J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/decreet/2021/04/23/2021041946/justel

Titel
23 APRIL 2021. - Decreet over de ondersteuning van de professionele kunsten

Bron :
VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 10-06-2021 nummer :   2021041946 bladzijde : 57758       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2021-04-23/18
Inwerkingtreding : 01-01-2022

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :2004036336        2014035384       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen, doelstellingen en instrumenten
Art. 1-6
HOOFDSTUK 2. - Gemeenschappelijke bepalingen voor alle subsidies
Art. 7-17
HOOFDSTUK 3. - Kortlopende subsidies
Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voor kortlopende subsidies
Art. 18-21
Afdeling 2. - Beurzen
Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voor beurzen
Art. 22-24
Onderafdeling 2. - Beurs opkomend talent
Art. 25-27
Onderafdeling 3. - Beurs bewezen talent
Art. 28-30
Afdeling 3. - Projectsubsidies
Art. 31-33
Afdeling 4. - Internationale subsidies
Onderafdeling 1. - Residentiebeurzen
Art. 34-40
Onderafdeling 2. - Tegemoetkomingen voor internationale presentatiemomenten
Art. 41-43
Onderafdeling 3. - Internationale presentatieprojecten
Art. 44-47
HOOFDSTUK 4. - Werkingssubsidies
Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voor werkingssubsidies
Art. 48-55
Afdeling 2. - Kunstenorganisaties
Art. 56-60
Afdeling 3. - Erkenning van kunstinstellingen
Art. 61-64
Afdeling 4. - Organisaties met specifieke kerntaken
Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen
Art. 65-66
Onderafdeling 2. - Vzw Kunstensteunpunt
Art. 67-68
Onderafdeling 3. - Vzw VI.BE
Art. 69-70
Onderafdeling 4. - Vzw Vlaams Architectuurinstituut
Art. 71-72
Onderafdeling 5. - Vzw Kunst in Huis
Art. 73-74
Afdeling 5. - Beheersovereenkomsten
Art. 75-76
HOOFDSTUK 5. - Collectie Vlaamse Gemeenschap
Art. 77-81
HOOFDSTUK 6. - Organisatie van de beoordeling
Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen
Art. 82-83
Afdeling 2. - Adviescommissie Kunsten
Art. 84
Afdeling 3. - Beoordelingscommissies en experten
Art. 85
Afdeling 4. - Landschapscommissie
Art. 86
HOOFDSTUK 7. - Bepalingen over de gegevensverwerking
Art. 87-91
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
Afdeling 1. - Opheffingsbepaling
Art. 92
Afdeling 2. - Overgangsbepalingen
Art. 93-97
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
Art. 98

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen, doelstellingen en instrumenten

  Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

  Art. 2. Dit decreet wordt aangehaald als: Kunstendecreet van 23 april 2021.

  Art. 3. In dit decreet wordt verstaan onder:
  1° administratie: de dienst die bevoegd is voor de kunsten;
  2° algemene groepsvrijstellingsverordening: de verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;
  3° Algemene Verordening Gegevensbescherming: de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming);
  4° beleidsperiode: een periode van vijf jaar die begint op 1 januari van het vierde volledige jaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement en eindigt op 31 december van het derde volledige jaar van de volgende legislatuur van het Vlaams Parlement;
  5° beurs: een subsidie aan een kunstenaar om uitzonderlijke inspanningen op het gebied van de kunsten mogelijk te maken of om de kunstenaar mogelijkheden te bieden tot persoonlijk initiatief binnen zijn professionele traject. Een beurs wordt belangeloos toegekend en zonder enige compensatie ten voordele van de subsidieverstrekker;
  6° buitenland: het Franse en het Duitse taalgebied en alle landen buiten België;
  7° disciplines: de verschillende vormen, uitingen of richtingen van kunst;
  8° functie: de basistaak van een actor of organisatie in het kunstenveld. Een kunstenaar, kunstwerker of organisatie kan zijn of haar project of werking definiëren aan de hand van een functie. In het kunstenveld bestaan de volgende functies:
  a) ontwikkeling: een artistieke praktijk, talent, carrière en oeuvre ontwikkelen of begeleiden. Het proces, het onderzoek en het artistieke experiment primeren op een concrete output;
  b) productie: een artistiek werk creëren, realiseren, verspreiden en promoten;
  c) presentatie: een gecreëerd en geproduceerd artistieke werk met een publiek delen;
  d) participatie: visies, concepten en processen ontwikkelen en toepassen die via actieve betrokkenheid bijdragen tot de totstandkoming van kunst of een diepgaandere beleving ervan, met aandacht voor maatschappelijke en culturele diversiteit;
  e) reflectie: de reflectie en de kritiek op kunst realiseren, stimuleren en toegankelijk maken;
  9° kunstenaar: een natuurlijke persoon die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  a) hij is bezig met scheppende of uitvoerende kunst;
  b) hij is professioneel actief in de kunstensector;
  c) hij is betrokken bij activiteiten in het kader van kunst binnen de Vlaamse Gemeenschap;
  10° kunstenorganisatie: een rechtspersoon die professioneel actief is in de kunstensector binnen de Vlaamse Gemeenschap en die daarin een of meer functies opneemt;
  11° kunstensector: het geheel van kunstenaars, kunstwerkers en organisaties die professioneel actief zijn op het gebied van de kunsten;
  12° kunstinstelling: een kunstenorganisatie die een duurzame, toonaangevende positie inneemt binnen het kunstenveld en specifiek hiervoor erkend wordt;
  13° kunstproductie: de productie of uitvoering van een artistiek werk in een van de disciplines die binnen dit decreet subsidieerbaar zijn;
  14° kunstwerker: een natuurlijke persoon die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  a) hij is professioneel actief in de kunstensector, maar is zelf geen kunstenaar;
  b) hij is betrokken bij activiteiten in het kader van kunst binnen de Vlaamse Gemeenschap en verricht daarbij in hoofdzaak creatief of inhoudelijk werk;
  15° projectsubsidie: een subsidie die toegekend wordt ter ondersteuning van een activiteit die qua opzet of doelstelling en ook in tijd kan worden afgebakend, met een maximale looptijd van drie opeenvolgende jaren;
  16° rol: de bijdrage van een actor of organisatie aan de maatschappij of aan de werking van specifieke andere actoren of organisaties;
  17° subsidie: een subsidie als vermeld in artikel 2, 34°, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019;
  18° subsidie-instrument: een bepaalde, specifieke subsidievorm, die verschilt van andere subsidievormen op vlak van doelstelling, doelgroep of voorwaarden van de subsidie;
  19° werkingssubsidie: een subsidie die toegekend wordt om een structurele activiteit te ondersteunen die een continu en permanent karakter vertoont en die de subsidiëring van een kern van personeelsleden, een basistoelage voor de werking en een subsidiëring op grond van werkelijk gepresteerde activiteiten omvat.
  De Vlaamse Regering wijst de dienst, vermeld in het eerste lid, 1°, aan.

  Art. 4. Dit decreet heeft tot doel de bloei van een professioneel en kwaliteitsvol, duurzaam, maatschappelijk en cultureel divers kunstenlandschap te stimuleren, de internationale samenwerking en uitwisseling van de kunsten te bevorderen en de maatschappelijke inbedding ervan te vergroten.
  Dit decreet doet dat door:
  1° de functies in het kunstenveld te benoemen en te ondersteunen;
  2° kortlopende initiatieven van kunstenaars, kunstwerkers en organisaties te ondersteunen;
  3° de structurele werking van kunstenorganisaties en organisaties met specifieke kerntaken te ondersteunen;
  4° buitenlandse presentaties van kunstenaars, kunstwerkers of kunstenorganisaties te ondersteunen;
  5° een kunstverwervingsbeleid te voeren;
  6° de spreiding, uitleen en aankoop van kunst te bevorderen;
  7° de andere bestuursniveaus erbij te betrekken in het kader van een complementair kunstenbeleid.

  Art. 5. § 1. De Vlaamse Regering ontwikkelt een strategische visie over het beleidskader voor de kunsten voor een periode van vijf jaar. Die strategische visie wordt geformuleerd in een strategische visienota die de beleidsnota Cultuur concretiseert.
  § 2. De strategische visienota bevat minstens de volgende elementen:
  1° een breed georiënteerde omgevingsanalyse die verder gaat dan het kunstenveld;
  2° de nieuwe uitdagingen die om beleidsaandacht vragen;
  3° de prioriteiten voor de legislatuur;
  4° de eventuele voorstellen voor een impulsbeleid;
  5° de aandachtspunten bij de beoordeling van en de beslissing over aanvragen van subsidies, vermeld in artikel 33, § 1, 4°, en artikel 56, § 1, 4° ;
  6° een lijst van prioritaire landen en regio's in het kader van het internationale kunstenbeleid;
  7° de verhouding tot steden en gemeenten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie, rekening houdend met de bijdragen die ze in het kader van artikel 6 geleverd hebben.
  § 3. De vzw Kunstensteunpunt, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 4, onderafdeling 2, levert een bijdrage aan de opbouw van de strategische visienota, vermeld in paragraaf 1, door een landschapstekening aan te leveren bij de administratie, uiterlijk op 1 september van het jaar vóór het jaar waarin de strategische visienota wordt voorgelegd, vermeld in paragraaf 4.
  De landschapstekening, vermeld in het eerste lid, is gebaseerd op een sterkte-zwakteanalyse, die de sterktes, zwaktes, kansen en bedreigingen van het kunstenveld beschrijft. De landschapstekening bevat kwalitatieve en kwantitatieve gegevens van het kunstenveld binnen de Vlaamse Gemeenschap, met inbegrip van cijfers over de internationale context, de aanwijzing van hiaten en overaanbod, de beschrijving van de huidige trends en de opsomming van opportuniteiten om het kunstenbeleid te optimaliseren.
  Het Kunstensteunpunt werkt voor de uitwerking van de landschapstekening in dialoog met de administratie.
  § 4. De Vlaamse Regering legt de strategische visienota voor aan het Vlaams Parlement uiterlijk op 1 april van het tweede volledige jaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement.

  Art. 6. De Vlaamse Regering betrekt de Vlaamse steden en gemeenten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie op de volgende wijze bij de uitvoering van dit decreet:
  1° ze vraagt aan de Vlaamse steden en gemeenten een schriftelijke bijdrage voor de opmaak van de strategische visienota, vermeld in artikel 5. Het opstellen van deze bijdrage gebeurt na of in overleg met de representatieve organisatie die hun belangen behartigt en de Vlaamse Gemeenschapscommissie. In die schriftelijke bijdrage formuleren de Vlaamse steden en gemeenten hun visie op het belang en de ontwikkeling van kunstenorganisaties met een landelijke of internationale uitstraling die op hun grondgebied gevestigd zijn, in relatie tot hun lokale kunstenbeleid;
  2° de Vlaamse steden en gemeenten waar kunstenorganisaties gevestigd zijn die een werkingssubsidie aanvragen, en, in voorkomend geval, de Vlaamse Gemeenschapscommissie kunnen op hun verzoek of op verzoek van de Vlaamse Regering gehoord worden na de beoordeling van de aanvraag van de betrokken kunstenorganisaties, vermeld in artikel 10, § 4;
  3° de Vlaamse steden en gemeenten waar de kunstenorganisaties met een werkingssubsidie voor twee beleidsperiodes, vermeld in artikel 50, tweede lid, en de kunstinstellingen, vermeld in artikel 61, gevestigd zijn, en, in voorkomend geval, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, worden betrokken bij het sluiten van de beheersovereenkomsten, vermeld in artikel 75, met de voormelde kunstenorganisaties.

  HOOFDSTUK 2. - Gemeenschappelijke bepalingen voor alle subsidies

  Art. 7. De kredieten die het Vlaams Parlement jaarlijks goedkeurt, bepalen het maximale bedrag dat in het betreffende jaar kan worden aangewend voor de uitvoering van dit decreet.
  Steun die wordt toegekend op grond van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, wordt verleend binnen de grenzen en de voorwaarden, vermeld in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.
  Conform de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, voldoen de aanvragen voor subsidies in het kader van dit decreet aan de volgende subsidievoorwaarden, die tegelijk ook subsidievereisten zijn:
  1° ten aanzien van de aanvrager of subsidieontvanger staat er geen bevel tot terugvordering uit door een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt;
  2° de aanvrager of subsidieontvanger is geen onderneming in moeilijkheden als vermeld in artikel 2, 18, van de voormelde verordening;
  3° de toekenning van de subsidie leidt niet tot een schending van het Unierecht als vermeld in artikel 1, lid 5, van de voormelde verordening.
  De aanmeldingsdrempels voor investeringsen exploitatiesteun voor cultuur, vermeld in artikel 4, 1, z), van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, worden in acht genomen bij de toekenning van steun aan individuele subsidieontvangers. Als deze individuele aanmeldingsdrempels overschreden worden, wordt de voorgenomen steun voorafgaandelijk aangemeld bij de Europese Commissie.

  Art. 8. Alle aanvragen voor subsidies in het kader van dit decreet voldoen aan de subsidievoorwaarde dat de aanvraag geen enkele van de volgende activiteiten inhoudt:
  1° creatieve activiteit binnen het werkterrein van Literatuur Vlaanderen, vermeld in artikel 5 van het decreet van 30 maart 1999 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Letteren;
  2° creatieve activiteit binnen het werkterrein van het Vlaams Audiovisueel Fonds, vermeld in artikel 3 van het decreet van 13 april 1999 houdende machtiging van de Vlaamse Regering om toe te treden tot en om mee te werken aan de oprichting van de vereniging zonder winstgevend doel Vlaams Audiovisueel Fonds;
  3° het ontwerp of de uitvoering van al dan niet experimentele bouwprojecten.
  In het eerste lid wordt verstaan onder:
  1° Literatuur Vlaanderen: het Vlaams Fonds voor de Letteren, opgericht bij het decreet van 30 maart 1999 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Letteren;
  2° Vlaams Audiovisueel Fonds: het Vlaams Audiovisueel Fonds, vermeld in het decreet van 13 april 1999 houdende machtiging van de Vlaamse Regering om toe te treden tot en om mee te werken aan de oprichting van de vereniging zonder winstgevend doel Vlaams Audiovisueel Fonds.

  Art. 9. Indien een aanvraag niet voldoet aan één van de in dit decreet vermelde subsidievoorwaarden die op de aanvraag van toepassing zijn, zal de beoordelingscommissie of de administratie, vermeld in artikel 85, bevoegd voor de beoordeling van de aanvraag, de aanvraag niet beoordelen op de beoordelingscriteria en besluiten tot een negatief advies.

  Art. 10. § 1. Kunstenaars kunnen een aanvraag indienen voor de volgende kortlopende subsidies:
  1° beurzen, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 2;
  2° projectsubsidies, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 3;
  3° residentiebeurzen, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 1;
  4° tegemoetkomingen voor internationale presentatiemomenten, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 2;
  5° internationale presentatieprojecten, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 3.
  Een aanvraag als vermeld in het eerste lid, is ontvankelijk als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  1° ze is tijdig ingediend conform artikel 12, eerste lid, 1° ;
  2° ze voldoet aan de vormvereisten conform artikel 12, eerste lid, 1°.
  Een aanvraag als vermeld in het eerste lid, kan gesubsidieerd worden als ze voldoet aan de subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8.
  § 2. Kunstwerkers kunnen een aanvraag indienen voor de volgende kortlopende subsidies:
  1° projectsubsidies, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 3;
  2° tegemoetkomingen voor internationale presentatiemomenten, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 2;
  3° internationale presentatieprojecten, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 3.
  Een aanvraag als vermeld in het eerste lid, is ontvankelijk als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  1° ze is tijdig ingediend conform artikel 12, eerste lid, 1° ;
  2° ze voldoet aan de vormvereisten conform artikel 12, eerste lid, 1°.
  Een aanvraag als vermeld in het eerste lid, kan gesubsidieerd worden als ze voldoet aan de subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, en de bijkomende subsidievoorwaarde dat de aanvraag gebeurt in het kader van de samenwerking met minstens één kunstenaar.
  § 3. Organisaties kunnen een aanvraag indienen voor de volgende kortlopende subsidies:
  1° projectsubsidies, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 3;
  2° tegemoetkomingen voor internationale presentatiemomenten, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 2;
  3° internationale presentatieprojecten, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 3.
  Een aanvraag als vermeld in het eerste lid, is ontvankelijk als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  1° de organisatie heeft rechtspersoonlijkheid;
  2° de organisatie is gevestigd in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
  3° de aanvraag is tijdig ingediend conform artikel 12, eerste lid, 1° ;
  4° de aanvraag voldoet aan de vormvereisten conform artikel 12, eerste lid, 1°.
  Een aanvraag als vermeld in het eerste lid, kan gesubsidieerd worden als ze voldoet aan de subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, en de bijkomende subsidievoorwaarde dat de aanvraag gebeurt in het kader van de samenwerking met of voor de presentatie van minstens één kunstenaar.
  § 4. Kunstenorganisaties kunnen naast een aanvraag voor de subsidies, vermeld in paragraaf 3, ook een aanvraag indienen voor werkingssubsidies als vermeld in hoofdstuk 4.
  Een aanvraag van een kunstenorganisatie voor een werkingssubsidie is ontvankelijk als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  1° de kunstenorganisatie heeft rechtspersoonlijkheid in de vorm van een vereniging, een stichting, een autonoom gemeentebedrijf of een coöperatieve vennootschap met een erkenning als sociale onderneming, die het doel om rechtstreekse vermogensvoordelen uit te keren of te bezorgen aan haar vennoten statutair uitsluit;
  2° de kunstenorganisatie is gevestigd in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
  3° de aanvraag is tijdig ingediend conform artikel 12, eerste lid, 1° ;
  4° de aanvraag voldoet aan de vormvereisten conform artikel 12, eerste lid, 1°.
  Een aanvraag als vermeld in het eerste lid, kan gesubsidieerd worden als ze voldoet aan de subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, en de bijkomende subsidievoorwaarde dat in de aanvraag de samenwerking met kunstenaars en kunstenorganisaties is uitgewerkt, ook als de aanvraag inzet op de functie participatie, vermeld in artikel 3, 8°, d).
  § 5. Organisaties die in het buitenland gevestigd zijn, kunnen een aanvraag indienen voor de volgende subsidies:
  1° tegemoetkomingen voor internationale presentatiemomenten, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 2;
  2° internationale presentatieprojecten, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 3.
  Een aanvraag als vermeld in het eerste lid, is ontvankelijk als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  1° de organisatie heeft rechtspersoonlijkheid;
  2° de aanvraag is tijdig ingediend conform artikel 12, eerste lid, 1° ;
  3° de aanvraag voldoet aan de vormvereisten conform artikel 12, eerste lid, 1°.
  Een aanvraag als vermeld in het eerste lid, kan gesubsidieerd worden als ze voldoet aan de subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, en de volgende bijkomende subsidievoorwaarden:
  1° de beoogde presentatieplek heeft internationale uitstraling;
  2° de beoogde presentatieplek biedt een of meer kunstenaars of kunstenorganisaties een publiek toegankelijke presentatiekans.
  § 6. De Vlaamse Regering kan voor alle subsidies de toepasselijke subsidievoorwaarden nader bepalen.

  Art. 11. § 1. De subsidies, vermeld in dit decreet, kunnen onderling niet gecombineerd worden.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 kunnen de tegemoetkomingen voor internationale presentatiemomenten, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 2, en de subsidies voor internationale presentatieprojecten, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 3, wel onderling gecombineerd worden indien het gaat over verschillende initiatieven, en kunnen ze gecombineerd worden met een van de volgende subsidies:
  1° een beurs als vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 2;
  2° een projectsubsidie als vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 3;
  3° een residentiebeurs als vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 1;
  4° een werkingssubsidie als vermeld in hoofdstuk 4.
  De toegekende werkingssubsidie, vermeld in het eerste lid, 4°, mag een bepaald grensbedrag niet overschrijden, om combineerbaar te zijn met een tegemoetkoming voor een internationale presentatiemoment of een subsidie voor een internationaal presentatieproject. De Vlaamse Regering bepaalt nader dit grensbedrag.

  Art. 12. De Vlaamse Regering bepaalt voor elk van de subsidie-instrumenten, vermeld in dit decreet, de nadere regels voor de volgende aspecten:
  1° de indiening van de aanvraag;
  2° de beoordeling van de aanvraag;
  3° de toekenning van de subsidie;
  4° de aanpassing van het beleidsplan als dat van toepassing is;
  5° de opmaak en evaluatie van de beheersovereenkomst als dat van toepassing is;
  6° de uitbetaling van de subsidie;
  7° de verantwoording van de subsidie;
  8° het toezicht op de aanwending van de subsidie;
  9° de eventuele remediëring en de maatregelen.
  De Vlaamse Regering voorziet bij de bepaling van de procedure voor de beoordeling van aanvragen voor werkingssubsidies, vermeld in hoofdstuk 4, de mogelijkheid voor de aanvrager om een toelichting te geven bij de aanvraag en de mogelijkheid om via een repliek te reageren op het voorlopig resultaat van de beoordeling.
  Bij de bepaling van de nadere regels, vermeld in het eerste lid, houdt de Vlaamse Regering rekening met de eigenheid van elk subsidie-instrument en de proportionaliteit ten opzichte van de eventuele begrenzing van het maximale subsidiebedrag.

  Art. 13. De administratie heeft de volgende taken:
  1° ze onderzoekt voor elke aanvraag of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden in kwestie;
  2° ze organiseert de toetsing aan de beoordelingscriteria;
  3° ze stelt in voorkomend geval een ontwerp van beslissing op.

  Art. 14. § 1. De subsidies, vermeld in dit decreet, worden in de vorm van voorschotten beschikbaar gesteld na de ondertekening van het subsidiebesluit.
  De Vlaamse Regering bepaalt de hoogte en de wijze van uitbetaling van de voorschotten.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de subsidie volledig uitbetaald na de ondertekening van het subsidiebesluit als het subsidiebedrag niet hoger is dan een bedrag dat de Vlaamse Regering bepaalt.

  Art. 15. Kunstenaars, kunstwerkers en organisaties die een subsidie ontvangen, leggen daarover een verantwoording af. De administratie oefent toezicht uit op de aanwending van de subsidie die op basis van dit decreet wordt toegekend.
  Het moment waarop de verantwoording wordt ingediend en de vormvereisten waaraan deze verantwoording moet voldoen, worden bepaald door de Vlaamse Regering als onderdeel van de nadere bepalingen van de verantwoording, vermeld in artikel 12, eerste lid, 7°.
  Tijdens het toezicht controleert de administratie:
  1° of de subsidieontvanger voldoet aan de subsidievereisten, vermeld in het vierde tot en met het zesde lid, als die van toepassing zijn, en de subsidievereisten, vermeld in artikel 7 en 17;
  2° of de subsidie overeenkomstig artikel 11 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, gebruikt is voor het doel waarvoor ze is verleend. Er kan afgeweken worden van deze wet indien de subsidieontvanger kan motiveren dat afwijkingen van het aanvraagdossier of het geactualiseerde beleidsplan noodzakelijk waren.
  De subsidievereiste voor een kunstenaar die een beurs, een residentiebeurs of een tegemoetkoming voor een internationaal presentatiemoment ontving, is dat hij in de verantwoording toelicht op welke wijze de subsidie heeft bijgedragen tot zijn professionele artistieke ontwikkeling.
  De subsidievereisten voor de ontvanger van een projectsubsidie of werkingssubsidie zijn:
  1° bij de vergoeding van medewerkers, ongeacht hun statuut, past hij de principes van fair practices toe. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de toepassing van de principes van fair practices;
  2° als de subsidieontvanger een rechtspersoon is, leeft hij de toepasselijke cao's na en voert hij een boekhouding conform de bepalingen over de jaarrekening, vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019.
  Bijkomend aan de subsidievereisten, vermeld in het vijfde lid, voldoet een ontvanger van een werkingssubsidie aan al de bijkomende subsidievereisten:
  1° hij draagt zorg voor het eigen archief. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de zorg voor het eigen archief;
  2° hij leeft de principes van goed bestuur na. De Vlaamse Regering bepaalt nader de principes van goed bestuur;
  3° hij leeft aanvullende voorwaarden na die de Vlaamse Regering kan bepalen over het minimumpercentage van eigen inkomsten en het minimumpercentage van het toegekende financieringsbudget dat gebruikt moet worden om medewerkers en kunstenaars te honoreren;
  4° hij past kennisopbouw en kennisdeling toe in de werking.
  Het toezicht, vermeld in het eerste en derde lid, wordt steekproefsgewijs en risicogedreven uitgevoerd en houdt rekening met de proportionaliteit, vermeld in artikel 12, derde lid.

  Art. 16. Als er bij het toezicht, vermeld in artikel 15 van dit decreet, ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, kan de Vlaamse Regering, in afwijking van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, een of meer van de volgende maatregelen nemen:
  1° inhouding of terugvordering van de volledige toegekende subsidie of van een deel ervan;
  2° bij werkingssubsidies, evaluatie en bijstelling of definitieve stopzetting van de toegekende werkingssubsidie;
  3° bij werkingssubsidies waarvoor een beheersovereenkomst is gesloten als vermeld in artikel 75 van dit decreet, een bijsturing van het beleid. Voor die organisaties bepaalt de Vlaamse Regering de mogelijke maatregelen nader in de beheersovereenkomst.
  De maatregelen staan in een redelijke verhouding tot de vastgestelde tekortkomingen.

  Art. 17. Voor alle ontvangers van een subsidie op basis van dit decreet geldt als bijkomende subsidievereiste dat in alle gedrukte en digitale communicatie, bij elke mededeling, verklaring, publicatie en presentatie in het kader van de gesubsidieerde activiteit de steun van de Vlaamse Gemeenschap vermeld wordt, door de standaardlogo's en de bijbehorende tekst en baselines te gebruiken die de Vlaamse Regering vaststelt.

  HOOFDSTUK 3. - Kortlopende subsidies

  Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voor kortlopende subsidies

  Art. 18. Het budget voor de kortlopende subsidies vertegenwoordigt een bepaald minimumpercentage ten opzichte van het totale jaarlijkse kunstenbudget voor de subsidiëring van de instrumenten, vermeld in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 4, afdeling 2.
  De Vlaamse Regering bepaalt het minimumpercentage, vermeld in het eerste lid.

  Art. 19. De Vlaamse Regering bepaalt het maximumbedrag van de volgende subsidies:
  1° de beurzen, vermeld in afdeling 2;
  2° de residentiebeurzen, vermeld in afdeling 4, onderafdeling 1;
  3° de tegemoetkomingen voor internationale presentatiemomenten, vermeld in afdeling 4, onderafdeling 2.
  De Vlaamse Regering kan het maximumbedrag bepalen van de volgende subsidies:
  1° de projectsubsidies, vermeld in afdeling 3;
  2° de subsidies voor internationale presentatieprojecten, vermeld in afdeling 4, onderafdeling 3.
  De Vlaamse Regering kan het aantal beurzen, vermeld in afdeling 2, en het aantal residentiebeurzen, vermeld in afdeling 4, onderafdeling 1, dat jaarlijks wordt toegekend, bepalen.

  Art. 20. De Vlaamse Regering kan aan de administratie de bevoegdheid verlenen om met betrekking tot bepaalde subsidie-instrumenten de subsidiebeslissing te nemen. Ze houdt daarbij rekening met klantgerichtheid, de eigenheid van elk subsidie-instrument en de eventuele begrenzing van het maximale subsidiebedrag.

  Art. 21. Subsidies aan kunstenaars en kunstwerkers worden verleend en uitbetaald aan de aanvrager als natuurlijke persoon, tenzij de aanvrager voor de uitbetaling een rechtspersoon aanwijst.
  De uitbetaling aan een rechtspersoon is niet mogelijk voor de beurzen, vermeld in afdeling 2, en de residentiebeurzen, vermeld in afdeling 4, onderafdeling 1.

  Afdeling 2. - Beurzen

  Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voor beurzen

  Art. 22. De Vlaamse Regering kan een van de volgende beurzen toekennen aan een kunstenaar:
  1° een beurs opkomend talent voor een looptijd van maximaal één jaar;
  2° een beurs bewezen talent voor een looptijd van maximaal drie jaar.

  Art. 23. Een beurs wordt toegekend voor een forfaitair bedrag per jaar. De Vlaamse Regering bepaalt het forfaitaire bedrag per jaar voor elke soort beurs.

  Art. 24. Een kunstenaar kan maar één keer per kalenderjaar een aanvraag voor een beurs indienen.

  Onderafdeling 2. - Beurs opkomend talent

  Art. 25. De Vlaamse Regering kan het maximale aantal keer dat een beurs opkomend talent toegekend kan worden aan een kunstenaar in de loop van zijn loopbaan, bepalen.

  Art. 26. Naast de subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, voldoet een aanvraag voor een beurs opkomend talent aan de volgende bijkomende subsidievoorwaarden:
  1° de aanvraag heeft betrekking op een subsidieperiode die van start gaat meer dan een jaar nadat de aanvrager zijn basisstudies in de kunsten heeft afgerond, of, als de aanvrager geen basisstudies in de kunsten heeft gevolgd, meer dan een jaar nadat zijn artistieke loopbaan is begonnen;
  2° de aanvrager kan beschouwd worden als een opkomend talent;
  3° de aanvraag wordt niet louter ingediend om een opleiding in dag- of avondonderwijs te kunnen volgen.

  Art. 27. § 1. Voor een beurs opkomend talent zijn de volgende beoordelingscriteria van toepassing:
  1° de kwaliteit van de motivatie, het werkplan en de begeleiding;
  2° de kwaliteit en het groeipotentieel van het beginnende oeuvre.
  § 2. Indien de bevoegde experten, vermeld in artikel 85, § 1, eerste lid, 1°, vaststellen dat een aanvraag voor een beurs opkomend talent geen opkomend talent betreft maar een bewezen talent, kunnen de experten adviseren om niet een beurs opkomend talent toe te kennen, maar een beurs bewezen talent.

  Onderafdeling 3. - Beurs bewezen talent

  Art. 28. De aanvrager van een beurs bewezen talent kan bij de aanvraag kiezen voor een looptijd van één, twee of drie jaar.
  De Vlaamse Regering kan de totale maximale looptijd bepalen, uitgedrukt in aantal jaren, van alle beurzen bewezen talent die een kunstenaar in de loop van zijn loopbaan toegekend kan krijgen.

  Art. 29. Naast de algemene subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, voldoet een aanvraag voor een beurs bewezen talent aan de volgende bijkomende subsidievoorwaarden:
  1° de aanvrager kan beschouwd worden als een bewezen talent;
  2° de aanvraag wordt niet louter ingediend om een opleiding in dag- of avondonderwijs te kunnen volgen.

  Art. 30. § 1. Voor een beurs bewezen talent zijn de volgende beoordelingscriteria van toepassing:
  1° de kwaliteit van de motivatie, de kwaliteit van het onderzoeksof heroriënteringstraject, de begeleiding daarbij en het werkplan;
  2° de kwaliteit van het oeuvre.
  § 2. Indien de bevoegde experten, vermeld in artikel 85, § 1, eerste lid, 1°, vaststellen dat een aanvraag voor een beurs bewezen talent geen bewezen talent betreft, maar een opkomend talent, kunnen de experten adviseren om niet een beurs bewezen talent toe te kennen, maar een beurs opkomend talent.

  Afdeling 3. - Projectsubsidies

  Art. 31. De Vlaamse Regering kan een projectsubsidie toekennen aan een kunstenaar, een kunstwerker of een organisatie voor een looptijd van maximaal drie jaar.

  Art. 32. Naast de algemene subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 7, derde lid, artikel 8 en artikel 10, voldoet een aanvraag van een projectsubsidie aan de volgende bijkomende subsidievoorwaarden:
  1° voor het project wordt geen aanvraag ingediend in het kader van de toepassing van andere regelgeving binnen het beleidsveld Cultuur;
  2° voor het project wordt maar één aanvraag ingediend per indiendatum in het kader van dit decreet, ongeacht wie de aanvrager is.

  Art. 33. § 1. Voor een projectsubsidie zijn de volgende beoordelingscriteria van toepassing:
  1° de kwaliteit van het inhoudelijke concept, waaronder de landelijke of internationale uitstraling, de kwaliteit van de eventuele samenwerkingsverbanden en de concrete uitwerking;
  2° de kwaliteit van de zakelijke aanpak en de realiteitszin en redelijkheid van de begroting, met aandacht voor een correcte vergoeding van kunstenaars, de principes van fair practices en integriteit;
  3° de relevantie van het initiatief voor de discipline of het kunstenlandschap;
  4° de mate waarin het initiatief een of meer aandachtspunten uitvoert uit de strategische visienota, vermeld in artikel 5, § 2, 5°.
  § 2. De Vlaamse Regering bepaalt nader het beoordelingscriterium, vermeld in paragraaf 1, 1°, en specificeert dat voor elke functie in de vorm van functiespecifieke subcriteria.
  Bij de indiening van een aanvraag voor een projectsubsidie wijst de aanvrager de functie of functies van het project aan. De aangewezen functie of functies bepaalt of bepalen welke functiespecifieke subcriteria, vermeld in het eerste lid, van toepassing zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
  § 3. De Vlaamse Regering kan nader bepalen op welke wijze de aanvrager de principes van fair practices en integriteit kan naleven, opgenomen in het beoordelingscriterium, vermeld in paragraaf 1, 2°.

  Afdeling 4. - Internationale subsidies

  Onderafdeling 1. - Residentiebeurzen

  Art. 34. De Vlaamse Regering kan een residentiebeurs toekennen aan een kunstenaar voor een residentie in een binnen- of buitenlandse residentieplek.
  In afwijking van artikel 8 komt de creatieve activiteit binnen het werkterrein van Literatuur Vlaanderen wel in aanmerking voor de aanvraag en toekenning van een residentiebeurs, indien de residentieplek daarvoor geschikt is. De Vlaamse Regering bepaalt de residentieplekken die hiervoor in aanmerking komen.

  Art. 35. De Vlaamse Regering kan het maximale aantal kunstenaars per binnen- of buitenlandse residentieplek dat een residentiebeurs kan krijgen, bepalen.
  De Vlaamse Regering bepaalt het maximale aantal keer dat een kunstenaar in de loop van zijn loopbaan een residentiebeurs toegekend kan krijgen.

  Art. 36. De Vlaamse Regering kan met residentieplekken een samenwerkingsovereenkomst sluiten.
  De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de inhoud van de samenwerkingsovereenkomst.

  Art. 37. Naast de algemene subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, voldoet een aanvraag voor een residentiebeurs aan de volgende bijkomende subsidievoorwaarden:
  1° de door de aanvrager gekozen residentieplek beschikt over rechtspersoonlijkheid;
  2° de door de aanvrager gekozen residentieplek biedt residenties aan;
  3° indien de gekozen residentieplek gevestigd is in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, is het aanbieden van residenties een structureel uitgebouwd onderdeel van haar werking.

  Art. 38. Voor de residentiebeurs zijn de volgende beoordelingscriteria van toepassing:
  1° de kwaliteit van het oeuvre van de kunstenaar;
  2° de meerwaarde van de residentie voor de praktijk van de kunstenaar, met specifieke aandacht voor de kansen op internationale netwerking.
  Als een organisatie waarmee de Vlaamse Regering geen samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als vermeld in artikel 36, de residentie aanbiedt, zijn ook de volgende beoordelingscriteria van toepassing:
  1° de kwaliteit en internationale uitstraling van de residentieplek;
  2° de kwaliteit van de werkcontext en de omkadering die de residentieplek aanbiedt.

  Art. 39. De Vlaamse Regering kan bepalen welke kosten in aanmerking komen voor een residentiebeurs.

  Art. 40. In afwijking van artikel 85, § 2, derde lid, kan een aangewezen residentieplek waarmee de Vlaamse Regering een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als vermeld in artikel 36, optreden als expert om een ontvankelijke aanvraag voor een residentiebeurs te beoordelen.

  Onderafdeling 2. - Tegemoetkomingen voor internationale presentatiemomenten

  Art. 41. De Vlaamse Regering kan een subsidie toekennen als tegemoetkoming in de kosten, verbonden aan een internationaal presentatiemoment.
  De Vlaamse Regering kan bepalen welke kosten in aanmerking komen voor de tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid.

  Art. 42. Naast de algemene subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 7, derde lid, artikel 8 en artikel 10, voldoet een aanvraag voor een tegemoetkoming voor internationale presentatiemomenten aan de volgende bijkomende subsidievoorwaarden:
  1° de aanvraag heeft betrekking op minstens een publiek toegankelijk presentatiemoment in het buitenland van een actor uit de kunstensector;
  2° de actor uit de kunstensector betreft een kunstenaar of een kunstenorganisatie die in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gevestigd is.

  Art. 43. Voor een tegemoetkoming als vermeld in artikel 41, zijn de volgende beoordelingscriteria van toepassing:
  1° de kwaliteit van het internationale presentatiemoment;
  2° de kwaliteit van het werk van de betrokken kunstenaar of kunstenaars;
  3° de redelijkheid van de ingebrachte kosten.

  Onderafdeling 3. - Internationale presentatieprojecten

  Art. 44. De Vlaamse Regering kan voor de presentatie van kunstproducties in het buitenland een subsidie internationaal presentatieproject toekennen voor een looptijd van maximaal één jaar.
  De Vlaamse Regering kan bepalen welke kosten in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in het eerste lid.

  Art. 45. Per kunstproductie kan maar één keer een subsidie voor een internationaal presentatieproject worden toegekend. De aanvraag kan wel verschillende presentaties van die kunstproductie omvatten, al dan niet op verschillende buitenlandse presentatieplekken.

  Art. 46. Naast de algemene subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 7, derde lid, artikel 8 en artikel 10, voldoet een aanvraag voor een subsidie voor een internationaal presentatieproject aan de volgende bijkomende subsidievoorwaarden:
  1° de aanvraag heeft betrekking op minstens de presentatie van een kunstproductie aan een publiek in het buitenland;
  2° de aanvraag heeft betrekking op het werk van een kunstenaar of het werk van een kunstenorganisatie die in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gevestigd is.

  Art. 47. Voor een subsidie voor een internationaal presentatieproject zijn de volgende beoordelingscriteria van toepassing:
  1° de kwaliteit van het te presenteren werk;
  2° de kwaliteit en de uitstraling van de presentatieplek;
  3° de realiteitszin en de redelijkheid van de begroting;
  4° de relevantie van het initiatief voor het kunstenlandschap;
  5° de mate waarin het project het internationale cultuurbeleid in prioritaire regio's en landen ondersteunt, vermeld in de beleidsnota Cultuur of in de strategische visienota, vermeld in artikel 5.
  De Vlaamse Regering bepaalt de prioritaire regio's en landen in de beleidsnota Cultuur of in de strategische visienota na overleg met de kunstensector. De Vlaamse Regering bepaalt nader met welke actoren en op welke wijze het voormelde overleg wordt gehouden.

  HOOFDSTUK 4. - Werkingssubsidies

  Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voor werkingssubsidies

  Art. 48. De Vlaamse Regering kan werkingssubsidies toekennen aan organisaties om hun specifieke functie of kerntaak binnen de kunstensector te ondersteunen.

  Art. 49. Een aanvraag voor een werkingssubsidie wordt uiterlijk op 1 december van het tweede volledige jaar van een legislatuur ingediend, en bevat minstens een beleidsplan en een begroting.

  Art. 50. Een werkingssubsidie wordt toegekend voor één beleidsperiode. Om de vijf jaar kunnen kunstenorganisaties een nieuwe aanvraag voor een werkingssubsidie indienen.
  In afwijking van het eerste lid, kan een werkingssubsidie toegekend worden voor twee beleidsperiodes, indien de kunstenorganisatie voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 58, en positief beoordeeld wordt op de bijkomende beoordelingscriteria, vermeld in artikel 59.
  Een erkenning als kunstinstelling als vermeld in afdeling 3, houdt een subsidiëring van onbepaalde duur in.
  Net als de kunstenorganisaties, vermeld in afdeling 2, dienen de erkende kunstinstellingen en de organisaties met specifieke kerntaken om de vijf jaar een beleidsplan en een begroting in als vermeld in artikel 49.

  Art. 51. Uiterlijk op 30 juni van het jaar na de indiening van de aanvragen beslist de Vlaamse Regering over de toekenning en het bedrag van de werkingssubsidies aan kunstenorganisaties en organisaties met specifieke kerntaken.

  Art. 52. § 1. De beoordelingscommissie, vermeld in artikel 85, of de Landschapscommissie, vermeld in artikel 86, kan adviseren voor welke doelstellingen de toegekende werkingssubsidie prioritair kan worden ingezet.
  § 2. Alle organisaties waaraan een werkingssubsidie wordt toegekend, passen, nadat de subsidiebeslissing is meegedeeld, het ingediende beleidsplan en de ingediende begroting aan tot een geactualiseerd beleidsplan en geactualiseerde begroting. Ze houden daarbij rekening met het toegekende subsidiebedrag.
  Het geactualiseerde beleidsplan en de geactualiseerde begroting vormen samen met de beheersovereenkomst, vermeld in artikel 75, indien van toepassing, de basis voor het toezicht.
  § 3. Bij de organisaties waarmee een beheersovereenkomst wordt gesloten als vermeld in artikel 75, wordt het geactualiseerde beleidsplan en de geactualiseerde begroting, vermeld in paragraaf 2, opgenomen als bijlage bij de beheersovereenkomst.

  Art. 53. De functies van de artistieke en zakelijke eindverantwoordelijken in de organisaties, vermeld in artikel 75, eerste lid, zijn mandaatfuncties. Een mandaatfunctie heeft een duur van zes jaar en is één keer verlengbaar voor een duur van maximaal zes jaar.
  In afwijking van het eerste lid is minstens de functie van de zakelijke eindverantwoordelijke een mandaatfunctie voor kunstenorganisaties met een werkingssubsidie voor twee beleidsperiodes, vermeld in artikel 50, tweede lid.
  De mandaatfuncties worden voor elke organisatie nader bepaald in de beheersovereenkomst, vermeld in artikel 75.

  Art. 54. Een organisatie waaraan een werkingssubsidie is toegekend, kan een reserve aanleggen.
  De Vlaamse Regering stelt de regels vast voor de reservevorming en kan afwijken van de regels voor de reservevorming, vermeld in artikel 72 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 ter uitvoering van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019.

  Art. 55. De werkingssubsidies, vermeld in dit hoofdstuk, worden jaarlijks gekoppeld aan het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
  Voor het gedeelte werkingskosten van de werkingssubsidie, vermeld in het eerste lid, wordt het prijsindexcijfer beperkt tot 75 %, tenzij de Vlaamse Regering een ander percentage bepaalt.

  Afdeling 2. - Kunstenorganisaties

  Art. 56. § 1. Voor een werkingssubsidie zijn de volgende beoordelingscriteria van toepassing:
  1° de kwaliteit van de voorgestelde werking waaronder de landelijke of internationale uitstraling, de kwaliteit van de eventuele samenwerkingsverbanden en de concrete uitwerking. Die wordt beoordeeld aan de hand van de functiespecifieke subcriteria, vermeld in paragraaf 2, of, als dat van toepassing is, aan de hand van de kerntaken, vermeld in afdeling 4;
  2° de kwaliteit van het zakelijke beheer van de voorgestelde werking. Die wordt beoordeeld op basis van de volgende criteria:
  a) de realiteitszin en de redelijkheid van de begroting;
  b) de evenwichtige samenstelling van de bestuursorganen en de wijze waarop de organisatie bestuurd wordt;
  c) de kwaliteit van het personeelsbeleid, met bijzondere aandacht voor de correcte vergoeding van kunstenaars, de principes van fair practices en integriteit;
  3° de relevantie van de werking voor de discipline of het kunstenlandschap;
  4° de mate waarin het aanvraagdossier een of meer aandachtspunten uitvoert uit de strategische visienota, vermeld in artikel 5, § 2, 5° ;
  5° als de aanvrager op het moment van de aanvraag een werkingssubsidie ontvangt op basis van dit decreet: de kwaliteit en het zakelijke beheer van de voorbije werking, waarvoor het toezicht op de lopende werkingssubsidie richtinggevend is.
  § 2. De Vlaamse Regering bepaalt nader het beoordelingscriterium, vermeld in paragraaf 1, 1°, voor elke functie in de vorm van functiespecifieke subcriteria.
  Bij de indiening van een aanvraag voor werkingssubsidies wijst de aanvrager de functie of functies van de werking aan. De aangewezen functie of functies bepaalt of bepalen welke functiespecifieke subcriteria, vermeld in het eerste lid, van toepassing zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
  § 3. De Vlaamse Regering kan nader bepalen hoe de organisatie kan beantwoorden aan de beoordelingscriteria, vermeld in paragraaf 1, 2°, b) en c).
  § 4. De aanvraag voor een werkingssubsidie van een organisatie waarmee de Vlaamse Regering een beheersovereenkomst heeft gesloten als vermeld in artikel 75, wordt niet alleen beoordeeld op de criteria, vermeld in paragraaf 1 en 2, maar ook op de mate waarin de organisatie rekening houdt met de conclusies van de evaluatie van de beheersovereenkomst, vermeld in artikel 76.

  Art. 57. Een werkingssubsidie voor twee beleidsperiodes, vermeld in artikel 50, tweede lid, kan om de vijf jaar, bij een nieuwe procedure voor de beoordeling en toekenning van werkingssubsidies, aangevraagd worden.

  Art. 58. Een aanvraag voor werkingssubsidie voor twee beleidsperiodes, vermeld in artikel 50, tweede lid, voldoet, naast de voorwaarden, vermeld in artikel 7, derde lid, artikel 8 en artikel 10, aan alle volgende bijkomende voorwaarden:
  1° ze heeft, op het moment van de aanvraag, minstens twee opeenvolgende beleidsperiodes voorafgaand aan de aangevraagde twee beleidsperiodes een werkingssubsidie gekregen in het kader van het Kunstendecreet van 7 mei 2004, het Kunstendecreet van 13 december 2013 of het Kunstendecreet van 23 april 2021;
  2° ze engageert zich om tijdens de twee beleidsperiodes waarvoor de aanvraag wordt ingediend minstens drie functies op te nemen;
  3° ze onderscheidt zich, op het moment van de aanvraag, van vergelijkbare kunstenorganisaties binnen haar discipline door haar schaalgrootte.
  De Vlaamse Regering kan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
  De Vlaamse Regering bepaalt nader hoe de bijkomende voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt geïnterpreteerd wanneer de aanvrager een fusie van kunstenorganisaties of een ex-provinciale instelling is.

  Art. 59. Voor de beoordeling van een aanvraag voor werkingssubsidie voor twee beleidsperiodes, vermeld in artikel 50, tweede lid, zijn naast de beoordelingscriteria voor werkingssubsidies, vermeld in artikel 56, de volgende bijkomende beoordelingscriteria van toepassing:
  1° landschapsversterkende rol: de mate waarin de kunstenorganisatie een cruciale en landschapsversterkende rol opneemt binnen het ecosysteem van haar (sub)sector;
  2° noodzaak van langetermijnsubsidiëring: de mate waarin de kunstenorganisatie kan aantonen dat langetermijnsubsidiëring noodzakelijk is voor haar werking;
  3° voorbeeldrol:
  a) de mate waarin de kunstenorganisatie op voorbeeldstellende wijze de principes van goed bestuur, fair practices en integriteit opneemt in haar werking;
  b) de mate waarin de kunstenorganisatie duurzaam inzet op traditie en focust op vernieuwing binnen de verschillende onderdelen van haar inhoudelijke en zakelijke werking;
  c) de mate waarin de kunstenorganisatie specifieke aandacht heeft voor publiekswerking en -verbreding.
  De Vlaamse Regering kan nader bepalen op welke wijze de organisatie kan beantwoorden aan de beoordelingscriteria, vermeld in het eerste lid.

  Art. 60. Een kunstenorganisatie die een aanvraag indient voor een werkingssubsidie voor twee beleidsperiodes, motiveert in haar aanvraag op welke wijze ze beantwoordt aan de bijkomende voorwaarden, vermeld in artikel 58, en aan de bijkomende beoordelingscriteria, vermeld in artikel 59.

  Afdeling 3. - Erkenning van kunstinstellingen

  Art. 61. De Vlaamse Regering kan kunstenorganisaties met een werkingssubsidie in het kader van dit decreet erkennen als kunstinstelling.

  Art. 62. § 1. Een erkenningsprocedure van een kunstinstelling wordt opgestart op initiatief en op uitnodiging van de Vlaamse Regering.
  Bij de erkenning van een kunstenorganisatie als kunstinstelling streeft de Vlaamse Regering naar een evenwichtige spreiding van kunstinstellingen over het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
  § 2. De Vlaamse Regering laat zich voor de erkenning van een kunstinstelling adviseren door een ad-hoccommissie van experten als vermeld in artikel 85, § 3, eerste lid, 1°, en door de administratie.
  De ad-hoccommissie van experten en de administratie toetsen de uitgenodigde kunstenorganisatie aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 63.
  De administratie bezorgt aan de Vlaamse Regering een advies over de toetsing aan de erkenningsvoorwaarden en het in aanmerking komen voor erkenning.
  § 3. Als de kunstenorganisatie in aanmerking komt voor erkenning, overlegt de Vlaamse Regering met de betrokken kunstenorganisatie. De betrokken kunstenorganisatie deelt in dat overleg mee of ze al dan niet akkoord gaat met een erkenning als kunstinstelling.
  § 4. De Vlaamse Regering kan de advies- en overlegprocedure, vermeld in paragraaf 2 en 3, nader bepalen.
  § 5. Als de organisatie akkoord gaat met een erkenning als kunstinstelling, dient ze een aanvraag in voor werkingssubsidies, op een datum die de Vlaamse Regering bepaalt in het kader van de uitvoering van paragraaf 4.
  Een erkenning als kunstinstelling geldt voor onbepaalde duur.

  Art. 63. Een kunstenorganisatie kan worden erkend als kunstinstelling als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  1° ze zet in op de vijf functies;
  2° ze is artistiek uitmuntend;
  3° ze heeft een werking met een schaalgrootte en reikwijdte van internationaal niveau;
  4° ze werkt aan duurzame opbouw van traditie en vernieuwing: de mate waarin de kunstenorganisatie duurzaam inzet op traditie en focust op vernieuwing binnen de verschillende onderdelen van de inhoudelijke en zakelijke werking, met specifieke aandacht voor publiekswerking en -verbreding;
  5° ze vertoont maatschappelijke en culturele inbedding en engagement;
  6° ze werkt op landelijke schaal en heeft een performante eigen infrastructuur;
  7° ze heeft een performant zakelijk en financieel beheer waarbij er sprake is van een dynamisch management, en een solide financieel beleid waarbij de principes van goed bestuur worden toegepast;
  8° ze vervult een voorbeeldrol door in haar werking op voorbeeldstellende wijze de principes van goed bestuur, fair practices en integriteit op te nemen;
  9° ze heeft aandacht voor kunst- en cultuureducatie, in samenwerking met het onderwijs;
  10° ze ondersteunt startende kunstenaars.
  De Vlaamse Regering kan de erkenningsvoorwaarden nader bepalen.

  Art. 64. De Vlaamse Regering kan de erkenning als kunstinstelling intrekken als niet meer voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 63.
  De Vlaamse Regering kan de procedure voor de erkenning van kunstenorganisaties als kunstinstellingen en de intrekking ervan als vermeld in het eerste lid, nader bepalen.

  Afdeling 4. - Organisaties met specifieke kerntaken

  Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen

  Art. 65. De Vlaamse Regering kan een werkingssubsidie toekennen aan organisaties met specifieke kerntaken.

  Art. 66. De Vlaamse Regering bepaalt de onverenigbaarheden van de functie voor de personeelsleden en de leden van de bestuursorganen van alle organisaties met specifieke kerntaken.

  Onderafdeling 2. - Vzw Kunstensteunpunt

  Art. 67. Vzw Kunstensteunpunt is het steunpunt voor de kunstensector. Het is een centrum van expertise en het aanspreekpunt voor iedereen die professioneel actief is of wil worden binnen de functies en de disciplines, met uitzondering van de muziek in de niet-klassieke sectoren pop-, rock-, jazz-, folk- en wereldmuziek.
  Vzw Kunstensteunpunt stemt haar steunpuntrol voor de professionele klassieke muziek af met de steunpuntrol van vzw VI.BE voor de professionele niet-klassieke muziek. De organisatie sluit hiervoor een overeenkomst met vzw VI.BE.
  Vzw Kunstensteunpunt vervult een intermediaire rol tussen het kunstenveld en de overheid.
  De rol van vzw Kunstensteunpunt is complementair aan de rol van de vzw Cultuurloket, vermeld in artikel 3 van het decreet van 12 mei 2017 houdende diverse bepalingen in de beleidsvelden Cultuur en Jeugd. Vzw Kunstensteunpunt en vzw Cultuurloket stemmen voor de dienstverlening rond de zakelijke professionalisering van de cultuursector hun werkingen op elkaar af.
  Vzw Kunstensteunpunt treedt niet in de plaats van belangenbehartigende organisaties.

  Art. 68. Vzw Kunstensteunpunt heeft de volgende kerntaken:
  1° praktijkondersteuning: het steunpunt levert als antwoord op praktijkvragen een actieve dienstverlening met het oog op deskundigheidsbevordering, kwaliteitsbevordering, relevante maatschappelijke en sectorgebonden evoluties, innovatie, professionalisering en een duurzame ontwikkeling van het veld. Het steunpunt begeleidt individuen en organisaties bij de uitbouw van hun artistieke praktijk;
  2° praktijkontwikkeling: het steunpunt levert een bijdrage aan een continue ontwikkeling van het veld op basis van evaluatie, onderzoek en kennisontwikkeling. Op verzoek stelt het steunpunt ook zijn terreinkennis en specifieke expertise ter beschikking aan de Vlaamse Regering met het oog op beleidsvoorbereiding, beleidsontwikkeling en beleidsevaluatie. Het opstellen van de landschapstekening, vermeld in artikel 5, § 3, maakt daar deel van uit. De opmaak van een onderzoeksagenda en het uitbesteden van het benodigde onderzoek worden geformaliseerd in een gecoördineerd Afsprakenkader Onderzoek tussen de administratie en minstens het Kunstensteunpunt, het steunpunt voor cultureel erfgoed, het steunpunt voor sociaal-cultureel werk en het steunpunt voor de professionele niet-klassieke muziek;
  3° beeldvorming en promotie: het steunpunt organiseert en coördineert sectorale activiteiten die de kennis over het veld bevorderen, die relevante sectorale thema's onder de aandacht brengen en die de praktijkgemeenschap versterken en promoten binnen het Nederlandse taalgebied of binnen het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en ook internationaal;
  4° platform: het steunpunt functioneert als draaischijf tussen de verschillende actoren in de sector en faciliteert daarbinnen actief ontmoetingen, dialoog, netwerkgelegenheden en samenwerkingen. Het steunpunt kan ook een rol opnemen bij thematische en territoriale vraagstukken in samenspraak met relevante thematische of territoriale expertisecentra en steunpunten.
  De Vlaamse Regering kan nader bepalen wat een Afsprakenkader Onderzoek, vermeld in het eerste lid en in artikel 70, eerste lid, 1°, inhoudt. Ze bepaalt ook de geldigheidsduur en de inhoud ervan, de wijze waarop en met wie een Afsprakenkader Onderzoek wordt opgesteld, en wanneer en op welke wijze dat wordt bekendgemaakt.
  Vzw Kunstensteunpunt besteedt binnen zijn werking aandacht aan de bevordering van culturele diversiteit. Het ondersteunt ook kunstenaars en kunstenorganisaties op het vlak van kunsteducatie, sociaal-artistiek werk en de participatie van kinderen en jongeren. Het steunpunt kan daarvoor samenwerken met andere organisaties die op die terreinen over de nodige expertise beschikken.
  De Vlaamse Regering kan aan vzw Kunstensteunpunt aanvullende taken toewijzen.

  Onderafdeling 3. - Vzw VI.BE

  Art. 69. Vzw VI.BE is het steunpunt voor de professionele muziek in de niet-klassieke sectoren, zowel lokaal als internationaal.
  Vzw VI.BE stemt haar steunpuntrol af op de steunpuntrol van vzw Kunstensteunpunt, zoals vermeld in artikel 67, tweede lid. De organisatie sluit hiervoor een overeenkomst met vzw Kunstensteunpunt.
  Vzw VI.BE streeft naar een geïntegreerde aanpak van professionele en niet professionele niet-klassieke muziek.

  Art. 70. Vzw VI.BE heeft de volgende kerntaken:
  1° kenniscentrum en onderzoek: het steunpunt faciliteert en stimuleert dialoog in de sector, brengt de sector in kaart, volgt tendensen op, kan relevante sectorale thema's onder de aandacht brengen, en initieert sectorspecifiek onderzoek. In nauwe relatie met het Kunstensteunpunt wordt een gedeelde onderzoeksagenda opgesteld en wordt de verzamelde informatie ook gedeeld in functie van de opmaak van transversale analyses en de landschapstekening. De opmaak van een onderzoeksagenda en het uitbesteden van het benodigde onderzoek worden geformaliseerd in een gecoördineerd Afsprakenkader Onderzoek tussen de administratie en minstens het Kunstensteunpunt, het steunpunt voor cultureel erfgoed, het steunpunt voor sociaal-cultureel werk en het steunpunt voor de professionele niet-klassieke muziek vzw VI.BE;
  2° talentontwikkeling, professionalisering en empowerment van artiesten én sector: het steunpunt stelt tools en expertise ter beschikking van artiesten en organisaties uit de sector. Het steunpunt levert als antwoord op praktijkvragen een actieve dienstverlening met het oog op deskundigheidsbevordering, kwaliteitsbevordering, relevante maatschappelijke en sectorgebonden evoluties, innovatie, professionalisering en een duurzame ontwikkeling van het veld. Het steunpunt versterkt de internationale positie van artiesten en stimuleert ontmoeting en interactie met internationale spelers. Het steunpunt draagt bij tot de exposure voor artiesten en sector in binnenen buitenland. Bij selecties van kandidaten voor activiteiten hanteert men transparante, onderbouwde en objectieve criteria.
  De Vlaamse Regering kan aan vzw VI.BE aanvullende taken toewijzen.

  Onderafdeling 4. - Vzw Vlaams Architectuurinstituut

  Art. 71. De vzw Vlaams Architectuurinstituut vervult een producerende en sensibiliserende rol voor de cultureel-maatschappelijke aspecten van de ontworpen en gebouwde omgeving, is een centrum van expertise en een aanspreekpunt voor iedereen die professioneel actief is binnen de architectuurcultuur.
  Vzw Vlaams Architectuurinstituut treedt niet in de plaats van belangenbehartigende organisaties of het Team Vlaamse Bouwmeester.

  Art. 72. Vzw Vlaams Architectuurinstituut heeft de volgende kerntaken:
  1° publiekswerking: publieksgerichte activiteiten ontwikkelen die de sensibilisering voor architectuur en de leefomgeving tot doel hebben;
  2° platformfunctie: dialoog en samenwerking stimuleren met en tussen actoren binnen de brede architectuursector en het maatschappelijke veld die betrokken zijn bij de verschillende functies van architectuurcultuur;
  3° veldanalyse: op basis van permanente evaluatie en het onderzoek dat daarvoor nodig is, een bijdrage leveren aan een continue ontwikkeling van het architectuurcultuurveld en het overheidsbeleid, onder meer door de bijdrage aan de landschapstekening van het Kunstensteunpunt, vermeld in artikel 5, § 3, voor de architectuurcultuursector;
  4° praktijkondersteuning: een actieve dienstverlening verzorgen op het vlak van deskundigheidsbevordering en kwaliteitszorg over de verschillende functies in de architectuurcultuur door vorming, begeleiding, kennisuitwisseling en samenwerking;
  5° beeldvorming en internationale promotie: de kennis over de cultureel-maatschappelijke aspecten van de ontworpen en gebouwde omgeving bevorderen bij de publieke opinie, de overheid en in het buitenland.
  De Vlaamse Regering kan aan vzw Vlaams Architectuurinstituut aanvullende taken toewijzen.

  Onderafdeling 5. - Vzw Kunst in Huis

  Art. 73. Vzw Kunst in Huis vervult een publieksverruimende rol voor de laagdrempelige uitleen en verkoop van kunstwerken aan natuurlijke personen en bedrijven.

  Art. 74. Vzw Kunst in Huis heeft de volgende kerntaken:
  1° uitleen en verkoop: een zo breed mogelijke doelgroep in contact brengen met hedendaagse kunst door kunstwerken uit te lenen tegen democratische prijzen of door kunstwerken te verkopen;
  2° collectiewerking: een kwaliteitsvolle collectie aanbieden die een afspiegeling is van het hedendaagse kunstenlandschap met bijzondere aandacht voor het werk van jonge of beginnende kunstenaars;
  3° ondersteuning van kunstenaars: de deelnemende kunstenaars ondersteunen met promotie, dienstverlening en een billijke vergoeding voor hun prestaties en hun werk.
  De Vlaamse Regering kan aan vzw Kunst in Huis aanvullende taken toewijzen.

  Afdeling 5. - Beheersovereenkomsten

  Art. 75. Na de beslissing over het bedrag van de werkingssubsidie, vermeld in artikel 51, sluit de Vlaamse Regering een beheersovereenkomst voor een periode van vijf jaar met:
  1° elke kunstenorganisatie die een werkingssubsidie toegekend kreeg voor twee beleidsperiodes, vermeld in artikel 50, tweede lid;
  2° elke kunstinstelling, vermeld in afdeling 3;
  3° elke organisatie met specifieke kerntaken, vermeld in afdeling 4.
  In de beheersovereenkomst worden concrete afspraken gemaakt over:
  1° de subsidiëring van de werking;
  2° de rollen, opdrachten of kerntaken;
  3° de samenwerking, naargelang de inhoudelijke noodzaak, met andere organisaties binnen of buiten het kunstenveld;
  4° de modaliteiten voor de werking en de evaluatie;
  5° de mandaatfuncties;
  6° de modaliteiten voor het toezicht en de maatregelen;
  7° de eventuele specifieke opdrachten;
  8° de eventuele verwerking en mededeling van persoonsgegevens.
  De beheersovereenkomsten gaan in bij de start van een beleidsperiode.
  Als de Vlaamse Regering niet tijdig een beheersovereenkomst sluit, blijft de lopende beheersovereenkomst van kracht.
  Als de Vlaamse Regering niet tijdig een beheersovereenkomst sluit en er geen lopende beheersovereenkomst is, wordt toezicht gehouden op de werking van de organisatie in kwestie op basis van het geactualiseerde beleidsplan, vermeld in artikel 52, § 2 en § 3.

  Art. 76. § 1. Minstens een keer per vijf jaar evalueert de administratie en een ad-hoccommissie van experten als vermeld in artikel 85, § 3, eerste lid, 3°, de werking en de beheersovereenkomst van elke kunstenorganisatie die een werkingssubsidie toegekend kreeg voor twee beleidsperiodes, elke kunstinstelling en elke organisatie met specifieke kerntaken. Die evaluatie heeft de volgende doelstellingen:
  1° in geval van een kunstinstelling of een kunstenorganisatie met een werkingssubsidie voor twee beleidsperiodes: nagaan of de kunstenorganisatie nog voldoet aan de van toepassing zijnde voorwaarden en bijkomende beoordelingscriteria, vermeld in artikel 58, 59 of 63;
  2° in geval van een organisatie met specifieke kerntaken: nagaan op welke manier de organisatie haar kerntaken realiseert;
  3° nagaan op welke manier de beheersovereenkomst wordt uitgevoerd.
  De evaluatie wordt uitgevoerd in het derde of vierde jaar van de beleidsperiode.
  De betrokken organisaties verwerken de conclusies van de evaluatie in het beleidsplan en de begroting voor de volgende beleidsperiode, vermeld in artikel 50, vierde lid.
  § 2. Ten gevolge van de evaluatie van de beheersovereenkomst en de daaropvolgende beoordeling van het ingediende beleidsplan en de begroting kan de Vlaamse Regering het bedrag van de werkingssubsidie bijstellen. De partijen sluiten vervolgens een aangepaste beheersovereenkomst in samenhang met de actualisering van het beleidsplan en de begroting, vermeld in artikel 52, § 2, rekening houdend met:
  1° de evaluatie van de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 1;
  2° de beoordeling van het beleidsplan en de begroting, vermeld in artikel 49;
  3° de strategische visienota, vermeld in artikel 5.
  § 3. Als uit de evaluatie blijkt dat niet meer voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan de Vlaamse Regering een of meerdere maatregelen opleggen, vermeld in artikel 16.

  HOOFDSTUK 5. - Collectie Vlaamse Gemeenschap

  Art. 77. Om een kwaliteitsvolle en representatieve collectie van hedendaagse kunst van de Vlaamse Gemeenschap uit te bouwen, kan de Vlaamse Regering kunstwerken aankopen.
  De administratie stelt de aangekochte kunstwerken digitaal beschikbaar en kan de kunstwerken presenteren in:
  1° musea;
  2° tijdelijke tentoonstellingen;
  3° publiek toegankelijke instellingen van de Vlaamse overheid.

  Art. 78. Een kunstwerk kan worden aangekocht als het voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  1° het is gecreëerd door een op het ogenblik van het sluiten van de aankoop levende professionele kunstenaar;
  2° het is gecreëerd door een kunstenaar die betrokken is bij activiteiten in het kader van kunst binnen de Vlaamse Gemeenschap.

  Art. 79. Een commissie van experten als vermeld in artikel 85, § 3, eerste lid, 4°, legt, uiterlijk zes maanden na haar aanstelling, een visieplan voor de duur van haar mandaat ter goedkeuring voor aan de minister, en kadert al haar aankoopvoorstellen in dit visieplan.
  Deze commissie van experten selecteert minstens een keer per jaar binnen het beschikbare budget kunstwerken die in aanmerking komen voor aankoop en houdt daarbij rekening met de volgende beoordelingscriteria:
  1° de kwaliteit van het kunstwerk;
  2° het toonaangevende karakter, het potentiële belang en de uitstraling van het oeuvre van de kunstenaar binnen de landelijke en internationale context van de hedendaagse beeldende kunst;
  3° de plaats en het belang van het kunstwerk binnen het oeuvre van de kunstenaar;
  4° de vraagprijs van het kunstwerk;
  5° als dat van toepassing is, de mate waarin het kunstwerk een lacune invult in de collectie van de Vlaamse Gemeenschap of van de musea, die op basis van het Cultureelerfgoeddecreet van 24 februari 2017 ingedeeld zijn bij het landelijke niveau of aangeduid zijn als cultureelerfgoedinstelling.
  De administratie verzorgt het secretariaat en toetst de selectie aan het beschikbare budget.
  De administratie bezorgt minstens een keer per jaar een gemotiveerd aankoopvoorstel aan de Vlaamse Regering op basis van de selectie, vermeld in het tweede lid.

  Art. 80. De Vlaamse Regering beslist over een aankoop op basis van het gemotiveerd aankoopvoorstel, vermeld in artikel 79, vierde lid.

  Art. 81. De Vlaamse Regering bepaalt nader de modaliteiten van de aankoop in een overeenkomst met de kunstenaar of met de vertegenwoordiger die hij gekozen heeft, met inbegrip van de auteursrechtelijke prerogatieven voor het recht en de toelating tot grafische reproductie, en de digitale beschikbaarstelling, vermeld in artikel 77, tweede lid.

  HOOFDSTUK 6. - Organisatie van de beoordeling

  Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen

  Art. 82. De leden van de commissies en de experten, vermeld in dit hoofdstuk, hebben een expertise over het kunstenveld.
  Het lidmaatschap van de Adviescommissie Kunsten, de Landschapscommissie, de beoordelingscommissie Internationaal en de pool van experten is onverenigbaar met:
  1° een verkozen politiek mandaat;
  2° een functie als medewerker van een parlementaire fractie of een kabinet;
  3° een functie als personeelslid van de administratie dat in het kader van zijn functie betrokken is bij de uitvoering van dit decreet, behalve voor de beoordelingscommissie Internationaal;
  4° een functie als personeelslid of lid van de raad van bestuur van een organisatie met specifieke kerntaken binnen het kunstenveld;
  5° een functie als personeelslid of lid van de raad van bestuur van een belangenbehartiger uit het kunstenveld;
  6° een mandaat als lid van de Raad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media, zoals opgericht bij het decreet van 30 november 2007 houdende de oprichting van de Raad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de samenstelling, de aanstelling, het ontslag, en de vergoeding van het lidmaatschap van de diverse commissies, vermeld in dit hoofdstuk.

  Art. 83. De leden van de commissies en de experten, vermeld in dit hoofdstuk, hebben voor hun werkzaamheden recht op een vergoeding, die door de Vlaamse Regering wordt bepaald.

  Afdeling 2. - Adviescommissie Kunsten

  Art. 84. De Vlaamse Regering richt een Adviescommissie Kunsten op.
  De Adviescommissie Kunsten heeft de volgende taken:
  1° een methodiek ontwikkelen en opvolgen voor het inschakelen van beoordelingscommissies en externe experts bij de uitvoering van dit decreet;
  2° beleidsgericht advies formuleren over de beoordelingsprocedure en de resultaten ervan.

  Afdeling 3. - Beoordelingscommissies en experten

  Art. 85. § 1. De Vlaamse Regering benoemt een pool van experten voor de beoordeling van de volgende instrumenten:
  1° de beurzen, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 2;
  2° de projectsubsidies, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 3;
  3° de werkingssubsidies, vermeld in hoofdstuk 4.
  De administratie stelt uit de pool van experten beoordelingscommissies samen per discipline. De Vlaamse Regering bepaalt die disciplines.
  Voor de beoordeling van de instrumenten, vermeld in het eerste lid, deelt de administratie aan de beoordelingscommissies het beschikbare budget per discipline mee.
  De Vlaamse Regering bepaalt nader op welke wijze het beschikbare budget, vermeld in het derde lid, verdeeld wordt over de disciplines.
  § 2. De Vlaamse Regering richt een beoordelingscommissie Internationaal op voor de beoordeling van de internationale presentatieprojecten, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 3.
  In de beoordelingscommissie Internationaal zitten vertegenwoordigers van de administratie en experten die binnen en buiten de pool kunnen worden aangesteld om de nodige internationale expertise te waarborgen.
  De administratie beoordeelt de volgende internationale instrumenten, waarbij ze experten uit de pool kan betrekken:
  1° de residentiebeurzen, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 1;
  2° tegemoetkomingen voor internationale presentatiemomenten, vermeld inhoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 2.
  § 3. De administratie kan diverse ad-hoccommissies van experten aanstellen voor:
  1° de erkenning en de evaluatie van de erkenning van kunstinstellingen, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 3;
  2° de beoordeling van de organisaties met specifieke kerntaken, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 4;
  3° de evaluatie van de beheersovereenkomsten, vermeld in artikel 76;
  4° het formuleren van aankoopvoorstellen, vermeld in artikel 79.
  In een ad-hoccommissie van experten kunnen ook experten buiten de pool worden aangesteld om de nodige expertise te waarborgen.

  Afdeling 4. - Landschapscommissie

  Art. 86. § 1. De Vlaamse Regering richt een keer per legislatuur een Landschapscommissie op met het oog op integrale landschapszorg bij de beoordeling van werkingssubsidies, vermeld in hoofdstuk 4.
  De Landschapscommissie is samengesteld uit experten die binnen en buiten de pool kunnen worden aangesteld, om kennis over de beoordelingsmethodiek en de disciplines en ook kennis over het bredere kunstenveld te waarborgen.
  De Landschapscommissie zorgt voor evenwicht en samenhang over de verschillende disciplines heen door een bijkomend advies op te stellen over:
  1° de toekenning van werkingssubsidies aan de kunstenorganisaties, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, met inbegrip van de toekenning van werkingssubsidies voor twee beleidsperiodes, vermeld in artikel 50, tweede lid;
  2° de eventuele functies, rollen, subdisciplines of aandachtspunten uit de visienota, vermeld in artikel 5, § 2, 5°, die niet of onvoldoende worden opgenomen door de kunstenorganisaties die worden voorgesteld voor subsidiëring. De Vlaamse Regering kan deze elementen meenemen in de onderhandeling met de organisaties, vermeld in artikel 75, eerste lid, in het kader van het afsluiten van de beheersovereenkomst.
  § 2. De Landschapscommissie neemt haar taak op na afronding van de beoordeling door de beoordelingscommissies, vermeld in afdeling 3.
  De administratie bezorgt de definitieve adviezen van de beoordelingscommissies aan de Landschapscommissie.
  § 3. De Landschapscommissie beoordeelt alleen de aanvragen met een positief advies van de beoordelingscommissies die niet geselecteerd zijn door de beoordelingscommissies binnen het beschikbare budget per discipline, vermeld in artikel 85, § 1, vierde lid.
  De Landschapscommissie beoordeelt de aanvragen, vermeld in het eerste lid, aan de hand van de beoordelingscriteria, vermeld in artikel 56, § 1, 3° en 4°, op een disciplineoverschrijdend niveau.
  Voor de beoordeling, vermeld in het eerste lid, deelt de administratie aan de Landschapscommissie het beschikbare budget mee voor dit bijkomende advies. Dat budget vertegenwoordigt een percentage van het beschikbare budget voor de beoordeling en toekenning van alle werkingssubsidies voor kunstenorganisaties, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2.
  De Vlaamse Regering bepaalt het percentage, vermeld in het derde lid.
  § 4. In het bijkomende advies over de aanvragen van kunstenorganisaties voor werkingssubsidies voor twee beleidsperiodes, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, houdt de Landschapscommissie rekening met de volgende afwegingen:
  1° een evenwichtige verdeling over disciplines, in relatie tot de verhoudingen in het kunstenveld;
  2° een evenwichtige verdeling over functies;
  3° een regionale spreiding.

  HOOFDSTUK 7. - Bepalingen over de gegevensverwerking

  Art. 87. De administratie treedt op als de verwerkingsverantwoordelijke van persoonsgegevens, vermeld in artikel 4, 7), van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit decreet, om de doelstellingen vermeld in artikel 4 van dit decreet te kunnen bereiken.
  Kunstenorganisaties, kunstinstellingen en organisaties met specifieke kerntaken mogen persoonsgegevens verwerken in het kader van het indienen van hun aanvraag bij de administratie en de uitvoering van hun taken zoals bepaald in het kader van dit decreet. Zij treden in dat geval op als verwerkingsverantwoordelijke van die persoonsgegevens.
  De verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit decreet heeft betrekking op volgende categorieën van betrokkenen:
  1° kunstenaars, zoals gedefinieerd in artikel 3, 9° ;
  2° kunstwerkers, zoals gedefinieerd in artikel 3, 14° ;
  3° medewerkers;
  4° leden van commissies en experten;
  5° contactpersonen bij de organisaties;
  6° personen die vermeld worden in de aanvragen en de bijlagen ervan.
  De verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit decreet heeft betrekking op volgende categorieën van persoonsgegevens:
  1° identificatiegegevens, rijksregisternummer of identificatienummer van de sociale zekerheid en andere identificatiegegevens;
  2° financiële gegevens;
  3° opleidingsgegevens;
  4° loonen tewerkstellingsgegevens;
  5° gegevens over artistieke output en expertise.

  Art. 88. De administratie vraagt in eerste instantie de persoonsgegevens en andere gegevens op bij de authentieke gegevensbronnen, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 houdende de uitvoering van artikel III.66, III.67 en III.68 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Bij gebrek daaraan kan de administratie die gegevens verkrijgen bij de aanvrager.
  De administratie wisselt in het kader van de uitvoering van dit decreet minstens de volgende persoonsgegevens uit met de volgende instanties:
  1° de tewerkstellingsgegevens van de aanvrager met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  2° het rijksregisternummer, de identificatiegegevens van de aanvragers met het Rijksregister van de natuurlijke personen.
  De uitwisselingen van persoonsgegevens vinden plaats met tussenkomst van de bevoegde dienstenintegratoren, vermeld in artikel 3 van het decreet van 13 juli 2012 houdende de oprichting en organisatie van een Vlaamse dienstenintegrator.

  Art. 89. De maximale bewaringstermijnen voor persoonsgegevens die op basis van dit decreet worden verwerkt, conform artikel 5, lid 1, e), van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, worden vastgelegd in beheersregels, conform artikel III.81, § 2, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Bij het bepalen van deze bewaartermijnen dient rekening te worden gehouden met de cultuurhistorische waarde van de dossiers.

  Art. 90. De administratie kan de gegevens van begunstigden die een beurs, projectsubsidies, internationale subsidies of werkingssubsidie hebben ontvangen, bekendmaken.
  Bedoelde bekendmaking omvat de volgende informatie:
  1° de voornaam en de familienaam voor de begunstigden die een natuurlijke persoon zijn;
  2° de volledige officiële naam zoals deze is ingeschreven in de authentieke bron zoals gedefinieerd in artikel 86, voor de begunstigden die een rechtspersoon zijn;
  3° de volledige naam van de vereniging zoals deze is ingeschreven in de authentieke bron zoals gedefinieerd in artikel 86 of anderszins officieel is erkend, voor de begunstigden die een vereniging van natuurlijke of rechtspersonen zonder eigen rechtspersoonlijkheid zijn;
  4° de gemeente waar de begunstigde woont of is ingeschreven in de authentieke bron zoals gedefinieerd in artikel 86, en, indien voorhanden, de postcode of het deel daarvan dat de gemeente identificeert;
  5° het subsidie-instrument zoals bedoeld in artikel 3, 18° ;
  6° de som van de bedragen die elke begunstigde voor het subsidie-instrument zoals bedoeld in artikel 3, 18°, heeft ontvangen.

  Art. 91. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de verwerking van de persoonsgegevens, de beveiliging van deze gegevens, en de passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen.

  HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen

  Afdeling 1. - Opheffingsbepaling

  Art. 92. Het Kunstendecreet van 13 december 2013, het laatst gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2019, wordt opgeheven.

  Afdeling 2. - Overgangsbepalingen

  Art. 93. De strategische visienota die opgesteld is op basis van het Kunstendecreet van 13 december 2013 en die ingediend is bij het Vlaams Parlement op 30 maart 2020 en ingeschreven als parlementair document 258 (2019-2020) - Nr. 1, blijft geldig tot de goedkeuring van de volgende strategische visienota, vermeld in artikel 5.

  Art. 94. De Adviescommissie Kunsten en de pool van beoordelaars die aangesteld zijn op basis van het Kunstendecreet van 2013, blijven aangesteld voor de uitvoering van hun opdracht, tot er een nieuwe aanstelling plaatsvindt van de Adviescommissie Kunsten of pool van experten op basis van dit decreet.

  Art. 95. De werkingssubsidies en beheersovereenkomsten die op basis van het Kunstendecreet van 13 december 2013, zoals van kracht tot 31 december 2021, voor de periode 2017-2021 toegekend en gesloten zijn, worden verlengd tot en met 31 december 2022.

  Art. 96. De eerste vijfjarige beleidsperiode voor werkingssubsidies, vermeld in artikel 50, eerste lid, begint op 1 januari 2023.

  Art. 97. In artikel 13 van het decreet van 7 mei 2004 houdende aanvullende subsidies voor tewerkstelling in de culturele sector, vervangen bij het decreet van 29 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt het jaartal "2022" vervangen door het jaartal "2023";
  2° in het eerste lid worden de woorden "Kunstendecreet van 13 december 2013" vervangen door de zinsnede "Kunstendecreet van 23 april 2021";
  3° in het tweede lid wordt de zinsnede "2019, 2020 en 2021" vervangen door de zinsnede "2019, 2020, 2021 en 2022".

  Afdeling 3. - Inwerkingtreding

  Art. 98. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2022, met uitzondering van artikel 3, artikel 7 tot en met 9, artikel 10, § 4, artikel 48 tot en met 74 en artikel 82 tot en met 85, die in werking treden op 1 november 2021.
  Een kunstenorganisatie die op 15 september 2021 een aanvraag indient voor een projectsubsidie in het kader van het Kunstendecreet van 13 december 2013 en op 1 december 2021 een aanvraag indient voor een werkingssubsidie voor de beleidsperiode 2023-2027 in het kader van het Kunstendecreet van 23 april 2021, beperkt de aanvraag van de projectsubsidie tot een looptijd van maximaal één jaar.
  Een kunstenorganisatie met een toegekende werkingssubsidie voor de periode 2017-2022, kan geen aanvraag indienen voor projectsubsidies, in te dienen uiterlijk op 15 september 2021, vermeld in het tweede lid.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 23 april 2021.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
de Vlaamse minister van Buitenlandse Zaken, Cultuur, ICT en Facilitair Management,
J. JAMBON

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt:
   Decreet over de ondersteuning van de professionele kunsten

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    Zitting 2020-2021 Documenten: - Ontwerp van decreet : 677 - Nr. 1 - Amendementen : 677 - Nrs. 2 en 3 - In eerste lezing door de commissie aangenomen artikelen : 677 - Nr. 4 - Amendementen : 677 - Nrs. 5 en 6 - Verslag van de hoorzitting : 677 - Nr. 7 - Verslag : 677 - Nr. 8 - Amendementen na indiening van het verslag : 677 - Nr. 9 - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering : 677 - Nr. 10 Handelingen Bespreking en aanneming: Vergadering van 21 april 2021.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie