J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 63 uitvoeringbesluiten 17 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1994/05/26/1994003344/justel

Titel
26 MEI 1994. - Koninklijk besluit over de inhouding en de vergoeding van de roerende voorheffing overeenkomstig hoofdstuk I van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-02-1995 en tekstbijwerking tot 07-05-2019)

Bron : FINANCIEN
Publicatie : 03-06-1994 nummer :   1994003344 bladzijde : 15300
Dossiernummer : 1994-05-26/30
Inwerkingtreding :
13-06-1994 (ART. (22))
onbepaald (ART. (22))

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-3, 3bis, 3quater, 4-6, 6bis, 7-9, 9/1, 10-24
BIJLAGE
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wort verstaan onder de wet, de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten.

  Art. 2.De categorieën effecten die op rekening bij een in artikel 1, 1° van de wet bedoeld vereffeningsstelsel kunnen worden aangehouden, zijn [1 de hierna opgesomde vastrentende effecten, in de zin van artikel 2, § 1, 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 :]1
  § 1. 1° de effecten van de Belgische Staatsschuld;
  2° de effecten van de schuld van de Belgische Gemeenschappen, Gewesten, provincies en gemeenten evenals van de Belgische openbare instellingen en instellingen van openbaar nut;
  3° de gedematerialiseerde thesauriebewijzen en de gedematerialiseerde depositobewijzen bedoeld in de wet van 22 juli 1991 betreffende de thesauriebewijzen en de depositobewijzen, uitgegeven door belastingplichtigen, die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting evenals deze door belastingplichtigen, onderworpen aan de belasting van niet-inwoners, mits de inkomsten uitsluitend worden toegerekend op de resultaten van een Belgische inrichting in de zin van artikel 229, § 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  4° de andere [1 ...]1 effecten uitgegeven door belastingplichtigen, die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting evenals deze door belastingplichtigen, onderworpen aan de belasting van niet-inwoners, mits de inkomsten uitsluitend worden toegerekend op de resultaten van een Belgische inrichting in de zin van artikel 229, § 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
  § 2. [1 De hierna vermelde effecten die uitgegeven zijn]1 in de vorm van gedematerialiseerde effecten (of van verzameleffecten aan toonder naar Belgisch of buitenlands recht) mits zij uitsluitend vertegenwoordigd worden door boekingen op een rekening, bedoeld in artikel 1, 4° van de wet, en de inkomsten van bedoelde effecten uitsluitend in België betaalbaar worden gesteld : <KB 1996-05-07/46, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 14-05-1996>
  1° de (niet onder § 1, 1° tot 3°) bedoelde gedematerialiseerde thesaurie bewijzen en gedematerialiseerde depositobewijzen; <KB 1996-12-11/30, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 14-12-1996>
  2° de [1 de Europese Economische Ruimte]1 effecten uitgegeven door een schuldenaar, gevestigd in een Lidstaat van de Europese Gemeenschap, mits de effecten ofwel genoteerd zijn aan een effectenbeurs, ofwel uitgegeven zijn door bemiddeling van [1 één van de bemiddelaars gevestigd in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte in de zin van artikel 2, 10° van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;]1
  3° de [1 ...]1 effecten, uitgegeven of gewaarborgd door instellingen of organen van [1 de Europese Economische Ruimte]1, de centrale, regionale of lokale overheden van vreemde Staten of de internationale instellingen waarvan België deel uitmaakt.
  § 3. 1° de niet onder § 2, 2° en 3° bedoelde [1 effecten]1 met inkomsten van buitenlandse oorsprong;
  2° de in §§ 1 en 2 [1 bedoelde effecten]1, andere dan de effecten van de Belgische Staatsschuld, die één van de hierna vermelde kenmerken vertonen :
  - de schuldbewijzen met een looptijd van meer dan 1 jaar, die in opeenvolgende tranches worden uitgegeven, indien het actuariële rendement van een tranche meer dan 0,75 punten hoger is dan het actuariële rendement bij de oorspronkelijke uitgifte tot aan de vervaldag van terugbetaling;
  - de schuldbewijzen die op verzoek van de belegger vervroegd terugbetaalbaar zijn indien, bij uitoefening van dat recht, het actuarieel rendement meer dan 0,75 punten hoger is dan het actuarieel rendement bij uitgifte tot aan de eindvervaldag;
  - de schuldbewijzen, bedoeld in artikel 9 met een looptijd van meer dan 5 jaar, tenzij de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde een afwijking verleent.
  § 4. [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2013-07-01/09, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 19-08-2013>

  Art. 3.Overeenkomstig artikel 16, 1° van de wet, wordt voor de toepassing van de wet afgezien van de inning van de roerende voorheffing op de inkomsten van ([1 in artikel 2, §§ 1, 2 en 3, 1° bedoelde effecten]1) en op de inkomsten bekomen naar aanleiding van transacties ermede. <KB 1995-01-23/33, art. 2, 1°, 002; Inwerkingtreding : 07-02-1995>
  [1 ...]1
  Voor de (in artikel 2, § 3, 2° bedoelde effecten [1 ...]1) wordt, voor de toepassing van de wet, enkel afgezien van de inning van de roerende voorheffing op de inkomsten van de effecten en op de inkomsten bekomen naar aanleiding van transacties ermede mits de bedoelde effecten uitgegeven worden in de vorm van gedematerialiseerde effecten (of van verzameleffecten aan toonder naar Belgisch of buitenlands recht) en zij uitsluitend vertegenwoordigd worden door boekingen op een in artikel 1, 5° van de wet bedoelde rekening en zonder toepassing van de bepalingen van artikel 3, eerste lid, 2° en artikel 5 van de wet. <KB 1995-01-23/33, art. 2, 3°, 002; Inwerkingtreding : 07-02-1995> <KB 1996-05-07/46, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 14-05-1996>
  ----------
  (1)<KB 2018-09-05/06, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 14-09-2018>

  Art. 3bis.<Ingevoegd bij KB 1995-01-23/33, art. 3; Inwerkingtreding : 07-02-1995> Bij toepassing van artikel 16, 6°, van de wet en in geval van toepassing van artikel 6bis, mogen de in België gevestigde instellingen die rekeningen bijhouden slechts effecten (...) boeken op rekeningen bedoeld in artikel 1, 6°, van de wet, mits deze effecten worden aangehouden in een vereffeningsstelsel door bemiddeling van [1 een centrale effectenbewaarinstelling zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, 1) van de Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012]1 en op voorwaarde dat : <KB 1996-05-07/46, art. 3, 1°, 004; Inwerkingtreding : 14-05-1996>
  1° (...), deze instellingen die rekeningen bijhouden het totale bedrag mededelen aan de beheerder van de inkomsten die op de vervaldag toegekend of betaalbaar gesteld zijn aan de titularissen van dergelijke rekeningen en zij op dezelfde dag aan de beheerder de roerende voorheffing verschuldigd op deze inkomsten storten; <KB 1996-05-07/46, art. 3, 2°, 004; Inwerkingtreding : 14-05-1996>
  2° indien het effecten betreft, bedoeld in artikel 2, §§ 1 en 2, deze instellingen die rekeningen bijhouden dagelijks aan de beheerder de transacties mededelen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van de wet, en op dezelfde dag aan de beheerder de roerende voorheffing storten verschuldigd overeenkomstig artikel 4, 1°, van de wet.
  ----------
  (1)<KB 2017-05-31/07, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 26-06-2017>

  Art. 3quater. <Ingevoegd bij KB 1996-05-07/46, art. 4; Inwerkingtreding : 14-05-1996> Bij toepassing van artikel 6bis, dient elke transactie, bedoed in artikel 3, lid 1, 2° van de wet, te worden verricht door bemiddeling van een in België gevestigde instelling die rekeningen bijhoudt, deze stort dezelfde dag, aan de beheerder, de roerende voorheffing verschuldig overeenkomstig artikel 5, 1° van de wet.

  Art. 4. De categorieën personen waarvoor overeenkomstig artikel 16, 1° van de wet wordt afgezien van de inning van de roerende voorheffing zijn :
  1° de binnenlandse vennootschappen, (bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; <KB 2007-12-20/37, art. 20, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  2° onverminderd de toepassing van artikel 262, 1° en 5° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de instellingen, verenigingen of vennootschappen, bedoeld in artikel 2, § 3 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, andere dan deze bedoeld onder 1° en 3°;
  3° de parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen bedoeld in artikel 105, 2° KB/WIB 92;
  4° de spaarders niet-inwoners bedoeld in artikel 105, 5° van hetzelfde besluit;
  5° de beleggingsfondsen bedoeld in artikel 115 van hetzelfde besluit;
  6° de belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die de inkomstgevende kapitalen hebben aangewend voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid in België en onderworpen zijn aan de belasting van de niet-inwoners overeenkomstig artikel 233 van hetzelfde Wetboek;
  7° de Belgische Staat, voor zijn beleggingen die van de roerende voorheffing zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 265 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992;
  8° de instellingen voor collectieve belegging naar buitenlands recht die een onverdeeld vermogen zijn dat een beheersvennootschap beheert voor rekening van de deelnemers, wanneer hun rechten van deelneming niet openbaar in België worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld.
  (9° de binnenlandse vennootschappen, die niet bedoeld worden in 1°, waarvan de activiteit uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat in het verlenen van kredieten en leningen.) <KB 1995-01-23/33, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 07-02-1995>
  10° (uitsluitend wat betreft de inkomsten op effecten uitgegeven door rechtspersonen die deel uitmaken van de sector overheid in de zin van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR), voor de toepassing van de Verordening (EG) nr. 3605/93 van de Raad van 22 november 1993 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten, de rechtspersonen die deel uitmaken van de vermelde sector overheid;) <MB 2005-01-09/32, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 20-01-2005 ; zie ook art. 3>
  Binnen het vereffeningsstelsel houden de bovenvermelde categorieën van instellingen en personen hun eigen effecten uitsluitend aan op vrijgestelde rekeningen, bedoeld in artikel 1, 5° van de wet, ongeacht of de rekeningen in België of in het buitenland worden aangehouden.

  Art. 5.Bij de opening van een vrijgestelde rekening dient de houder aan de instelling die de rekeningen bijhoudt een attest af te leveren dat toelaat de houder of de verkrijgers van de inkomsten te identificeren, overeenkomstig de door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde vastgestelde wijze en vast te stellen dat deze behoren tot één der in artikel 4 opgesomde categorieën van personen die aanspraak kunnen maken op vrijstelling van de roerende voorheffing.
  Dit attest moet door de instelling die de rekeningen bijhoudt worden bewaard en ter beschikking van de [1 administratie bevoegd voor de vestiging of de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen]1 worden gehouden. De in het buitenland gevestigde instellingen die rekeningen bijhouden maken die attesten over hetzij aan de beheerder, hetzij aan hun Belgische deelnemer, die het attest ter beschikking houden van de voormelde Administratie.
  De houder van een vrijgestelde rekening deelt onmiddellijk elke wijziging van de op het attest vermelde gegevens mede aan de instelling die de rekeningen bijhoudt. De in het buitenland gevestigde instellingen die rekeningen bijhouden delen die wijzigingen onmiddellijk mede aan de beheerder of aan de Belgische deelnemer, naargelang het geval.
  Instellingen die de rekeningen bijhouden mogen geen dergelijke rekening openen indien zij niet in het bezit zijn van bovenvermeld attest.
  ----------
  (1)<KB 2013-07-01/09, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 19-08-2013>

  Art. 6.(§ 1.) De instellingen die de rekeningen bijhouden sturen, ten laatste op 15 januari van ieder jaar, naar de beheerder een nominatieve opgave van alle personen en instellingen die tijdens het voorbije kalenderjaar houders waren van één of verscheidene vrijgestelde rekeningen.
  De beheerder houdt deze opgaven ter beschikking van de [1 administratie bevoegd voor de vestiging of de inning en de invordering van de inkomstenbelastinge]1. <KB 1996-12-11/30, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 14-12-1996>
  (§ 2. De rekeninghouders sturen, ten laatste op 15 januari van ieder jaar, naar de beheerder een nominatieve opgave van alle in artikel 4, eerste lid, 3° en 10°, bedoelde personen die, op 31 december van het voorgaande jaar, houders zijn van een effectenrekening bij een vereffeningsstelsel alsmede, voor ieder van hen, van het nominaal bedrag van de in het voormelde artikel 4, 10°, bedoelde roerende waarden die zij op die rekening aanhouden.) <KB 1996-12-11/30, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 14-12-1996>
  ----------
  (1)<KB 2013-07-01/09, art. 3, 013; Inwerkingtreding : 19-08-2013>

  Art. 6bis.[1 De artikelen 5 en 6 zijn niet van toepassing op de centrale effectenbewaarinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, 1) van de Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012, die handelen in de hoedanigheid van deelnemer aan een vereffeningsstelsel evenals hun in het buitenland gevestigde onderdeelnemers, op voorwaarde dat deze instellingen uitsluitend rekeningen bijhouden bedoeld in artikel 1, 5° van de wet en zij in staat zijn de titularis van de rekening te identificeren.
   De toepassing van het eerste lid is onderworpen aan de voorwaarde dat in de contracten die werden gesloten door de deelnemers die handelen als centrale effectenbewaarinstellingen en door de in het eerste lid bedoelde onderdeelnemers de verbintenis is opgenomen dat al hun klanten, titularis van een rekening, opgenomen zijn in het toepassingsgebied van artikel 4.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-05-31/07, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 26-06-2017>

  Art. 7. Bij toepassing van artikel 16, 3° van de wet mogen de deelnemers, per waarde en per dag de gegevens, bedoeld in artikel 3 van de wet, op geglobaliseerde wijze mededelen aan de beheerder.

  Art. 8. <KB 1998-09-06/35, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 27-10-1998> Met uitzondering van de effecten, toegelaten in een stelsel vóór 1 januari 1999, moet de berekeningswijze van de inkomsten bij de toekenning of de betaalbaarstelling ervan, dezelfde zijn als deze voor de gelopen inkomsten.
  Het bedrag van de op de valutadag van een effectentransactie gelopen inkomsten waarop de roerende voorheffing is verschuldigd of waarop de vergoeding, gelijk aan de roerende voorheffing wordt betaald, wordt berekend overeenkomstig de op één van de hierna volgende berekeningsmethoden, van kracht zijnde op de valutadag :
  1° inzake obligaties die aan een effectenbeurs of op een andere gereglementeerde markt worden genoteerd "interest te vergoeden" : overeenkomstig de regels van toepassing op die markt, zelfs indien de transacties werden afgesloten buiten de beurs of buiten de gereglementeerde markt;
  2° inzake obligaties die aan een effectenbeurs of op een andere gereglementeerde markt worden genoteerd "interest inbegrepen" : overeenkomstig de beursregels toepasselijk voor de lineaire obligaties;
  3° inzake nog niet aan een beurs genoteerde lineaire obligaties : overeenkomstig de regels van het uitgiftebesluit voor het berekenen van de door de inschrijver verschuldigde opgelopen interesten;
  4° inzake schatkistcertificaten met een looptijd van maximum één jaar : overeenkomstig de volgende formule :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 27.10.1998, p. 35313).
  waarin :
  r staat voor de op de valutadag van de transactie gelopen inkomsten;
  Y gelijk is aan het op de effectenrekening geboekte nominaal bedrag van de verhandelde bewijzen;
  i overeenstemt met de gewogen gemiddelde jaarlijkse rentevoet in percent van de eerste toewijzing van de betrokken schatkistcertificaten; de emittenten delen dit rendement mee aan de beheerders en aan de beleggers;
  n1 staat voor het aantal kalenderdagen tussen de valutadag van de eerste toewijzing (inbegrepen) en de vervaldag (niet inbegrepen) van de betrokken schatkistcertificaten;
  n2 staat voor het aantal kalenderdagen tussen de valutadag van de eerste toewijzing (inbegrepen) en de valutadag van de transactie (niet inbegrepen).
  n3 staat voor het aantal dagen die een jaar uitmaken, overeenkomstig de gebruiken van de betrokken munt;
  5° inzake thesauriebewijzen en depositobewijzen met een looptijd van maximum één jaar en die op discontobasis worden uitgegeven : overeenkomstig de volgende formule :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 27.10.1998, p. 35314).
  waarin :
  r staat voor de op de valutadag van de transactie gelopen inkomsten;
  Y gelijk is aan het op de effectenrekening geboekte nominaal bedrag van de verhandelde bewijzen;
  i overeenstemt met het gewogen gemiddeld jaarlijks rendement in percent van de effecten op de eerste dag van de uitgifte van de betrokken bewijzen; de emittenten delen dit rendement mede aan de beheerders en aan de beleggers;
  n1 staat voor het aantal kalenderdagen tussen de valutadag van de eerste toewijzing (inbegrepen) en de vervaldag (niet inbegrepen) van de betrokken bewijzen;
  n2 staat voor het aantal kalenderdagen tussen de valutadag van de eerste toewijzing (inbegrepen) en de valutadag van de transactie (niet inbegrepen).
  n3 staat voor het aantal dagen die een jaar uitmaken, overeenkomstig de gebruiken van de betrokken munt;
  6° inzake thesauriebewijzen en depositobewijzen met periodieke interestbetalingen :
  (a) met een looptijd van maximum één jaar of met een vlottende rentevoet :
  - vanaf de inbegrepen aanvangsdatum, van de lopende renteperiode tot de niet inbegrepen valutadag van de transactie;
  - op basis van het aantal verlopen kalenderdagen en van een jaar waarvan het aantal dagen overeenstemt met de gebruiken van de betrokken munt;
  (b) met een looptijd van meer dan één jaar met vaste rentevoet : overeenkomstig de beursregels toepasselijk voor de lineaire obligaties.
  7° inzake obligaties en enigerlei andere schuldbewijzen die niet zijn genoteerd aan een effectenbeurs of op een andere gereglementeerde markt en niet bedoeld worden in bovenvermelde paragrafen; overeenkomstig de berekeningsregels omschreven in één van de bovenvermelde paragrafen, die het meest nauwkeurig het lineair rendement weergeeft.
  Voor de toepassing van lid 1 wordt de uitgifte van effecten in tranches die worden gelijkgesteld aangezien als één effectentransactie.
  Onder "gereglementeerde markt" voor de toepassing van lid 1 wordt verstaan de markt zoals gedefinieerd in artikel 1, punt 13 van de richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten.
  Op de vervaldag van de in lid 1, 4° en 5° bedoelde effecten en deze waarvan de verlopen inkomsten berekend worden overeenkomstig deze formule, worden de inkomsten berekend overeenkomstig de aldaar vermelde formule, waarbij de valutadag van de transactie de vervaldag van het effect is en n2 vervangen wordt door n1.
  De terugbetalingspremie van de in lid 1, 1° tot en met 3°, 6° en 7° bedoelde effecten wordt als een inkomen beschouwd in de zin van dit besluit.

