einde

Publicatie : 2007-06-01

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE, K.M.O., MIDDENSTAND EN ENERGIE

20 APRIL 2007. - Ministerieel besluit houdende reglementering van de particuliere brievenbussen



De Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid en de Staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de Minister van Begroting en consumentenzaken,
Gelet op de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven, inzonderheid artikel 142, § 2, 3° gewijzigd bij de wet van 1 april 2007 houdende wijziging van de wet van 21 maart 1991 en op Titel IV, Hervorming van de Regie der Posterijen, gewijzigd bij de wetten van 12 december 1994, 20 december 1995, 19 december 1997, 3 mei 1999, 24 december 1999, 3 juli 2000, 12 augustus 2000, 2 augustus 2002, 24 december 2002, 17 januari 2003, 8 april 2003, 11 december 2003 en 22 december 2003 en bij de koninklijke besluiten van 9 juni 1999 en 7 oktober 2002, 19 maart 2003, 8 december 2003 en 14 juni 2004;
Gelet op het ministerieel besluit van 12 januari 1970 houdende reglementering van de postdienst, gewijzigd door de wet van 21 maart 1991 en 9 september 1991, door het koninklijk besluit van 12 augustus 1994, 19 mei 1995, 23 december 1996, 9 december 1997 en 8 november 1998, door de ministeriële besluiten van 23 april 1970, 1 juni 1970, 19 juli 1970, 29 december 1970, 18 september 1971, 8 april 1973, 7 augustus 1973, 17 maart 1975, 26 mei 1975, 3 maart 1976, 20 april 1976, 26 april 1976, 5 mei 1976, 19 juli 1979, 25 september 1979, 30 april 1980, 1e juli 1980, 7 april 1981, 14 juli 1981, 22 juli 1981, 18 september 1981, 20 november 1981, 30 november 1982, 31 maart 1983, 8 april 1983, 13 januari 1984, 9 juli 1984, 4 september 1984, 17 december 1984, 7 maart 1985, 17 mei 1985, 7 november 1986, 9 maart 1987, 17 februari 1988, 26 maart 1990, 30 oktober 1990, 31 oktober 1990, 15 november 1990, 24 mei 1991, 23 juli 1991, 9 september 1991, 27 maart 1992, 31 mei 1995, 16 november 2004 en door het ministerieel besluit van 30 april 2007 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 12 januari 1970 houdende reglementering van de postdienst.
Gelet op het voorstel van het Instituut van 9 mei 2005;
Gelet op het advies van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, gegeven op 2 juni 2006, met betrekking tot de bepalingen van Titel II van onderhavig besluit;
Overwegende dat sinds de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven het principe van de autonomie in de wet is ingeschreven ten aanzien van DE POST, dat evenwel het hogervermelde ministerieel besluit van 12 januari 1970 houdende reglementering van de postdienst niet volledig werd aangepast aan het principe van de autonomie, dat deze autonomie een gelijk speelveld kan creëren tussen DE POST en de overige spelers op de post- en aanverwante markten door de autonomie van DE POST te verzekeren met betrekking tot diensten die geen deel uitmaken van de publieke dienstverplichtingen van DE POST, alsook met betrekking tot bepaalde modaliteiten van publieke diensten die evenwel zelf niet van essentieel belang zijn en dus door DE POST moeten kunnen worden geregeld;
Overwegende dat bovendien een aantal inconsistenties tussen bepalingen van de oudere koninklijke en ministeriële besluiten van 12 januari 1970 houdende reglementering van de postdienst en de Europese en Belgische postwetgeving weggewerkt worden, hetgeen de juridische onzekerheid moet doet wegnemen, dat immers gebleken is dat heel wat bepalingen van de vermelde besluiten van 1970 een wettelijke habilitatie missen sinds DE POST het statuut heeft verworven van autonoom overheidsbedrijf;
Overwegende dat vele bepalingen van het vermelde ministerieel besluit van 12 januari 1970 in onbruik gevallen zijn en dienen ofwel geactualiseerd of, in voorkomend geval, opgeheven te worden, dat bijgevolg een modernisering en rationalisatie van deze oude reglementering zich opdringt zonder afbreuk te doen aan de belangrijke rol van DE POST als aangewezen leverancier van de universele dienst en van bepaalde andere openbare diensten;
Overwegende dat dit besluit in Titel I tevens de reglementering inzake particuliere brievenbussen te actualiseren beoogt, dat deze actualisering het resultaat is van de rondetafelgesprekken die op verzoek van DE POST door het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie georganiseerd werden. De deelnemers aan de rondetafelgesprekken, waaronder diverse postale operatoren, verschillende brievenbusfabrikanten, afgevaardigden van de Regio's, de orde van architecten, de ombudsdienst bij DE POST, enz., beoogden de distributieproblemen te wijten aan weinig praktische of inefficiënt geplaatste particuliere brievenbussen te detecteren en op te lossen;
Overwegende dat hierbij wordt beoogd om, enerzijds, de regelgeving terzake op een meer bevattelijke wijze voor de consument te formuleren, en anderzijds, om de Belgische reglementering af te stemmen op de geldende Europese norm betreffende particuliere brievenbussen;
Overwegende dat deze nieuwe reglementering inzake de brievenbussen in werking treedt op 1 januari 2008 zodat de nodige tijd voorzien is om de betrokken marktactoren en houders van brievenbussen te kunnen informeren.
Gelet op advies 42.500/4 van de Raad van State gegeven op 11 april 2007 met toepassing van artikel 84, § 1, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Advies van de Raad van State 42.500/4
De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer heeft op 11 april 2007 advies verleend over het ontwerp van Ministerieel Besluit.
De opmerkingen van de Raad van State werden gevolgd met uitzondering hetgeen hieronder opgenomen.
Voorafgaandelijke formaliteiten
De opmerking dat de bepalingen betreffende de particuliere brievenbussen, die technische bepalingen zouden uitmaken, voorafgaandelijk aan de Europese Commissie zouden gecommuniceerd moeten worden op grond van Richtlijn 98/34/CE werd niet gevold omdat de bepalingen de harmonisering in hand werken nu zij voorvloeien uit Europese bepalingen, met name EN 13724 (Postal Services- Apertures of private letter boxes and letter plates - Requirements and test methods') goedgekeurd door CEN, technical Committee 331, die door andere EU Lidstaten, worden of zullen moeten worden omgezet. Enkel het niet opnemen van deze bepalingen zou de harmonisering niet ten goede komen.
Algemene opmerkingen
De opmerking dat de bepalingen betreffende de brievenbussen moeten preciseren dat ze enkel die brievenbussen betreffen bestemd voor de universele dienst, werd niet gevolgd. De reglementering in die zin beperken zou tot de verkeerde conclusie kunnen leiden dat de woningen kunnen voorzien zijn van verschillende soorten brievenbussen, voor de universele dienst enerzijds en voor niet-universele diensten anderzijds, bijvoorbeeld niet-geadresseerde zendingen.
TITEL I. - Reglementaire normen inzake brievenbussen
Artikel 1. § 1. Iedere brievenbus moet een opening van ten minste 23 cm bij 3 cm hebben. De onderste rand van de opening moet zich bevinden op een hoogte van ten minste 70 cm en de bovenste rand van de opening moet zich bevinden op ten hoogste 170 cm boven de plaats van waarop men normaal toegang heeft tot de brievenbus, volgens het model bijgevoegd als bijlage I bij dit besluit.
§ 2. In bijzondere gevallen mag die hoogte worden uitgebreid, maar de onderste rand van de opening moet zich bevinden op een hoogte van ten minste 40 cm en de bovenste rand van de opening moet zich bevinden op ten hoogste 180 cm boven de plaats van waarop men normaal toegang heeft tot de brievenbus, volgens het model bijgevoegd als bijlage II bij dit besluit.
§ 3. De brievenbus moet voldoende groot zijn om een ongevouwen zending in C4-formaat (229 mm bij 324 mm) met een dikte van 24 mm zonder beschadiging te ontvangen, maar deze verplichting is niet van toepassing voor de bijzondere gevallen.
§ 4. Ingeval het huisnummer niet leesbaar is vanop de plaats waar de brievenbus zich bevindt, dient het huisnummer duidelijk leesbaar vermeld te worden op of nabij de brievenbus. Indien aan één huisnummer meerdere busnummers zijn toegekend, moeten de busnummers duidelijk zichtbaar en leesbaar vermeld worden op of nabij de overeenkomstige brievenbus.
§ 5. De toegang tot de brievenbus, alsmede de opening van de brievenbus moeten vrij, gemakkelijk en zonder gevaar zijn voor de uitreiker.
§ 6. Als « bijzonder geval » waarvan sprake in § 2 en § 3 van dit artikel komen in aanmerking :
- een batterij brievenbussen van minstens vier brievenbussen aan of in een appartementsgebouw;
- brievenbussen voor personen met een handicap;
- een brievenbusopening in de gevel van een geklasseerd gebouw;
- een brievenbusopening in de gevel van een bestaand gebouw, met name een gebouw in gebruik genomen voor 31 december 2007;
- een brievenbusopening in de deur van een bestaand gebouw, met name een gebouw in gebruik genomen vóór 31 december 2007.
Art. 2. § 1. De brievenbussen moeten aan de grens van de openbare weg geplaatst zijn.
Het eerste lid geldt niet :
1° voor personen met een handicap vastgesteld door de terzake bevoegde overheidsdienst en die het gevolg is van een beperkte mobiliteit of visuele beperking;
2° voor appartementsgebouwen met een batterij brievenbussen van minstens vier brievenbussen.
§ 2. Wanneer een woning meer dan vier brievenbussen heeft, mogen die bussen ofwel aan de huisdeur, ofwel op de benedenverdieping, op een goed verlichte plaats, worden aangebracht. Zij worden met duidelijk zichtbare cijfers in volgorde genummerd. Het volgnummer, voorafgegaan door de vermelding "Bus", wordt in het postadres vlak achter het huisnummer vermeld.
Art. 3. Brievenbussen met een opening van 22 cm alsook brievenbussen die onvoldoende groot zijn om een ongevouwen C4-formaat (229 mm bij 324 mm) met een dikte van 24 mm zonder beschadiging te ontvangen blijven als geregulariseerd beschouwd op voorwaarde dat het daaraan verbonden gebouw in gebruik is genomen voor 31 december 2007.
Art. 4. De personen die reeds voor de inwerkingtreding van dit ministerieel besluit konden toepassing maken van de uitzondering bepaald in artikel 2 § 1, 1°blijven dit voorrecht genieten.
TITRE II. - Opheffings- en overgangs- bepalingen
Art. 5. In het ministerieel besluit van 12 januari 1970 houdende reglementering van de postdienst, worden opgeheven :
1° artikelen 1 en 2;
2° artikel 3, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1971;
3° artikel 4, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1971;
4° artikel 5, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en vervangen bij het ministerieel besluit van 31 oktober 1990;
5° artikel 6, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991;
6° artikel 7;
7° artikel 8, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 30 april 1980;
8° artikel 9, vervangen bij het ministerieel besluit van 17 december 1984;
9° artikel 10, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het koninklijk besluit van 19 oktober 1971 en bij het koninklijk besluit van 17 december 1984;
10° artikel 12, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1971;
11° artikel 13, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 17 februari 1988;
12° artikel 14, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en vervangen bij het ministerieel besluit van 17 december 1984;
13° artikel 15, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991;
14° artikel 16, vervangen bij het ministerieel besluit van 7 november 1986;
15° artikel 17, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en vervangen bij het ministerieel besluit van 7 november 1986 en bij het ministerieel besluit van 24 mei 1991;
16° artikel 18, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en vervangen bij het ministerieel besluit van 7 november 1986;
17° artikel 19, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en vervangen het ministerieel besluit van 7 november 1986;
18° artikel 20, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1971;
19° artikel 21, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1971;
20° artikel 22, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1971;
21° artikel 23, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 31 maart 1983;
22° artikel 24, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1971;
23° artikel 25, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1971 en bij het ministerieel besluit van 17 december 1984;
24° artikel 26, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1971;
25° artikel 27, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 17 december 1984;
26° artikel 28, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en vervangen bij het ministerieel besluit van 17 december 1984;
27° artikel 29, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1971
28° artikel 30, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 17 december 1984;
29° artikel 31, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991, bij het ministerieel besluit van 26 maart 1990 en bij het ministerieel besluit van 17 februari 1988;
30° artikel 32, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 17 december 1984;
31° artikel 33, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 7 augustus 1973;
32° artikel 34;
33° artikel 35, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 december 1997, bij het koninklijk besluit van 27 maart 1992, het ministerieel besluit van 27 maart 1992 en het ministerieel besluit van 20 november 1981;
34° artikelen 36 en 37;
35° artikel 38, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 17 december 1984;
36° artikel 39, vervangen bij het ministerieel besluit van 8 april 1983, bij het ministerieel besluit van 7 augustus 1973, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 17 februari 1988 en bij ministerieel besluit van 17 december 1984;
37° artikel 40, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 20 april 1976 et bij ministerieel besluit van 8 april 1983;
38° artikel 41, gewijzigd bij ministerieel besluit van 20 april 1976 en het ministerieel besluit van 8 april 1983;
39° artikel 43, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en gewijzigd bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1971;
40° artikel 44, vervangen bij het ministerieel besluit van 27 maart 1992 en bij het ministerieel besluit van 1 maart 1982;
41° artikel 45, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het Ministerieel Besluit van 19 oktober 1971;
42° artikelen 46 tot 49;
43° artikel 50, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 25 september 1979;
44° artikel 51;
45° artikel 52, vervangen bij het ministerieel besluit van 31 maart 1983;
46° artikel 53, vervangen bij het ministerieel besluit van 31 maart 1983, en vervangen bij het ministerieel besluit van 25 september 1979;
47° artikelen 54 en 55;
48° artikel 56, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1971;
49° artikel 57, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 25 september 1979;
50° artikel 58 gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991;
51° artikel 59 gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 26 april 1976 en bij het ministerieel besluit van 17 december 1984;
52° artikel 60;
53° artikel 61 gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991 en bij het ministerieel besluit van 19 oktober 1971;
54° artikelen 62 tot 68;
55° artikel 69, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991;
56° artikel 70, vervangen bij het ministerieel besluit van 9 juli 1984 en geschrapt bij het ministerieel besluit van 17 februari 1988;
57° artikelen 71 tot 77;
58° artikel 78, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 9 juli 1984;
59° artikelen 79 tot 82;
60° artikel 83, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 3 maart 1976;
61° artikel 84 geschrapt bij het koninklijk besluit van 9 december 1997;
62° artikel 85 gewijzigd bij het ministerieel besluit van 31 oktober 1990;
63° artikelen 86 tot 89;
64° de bijlage « Tabel van de prijzen der prestaties en leveringen van bijkomende aard » opgenomen in artikel N, gewijzigd bij ministerieel besluit van 23 juli 1991 en bij het ministerieel besluit van 9 september 1991.
Art. 6. De artikelen 1 tot 5 van dit besluit treden in werking op 1 januari 2008.
Art. 7. In de periode tussen de publicatie van dit besluit en 31 december 2007 zijn de onderstaande artikelen 8 en 9 betreffende de particuliere brievenbussen van toepassing.
Art. 8. Ieder brievenbus moet een opening van ten minste 22 cm bij 3 cm hebben. Deze opening moet zich bevinden op een hoogte van ten minste 80 cm en ten hoogste 150 cm boven de plaats van waarop men normaal toegang heeft tot de brievenbus.
De brievenbussen moeten vrij, gemakkelijk en zonder gevaar toegankelijk zijn.
Art. 9. § 1. De brievenbussen moeten aan de grens van de openbare weg geplaatst zijn.
Het eerste lid geldt niet :
1° voor de op meer dan vijftig meter van de openbare weg gelegen woningen van personen die als "alleenwonend mindervalide" worden beschouwd en ingeschreven zijn bij het Rijksfonds voor sociale reclassering van de mindervaliden;
2° voor woningen met meer dan vier brievenbussen.
§ 2. Wanneer een woning meer dan vier brievenbussen heeft, mogen die bussen ofwel aan de huisdeur, ofwel op de benedenverdieping, op een goed verlichte plaats, worden aangebracht. Zij worden met duidelijk zichtbare cijfers in volgorde genummerd. Het volgnummer, voorafgegaan door de vermelding « Bus... », wordt in het postadres vlak achter het huisnummer vermeld.
Brussel, 20 april 2007.
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Consumentenzaken,
Mevr. F. VANDENBOSSCHE
De Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid,
M. VERWILGHEN
De Staatssecretaris voor Overheidsbedrijven
Toegevoegd aan de Minister van Begroting en Consumentenzaken,
B. TUYBENS

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Gezien om te worden gevoegd bij ons besluit van 20 april 2007.
De Vice-Eerste Minister en
Minister van Begroting en Consumentenzaken,
Mevr. F. VANDENBOSSCHE
De Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid,
M. VERWILGHEN
De Staatssecretaris voor Overheidsbedrijven
toegevoegd aan de Minister van Begroting en Consumentenzaken,
B. TUYBENS

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Gezien om te worden gevoegd bij ons besluit van 20 april 2007.
De Vice-Eerste Minister en
Minister van Begroting en Consumentenzaken,
Mevr. F. VANDENBOSSCHE
De Minister van Economie, Energie, Buitenlandse handel en Wetenschapsbeleid,
M. VERWILGHEN
De Staatssecretaris voor Overheidsbedrijven
toegevoegd aan de Minister van Begroting en Consumentenzaken,
B. TUYBENS

ADVIES 42.500/4 VAN 11 APRIL 2007 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE
De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 13 maart 2007 door de Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van Ministerieel besluit "houdende reglementering van de postdienst", heeft het volgende advies gegeven :
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1E, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
Voorafgaande vormvoorschriften
Verscheidene bepalingen van het ontworpen besluit, inzonderheid onder Titel II met als opschrift "Reglementaire normen inzake brievenbussen", zijn technische voorschriften.
Die bepalingen moeten worden onderzocht in het licht van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij.
Artikel 8, lid 1, van de voornoemde Richtlijn 98/34/EG bepaalt dat de lidstaten de Commissie onverwijld ieder ontwerp voor een technisch voorschrift moeten meedelen, tenzij het een integrale omzetting van een internationale of Europese norm betreft, en dat zij de Commissie tevens kennis moeten geven van de redenen waarom de vaststelling van dit technisch voorschrift nodig is (1)
Artikel 1, lid 11, eerste alinea, van de voornoemde Richtlijn 98/34/EG definieert een "technisch voorschrift" als volgt :
« een technische specificatie of andere eis of een regel betreffende diensten, met inbegrip van de erop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor de verhandeling, de dienstverrichting, de vestiging van een verrichter van diensten of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van een lidstaat, alsmede de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, behoudens die bedoeld in artikel 10, van de lidstaten waarbij de vervaardiging, de invoer, de verhandeling of het gebruik van een product dan wel de verrichting of het gebruik van een dienst of de vestiging als dienstverlener wordt verboden. »
(1) Arrest van 2 augustus 1993, Commissie/ Italië - Motoren voor pleziervaartuigen (C-139/92, Jurisprudentie blz. I-4707).
Volgens diezelfde bepaling, tweede alinea, derde streepje, zijn de facto technische voorschriften onder meer :
« technische specificaties of andere eisen of regels betreffende diensten die verbonden zijn met fiscale of financiële maatregelen die het verbruik van producten of het gebruik van diensten beïnvloeden, doordat zij de naleving van die technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten aanmoedigen; hieronder vallen niet de technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten die samenhangen met de nationale stelsels van sociale zekerheid. »
De "technische specificatie" wordt in artikel 1, lid 3, als volgt gedefinieerd :
« een specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product, zoals kwaliteitsniveau, prestaties, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van de voor het product geldende voorschriften inzake verkoopbenaming, terminologie, symbolen, beproeving en beproevingsmethoden, verpakking, het merken of etiketteren, en de overeenstemmingsbeoor-delingsprocedures. »
Krachtens artikel 8 van de voornoemde Richtlijn 98/34/EG moeten de lidstaten bovendien niet alleen iedere ontwerptekst voor een technisch voorschrift meedelen, maar ook de tekst van de in hoofdzaak en rechtstreeks betrokken wettelijke en bestuursrechtelijke basisbepalingen. Het doel van deze bepaling bestaat erin de Commissie zo volledig mogelijk te informeren zodat zij zo doeltreffend mogelijk de haar door de richtlijn verleende bevoegdheden kan uitoefenen (2)
(2) Arrest van 7 mei 1998, Commissie/België (C-145/97, Jurisprudentie 1998 blz. I-2643), § 12.
Het Hof van Justitie heeft eraan herinnerd dat de voornoemde Richtlijn 98/34/EG er evenwel niet enkel toe strekt de Commissie op de hoogte te stellen, maar ze juist een meer algemeen doel heeft, namelijk handelsbelemmeringen uit de weg ruimen of beperken, de andere lidstaten op de hoogte stellen van de door een lidstaat voorgenomen technische regelingen, de Commissie en de andere lidstaten de nodige tijd geven om te reageren en een wijziging voor te stellen ter beperking van de uit de voorgenomen maatregel voortvloeiende belemmeringen van het vrije verkeer van goederen, en de Commissie de nodige tijd geven om een harmonisatierichtlijn voor te stellen (3).
Het staat aan de Europese Commissie, krachtens de voornoemde Richtlijn 98/34/EG, te oordelen of de bedoelde voorwaarden op significante wijze de samenstelling, de aard of de verhandeling van het product kunnen beïnvloeden.
Het besluit is dan ook dat de Europese Commissie in kennis gesteld moet worden van het ontworpen besluit voordat het wordt goedgekeurd. De goedkeuring van het ontwerp moet worden uitgesteld voor de termijn bepaald in artikel 9 van de voornoemde Richtlijn 98/34/EG.
Algemene opmerkingen
1. Voor de artikelen 1 tot 19 en voor het grootste deel van artikel 24 van het ontworpen besluit is geen rechtsgrond voorhanden.
Immers, enerzijds wordt bij de wetsbepalingen waarop het ontworpen besluit beweert te steunen geen machtiging verleend aan de minister, en anderzijds gaat het niet om detailkwesties tot regeling waarvan de Koning de minister gemachtigd zou kunnen hebben.
2. Verscheidene bepalingen van het ontworpen besluit hebben betrekking op reglementaire normen inzake brievenbussen. Het gaat om de artikelen 20 tot 23 en 25 tot 28 van het ontwerp en om de bijlagen I en II.
(3) Arrest van 30 april 1996, CIA Security International (C-194/94, Jurisprudentie 1996, blz. I-2201), §§ 40, 41, 50.
Die bepalingen ontlenen hun rechtsgrond weliswaar niet aan de bepalingen genoemd in de aanhef van het ontworpen besluit, maar vinden niettemin rechtsgrond in artikel 142, § 2, 3°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
Dat artikel bepaalt het volgende :
« § 2. De levering van de universele dienst brengt de volgende verplichtingen met zich :
[...]
3° bij de bestelling van de postzendingen moeten alle woningen van het Rijk worden betrokken voor zover zij voorzien zijn van een brievenbus binnen handbereik geplaatst aan de grens van de openbare weg en beantwoordend aan de reglementering uitgevaardigd door de Minister, op voorstel van het Instituut.
[...]. »
Uit deze bepaling volgt dat de minister alleen gemachtigd is regelgeving inzake brievenbussen uit te vaardigen om de verplichtingen inzake universele dienstverlening te bepalen.
Hij kan dus niet in het algemeen regels uitvaardigen voor onverschillig welke brievenbus.
De bepalingen van titel II van het ontworpen besluit moeten zo worden geredigeerd dat daarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat ze alleen betrekking hebben op de brievenbussen bedoeld voor de universele postdienst.
Bijzondere opmerkingen
Aanhef
1. Gelet op algemene opmerking 1 moeten het eerste, derde en vierde lid vervallen.
2. In het tweede lid van de aanhef, dat het eerste lid wordt, moet verwezen worden naar artikel 142, § 2, 3°, van de voornoemde wet van 21 maart 1991.
3. In het zesde lid van de aanhef, dat het derde lid wordt, wordt verwezen naar het advies dat het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie op 2 juni 2006 heeft gegeven aangaande titel II van het ontworpen besluit.
Dat lid moet in verband gebracht worden met het voornoemde artikel 142, § 2, 3°, waarbij de minister gemachtigd wordt, niet op advies, maar op voorstel van het BIPT regelgeving inzake brievenbussen uit te vaardigen in het kader van de universele postdienst.
Uit het advies van het BIPT dat op 2 juni 2006 is gegeven en door toedoen van de gemachtigde van de minister is overgezonden, blijkt dat titel II van het ontworpen besluit daadwerkelijk komt uit een voorstel van het BIPT d.d. 9 mei 2005.
In de aanhef van het ontworpen besluit moet naar dat voorstel worden verwezen. Hij moet dienovereenkomstig worden aangevuld.
4. De akkoordbevinding van de Minister van Begroting en het advies van de Inspecteur van Financiën zijn krachtens de artikelen 5, 2°, en 14, 1°, van het koninklijk besluit van 16 november 1994 betreffende de administratieve en begrotingscontrole niet vereist voor de artikelen 20 tot 23 en 25 tot 28, noch voor de bijlagen I en II van de ontworpen tekst.
Om iedere verwarring te voorkomen omtrent de vraag of die instanties verplicht geraadpleegd moeten worden, moet in de aanhef niet naar die akkoordbevinding of naar dat advies worden verwezen. Het zevende en het achtste lid moeten vervallen.
De kamer was samengesteld uit :
De heren :
Y. Kreins, kamervoorzitter;
P. Liénardy en J. Jaumotte, staatsraden;
Mevr. C. Gigot, griffier.
Het verslag werd uitgebracht door Mevr. A. Vagman, auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Liénardy.
De griffier,
C. Gigot.
De voorzitter,
Y. Kreins


begin

Publicatie : 2007-06-01