J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 4 gearchiveerde versies
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2001/08/10/2001003402/justel

Titel
10 AUGUSTUS 2001. - Wet houdende hervorming van de personenbelasting
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-09-2001 en tekstbijwerking tot 31-12-2009)

Bron : FINANCIEN
Publicatie : 20-09-2001 nummer :   2001003402 bladzijde : 31516       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2001-08-10/63
Inwerkingtreding :
01-01-2002 (ART. 11A)     (ART. 12A)     (ART. 14)     (ART. 17)     (ART. 19A)     (ART. 25A)     (ART. 28)     (ART. 29)     (ART. 31,1$)     (ART. 47)     (ART. 51,1$)     (ART. 6)     (ART. 8)     (ART. 9)     (Art.53)     (Art.57)     (Art.62)
01-01-2003 (Art.22A)     (Art.7A)
01-01-2004 (Art.22B)     (Art.23A)     (Art.33A)     (Art.49B)
01-01-2005 (Art. 57B)     (Art.10-Art.11)     (Art.12B)     (Art.13)     (Art.15-Art.16)     (Art.18)     (Art.19B)     (Art.19C)     (Art.2-Art.5)     (Art.20-Art.21)     (Art.22C)     (Art.23B)     (Art.24)     (Art.25C)     (Art.26B)     (Art.27)     (Art.32)     (Art.33B)     (Art.34-Art.46)     (Art.48)     (Art.49C)     (Art.49D)     (Art.56)     (Art.59)     (Art.60)     (Art.64)

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-65

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  Art. 2. Artikel 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt vervangen als volgt :
  "Art. 2. Voor de toepassing van dit Wetboek, van de bijzondere wetsbepalingen op het stuk van de inkomstenbelastingen en van de tot uitvoering ervan genomen besluiten hebben de volgende termen de betekenis die is bepaald in dit artikel.
  1° Rijksinwoners.
  Onder rijksinwoners worden verstaan :
  a) de natuurlijke personen die in België hun woonplaats of de zetel van hun fortuin hebben gevestigd;
  b) de Belgische diplomatieke ambtenaren en consulaire beroepsambtenaren die in het buitenland zijn geaccrediteerd, alsmede hun inwonende gezinsleden;
  c) de andere leden van Belgische diplomatieke zendingen en consulaire posten in het buitenland, alsmede hun inwonende gezinsleden, daaronder niet begrepen consulaire ereambtenaren;
  d) de andere ambtenaren, vertegenwoordigers en afgevaardigden van de Belgische Staat, van de Gemeenschappen, Gewesten, provincies, agglomeraties, federaties van gemeenten en gemeenten, of van een Belgisch publiekrechtelijk lichaam, die de Belgische nationaliteit bezitten en hun werkzaamheden buitenslands uitoefenen in een land waar zij niet duurzaam verblijf houden.
  De vestiging van de woonplaats of van de zetel van het fortuin in België wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Evenwel worden, behoudens tegenbewijs, geacht hun woonplaats of de zetel van hun fortuin in België te hebben gevestigd de natuurlijke personen die in het Rijksregister van de natuurlijke personen zijn ingeschreven.
  Voor gehuwden die zich niet in één van de in artikel 126, § 2, eerste lid, vermelde gevallen bevinden, wordt de belastingwoonplaats bepaald door de plaats waar het gezin is gevestigd.
  2° Gehuwden en echtgenoten - wettelijk samenwonenden.
  De wettelijk samenwonenden worden gelijkgesteld met gehuwden, en een wettelijk samenwonende wordt gelijkgesteld met een echtgenoot.
  3° Gemeenschappelijke aanslag.
  Onder gemeenschappelijke aanslag wordt verstaan de vestiging van één aanslag ten name van de beide echtgenoten of de beide wettelijk samenwonenden.
  4° Kinderen.
  Onder kinderen wordt verstaan de afstammelingen van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot, alsmede de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft.
  5° Vennootschappen.
  Er wordt verstaan onder :
  a) vennootschap : enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die, regelmatig is opgericht, rechtspersoonlijkheid bezit en een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard.
  Lichamen met rechtspersoonlijkheid die naar Belgisch recht zijn opgericht en voor de toepassing van de inkomstenbelastingen worden geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten, worden niet als vennootschappen aangemerkt;
  b) binnenlandse vennootschap : enigerlei vennootschap die in België haar maatschappelijke zetel, haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer heeft en niet van de vennootschapsbelasting is uitgesloten;
  c) buitenlandse vennootschap : enigerlei vennootschap die in België geen maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer heeft;
  d) financieringsvennootschap : enigerlei vennootschap die zich uitsluitend of hoofdzakelijk bezighoudt met dienstverrichtingen van financiële aard ten voordele van vennootschappen die met de dienstverrichtende vennootschap noch rechtstreeks noch onrechtstreeks een groep vormen;
  e) thesaurievennootschap : enigerlei vennootschap waarvan de werkzaamheid uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat in het verrichten van geldbeleggingen;
  f) beleggingsvennootschap : enigerlei vennootschap die het gemeenschappelijk beleggen van kapitaal tot doel heeft.
  6° Gestort kapitaal.
  Onder gestort kapitaal wordt verstaan het werkelijk gestorte maatschappelijk kapitaal zoals het geldt ter zake van de vennootschapsbelasting.
  7° Gerevaloriseerde waarde.
  Onder gerevaloriseerde waarde wordt verstaan de waarde van de goederen die worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en van het gestorte kapitaal, na herwaardering van de aanschaffings- of beleggingswaarde van die goederen of van het kapitaal met toepassing van de hierna vermelde coëfficiënten volgens het jaar waarin, naar het geval, in die goederen is belegd of het kapitaal is gestort, verminderd of terugbetaald :

  Jaren                                  Toepasselijke coefficienten
  1918 en vorige                                        16,33
  1919                                                  11,49
  1920                                                   6,15
  1921                                                   6,30
  1922                                                   6,43
  1923                                                   4,37
  1924                                                   3,89
  1925                                                   4,02
  1926                                                   2,72
  1927 tot 1934 inbegrepen                               2,35
  1935                                                   1,86
  1936 tot 1943 inbegrepen                               1,70
  1944 tot 1948 inbegrepen                               1,14
  1949                                                   1,10
  1950 en volgende                                       1,0


  8° Vastrentende effecten.
  Onder vastrentende effecten worden verstaan de obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten, met inbegrip van effecten waarvan de inkomsten worden gekapitaliseerd of van effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van inkomsten en zijn uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interest.
  Als vastrentende effecten worden eveneens aangemerkt, de contracten met betrekking tot kapitalisatieverrichtingen waarbij als tegenprestatie voor éénmalige of periodieke stortingen, verbintenissen worden aangegaan los van onzekere gebeurtenissen uit het menselijk leven, en waarvan de duur en het bedrag vervat zijn in de bedingen van het contract.
  9° De uitdrukkingen "immateriële, materiële of financiële vaste activa", "oprichtingskosten" en "voorraden en bestellingen in uitvoering" hebben de betekenis die daaraan wordt toegekend door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen.".

  Art. 3. Artikel 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 juli 1994, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 3. De rijksinwoners zijn onderworpen aan de personenbelasting.".

  Art. 4. Artikel 14 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 1994, wordt aangevuld met het volgende lid :
  "Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en de in het eerste lid vermelde aftrekken van de ene belastingplichtige groter zijn dan zijn inkomsten van onroerende goederen, wordt het saldo aangerekend op de inkomsten van de onroerende goederen van de andere belastingplichtige.".

  Art. 5. Artikel 16 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 16. § 1. Wanneer de belastingplichtige een woning betrekt waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is, wordt het kadastraal inkomen van die woning verminderd met een woningaftrek.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het kadastraal inkomen van de woning verstaan, het deel dat daarvan per belastingplichtige overblijft na de toepassing van artikel 14.
  § 2. Wanneer de belastingplichtige meer dan één woning betrekt, wordt de woningaftrek toegekend voor één enkele woning naar zijn keuze.
  De woningaftrek wordt eveneens toegekend wanneer de woning om beroepsredenen of redenen van sociale aard niet persoonlijk door de belastingplichtige wordt betrokken.
  De woningaftrek wordt niet toegekend voor het deel van de woning dat wordt gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige of van een van zijn gezinsleden of dat wordt betrokken door personen die geen deel uitmaken van zijn gezin.
  § 3. Wanneer gehuwde belastingplichtigen meer dan één woning betrekken, wordt de woningaftrek slechts toegekend voor de door de echtgenoten gekozen woning die zij beide betrekken. De aftrek mag eveneens worden toegekend voor een woning die de echtgenoten of één van hen om beroepsredenen of redenen van sociale aard niet persoonlijk betrekken.
  § 4. De woningaftrek bedraagt 3 000 EUR.
  De woningaftrek wordt verhoogd met 250 EUR voor iedere persoon die, overeenkomstig artikel 136, op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, ten laste is van de belastingplichtige. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en de woning eigendom is van beide echtgenoten samen, wordt die verhoging over hen verdeeld in verhouding tot hun deel in het kadastraal inkomen van de woning.
  Voor de vaststelling van de verhoogde woningaftrek komt het hoogste aantal kinderen dat de belastingplichtige op 1 januari van enig vorig jaar ten laste heeft gehad in aanmerking, voor zover hij nog dezelfde woning betrekt en die berekening een hogere aftrek oplevert dan uit de toepassing van het tweede lid volgt.
  § 5. Wanneer het totale netto-inkomen van de belastingplichtige niet hoger is dan 23 500 EUR wordt de overeenkomstig § 4 bepaalde woningaftrek verhoogd met de helft van het verschil tussen het kadastraal inkomen van de woning en de woningaftrek.
  Het overschrijden van de grens van 23 500 EUR mag er niet toe leiden dat de verhoging ingevolge het eerste lid wordt verminderd met meer dan de helft van het verschil tussen het totale netto-inkomen en die grens.
  § 6. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en de woningaftrek voor een van de echtgenoten groter is dan het deel dat hij heeft in het kadastraal inkomen van de woning, wordt het saldo aangerekend op het deel van het kadastraal inkomen van de andere echtgenoot, zonder dat dit deel mag worden overschreden.".

  Art. 6. Artikel 38, eerste lid, 9°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van10juli2001, wordt vervangen als volgt :
  "9° voor de werknemer wiens beroepskosten overeenkomstig artikel 51 forfaitair worden bepaald, de vergoedingen door de werkgever toegekend als terugbetaling of betaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling voor zover de werknemer die verplaatsing maakt :
  a) met het openbaar gemeenschappelijk vervoer : voor het volledige bedrag van de vergoeding;
  b) met een gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden dat door de werkgever of door een groep van werkgevers wordt georganiseerd : voor een bedrag dat maximaal gelijk is aan de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor die afstand;
  c) met een ander dan in a of b vermeld vervoermiddel : voor een maximum bedrag van 125 EUR per jaar;".

  Art. 7. A. In artikel 51, tweede lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 1994 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 december 1996 en 20 juli 2000, worden de woorden "20 pct." vervangen door de woorden "23 pct.".
  B. In hetzelfde artikel worden de woorden "23 pct." vervangen door de woorden "25 pct.".

  Art. 8. In artikel 52 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 30 maart 1994 en 20 december 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 22 december 1998, worden de woorden "in de artikelen 53 tot 66" vervangen door de woorden "in de artikelen 53 tot 66bis".

  Art. 9. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 66bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 66bis. De beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die anders dan met een in artikel 66, § 5, vermeld voertuig wordt gedaan, worden, bij gebrek aan bewijzen, forfaitair bepaald op 0,15 EUR per afgelegde kilometer zonder dat de in aanmerking genomen afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling hoger dan 25 kilometer mag zijn.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de grens van 25 kilometer verhogen.".

  Art. 10. Artikel 86, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 december 1996 en 20 juli 2000, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd ten laste van twee echtgenoten, mag een deel van de winst of de baten van de activiteit van een van hen, als meewerkinkomen worden toegekend (aan de niet in artikel 33, eerste lid, bedoelde echtgenoot) die de andere echtgenoot in het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid werkelijk helpt, voorzover de meewerkende echtgenoot uit hoofde van een afzonderlijke werkzaamheid tijdens het belastbare tijdperk zelf niet meer dan 8 700 EUR aan beroepsinkomsten heeft verkregen". <W 2002-12-24/31, art. 34, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005 (aanslagjaar 2005)>

  Art. 11. A. Artikel 87, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld als volgt :
  ", behalve wanneer daardoor de aanslag wordt verhoogd.".
  B. Hetzelfde lid wordt vervangen als volgt :
  "Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en slechts één van de echtgenoten beroepsinkomsten heeft verkregen, wordt een deel daarvan toegerekend aan de andere echtgenoot, behalve wanneer daardoor de aanslag wordt verhoogd".

  Art. 12. A. Artikel 88 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld met het volgende lid :
  "Deze bepaling wordt niet toegepast wanneer daardoor de aanslag wordt verhoogd".
  B. In hetzelfde artikel worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "Wanneer de aanslag op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd" vervangen door de woorden "Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd";
  2° in de Franse tekst van het tweede lid wordt het woord "cotisation" vervangen door "imposition".

  Art. 13. Artikel 89 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
  "Wanneer de beroepsinkomsten van een van de echtgenoten vallen onder twee of meer in artikel 23 bedoelde categorieën en een deel van die beroepsinkomsten wordt toegekend of toegerekend aan de andere echtgenoot, wordt dat deel evenredig samengesteld uit beroepsinkomsten van dezelfde categorieën.".

  Art. 14. In artikel 90, 9°, van hetzelfde Wetboek wordt, in de Nederlandstalige tekst, het woord "echtgenote" vervangen door het woord "echtgenoot".

  Art. 15. In artikel 102 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "overeenkomstig artikel 2, § 6" vervangen door de woorden "overeenkomstig artikel 2, 7°".

  Art. 16. Artikel 105 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992 en 6 juli 1994, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 105. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de aftrekken vermeld in artikel 104, 3° tot 9°, eerst evenredig aangerekend op de totale netto-inkomens van beide belastingplichtigen. De in 1° en 2° van dat artikel vermelde aftrekken worden vervolgens bij voorrang aangerekend op het totale netto-inkomen van de belastingplichtige die de uitgaven verschuldigd is en het eventuele saldo wordt op het totale netto-inkomen van de andere belastingplichtige aangerekend.".

  Art. 17. In artikel 109 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 oktober 1997 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden in de Nederlandstalige tekst de woorden "van de netto-inkomsten" vervangen door de woorden "van het totale netto-inkomen".

  Art. 18. Het opschrift van Titel II, Hoofdstuk II, Afdeling VII, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : "Afdeling VII. - Gemeenschappelijke aanslag voor echtgenoten en wettelijke samenwonenden.".

  Art. 19. A. Artikel 126 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 126. § 1. Ongeacht het huwelijksvermogensstelsel, worden de andere inkomsten dan beroepsinkomsten van echtgenoten samengevoegd met de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het meest zulke inkomsten heeft.
  § 2. De aanslag wordt op naam van beide echtgenoten gevestigd.
  § 3. Voor het jaar van ontbinding van het huwelijk of de wettelijke samenwoning door overlijden, kan de overlevende echtgenoot, in afwijking van artikel 128, eerste lid, 3°, kiezen voor een aanslag gevestigd overeenkomstig de bepalingen van § 1. In dat geval wordt de aanslag gevestigd op naam van de overlevende en de overleden echtgenoot, vertegenwoordigd door de nalatenschap.
  Wanneer beide echtgenoten zijn overleden, kan de keuze bedoeld in het eerste lid, worden gemaakt door de erfgenamen of de algemene legatarissen of begiftigden. De aanslag wordt in dat geval gevestigd op naam van de beide overleden echtgenoten, vertegenwoordigd door de nalatenschap.
  § 4. Inkomsten van kinderen worden bij de inkomsten van hun ouders gevoegd zolang de ouders het wettelijk genot daarvan hebben.".
  B. In hetzelfde artikel worden de §§ 1 en 2 vervangen als volgt :
  "§ 1. In geval van huwelijk of wettelijke samenwoning wordt een gemeenschappelijke aanslag op naam van de beide echtgenoten gevestigd. Deze gemeenschappelijke aanslag belet niet dat het belastbare inkomen van elke echtgenoot afzonderlijk wordt vastgesteld.
  § 2. In de volgende gevallen is § 1 niet van toepassing :
  1° voor het jaar van het huwelijk of de verklaring van wettelijke samenwoning;
  2° vanaf het jaar na dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, voor zover die scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt;
  3° voor het jaar van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed of van de beëindiging van de wettelijke samenwoning;
  4° wanneer een echtgenoot beroepsinkomsten heeft van meer dan 6 700 EUR die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op zijn andere inkomsten.
  Voor het jaar waarin de wettelijk samenwonenden met elkaar in het huwelijk treden, blijft § 1 echter van toepassing tenzij de verklaring van wettelijke samenwoning tijdens hetzelfde jaar is afgelegd.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, worden de twee aanslagen op naam van beide echtgenoten ingekohierd.".
  C. In § 3, eerste lid, van hetzelfde artikel vervallen de woorden", in afwijking van artikel 128, eerste lid, 3°,".

  Art. 20. Artikel 127 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 127. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt bij de vaststelling van het totale netto-inkomen van elke belastingplichtige rekening gehouden met :
  1° het deel van zijn beroepsinkomsten zoals bepaald na toepassing van de artikelen 86 tot 89;
  2° de door hem behaalde of aan hem toegekende inkomsten vermeld in artikel 90, 1° tot 4°;
  3° de niet in 1° en 2° vermelde inkomsten die eigen zijn op grond van het vermogensrecht;
  4° 50 pct. van de totaliteit van alle andere inkomsten van beide belastingplichtigen.".

  Art. 21. Artikel 128 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 4 mei 1999 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt opgeheven.

  Art. 22. Artikel 130 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt vervangen als volgt :
  A. "Art. 130. De belasting wordt bepaald op :
  25 pct. voor de inkomensschijf van 0,01 EUR tot 5 705,00 EUR;
  30 pct. voor de schijf van 5 705,00 EUR tot 7 565,00 EUR;
  40 pct. voor de schijf van 7 565,00 EUR tot 10 785,00 EUR;
  45 pct. voor de schijf van 10 785,00 EUR tot 24 800,00 EUR;
  50 pct. voor de schijf van 24 800,00 EUR tot 37 185,00 EUR;
  52 pct. voor de schijf boven 37 185,00 EUR.".
  B. "Art. 130. De belasting wordt bepaald op :
  25 pct. voor de inkomensschijf van 0,01 EUR tot 5 705,00 EUR;
  30 pct. voor de schijf van 5 705,00 EUR tot 8 120,00 EUR;
  40 pct. voor de schijf van 8 120,00 EUR tot 12 120,00 EUR;
  45 pct. voor de schijf van 12 120,00 EUR tot 24 800,00 EUR;
  50 pct. voor de schijf boven 24 800,00 EUR. ".
  C. "Art. 130. De belasting wordt bepaald op :
  25 pct. voor de inkomensschijf van 0,01 EUR tot 5 705,00 EUR;
  30 pct. voor de schijf van 5 705,00 EUR tot 8 120,00 EUR;
  40 pct. voor de schijf van 8 120,00 EUR tot 13 530,00 EUR;
  45 pct. voor de schijf van 13 530,00 EUR tot 24 800,00 EUR;
  50 pct. voor de schijf boven 24 800,00 EUR.
  Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt het belastingtarief toegepast op het belastbare inkomen van elke belastingplichtige.".

  Art. 23. A. In artikel 131, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 4 mei 1999 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt het bedrag van 3 250 EUR vervangen door het bedrag van 3.390 EUR.
  B. Hetzelfde artikel wordt vervangen als volgt :
  " Art. 131. Voor de berekening van de belasting wordt een basisbedrag van 4 095 EUR vrijgesteld van belasting.
  Dit bedrag wordt verhoogd met 870 EUR indien de belastingplichtige gehandicapt is.".

  Art. 24. In artikel 132 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1994 en 24 december 1999 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de inleidende zin van het eerste lid worden de woorden "De in artikel 131 vermelde basisbedragen worden verhoogd met de volgende toeslagen voor personen ten laste : "vervangen door de woorden" Het bedrag dat krachtens artikel 131 wordt vrijgesteld, wordt verhoogd met de volgende toeslagen voor personen ten laste :";
  2° in het tweede lid worden de woorden "en andere personen ten laste" ingevoegd tussen het woord "kinderen" en de woorden "voor twee gerekend".

  Art. 25. A. In artikel 133 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 4 mei 1999 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt § 2 opgeheven.
  B. (In § 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) het 1° wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " 1° 870 EUR voor een belastingplichtige die alleen wordt belast en die één of meer kinderen ten laste heeft; ";
  b) in het 4° wordt het bedrag "1.500 EUR" vervangen door het bedrag "1.800 EUR".) <W 2002-06-21/31, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 30-07-2002>
  C. Hetzelfde artikel wordt vervangen als volgt :
  "Art. 133. Het bedrag dat krachtens artikel 131 wordt vrijgesteld, wordt bovendien met de volgende toeslagen verhoogd :
  1° 870 EUR voor een belastingplichtige die alleen wordt belast en die één of meer kinderen ten laste heeft;
  2° 870 EUR wanneer voor het jaar van huwelijk of verklaring van de wettelijke samenwoning een aanslag per belastingplichtige wordt gevestigd en voor zover de echtgenoot tijdens het jaar geen bestaansmiddelen heeft gehad die meer dan (1.800 EUR) netto bedragen". <W 2002-06-21/31, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 30-07-2002>

  Art. 26. A. Artikel 134 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 4 mei 1999 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 134. § 1. Het in artikel 131, 2°, vermelde basisbedrag wordt aangerekend op datgene van de in artikel 127, vermelde inkomensdelen dat bestaat uit de inkomsten van de betrokken echtgenoot of die inkomsten omvat. Wanneer één van die inkomensdelen lager is dan het bedrag vermeld in artikel 131, 2°, wordt het saldo aangerekend op het andere inkomensdeel.
  Daarna worden de in de artikelen 132 en 133, 2° en 3°, vermelde toeslagen bij voorrang aangerekend op het inkomensdeel van de echtgenoot met het hoogste beroepsinkomen. Wanneer dat inkomensdeel lager is dan het totaal van die toeslagen wordt het saldo aangerekend op het andere inkomensdeel.
  § 2. De belastingvrije som wordt per belastingplichtige aangerekend op de opeenvolgende inkomensschijven, te beginnen met de eerste.
  § 3. Het deel van de belastingvrije som dat na toepassing van de §§ 1 en 2 niet is aangerekend, wordt, in de mate dat het betrekking heeft op de toeslagen vermeld in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet.
  Het belastingkrediet is gelijk aan het deel van de belastingvrije som dat met toepassing van het eerste lid kan worden omgezet, vermenigvuldigd met het tarief van de corresponderende inkomensschijf, met een maximum van 250 EUR per kind ten laste.".
  B. In hetzelfde artikel wordt § 1 vervangen als volgt :
  "§ 1. De belastingvrije som wordt per belastingplichtige vastgesteld als het totaal van het, eventueel verhoogde, basisbedrag en de toeslagen vermeld in de artikelen 132 en 133.
  Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de toeslagen vermeld in artikel 132 aangerekend bij die belastingplichtige met het hoogste belastbare inkomen. Wanneer het belastbare inkomen van één van beide belastingplichtigen lager is dan zijn belastingvrije som, wordt het saldo bij de belastingvrije som van de andere belastingplichtige gevoegd.".

  Art. 27. In artikel 136 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden de woorden "echtgenoten of van alleenstaanden" vervangen door de woorden "de belastingplichtigen".

  Art. 28. Artikel 141 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 141. De in de artikelen 136 en 140 vermelde bedragen van 1 500 EUR worden gebracht op 2.600 EUR voor kinderen ten laste van een belastingplichtige die alleen wordt belast en op 3 000 EUR voor kinderen ten laste van een dergelijke belastingplichtige die als gehandicapt worden aangemerkt".

  Art. 29. Artikel 143 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld als volgt :
  "6° de uitkeringen vermeld in artikel 90, 3°, die zijn toegekend aan kinderen tot beloop van 1 800 EUR per jaar.".

  Art. 30. Artikel 145.2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 145.2 De vermindering wordt berekend tegen een bijzondere gemiddelde aanslagvoet die overeenstemt met de belasting die op het belastbare inkomen, daaronder niet begrepen de inkomsten die ingevolge artikel 171 afzonderlijk worden belast, wordt berekend overeenkomstig de artikelen 127, 130, 131, eerste lid en 134, § 2.
  De aldus berekende aanslagvoet mag niet minder dan 30 pct., noch meer dan 40 pct. bedragen.".

  Art. 31. In artikel 145.4 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in 1°, b, vervallen de woorden "of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft" en de woorden "of van 60";
  2° in 2°, a, vervallen de woorden "of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft".

  Art. 32. Artikel 145.23 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 maart 1994, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 145.23 Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de in artikel 14521 vermelde uitgaven evenredig omgedeeld op ieders belastbare inkomen".

  Art. 33. A. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling IIquinquies ingevoegd die luidt als volgt :
  "Onderafdeling IIquinquies. Vermindering voor energiebesparende uitgaven
  Art. 145. 24. Er wordt een belastingvermindering verleend voor de volgende uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor een rationeler energiegebruik in een woning waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is :
  1° uitgaven voor de vervanging van oude stookketels;
  2° uitgaven voor de installatie van een systeem van waterverwarming door middel van zonne-energie;
  3° uitgaven voor de plaatsing van zonnecelpanelen voor het omzetten van zonne-energie in elektrische energie;
  4° uitgaven voor de plaatsing van dubbele beglazing;
  5° uitgaven voor de isolatie van daken;
  6° uitgaven voor de plaatsing van een warmteregeling van een installatie van centrale verwarming door middel van thermostatische kranen of door een kamerthermostaat met tijdsinschakeling;
  7° uitgaven voor een energie-audit van de woning.
  De belastingvermindering is niet van toepassing op uitgaven die :
  a) in aanmerking genomen zijn als werkelijke beroepskosten;
  b) recht geven op de in artikel 69 vermelde investeringsaftrek.
  De belastingvermindering is gelijk aan het volgende percentage van de werkelijk gedane uitgaven :
  a) 15 pct. voor de in het eerste lid, 1° tot 3°, genoemde uitgaven;
  b) 40 pct. voor de in het eerste lid, 4° tot 7°, genoemde uitgaven.
  Het totaal van de verschillende belastingverminderingen mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 500 EUR per woning bedragen.
  Het in het vorige lid bedoelde bedrag kan door de Koning worden verhoogd tot 1 000 EUR bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Wanneer een aanslag wordt gevestigd overeenkomstig artikel 126, §§ 1 en 2, wordt de belastingvermindering evenredig omgedeeld in functie van het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van de woning waarin de werken zijn uitgevoerd.
  De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de werken in verband met de in het eerste lid bedoelde uitgaven moeten voldoen.".
  B. In hetzelfde artikel worden de woorden "Wanneer een aanslag wordt gevestigd overeenkomstig artikel 126, §§ 1 en 2," vervangen door de woorden "Bij een gemeenschappelijke aanslag".

  Art. 34. In artikel 146 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wetten van 30 maart 1994, 21 december 1994, 7 april 1999 en, wat de Franse tekst betreft, de wet van 6 juli 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het 1° worden de woorden "sub 2° vermelde brugpensioenen" vervangen door de woorden "sub 2° en 2°bis vermelde brugpensioenen";
  2° er wordt een 2°bis ingevoegd dat luidt als volgt :
  "2°bis brugpensioenen nieuw stelsel : brugpensioenen die zijn ingegaan vanaf 1 januari 2004;".

  Art. 35. Artikel 147 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 maart 1994, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 147. Op de belastingen met betrekking tot pensioenen en vervangingsinkomsten worden de volgende verminderingen verleend :
  1° als het netto-inkomen uitsluitend uit pensioenen of andere vervangingsinkomsten bestaat : 1 344,57 EUR;
  2° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit pensioenen of andere vervangingsinkomsten bestaat : een gedeelte van het in 1° vermelde bedrag, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de pensioenen en de andere vervangingsinkomsten enerzijds en het netto-inkomen anderzijds;
  3° als het netto-inkomen uitsluitend uit brugpensioenen oud stelsel bestaat : 2 434,66 EUR;
  4° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit brugpensioenen oud stelsel bestaat : een gedeelte van het in 3° vermelde bedrag, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de brugpensioenen oud stelsel enerzijds en het netto-inkomen anderzijds;
  5° als het netto-inkomen uitsluitend uit brugpensioenen nieuw stelsel bestaat :
  a) voor een belastingplichtige die alleen wordt belast : 1 344,57 EUR;
  b) voor de echtgenoten samen wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd : 1 569,96 EUR;
  6° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit brugpensioenen nieuw stelsel bestaat : een gedeelte van de in 5° vermelde bedragen, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de brugpensioenen nieuw stelsel enerzijds en het netto-inkomen anderzijds;
  7° als het netto-inkomen uitsluitend uit werkloosheidsuitkeringen bestaat :
  a) voor een belastingplichtige die alleen wordt belast : 1 344,57 EUR;
  b) voor de echtgenoten samen wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd : 1 569,96 EUR;
  8° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit werkloosheidsuitkeringen bestaat : een gedeelte van de in 7° vermelde bedragen, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de werkloosheidsuitkeringen enerzijds en het netto-inkomen anderzijds;
  9° als het netto-inkomen uitsluitend uit wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen bestaat : 1 725,98 EUR;
  10° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen bestaat : een gedeelte van het in 9° vermelde bedrag, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van de wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen enerzijds en het netto-inkomen anderzijds.".

  Art. 36. Artikel 149 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 149. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt :
  1° het nettobedrag van de pensioenen en vervangingsinkomsten bepaald overeenkomstig artikel 23, § 2, vóór toepassing van de artikelen 87 en 88;
  2° met "netto-inkomen" bedoeld, het totale netto-inkomen van iedere belastingplichtige zonder toepassing van de artikelen 87 en 88.".

  Art. 37. Artikel 150 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 150. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden, met uitzondering van de vermindering voor werkloosheidsuitkeringen en de vermindering voor brugpensioenen nieuw stelsel, de in deze onderafdeling bepaalde verminderingen en grenzen per belastingplichtige berekend.
  De vermindering voor werkloosheidsuitkeringen en de vermindering voor brugpensioenen nieuw stelsel, worden voor beide echtgenoten samen berekend. Daarbij worden respectievelijk de werkloosheidsuitkeringen, de brugpensioenen nieuw stelsel, de netto-inkomens en de belastbare inkomens van beide echtgenoten samengeteld om de verminderingen en de grenzen te berekenen.
  De overeenkomstig het tweede lid berekende vermindering voor werkloosheidsuitkeringen en de vermindering voor brugpensioenen nieuw stelsel worden daarna omgedeeld per belastingplichtige in verhouding tot het aandeel van zijn werkloosheidsuitkeringen en het aandeel van zijn brugpensioenen nieuw stelsel respectievelijk in het totaal van de werkloosheidsuitkeringen en het totaal van de brugpensioenen nieuw stelsel van beide echtgenoten.".

  Art. 38. Artikel 151 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 november 1996 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 151. Wanneer het belastbare inkomen 18 600 EUR of meer bedraagt, wordt de vermindering voor werkloosheidsuitkeringen, andere dan die welke zijn toegekend aan werklozen die op 1 januari van het aanslagjaar 58 jaar of ouder zijn en een anciënniteitstoeslag bevatten, niet toegepast. Wanneer het belastbare inkomen begrepen is tussen 14 900 EUR en 18 600 EUR, wordt die vermindering slechts verleend tot een deel dat wordt bepaald naar de verhouding tussen, eensdeels, het verschil tussen 18 600 EUR en het belastbare inkomen en, anderdeels, het verschil tussen 18 600 EUR en 14 900 EUR.".

  Art. 39. Artikel 152 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 152. Wanneer het belastbare inkomen 29 800 EUR of meer bedraagt, worden de niet in artikel 151 vermelde verminderingen slechts tot één derde verleend. Wanneer het belastbare inkomen begrepen is tussen 14 900 EUR en 29 800 EUR, wordt deze grens van één derde vermeerderd met een deel van de resterende tweederde bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, het verschil tussen 29.800 EUR en het belastbare inkomen en, anderdeels, het verschil tussen 29 800 EUR en 14 900 EUR.".

  Art. 40. Artikel 154 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994 en 21 december 1994 wordt vervangen als volgt :
  "Art. 154. Geen belasting is verschuldigd wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit :
  1° pensioenen of vervangingsinkomsten en het totale bedrag van die inkomsten niet hoger is dan het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering, de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen niet inbegrepen;
  2° brugpensioenen oud stelsel en het bedrag van die inkomsten niet hoger is dan het maximumbedrag van het bij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974 bedoelde brugpensioen;
  3° werkloosheidsuitkeringen en het bedrag van die uitkeringen niet hoger is dan het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering, in voorkomend geval met inbegrip van de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, indien de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt;
  4° wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en het bedrag van die inkomsten niet hoger is dan tien negenden van het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering, de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen niet inbegrepen.
  Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de totale netto-inkomens van de beide echtgenoten samengeteld voor de toepassing van het eerste lid.".

  Art. 41. Artikel 155 van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de vermindering per belastingplichtige op zijn totale netto-inkomen berekend.".

  Art. 42. Artikel 156 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt aangevuld met het volgende lid :
  "Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de vermindering per belastingplichtige op zijn totale netto-inkomen berekend.".

  Art. 43. Artikel 157 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt aangevuld met het volgende lid :
  "Het overschot van de voorafbetalingen gedaan door een echtgenoot die met toepassing van artikel 86 een gedeelte van zijn winst of baten toekent aan de meewerkende echtgenoot, komt van rechtswege toe aan de meewerkende echtgenoot.".

  Art. 44. In artikel 178, § 4, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden de woorden "artikel 16, § 1," vervangen door de woorden "artikel 16, § 4,".

  Art. 45. In artikel 243 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wetten van 28 juli 1992, 30 maart 1994, 6 juli 1994 en 21 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "Op de overeenkomstig het vorige lid berekende belasting worden de verminderingen genoemd in de artikelen 146 tot 154 verleend binnen de perken en onder de voorwaarden bepaald in die artikelen en met inachtneming van het geheel van de binnenlandse en de buitenlandse inkomsten, onder voorbehoud van de volgende afwijkingen :
  1° de in artikel 147, 1°, 5° en 7°, vermelde bedragen worden vervangen door het bedrag van 2 392,67 EUR;
  2° het in artikel 147, 3°, vermelde bedrag wordt vervangen door het bedrag van 3 482,78 EUR;
  3° het in artikel 147, 9°, vermelde bedrag wordt vervangen door het bedrag van 2 774,10 EUR." ;
  2° tussen het tweede en het derde lid wordt het volgende lid ingevoegd :
  "Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en het inkomen geheel of gedeeltelijk uit werkloosheidsuitkeringen of uit brugpensioenen nieuw stelsel bestaat, worden de vermindering voor die werkloosheidsuitkeringen en de vermindering voor die brugpensioenen nieuw stelsel, die overeenkomstig het vorige lid zijn berekend, voor beide echtgenoten samen slechts éénmaal verleend.".

  Art. 46. In artikel 244bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wet van 6 juli 1994 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden de woorden "worden gehuwde personen niet als echtgenoten maar als alleenstaanden aangemerkt" vervangen door de woorden "is er geen aanleiding tot een gemeenschappelijke aanslag van de echtgenoten".

  Art. 47. Artikel 252 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

  Art. 48. In artikel 289bis, § 1, laatste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 4 mei 1999, worden de woorden "Wanneer de aanslag op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd," vervangen door de woorden "Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd,".

  Art. 49. A. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 289ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 289ter. § 1. Wanneer het totale netto-inkomen van het belastbare tijdperk niet meer bedraagt dan 14 140 EUR, heeft de rijksinwoner recht op een belastingkrediet waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van het bedrag van de activiteitsinkomsten.
  Het bedrag van de activiteitsinkomsten is gelijk aan het nettobedrag van de beroepsinkomsten verminderd met :
  1° de in artikel 23, § 1, 5°, vermelde inkomsten;
  2° de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van inkomsten;
  3° de beroepsinkomsten die overeenkomstig artikel 171 afzonderlijk worden belast;
  4° de bezoldigingen voor arbeidsprestaties die korter zijn dan één derde van de wettelijk voorziene arbeidsduur;
  5° de winst of baten die voor de toepassing van de wetgeving betreffende het sociaal statuut van de zelfstandigen als inkomsten van een bijberoep worden beschouwd.
  Geen belastingkrediet wordt verleend aan de belastingplichtige die winst of baten heeft verkregen die zijn vastgesteld volgens forfaitaire grondslagen van aanslag.
  Wanneer een aanslag wordt gevestigd overeenkomstig artikel 126, §§ 1 en 2, worden het belastingkrediet, de inkomsten en de grenzen berekend per belastingplichtige vóór toepassing van de artikelen 86 tot 89.
  § 2. Om recht te geven op een belastingkrediet moet het bedrag van de activiteitsinkomsten hoger zijn dan 3 260 EUR.
  Het bedrag van het belastingkrediet wordt als volgt bepaald :
  1° wanneer het bedrag van de activiteitsinkomsten meer dan 3 260 EUR bedraagt doch niet meer dan 4 350 EUR : 78 EUR vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van de activiteitsinkomsten en 3 260 EUR en de noemer gelijk aan het verschil tussen 4 350 EUR en 3 260 EUR;
  2° wanneer het bedrag van de activiteitsinkomsten meer dan 4 350 EUR bedraagt doch niet meer dan 10 880 EUR : 78 EUR;
  3° wanneer het bedrag van de activiteitsinkomsten meer dan 10 880 EUR bedraagt doch niet meer dan 14 140 EUR : 78 EUR vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het verschil tussen 14 140 EUR en het bedrag van de activiteitsinkomsten en de noemer gelijk aan het verschil tussen 14 140 EUR en 10 880 EUR.
  Wanneer de beroepsinkomsten slechts gedeeltelijk uit activiteitsinkomsten bestaan, wordt het belastingkrediet bepaald overeenkomstig het tweede lid verminderd in verhouding tot het gedeelte dat de activiteitsinkomsten vertegenwoordigen ten opzichte van het nettobedrag van de beroepsinkomsten.
  Wanneer het totale netto-inkomen meer bedraagt dan 10 880 EUR doch niet meer dan 14 140 EUR, kan het belastingkrediet niet meer bedragen dan de uitkomst van de vermenigvuldiging van 78 EUR met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het verschil tussen 14 140 EUR en het bedrag van het totale netto-inkomen en de noemer gelijk aan het verschil tussen 14 140 EUR en 10 880 EUR.
  § 3. De bepalingen van artikel 178 zijn van toepassing op de in dit artikel vermelde bedragen.".
  B. (1° In hetzelfde artikel wordt het bedrag van 78 EUR telkens vervangen door het bedrag van 220 EUR;
  2° § 2 van hetzelfde artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
  " In afwijking van de vorige leden wordt, voor de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten het bedrag van 220 EUR telkens vervangen door het bedrag van 200 EUR.") <W 2002-12-14/31, art. 35, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004 (aanslagjaar 2005)>
  C. In hetzelfde artikel wordt het bedrag van 220 EUR telkens vervangen door het bedrag van 440 EUR.
  D. In hetzelfde artikel worden de woorden "Wanneer een aanslag wordt gevestigd overeenkomstig artikel 126, §§ 1 en 2," vervangen door de woorden "Bij een gemeenschappelijke aanslag".

  Art. 50. Artikel 290 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 juli 1993 en gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994, 20 december 1995 en 4 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 290. Voor rijksinwoners :
  1° wordt de onroerende voorheffing, in het geval en binnen de perken bepaald in artikel 277, verrekend tot het bedrag van de personenbelasting;
  2° zijn het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting in het geval genoemd in artikel 285 en het belastingkrediet genoemd in artikel 289bis, § 1, slechts verrekenbaar tot het bedrag van het deel van de personenbelasting dat evenredig betrekking heeft op de beroepsinkomsten;
  3° wordt het belastingkrediet genoemd in artikel 289ter, volledig met de personenbelasting verrekend.".

  Art. 51. In artikel 291 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995 en 4 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt, in de Nederlandstalige tekst, het woord "teruggeven" vervangen door het woord "teruggegeven";
  2° in het tweede lid worden de woorden "Wanneer het belastingkrediet niet is kunnen verrekend worden" vervangen door de woorden "Wanneer het in artikel 289bis, § 1, bedoelde belastingkrediet niet kon worden verrekend";
  3° in het derde lid worden de woorden ", bedoeld in het tweede lid," ingevoegd tussen de woorden "het belastingkrediet" en de woorden "overgedragen alsof".

  Art. 52. Artikel 304, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt vervangen als volgt :
  "Voor rijksinwoners wordt het eventuele overschot van de in de artikelen 157 tot 168 en 175 vermelde voorafbetalingen, van de in de artikelen 270 tot 272 vermelde bedrijfsvoorheffingen, van de in de artikelen 279 en 284 vermelde werkelijke of fictieve roerende voorheffingen en van de in de artikelen 134, § 3, en 289ter vermelde belastingkredieten in voorkomend geval verrekend met de aanvullende belastingen op de personenbelasting, en wordt het saldo teruggegeven indien het ten minste 2,50 EUR bedraagt.".

  Art. 53. In artikel 307, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "artikel 126, tweede lid," vervangen door de woorden "artikel 126, § 4,".

  Art. 54. In artikel 355, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999, wordt het woord "belastingkrediet," ingevoegd tussen de woorden "een teruggave van een" en de woorden "voorheffing of voorafbetaling".

  Art. 55. Artikel 376, § 3, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999, wordt vervangen als volgt :
  "1° van het overschot van het belastingkrediet, de voorheffingen en de voorafbetalingen als bedoeld in artikel 304, § 2, voor zover dit overschot door de administratie werd vastgesteld of door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, aan de administratie werd bekendgemaakt binnen drie jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waartoe de belasting behoort waarmede dit belastingkrediet, deze voorheffingen en deze voorafbetalingen zijn te verrekenen;".

  Art. 56. In artikel 393bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999, worden de woorden "artikel 128, eerste lid, 2°," vervangen door de woorden "artikel 126, § 2, eerste lid, 2°,".

  Art. 57. A. In artikel 394 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 4 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen § 1 en § 2 wordt een nieuwe § 2 ingevoegd die luidt als volgt :
  "§ 2. In afwijking van § 1 kan, in geval van feitelijke scheiding van de echtgenoten, de belasting op het vanaf het tweede kalenderjaar na de feitelijke scheiding verworven inkomen van één van de echtgenoten niet meer worden ingevorderd op het inkomen van de andere echtgenoot of op de goederen die deze met dat inkomen heeft verworven.";
  2° in het eerste lid van § 2, die, § 3 wordt, worden de woorden "in paragraaf 1" vervangen door de woorden "in §§ 1 en 2";
  3° § 3 wordt § 4;
  4° in § 4, die § 5 wordt, worden de woorden "op de voorheffingen" vervangen door de woorden "op de belastingen en de voorheffingen".
  B. Hetzelfde artikel wordt vervangen als volgt :
  "Art. 394. § 1. De belasting of het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van een van de echtgenoten en de op zijn naam ingekohierde voorheffing mogen, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel of ongeacht de notariële overeenkomst waarin de wettelijke samenwoning wordt geregeld, op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten worden verhaald.
  Die belasting of het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van één van de echtgenoten, alsook de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing ingekohierd op naam van één van hen, mogen evenwel niet op de eigen goederen van de andere echtgenoot worden verhaald wanneer deze laatste aantoont :
  1° dat hij ze bezat vóór het huwelijk of vóór het afleggen van de verklaring van wettelijke samenwoning;
  2° of dat zij voortkomen van een erfenis of van een schenking door een andere persoon dan zijn echtgenoot;
  3° of dat hij ze heeft verkregen door middel van fondsen die voortkomen van de realisatie van dergelijke goederen;
  4° of dat het gaat om inkomsten die hem krachtens het burgerlijk recht eigen zijn of om goederen die hij met zulke inkomsten heeft verworven.
  § 2. In afwijking van § 1 kan, in geval van feitelijke scheiding van de echtgenoten, de belasting op het vanaf het tweede kalenderjaar na de feitelijke scheiding verworven inkomen van één van de echtgenoten niet meer worden ingevorderd op het inkomen van de andere echtgenoot of op de goederen die deze met dat inkomen heeft verworven.
  § 3. Na de ontbinding van het huwelijk of de beëindiging van de wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek kunnen de belastingen en voorheffingen die betrekking hebben op het inkomen dat de echtgenoten vóór die ontbinding of beëindiging hebben verkregen, worden ingevorderd op de goederen van de beide echtgenoten, op de wijze omschreven in §§ 1 en 2.
  § 4. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, bepaalt de Koning de wijze waarop het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van elke belastingplichtige wordt vastgesteld.
  § 5. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de belastingen en de voorheffingen in verband met de periode vóór het huwelijk en vóór het afleggen van de verklaring van wettelijke samenwoning.".

  Art. 58. In artikel 466 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, worden de woorden "en het belastingkrediet vermeld in de artikelen 277 tot 296" vervangen door de woorden "en de belastingkredieten vermeld in de artikelen 134 en 277 tot 296".

  Art. 59. In artikel 517 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "artikel 133, 2° en 3°," vervangen door de woorden "de artikelen 131, tweede lid, en 132, tweede lid,".

  Art. 60. In artikel 518, derde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden de woorden "artikel 16, § 1," vervangen door de woorden "artikel 16, § 4,".

  Art. 61. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 525 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 525. Artikel 1454, 2°, a, zoals het bestond voor het door artikel 31 van de wet van 10 augustus 2001 werd gewijzigd, blijft van toepassing op de contracten die zijn afgesloten vóór 1 januari 2002.".

  Art. 62. Wanneer een werkgever of een groep van werkgevers het gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling heeft ingericht, zijn de desbetreffende kosten ten belope van 100 pct. aftrekbaar.
  De aftrek is enkel van toepassing :
  a) indien de echtheid en het bedrag van de kosten overeenkomstig artikel 49 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden verantwoord;
  b) in de mate dat de kosten rechtstreeks betrekking hebben op minibussen, autobussen en autocars, zoals deze voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van motorvoertuigen of dat ze betrekking hebben op het bezoldigde vervoer van personen met dergelijke voertuigen.
  Artikel 66, § 1, van hetzelfde Wetboek is niet van toepassing op de in het tweede lid vermelde kosten die betrekking hebben op minibussen.

  Art. 63. (Opgeheven) <W 2008-06-08/30, art. 59, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2009; blijft evenwel van toepassing voor de vrijgestelde bedragen die op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt zijn en is van toepassing op de uitgaven die zijn gedaan of gedragen vanaf 1 januari 2009>

  Art. 64.
  <Opgeheven bij W 2009-12-21/13, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 65. De artikelen 6, 8, 9, 11, A, 12, A, 14, 17, 19, A, 25, A, 28, 29, 31, 1°, 47, 51, 1°, 53, en 57, A, treden in werking vanaf aanslagjaar 2002.
  Artikel 62 is van toepassing voor het aanslagjaar 2002.
  De artikelen 7, A, 22, A, 25, B, 26, A, 30, 31, 2°, 49, A, 50, 51, 2° en 3°, 52, 54, 55, 58, 61 en 63 treden in werking vanaf aanslagjaar 2003.
  De artikelen 7, B, 22, B, 23, A, 33, A, en 49, B, treden in werking vanaf aanslagjaar 2004.
  De artikelen 2 tot 5, 10, 11, B, 12, B, 13, 15, 16, 18, 19, B en C, 20, 21, 22, C, 23, B, 24, 25, C, 26, B, 27, 32, 33, B, 34 tot 46, 48, 49, C en D, 56, 57, B, 59, 60 en 64 treden in werking vanaf aanslagjaar 2005.
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Nice, 10 augustus 2001
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Financiën,
  D. REYNDERS
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  M. VERWILGHEN.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

originele versie
2004003152
PUBLICATIE :
2004-03-26
bladzijde : 17526

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 21-12-2009 GEPUBL. OP 31-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 64)
  • originele versie
  • WET VAN 08-06-2008 GEPUBL. OP 16-06-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 63)
  • originele versie
  • WET VAN 24-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 49)
  • originele versie
  • WET VAN 21-06-2002 GEPUBL. OP 20-07-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 25)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Parlementaire verwijzingen : Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers : 50 - 1270 - 2000/2001 : Nr. 1 : Wetsontwerp. - Nrs. 2 tot 5 : Amendementen. - Nr. 6 : Verslag. - Nr. 7 : Tekst aangenomen door de commissie. - Nr. 8 : Amendement. - Nr. 9 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat. Integraal Verslag. 4 en 5 juli 2001. Stukken van de Senaat : 2 - 832 - 2001/2001 : Nr. 1 : Ontwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers. - Nr. 2 : Amendementen. - Nr. 3 : Verslag. - Nr. 4 : Tekst verbeterd door de commissie. - Nrs. 5 en 6 : Amendementen. - Nr. 7 : Beslissing om niet te amenderen. Handelingen van de Senaat : 19 juli 2001. (NOTA : raadpleging van vroegere versies vanaf 20-09-2001 en tekstbijwerking tot 16-06-2008)

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 4 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie