einde

Publicatie : 2021-04-07

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN

18 MAART 2021. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de civiele bescherming



VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
Het ontwerp van besluit waarvan ik de eer heb het ter ondertekening aan Uwe Majesteit voor te leggen beoogt de uitvoering van artikel 156 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de Civiele veiligheid.
Op het beroepspersoneel van de civiele bescherming is de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector van toepassing. Deze wet laat al een aantal uitzonderingen toe voor onder andere "de diensten die bijdragen tot de burgerlijke, openbare en militaire veiligheid".
In het arrest nr. 248.569 van de Raad van State van 13 oktober 2020, werd erop gewezen dat de afwijkingen die worden toegelaten in artikel 5, § 3 van de wet van 14 december 2000 niet kunnen worden goedgekeurd door de Voorzitter van het Directiecomité in een arbeidsreglement, maar bij koninklijk besluit dienen te worden bepaald.
Door de invoeging van een boek VII/1 in het koninklijk besluit van 29 juni 2018 tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de civiele bescherming, worden de bepalingen waarin afwijkingen voor het beroepspersoneel van de civiele bescherming die toegestaan worden door de wet van 14 december 2000, opgenomen in een reglementaire tekst.
De wet van 14 december 2000 bepaalt uitzonderingsmogelijkheden in art. 5, § 3 (arbeidstijd van 11u/dag); art. 6, § 2 (pauze) art. 7, § 3 (zondagswerk) en art. 11 (nachtwerk), maar zonder dat er gespecificeerd wordt tot hoever die uitzonderingen kunnen gaan. Om die rechtsonzekerheid weg te werken, wordt hier verduidelijkt, in welke mate er kan worden afgeweken van de regels betreffende de maximale arbeidsduur per dag, onder welke omstandigheden pauzes kunnen genomen worden, en de niet toepasselijkheid van de verboden op nachtarbeid en op zondagarbeid gelet op de operationele noodzaak dat de civiele bescherming 24/7 inzetbaar moet zijn ten dienste van de bevolking.
Ik heb de eer te zijn,
Sire,
Van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
De Minister van Binnenlandse Zaken,
A. VERLINDEN

RAAD VAN STATE
Afdeling Wetgeving
Advies 68.755/2 van 22 februari 2021 over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de civiele bescherming'
Op 25 januari 2021 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de civiele bescherming'.
Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 22 februari 2021. De kamer was samengesteld uit Pierre VANDERNOOT, kamervoorzitter, Patrick RONVAUX en Christine HOREVOETS, staatsraden, Christian BEHRENDT en Marianne DONY, assessoren, en Béatrice DRAPIER, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Roger WIMMER, eerste auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre VANDERNOOT.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 22 februari 2021.
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten `op de Raad van State', gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
ONDERZOEK VAN HET ONTWERP
AANHEF
De in het tweede lid vermelde wet van 14 december 2000 `tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector' levert voor het ontwerpbesluit geen enkele rechtsgrond op, maar schetst het juridische kader ervan.
De afdeling Wetgeving heeft er in het verleden namelijk al op gewezen1 dat de wet van 14 december 2000, overeenkomstig richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 `betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd', voorziet in uitzonderingen op een aantal bepalingen ervan, doch zonder die te regelen, met name voor "de diensten die bijdragen tot de burgerlijke (...) veiligheid".2
Het lid dient dus te worden verplaatst na de vermeldingen van de verplichte en facultatieve vormvereisten, en de woorden "Gelet op" dienen te worden vervangen door het woord "Overwegende".3
DISPOSITIEF
Artikel 1
1. De ontworpen artikelen 78/2 tot 78/5 van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 `tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming' voorzien in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2003/88/EG voor wat betreft de operationele beroepspersoneelsleden van de Civiele Bescherming.
Vooraan in het ontwerp moet dan ook een bepaling worden toegevoegd waarin wordt gepreciseerd dat het besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2003/88/EG.4
2. Het ontworpen artikel 78/1 bepaalt dat, onverminderd de toepassing van boek VII/1 en behoudens andersluidende bepalingen, de operationele beroepspersoneelsleden van de Civiele Bescherming onderworpen blijven aan de wet van 14 december 2000.
De steller van het ontwerp is evenwel niet gemachtigd om het toepassingsgebied van de wet van 14 december 2000 aan te passen of te beperken.
Dat artikel moet derhalve worden weggelaten.
3. In de Franse tekst van het ontworpen artikel 78/2 dienen de vermeldingen " § 2." en " § 3." te worden vervangen door respectievelijk de vermeldingen " § 1." en " § 2.".
Artikel 2
Artikel 2 van het ontwerp bepaalt dat de ontworpen tekst uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2019.
Er wordt op gewezen dat bestuurshandelingen krachtens een algemeen rechtsbeginsel in de regel geen terugwerkende kracht hebben. Terugwerkende kracht kan evenwel gerechtvaardigd zijn indien de wet die toestaat. Indien ze niet bij de wet wordt toegestaan, is ze alleen aanvaardbaar bij wijze van uitzondering, inzonderheid wanneer ze nodig is voor de continuïteit van de openbare dienst of voor de regularisatie van een feitelijke of een rechtstoestand en voor zover de vereisten inzake rechtszekerheid vervuld zijn en de individuele rechten geëerbiedigd worden.
De steller van het ontwerp dient zich ervan te vergewissen dat die voorwaarden in casu vervuld zijn.
De griffier,
Béatrice DRAPIER
De voorzitter,
Pierre VANDERNOOT
_______
Nota's
1. Zie advies 54.614/2, op 8 januari 2014 gegeven over een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 19 april 2014 `tot vaststelling van bepaalde aspecten van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid' (Parl.St. Kamer 2013-14, nr. 53-3353/001, 23 en 24; http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/54614.pdf).
2. Zie de artikelen 5, § 2, eerste lid, 12°, 6, § 2, eerste lid, 1°, 7, § 2, eerste lid, 12°, 11, eerste lid, 3°, en 13, § 3, eerste lid, 10°, van die wet.
3. Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab "Wetgevingstechniek", aanbeveling 40.
4. Zie onder meer advies 63.326/2 van 28 mei 2018 over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 29 juni 2018 `tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de Civiele Bescherming' (http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/63326.pdf).

18 MAART 2021. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de civiele bescherming
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, artikel 156;
Gelet op het koninklijk besluit van 29 juni 2018 tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de civiele bescherming;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 3 december 2020;
Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 6 januari 2021;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken, gegeven op 13 januari 2021;
Gelet op het protocol nr. 2020/05 van het sectorcomité V, gesloten op 9 december 2020;
Gelet op de vrijstelling van een impactanalyse op basis van artikel 8, § 1, 4°, van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
Gelet op advies 68.755/2 van de Raad van State, gegeven op 22 februari 2021, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Overwegende de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector;
Op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd.
Art. 2. In het koninklijk besluit van 29 juni 2018 tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de civiele bescherming, wordt na artikel 78 een boek VII/1 dat de artikelen 78/1 tot en met 78/4 omvat, ingevoegd, luidend als volgt:
"BOEK VII/1. - ORGANISATIE VAN DE ARBEIDSTIJD VAN DE BEROEPSPERSONEELSLEDEN
Art. 78/1. § 1. De duur van elke arbeidsperiode mag vierentwintig uren niet overschrijden, behoudens voor het verrichten van:
- dringende interventies om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval;
- dringende interventies die door een onvoorziene noodzakelijkheid worden vereist.
Deze overschrijdingen worden binnen de veertien dagen gecompenseerd met een gelijkwaardige periode van inhaalrust.
§ 2. Elke dienstprestatie waarvan de duur tussen twaalf uren en vierentwintig uren bedraagt moet worden gevolgd door een rustperiode van minimum twaalf opeenvolgende uren.
Art. 78/2. Het uurrooster wordt door de Voorzitter vastgelegd in het arbeidsreglement.
Art. 78/3. Wanneer de arbeidstijd per dag meer dan zes opeenvolgende uren ononderbroken bedraagt, wordt een half uur pauze toegekend aan het beroepspersoneelslid, met uitzondering van de interventies die van die aard zijn dat een pauze onmogelijk is.
Bij dergelijke interventies neemt het beroepspersoneelslid de pauze na afloop van de interventie.
Tijdens deze pauze blijft het beroepspersoneelslid beschikbaar om gevolg te geven aan een oproep voor interventie.
De nadere regels van de pauze worden opgenomen in het arbeidsreglement.
Art. 78/4. Het beroepspersoneelslid kan worden tewerkgesteld op zaterdagen, zondagen, feestdagen en `s nachts indien hij in continudienst werkt."
Art. 3. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.
Art. 4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 18 maart 2021.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
A. VERLINDEN


begin

Publicatie : 2021-04-07