J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2014/02/11/2014009092/justel

Titel
11 FEBRUARI 2014. - Wet houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (II)

Bron :
JUSTITIE
Publicatie : 08-04-2014 nummer :   2014009092 bladzijde : 29913       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2014-02-11/13
Inwerkingtreding : 18-04-2014

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :2003009298        1808121250       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek (SUO)
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering
Art. 2-7
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 8-10
Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties
Art. 11-13
HOOFDSTUK 3. - Inwerkingtreding
Art. 14

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek (SUO)

  Afdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering

  Art. 2. In het Wetboek van Strafvordering wordt een artikel 464/18 ingevoegd, luidende :
  "Art. 464/18. § 1. De kamer van inbeschuldigingstelling controleert de uitvoering van de in de artikelen 464/14 en 464/27 bedoelde observatie die gegevens heeft opgeleverd die nadien door het openbaar ministerie werden aangewend in het raam van een gerechtelijk onderzoek of een opsporingsonderzoek.
  De kamer van inbeschuldigingstelling onderzoekt op het ogenblik dat de onderzoeksrechter zijn dossier aan de procureur des Konings toezendt krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, op vordering van de procureur-generaal, de regelmatigheid van deze observatie.
  De kamer van inbeschuldigingstelling onderzoekt, op vordering van de procureur-generaal, de regelmatigheid van de observatie bij het afsluiten van het opsporingsonderzoek en alvorens het openbaar ministerie tot rechtstreekse dagvaarding overgaat.
  De rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling verloopt overeenkomstig het bepaalde bij artikel 235ter, §§ 2 tot 6.
  § 2. Op vraag van de strafuitvoeringsrechter die kennis neemt van een voorziening op grond van artikel 464/36, § 4, controleert de kamer van inbeschuldigingstelling de regelmatigheid van de uitvoering van de in de artikelen 464/14 en 464/27 bedoelde observaties die gegevens hebben opgeleverd die door het openbaar ministerie zijn aangewend in het raam van het SUO.
  De hoven en rechtbanken die kennis nemen van burgerrechtelijke vorderingen betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen houdende veroordeling tot een bijzondere verbeurdverklaring, een geldboete en de gerechtskosten in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, kunnen, alvorens uitspraak te doen over de gegrondheid van deze rechtsvordering, de zaak verzenden naar de kamer van inbeschuldigingstelling teneinde de regelmatigheid te controleren van de in het raam van het SUO uitgevoerde observatie.
  De rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling verloopt overeenkomstig het bepaalde bij artikel 235ter, §§ 2 tot 5.
  De griffier deelt een afschrift van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling mee aan de gedingvoerende partijen en aan het hof of de rechtbank die bedoeld zijn in het tweede lid.".

  Art. 3. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 464/20 ingevoegd, luidende :
  "Art. 464/20. De SUO-magistraat kan een in artikel 464/19 bedoelde uitvoeringshandeling enkel verrichten of laten verrichten na voorafgaande machtiging die wordt verleend door de strafuitvoeringsrechter.
  De strafuitvoeringsrechter doet over het schriftelijke en met redenen omklede verzoek tot machtiging uitspraak uiterlijk binnen een termijn van vijf werkdagen na de ontvangst van het verzoek.
  De strafuitvoeringsrechter onderzoekt uitsluitend de wettigheid, de proportionaliteit en de subsidiariteit van de gevorderde uitvoeringshandeling.
  De SUO-magistraat staat in voor de tenuitvoerlegging van de toegelaten uitvoeringshandeling.".

  Art. 4. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 464/21 ingevoegd, luidende :
  "Art. 464/21. § 1. De SUO-magistraat kan bij het Hof van Cassatie een cassatieberoep instellen tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter.
  § 2. De SUO-magistraat stelt het cassatieberoep in binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de uitspraak van het bestreden vonnis.
  Het cassatieberoep wordt ingesteld door een verklaring ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
  § 3. De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt het dossier van de rechtspleging onverwijld aan de griffie van het Hof van Cassatie.
  De cassatiemiddelen worden aangevoerd in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie wordt neergelegd, ten laatste op de vijfde dag na het afleggen van de verklaring.
  § 4. Het Hof van Cassatie doet uitspraak binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de instelling van het cassatieberoep.
  De griffie van het Hof van Cassatie geeft binnen vierentwintig uur na de uitspraak van het arrest per aangetekende zending of telefax kennis van dit arrest aan de SUO-magistraat.
  § 5. Na een cassatiearrest met verwijzing doet een andere strafuitvoeringsrechter uitspraak binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie.
  § 6. Voor het overige verloopt de rechtspleging zoals in correctionele zaken.".

  Art. 5. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 464/36 ingevoegd, luidende :
  "Art. 464/36 . § 1. Elke persoon die benadeeld is door een inbeslagneming met betrekking tot zijn goederen kan de SUO-magistraat verzoeken deze uitvoeringshandeling op te heffen.
  § 2. Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in Belgiė in, indien de verzoeker er zijn woonplaats of zetel niet heeft. Het wordt per aangetekende zending of telefax toegezonden aan het secretariaat van het bevoegde openbaar ministerie en ingeschreven in het daartoe bestemde register.
  § 3. De SUO-magistraat doet uitspraak binnen een termijn van vijftien dagen na de inschrijving van het verzoekschrift in het register.
  Hij kan het verzoek afwijzen indien hij van oordeel is dat de noodwendigheden van het onderzoek het vereisen of wanneer de veroordeling tot de betaling van een verbeurdverklaring, de geldboete en de gerechtskosten kan worden uitgevoerd op de betrokken goederen.
  De met redenen omklede beslissing van de SUO-magistraat wordt per telefax of bij een aangetekende zending meegedeeld aan de verzoeker, en in voorkomend geval, aan zijn advocaat binnen een termijn van acht dagen na de beslissing.
  § 4. De verzoeker kan de zaak aanhangig maken bij de strafuitvoeringsrechter binnen vijftien dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing.
  Deze termijn wordt verlengd met vijftien dagen indien één van deze personen buiten het Rijk verblijft.
  De zaak wordt bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig gemaakt door een verklaring gedaan op de griffie van de gevangenis of de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier geeft onverwijld kennis van de verklaring aan de SUO-magistraat die het onderzoek voert.
  § 5. De SUO-magistraat zendt de stukken van het dossier met betrekking tot de inbeslagneming toe aan de griffier van de strafuitvoeringsrechtbank, die ze ter griffie neerlegt. De stukken van het in de artikelen 464/14, 464/16 en 464/27 bedoelde vertrouwelijk dossier worden niet ter beschikking gesteld van de griffier, de strafuitvoeringsrechter, de verzoeker of zijn advocaat.
  De griffier stelt de verzoeker of zijn advocaat per telefax of bij een aangetekende zending, uiterlijk zeven dagen vooraf, in kennis van de plaats, de dag en het uur van de zitting. De griffier geeft onverwijld kennis van de zitting aan de SUO-magistraat.
  De stukken van het dossier die betrekking hebben op de inbeslagneming worden gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de verzoeker en zijn advocaat op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. De verzoeker kan, op zijn verzoek, een afschrift van de stukken verkrijgen.
  De verzoeker, zijn advocaat en het openbaar ministerie worden gehoord.
  § 6. De strafuitvoeringsrechter onderzoekt uitsluitend de wettigheid en de proportionaliteit van de inbeslagneming en doet binnen een termijn van dertig dagen na de neerlegging van de verklaring in eerste en laatste aanleg uitspraak over het verzoek tot opheffing van de inbeslagneming. Deze termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel op vraag van de verzoeker of zijn advocaat.
  De strafuitvoeringsrechter kan op vraag van de verzoeker of ambtshalve de controle waarin artikel 464/18, § 2, eerste lid, voorziet laten uitvoeren indien het beslag is gesteund op gegevens die zijn verkregen op grond van een observatie die wordt bedoeld in de artikelen 464/14 en 464/27 of die de inbeslagneming van de in de artikelen 464/29, § 2, of 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers mogelijk heeft gemaakt.
  De verzoeker die in het ongelijk wordt gesteld kan worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
  De griffier geeft binnen vierentwintig uur na de uitspraak per aangetekende zending of per telefax kennis van het vonnis van de strafuitvoeringsrechter aan de verzoeker of zijn advocaat alsook aan de SUO-magistraat en, in voorkomend geval, aan de directeur van het COIV.
  Het vonnis van de strafuitvoeringsrechter is niet vatbaar voor verzet of cassatieberoep."

  Art. 6. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 464/38 ingevoegd, luidende :
  "Art. 464/38. § 1. De SUO-magistraat die de vervreemding heeft toegestaan of bevolen geeft kennis of gelast de kennisgeving van zijn beslissing door middel van een aangetekende zending of per telefax verzonden aan :
  1° de personen ten laste van wie en in wiens handen het beslag werd gelegd, voor zover hun adressen gekend zijn, of hun advocaten;
  2° de personen die zich blijkens de gegevens van het dossier uitdrukkelijk hebben kenbaar gemaakt als zijnde geschaad door de inbeslagneming, of hun advocaten;
  3° in geval van onroerend beslag, de schuldeisers die overeenkomstig de hypothecaire staat bekend zijn, of hun advocaten.
  Er dient geen kennisgeving gericht te worden aan de personen die hun instemming hebben gegeven met de betrokken maatregel of die afstand hebben gedaan van hun rechten op de in beslag genomen goederen.
  Evenzo dient geen kennisgeving te worden gericht aan de beslagene die overeenkomstig de artikelen 464/31, 464/33 en 464/34 op regelmatige wijze is ingelicht over de inbeslagneming en die zich niet per aangetekende zending die wordt gericht aan de SUO-magistraat heeft verzet tegen een eventuele vervreemding van het in de artikelen 464/29, § 2 en 464/30, § 1, bedoelde in beslag genomen goed uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van het afschrift van het in artikel 464/31, § 2, eerste lid, of artikel 464/33, § 2, eerste lid, bedoelde proces-verbaal of de in artikel 464/34, § 2, tweede lid, bedoelde schriftelijke kennisgeving waarin de tekst van dit artikel is opgenomen.
  § 2. De personen aan wie de kennisgeving werd gericht kunnen de zaak bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig maken binnen vijftien dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing.
  Deze termijn wordt verlengd met vijftien dagen indien een van deze personen buiten het Rijk verblijft.
  De zaak wordt bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig gemaakt door een verklaring gedaan op de griffie van de gevangenis of de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier geeft onverwijld kennis van de afgelegde verklaring aan de magistraat die het onderzoek voert.
  § 3. De SUO-magistraat zendt de stukken van het dossier met betrekking tot de inbeslagneming en de vervreemding waarop de bestreden beslissing slaat, toe aan de griffier van de strafuitvoeringsrechtbank, die ze ter griffie neerlegt.
  De griffier stelt de verzoeker of zijn advocaat per telefax of bij een aangetekende zending, uiterlijk zeven dagen vooraf, in kennis van de plaats, de dag en het uur van de zitting. De griffier geeft onverwijld kennis van de zitting aan de SUO-magistraat.
  De stukken van het dossier worden gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de verzoeker en zijn advocaat op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. De verzoeker kan, op zijn verzoek, een afschrift van de stukken verkrijgen.
  De verzoeker, zijn advocaat en het openbaar ministerie worden gehoord.
  § 4. De strafuitvoeringsrechter doet binnen een termijn van dertig dagen na de neerlegging van de verklaring in eerste en laatste aanleg uitspraak over het verzoek tot opheffing van de vervreemdingsmaatregel. Deze termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel op vraag van de verzoeker of zijn advocaat.
  De verzoeker die in het ongelijk wordt gesteld kan worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
  De griffier geeft binnen vierentwintig uur na de uitspraak per aangetekende zending of per telefax kennis van het vonnis van de strafuitvoeringsrechter aan de verzoeker of zijn advocaat alsook aan de SUO-magistraat, en, in voorkomend geval, aan de directeur van het COIV.
  § 5. Tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechter staat geen cassatieberoep open voor de verzoeker en de SUO-magistraat.".

  Art. 7. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 464/40 ingevoegd, luidende :
  "Art. 464/40. De SUO-magistraat begroot de kosten, die namens zijn ambt zijn gemaakt.
  De vervolging tot invordering van deze kosten wordt namens de SUO-magistraat uitgeoefend door de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiėn.
  De veroordeelde kan tegen de beslissing van de SUO-magistraat om de kosten te zijnen laste te leggen, een beroep instellen bij de strafuitvoeringsrechter bij aangetekende zending binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van de bestreden beslissing.
  De strafuitvoeringsrechter doet in eerste en laatste aanleg uitspraak over de vordering. De kosten die het gevolg zijn van onregelmatige uitvoeringshandelingen en de kosten die kennelijk niet te wijten zijn aan de persoonlijke gedraging van de veroordeelde, zijn ten laste van de Staat.
  De Commissie voor de gerechtskosten die is opgericht bij de programmawet (II) van 27 december 2006 neemt kennis van alle beroepen die de dienstverlenende persoon instelt tegen de beslissingen van de SUO-magistraat die de kosten heeft begroot of de minister van Justitie dan wel zijn gemachtigde betreffende het bedrag van de voorgeschoten of de definitief begrote vergoeding.".

  Afdeling 2. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

  Art. 8. Artikel 91 van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 3 augustus 1992 en gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1994, 28 maart 2000, 17 mei 2006 en 21 april 2007, wordt aangevuld met twee leden luidende :
  "In strafuitvoeringszaken worden de zaken betreffende de invordering van verbeurdverklaarde geldsommen, geldboeten en gerechtskosten enkel toegewezen aan de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank die zitting houdt als alleenrechtsprekend rechter.
  De strafuitvoeringsrechter die kennis neemt van de zaak heeft, bij voorkeur, de gespecialiseerde opleiding gevolgd over de tenuitvoerlegging van veroordelingen houdende verbeurdverklaring van geldsommen, van geldboeten en van gerechtskosten, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.".

  Art. 9. In het hetzelfde Wetboek wordt een artikel 635bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 635bis. De strafuitvoeringsrechter die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in het rechtsgebied waarin de zetel van het strafgerecht is gevestigd dat de in kracht van gewijsde gegane veroordeling heeft uitgesproken is bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken als bedoeld in artikel 464/20 van het Wetboek van Strafvordering, alsook om uitspraak te doen in de geschillen bedoeld in de artikelen 464/36, 464/38 en 464/40 van het Wetboek van Strafvordering en in artikel 15bis, § 9, van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de tenuitvoerlegging van bepaalde vermogenssancties.
  Wanneer evenwel de veroordeling in het Duits is uitgesproken is uitsluitend de strafuitvoeringsrechter te Luik bevoegd.".

  Art. 10. Artikel 764, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 3 augustus 1992 en gewijzigd bij de wetten van 17 juli 1997, 1 juli 2006, 9 mei 2007, 10 mei 2007, 9 mei 2008, 31 januari 2009, 19 juni 2009 en 6 juni 2010 en bij het decreet van het Waals Gewest van 6 november 2008, wordt aangevuld met een 16°, luidende :
  "16° de burgerrechtelijke vorderingen betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen houdende veroordeling tot een bijzondere verbeurdverklaring, een geldboete en de gerechtskosten in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek.".

  Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties

  Art. 11. Artikel 15 van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties, vervangen bij de wet van 30 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 29 maart 2012, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 15. § 1. Onverminderd de bevoegdheden van de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiėn die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring, kan het Centraal Orgaan, teneinde de haalbaarheid van een effectieve tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring te beoordelen, de solvabiliteit van een veroordeelde persoon onderzoeken door middel van een solvabiliteitsonderzoek.
  Het solvabiliteitsonderzoek wordt gevoerd door de directeur van het Centraal Orgaan. De directeur mag het in dit artikel en in artikel 15bis bedoelde onderzoek enkel delegeren aan de adjunct-directeur of aan een verbindingsmagistraat, die dit onderzoek onder zijn gezag en leiding voert.
  § 2. Het Centraal Orgaan kan alle administratieve diensten van de Federale Staat, van de gemeenschappen en de gewesten en van de lokale besturen en de overheidsbedrijven, met inbegrip van de Cel voor financiėle informatieverwerking, verzoeken, binnen de termijn die het bepaalt, alle inlichtingen die het nuttig acht in het kader van dit onderzoek mee te delen over de verrichtingen uitgevoerd door de veroordeelde, diens tegoeden en over de samenstelling en de vindplaats van diens vermogen. Deze administratieve diensten, de overheidsbedrijven en de Cel zijn gehouden aan voormeld verzoek gevolg te geven.
  Hetzelfde verzoek kan eveneens worden gericht aan de ondernemingen die zijn ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen. Deze ondernemingen zijn ertoe gehouden aan voormeld verzoek gevolg te geven tenzij zij zich kunnen beroepen op een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting.
  § 3. Wanneer de informatie van de in § 1 bedoelde bevoegde ambtenaar met betrekking tot de solvabiliteit van een veroordeelde persoon ontoereikend is, of indien er aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat de veroordeelde zich poogt te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing tot verbeurdverklaring, kan het Centraal Orgaan informatie over de solvabiliteit van die veroordeelde persoon inwinnen bij de in artikel 2 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiėle stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme bedoelde ondernemingen en personen.
  § 4. De in §§ 2 en 3 bedoelde personen, Cel, ondernemingen of administratieve diensten die geen rechtspersoon in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek zijn, worden gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro indien zij, hoewel zij daartoe regelmatig zijn gevorderd door het Centraal Orgaan, willens en wetens en zonder wettige reden weigeren of nalaten om de verzochte inlichtingen mede te delen binnen de door het Centraal Orgaan bepaalde termijn en wijze.
  § 5. Iedere persoon die uit hoofde van zijn functie kennis krijgt van de verzoeken bedoeld in dit artikel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
  § 6. Het Centraal Orgaan kan ook de politiediensten belasten met een onderzoek naar de solvabiliteit van een veroordeelde persoon.
  § 7. Het Centraal Orgaan kan de met toepassing van dit artikel verkregen inlichtingen toezenden aan de in § 1 bedoelde bevoegde ambtenaar.".

  Art. 12. Artikel 15bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 29 maart 2012, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 15bis. § 1. In de bij artikel 15, § 3, bepaalde gevallen, kan het Centraal Orgaan, bij met redenen omklede beslissing, gericht aan de ondernemingen en de personen die worden bedoeld in artikel 2 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiėle stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, de mededeling van de volgende inlichtingen vorderen :
  1° de lijst van bankrekeningen, bankkluizen of financiėle instrumenten die worden bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiėle sector en de financiėle diensten, waarvan de veroordeelde titularis, gevolmachtigde of de uiteindelijke gerechtigde is en, in voorkomend geval, alle nuttige gegevens hieromtrent;
  2° de bankverrichtingen die in een bepaalde periode zijn uitgevoerd op een of meer van deze bankrekeningen of financiėle instrumenten, met inbegrip van de bijzonderheden betreffende de rekening van herkomst of bestemming;
  3° de gegevens met betrekking tot de titularissen of gevolmachtigden, die in een bepaald tijdvak toegang hebben of hadden tot deze bankkluizen.
  In de bij artikel 15, § 3, bepaalde gevallen heeft het Centraal Orgaan kosteloos toegang tot het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van Belgiė zoals bedoeld in artikel 322 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Op zijn verzoek deelt het centraal aanspreekpunt de beschikbare gegevens mee betreffende de nummers van de bankrekeningen en de contracten betreffende de veroordeelde.
  § 2. In zijn schriftelijke vordering bepaalt het Centraal Orgaan onder welke vorm en binnen welke termijn de in § 1 bedoelde gegevens hem dienen te worden meegedeeld.
  § 3. Indien de aan het Centraal Orgaan overeenkomstig §§ 1 en 2 meegedeelde inlichtingen het bestaan aantonen van tegoeden in hoofde van de veroordeelde, kan het Centraal Orgaan op schriftelijke wijze vorderen dat de in § 1 bedoelde ondernemingen en personen de aan deze bankrekeningen, bankkluizen of financiėle instrumenten verbonden schuldvorderingen en verbintenissen niet meer uit handen geven gedurende een periode die niet langer mag duren dan vijf werkdagen en die ingaat op de dag dat het Centraal Orgaan zijn vordering verzendt bij middel van een aangetekende zending, per telefax of via elektronische post.
  De maatregel neemt van rechtswege een einde bij het verstrijken van de termijn van vijf werkdagen. Onder werkdag worden alle dagen verstaan, met uitzondering van de zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen. Vóór het verstrijken van deze termijn neemt de maatregel een einde in geval van vrijwillige betaling van het krachtens de verbeurdverklaring verschuldigde saldo, of van zodra de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiėn zelf de nodige bewarende maatregelen heeft getroffen.
  § 4. Het Centraal Orgaan kan opdracht geven aan de in § 1 bedoelde ondernemingen en personen de vermogensbestanddelen kosteloos ter zijne beschikking te stellen of over te maken op een door hem aangegeven rekening, dit ter voldoening van het saldo van een uitvoerbare verbeurdverklaring.
  § 5. De in § 1 bedoelde ondernemingen en personen zijn ertoe gehouden hun medewerking te verlenen aan de vorderingen en maatregelen bedoeld in §§ 1, 3 en 4 .
  § 6. De in § 1 bedoelde onderneming of persoon die, hoewel hij daartoe regelmatig is gevorderd door het Centraal Orgaan, willens en wetens, zonder wettige reden, weigert of nalaat over te gaan tot de mededeling van de gevraagde inlichtingen of de terbeschikkingstelling of overmaking binnen de termijn en op de wijze bepaald door het Centraal Orgaan, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.
  § 7. De in § 1 bedoelde ondernemingen en personen, of elke derde, die goederen bewaren of beheren, die het voorwerp uitmaken van een in §§ 3 en 4 bedoelde maatregel en deze met bedrieglijk opzet wegmaken, worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 507 van het Strafwetboek.
  § 8. Iedere persoon die uit hoofde van zijn functie kennis krijgt van de vorderingen of maatregelen bedoeld in dit artikel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
  § 9. Voor de vergoeding van de kosten die gemaakt zijn in het raam van de in de artikelen 15 en 15bis bedoelde onderzoeken gelden de tarieven die bepaald zijn bij de wetgeving betreffende gerechtskosten in strafzaken.
  De kosten zijn ten laste van de veroordeelde of de veroordeelde burgerrechtelijke aansprakelijke partij tegen wie de tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring wordt gevorderd. De veroordeelde of de veroordeelde burgerrechtelijk aansprakelijke partij staan evenwel niet in voor de nutteloze kosten veroorzaakt door toedoen van de optredende magistraat van het Centraal Orgaan en de kosten die kennelijk niet te wijten zijn aan hun persoonlijke gedraging. Die kosten blijven ten laste van de Staat.
  De directeur van het Centraal Orgaan begroot de kosten die verbonden zijn aan de in de artikelen 15 en 15bis bedoelde onderzoeken.
  De vervolging tot invordering van de deze kosten wordt namens de directeur van het Centraal Orgaan uitgeoefend door de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiėn.
  De veroordeelde kan tegen de beslissing van de directeur om de kosten te zijnen laste te leggen een beroep instellen bij de strafuitvoeringsrechter bij aangetekende zending binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van de kennisgeving van de bestreden beslissing. De strafuitvoeringsrechter doet in eerste en laatste aanleg uitspraak over dit beroep van de veroordeelde. Tegen het vonnis staat een cassatieberoep open voor de veroordeelde overeenkomstig de procedure in burgerlijke zaken die is ingesteld bij het Gerechtelijk Wetboek.
  De Commissie voor de gerechtskosten opgericht bij artikel 5 van de programmawet (II) van 27 december 2006 neemt overeenkomstig de rechtspleging die is voorgeschreven bij artikel 5 van voormelde programmawet kennis van alle beroepen die de dienstverlenende persoon instelt tegen de beslissingen betreffende het bedrag van de voorgeschoten of de definitief begrote vergoeding.".

  Art. 13. In artikel 17bis, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006 en gewijzigd bij de wet van 30 december 2009, wordt de zin "Ze zijn, onder het gezag van de directeur van het Centraal Orgaan, inzonderheid belast met de in de artikelen 15 en 15bis bedoelde onderzoeken." opgeheven.

  HOOFDSTUK 3. - Inwerkingtreding

  Art. 14. Deze wet treedt in werking op de dag waarop de wet van 11 februari 2014 houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (I) in werking treedt.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 11 februari 2014.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) : Stukken : 53-2935 Integraal verslag : 12 december 2013 Senaat (www.senate.be) : Stukken : 5-2406 Handelingen van de Senaat : 30 januari 2014.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie