J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2010/08/26/2010000525/justel

Titel
26 AUGUSTUS 2010. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen

Bron :
BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 28-09-2010 nummer :   2010000525 bladzijde : 59151       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2010-08-26/47
Inwerkingtreding : 08-10-2010

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :1981001949       

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-2

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Artikel 26ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd door het koninklijk besluit van 11 december 1996, vervangen en hernummerd door het artikel 9 van het koninklijk besluit van 27 april 2007, vernietigd bij het arrest nr. 201.375 van de Raad van State, wordt vervangen en hernummerd door een artikel 26/3, luidende :
  " Art. 26/3. Vormt een voldoende huisvesting in de zin van de artikelen 10 en 10bis van de wet, de huisvesting die, voor de vreemdeling en zijn familieleden die zich bij hem willen voegen, voldoet aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid in de zin van artikel 2 van de wet van 20 februari 1991 houdende wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur.
  Om te bewijzen dat hij beschikt over een in het eerste lid bedoelde huisvesting, maakt de vreemdeling het bewijs van het geregistreerde huurcontract van de woning die hij huurt als hoofdverblijfplaats, of van de eigendomstitel van de huisvesting waar hij woont over.
  Het bewijs van voldoende huisvesting zal niet aanvaard worden als de huisvesting onbewoonbaar verklaard werd door een daartoe bevoegde overheid "

  Art. 2. Onze Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen is belast met de uitvoering van dit besluit.
  
  Gegeven te Brussel, 26 augustus 2010.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Vice-Eerste Minister en Minister belast met het Migratie- en asielbeleid,
  Mevr. J. MILQUET
  De Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid,
  M. WATHELET
  

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, inzonderheid op artikel 10, § 2, tweede lid, artikel 10bis, § 1, tweede lid, artikel 10bis, § 2, derde lid;
   Gelet op het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 april 1984, 18 juli 1984, 16 augustus 1984, 14 februari 1986, 9 maart 1987, 28 januari 1988, 13 juli 1988, 7 november 1988, 7 februari 1990, 9 juli 1990, 16 oktober 1990, 18 april 1991, 25 september 1991, 20 december 1991, 13 juli 1992, 5 november 1992, 22 december 1992, 19 mei 1993, 31 december 1993, 3 maart 1994, 11 maart 1994, 3 februari 1995, 22 februari 1995, 12 oktober 1995, 22 november 1996, 10 december 1996, 11 december 1996, 7 januari 1998, 2 maart 1998, 12 juni 1998, 26 juni 2000, 9 juli 2000, 7 november 2000, 4 juli 2001, 20 juni 2002, 11 juli 2002, 17 oktober 2002, 11 juli 2003, 25 april 2004, 9 december 2004, 17 januari 2005, 3 februari 2005, 11 april 2005, 11 mei 2005, 17 september 2005, 24 april 2006, 15 mei 2006, 20 december 2006, 27 april 2007, 28 november 2007, 7 mei 2008, 22 juli 2008, 24 december 2008, en 8 juni 2009;
   Gelet op het koninklijk besluit van 27 april 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 31 mei 2010;
   Gelet op de akkoordbevinding van Onze Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 2 juni 2010;
   Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat artikel 9 van het koninklijk besluit van 27 april 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, vernietigd werd bij arrest nr. 201.375 van de Raad van State en bijgevolg de verblijfsaanvragen waarbij de wet een voldoende huisvesting vereist niet kunnen worden behandeld omdat er geen criteria meer beschikbaar zijn om de aard van deze huisvesting te toetsen.
   Gelet op advies 48.395/4 en 48.640/2 van de Raad van State, gegeven op 14 juni 2010 en 4 augustus 2010, in toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
   Op de voordracht van Onze Minister belast met het Migratie- en asielbeleid en Onze Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   1. Inleiding
   Dit koninklijk besluit heeft als doel een koninklijk besluit inzake het vreemdelingenbeleid te wijzigen.
   Deze wijzigingen dringen zich op gelet op het arrest nr. 201.375 d.d. 26 februari 2010 waarin artikel 9 van het koninklijk besluit van 27 april 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen werd vernietigd.
   Door deze algemene vernietiging werd een coherente en correcte toepassing van de wettelijke voorwaarde inzake voldoende huisvesting bijgevolg onmogelijk voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Dit terwijl de voorwaarde van de voldoende huisvesting niet werd vernietigd in de wet van 15 december 1980 en deze dus nog altijd blijft gelden. Het komt de Regering zelfs in lopende zaken toe om alles in het werk te stellen om de uitoefening van deze controle te garanderen. Onderhavig besluit kadert in deze context.
   De voorwaarde van voldoende huisvestiging wordt voorzien in artikel 7, lid 1, a, van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.
   Indien de vreemdeling niet voldoet aan de in de wet gestelde voorwaarde zal de aanvraag op grond van artikel 10 en 10bis van de wet van 15 december 1980 worden geweigerd.
   Op grond van artikel 11 van de Vreemdelingenwet kan de Dienst Vreemdelingenzaken tijdens de periode waarin de vreemdeling is toegelaten tot een verblijf van beperkte duur het verblijf intrekken wanneer de vreemdeling niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel 10 van de wet van 15 december 1980, of in geval van fraude.
   Na toekenning van een onbeperkt verblijfsrecht in het kader van artikel 10 en 10bis van de wet van 15 december 1980 is een intrekking van het verblijf steeds mogelijk in geval van fraude op grond van artikel 13 van de Vreemdelingenwet.
   2. Artikelsgewijze bespreking
   Artikel 1. Dit artikel strekt ertoe tegemoet te komen aan het vernietigingsarrest nr. 201.375, door artikel 26ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd door het koninklijk besluit van 11 december 1996, vervangen en hernummerd door het artikel 9 van het koninklijk besluit van 27 april 2007, en nu vernietigd bij het arrest nr. 201.375 van de Raad van State, te vervangen en hernummeren door een nieuw artikel 26/3.
   Het is erop gericht om de gevallen vast te stellen waarin de vreemdeling het bewijs levert dat hij over voldoende huisvesting beschikt om zijn familie op te vangen.
   Herinnerd kan worden aan het feit dat artikel 7, lid 1, a van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging voorziet in de mogelijkheid om bij de indiening van het verzoek tot gezinshereniging het bewijs te vragen dat de gezinshereniger beschikt over " huisvesting die in de betrokken regio als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en die voldoet aan de algemene normen inzake veiligheid en hygiëne welke in de betrokken lidstaat gelden ".
   Het voorliggende artikel strekt ertoe deze mogelijkheid toe te passen door te bepalen dat een voldoende huisvesting in de zin van de artikelen 10 en 10bis van de wet van 15 december 1980, de huisvesting is die, voor de vreemdeling en zijn familieleden die zich bij hem willen voegen, voldoet aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid in de zin van artikel 2 van de wet van 20 februari 1991 houdende wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur.
   Om te bewijzen dat hij beschikt over een voldoende huisvesting, volstaat het dat de vreemdeling het bewijs overmaakt van het geregistreerde huurcontract van de woning die hij huurt als hoofdverblijfplaats, eventueel aangevuld met een gedetailleerde staat van het gehuurde goed, of van de eigendomstitel van de huisvesting waar hij woont. Het voorleggen van deze documenten creëert een weerlegbaar vermoeden dat voldaan is aan de vereiste om over voldoende huisvesting te beschikken.
   Het bewijs van voldoende huisvesting zal in elk geval niet aanvaard worden als de huisvesting onbewoonbaar verklaard werd door een daartoe bevoegde autoriteit. Het komt toe aan de overheid om te bewijzen dat een woning onbewoonbaar werd verklaard.
   De registratie van het huurcontract is een verplichte en kosteloze formaliteit.
   Deze vereiste komt tegemoet aan artikel 7, lid 1, a, van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003, aangezien elke verhuurder er op grond van artikel 2 van de wet van 20 februari 1991 houdende wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur, voor moet zorgen dat, op het ogenblik dat hij de huurovereenkomst sluit, zijn onroerend goed " beantwoordt aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid ". Deze begrippen werden concreter omschreven in het koninklijk besluit van 8 juli 1997 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan ten minste voldaan moet zijn wil een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats in overeenstemming zijn met de elementaire vereisten inzake veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid. In het bijzonder bepaalt artikel 2 van voornoemd koninklij besluit dat de oppervlakte en het volume van de woning voldoende ruim moeten zijn om er te koken, te wonen en te slapen. De volgende lokalen kunnen geen woonvertrek vormen : de voor- of inkomhallen, de gangen, de toiletten, de badkamers, de wasruimten, de bergplaatsen, de niet voor bewoning ingerichte kelders, zolders en bijgebouwen, de garages en de lokalen voor beroepsbezigheden.
   Deze vereiste komt ook tegemoet aan de draagwijdte die het Grondwettelijk Hof in haar arrest nr. 95/2008 van 26 juni 2008 gaf aan de artikelen 10 en 10bis van de wet van 15 december 1980 in die zin dat aan de gezinshereniger de verplichting wordt opgelegd om de voorwaarden te creëren die de gezinshereniging in menswaardige omstandigheden mogelijk maakt.
   Bovendien komt deze vereiste tegemoet aan de motieven van het vernietigingsarrest nr. 201.375 van de Raad van State aangezien het voorliggende artikel zich beperkt tot het vermijden van werkelijk onaanvaardbare praktijken, zoals het feit een vreemdeling op te vangen in een woning die duidelijk ongeschikt is om bewoond te worden of gevaarlijk voor de personen die er wonen. Bovendien legt deze verplichting geen strengere voorwaarden op aan vreemdelingen dan aan Belgen.
   Ik heb de eer te zijn,
   Sire
   van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige
   en zeer getrouwe dienaar,
   De Vice-Eerste Minister en Minister belast met het Migratie- en asielbeleid,
   Mevr. J. MILQUET
   De Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid,
   M. WATHELET
   ADVIES 48.395/4 VAN 14 JUNI 2010 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE
   De Raad van State, afdeling Wetgeving, vierde kamer, op 8 juni 2010 door de Vice-Eerste Minister en Minister van Migratie- en asielbeleid en Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid, toegevoegd aan de Minister belast met Migratie- en asielbeleid verzocht hun binnen een termijn van vijf werkdagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen", heeft het volgende advies gegeven :
   Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996 en vervangen bij de wet van 2 april 2003, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.
   In het onderhavige geval luidt de motivering in de brief met de adviesaanvraag als volgt :
   " (...). Het verzoek om spoedbehandeling is gemotiveerd door de omstandigheid dat artikel 9 van het koninklijk besluit van 27 april 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, vernietigd werd bij arrest nr. 201.375 van de Raad van State en bijgevolg de verblijfsaanvragen waarbij de wet een voldoende huisvesting vereist niet kunnen worden behandeld omdat er geen criteria meer beschikbaar zijn om de aard van deze huisvesting te toetsen ".
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   Strekking van het voorliggende ontwerp
   1. Het ontworpen artikel 26/3 (artikel 2 van het ontwerp) bepaalt dat onder "voldoende huisvesting" in de zin van de artikelen 10 en 10bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de huisvesting verstaan moet worden die
   " voldoet aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid in de zin van artikel 2 van de wet van 20 februari 1991 houdende wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur ".
   2. In het verslag aan de Koning wordt het volgende gepreciseerd :
   " (...) Deze begrippen werden concreter omschreven in het koninklijk besluit van 8 juli 1997 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan ten minste voldaan moet zijn wil een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats, in overeenstemming zijn met de elementaire vereisten inzake veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid. In het bijzonder bepaalt artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit dat de oppervlakte en het volume van de woning voldoende ruim moeten zijn om er te koken, te wonen en te slapen (...) ".
   Bovendien blijkt uit het verslag aan de Koning en uit de stukken bezorgd aan de afdeling Wetgeving dat deze bepaling ingegeven is door de omstandigheid dat het huidige artikel 26/3 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals het is ingevoegd bij artikel 9 van het koninklijk besluit van 27 april 2007, vernietigd is bij arrest nr. 201.375 d.d. 26 februari 2010 van de afdeling Bestuursrechtspraak. Het eerste lid van dit artikel luidde als volgt :
   " Art. 26/3. De vreemdeling wordt geacht over voldoende huisvesting te beschikken in de zin van artikelen 10 en 10bis van de wet, indien hij een door de gemeentelijke autoriteiten afgeleverd attest kan voorleggen waaruit blijkt dat de woning waarin hij verblijft, voor hem en zijn gezinsleden voldoet aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten die in het betrokken gewest gelden. "
   3. De afdeling Bestuursrechtspraak heeft in haar voornoemde arrest gesteld :
   " Considérant que les articles 10 et 10bis de la loi du 15 décembre 1980 précitée, tels qu'ils ont été remplacés par les articles 6 et 7 de la loi du 15 septembre 2006, exigent que l'étranger qui est rejoint dans le Royaume par ceux qui ont ou demandent, sur la base de ces dispositions, un permis de séjour de plus de trois mois, dispose d'un logement suffisant; qu'en vertu de l'article 10, § 2, alinéa 2, dernière phrase, et de l'article 10bis, § 1er, alinéa 2, et § 2, alinéa 3, le Roi fixe les conditions auxquelles l'étranger est réputé disposer d'un logement suffisant; qu'évoquant la condition de logement suffisant ainsi que celle, également prévue par le législateur, selon laquelle le regroupant doit disposer d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille, l'exposé des motifs du projet devenu la loi du 15 septembre 2006 présente comme suit (Doc. Ch., sess. 2005-2006, n° 2478/1, pp. 23 et 24) l'objectif de ces conditions :
   " Elles permettent (...) de mettre un terme à certaines situations inacceptables (cadre de vie non salubre ou même dangereux, pratique des 'marchands de sommeil', défaut de couverture médicale,...). Le regroupant devra être en mesure d'accueillir sa famille de manière digne. Sa responsabilité sera engagée à cet égard et il ne pourra plus s'en débarrasser sur l'Etat belge sans conséquence. ";
   que plus précisément sur la condition de disposer d'un logement suffisant l'exposé des motifs précise (ibidem p. 47) :
   " La condition du logement suffisant vise à vérifier le respect des normes fondamentales de salubrité et de sécurité. (...) Il ne s'agit pas d'exiger des étrangers de respecter des normes qui ne sont pas exigées en pratique à l'égard de la population belge, mais de s'assurer que l'étranger rejoint n'accueillera pas sa famille dans un logement manifestement impropre à l'habitation et dangereux pour les personnes qui y vivent.
   Appliquée de manière raisonnable, cette condition permet d'éviter que les familles concernées ne tombent dans la précarité et de lutter contre les pratiques des 'marchands de sommeil'. ";
   que comme l'a relevé la Cour constitutionnelle dans son arrêt n° 95/2008 du 26 juin 2008 (considérant B.47), l'objectif poursuivi est donc que " le regroupant soit tenu de créer les circonstances qui permettent le regroupement familial dans le respect de la dignité humaine ", qu'il s'agit d'éviter des situations réellement " inacceptables ", telles que le fait d'accueillir un étranger " dans un logement manifestement impropre à l'habitation et dangereux pour les personnes qui y vivent " ou les pratiques des " marchands de sommeil " et que le logement " suffisant " au sens des articles 10 et 10bis de la loi du 15 décembre 1980 est, et est uniquement, celui qui ne présente pas de caractéristiques de pareilles situations inacceptables;
   Considérant qu'en prévoyant que " l'étranger est considéré comme disposant d'un logement suffisant au sens des articles 10 et 10bis de la loi, s'il peut présenter une attestation délivrée par les autorités communales de laquelle il apparaît que le logement où il réside satisfera, pour lui et pour les membres de sa famille, aux exigences de sécurité, de santé et de salubrité qui sont en vigueur dans la région concernée ", la disposition entreprise prescrit une obligation qui a pour destinataires les occupants de ce logement, alors que les normes de sécurité, de santé et de salubrité applicables aux logements, dans chacune des régions (décret du 15 juillet 1997 contenant le code flamand du logement, décret du 29 octobre 1998 instituant le Code wallon du logement, ordonnance du 17 juillet 2003 portant le Code bruxellois du logement), ont vocation à s'imposer, non pas aux occupants de logements, mais à ceux qui mettent ou entendent mettre des logements à la disposition de tiers, en particulier par la voie d'une mise en location; qu'ainsi, c'est à ceux qui mettent ou envisagent de mettre un logement à la disposition de tiers que les codes régionaux du logement donnent la faculté ou imposent l'obligation, selon le cas, de demander une attestation, un certificat ou un permis destiné à vérifier la conformité du logement aux normes applicables (articles 7 à 14 du code flamand du logement; articles 9 à 13 du code wallon du logement; articles 4 à 14 du Code bruxellois du logement); qu'aucun des codes régionaux du logement n'érige en infraction le fait d'occuper un logement non conforme aux normes; qu'en la matière, sont uniquement érigés en infraction des comportements imputables à ceux qui mettent des logements à la disposition de tiers, qu'il s'agisse de mettre à la disposition de tiers un logement non conforme aux normes (article 20 du code flamand du logement; article 15, alinéa 1er, premier et quatrième tirets, du code bruxellois du logement) ou qu'il s'agisse de mettre en location un logement sans respecter les dispositions qui organisent le régime du permis ou de l'attestation requis, dans certaines hypothèses, pour une telle mise en location, aux fins de vérifier le respect des normes applicables (article 200bis, § 1er, alinéa 1er, 3°, et article 201, § 1er, 2°, et § 2, 2°, du code wallon du logement; article 15, alinéa 1er, deuxième et troisième tirets, du Code bruxellois du logement);
   qu'en outre, le texte de la disposition attaquée est ainsi rédigé que les logements auxquels il s'applique doivent satisfaire à toutes les normes applicables, sans distinguer selon le degré de gravité des défauts éventuellement constatés et sans prévoir de procédure permettant d'apprécier si ces défauts sont tels que l'occupation des logements considérés ne peut être admise; que ceci contraste, en particulier, avec les Codes flamand (articles 15 à 17) et wallon (articles 7 et 7bis) du logement, qui, d'une part, donnent aux autorités le pouvoir d'apprécier, moyennant le respect de diverses garanties de procédure pour les particuliers ainsi que du principe de proportionnalité, quelle est la mesure la plus adéquate à prendre à l'égard d'un logement qui n'est pas conforme aux normes et, d'autre part, ne permettent de déclarer inhabitable un logement non conforme aux normes que si, outre sa non-conformité aux normes, ce logement présente des vices impliquant un risque pour la sécurité ou la santé;
   que la disposition attaquée donne ainsi aux normes régionales de qualité des logements une portée qui ne se concilie pas - ou, en tout cas, ne se concilie pas suffisamment - avec celle qu'y attachent les Régions; qu'en mettant en place un système qui revient à imposer l'obligation de respecter les normes régionales à des personnes qui envisagent d'occuper ensemble un logement et qui interdit le regroupement familial dès l'instant où le logement considéré présente le moindre manquement auxdites normes, la disposition attaquée prescrit des exigences plus sévères - et même sans doute bien souvent, en pratique, considérablement plus sévères - que ce qu'envisagent les codes régionaux du logement; que ce faisant, elle conduit de facto à méconnaître la volonté du législateur, pour reprendre les termes déjà cités de l'exposé des motifs du projet devenu la loi du 15 septembre 2006, " d'exiger des étrangers de respecter des normes qui ne sont pas exigées en pratique à l'égard de la population belge "; qu'elle méconnaît, en outre, la volonté qu'a eue le législateur, en imposant la condition de disposer d'un logement suffisant, de se limiter à éviter des situations réellement inacceptables, telles que le fait d'accueillir un étranger dans un logement manifestement impropre à l'habitation et dangereux pour les personnes qui y vivent ou les pratiques des " marchands de sommeil "; qu'ainsi, la disposition attaquée dénature complètement la notion de logement " suffisant " au sens des articles 10 et 10bis de la loi du 15 décembre 1980; qu'en sa seconde branche, le moyen est fondé".
   4. Teneinde gevolg te geven aan dit arrest, verwijst het ontworpen artikel 26/3, eerste lid, thans naar de minimumvoorwaarden waaraan een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats moet voldoen bij wijze van elementaire vereisten inzake veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid (1). Het ontworpen tweede lid van diezelfde bepaling schrijft voor op welke manier de vreemdeling kan bewijzen dat hij beschikt over een in het eerste lid bedoelde huisvesting : hij bezorgt ofwel het bewijs van het geregistreerde huurcontract van de woning die hij huurt als hoofdverblijfplaats, ofwel het bewijs van de eigendomstitel van de huisvesting waar hij woont.
   Onderzoek van het ontwerp
   1. In het verslag aan de Koning staat te lezen dat het ontworpen artikel 26/3
   " ertoe (strekt) tegemoet te komen aan het vernietigingsarrest nr. 201.375 ".
   De toelichtingen vervat in het verslag aan de Koning beogen echter uitsluitend aan te tonen dat de ontworpen bepaling bestaanbaar is met artikel 7, lid 1, a), van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, dat in het interne recht is omgezet bij de artikelen 10 en 10bis van de wet van 15 december 1980. Het verslag aan de Koning bevat evenwel geen enkele nadere precisering omtrent de redenen waarom de stellers van het ontwerp van oordeel zijn dat het nieuw voorgestelde dispositief wel degelijk in overeenstemming is met de strekking van de artikelen 10 en 10bis van de wet van 15 december 1980, zoals deze onder meer wordt aangegeven in arrest nr. 95/2008 d.d. 26 juni 2008 van het Grondwettelijk Hof (2), alsook met de strekking van het vernietigingsarrest van de afdeling Bestuursrechtspraak, zoals deze moet worden opgemaakt uit de hierboven omschreven motieven van dit arrest.
   De afdeling Wetgeving is, wegens een gebrek aan informatie en wegens de korte tijdspanne waarbinnen ze van advies moet dienen, niet bij machte om de bestaanbaarheid van die bepalingen te controleren.
   Het verslag aan de Koning moet dan ook terdege worden aangevuld wat deze twee aspecten betreft.
   2. De afdeling Wetgeving vraagt zich af wat de precieze strekking is van het tweede lid van het ontworpen artikel 26/3. Indien het louter voorleggen van een geregistreerd huurcontract betreffende een hoofdverblijfplaats of van een eigendomstitel van de gehuurde woning op zich volstaat om te bewijzen dat de huisvesting in kwestie een "voldoende huisvesting" is in de zin van het eerste lid van datzelfde artikel 26/3, moet dit uitdrukkelijk worden gepreciseerd, op zijn minst in het verslag aan de Koning.
   3. In het verslag aan de Koning staat bovendien te lezen :
   " Het bewijs van voldoende huisvesting zal niet aanvaard worden als de huisvesting onbewoonbaar verklaard werd door een bevoegde autoriteit ".
   Een zodanige precisering moet worden opgenomen in het ontworpen artikel.
   De kamer was samengesteld uit :
   De heren :
   P. Liénardy, Kamervoorzitter,
   J. Jaumotte, L. Detroux, staatsraden,
   Mevr. C. Gigot, griffier.
   Het verslag werd uitgebracht door de heer P. Ronvaux, auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Liénardy.
   De griffier,
   C. Gigot.
   De voorzitter,
   P. Liénardy.
   ADVIES 48.640/2/V VAN 4 AUGUSTUS 2010 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE
   De Raad van State, afdeling Wetgeving, tweede vakantiekamer, op 30 juli 2010 door de Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid, toegevoegd aan de Minister belast met Migratie- en asielbeleid en, wat de Coördinatie van het Migratie- en asielbeleid betreft, toegevoegd aan de Eerste Minister verzocht hem, binnen een termijn van vijf werkdagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen", heeft het volgende advies gegeven :
   Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996 en vervangen bij de wet van 2 april 2003, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.
   In het onderhavige geval luidt de motivering in de brief als volgt :
   " Het verzoek om spoedbehandeling is gemotiveerd door de omstandigheid dat artikel 9 van het koninklijk besluit van 27 april 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, vernietigd werd bij arrest nr. 201.375 van de Raad van State en bijgevolg de verblijfsaanvragen waarbij de wet een voldoende huisvesting vereist niet kunnen worden behandeld omdat er geen criteria meer beschikbaar zijn om de aard van deze huisvesting te toetsen. "
   Ontvankelijkheid van de adviesaanvraag
   Wanneer de afdeling Wetgeving een advies heeft gegeven, heeft ze, volgens haar vaste rechtspraak (1), haar bevoegdheid opgebruikt; het komt haar derhalve niet meer toe om zich opnieuw uit te spreken over reeds onderzochte bepalingen, ongeacht of deze ongewijzigd zijn gebleven dan wel herzien zijn teneinde rekening te houden met haar opmerkingen (2).
   In casu heeft de afdeling Wetgeving reeds op 14 juni 2010 advies 48.395/4 uitgebracht over een vorige versie van het ontwerp van koninklijk besluit dat thans wederom ter fine van advies aan haar wordt voorgelegd.
   Zoals blijkt uit de vergelijkende tabel die bij de adviesaanvraag is gevoegd, bevat het voorliggende ontwerp van besluit geen belangrijke wijziging die los zou staan van de opmerkingen of voorstellen die reeds in het voormelde advies 48.395/4 zijn geformuleerd.
   Daaruit dient te worden afgeleid dat de afdeling Wetgeving de adviesbevoegdheid heeft opgebruikt waarover ze beschikt krachtens de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
   De kamer was samengesteld uit :
   De heren :
   M. Hanotiau, Kamervoorzitter,
   De dames :
   Ph. Quertainmont, S. Guffens, staatsraden,
   A.-C. Van Geersdaele, griffier.
   Het verslag werd uitgebracht door de heer P. Ronvaux, auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J. Jaumotte, staatsraad.
   De griffier,
   A.-C. Van Geersdaele.
   De voorzitter,
   M. Hanotiau.
   ------
   (1) Met toepassing van artikel 2, § 1, tweede tot vijfde lid, van de voornoemde wet van 20 februari 1991 :
   - dient de Koning de voorwaarden vast te stellen waaraan ten minste voldaan moet zijn opdat het gehuurde goed beantwoordt aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid, wat is geschied bij het voornoemde koninklijk besluit van 8 juli 1997;
   - zijn de aldus vastgestelde minimumvoorwaarden van dwingend recht en moeten ze bij de huurovereenkomst worden gevoegd;
   - heeft de huurder, indien die voorwaarden niet zijn vervuld, de keuze om ofwel de uitvoering te eisen van de werken die noodzakelijk zijn om het gehuurde goed in overeenstemming te brengen met die vereisten, ofwel de ontbinding van de huurovereenkomst te vragen met schadevergoeding;
   - kan de rechter in afwachting van de uitvoering van de werken een vermindering van de huurprijs toestaan.
   (2) Overweging B.47.
   (1) Deze rechtspraak wordt gedeeld door de afdeling Administratie; zie, onder andere, RvSt, VZW "Clinique Sainte Elisabeth", nr. 54.141, 30 juni 1995, waarin wordt gesteld dat "... wanneer de minister het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft ingewonnen, hij alleen nogmaals op haar een beroep mag doen, als hij van plan is om in het ontwerp belangrijke wijzigingen aan te brengen die losstaan van de opmerkingen of voorstellen van de afdeling wetgeving".
   (2) Zie in deze zin advies 41.773/AV, dat de algemene vergadering van de afdeling Wetgeving op 28 november 2006 heeft uitgebracht over een ontwerp van koninklijk besluit dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie