J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2017/04/28/2017011449/justel

Titel
28 APRIL 2017. - Koninklijk besluit tot vaststelling van boek IX - Collectieve bescherming en individuele uitrusting van de codex over het welzijn op het werk

Bron :
WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG
Publicatie : 02-06-2017 nummer :   2017011449 bladzijde : 61494       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2017-04-28/17
Inwerkingtreding : 12-06-2017

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1946021151        2013205007        2004202002        2005201207       

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-4
BIJLAGEN.
Art. N1-N4

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Boek IX.- Collectieve bescherming en individuele uitrusting van de codex over het welzijn op het werk wordt vastgesteld als volgt :
  (NOTA : voor de codex over het welzijn op het werk, zie 2017-04-28/27)

  Art. 2. Opgeheven worden :
  1° het koninklijk besluit van 6 juli 2004 betreffende de werkkledij, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 december 2006 en 30 augustus 2013;
  2° het koninklijk besluit van 13 juni 2005 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 16 januari 2006 en 30 augustus 2013;
  3° het koninklijk besluit van 30 augustus 2013 tot vaststelling van algemene bepalingen betreffende de keuze, de aankoop en het gebruik van collectieve beschermingsmiddelen;
  4° het artikel 37 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, goedgekeurd bij de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1972.

  Art. 3. De verwijzingen naar de bepalingen van de koninklijke besluiten die opgeheven worden door artikel 2 en die inzonderheid voorkomen in alle documenten die in toepassing van of naar aanleiding van die besluiten werden opgesteld, blijven geldig tot ze in overeenstemming zijn gebracht met de bepalingen van dit besluit, en dit gedurende een termijn van twee jaar die begint te lopen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 4. Onze Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. BIJLAGE IX.1-1
  Bepalingen betreffende de collectieve maatregelen bedoeld in artikel IX.1-6
  De risicoanalyse, opgelegd door artikel IX.1-4, moet de werkgever toelaten de maatregelen te treffen die voortvloeien uit de toepassing van de volgende bepalingen:
  Boek III,. titel 2 elektrische installaties;
  Boek IV,. titel 5 arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte, inzonderheid artikel IV.5-2, § 4 en § 5;
  Boek V,. titel 4 werkzaamheden in een hyperbare omgeving, inzonderheid artikel V.4-17;
  Boek VI,. titel 1 chemische agentia, inzonderheid artikel VI.1-16, derde lid, 2° ;
  Boek VI,. titel 2 kankerverwekkende en mutagene agentia op het werk, inzonderheid artikel VI.2-5, 7° ;
  Boek VI,. titel 3 asbest, inzonderheid artikel VI.3-44;
  Boek VII,. titel 1 biologische agentia op het werk, inzonderheid artikel VII.1-16, 3°.

  Art. N2. BIJLAGE IX.1-2
  Lijst van activiteiten en arbeidsomstandigheden, bedoeld in artikel IX.1-9, waarvoor het ter beschikking stellen van CBM noodzakelijk is
  Voorkoming van het vallen van werknemers
  In toepassing van de bepalingen van Boek IV, titel 5 en inzonderheid artikel IV.5-2, § 4 en § 5, treft de werkgever de volgende maatregelen:
  1. Wanneer de werknemers blootgesteld zijn aan een val van meer dan 2 m, dan zijn de werk- en loopvlakken met volgende CBM uitgerust:
  a. hetzij leuningen met tussenleuning en kantlijst die aan de vloer aansluit;
  b. hetzij volle of uit traliewerk bestaande panelen;
  c. hetzij elke andere inrichting die een gelijkwaardige beveiliging biedt.
  Deze CBM mogen enkel worden onderbroken op de toegangsplaats tot een ladder.
  2. De bovenlat van een leuning bevindt zich op 1 m tot 1,2 m hoogte boven de werk- of loopvlakken.
  Tussen de bovenlat en de kantlijst is een tussenleuning aangebracht tussen 40 tot 50 cm boven het werk- of loopvlak gelegen.
  De kantlijsten zijn ten minste 15 cm hoog.
  3. De volle of uit traliewerk bestaande panelen zijn ten minste 1 m hoog en bieden een gelijkwaardige veiligheid als die van de beveiligingsinrichting beschreven in punt 2.
  4. De hoogte van de beveiliging boven het werk- of loopvlak mag tot 70 cm worden verlaagd als ze bestaat:
  a. uit een muur waarvan de som van de hoogte en de dikte gelijk is aan of groter is dan 1,3 m;
  b. uit een bank van een vensteropening indien de breedte van de opening kleiner is dan of gelijk aan 2 m.
  5. Behalve als het gaat om gelaste, geklonken of geschroefde metalen elementen, zijn de leuningen, tussenleuningen, de kantlijsten en de panelen aan de binnenkant van het steunelement vastgehecht.
  6. Als sommige gedeelten van de bouwplaats niet voor de arbeid toegankelijk zijn en de toegang ertoe gevaar oplevert voor de werknemers, worden deze plaatsen aangeduid door waarschuwingsborden voor gevaar, overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk van boek III, titel 6, en worden ze door materiële elementen behoorlijk afgebakend. Deze materiële elementen beletten de onvrijwillige toegang tot deze gedeelten van de bouwplaats.
  7. Indien deze elementen niet op een afstand van ten minste 1,5 m van de lege ruimte gelegen zijn, dan voldoen ze aan de vereisten gesteld voor de beveiligingselementen bedoeld in de punten 2 en 3.
  8. Als het uitvoeren van een speciaal werk het tijdelijk wegnemen van een beveiligingselement tegen het vallen noodzakelijk maakt, worden doeltreffende vervangende veiligheidsmaatregelen getroffen, zoals automatisch werkende leuningen of panelen, beweegbare leuningen of panelen, handvatten, veiligheidsgordels of elk ander middel om het vallen van werknemers, materieel of materialen te voorkomen.

  Art. N3. BIJLAGE IX. 2-1
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 02-06-2017, p. 61505 )

  Art. N4. BIJLAGE IX. 2-2
  Lijst van activiteiten en arbeidsomstandigheden waarvoor het ter beschikking stellen van PBM noodzakelijk is bedoeld in artikel IX.2-6
  1. Beschermkledij:
  a) de in riolen, kuilen, kelders, welputten, regenputten, kuipen, vergaarbakken of andere soortgelijke plaatsen tewerkgestelde werknemers wanneer zij in contact komen met vochtige of doorweekte wanden;
  b) de buiten tewerkgestelde en aan regen of uitzonderlijke koude blootgestelde werknemers;
  c) werknemers tewerkgesteld in koelkamers;
  d) werknemers tewerkgesteld aan werkzaamheden waarbij de blootstelling aan chemische en biologische agentia, die een risico voor de gezondheid kunnen bieden, technisch niet kan vermeden worden;
  e) werknemers die aan kankerverwekkende en mutagene agentia kunnen blootgesteld worden:
  - tijdens de werkzaamheden waarbij de blootstelling niet kan vermeden worden door preventiemaatregelen, zoals voorzien in de artikelen VI.2-4, VI.2-5, VI.2-7 en VI.2-8;
  - tijdens werkzaamheden, zoals onderhoudswerken, afbraakwerken, vernieuwingswerken, verbouwingswerken, waarvoor de blootstelling aan deze agentia kan voorzien worden, niettegenstaande de genomen organisatorische maatregelen of de collectieve preventiemaatregelen;
  f) werknemers tewerkgesteld aan het hanteren van hete massa's of werknemers die aanwezig zijn in de nabijheid daarvan of die werken in een warme omgeving (hitte van technologische oorsprong).
  2. Beschermingshoofddeksel:
  a)werknemers die blootgesteld zijn aan uitwasemingen van stof van giftige, bijtende of prikkelende producten of aan de spatten van deze producten;
  b) werknemers tewerkgesteld aan het vervoer, op het hoofd of op de schouders, van vleeskwartieren, van afval of andere voor rotting vatbare producten voortkomend van het slachten van dieren, van balen niet ontsmette lompen of van dierlijke stoffen, zelfs droge, die besmettende kiemen kunnen inhouden (zakken met beenderen, horens, manen, ruwe wol, huiden, enz.);
  c) werknemers tewerkgesteld aan het vervoer, op het hoofd of op de schouders, van zakken of pakken met andere om het even welke producten of stoffen;
  d) werknemers tewerkgesteld in riolen, kuilen, kelders, welputten, regenputten, kuipen, vergaarbakken of andere soortgelijke plaatsen die bevuild zijn door ophopingen of afval van om het even welke stoffen of die door ongedierte geplaagd worden;
  e) de buiten tewerkgestelde en aan regen of uitzonderlijke temperaturen blootgestelde werknemers;
  f) werknemers tewerkgesteld in koelkamers;
  g) werknemers die blootgesteld zijn aan vallende stenen, materiaal, brokstukken of allerlei vallende voorwerpen, zoals in steengroeven, de bouw-, montage- of slopingswerken, scheepswerven, ijzergieterijen, staalfabrieken, moeten een beschermingshelm dragen;
  h) werknemers waarvan het haar kan worden gegrepen door in beweging zijnde machineonderdelen of mechanische toestellen;
  i) werknemers die aan kankerverwekkende en mutagene agentia kunnen blootgesteld worden :
  - tijdens de werkzaamheden waarbij de blootstelling niet kan vermeden worden door preventiemaatregelen, zoals voorzien in de artikelen VI.2-4, VI.2-5, VI.2-7 en VI.2-8;
  - tijdens werkzaamheden, zoals onderhoudswerken, afbraakwerken, vernieuwingswerken, verbouwingswerken, waarvoor de blootstelling aan deze agentia kan voorzien worden, niettegenstaande de genomen organisatorische maatregelen of de collectieve preventiemaatregelen;
  j) werknemers die het risico lopen zich te stoten tegen obstakels.
  3. Beschermingsschort :
  a) werknemers die water, oplossingen, baden, deeg, oliën, vetten of andere vloeibare, vochtige, olieachtige of vettige stoffen manipuleren, behandelen of gebruiken waardoor zij de voorkant van het lichaam kunnen nat maken of doorweken; werknemers die het risico lopen dat de voorkant van het lichaam wordt nat gemaakt of doorweekt door de projectie van voormelde stoffen;
  b) werknemers die gevaar lopen de voorkant van het lichaam te bevuilen door organische stoffen die kunnen rotten, zoals in de slachthuizen of slachterijen, broeiplaatsen, fabrieken van vlees- of visconserven, darmwasserijen en, over het algemeen, al de ondernemingen waar vlees, huiden, beenderen, horens en ander dierenafval worden bewerkt, behandeld of omgewerkt;
  c) werknemers die gevaar lopen de voorkant van het lichaam te bevuilen door voor verrotting vatbare of besmette stoffen of door vuilnis, zoals in de vilbeluiken, diensten voor lijkschouwing, biologische laboratoria, diensten voor reiniging der wegen, huisvuilophaaldiensten, diensten voor het ruimen van beer- of gierputten en andere bedrijven of werken die soortgelijke risico's voor bevuiling bieden;
  d) werknemers die blootgesteld zijn aan kwetsende projecties, aan projecties van gloeiende stoffen, aan het hanteren van hete massa's;
  e) werknemers die aan kankerverwekkende en mutagene agentia kunnen blootgesteld worden :
  - tijdens de werkzaamheden waarbij de blootstelling niet kan vermeden worden door preventiemaatregelen, zoals voorzien in de artikelen VI.2-4, VI.2-5, VI.2-7 en VI.2-8;
  - tijdens werkzaamheden, zoals onderhoudswerken, afbraakwerken, vernieuwingswerken, verbouwingswerken, waarvoor de blootstelling aan deze agentia kan voorzien worden, niettegenstaande de genomen organisatorische maatregelen of de collectieve preventiemaatregelen;
  f) werknemers tewerkgesteld aan werkzaamheden waarbij de blootstelling aan chemische en biologische agentia, die een risico voor de gezondheid kunnen bieden, technisch niet kan vermeden worden;
  g) werknemers tewerkgesteld aan de ontzanding van gietwerk of aan het afbijten van om het even welke voorwerpen door het bestralen met zand of met metaalkorrels of aan het gieten van gesmolten metaal;
  h) werknemers tewerkgesteld aan het uitbenen met messen.
