J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 3 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2006/01/11/2006014038/justel

Titel
11 JANUARI 2006. - Koninklijk besluit tot toepassing van titel IV (Hervorming van de Regie der Posterijen) van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 17-01-2006 en tekstbijwerking tot 09-02-2018)

Bron : MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 17-01-2006 nummer :   2006014038 bladzijde : 2686
Dossiernummer : 2006-01-11/31
Inwerkingtreding : 17-04-2006

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Definities.
Art. 1
TITEL II. - Procedure en voorwaarden voor de toekenning, de weigering en de intrekking van de individuele vergunning voor de levering van niet voorbehouden postdiensten die deel uitmaken van de universele dienst, alsmede de duur en de voorwaarden voor de overdracht ervan.
HOOFDSTUK I. - Procedure en voorwaarden voor de toekenning en de weigering van de vergunning.
Afdeling I. - Indienen van de aanvragen.
Art. 2
Afdeling II. - Onderzoek van de aanvragen.
Art. 3-4
HOOFDSTUK II. - Duur, voorwaarden met betrekking tot de beëindiging en de hernieuwing van de vergunning.
Art. 5
HOOFDSTUK III. - Overdracht van de vergunning.
Art. 6
HOOFDSTUK IV. - Verval van de vergunning.
Art. 7
TITEL III.
HOOFDSTUK I.
Art. 8-9
HOOFDSTUK II.
Art. 10-11
HOOFDSTUK III.
Art. 12-18
HOOFDSTUK IV.
Art. 19-23
HOOFDSTUK V.
Art. 24-27
TITEL IV. - Evolutie van de tarieven van de universele dienst.
HOOFDSTUK I. - Toepassing.
Art. 28-30
HOOFDSTUK II.
Art. 31-32
HOOFDSTUK III. - Tariefverhogingen.
Art. 33
TITEL V. - Inhoud en eisen in verband met de universele dienst.
Art. 34-37
TITEL VI.
Art. 38
TITEL VII.
Art. 39-42
TITEL VIII.
Art. 43-45

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Definities.

  Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° wet : de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  2° Minister : [1 de minister of staatssecretaris die bevoegd is voor postdiensten]1
  3° Instituut : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, afgekort " B.I.P.T. ", bedoeld in artikel 71 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven [1 en in artikel 2 en volgende van de wet van 17 januari met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector]1 ;
  4° essentiële eisen : de redenen die vastgesteld zijn in [1 artikel 131, 19°]1 , van de wet;
  5° diensten : soortnaam die verwijst naar de eigenlijke diensten en de producten van de [1 ...]1 leverancier van de universele dienst;
  6° [1 ...]1
  7° koninklijk besluit : het koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake aangifte en overdracht van postdiensten die geen deel uitmaken van de universele dienst en tot toepassing van de artikelen 144quater, § 3, 148sexies, § 1, 1° en 148septies van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
  8° stukpost : briefwisseling die per individueel stuk afgegeven wordt;
  9° D+1 : uitreiking op de eerste werkdag (buiten de zaterdag) volgend op die van hun afgifte voor de laatste nuttige lichting van de bus, op die van hun afgifte in het postaal service punt voor de laatste nuttige lichting in dat betrokken postaal service punt of op die van hun laatste nuttige afhaling ter plaatse of op die van hun aanlevering in het internationale uitwisselingskantoor voor het " LAT " (latest arrival time).
  10° D+2 : uitreiking ten laatste op de tweede werkdag (buiten de zaterdag) volgend op die van hun afgifte voor de laatste nuttige lichting van de bus, op die van hun afgifte in het postaal service punt voor de laatste nuttige lichting in dat betrokken postaal service punt of op die van hun laatste nuttige afhaling ter plaatse of op die van hun aanlevering in het internationale uitwisselingskantoor voor het " LAT " (latest arrival time).
  [1 11° vergunninghouder : de aanbieder van postdiensten die een individuele vergunning bezit voor de levering van een dienst van brievenpost binnen de werkingssfeer van de universele dienst;
   12° dekkingsplicht : de verplichting voor de vergunninghouder om de uitreiking te verzorgen in een welbepaald geografisch gebied van het Koninkrijk;
   13° brievenpostdiensten binnen de werkingssfeer van de universele dienst : postdiensten waarvoor een individuele vergunning vereist is op grond van artikel 148sexies van de wet;
   14° distributienetwerk : geheel van menselijke en operationele middelen die de vergunninghouder in staat stellen om brievenpostzendingen te bestellen aan de geadresseerden in het gebied waarvoor de dekkingsplicht van toepassing is;
   15° individuele vergunning : de machtiging zoals bepaald in artikel 131, 14° van de Wet;
   16° aanbieder van de universele dienst : de aanbieder van postdiensten zoals bepaald in 131, 13° van de wet.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-19/37, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  TITEL II. - Procedure en voorwaarden voor de toekenning, de weigering en de intrekking van de individuele vergunning voor de levering van niet voorbehouden postdiensten die deel uitmaken van de universele dienst, alsmede de duur en de voorwaarden voor de overdracht ervan.

  HOOFDSTUK I. - Procedure en voorwaarden voor de toekenning en de weigering van de vergunning.

  Afdeling I. - Indienen van de aanvragen.

  Art. 2. De inhoud en de presentatie van de aanvraag worden beschreven overeenkomstig artikel 10 en volgende van het koninklijk besluit en de bijlage ervan. Indien het Instituut van oordeel is dat de aanvraag onvolledig is of bijkomende inlichtingen of verduidelijkingen wenst, brengt het de aanvrager daarvan binnen een redelijke termijn op de hoogte. Na afloop van een termijn van 60 dagen na de mededeling van de aanvullende vraag van het Instituut aan de aanvrager, wordt de niet-aangepaste aanvraag verworpen.

  Afdeling II. - Onderzoek van de aanvragen.

  Art. 3. § 1. Het Instituut doet een aanbeveling en deelt die mee aan de aanvrager binnen een termijn van 30 kalenderdagen vanaf de datum van het indienen van de aanvraag. Wanneer de aanbeveling gunstig is, neemt zij de vorm aan van een ontwerp van individuele vergunning. Dit ontwerp wordt door het Instituut opgesteld op grond van de elementen die de aanvrager heeft verstrekt.
  § 2. De aanvrager heeft maximaal 30 kalenderdagen tijd om zijn opmerkingen over het ontwerp van individuele vergunning aan het Instituut mee te delen. Die termijn van 30 dagen gaat in op de derde werkdag die volgt op de verzending van de kennisgeving van de aanbeveling.
  § 3. Wanneer de aanvrager na afloop van de in het tweede lid bedoelde termijn geen opmerkingen heeft op het ontwerp van vergunning, beschikt het Instituut over ten hoogste 15 kalenderdagen om de individuele vergunning toe te kennen.
  § 4. Bij het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn, beschikt het Instituut over ten hoogste 30 kalenderdagen om de individuele vergunning al dan niet toe te kennen, wanneer de aanvrager opmerkingen heeft op het ontwerp van vergunning.

  Art. 4.§ 1. Het Instituut weigert een aanvraag indien de aanvrager zich niet verbonden heeft om de in artikel 148sexies, § 1, 2°, van de wet bedoelde voorwaarden te respecteren.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. [1 ...]1
  § 4. [1 ...]1
  ----------
  (1)<Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  HOOFDSTUK II. - Duur, voorwaarden met betrekking tot de beëindiging en de hernieuwing van de vergunning.

  Art. 5. De individuele vergunning is tien jaar geldig, te rekenen vanaf de datum waarop die vergunning is afgegeven.
  Na het verstrijken van die eerste periode wordt de vergunning stilzwijgend verlengd voor opeenvolgende termijnen van vijf jaar.

  HOOFDSTUK III. - Overdracht van de vergunning.

  Art. 6. § 1. De individuele vergunning mag worden overgedragen op voorwaarde van voorafgaande toestemming van het Instituut. Het Instituut kan de overdracht weigeren indien de cessionaris niet voldoet aan de voorwaarden voor het bekomen van een vergunning.
  § 2. Het verzoek om overdracht bevat de inlichtingen die vermeld zijn in het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 1, 7°. Die hebben betrekking op zowel de cedent als de cessionaris.

  HOOFDSTUK IV. - Verval van de vergunning.

  Art. 7.De [1 aanbieder van postdiensten]1 kan afstand doen van zijn vergunning met een opzegging van drie maanden die bij een ter post aangetekende brief aan het Instituut wordt gericht.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-19/37, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  TITEL III.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  HOOFDSTUK I.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 8.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 9.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  HOOFDSTUK II.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 10.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 11.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  HOOFDSTUK III.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 12.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 13.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 14.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 15.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 16.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 17.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 18.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  HOOFDSTUK IV.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 19.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 20.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 21.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 22.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 23.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  HOOFDSTUK V.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 24.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 25.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 26.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 27.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  TITEL IV. - Evolutie van de tarieven van de universele dienst.

  HOOFDSTUK I. - Toepassing.

  Art. 28.Deze titel is van toepassing op de [1 aanbieder van de universele dienst]1.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-19/37, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 29.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  Art. 30.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  HOOFDSTUK II.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  Art. 31.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  Art. 32.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  HOOFDSTUK III. - Tariefverhogingen.

  Art. 33.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 10, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  TITEL V. - Inhoud en eisen in verband met de universele dienst.

  Art. 34.De [1 aanbieder van de universele dienst]1 zorgt ervoor dat :
  1° de [2 postkantoren]2 ten minste gedurende een aantal uren per week buiten de kantooruren van de klanten geopend zijn afhankelijk van de noden van deze laatsten;
  2° een maximum aantal zendingen van brievenpost die beantwoordt aan de snelste standaardscategorie, uitgereikt wordt op de eerste werkdag (buiten de zaterdag) volgend op de dag van hun afgifte voor de laatste nuttige buslichting, van hun afgifte in het kantoor of van hun afhaling ter plaatse;
  a) binnen termijn D+1 minstens [2 93 %]2 van deze binnenlandse zendingen en binnen termijn D+2 minstens 97 % uitgereikt wordt, gemeten volgens de methode " CEN EN 13850 (Postdiensten - Kwaliteit van diensten - Meting van kwaliteit van eind-tot-eind dienstverlening voor prioritaire stukpost) ". [3 Van voormelde objectieven en de daaraan verbonden metingen wordt uitgesloten het gamma aan brievenpostdiensten dat gefrankeerd wordt door een postzegel specifiek daartoe gewijd en op de markt gebracht tijdens de kerstperiode, door de aanbieder van de universele dienst, waarvan de verzendingstermijn van D+1 zoals hierboven vermeld, vervangen wordt door maximaal D+3 gedurende de laatste 14 dagen van december tot en met het einde van de eerste 7 dagen van januari het daaropvolgende jaar. De aanbieder van de universele dienst kan deze periode van drie weken met maximaal 7 dagen vervroegen. De verzendingstermijn van de brievenpost die met kerstzegels is gefrankeerd zal tijdens de beschouwde periode apart worden geteld. Van de brievenpost gefrankeerd met een kerstzegel en verzonden tijdens de beschouwde periode dient 95% binnen D+3 te worden uitgereikt. Buiten deze in beschouwing genomen periode, zal brievenpost gefrankeerd met een kerstzegel meegeteld worden in het kader van de D+1 stroom]3;
  b) vanaf het ogenblik dat zij in het uitwisselingskantoor in België toekomen, dezelfde verzendingstermijnen gelden voor de binnenkomende prioritaire internationale zendingen als voor de binnenlandse zendingen;
  c) binnen termijn D+3 minstens 85 % van de intracommunautaire post en binnen termijn D+5 minstens 97 % uitgereikt wordt, gemeten volgens de " end-to-end" -methode.
  3° op alle brievenbussen het uur van de laatste nuttige lichting wordt aangegeven, alsook het adres van de dichtstbijzijnde brievenbus waar een latere afgifte mogelijk is;
  4° [2 ...]2
  5° [2 ...]2
  ----------
  (1)<KB 2014-04-19/37, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>
  (2