  Art. 9.<KB 1998-09-06/35, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 27-10-1998> In afwijking van artikel 8 wordt, met betrekking tot de schuldbewijzen uitgegeven met een looptijd van meer dan één jaar, waarvan het actuariële rendement berekend van de uitgifte tot aan de eindvervaldag meer dan 0,75 punten hoger is dan de nominale rentevoet op jaarbasis evenals de schuldbewijzen waarvan de interesten worden gekapitaliseerd, het bedrag van de op de valutadag gelopen inkomsten waarop de roerende voorheffing is verschuldigd of waarop de vergoeding, gelijk aan de roerende voorheffing wordt betaald, actuarieel berekend.
  Het actuariële rendement (i) bij uitgifte wordt berekend overeenkomstig de volgende formule :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 27.10.1998, p. 35315).
  waarbij :
  E staat voor de uitgifteprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
  n staat voor het aantal coupons (n = 0 indien het een zerobon betreft);
  k staat voor het nummer van volgorde van de coupons (k = 0 indien n = 0);
  Ck staat voor het bedrag van de coupon nummer k, per eenheid van nominaal kapitaal;
  i staat voor het actuarieel jaarlijks rendement bij uitgifte percentsgewijs uitgedrukt;
  tk staat voor het tijdsinterval uitgedrukt in jaren en fracties van jaren tussen de valutadag van uitgifte en die van betaling van coupon nummer k;
  tr staat voor het tijdsinterval uitgedrukt in jaren en fracties van jaren tussen de valutadag van uitgifte en die van de eindvervaldag;
  P staat voor de terugbetalingsprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
  SIGMA staat voor het somteken.
  De op de valutadag van een effectentransactie gelopen inkomsten worden actuarieel berekend overeenkomstig de volgende formule :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 27.10.1998, p. 35315).
  waarbij :
  R staat voor de gelopen inkomsten;
  Y staat voor het nominaal bedrag van de verhandelde effecten;
  E staat voor de uitgifteprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
  i staat voor het actuariële jaarlijks rendement bij uitgifte percentsgewijs uitgedrukt;
  n staat voor het aantal coupons (n = 0 indien het een zerobon betreft);
  k staat voor het nummer van volgorde van de coupons (k = 0 indien n = 0);
  j staat voor het nummer van volgorde van de volgende coupon die vervalt;
  Ck staat voor het bedrag van de coupon nummer k per eenheid van nominaal kapitaal;
  sk staat voor het tijdsinterval uitgedrukt in jaren en fracties van jaren tussen de valutadag van de transactie en die van betaling van coupon nummer k;
  sr staat voor het tijdsinterval uitgedrukt in jaren en fracties van jaren tussen de valutadag van de transactie en die van de eindvervaldag;
  P staat voor de terugbetalingsprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
  SIGMA staat voor het somteken.
  De inkomsten op de eindvervaldag van de in lid 1 bedoelde effecten worden berekend overeenkomstig de volgende formule :
  R = (e + Cn + r). Y,
  waarbij :
  R staat voor de gelopen inkomsten;
  e staat voor het verschil tussen het pari en de uitgifteprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
  Cn staat voor het bedrag van de laatste coupon per eenheid van nominaal kapitaal;
  r staat voor het verschil tussen de terugbetalingsprijs per eenheid van nominaal kapitaal en het pari;
  Y staat voor het nominaal bedrag van de terugbetaalde effecten;
  In de zin van dit artikel dient onder "jaren" het aantal volledige jaren verstaan te worden tussen de valutadag van de transactie (inbegrepen) en de vervaldag van de betreffende coupon of, naargelang het geval, de eindvervaldag (niet inbegrepen).
  Onder "fracties van jaren" dient een breuk verstaan te worden waarbij de teller het aantal kalenderdagen is tussen de valutadag van de transactie (inbegrepen) en de datum (D) die verkregen wordt door het bovenvermelde aantal volledige jaren af te trekken van de vervaldag van de betreffende coupon of, naargelang het geval, van de eindvervaldag (niet inbegrepen) en de noemer staat voor het aantal kalenderdagen tussen D (inbegrepen) en D min één jaar (niet inbegrepen) hetzij 365 of 366 dagen.
  [1 Het forfaitaire bedrag van de interesten bedoeld in de artikelen 17 en 19 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, inbegrepen in de faciale waarde van de lineaire obligatie uitgegeven door de Belgische Staat en belastbaar in hoofde van elke houder pro rata de periode van het aanhouden van de mantel, wordt bepaald door middel van het lineair geïnterpoleerde rendement van de effecten die recht geven op interestbetalingen op de dag waarop de verhandeling van de mantel en het recht op iedere interestbetaling als zelfstandige gedematerialiseerde effecten gemachtigd werd.
   Indien het niet mogelijk is om een lineair geïnterpoleerd rendement te berekenen, gebeurt de berekening van het rendement door extrapolatie op basis van de voormelde effecten met de dichtstbijzijnde looptijd.
   Dit rendement wordt afgerond tot op 5 basispunten voor rendementen eindigend op 3 tot en met 7 basispunten, en tot op 0 basispunten voor rendementen eindigend op 8,9,0,1 en 2 basispunten.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-11-24/09, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 11-01-2010>

  Art. 9/1. [1 In afwijking van de artikelen 8 en 9, en wat de effecten betreft waarvan de inkomsten niet bepaalbaar zijn op het ogenblik van de uitgifte of in het begin van de intrestperiode, wordt het bedrag van de gelopen rente op de valutadag van de transactie met vastrentende effecten, waarop de roerende voorheffing is verschuldigd of waarop de vergoeding, gelijk aan de roerende voorheffing wordt betaald, bepaald aan de hand van de formule van berekening van de interesten die is vastgesteld bij de uitgifte, rekening gehouden met de op de valutadag van de transactie vastgestelde waarde van de in deze formule bepaalde parameters, mits de beheerder van het systeem deze formule op operationeel gebied goedkeurt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-07-01/09, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 10.De Minister van Financiën of zijn afgevaardigde bepaalt naar analogie met in de artikelen [2 8, 9 en 9/1]2 vastgestelde regels, de berekeningswijze van de inkomsten van de effecten, waarvan de kenmerken niet beantwoorden aan deze van de in artikel [2 8, 9 en 9/1]2 geviseerde gevallen.
  Het Secretariaat voor Roerende Waarden geeft een ISIN-code aan elke waarde die wordt bijgehouden bij een vereffeningsstelsel en maakt de berekeningswijze van de roerende inkomsten bekend aan de beheerders.
  [1 De door de Belgische Staat uitgegeven lineaire obligaties die zijn aangeduid in uitvoering van artikel 11, tweede lid, van de wet en hun rendementen berekend in uitvoering van artikel 9, zevende, achtste en negende lid, zijn in bijlage I gevoegd.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-11-24/09, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 11-01-2010>
  (2)<KB 2013-07-01/09, art. 5, 013; Inwerkingtreding : 19-08-2013>

  Art. 11.<KB 1998-11-26/39, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1999> Wanneer het bedrag van de inkomsten is bepaald in een munt van een land dat de euro niet heeft aangenomen overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie, wordt het in euro omgezet op grond van de indicatieve wisselkoers van deze munt die gepubliceerd wordt door de Europese Centrale Bank of de Nationale Bank van België, op [1 de bankwerkdag]1 voorafgaand aan, naargelang het geval, de valutadag of de vervaldag, overeenkomstig artikel 212, § 2, van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten.
  [1 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bankwerkdag verstaan een werkdag van het effectenvereffeningsstelsel van de Nationale Bank van België.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-09-19/01, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 12.De volgende transacties mogen niet worden verricht met effecten die op een niet-vrijgestelde rekening zijn geboekt :
  1° de uitlening van effecten;
  2° de cessie-retrocessie;
  3° de effectenswap;
  4° de effectenruil;
  [1 5° de terugtrekking van effecten, tenzij deze terugtrekking aanleiding geeft tot een beweging van deze niet-vrijgestelde rekening, als gevolg van een overschrijving naar een vrijgestelde rekening.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-09-05/06, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 14-09-2018>

  Art. 13. Bij toepassing van artikel 16, 8° van de wet is de roerende voorheffing niet verschuldigd indien het deposito op een vrijgestelde rekening :
  1° (een nominatieve obligatie, kasbon of andere soortelijke effecten betreft, of het gevolg is van een conversie van voornoemde effecten in een obligatie aan toonder of een gedematerialiseerde obligatie, indien de in het register van de nominatieve obligaties ingeschreven houder op het ogenblik van het deposito voldeed aan alle voorwaarden om voor de betrokken effecten volledige vrijstelling van roerende voorheffing te genieten;) <KB 2007-04-26/88, art. 21, 009; Inwerkingtreding : 09-07-2007>
  2° obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten aan toonder betreft die sedert de uitgifte of de laatste intrestenvervaldag tot op de dag van de boeking op de vrijgestelde rekening, in openbewaring waren bij een kredietinstelling of een beursvennootschap en de bewaargever voldeed aan alle voorwaarden om voor de betrokken schuldbewijzen volledige vrijstelling van roerende voorheffing te genieten.
  De emittent die het register van de nominatieve obligaties bijhoudt of de kredietinstelling of de beursvennootschap bij wie de effecten in openbewaring waren, geven aan de beheerder van het vereffeningsstelsel een attest af waaruit blijkt dat aan al de voorwaarden van vrijstelling van de roerende voorheffing was voldaan.

  Art. 14.Bij toepassing van artikel 16, 8° van de wet is geen vergoeding, gelijk aan de roerende voorheffing op de gelopen inkomsten verschuldigd in het geval van de terugtrekking van de effecten, bedoeld in artikel 5, 2° van de wet, indien op de vervaldag van het inkomen de in artikel 8 van de wet bedoelde schuldenaar in gebreke blijft.
  Bij toepassing van artikel 16, 8° van de wet kan de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde de onmiddellijke betaling van de vergoeding, gelijk aan de roerende voorheffing, bedoeld in artikel 4, 2° van de wet doen uitstellen tot op het ogenblik van de effectieve toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten in de hierna vermelde gevallen :
  - faillissement van de emittent;
  - aanvraag van [1 gerechtelijke reorganisatie, door een minnelijk akkoord, door een collectief akkoord of door overdracht onder gerechtelijk gezag]1;
  - aanvraag van uitstel van betaling;
  - in vereffeningstelling;
  - de wijziging van de economische of financiële toestand van de emittent, die van aard is de solvabiliteit in gevaar te kunnen brengen, zoals maatregelen van beslag (bewarend of uitvoerend), vervolging, wanprestatie, en op algemene wijze, elke andere gebeurtenis die van aard is het vertrouwen in de emittent in gevaar te brengen,
  zonder dat dergelijk uitstel een recht op enigerlei schadevergoeding kan meebrengen.
  De emittent wordt door de beheerder op de hoogte gesteld van de beslissing tot uitstel.
  Het staat de partijen bij een transactie vrij om in het geval van de toepassing van onderhavig artikel onderling een vergoeding te voorzien met betrekking tot de bedoelde niet ontvangen vergoeding. Bij het ontbreken van dergelijke regeling tussen de partijen kan het reglement van het vereffeningsstelsel een vergoedingsregeling vaststellen.
  ----------
  (1)<KB 2010-12-19/15, art. 58, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2011>

  Art. 15.
  <Opgeheven bij KB 2019-04-22/13, art. 8, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 16.§ 1. Ter gelegenheid van de toekenning of de betaalbaarstelling van de inkomsten :
  1° levert de beheerder aan de schuldenaar van de inkomsten of, indien het gaat om inkomsten van buitenlandse oorsprong, aan de eerste in België gevestigde tussenpersoon, een attest af waarin hij het bedrag van de inkomsten bevestigt dat hem moet betaald worden zonder inning van de roerende voorheffing overeenkomstig artikel 8, lid 1 van de wet;
  2° levert de Rijkskassier aan de beheerder(s) een attest af waarin hij het bedrag van de roerende voorheffing vermeldt dat geïnd is door de beheerder(s) ten voordele van de Schatkist overeenkomstig artikel 4, eerste lid, 1°, 5, 1° en 8 lid 2 van de wet evenals de bedragen die vergoed werden ten laste van laatstgenoemde overeenkomstig de artikelen 4, eerste lid, 2° en 5, 2° van de wet;
  3° de instellingen die rekeningen bijhouden leveren aan de beheerder(s) een nominatieve opgave af van de personen of instellingen, die vergoeding krijgen, bedoeld in artikel 5, 2° van de wet evenals, voor elk van hen en per waarde het (de) vergoede bedrag(en).
  (4° ingeval van toepassing van artikel 6bis, verstrekken [1 de centrale effectenbewaarinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, 1) van de Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012]1, aan de beheerder(s) een nominatieve opgave van hun onderdeelnemers gevestigd in België, aan wie inkomsten werden betaald, evenals voor elk van hen het totale bedrag van de inkomsten dat hen werd toegekend.) <KB 1995-01-23/33, art. 8 ,1°, 002; Inwerkingtreding : 07-02-1995>
  § 2. De schuldenaar van de inkomsten of indien het gaat om inkomsten van buitenlandse oorsprong, de eerste in België gevestigde tussenpersoon :
  1° stort aan de ontvanger der directe belastingen bedoeld in artikel 84 van het KB/WIB 92 de roerende voorheffing verschuldigd op de inkomsten die hij toekent of betaalbaar stelt, onder aftrek van de inkomsten die mogen betaald worden zonder inning van de roerende voorheffing overeenkomstig artikel 8, lid 1 van de wet;
  2° voegt, ter staving van de aangifte van de inkomsten bedoeld in artikel 85 van hetzelfde besluit, een copie bij van de attesten afgeleverd door de beheerder(s) overeenkomstig § 1, 1°.
  § 3. Voor de inkomsten die hij betaalt, is de beheerder gehouden binnen de 15 dagen na de toekenning of de betaalbaarstelling ervan, de aangifte van de inkomsten bedoeld in artikel 85 van hetzelfde besluit neer te leggen bij de ontvanger der directe belastingen bedoeld in artikel 84 van hetzelfde besluit.
  De beheerder voegt ter staving van de aangifte van de in lid 1 bedoelde inkomsten :
  1° het attest afgeleverd door de Rijkskassier evenals de opgaven afgeleverd door de instellingen die rekeningen bijhouden (overeenkomstig § 1, 2° tot 4°); <KB 1995-01-23/33, art. 8, 2°, 002; Inwerkingtreding : 07-02-1995>
  2° een opgave die vermeldt :
  a) de identiteit van de schuldenaar van de inkomsten of indien het gaat om inkomsten van buitenlandse oorsprong, van de eerste tussenpersoon gevestigd in België;
  b) het totale bedrag van de bruto ontvangen inkomsten;
  c) de identiteit van de instellingen die rekeningen bijhouden aan wie inkomsten zijn toegekend of betaalbaar evenals voor elk van hen :
  - het volledige bedrag van de bruto betaalde inkomsten;
  - het bedrag van de bruto inkomsten betaald voor eigen rekening;
  - het totale bedrag van de inkomsten voor rekening van derden met vrijstelling van roerende voorheffing;
  - het totale bedrag vergoed tengevolge van het terugtrekken van de effecten van vrijgestelde rekeningen;
  - het bedrag van de roerende voorheffing geïnd naar aanleiding van de neerleggingen van effecten op vrijgestelde rekeningen;
  - het bedrag van de niet verschuldigde roerende voorheffing tengevolge van de neerleggingen van effecten op de vrijgestelde rekeningen overeenkomstig artikel 13;
  3° een copie van de attesten afgeleverd overeenkomstig artikel 13, lid 2 door de emittent die het register van de nominatieve obligaties bijhoudt of de kredietinstelling of beursvennootschap bij wie de effecten in bewaring waren gegeven.
  ----------
  (1)<KB 2017-05-31/07, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 26-06-2017>

  Art. 17.De Nationale Bank van België en de in België gevestigde kredietinstellingen die het door hen beheerde vereffeningsstelsel willen laten erkennen overeenkomstig artikel 15 van de wet dienen daartoe een aanvraag in bij [1 de Algemene Administratie van de Thesaurie]1.
  Bij de aanvraag om een erkenning wordt een dossier gevoegd dat inzonderheid de volgende stukken bevat :
  1° de identificatie van de instelling, van haar leidinggevende personen en van de aangestelden die belast zijn met de leiding van het beheer van het vereffeningsstelsel;
  2° de functioneringsregels van het vereffeningsstelsel.
  De Minister van Financiën kan de personen die de aanvraag hebben ingediend verzoeken om mededeling van alle andere informatie die hij noodzakelijk acht om de aanvraag te kunnen beoordelen in het licht van de voorschriften van de wet en van dit besluit.
  De erkenning door de Koning wordt verleend en gehandhaafd op voorwaarde dat de beheerder de voorwaarden vervult en de verplichtingen naleeft die zijn voorgeschreven door de wet, dit besluit en de tot uitvoering van dit besluit vastgestelde regels.
  De weigering om een erkenning te verlenen wordt door de Minister van Financiën gemotiveerd en bij een ter post aangetekende brief of een brief tegen ontvangstbewijs medegedeeld aan de aanvrager.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-19/07, art. 13, 015; Inwerkingtreding : 03-01-2016>

  Art. 18. De inschrijvingen op naam bij de dienst van de grootboeken van de Staatsschuld mogen door deze dienst enkel worden aangehouden bij het vereffeningsstelsel van de Nationale Bank van België op vrijgestelde of niet-vrijgestelde rekeningen, die beheerst worden door onderhavig besluit.
  De dienst van de grootboeken treedt op als deelnemer voor de neerlegging of terugtrekking van effecten en voor het uitvoeren van de overboekingen binnen het vereffeningsstelsel. Voor deze toepassing wordt het geheel van de inschrijvingen op naam van eenzelfde titularis binnen een grootboek beschouwd als een rekening binnen het stelsel.

  Art. 19. 1° Het Koninklijk besluit van 25 januari 1991 betreffende de vrijstelling van de roerende voorheffing met betrekking tot inkomsten van gedematerialiseerde effecten van de Staatsschuld, van transacties in die effecten en van effecten van leningen van de Belgische Staat, genaamd " lineaire obligaties " wordt afgeschaft naargelang de gedematerialiseerde effecten van de Staatsschuld worden toegelaten in het vereffeningsstelsel van de Nationale Bank van België, bedoeld in artikel 15 van de wet.
  De datum van die toelating wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
  Bij toepassing van artikel 16, 8° van de wet worden de inschrijvingen op naam in een grootboek van lineaire obligaties op naam van in artikel 4, eerste lid, 2° bedoelde personen, geboekt op een niet-vrijgestelde rekening bedoeld in artikel 1, 6° van de wet, indien de titularis de toepassing heeft verkregen van de bepalingen van artikel 3, lid 3 of 5 van het afgeschafte Koninklijk besluit van 25 januari 1991 en daarnaast er sedertdien geen intresten vervallen zijn voor de bedoelde inschrijvingen.
  Bij de eerstvolgende intrestenvervaldag worden de bedoelde inschrijvingen omgezet in vrijgestelde rekeningen, bedoeld in artikel 1, 5° van de wet.
  2° Het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 betreffende de vrijstelling van de roerende voorheffing met betrekking tot inkomsten van gedematerialiseerde thesauriebewijzen en gedematerialiseerde depositobewijzen en van transacties in die effecten is niet van toepassing op de gedematerialiseerde thesauriebewijzen en gedematerialiseerde depositobewijzen die geboekt zijn in een in artikel 15 van de wet bedoeld vereffeningsstelsel.
  3° Artikel 119, § 2 van het KB/WIB 92 wordt afgeschaft voor elke lening op de eerstvolgende interestenvervaldag die samenvalt met of volgt op de eerste dag van de deelneming van de dienst van de grootboeken aan haar vereffeningsstelsel.

  Art. 20. Bij toepassing van artikel 16, 8° van de wet en niettegenstaande artikel 4, lid 2, worden de inschrijvingen op naam in de grootboeken van de Staatsschuld waarvan de eerstvolgende te vervallen interesten een afhouding van roerende voorheffing moeten ondergaan, de dag waarop de dienst van de grootboeken als deelnemer optreedt van haar vereffeningsstelsel, aangehouden op een niet-vrijgestelde rekening, bedoeld in artikel 1, 6° van de wet, indien de titularissen personen zijn, bedoeld in artikel 4, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° en 8°.
  Deze inschrijvingen worden geboekt op vrijgestelde rekeningen, bedoeld in artikel 1, 5° van de wet op de eerstvolgende interestenvervaldag die samenvalt met of volgt op de eerste dag van de deelneming van de bedoelde dienst aan haar vereffeningsstelsel.
  Dezelfde inschrijvingen, waarvan personen bedoeld in artikel 4, 4° de houder zijn, worden niettegenstaande artikel 18, buiten het vereffeningsstelsel gehouden tot de eerstvolgende intrestenvervaldag die samenvalt met of volgt op de eerste dag van de deelneming van dezelfde dienst aan haar vereffeningsstelsel.

  Art. 21. Bij toepassing van artikel 16, 8° van de wet mogen de titularissen van inschrijvingen op naam bedoeld in artikel 19, 1°, lid 3 en artikel 20, leden 1 en 3, deze onmiddellijk laten boeken op een vrijgestelde rekening bedoeld in artikel 1, 5° van de wet mits betaling van een vergoeding gelijk aan de roerende voorheffing op de gelopen interesten tot de dag van aanvraag van omzetting naar een dergelijke rekening overeenkomstig artikel 5, 1° van de wet.
  Voor de toepassing van artikel 119, § 2 van het KB/WIB 92 wordt de neerlegging op een vrijgestelde rekening bedoeld in artikel 1, 5° van de wet door personen bedoeld in artikel 4, 4° gelijkgesteld met een verkoop.

  Art. 22. De artikelen 8, 9, 10, 32 en 39 van het Koninklijk besluit van 27 maart 1992 betreffende de uitgifte van de lineaire obligaties, gecoördineerd bij het Koninklijk besluit van 9 november 1992 worden afgeschaft naargelang de lineaire obligaties worden opgenomen in het vereffeningsstelsel van de Nationale Bank van België, bedoeld in artikel 15 van de wet.

  Art. 23. Hoofdstuk I van de wet en onderhavig besluit treden in werking naargelang de opneming van de bedoelde effecten in een vereffeningsstelsel, bedoeld in artikel 1, 1° van de wet (met uitsluiting van artikel 17 van de wet dat op 13 juni 1994 in werking treedt). <KB 1998-09-06/35, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 27-10-1998>

  Art. 24. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGE

  Art. N.[1 - Forfaitair rendement van de mantels van bepaalde lineaire obligaties uitgegeven door de Belgische Staat
  

  
MantelsEindvervaldagDatum van machtigingBerekend rendementToe te passen rendement
  
BE000818032628/09/201428/01/20044,424,40
  
BE000819042428/03/203519/05/20045,355,35
  
BE000820052028/03/201019/01/20053,013,00
  
BE000821062828/09/201516/03/20053,893,90
  
BE000822072628/09/201624/01/20063,493,50
  
BE000823082428/03/202224/05/20064,184,20
  
BE000824092228/03/201723/01/20074,074,05
  
BE000825005328/03/201302/05/20074,194,20
  
BE000826015128/03/201829/01/20084,294,30
  
BE000827025928/03/201128/02/20083,503,50
  
BE000828035728/03/201424/04/20084,244,25
  
BE000829045528/03/201921/01/20094,374,35
  
BE000830055128/03/201524/03/20093,623,60


  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-11-24/09, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 11-01-2010>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 26 mei 1994.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
Ph. MAYSTADT

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten, inzonderheid op artikel 16;
   Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni en 4 juli 1989;
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
   Overwegende :
   - dat dit besluit van toepassing kan zijn op de sedert de vorige interestvervaldag gelopen inkomsten;
   - dat het ten spoedigste ter kennis moet worden gebracht aan de instellingen, die de erkenning als vereffeningsstelsel willen aanvragen;
   - dat dit besluit bijgevolg dringend moet worden getroffen;
   Op de voordracht van Onze Minister van Financiën,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-04-2019 GEPUBL. OP 07-05-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 15)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-09-2018 GEPUBL. OP 14-09-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 12)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-05-2017 GEPUBL. OP 16-06-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 3bis; 6bis; 16)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-11-2015 GEPUBL. OP 24-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 17)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-09-2014 GEPUBL. OP 25-09-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 11)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-07-2013 GEPUBL. OP 09-08-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 5; 6; 9/1; 10)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-12-2010 GEPUBL. OP 24-01-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-11-2009 GEPUBL. OP 11-01-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 9; 10; N)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-12-2007 GEPUBL. OP 09-01-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 4)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-04-2007 GEPUBL. OP 09-07-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 13)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-01-2005 GEPUBL. OP 19-01-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 4)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-11-1998 GEPUBL. OP 01-12-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 11)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-09-1998 GEPUBL. OP 27-10-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 8; 9; 23)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-1996 GEPUBL. OP 14-12-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 4; 6)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-05-1996 GEPUBL. OP 14-05-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 3QUA; 6BIS)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-12-1995 GEPUBL. OP 23-12-1995
    (GEWIJZIGD ART. : 4)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-01-1995 GEPUBL. OP 07-02-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3BIS; 4; 6BIS; 9; 11; 16)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 63 uitvoeringbesluiten 17 gearchiveerde versies
    Franstalige versie