  4. Beschermingsschoeisel :
  a) werknemers tewerkgesteld in de riolen, kuilen, kelders, welputten, regenputten, kuipen, vergaarbakken, vijvers, waterlopen en alle andere soortgelijke plaatsen waar zich vloeistoffen of slijk bevinden;
  b) werknemers tewerkgesteld aan werken die aanleiding geven tot uitstorting of wegvloeiing van vloeistoffen en die door die vloeistoffen natte voeten kunnen krijgen, zoals in afwaskeukens en wasserijen;
  c) werknemers die hun voeten kunnen bevuilen met giftige, bijtende of prikkelende stoffen;
  d) werknemers die, in de ondernemingen, bedrijven en werken zoals deze voorzien onder punt 3, littera a, b en c hierboven, gevaar lopen hun voeten te bevuilen door organische stoffen die kunnen rotten of door vuilnis;
  e) werknemers tewerkgesteld in koelkamers;
  f) werknemers die gewoonlijk tewerkgesteld zijn aan de behandeling van zware stukken waarvan de val van aard is de voeten te kwetsen, dragen schoenen met toppen versterkt die voldoende weerstand bieden;
  g) werknemers tewerkgesteld aan het slopen van gebouwen, aan de bekisting en de ontkisting van betonwerken, de ijzervlechters, de bouwsmeden, alsook de andere werknemers tewerkgesteld op bouwplaatsen en gewoonlijk blootgesteld aan voetwonden door uitstekende spijkers of puntige voorwerpen, dragen schoenen met versterkte zolen;
  h) werknemers die blootgesteld zijn aan het risico voor uitglijden.
  5. Beschermingshandschoenen of -wanten :
  a) werknemers die gevaar lopen dat hun handen in contact komen met giftige, bijtende of prikkelende stoffen;
  b) werknemers wier handen gevaar lopen in contact te komen met besmette dieren of krengen, afval van dieren of voor de consumptie ongeschikte dierlijke stoffen, zoals in de vilbeluiken en de biologische laboratoria;
  c) werknemers die tewerkgesteld zijn aan het behandelen van de lijken en van de stukken of stoffen die ervan afkomstig zijn;
  d) werknemers die tewerkgesteld zijn aan de behandeling of aan het schiften van vuil linnen of vuile kledingsstukken, van lompen en van oude niet ontsmette klederen, van voor het gebruik ongeschikte beenderen of van vuilnis;
  e) werknemers tewerkgesteld in de riolen en andere instellingen voor de afvoer van vuil water of afvalstoffen, aan de reiniging met de hand van de goten of van de vertakkingen of aan andere bewerkingen waarbij de handen in contact komen met bovenbedoeld water of afvalstoffen;
  f) werknemers die tewerkgesteld worden aan elk ander werk waarbij de handen in contact komen met stoffen die besmettende kiemen kunnen inhouden;
  g) werknemers tewerkgesteld in koelkamers;
  h) werknemers die tewerkgesteld zijn aan het las- of snijwerk van metalen met de elektrische lichtboog en alle bewerkingen waarbij lampen met elektrische lichtboog of andere bronnen van ultraviolette stralen worden gebruikt;
  i) werknemers tewerkgesteld aan werkzaamheden waarbij de blootstelling aan chemische en biologische agentia, die een risico voor de gezondheid kunnen bieden, technisch niet kan vermeden worden;
  j) werknemers die aan kankerverwekkende en mutagene agentia kunnen blootgesteld worden:
  - tijdens de werkzaamheden waarbij de blootstelling niet kan vermeden worden door preventiemaatregelen, zoals voorzien in de artikelen VI.2-4, VI.2-5, VI.2-7 en VI.2-8;
  - tijdens werkzaamheden, zoals onderhoudswerken, afbraakwerken, vernieuwingswerken, verbouwingswerken, waarvoor de blootstelling aan deze agentia kan voorzien worden, niettegenstaande de genomen organisatorische maatregelen of de collectieve preventiemaatregelen;
  k) werknemers tewerkgesteld aan het hanteren van hete massa's;
  l) werknemers die scherpe, snijdende, stekende, brandende of bijzonder ruwe voorwerpen of materialen moeten behandelen of werkzaamheden verrichten waarbij hun handen zijn blootgesteld aan kwetsende projecties of aan projecties van gloeiende stoffen;
  m) werknemers tewerkgesteld aan de ontzanding van gietwerk of aan het afbijten van om het even welke voorwerpen door het bestralen met zand of met metaalkorrels of aan het gieten van gesmolten metaal;
  n) werknemers tewerkgesteld aan het uitbenen met messen, dragen een drie- of vijfvingerige handschoen van gelaste metalen maliën of, op voorwaarde dat dezelfde mechanische weerstand gewaarborgd is, een dergelijke handschoen van een andere stof of een handschoen op enig andere wijze vervaardigd.
  6. Beschermingsbril of aangezichtsscherm van geschikt type :
  a) werknemers wier ogen worden blootgesteld aan het contact met stoffen die een uitgesproken prikkelende werking uitoefenen op de ogen, zoals het stof van steenkoolpek en andere stofdeeltjes of dampen van bijtende stoffen;
  b) werknemers die tewerkgesteld zijn aan het las- of snijwerk van metalen met de brander of met de elektrische lichtboog;
  c) werknemers die tewerkgesteld zijn aan het onderzoek van intense lichthaarden, zoals de binnenkant van ovens, of van stoffen die tot witte gloeihitte zijn gebracht, zoals staal en gesmolten glas;
  d) werknemers die tewerkgesteld zijn aan de bewerkingen waarbij infrarode stralen of stralingen die aanleiding geven tot een intense warmteverspreiding worden gebruikt;
  e) werknemers die tewerkgesteld zijn aan de bewerkingen waarbij lampen met elektrische lichtboog of andere bronnen van ultraviolette stralen worden gebruikt;
  f) werknemers die tewerkgesteld zijn aan het droog slijpen, het houwen met wegslingering van scherven, het bikken, het schoonhameren of aan andere bewerkingen die kunnen aanleiding geven tot het wegslingeren van kwetsende deeltjes, van weggesmolten metaal, van bijtende vloeistoffen, enz. die de ogen kunnen aantasten;
  g) werknemers die aan kankerverwekkende en mutagene agentia kunnen blootgesteld worden :
  - tijdens de werkzaamheden waarbij de blootstelling niet kan vermeden worden door preventiemaatregelen, zoals voorzien in de artikelen VI.2-4, VI.2-5, VI.2-7 en VI.2-8;
  - tijdens werkzaamheden, zoals onderhoudswerken, afbraakwerken, vernieuwingswerken, verbouwingswerken, waarvoor de blootstelling aan deze agentia kan voorzien worden, niettegenstaande de genomen organisatorische maatregelen of de collectieve preventiemaatregelen;
  7. Ademhalingstoestellen :
  a) werknemers die het risico lopen op een vergiftiging of een aandoening van de ademhalingsorganen door de inhalatie van stof, gassen, dampen, rook of nevel;
  b) werknemers die aan kankerverwekkende en mutagene agentia kunnen blootgesteld worden :
  - tijdens de werkzaamheden waarbij de blootstelling niet kan vermeden worden door preventiemaatregelen zoals voorzien in de artikelen VI.2-4, VI.2-5, VI.2-7 en VI.2-8;
  - tijdens werkzaamheden, zoals onderhoudswerken, afbraakwerken, vernieuwingswerken, verbouwingswerken waarvoor de blootstelling aan deze agentia kan voorzien worden, niettegenstaande de genomen organisatorische maatregelen of de collectieve preventiemaatregelen;
  c) de ademhalingstoestellen, die bestemd zijn voor de aan onderstaande verrichtingen tewerkgestelde werknemers, moeten uitsluitend onafhankelijke ademhalingsbeschermende toestellen zijn:
  1) verrichtingen op om het even welke plaats waar men door middel van aangepaste meetmiddelen niet heeft kunnen aantonen dat de lucht er meer dan 19 % zuurstof (vol/vol) inhoudt;
  2) verrichtingen waarbij moet binnengegaan of verbleven worden in de plaatsen bedoeld in artikel 53 van het ARAB of in verplaatsbare recipiënten, ondergrondse inkuipingen, reservoirs en tanks bedoeld in boek III, titel 5 en waarvoor men door middel van aangepaste meetapparatuur niet heeft kunnen aantonen dat de genomen maatregelen het blootstellen van de werknemers aan gevaarlijke stoffen teruggebracht heeft tot een niveau waarbij het risico op een vergiftiging of een aandoening van de ademhalingsorganen zeer gering is, of wanneer niet kan vastgesteld worden dat de blootstelling op geen enkel ogenblik de grenswaarde zal overschrijden. Deze eisen betreffen de stoffen die deze plaatsen hebben ingehouden, evenals de stoffen die zouden kunnen ontstaan door de uitgevoerde werkzaamheden in deze plaatsen.
  8. Beenbeschermingsmiddelen:
  a) werknemers van wie de benen zijn blootgesteld aan kwetsende projecties of aan projecties van gloeiende stoffen;
  b) werknemers tewerkgesteld aan de ontzanding van gietwerk of aan het afbijten van om het even welke voorwerpen, door het bestralen met zand of met metaalkorrels of aan het gieten van gesmolten metaal;
  c) werknemers tewerkgesteld aan werkzaamheden met behulp van een kettingzaag, zoals het snoeien en vellen van bomen.
  9. Bescherming van de voorarm:
  a) werknemers tewerkgesteld aan het uitbenen met messen, dragen een manchet aangepast aan het risico die de voorarm van de pols tot de elleboog bedekt;
  b) werknemers van wie de voorarmen zijn blootgesteld aan kwetsende projecties of aan projecties van gloeiende stoffen.
  10. Bescherming tegen het vallen:
  Werknemers die blootgesteld zijn aan een val van een hoogte van meer dan 2 meter moeten PBM tegen vallen gebruiken wanneer de omstandigheden vermeld in artikel IX.2-2 het gebruik ervan verplichten.
  11. Beschermingsmiddelen voor het gehoor:
  De werknemers die blootgesteld worden aan lawaai beschikken over en gebruiken PBM voor het gehoor overeenkomstig de bepalingen van de artikelen V.2-19 en V.2-27.
  12. Bescherming tegen trillingen:
  Indien technische middelen ontoereikend zijn of onafdoend zijn om overdreven trillingen te vermijden, stelt de werkgever PBM ter beschikking van de werknemers.
  13. Bescherming tegen radioactieve straling:
  - in ondernemingen voor de bereiding en behandeling van natuurlijke of kunstmatige radioactieve stoffen of van alle producten die deze stoffen inhouden;
  - in laboratoria voor proefnemingen of opsporingen en alle andere instellingen waar zich radioactieve stoffen bevinden;
  - in ondernemingen voor het monteren van naalden, platen en andere toestellen die radioactieve stoffen inhouden;
  - in ondernemingen voor lichtgevend schilderwerk op om het even welk voorwerp door middel van producten die radioactieve stoffen inhouden, moeten de werknemers de hierna volgende PBM, verstrekt door de werkgever, dragen:
  13.1. beschermkledij als zij werk verrichten waardoor zij in contact kunnen komen met radioactieve stoffen of met stof, gassen, dampen, rook, vloeistoffen, afval of om het even welke materie die deze stoffen bevatten.
  13.2. een beschermingshoofddeksel of een aangezichtsscherm van geschikt type, naargelang van het geval, indien zij blootgesteld zijn aan uitwasemingen van radioactieve stoffen, gassen, dampen of rook of aan spatten van vloeistoffen of andere stoffen die radioactieve bestanddelen inhouden.
  13.3. een beschermingsschort indien zij tewerkgesteld zijn:
  - aan werk waarbij door radioactieve stoffen aangetast water, oplossingen of andere vloeibare of vochtige stoffen worden behandeld of gebruikt;
  - aan het reinigen van lokalen waarin radioactieve stoffen of producten die deze stoffen inhouden worden ondergebracht, behandeld of gebruikt;
  - aan het reinigen van de toestellen, recipiënten of voorwerpen die in contact zijn geweest met bovengenoemde stoffen of producten, of met door deze stoffen of door deze producten besmette zaken.
  13.4. beschermingsschoeisel indien zij bewerkingen verrichten waardoor zij blootgesteld zijn aan het oplopen van natte voeten door vloeistoffen, afvalwater of andere om het even welke stoffen die radioactieve bestanddelen inhouden.
  13.5. beschermingshandschoenen of -wanten indien zij:
  - radioactieve stoffen of producten die deze stoffen inhouden moeten behandelen;
  - om het even welke bewerkingen verrichten waardoor zij de kans lopen dat de handen in contact komen met voorwerpen, vloeistoffen of andere door deze stoffen of producten besmette stoffen.
  13.6. een beschermingsbril of een aangezichtsscherm van geschikt type indien zij bewerkingen verrichten waardoor de ogen aan de uitwerking van de uitstralingen zijn blootgesteld en voor zover in zulk geval het gebruiken van deze beschermingsmiddelen werkelijk nuttig is (bijvoorbeeld voortbrenging van bètastralingen of van zeer zwakke straling).
  13.7. een ademhalingstoestel indien zij radioactieve stoffen, gassen, dampen of rook moeten inademen.
  14. Bescherming tegen uitwendige straling:
  De werknemers die aan de uitwerking van röntgenstralen worden blootgesteld dragen beschermingsschorten en beschermingshandschoenen of -wanten:
  14.1. in de studie-, opzoekings- of controlelaboratoria en om het even welke onderneming waar toestellen die röntgenstralen voortbrengen worden gebruikt;
  14.2. bij bewerkingen voor medische, nijverheids- of handelsradioscopie of -radiografie;
  14.3. bij het beproeven van röntgenbuizen.
  15. Kleding met signaalfunctie:
  Deze kleding wordt gedragen door:
  15.1. werknemers tewerkgesteld aan werkzaamheden op en langs de openbare weg waarbij het verkeer tijdens de duur van de werkzaamheden niet wordt verboden; dit geldt onder meer voor herstellingswerken, het onderhoud van bermen, onderhoudswerken, reiniging, schilderwerken, het aanbrengen, het controleren en het onderhouden van nutsvoorzieningen zoals leidingen voor gassen, water, telecommunicatie, elektriciteit, laden en lossen van vrachtwagens, enz.;
  15.2. werknemers belast met het ophalen van vuilnis langs de openbare weg;
  15.3. werknemers van brandweerdiensten, eerste hulpdiensten, diensten voor dringende verzorging en pechbestrijdingsdiensten en dit zo de omstandigheden en/of het tijdstip van de dag zorgen voor een onvoldoende zichtbaarheid van deze werknemers;
  15.4. werknemers die krachtens een andere reglementering signalisatiekleding moeten dragen.
  16. Dermatologische producten:
  Onverminderd de toepassing van de bepalingen van boek IX, titel 2, kunnen aan de werknemers bijkomend dermatologische producten worden ter beschikking gesteld.
  1. Neuszalf kan bijkomend gebruikt worden door:
  a) werknemers die blootgesteld zijn aan inademing van alkalische chromaten of bichromaten of van chroomzuur en daardoor verzweringen of doorboringen van het neusbeschot kunnen oplopen;
  b) werknemers die neusletsels van dezelfde aard zouden opgedaan hebben ten gevolge van de inademing van andere bijtende of prikkelende stoffen.
  2. Dermatologische bereidingen bestemd voor de bescherming van de huid van blote lichaamsdelen kunnen bijkomend gebruikt worden door:
  a) werknemers die blootgesteld zijn aan de prikkelende inwerking van het stof van pek;
  b) werknemers die blootgesteld zijn aan uitwasemingen van stof of van dampen die een soortgelijke prikkelende inwerking op de huid uitoefenen.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 28 april 2017.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
K. PEETERS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, artikel 4, § 1, genummerd bij de wet van 7 april 1999 en gewijzigd bij de wet van 28 februari 2014;
   Gelet op het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, goedgekeurd bij de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947;
   Gelet op het koninklijk besluit van 6 juli 2004 betreffende de werkkledij;
   Gelet op het koninklijk besluit van 13 juni 2005 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 30 augustus 2013 tot vaststelling van algemene bepalingen betreffende de keuze, de aankoop en het gebruik van collectieve beschermingsmiddelen;
   Gelet op het advies nr. 189 van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk, gegeven op 11 december 2015;
   Gelet op het advies nr. 60.083/1 van de Raad van State, gegeven op 4 november 2016 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van de Minister van Werk,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie