J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 2 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2016/06/10/2016036032/justel

Titel
10 JUNI 2016. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 4 maart 2016 houdende het Vlaamse doelgroepenbeleid
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-06-2016 en tekstbijwerking tot 25-01-2019)

Bron : VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 28-06-2016 nummer :   2016036032 bladzijde : 39030       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2016-06-10/03
Inwerkingtreding : 01-07-2016

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :2008036282        2002022563        2002022967        2002022565        2002022965        2001013227        2006035922        1997012449        2002022562        2002022964        2006012086        2008036199        2003012302       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - De doelgroepverminderingen
Art. 1-13
HOOFDSTUK 2. - De Vlaamse ondersteuningspremie
Art. 14-18, 18/1
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
Art. 19-28, 28/1, 29-38

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - De doelgroepverminderingen

  Artikel 1. Artikel 6 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, vervangen bij het koninklijk van 24 januari 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 6. De doelgroepvermindering voor de oudere zittende werknemer bestaat uit :
  1° een forfaitaire vermindering G4 als de oudere zittende werknemer op de laatste dag van het kwartaal van zijn tewerkstelling minimaal 55 jaar is;
  2° een forfaitaire vermindering G6 als de oudere zittende werknemer op de laatste dag van het kwartaal van zijn tewerkstelling minimaal zestig jaar is.".

  Art. 2. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 januari 2016, worden een artikel 6/1 tot en met 6/3 ingevoegd, die luiden als volgt :
  "Art. 6/1. § 1. De doelgroepvermindering voor de indienstneming van oudere niet-werkende werkzoekenden bestaat uit :
  1° een forfaitaire vermindering G6 tijdens het kwartaal van de indienstneming en de zeven daaropvolgende kwartalen, als de aangeworven werknemer op de laatste dag van het kwartaal van de indienstneming minimaal 55 jaar is en de leeftijd van 60 jaar niet heeft bereikt;
  2° een forfaitaire vermindering G8 tijdens het kwartaal van de indienstneming en de zeven daaropvolgende kwartalen, als de aangeworven werknemer op de laatste dag van het kwartaal van de indienstneming minimaal zestig jaar is en de leeftijd, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikel 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, niet heeft bereikt.
  Onder oudere niet-werkende werkzoekenden worden personen verstaan die :
  1° bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ingeschreven zijn als een niet-werkende werkzoekende als vermeld in artikel 1, eerste lid, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
  2° gedurende de voorbije vier kwartalen voorafgaand aan het kwartaal van hun indienstneming niet zijn tewerkgesteld bij de werkgever die de doelgroepvermindering aanvraagt.".
  § 2. Als aan een werkgever een doelgroepvermindering is toegekend voor een werknemer die hij opnieuw in dienst neemt binnen een periode van vier kwartalen na de beėindiging van de vorige arbeidsovereenkomst, worden die tewerkstellingen, voor de vaststelling van de forfaitaire doelgroepvermindering en voor de looptijd ervan, als één tewerkstelling beschouwd. De periode tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode niet waarin de doelgroepvermindering wordt toegekend.".
  Art. 6/2. De loongrens, vermeld in artikel 339, tweede lid, 3°, van de wet van 24 december 2002 bedraagt 13.400 euro.
  Art. 6/3. De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding bezorgt via elektronische weg aan de instelling die belast is met de inning en de invordering van de socialezekerheidsbijdragen, alle gegevens die die instelling nodig heeft om op een geautomatiseerde manier het recht op de doelgroepvermindering voor de oudere niet-werkende werkzoekenden, vermeld in artikel 6/1, te beoordelen.".

  Art. 3. In artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 2007, wordt de zinsnede "De artikelen 9, 9bis en 12 van dit besluit zijn" vervangen door de zinsnede "Het artikel 9bis van dit besluit is".

  Art. 4. Artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 juli 2013, 21 januari 2014 en 26 januari 2014, opgeheven.

  Art. 5. In artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 2007, wordt de zinsnede "artikelen 9 en 9bis" telkens vervangen door de zinsnede "artikel 9bis".

  Art. 6. In artikel 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 januari 2004 en 28 maart 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de zinsnede "Voor de toepassing van artikelen 9 en 9bis" wordt vervangen door de zinsnede "Voor de toepassing van artikel 9bis";
  2° de zinsnede "van respectievelijk de voormelde artikelen 9 en 9bis" wordt vervangen door de zinsnede ", vermeld artikel 9bis".

  Art. 7. Artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 januari 2004, wordt opgeheven.

  Art. 8. In artikel 14 bis, eerste lid van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 januari 2004 en gewijzigd bij het koninklijk 28 maart 2007, wordt de zinsnede "artikelen 9 en 9bis" vervangen door de zinsnede "artikel 9bis".

  Art. 9. Artikel 17 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.

  Art. 10. Artikel 18 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 maart 2006 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 februari 2010, 2 april 2010 en 24 januari 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 18. § 1. De doelgroepvermindering voor de tewerkstelling tijdens de opleiding van leerlingen als vermeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, bestaat uit een forfaitaire vermindering van G1 per kwartaal tijdens de duur van hun tewerkstelling.
  Na afloop van de opleiding als leerling, vermeld in het eerste lid, kan de werkgever een beroep doen op de doelgroepvermindering voor jonge werknemers, vermeld in paragraaf 2 of 3.
  § 2. De doelgroepvermindering voor de tewerkstelling van laaggeschoolde jonge werknemers die op de laatste dag van het kwartaal van de indienstneming de leeftijd van 25 jaar niet bereikt hebben, bestaat uit een forfaitaire vermindering van G6 tijdens het kwartaal van die indienstneming en de zeven daaropvolgende kwartalen.
  § 3. De doelgroepvermindering voor de tewerkstelling van middengeschoolde jonge werknemers die op de laatste dag van het kwartaal van de indienstneming de leeftijd van 25 jaar niet bereikt hebben, bestaat uit een forfaitaire vermindering van G1 tijdens het kwartaal van de indienstneming en de zeven daaropvolgende kwartalen.
  § 4. De doelgroepvermindering, vermeld in paragraaf 1 tot en met paragraaf 3, wordt per kwartaal toegekend vanaf de datum van de eerste indienstneming van de laaggeschoolde of middengeschoolde jonge werknemer die plaatsvindt vanaf 1 juli 2016. Als de werkgever een jonge werknemer opnieuw in dienst neemt binnen een periode van vier kwartalen na de beėindiging van de vorige arbeidsovereenkomst, worden die tewerkstellingen, voor de vaststelling van de forfaitaire doelgroepvermindering en voor de looptijd ervan, als één tewerkstelling beschouwd. De periode tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode niet waarin de doelgroepvermindering wordt toegekend.".

  Art. 11. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 januari 2016, wordt een artikel 18/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 18/1. De loongrens, vermeld in artikel 346, § 2, tweede lid, 1°, van de wet van 24 december 2002 bedraagt 7.500 euro gedurende het kwartaal van de indienstneming en de drie daaropvolgende kwartalen en bedraagt 8.100 euro gedurende de daaropvolgende vier kwartalen.".

  Art. 12. Artikel 20 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 januari 2004 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 maart 2006, 2 april 2010 en 24 januari 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 20. § 1. De werkgever krijgt alleen de doelgroepvermindering voor een jonge werknemer, bepaald in artikel 18, § 2 en § 3, als die op de laatste dag van het kwartaal over een elektronisch dossier beschikt.
  Onder elektronisch dossier als vermeld in het eerste lid, wordt verstaan : het elektronische dossier, vermeld in artikel 22/2 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding".
  § 2. Als het elektronische dossier wordt opgemaakt na de laatste dag van het kwartaal van de indienstneming van de jonge werknemer, wordt, met behoud van de toepassing van artikel 18, § 2 en § 3, de periode waarin de doelgroepvermindering voor jonge werknemers kan worden toegekend, verminderd met de periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal dat voorafgaat aan het kwartaal van de opmaak van het elektronische dossier.
  § 3. De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding bezorgt via elektronische weg aan de instellingen die belast zijn met de inning en de invordering van de socialezekerheidsbijdragen, alle gegevens die de instellingen nodig hebben om op een geautomatiseerde manier het recht op de doelgroepvermindering voor jonge werknemers, vermeld in artikel 18, § 2 en § 3, te beoordelen.
  § 4. De werkgever of werknemer die de juistheid van de gegevens, vermeld in paragraaf 3, betwist, kan bij het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie een aanvraag tot wijziging indienen, waarbij hij de nodige bewijsstukken aanlevert.
  Het voormelde departement kan alle noodzakelijk gegevensbronnen raadplegen met het oog op de verwerking van de aanvraag.".

  Art. 13. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 januari 2016, worden de volgende artikelen opgeheven :
  1° artikel 28/1, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 juli 2004, vervangen bij het koninklijk besluit van 28 maart 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 april 2009;
  2° artikel 28/1bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 28 juni 2009 en gewijzigd bij de wet van 30 december 2009 en het koninklijk besluit van 13 augustus 2011;
  3° artikel 28/1ter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 februari 2010.

  HOOFDSTUK 2. - De Vlaamse ondersteuningspremie

  Art. 14. Aan artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt tussen het woord "werkgevers" en het woord "worden" de woorden "en de zelfstandigen" ingevoegd;
  2° er wordt een tweede lid tot en met een vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
  "De volgende ondernemingen worden van steun uitgesloten :
  1° een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard, met uitzondering van steunregelingen tot herstel van de schade die veroorzaakt is door bepaalde natuurrampen;
  2° ondernemingen in moeilijkheden.
  In het tweede lid, 2° wordt verstaan onder onderneming in moeilijkheden : een onderneming die aan een van de volgende voorwaarden voldoet :
  1° de onderneming is een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met uitzondering van een kmo die minder dan drie jaar bestaat, waarvan meer dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Dat is het geval als het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming, een negatieve uitkomst oplevert die groter is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal;
  2° een aantal van de vennoten is onbeperkt aansprakelijk voor de schulden van de onderneming, met uitsluiting van een kmo die minder dan drie jaar bestaat, en meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming, zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, is door de gecumuleerde verliezen verdwenen;
  3° tegen de onderneming loopt een collectieve insolventieprocedure of de onderneming voldoet volgens de criteria van het nationale recht aan de criteria om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen;
  4° de onderneming heeft reddingssteun ontvangen en heeft de lening nog niet terugbetaald of heeft de garantie nog niet beėindigd, dan wel herstructureringssteun ontvangen en zit nog altijd in een herstructureringsplan;
  5° de onderneming is geen kmo waarbij de afgelopen twee jaar :
  a) de verhouding tussen het vreemde vermogen en het eigen vermogen, volgens de boekhouding van de onderneming, meer dan 7,5 bedroeg;
  b) de op basis van de EBITDA bepaalde rentedekkingsgraad lager lag dan 1,0.
  In het derde lid, 1°, wordt verstaan onder vennootschap met beperkte aansprakelijkheid : de met name bedoelde rechtsvormen van ondernemingen, vermeld in de bijlage I bij Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiėle overzichten, geconsolideerde financiėle overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en omvat het aandelenkapitaal ook het eventuele agio.
  In het derde lid, 1°, 2°, en 5° wordt verstaan onder kmo : de onderneming die voldoet aan de in bijlage 1 vastgestelde criteria bij verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieėn steun op grond van artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.
  In het derde lid, 2°, wordt verstaan onder onderneming waarin ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming, de rechtsvormen van ondernemingen, vermeld in bijlage II bij voormelde Richtlijn 2013/34/EU.".

  Art. 15. In artikel 4 van hetzelfde besluit wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Voor de toekenning van de VOP, vermeld in hoofdstuk VI, bepaalt de VDAB dat recht op basis van een van de onderstaande mogelijkheden :
  1° de lijst met aandoeningen en voorgaande feiten van personen met een indicatie van een arbeidshandicap, die na advies van de raad van bestuur van de VDAB door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, wordt vastgesteld;
  2° multidisciplinaire informatie;
  3° het gespecialiseerde arbeidsonderzoek, uitgevoerd door een gespecialiseerde arbeidsonderzoekdienst (GA).".

  Art. 16. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, wordt hoofdstuk VI, dat bestaat uit artikel 28 tot en met 36, vervangen door wat volgt :
  "Hoofdstuk VI. De Vlaamse ondersteuningspremie
  Afdeling I. - De VOP voor werkgevers
  Art. 28. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° departement : het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie;
  2° referteloon : het referteloon, vermeld in artikel 30, § 2;
  3° werkgever : de werkgever die behoort tot een van de volgende categorieėn :
  a) een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon;
  b) een provincie, een gemeente, of OCMW, of een door een provincie, gemeente of OCMW opgericht verzelfstandigd agentschap, of de vereniging waaraan ze deelnemen met toepassing van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking of van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, die een werknemer met een arbeidshandicap na 1 juli 2008 heeft aangeworven;
  c) een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet;
  d) een maatwerkbedrijf als vermeld in artikel 3, 5°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, dat een persoon aanwerft die aan een van de volgende voorwaarden voldoet :
  1) de persoon is een werknemer met een arbeidshandicap die vanaf 1 januari 2015 door het maatwerkbedrijf is aangeworven;
  2) de persoon is een werknemer die als doelgroepwerknemer als vermeld in artikel 3, 2°, van het voormelde decreet, na een evaluatie door de VDAB als vermeld in artikel 8 van het voormelde decreet, doorgestroomd is naar een aansluitende tewerkstelling in een betrekking met geheel zonder of met geringere ondersteuning dan vermeld in het voormelde decreet en die aan de volgende voorwaarden voldoet :
  i) de functie van de werknemer is verschillend van de functie die hij heeft uitgeoefend als doelgroepwerknemer;
  ii) de werknemer bekleedt niet de functie van begeleider, vermeld in artikel 15, van het voormelde decreet;
  4° werknemer met een arbeidshandicap : de persoon met een arbeidshandicap van wie de VDAB met toepassing van hoofdstuk II bepaalt dat hij in aanmerking komt voor een VOP, of de persoon die na een evaluatie door de VDAB als vermeld in artikel 8 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, kan doorstromen naar een aansluitende tewerkstelling in een betrekking met geheel zonder of met geringere ondersteuning als vermeld in het voormelde decreet.
  Voor de toepassing van dit besluit wordt met maatwerkbedrijf als vermeld in het eerste lid, 3°, d) gelijkgesteld :
  1° de beschutte werkplaats, erkend conform artikel 79 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006;
  2° de sociale werkplaats, erkend conform het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen.
  Art. 29. § 1. Het departement kent aan een werkgever die een werknemer met een arbeidshandicap tewerkstelt een VOP toe om de integratie van die werknemer in het arbeidscircuit te bevorderen. Het departement kent de VOP toe op basis van :
  1° het onderzoek van de VDAB, vermeld in paragraaf 3;
  2° het onderzoek naar de arbeidsrelatie tussen de werkgever en de werknemer.
  § 2. De werkgever dient bij het departement een aanvraag voor de VOP in. Het departement stelt daarvoor een elektronisch aanvraagformulier ter beschikking. De aanvraag vermeldt de volgende gegevens :
  1° de identiteitsgegevens van de werkgever;
  2° de identiteitsgegevens van de werknemer;
  3° de datum van indiensttreding van de werknemer.
  Het departement beoordeelt de ontvankelijkheid van de aanvraag op basis van een volledig en correct ingevuld aanvraagformulier.
  De werkgever van wie de aanvraag ontvankelijk is, wordt daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst. Die termijn van zeven kalenderdagen wordt geschorst als het departement de werkgever om aanvullende informatie heeft verzocht en het die informatie nog niet heeft ontvangen.
  De werkgever van wie de aanvraag niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen.
  § 3. Het departement bezorgt het ontvankelijk verklaard aanvraagdossier via elektronische weg aan de VDAB met het verzoek om een onderzoek te voeren naar het recht op een VOP voor de werknemer conform artikel 3 en 4.
  § 4. Uiterlijk dertig dagen na de ontvankelijk verklaarde aanvraag brengt het departement de werkgever op de hoogte van, in voorkomend geval :
  1° de beslissing tot toekenning van een VOP aan de werkgever;
  2° de stand van zaken in het onderzoek, vermeld in paragraaf 3.
  De beslissing tot toekenning, vermeld in het eerste lid, 1°, omvat :
  1° de identiteitsgegevens van de werknemer die recht heeft op een VOP;
  2° de aanvangsdatum en de duurtijd van de toekenning van de VOP;
  3° het bedrag van de VOP.
  § 5. Als het onderzoek, vermeld in paragraaf 3, niet kan worden afgerond door de VDAB uiterlijk vier maanden na de datum van de ontvankelijkheidsverklaring, vervalt de aanvraag van de werkgever.
  In afwijking van eerste lid kan het departement die termijn verlengen als het onderzoek door de VDAB niet tijdig kan worden afgerond om redenen die vreemd zijn aan de wil van de werkgever of de werknemer.
  § 6. Het departement betaalt de VOP uit vanaf het kwartaal van de aanvraag voor de duurtijd van het recht op ondersteuning, zoals dat conform artikel 4 door de VDAB is bepaald, maximaal gedurende de negentien daaropvolgende kwartalen.
  Art. 30. § 1. Het bedrag van de VOP is gelijk aan :
  1° tijdens periode 1, die gelijk is aan het kwartaal van de eerste aanwerving en de vier daaropvolgende kwartalen van de tewerkstelling bij dezelfde werkgever : 40 % van het geplafonneerde referteloon;
  2° tijdens periode 2, die gelijk is aan het vijfde kwartaal na het kwartaal van de eerste aanwerving tot en met het achtste kwartaal na het kwartaal van de eerste aanwerving bij dezelfde werkgever : 30 % van het geplafonneerde referteloon;
  3° tijdens periode 3, die aanvangt in het negende kwartaal na het kwartaal van de eerste aanwerving bij dezelfde werkgever : 20 % van het geplafonneerde referteloon.
  § 2. Het referteloon, vermeld in paragraaf 1, is samengesteld uit de volgende bestanddelen die daadwerkelijk door de werkgever worden betaald voor de bezoldiging van de persoon met een arbeidshandicap :
  1° het loon, vermeld in artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en zoals als dusdanig gekwalificeerd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  2° alle verplichte werkgeversbijdragen die verschuldigd zijn conform artikel 38, § 3, § 3bis, § 3quinquies en § 3undecies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
  3° de verminderingen van socialezekerheidsbijdragen ten voordele van de werkgever, meer in het bijzonder de socialezekerheidsbijdragen, vermeld in titel IV, hoofdstuk 7, van de Programmawet (I) van 24 december 2002.
  Bij voltijdse tewerkstelling wordt het referteloon geplafonneerd tot het dubbele van het gewaarborgde gemiddelde minimummaandinkomen, vermeld in artikel 3, eerste lid van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen.
  Bij deeltijdse tewerkstelling wordt het plafond van het referteloon pro rata verrekend voor nieuwe aanvragen die worden ingediend vanaf de inwerkintreding van dit besluit. Voor de aanvragen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn goedgekeurd, wordt de tegemoetkoming bij een verlenging van de aanvraag of uiterlijk vanaf 1 januari 2019 toegekend op grond van een pro rata verrekening van het plafond van het referteloon.
  § 3. Voor de vaststelling van de periodes, vermeld in paragraaf 1, wordt de periode tussen twee arbeidsovereenkomsten, als die korter is dan vier kwartalen, gelijkgesteld met een tewerkstelling voor de berekening van het bedrag van de VOP, conform paragraaf 1.
  Voor de berekening van het bedrag van de VOP, vermeld in paragraaf 1, wordt de periode waarin de werknemer een GIBO of een doorstroomtraject volgt, vermeld in artikel 24 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, gelijkgesteld met een periode van tewerkstelling.
  § 4. Tijdens het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP brengt het departement de werkgever op de hoogte van het einde van de betalingen van de VOP en van de mogelijkheid om bij het departement een gemotiveerde aanvraag tot behoud van de VOP in te dienen.
  Vanaf het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP kan de werkgever een gemotiveerde aanvraag indienen bij het departement tot behoud van de VOP. Het departement beslist op basis van de evaluatie door de VDAB, vermeld in artikel 32, over het bedrag en de duurtijd van de VOP.
  Art. 31. Het departement kan aan de werkgever die daarom gemotiveerd verzoekt, een hogere tegemoetkoming toekennen dan de tegemoetkoming, vermeld in artikel 30.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, stelt na het advies van de raad van bestuur van de VDAB de lijst met aandoeningen en voorgaande feiten van personen met een indicatie van een arbeidshandicap vast, die recht geven op een verhoogde tegemoetkoming.
  Het departement beslist over het bedrag en de duurtijd van de VOP op basis van een evaluatie door de VDAB als vermeld in artikel 32.
  Tijdens het voorlaatste kwartaal waarin de hogere tegemoetkoming wordt toegekend, brengt het departement de werkgever op de hoogte van het einde van de betalingen van de hogere tegemoetkoming en van de mogelijkheid om bij het departement een gemotiveerde aanvraag in te dienen tot behoud van de hogere tegemoetkoming.
  Vanaf het voorlaatste kwartaal waarin de hogere tegemoetkoming wordt toegekend, kan de werkgever een gemotiveerde aanvraag indienen bij het departement om die hogere tegemoetkoming te behouden. Het departement beslist op basis van een evaluatie door de VDAB over het bedrag en de duurtijd van de VOP.
  Art. 32. Als de werkgever een aanvraag indient tot verlenging van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 30, § 3, of tot een verhoging van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 31, evalueert de VDAB de behoefte aan ondersteuning en de duurtijd van de ondersteuning ter plaatse bij de werkgever.
  De werkgever heeft recht op een verlenging of verhoging van de VOP als de kosten van de inschakeling in het beroepsleven, de kosten van de ondersteuning en van de verminderde productiviteit van de werknemer minimaal twintig procent van zijn referteloon bedragen.
  De VOP wordt maximaal gedurende twintig kwartalen toegekend. De VOP kan maximaal verhoogd worden tot 60 procent van het referteloon.
  Art. 33. De werkgever aan wie de VOP wordt toegekend, kan geen werknemers ontslaan met de uitsluitende bedoeling :
  1° hen te vervangen door een of meer werknemers met een arbeidshandicap, die recht geven op een VOP of op een hogere VOP;
  2° hen daarna opnieuw aan te werven met het oog op de toekenning van een VOP of een hogere VOP.
  Art. 34. De VOP voor dezelfde werknemer is niet cumuleerbaar met :
  1° de vergoeding voor het inschakelingstraject van de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 25 van het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;
  2° de premie, vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 27 oktober 1993 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen;
  3° de tegemoetkoming, vermeld in hoofdstuk III van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciėle sector;
  4° de loonpremie voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
  5° het loon dat wordt uitbetaald aan de personen die tewerkgesteld zijn met toepassing van artikel 60, § 7, en artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  6° de loonpremie voor de invoegwerknemers, vermeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2005 betreffende de erkenning en financiering van de invoegbedrijven;
  7° de subsidie van loon en sociale lasten voor gehandicapte werknemers, vermeld in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1996 houdende de subsidieregeling van het loon en van de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Departement Werk en Sociale Economie;
  8° de loonpremie voor een doelgroepwerknemer in een sociale werkplaats, vermeld in artikel 18 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998 tot uitvoering van het decreet inzake sociale werkplaatsen.
  Als de hoogste steunintensiteit of het hoogste steunbedrag, vermeld in verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieėn steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, wordt overschreden, worden de vergoedingen die buiten dit besluit zijn verworven, in mindering gebracht van de VOP.
  Afdeling II. - De VOP voor zelfstandigen
  Art. 35. Het departement kent de VOP toe aan de persoon met een arbeidshandicap die na 1 oktober 2008 zelfstandige in hoofdberoep is geworden of vanaf de inwerkingtreding van dit besluit zelfstandige in bijberoep is geworden als vermeld in het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
  Het departement kent, na aanvraag van de zelfstandige, een VOP toe aan de zelfstandige in hoofdberoep of de zelfstandige in bijberoep, bepaald in het voormelde koninklijk besluit, die vanaf de inwerkingtreding van dit besluit een persoon met een arbeidshandicap wordt en recht heeft op bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen en voorheen geen erkenning had voor een tegemoetkoming om de tewerkstelling onder gewone arbeidsvoorwaarden te bevorderen vanwege het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of een van zijn rechtsvoorgangers.
  De toekenning van een VOP aan de persoon, vermeld in het eerste lid is afhankelijk van een positieve beoordeling van de zelfstandige activiteit van de door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, erkende organisatie. De erkende organisatie beoordeelt de zelfstandige activiteit positief voor zover het belastbare nettobedrijfsinkomen van de zelfstandige activiteit tijdens het kwartaal van de aanvraag en tijdens de vier volgende kwartalen hoger is dan 15.000 euro.
  De beoordeling, vermeld in het derde lid, is niet vereist voor de personen die met betrekking tot hun zelfstandige activiteit beschikken over een fiscaal aanslagbiljet voor het aanslagjaar dat voorafgaat aan de aanvraag van de VOP.
  Art. 36. § 1. Voor de berekening van de VOP wordt het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen als basis genomen.
  § 2. Het bedrag van de VOP voor zelfstandigen, vermeld in artikel 35, is gelijk aan :
  1° 40 % gedurende het kwartaal van de aanvraag en de vier daaropvolgende kwartalen;
  2° 20 % vanaf het zesde kwartaal tot en met het twintigste kwartaal, op voorwaarde dat voldoende bedrijfsactiviteit kan worden aangetoond.
  Tijdens het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP brengt het departement de zelfstandige op de hoogte van het einde van de betalingen van de VOP en van de mogelijkheid om bij het departement een gemotiveerde aanvraag in te dienen tot behoud van het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°.
  Vanaf het voorlaatste kwartaal van de toekenning van de VOP kan de zelfstandige een gemotiveerde aanvraag indienen bij het departement tot behoud van het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°. Het departement beslist op basis van een evaluatie door de VDAB over het bedrag en de periode van de VOP.
  § 3. Er is voldoende bedrijfsactiviteit zolang het belastbare nettobedrijfsinkomen hoger is dan 15.000 euro. Dat wordt aangetoond met een fiscaal aanslagbiljet.".

  Art. 17. Artikel 40 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 40. De VDAB schorst de betaling van de tegemoetkomingen, vermeld in hoofdstuk III, IV en V, en vordert die terug als de persoon met een arbeidshandicap of een werkgever de voorwaarden, vermeld in dit besluit niet naleeft.
  Het departement schorst de betaling van de tegemoetkomingen, vermeld in hoofdstuk VI, en vordert die in een van onderstaande gevallen terug :
  1° de persoon met een arbeidshandicap of een werkgever leeft de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk VI niet na;
  2° er zijn nauwkeurige of overeenstemmende vermoedens dat een werkgever een of meer personen met een arbeidshandicap heeft ontslagen uitsluitend met de bedoeling hen te vervangen door een of meer personen met een arbeidshandicap die recht geven op een VOP of op een hogere VOP, of uitsluitend met de bedoeling hen daarna opnieuw aan te werven om een hogere VOP te verkrijgen.".

  Art. 18. Artikel 63 en 64 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 september 2010, worden opgeheven.

  Art. 18/1. In het zelfde besluit wordt een artikel 67/2 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 67/2. Voor werknemers met een arbeidshandicap die uiterlijk op 30 juni 2016 met een VOP zijn tewerkgesteld in het kader van uitzendarbeid conform de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, blijven werkgevers de VOP behouden tot uiterlijk 30 juni 2017 conform het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.".

  HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen

  Art. 19. In het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden worden de volgende artikelen opgeheven :
  1° artikel 7, vervangen bij het koninklijk besluit van 16 mei 2003 en het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 januari 2014;
  2° artikel 10, vervangen bij het koninklijk besluit van 16 mei 2003 en het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 september 2012.

  Art. 20. In het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering worden de volgende artikelen opgeheven;
  1° artikel 78 ter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1997 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 juli 1998 en 7 juni 2013;
  2° artikel 131 quater, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1997, vervangen bij het koninklijk besluit van 15 juli 1998 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001.

  Art. 21. De volgende regelingen worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 juni 2007;
  2° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt aangeworven in het kader van het Activaplan, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 december 2002, 11 september 2003 en 11 april 2004;
  3° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 mei 2003 en 1 april 2004;
  4° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in het kader van de invoeginterim;
  5° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiėle maatschappelijke hulp die wordt aangeworven in het kader van het Activaplan, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 1 april 2004 en 23 december 2002;
  6° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiėle maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 1 april 2004 en 16 mei 2003;
  7° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voor een rechthebbende op financiėle maatschappelijke hulp in het kader van de invoeginterim, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 april 2004;
  8° het koninklijk besluit van 29 maart 2006 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ter bevordering van de tewerkstelling van laaggeschoolde of erg laag geschoolde jongeren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2006 en 2 mei 2007;
  9° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006 tot invoering van de tewerkstellingspremie, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014;
  10° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende werkervaring, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2014.

  Art. 22. De werknemers die uiterlijk op 31 december 2016 in dienst zijn getreden, behouden hun integratie-uitkering tot uiterlijk 31 december 2018 overeenkomstig de volgende voorwaarden, vermeld in de volgende besluiten, zoals van kracht vóór de inwerkintreding van dit besluit :
  1° het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
  2° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
  3° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiėle maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma.

  Art. 23. De werknemers met een verminderde arbeidsgeschiktheid die uiterlijk op 30 juni 2016 in dienst zijn getreden, behouden hun werkuitkering tot uiterlijk 31 december 2018 overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in artikel 7, § 8, en artikel 10, § 4, van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurige werkzoekenden, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 24. De werknemers die uiterlijk op 31 december 2016 in dienst zijn getreden, behouden hun werkuitkering tot uiterlijk 31 december 2018 overeenkomstig de volgende voorwaarden, vermeld in de volgende bepalingen en besluiten, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit :
  1° artikel 7, § 1 tot en met § 7, en § 9, en artikel 10, § 1 tot en met § 3, van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurige werkzoekenden;
  2° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt aangeworven in het kader van het Activaplan;
  3° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiėle maatschappelijke hulp die wordt aangeworven in het kader van het Activaplan.

  Art. 25. Voor werknemers die uiterlijk 31 december 2016 in dienst zijn getreden, behouden de uitzendbureaus de voordelen in het kader van invoeginterim tot uiterlijk 31 december 2018 overeenkomstig de voorwaarden, bepaald krachtens de volgende besluiten, zoals van kracht vóór de inwerkintreding van dit besluit :
  1° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in het kader van de invoeginterim;
  2° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voor een rechthebbende op financiėle maatschappelijke hulp in het kader van de invoeginterim.

  Art. 26. Voor werknemers die uiterlijk op 31 december 2016 in dienst zijn getreden, behouden werkgevers tot uiterlijk 31 december 2018 de werkgeversbijdragevermindering van het Activaplan volgens de voorwaarden, bepaald krachtens artikel 7, 8, 9, 9bis, 10, 11, 13 en 14 bis van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 27.Voor werknemers die zijn ontslagen in het kader van een herstructurering en uiterlijk op 31 december 2016 in dienst zijn getreden, behouden werkgevers tot uiterlijk 31 december 2018 een doelgroepvermindering volgens de voorwaarden, bepaald krachtens artikel 28/1, 28/1bis en 28/1ter van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
  [1 In afwijking van artikel 28/1, tweede lid, 3°, is het referteloon van de werknemer niet hoger dan :
   a) 13.942,47 euro als de werknemer op de dag van de indiensttreding minstens dertig jaar is;
   b) 7178,76 euro als de werknemer op de dag van de indiensttreding jonger dan dertig jaar is.]1
  
  ----------
  (1)<BVR 2017-09-15/20, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2017>

  Art. 28.Voor jonge werknemers die uiterlijk op 30 juni 2016 in dienst zijn getreden, behouden werkgevers een doelgroepvermindering tot uiterlijk 31 december 2018 volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 18 en 20 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, zoals van kracht vóór de inwerkintreding van dit besluit.
  [1 Ter uitvoering van artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen wordt bij de hertewerkstelling bij dezelfde werkgever geen onderscheid gemaakt tussen tewerkstellingen die begonnen zijn voor en na 1 juli 2016.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-10-26/18, art. 39, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 28/1. Voor de jongere, vermeld in artikel 4 of 5bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die uiterlijk op 30 juni 2016 is tewerkgesteld, krijgt de werkgever een doelgroepvermindering als laaggeschoolden of middengeschoolde jongere overeenkomstig artikel 18 paragraaf 2 en 3 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen. De doelgroepvermindering wordt in voorkomend geval toegekend vanaf 1 januari van het kalenderjaar waarop voormelde jongere de leeftijd van 19 jaar bereikt.

  Art. 29. Jonge werknemers die uiterlijk op 30 juni 2016 in dienst zijn getreden, behouden hun werkuitkering overeenkomstig de voorwaarden, bepaald conform het koninklijk besluit van 29 maart 2006 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ter bevordering van de tewerkstelling van laaggeschoolde of erg laag geschoolde jongeren, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 30. Voor werknemers die vanaf de inwerkingtreding van dit besluit verhuizen naar een ander gewest loopt de integratieuitkering, vermeld in artikel 22, of de werkuitkering van werknemers, vermeld in artikel 23, 24, of 29, onverminderd verder tot en met de laatste dag van de maand volgend op de datum van de kennisname van die verhuis door de RVA.

  Art. 31. Voor werknemers die uiterlijk op 30 juni 2016 in dienst zijn getreden, blijven werkgevers hun tewerkstellingspremie behouden tot uiterlijk 31 december 2018 conform het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006 tot invoering van de tewerkstellingspremie, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 32. Het decreet van 23 november 2012 tot wijziging van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding", met uitzondering van artikel 3 en 4, treedt in werking op 1 juli 2016.

  Art. 33. Artikel 1, 4, 7, 8, 11 tot en met 15 van het decreet van 4 maart 2016 houdende het Vlaamse doelgroepenbeleid treden inwerking op 1 juli 2016.

  Art. 34. Artikel 2 en 3 van het voormelde decreet treden inwerking op 1 september 2016.

  Art. 35. Artikel 9 van voormelde decreet treedt in werking op 1 januari 2019.

  Art. 36. Artikel 16 tot met 26 van voormelde decreet treden hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2016.

  Art. 37. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2016, met uitzondering van :
  1° artikel 3, 4, 5, 6, 13, 19, 20 en artikel 21, 1° tot en met 9°, die inwerking treden op 1 januari 2019;
  2° artikel 7 en artikel 21, 10°, die inwerking treden op 1 september 2016.

  Art. 38. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 10 juni 2016.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
G. BOURGEOIS
De Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport,
Ph. MUYTERS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Vlaamse Regering,
   Gelet op verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieėn steun op grond van artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;
   Gelet op de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, artikel 339, vervangen bij de wet van 27 december 2012, en artikel 346, vervangen bij de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, artikel 339, 346, § 2 en § 3;
   Gelet op het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding", artikel 5, § 1, 5°, b) en § 2;
   Gelet op het decreet van 23 november 2012 tot wijziging van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding", artikel 2, 12° ;
   Gelet op het decreet van 4 maart 2016 houdende het Vlaamse doelgroepenbeleid, artikelen 12 tot en met 15;
   Gelet op het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
   Gelet op het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
   Gelet het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurige werkzoekenden;
   Gelet op het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt aangeworven in het kader van het Activaplan;
   Gelet op het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in het kader van de invoeginterim;
   Gelet op het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
   Gelet op het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiėle maatschappelijke hulp die wordt aangeworven in het kader van het Activaplan;
   Gelet op het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voor een rechthebbende op financiėle maatschappelijke hulp in het kader van de invoeginterim;
   Gelet op het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiėle maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
   Gelet op het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 29 maart 2006 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ter bevordering van de tewerkstelling van laaggeschoolde of erg laag geschoolde jongeren;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006 tot invoering van de tewerkstellingspremie;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende werkervaring;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap;
   Gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, gegeven op 25 april 2016;
   Gelet op het akkoord van de minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 25 maart 2016;
   Gelet op advies van 59.339/1 van de Raad van State, gegeven op 26 mei 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 februari 1973;
   Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport;
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 26-10-2018 GEPUBL. OP 25-01-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 28)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 15-09-2017 GEPUBL. OP 23-10-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 27)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie