon de activiteiten uitoefent en, ingeval het een rechtspersoon betreft, het adres van de maatschappelijke zetel;
3° het ondernemingsnummer, zowel als natuurlijk persoon als rechtspersoon.
De Koning kan, na advies van de Raad van het Instituut, de aparte lijst in het openbaar register, bedoeld in artikel 29, § 2, aanvullen met bijkomende gegevens die rechtstreeks verband houden met de beroepsuitoefening, alsook de nadere regels van het openbaar register vaststellen. Die bijkomende gegevens zijn beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de doeleinden van het openbaar register.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.
§ 3. Bij elke kandidatuur wordt een dossier gevoegd, met de in deze paragraaf genoemde gegevens. Het dossier omvat bovendien een omstandige beschrijving van de samenstelling en de organisatie van zijn kantoor en van zijn werkmethodes. Indien de persoon werkzaam is of is geweest in het kader van een rechtspersoon, omvat het dossier bovendien een beschrijving van de rechtspersoon, haar organisatie en werking en van de plaats die de persoon erin bekleedt.
De Raad van het Instituut mag van een persoon eisen dat hij zijn dossier vervolledigt door overlegging, binnen de termijn die zij vaststellen, van alle stukken of gegevens die nodig zijn om over de aanvraag te kunnen beslissen.
De Koning bepaalt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels voor de inschrijving in het openbaar register.
De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben.".
Art. 156. In artikel 31, tweede lid, van dezelfde wet het woord "beroepsbeoefenaar" vervangen door de woorden "persoon ingeschreven in het openbaar register".
Art. 157. Artikel 33 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. Wanneer de persoon bedoeld in artikel 29, § 2, hierom verzoekt, wordt hij uit het openbaar register uitgeschreven.
Wanneer de persoon om de uitschrijving van het openbaar register verzoekt, terwijl hij het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke procedure voor een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten of die een sanctie heeft opgelopen in de zin van artikel 118 van de wet van 18 september 2017, kan hij slechts uitgeschreven worden na de beslissing van de gerechtelijke instantie of in voorkomend geval na de beslissing van de toezichtautoriteiten bedoeld in artikel 118 van de wet van 18 september 2017.
De uitschrijving heeft tot gevolg dat de betrokken persoon noch als zelfstandige, noch als natuurlijk persoon noch als rechtspersoon, voor rekening van derden, in hoofdberoep of bijberoep, de beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 6, § 1, van deze wet meer mag uitoefenen.
De persoonsgegevens behandeld door het Instituut worden bijgehouden zolang dat nodig is om de doeleinden door of krachtens deze wet te behalen en maximaal gedurende tien jaar te rekenen vanaf de uitschrijving.
Art. 158. In artikel 34, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "of de persoon bedoeld in artikel 29, § 2," ingevoegd tussen de woorden "fiscaal accountant" en het woord "die".
Art. 159. In artikel 37 van dezelfde wet worden in de eerste zin de woorden ", met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2," ingevoegd tussen het woord "register" en het woord "handelt".
Art. 160. In artikel 39, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden ", met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2," ingevoegd tussen het woord "register" en het woord "beschikt".
Art. 161. In artikel 50 van dezelfde wet worden de woorden ", met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2," ingevoegd tussen de woorden "register" en "gehouden".
Art. 162. In artikel 51 van dezelfde wet worden in de eerste zin de woorden ", met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2," ingevoegd tussen de woorden "register" en "geen".
Art. 163. In artikel 52 van dezelfde wet worden de woorden ", met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2," ingevoegd tussen de woorden "register" en "vertrouwelijke".
Art. 164. Artikel 54 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. De personen die ingeschreven moeten worden op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, betalen de administratieve kosten die worden aangerekend voor de behandeling van hun dossier, als vastgesteld door de Raad van het Instituut.
De personen die inschreven zijn op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, betalen jaarlijks een bijdrage aan het Instituut die gelijk is aan de bijdrage van de personen bedoeld in artikel 6, § 1.
Deze bijdrage kan jaarlijks geïndexeerd worden.".
Art. 165. Artikel 62, § 1, van dezelfde wet wordt aangevuld met de bepaling onder 9°, luidende :
"9° het toezien op de naleving door de personen bedoeld in artikel 6, § 2, van de modaliteiten en voorwaarden van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.".
Art. 166. Artikel 72, eerste lid, van dezelfde wet wordt aangevuld met de bepaling onder 13°, luidende :
"13° erop toezien dat de personen bedoeld in artikel 6, § 2, de modaliteiten en voorwaarden naleven van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten. De Raad van het Instituut zal in naam en voor rekening van het Instituut al zijn bevoegdheden als toezichtautoriteit in de zin van artikel 85 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 6, § 2, van deze wet van 17 maart 2019.".
Art. 167. In artikel 77, eerste lid, 5°, van dezelfde wet worden de woorden ", met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2," ingevoegd tussen het woord "register" en het woord "in".
Art. 168. In artikel 85 van dezelfde wet worden in de eerste zin de woorden "en in artikel 29, § 2" ingevoegd tussen de woorden "artikel 23" en het woord ", terechtwijzen".
Art. 169. In artikel 98, eerste lid, van dezelfde wet wordt de tweede zin aangevuld met de woorden ", met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 29, § 2".
Art. 170. In artikel 117, eerste lid, 2°, van dezelfde wet worden de woorden "artikel en 4, 5, 7, 8, en 9" vervangen door de woorden "artikelen 4, 5, 6, 7, 8, en 9".
HOOFDSTUK 10 - Wijzigingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen
Art. 171. Artikel 1 :35, eerste lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt aangevuld met de volgende zin :
"De uiteindelijke begunstigde verstrekt aan de vennootschap of rechtspersoon waarvan hij de begunstigde is alle informatie die deze vennootschap en rechtspersoon nodig heeft om aan de vereisten bedoeld in dit lid te voldoen.".
Art. 172. Artikel 1 :36 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De administratieve sancties bepaald in artikel 132, § 6, eerste en tweede lid, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten zijn van toepassing op de uiteindelijke begunstigden die de verplichtingen niet naleven bedoeld in artikel 1 :35, eerste lid, tweede zin.".
HOOFDSTUK 11 - Inwerkingtreding
Art. 173. Het verbod op het uitoefenen voor rekening van derden van de beroepsactiviteiten van artikel 6 § 1, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur, zoals bedoeld in artikel 6, § 2, van dezelfde wet, door personen die geen beroepsbeoefenaar zijn en die niet op een aparte lijst in het openbaar register staan ingeschreven zoals bedoeld in artikel 29, § 2, van dezelfde wet, is van toepassing zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 42, d), treedt in werking op 10 juli 2020.
De punten 31° /3 en 31° /5 als bedoeld in artikel 32, p) treden in werking op 1 juli 2021. De Koning kan de inwerkingtreding ervan met 6 maanden uitstellen indien een Europese Verordening, Richtlijn of Europese rechtshandeling een aanpassing van de betrokken bepalingen vereist.
Het punt 31° /4 als bedoeld in artikel 32, p) treedt in werking op de door de Koning bepaalde datum nadat Hij heeft vastgesteld dat er een samenwerkingsakkoord met de betrokken gewesten is afgesloten.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 20 juli 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
S. WILMES
De Minister van Justitie,
K. GEENS
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
A. DE CROO
De Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO's,
D. DUCARME
De Minister van Digitale agenda en Post, belast met Privacy,
Ph. DE BACKER
De Minister van Economie en Consumenten,
N. MUYLLE
De Minister van Buitenlandse Zaken en Defensie,
Ph. GOFFIN
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
_______
Nota
(1) Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be)
Stukken : K55-1324
Integraal verslag : 15 en 16 juli 2020

Bijlage bij de wet van 20 juli 2020 houdende diverse bepalingen tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten
Bijlage IV bij de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten
Lijst van functies die als prominente publieke functie worden aangeduid overeenkomstig artikel 41, § 4, eerste lid
Artikel 1. De volgende functies zijn prominent publieke functies als bedoeld in artikel 4, 28° :
1° staatshoofden, regeringsleiders, ministers en staatssecretarissen :
a) de Koning;
b) de Eerste minister, Minister-president, Vice-Eerste ministers, Viceministers-President, ministers en staatssecretarissen;
2° parlementsleden of leden van soortgelijke wetgevende organen :
a) de Kamervoorzitter, Senaatsvoorzitter, Parlementsvoorzitter, parlementsleden, senatoren, gecoöpteerde senatoren, commissievoorzitters en commissieleden;
3° leden van bestuurslichamen van politieke partijen :
a) de leden van het partijbestuur, de politieke raad, de partijraad, het directiecomité, het dagelijks bestuur en het partijsecretariaat;
4° leden van hooggerechtshoven, grondwettelijke hoven of van andere hoge rechterlijke instanties, met inbegrip van administratieve rechterlijke instanties, die arresten wijzen waartegen geen beroep openstaat, behalve in uitzonderlijke omstandigheden :
a) raadsheer in het Hof van Cassatie (met inbegrip van de eerste voorzitter, de voorzitter en de sectievoorzitters);
b) raadsheer in het hof van beroep (met inbegrip van de eerste voorzitter en de kamervoorzitters);
c) raadsheer in het arbeidshof (met inbegrip van de eerste voorzitter en de kamervoorzitters);
d) plaatsvervangende raadsheren bij deze drie hoven;
e) de eerste Voorzitter, voorzitters, kamervoorzitters, staatsraden, assessoren, en auditeurs bij de Raad van State;
5° leden van rekenkamers of van raden van bestuur van centrale banken :
a) de Gouverneur en de leden van het Directiecomité en van de Regentenraad van de Nationale Bank van België;
b) de eerste voorzitter, de voorzitters en raadsheren bij het Rekenhof;
6° ambassadeurs, consuls, zaakgelastigden en hoge officieren van de strijdkrachten :
a) de ambassadeurs, consuls en zaakgelastigden;
b) de officieren bekleed met de graad van generaal of van admiraal die door de Koning voor een specifieke functie aangewezen zijn;
c) de officieren bekleed met de graad van luitenant-generaal of vice-admiraal die, naargelang het geval, door de Koning of de minister van Defensie, voor hun ambt aangewezen zijn;
d) de officieren bekleed met de graad van generaal-majoor of divisieadmiraal die, naargelang het geval, door de Koning of de minister van Defensie, voor hun ambt aangewezen zijn;
e) de officieren bekleed met de graad van brigadegeneraal of flottielje-admiraal die door de Koning voor een specifieke functie aangewezen zijn;
7° leden van het leidinggevend, toezichthoudend of bestuurslichaam van overheidsbedrijven :
a) de Chief Executive Officer, de Afgevaardigd of Gedelegeerd Bestuurder, de voorzitter, bestuurders en leden van de raad van bestuur, de voorzitter en de leden van het directiecomité en het uitvoerend comité, de regeringscommissarissen;
b) bestuurders, plaatsvervangend bestuurders en leden van de raad van bestuur of bekleders van een gelijkwaardige functie bij een internationale organisatie gevestigd op het Belgisch grondgebied.".
Gezien om te worden gevoegd bij Ons loi van wet 20 juli 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
S. WILMES
De Minister van Justitie,
K. GEENS
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
A. DE CROO
De Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO's,
D. DUCARME
De Minister van Digitale agenda en Post, belast met Privacy,
Ph. DE BACKER
De Minister van Economie en Consumenten,
N. MUYLLE
De Minister van Buitenlandse Zaken en Defensie,
Ph. GOFFIN


begin

Publicatie : 2020-08-05