J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 11 uitvoeringbesluiten
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/decreet/2016/03/04/2016035396/justel

Titel
4 MAART 2016. - Decreet houdende het Vlaamse doelgroepenbeleid

Bron :
VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 04-04-2016 nummer :   2016035396 bladzijde : 22366       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2016-03-04/12
Inwerkingtreding : onbepaald

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1995912906        1945020701        1944122850        2004036200        1965040210        2000003530        2004035865        1998035402        2002021488        2005021175        2002022559        2000012029       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingsbepalingen
Art. 2-11
HOOFDSTUK 3. - Vlaamse ondersteuningspremie
Art. 12-15
HOOFDSTUK 4. - Toezicht en handhaving
Art. 16-26
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
Art. 27-31

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingsbepalingen

  Art. 2. Artikel 11 van het decreet van 17 maart 1998 houdende diverse beleidsbepalingen, vervangen bij het decreet van 8 december 2000, en gewijzigd bij decreet van 21 november 2008, wordt opgeheven.

  Art. 3. Artikel 13 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

  Art. 4. Artikel 339 van de Programmawet (I) van 24 december 2002, vervangen bij de wet van 27 december 2012, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 339. Volgens de voorwaarden die ze nader bepaalt, kan de Vlaamse Regering een doelgroepvermindering toekennen aan werkgevers die oudere werknemers tewerkstellen.
  De tewerkstelling van de oudere werknemer voldoet minimaal aan de volgende voorwaarden :
  1° de oudere werknemer behoort tot de categorie 1 van werknemers, vermeld in artikel 330;
  2° de oudere werknemer heeft op de laatste dag van het kwartaal minimaal de leeftijd van 55 jaar bereikt;
  3° het refertekwartaalloon van de oudere werknemer is lager dan de door de Vlaamse Regering bepaalde loongrens.
  De Vlaamse Regering kan het forfaitaire bedrag en de periode van de toekenning van de doelgroepvermindering vaststellen, rekening houdend met :
  1° de leeftijd van de oudere zittende werknemer;
  2° de leeftijd van de oudere niet-werkende werkzoekende die na de inwerkingtreding van dit decreet wordt aangeworven.
  De Vlaamse Regering bepaalt wat onder oudere zittende werknemer en oudere niet-werkende werkzoekende als vermeld in het derde lid, moet worden verstaan.".

  Art. 5. De artikelen 340 en 341 van dezelfde wet worden opgeheven.

  Art. 6. Artikel 341bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 8 april 2003, wordt opgeheven.

  Art. 7. In artikel 346 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, worden paragraaf 2 en 3 vervangen door wat volgt :
  " § 2. Volgens de voorwaarden die ze nader bepaalt, kan de Vlaamse Regering een doelgroepvermindering voor jonge werknemers toekennen aan de werkgevers, vermeld in artikel 335.
  De tewerkstelling van jonge werknemers voldoet minimaal aan de volgende voorwaarden :
  1° het refertekwartaalloon van de jonge werknemer is lager dan de door de Vlaamse Regering bepaalde loongrens. De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de loongrens van toepassing is;
  2° op de dag van zijn indienstneming is de jonge werknemer laaggeschoold of middengeschoold en op de laatste dag van het kwartaal heeft hij de leeftijd van 25 jaar niet bereikt;
  3° de jonge werknemer is niet meer leerplichtig en hij behaalt binnen het kwartaal na zijn aanwerving geen diploma of graad die valt buiten het toepassingsgebied van bovenvermeld punt 2°.
  In het tweede lid, 2°, wordt verstaan onder :
  1° laaggeschoold : de jonge werknemer heeft geen diploma van secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift;
  2° middengeschoold : de jonge werknemer heeft hoogstens een diploma van secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift.
  De Vlaamse Regering kan specifieke studiebewijzen of attesten gelijkstellen met de diploma's of getuigschriften, vermeld in het derde lid, 1° en 2°.
  Om van het voordeel te genieten dient de jongere werknemer te beschikken over een elektronisch dossier zoals bepaald in artikel 22/2 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding".
  De VDAB beheert de scholingsgegevens van de jonge werknemer in dit elektronisch dossier.
  De Vlaamse Regering bepaalt het forfaitaire bedrag en de periode van toekenning van de doelgroepvermindering.
  § 3. De werkgevers, vermeld in artikel 335 van deze wet, genieten van een doelgroepvermindering bij de tewerkstelling van leerlingen als vermeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
  De Vlaamse Regering bepaalt het forfaitaire bedrag van de doelgroepvermindering en de periode van toekenning.".

  Art. 8. Artikel 347 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 december 2003, wordt opgeheven.

  Art. 9. Artikel 353bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003 en gewijzigd bij de wetten van 19 juni 2009 en 4 juli 2011, wordt opgeheven.

  Art. 10. In artikel 353bis/9, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 24 april 2014, wordt het eerste lid, 1°, opgeheven.

  Art. 11. Artikel 353bis/10 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 24 april 2014, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK 3. - Vlaamse ondersteuningspremie

  Art. 12. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om een stelsel in te richten dat voorziet in de tegemoetkoming aan een werkgever die een persoon met een arbeidshandicap aanwerft of heeft aangeworven, of aan een zelfstandige met een arbeidshandicap, ter compensatie van de kosten van de inschakeling in het beroepsleven, van de kosten van ondersteuning en van verminderde productiviteit.
  De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de toekenning, de procedure voor de aanvraag, en het bedrag van de tegemoetkoming.

  Art. 13. In artikel 2, 10°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap ``Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding'', gewijzigd bij decreet van 21 november 2008, 23 november 2012, 12 juli 2013 en 24 april 2015, wordt de zinsnede "3, 3° " vervangen door de zinsnede "3, 2° ".

  Art. 14. In artikel 2 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 november 2008, 23 november 2012, 12 juli 2013 en 24 april 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° er wordt een punt 12° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  ``12° persoon met een arbeidshandicap : een persoon met een langdurig en belangrijk probleem van deelname aan het arbeidsleven dat te wijten is aan het samenspel tussen functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard, beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en persoonlijke en externe factoren. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure aan de hand waarvan de VDAB bepaalt of een persoon al dan niet een arbeidshandicap heeft.'';
  2° het tweede lid wordt opgeheven.

  Art. 15. In artikel 5, § 1, 5°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 21 november 2008, 19 december 2008, 23 november 2012, 12 juli 2013 en 24 april 2015, wordt het woord "doelgroepwerknemers" telkens vervangen door de woorden "personen met een arbeidshandicap en doelgroepwerknemers".

  HOOFDSTUK 4. - Toezicht en handhaving

  Art. 16. In artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, het laatst gewijzigd bij de wet van 23 april 2015, wordt een paragraaf 4ter ingevoegd, die luidt als volgt :
  " § 4ter. Het toezicht en de controle op de uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, i), m), p), en zc), van deze besluitwet, en de uitvoeringsbesluiten van de voormelde bepalingen, verlopen conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.".

  Art. 17. Artikel 12ter van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, opgeheven door de wet van 6 juni 2010, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  "Art. 12ter. Het toezicht en de controle op de uitvoering van artikel 3, § 1, derde lid, van deze besluitwet en de uitvoeringsbesluiten van de voormelde bepalingen, worden, wat betreft de vrijstelling van de betalingen van de werkgeversbijdragen en de verminderingen van de werknemersbijdragen voor de sector van de koopvaardij, uitgevoerd conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.".

  Art. 18. In de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, het laatst gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, wordt een artikel 20bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 20bis. Het toezicht en de controle op de uitvoering van artikel 5, § 4 tot en met § 4ter, van deze wet en de uitvoeringsbesluiten van de voormelde bepalingen, worden uitgevoerd conform het decreet van 30 april 2014 houdende sociaalrechtelijk toezicht.".

  Art. 19. In de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid, het laatst gewijzigd bij de wet van 24 april 2014, wordt een artikel 47bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 47bis. Het toezicht en de controle op de uitvoering van artikel 33 van deze wet en de uitvoeringsbesluiten van de voormelde bepalingen, worden uitgevoerd conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.".

  Art. 20. Aan artikel 46 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, vervangen bij de wet van 6 juni 2010, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Het toezicht en de controle op de uitvoering van artikel 43 van deze wet, en de uitvoeringsbesluiten van de voormelde bepalingen, wat betreft de startbaanovereenkomsten in het kader van globale projecten, met uitzondering van de globale projecten met tewerkstelling binnen federale instellingen, worden uitgevoerd conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.".

  Art. 21. In de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, het laatst gewijzigd bij de wet van 19 december 2014, wordt een artikel 195/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 195/1. Het toezicht en de controle op de uitvoering van artikel 194 en 195 van deze wet, en de uitvoeringsbesluiten van de voormelde bepalingen, worden uitgevoerd conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.".

  Art. 22. In de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, het laatst gewijzigd bij de wet van 15 mei 2014, wordt een artikel 31/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 31/1. Het toezicht en de controle op de uitvoering van artikel 9, en 36 tot en met 39, van deze wet, en de uitvoeringsbesluiten van de voormelde bepalingen, worden uitgevoerd conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.".

  Art. 23. Aan titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, van de Programmawet (I) van 24 december 2002, het laatst gewijzigd bij de wet van 19 december 2014, wordt een onderafdeling 15 toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Onderafdeling 15. - Toezicht".

  Art. 24. In dezelfde wet, het laatst gewijzigd bij de wet van 19 december 2014, wordt in onderafdeling 15, toegevoegd bij artikel 23, een artikel 353bis/15 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 353bis/15. Het toezicht en de controle op de uitvoering van titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 1 tot en met 3, onderafdeling 5, 5bis, 7 en 10 tot en met 14, en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden uitgevoerd conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.".

  Art. 25. Aan artikel 2, § 1, eerste lid, van het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht, het laatst gewijzigd bij het decreet van 24 april 2015, worden een punt 45° tot en met 56° toegevoegd, die luiden als volgt :
  "45° de toekenning van premies aan uitkeringsgerechtigde werklozen die een beroepsopleiding hebben gevolgd, vermeld in artikel 7, § 1, derde lid, i), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  46° de activering van de uitkeringen toegekend door de werkloosheidsverzekering in geval van werkhervatting, met het behoud van een uitkering die door de werkgever in mindering wordt gebracht van het loon, vermeld in artikel 7, § 1, derde lid, m), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  47° de toekenning van premies aan uitkeringsgerechtigde werklozen die het werk hervatten, vermeld in artikel 7, § 1, derde lid, p), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  48° de toekenning van de overstappremie, vermeld in artikel 7, § 1, derde lid, zc), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  49° de vrijstellingen van de betaling van de werkgeversbijdragen en de verminderingen van de werknemersbijdragen, voor wat betreft de sector van de koopvaardij, vermeld in artikel 3, § 1, derde lid, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de kooplieden ter koopvaardij, die door de Vlaamse Regering wordt toegekend aan ondernemingen die behoren tot de koopvaardijsector, de zeesleepvaartsector en de baggersector;
  50° de toelage verschuldigd bij tewerkstelling van leefloners, vermeld in artikel 5, § 4 tot en met § 4ter, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  51° de besteding van de middelen die vrijkomen uit de vrijstelling van werkgeversbijdragen, vermeld in artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid;
  52° de startbaanovereenkomsten in het kader van globale projecten, met uitzondering van de globale projecten met tewerkstelling binnen federale instellingen, vermeld in artikel 43 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;
  53° de financiėle tegemoetkoming voor invoeginterim, vermeld in artikel 194 en 195 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen;
  54° de toelagen, vermeld in artikel 9, en 36 tot en met 39, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, en in artikel 5, § 4 tot en met § 4ter, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  55° de doelgroepverminderingen, vermeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 1 tot en met 3, onderafdeling 5, 5bis, 7, en 10 tot en met 15, van de programmawet (I) van 24 december 2002;
  56° de jongerenbonus non-profit, bepaald in artikelen 79 tot en met 86 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.".

  Art. 26. Aan artikel 85 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Het toezicht en de controle op de uitvoering van artikelen 79 tot en met 86 van deze wet, en de uitvoeringsbesluiten van voormelde bepalingen, worden uitgevoerd, conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.".

  HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen

  Art. 27. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om een regeling vast te stellen die gericht is op de opheffing van het Activaplan.
  Onder het Activaplan wordt de regeling verstaan die is vastgesteld bij :
  1° het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurige werkzoekenden;
  2° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt aangeworven in het kader van het Activaplan;
  3° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiėle maatschappelijke hulp die wordt aangeworven in het kader van het Activaplan;
  4° het koninklijk besluit van 29 maart 2006 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ter bevordering van de tewerkstelling van laaggeschoolde of erg laag geschoolde jongeren.

  Art. 28. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om het doorstromingsprogramma op te heffen.
  Onder doorstromingsprogramma wordt de regeling verstaan die is vastgesteld bij :
  1° het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
  2° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
  3° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiėle maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma.

  Art. 29. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om een regeling vast te stellen die gericht is op de opheffing van de invoeginterim.
  Onder de invoeginterim wordt de regeling verstaan die is vastgesteld bij :
  1° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in het kader van de invoeginterim;
  2° het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiėle tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voor een rechthebbende op financiėle maatschappelijke hulp in het kader van de invoeginterim.

  Art. 30. De Vlaamse Regering bepaalt de maatregelen die nodig zijn om de overgang van de regelgeving, vermeld in artikel 4 en 7, op een coherente manier te laten verlopen.
  De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden nader voor de geleidelijke beperking van de toekenning van de maatregelen, vermeld in artikelen 5, 6, 8 tot en met 11, met het oog op de opheffing ervan.

  Art. 31. De Vlaamse Regering bepaalt voor iedere bepaling van dit decreet de datum van inwerkingtreding.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 1, 4, 7, 8, 11 tot en met 15 vastgesteld op 01-07-2016 door BVR 2016-06-10/03, art. 33)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 2 en 3 vastgesteld op 01-09-2016 door BVR 2016-06-10/03, art. 34)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 9 vastgesteld op 01-01-2019 door BVR 2016-06-10/03, art. 35)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 16 tot met 26 vastgesteld op 01-01-2016 door BVR 2016-06-10/03, art. 36)

  
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 4 maart 2016.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
G. BOURGEOIS
De Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport,
Ph. MUYTERS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :
   Decreet houdende het Vlaamse doelgroepenbeleid

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    Zitting 2015-2016. Stukken. - Ontwerp van decreet, 607 - Nr. 1. - Amendementen, 607 - Nr. 2. - Verslag, 607 - Nr. 3. - Amendementen ingediend na het verslag, 607 - Nr. 4. - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering, 607 - Nr. 5. Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 24 februari 2016.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 11 uitvoeringbesluiten
Franstalige versie