J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 8 uitvoeringbesluiten 5 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2009/06/05/2009203630/justel

Titel
5 JUNI 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de erkenning van afdelingen Medisch Toezicht of departementen Medisch Toezicht
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 02-09-2009 en tekstbijwerking tot 09-01-2019)

Bron : VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 02-09-2009 nummer :   2009203630 bladzijde : 59751       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2009-06-05/46
Inwerkingtreding : 12-09-2009

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :1946021151       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Definities en toepassingsgebied
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - Erkenning als afdeling Medisch Toezicht of als departement Medisch Toezicht
Art. 3-8
HOOFDSTUK III. - Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg
Art. 9-11
HOOFDSTUK IV. - Procedures voor erkenning, weigering van erkenning, en intrekking van erkenning
Afdeling I. - Procedure voor erkenning en weigering van erkenning
Art. 12-18
Afdeling II. - Procedure voor schorsing en intrekking van erkenning
Art. 19-21
Afdeling III. - Verzet- en beroepsprocedure
Art. 22-24
HOOFDSTUK V. - Toezicht
Art. 25-26
HOOFDSTUK VI. - Erkenning van een afdeling Medisch Toezicht of departement Medisch Toezicht als organisatie met terreinwerking
Art. 27-29
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen
Art. 30-35

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Definities en toepassingsgebied

  Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° administrateur-generaal : de leidend ambtenaar van het agentschap;
  2° afdeling Medisch Toezicht : afdeling medisch toezicht van externe diensten voor preventie en bescherming op het werk;
  3° agentschap : het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Zorg en Gezondheid";
  4° bedrijfsgezondheidszorg : de tak van de preventieve gezondheidszorg die de bevordering, de bescherming en het behoud van de gezondheid en de arbeidscapaciteit van de werknemers nastreeft;
  5° besluit van 14 november 2008 : het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008 betreffende Vlaamse werkgroepen binnen het preventieve gezondheidsbeleid;
  6° decreet van 17 oktober 2003 : het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen;
  7° decreet van 21 november 2003 : het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid;
  8° departement Medisch Toezicht : departement medisch toezicht van interne diensten voor preventie en bescherming op het werk en van gemeenschappelijke interne diensten voor preventie en bescherming op het werk;
  9° dienst : een externe, interne of gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk;
  10° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid.

  Art. 2. Dit besluit is van toepassing op afdelingen Medisch Toezicht en departementen Medisch Toezicht.

  HOOFDSTUK II. - Erkenning als afdeling Medisch Toezicht of als departement Medisch Toezicht

  Art. 3. § 1. De administrateur-generaal erkent afdelingen Medisch Toezicht en departementen Medisch Toezicht als vermeld in artikel 75bis, § 1, van het decreet van 21 november 2003 voor vijf jaar.
  Een erkenning als afdeling Medisch Toezicht of als departement Medisch Toezicht is vereist om te kunnen werken voor bedrijven, of voor vestigingen ervan, in het Vlaamse Gewest, of om te kunnen werken voor bedrijven, of voor vestigingen ervan, in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is.
  § 2. De administrateur-generaal kan een erkenning als afdeling Medisch Toezicht of als departement Medisch Toezicht schorsen of intrekken.
  Voor hij een erkenning kan schorsen of intrekken, moet hij een voornemen tot schorsing of intrekking formuleren.

  Art. 4. Om erkend te kunnen worden als afdeling Medisch Toezicht of als departement Medisch Toezicht moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn :
  1° een aanvraag tot erkenning wordt ingediend bij de administrateur-generaal;
  2° er wordt voldaan aan de bepalingen van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en aan de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten ervan.

  Art. 5. De minister bepaalt welke gegevens de aanvraag tot erkenning moet bevatten.

  Art. 6.§ 1. Ter uitvoering van artikel 5, § 4, van het decreet van 17 oktober 2003, gelden de volgende bepalingen :
  1° voor externe diensten vervangt, met behoud van de toepassing van paragraaf 2, het kwaliteitshandboek van het kwaliteitssysteem dat met NBN EN ISO 9001 gecertificeerd is, vermeld in artikel 7, § 3, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, het kwaliteitshandboek, vermeld in artikel 5, § 4, van het decreet van 17 oktober 2003;
  2° voor interne diensten bevat het kwaliteitshandboek van het kwaliteitssysteem van het bedrijf een specifiek deel over het departement Medisch Toezicht. Dat specifieke deel geldt voor de interne diensten als kwaliteitshandboek als vermeld in artikel 5, § 4, van het decreet van 17 oktober 2003;
  3° gemeenschappelijke interne diensten hebben een specifiek kwaliteitssysteem, gelijkwaardig aan ISO 9001, en het kwaliteitshandboek van dat specifieke kwaliteitssysteem geldt voor die gemeenschappelijke interne diensten als kwaliteitshandboek als vermeld in artikel 5, § 4, van het decreet van 17 oktober 2003.
  § 2. Ter uitvoering van artikel 6, § 2, van het decreet van 17 oktober 2003, stelt de minister een lijst op van aspecten van zorg met een bijzondere maatschappelijke waarde en bepaalt de minister :
  1° de wijze waarop de registratiegegevens daarover ter beschikking worden gesteld;
  2° de minimale aspecten van zorg die de afdeling of het departement Medisch Toezicht in het [1 de zelfevaluatie]1 moet opnemen.
  De lijst, vermeld in het eerste lid, bevat minimaal de volgende aspecten van zorg met een bijzondere maatschappelijke waarde :
  1° het vormingsbeleid van de afdeling Medisch Toezicht of het departement Medisch Toezicht voor personen die verbonden zijn aan de afdeling Medisch Toezicht of het departement Medisch Toezicht;
  2° de zwakke punten en de verbeteracties van de kwaliteit van de eigen dienstverlening van het departement Medisch Toezicht of de afdeling Medisch Toezicht in kwestie.
  In het erkenningsbesluit kunnen, met het oog op het toezicht, aandachtspunten opgenomen worden die betrekking hebben op de lijst van aspecten van zorg met een bijzondere maatschappelijke waarde, vermeld in het eerste lid, en die specifiek zijn voor het departement Medisch Toezicht of de afdeling Medisch Toezicht in kwestie,
  § 3. Voor het overleg met de betrokken sector, vermeld in artikel 6, § 3, van het decreet van 17 oktober 2003, wordt de sector, wat dit besluit betreft, vertegenwoordigd door de Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg.
  ----------
  (1)<BVR 2014-05-16/31, art. 67, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 7. De minister bepaalt, met toepassing van artikel 7, § 1, tweede lid, van het decreet van 17 oktober 2003, welke gegevens moeten bezorgd worden aan het agentschap.

  Art. 8.Om de continuïteit van een erkenning te kunnen garanderen, moet een afdeling Medisch Toezicht of een departement Medisch Toezicht, [1 minimaal zeven maanden en maximaal twaalf maanden]1 voor het verstrijken van de erkenningstermijn, een aanvraag tot erkenning indienen bij de administrateur-generaal.
  [1 De gegevens in de aanvraag tot erkenning, vermeld in het eerste lid, hebben betrekking op het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarop de erkenningstermijn verstrijkt.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-05-16/31, art. 68, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  HOOFDSTUK III. - Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg

  Art. 9. De minister richt een Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg op als vermeld in artikel 75bis, § 4, van het decreet van 21 november 2003, overeenkomstig het besluit van 14 november 2008 over de Vlaamse werkgroepen.
  Het betreft een ondersteunende werkgroep als vermeld in artikel 3, 2°, a, van het besluit van 14 november 2008 over de Vlaamse werkgroepen, die zich binnen het preventieve gezondheidsbeleid toespitst op de bedrijfsgezondheidszorg.

  Art. 10. § 1. De Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg geeft advies aan de minister of het agentschap over :
  1° de aanvraag tot erkenning van een afdeling Medisch Toezicht of een departement Medisch Toezicht;
  2° de aandachtspunten, vermeld in artikel 6, § 2 derde lid;
  3° het mogelijke voornemen tot schorsing of intrekking van een erkenning van een afdeling Medisch Toezicht of een departement Medisch Toezicht;
  4° bedrijfsgezondheidszorg in het algemeen, op verzoek van de minister of het agentschap, of op eigen initiatief;
  5° de ontwerpen van regelgeving ter uitvoering van artikel 75bis en artikel 80, § 1, tweede lid, van het decreet van 21 november 2003, en de uitvoering van dit besluit, op verzoek van de minister of het agentschap, of op eigen initiatief.
  § 2. Een erkenning, vermeld in artikel 3, § 1, een voornemen tot schorsing of intrekking van erkenning, vermeld in artikel 3, § 2, eerste lid, en de aandachtspunten, vermeld in artikel 6, § 2, derde lid, worden altijd voorafgegaan door een advies van de Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg.
  Een advies van de Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg over een aanvraag tot erkenning of een mogelijk voornemen tot weigering of tot intrekking van een erkenning van een afdeling Medisch Toezicht of een departement Medisch Toezicht moet gemotiveerd zijn en een eindconclusie bevatten.
  § 3. De minister kan, overeenkomstig artikel 4 van het besluit van 14 november 2008 aanvullende opdrachten van de Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg bepalen.

  Art. 11.§ 1. De Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg bestaat uit de volgende leden :
  1° een voorzitter niet-ambtenaar die niet werkt bij een ministerieel kabinet of bij de Vlaamse of de federale overheid;
  2° drie leden die door de representatieve werkgeversorganisaties worden voorgedragen op een dubbele lijst;
  3° drie leden die door de representatieve werknemersorganisaties worden voorgedragen op een dubbele lijst;
  4° drie leden-arbeidsgeneesheren die door de Vlaamse Wetenschappelijke Vereniging voor Arbeidsgeneesheren en door de Nederlandstalige leden van de Belgische Beroepsverening voor Arbeidsgeneesheren samen worden voorgedragen op een dubbele lijst;
  5° twee leden die bij het agentschap werken en die de secretariaatstaken op zich nemen van de Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg.
  Alleen de leden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 4°, zijn stemgerechtigd.
  [1 Om een geldig advies uit te brengen, moeten minstens vijf stemgerechtigde leden aanwezig zijn en moeten alle geledingen, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 4°, vertegenwoordigd zijn.
   Als geen consensus wordt bereikt, wordt een beslissing genomen bij gewone meerderheid van de stemmen.
   Als het quotum, vermeld in het derde lid, niet is bereikt, kan de werkgroep geldig advies uitbrengen als het advies per e-mail wordt toegezonden aan alle leden en per e-mail wordt goedgekeurd door minstens zes stemgerechtigde leden waarvan ten minste een van elke geleding, vermeld in het eerste lid, 12° tot en met 4°.]1
  § 2. De minister draagt de Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg op een huishoudelijk reglement op te maken.
  ----------
  (1)<BVR 2014-05-16/31, art. 69, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  HOOFDSTUK IV. - Procedures voor erkenning, weigering van erkenning, en intrekking van erkenning

  Afdeling I. - Procedure voor erkenning en weigering van erkenning

  Art. 12. § 1. De administrateur-generaal bepaalt de vorm van de aanvraag en de wijze waarop de aanvraag moet worden ingediend.
  § 2. Een aanvraag tot erkenning is ontvankelijk als ze minstens de gegevens bevat die de Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg toelaat een advies te verstrekken over het voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4, 2°.
  Een aanvraag tot erkenning is onontvankelijk als ze onvolledig is of als ze elementen bevat op basis waarvan eerder een erkenning is geweigerd of is ingetrokken, tenzij de aanvraag aantoont dat de reden voor de eerdere weigering of intrekking niet meer bestaat.
  De beslissing over de ontvankelijkheid of onontvankelijkheid van de aanvraag wordt door het agentschap meegedeeld aan de aanvrager binnen dertig dagen nadat de administrateur-generaal de aanvraag heeft ontvangen. De onontvankelijkheid moet gemotiveerd worden.
  § 3. De beslissing over de erkenning wordt door de administrateur-generaal genomen binnen vier maanden na de dag van de melding van de ontvankelijkheid, vermeld in § 2, derde lid.
  § 4. Als de termijn, vermeld in paragraaf 3, overschreden is en het advies van de Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg, vermeld in artikel 10, § 1, 1°, gunstig is voor de aanvrager, wordt van rechtswege een erkenning verleend, gebaseerd op de eindconclusie van het advies van de Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg, vermeld in artikel 10, § 2, eerste lid.
  Als de termijn, vermeld in paragraaf 3, overschreden is en het advies van de Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg, vermeld in artikel 10, § 1, 1°, niet gunstig is voor de aanvrager, wordt geen erkenning verleend en brengt het agentschap de aanvrager daarvan op de hoogte.

  Art. 13.Om de aanvraag tot erkenning te kunnen behandelen, kan het agentschap :
  1° alle aanvullende gegevens die daartoe nodig zijn vragen aan de afdeling Medisch Toezicht of het departement Medisch Toezicht;
  2° in de lokalen die de afdeling Medisch Toezicht of het departement Medisch Toezicht ter beschikking heeft, een onderzoek dat betrekking heeft op de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4, 2°, verrichten of laten verrichten door [1 Zorginspectie van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein]1, of door andere bevoegde openbare instanties;
  3° gebruik maken van gegevens over de afdeling Medisch Toezicht of het departement Medisch Toezicht, die worden aangeleverd door derden.
  De termijn, vermeld in artikel 12, § 3, wordt opgeschort tot het agentschap in het bezit is van de gegevens, vermeld in het eerste lid, 1°.
  ----------
  (1)<BVR 2015-01-30/08, art. 33, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 14. De ontvankelijke aanvraag tot erkenning, in voorkomend geval aangevuld met de gegevens die verkregen zijn met toepassing van artikel 13, eerste lid, en met de gegevens uit de jaarverslagen, wordt door het agentschap getoetst aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4, 2°. Het agentschap stelt op basis daarvan een erkenningsdossier samen.

  Art. 15. Het erkenningsdossier, vermeld in artikel 14, wordt voorgelegd aan de Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg. Die bezorgt een advies aan de administrateur-generaal over de aanvraag tot erkenning, vermeld in artikel 10, § 1, 1°.

  Art. 16. De beslissing van de administrateur-generaal om een erkenning, als vermeld in artikel 3, § 1, eerste lid, te verlenen, wordt ter kennis gebracht van de aanvrager.

  Art. 17.De administrateur-generaal kan, na het advies van de Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg, vermeld in artikel 10, § 1, 1°, een voornemen uiten tot weigering van een erkenning als niet is voldaan aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4, 2°.
  Het voornemen tot weigering van een erkenning wordt met een aangetekende zending ter kennis gebracht van de aanvrager.
  De aangetekende zending bevat, naast het voornemen, uitleg over de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij het agentschap [1 ...]1.
  De aanvrager kan geen aanspraak maken op een vergoeding door de weigering van de erkenning.
  ----------
  (1)<BVR 2013-07-12/41, art. 74, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 18. Alle gegevens en documenten worden elektronisch van en naar het agentschap verzonden. De stukken die niet elektronisch beschikbaar zijn, worden met de post verstuurd of gefaxt.

  Afdeling II. - Procedure voor schorsing en intrekking van erkenning

  Art. 19. De administrateur-generaal kan, na het advies van de Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg, vermeld in artikel 10, § 1, 3°, een voornemen formuleren tot schorsing van een erkenning als de afdeling Medisch Toezicht of het departement Medisch Toezicht de bepalingen van dit besluit die betrekking hebben op de erkenning als departement Medisch Toezicht of afdeling Medisch Toezicht, niet naleeft.

  Art. 20.§ 1. Het voornemen van de administrateur-generaal tot schorsing van een erkenning wordt met een aangetekende zending ter kennis gebracht van de afdeling Medisch Toezicht of het departement Medisch Toezicht.
  De aangetekende zending bevat, naast het voornemen, de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij het agentschap [1 ...]1.
  § 2. Als de erkenning wordt geschorst, kan het departement Medisch Toezicht of de afdeling Medisch Toezicht in kwestie geen aanspraak maken op een vergoeding voor kosten die verbonden zijn aan activiteiten die hebben plaatsgevonden in het kader van de schorsing of op een vergoeding voor verlies van inkomsten door de schorsing van de erkenning.
  § 3. De volgende maatregelen kunnen opgelegd worden in het kader van de schorsing :
  1° het departement Medisch Toezicht of de afdeling Medisch Toezicht moet de ondernemingen die bij de dienst zijn aangesloten informeren over de schorsing;
  2° het departement Medisch Toezicht of de afdeling Medisch Toezicht moet haar activiteiten als departement Medisch Toezicht of afdeling Medisch Toezicht stopzetten, behalve voor de activiteiten die in het schorsingsbesluit toegestaan zijn.
  Die maatregelen kunnen per departement Medisch Toezicht of afdeling Medisch Toezicht worden gemoduleerd, afhankelijk van de redenen voor de schorsing.
  ----------
  (1)<BVR 2013-07-12/41, art. 74, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 21.§ 1. De administrateur-generaal formuleert, na het advies van de Vlaamse werkgroep Bedrijfsgezondheidszorg, vermeld in artikel 10, § 1, 3°, een voornemen tot intrekking van een erkenning als, na een schorsing blijkt dat het departement Medisch Toezicht of de afdeling Medisch Toezicht nog altijd niet voldoet aan de bepalingen van dit besluit die betrekking hebben op de erkenning als departement Medisch Toezicht of afdeling Medisch Toezicht, of als de maatregelen in het kader van de schorsing, vermeld in artikel 20, § 3, niet worden nageleefd.
  § 2. De administrateur-generaal kan een erkenning ook intrekken als het departement Medisch Toezicht of de afdeling Medisch Toezicht erom verzoekt met een aangetekende brief. De beslissing van de administrateur-generaal wordt, binnen een termijn van zes maanden nadat het verzoek is ingediend, met een aangetekende zending bezorgd aan het departement Medisch Toezicht of de afdeling Medisch Toezicht.
  § 3. Het voornemen tot intrekking van een erkenning wordt met een aangetekende zending bezorgd aan het departement Medisch Toezicht of de afdeling Medisch Toezicht.
  De aangetekende zending bevat, naast het voornemen, ook de mogelijkheid, de voorwaarden en de procedure om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen bij het agentschap [1 ...]1.
  § 4. De afdeling Medisch Toezicht of het departement Medisch Toezicht kan geen aanspraak maken op een vergoeding voor kosten die verbonden zijn aan activiteiten die hebben plaatsgevonden in het kader van de intrekking van de erkenning, of op een vergoeding voor verlies van inkomsten door de intrekking van zijn erkenning.
  ----------
  (1)<BVR 2013-07-12/41, art. 74, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Afdeling III. - Verzet- en beroepsprocedure

  Art. 22. Een aanvrager, een afdeling Medisch Toezicht of een departement Medisch Toezicht kan binnen dertig dagen nadat een aangetekende zending als vermeld in artikel 17, tweede lid, artikel 20, § 1, eerste lid, en artikel 21, § 3, is verstuurd met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het agentschap in een van de volgende gevallen :
  1° bij een voornemen tot weigering van een erkenning;
  2° bij een voornemen tot schorsing van een erkenning;
  3° bij een voornemen tot intrekking van een erkenning.
  Het agentschap beoordeelt de ontvankelijkheid van het bezwaar dat een aanvrager, een afdeling Medisch Toezicht of een departement Medisch Toezicht heeft ingediend tegen een voornemen als vermeld in het eerste lid.
  Het bezwaarschrift is onontvankelijk als :
  1° het bezwaarschrift niet gemotiveerd is;
  2° het bezwaarschrift niet aangetekend ingediend is;
  3° het bezwaarschrift niet is ingediend binnen dertig dagen nadat de aangetekende brief, vermeld in artikel 17, tweede lid, artikel 20, § 1, eerste lid of artikel 21, § 3, is verstuurd.

  Art. 23.[1 Het ontvankelijke bezwaarschrift wordt behandeld volgens de regels die zijn vastgesteld bij of ter uitvoering van hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers.]1
  [1 ...]1
  Als de aanvrager, de afdeling Medisch Toezicht of het departement Medisch Toezicht geen bezwaarschrift indient binnen dertig dagen nadat de aangetekende zending is verstuurd, vermeld in artikel 17, tweede lid, artikel 20, § 1, eerste lid of artikel 21, § 3, wordt, na het verstrijken van die termijn, de beslissing van de administrateur-generaal met een aangetekende brief aan de aanvrager, de afdeling Medisch Toezicht of het departement Medisch Toezicht bezorgd.
  ----------
  (1)<BVR 2013-07-12/41, art. 75, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 24.
  <Opgeheven bij BVR 2013-07-12/41, art. 76, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  HOOFDSTUK V. - Toezicht

  Art. 25. Om erkend te kunnen blijven, moet een afdeling Medisch Toezicht of departement Medisch Toezicht :
  1° voldoen aan de bepalingen van artikel 4, 2° en artikel 6, § 1;
  2° voldoen aan de bepalingen van het decreet van 17 oktober 2003;
  3° op eigen initiatief, en elk jaar uiterlijk op 30 juni, het jaarverslag, of de onderdelen ervan die betrekking hebben op de activiteiten van het departement Medisch Toezicht of de afdeling Medisch Toezicht, aan het agentschap bezorgen, als vermeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk en het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor Preventie en Bescherming op het werk;
  4° op eigen initiatief, en elk jaar uiterlijk op 30 juni, de gegevens, vermeld in artikel 7, aan het agentschap bezorgen;
  5° elke wijziging die betrekking heeft op de erkenning, onmiddellijk aan het agentschap melden.

  Art. 26.Het agentschap wordt belast met het toezicht op de naleving van dit besluit. [2 ...]2.
  ----------
  (1)<BVR 2015-01-30/08, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<BVR 2018-12-07/22, art. 17, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  HOOFDSTUK VI. - Erkenning van een afdeling Medisch Toezicht of departement Medisch Toezicht als organisatie met terreinwerking

  Art. 27.[1 § 1. Een afdeling Medisch Toezicht of een departement Medisch toezicht kan, conform artikel 23, § 2, van het decreet van 21 november 2003, erkend worden als organisatie met terreinwerking.
   De erkenning van een departement Medisch Toezicht of een afdeling Medisch Toezicht als organisatie met terreinwerking mag geen afbreuk doen aan de verplichtingen die voortvloeien uit andere regelgeving.
   § 2. Een afdeling Medisch Toezicht of een departement Medisch Toezicht wordt conform artikel 23, § 2, van het decreet van 21 november 2003, door de administrateur-generaal erkend als organisatie met terreinwerking als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
   1° er is een preventieovereenkomst van maximaal vijf jaar gesloten met de minister over de initiatieven in het kader van het Vlaamse preventieve gezondheidsbeleid, vermeld in het decreet van 21 november 2003, die de afdeling Medisch Toezicht of het departement Medisch Toezicht neemt. De preventieovereenkomst vermeldt minstens een of meer beleidsthema's, de afspraken over de uitvoering van de initiatieven in het kader van de beleidsthema's, het werkgebied van de organisatie met terreinwerking, de eventuele subsidiëring en subsidiëringsvoorwaarden en de regels voor het opzeggen van de overeenkomst;
   2° de afdeling Medisch Toezicht of het departement Medisch Toezicht registreert de activiteiten in het kader van de preventieovereenkomst, vermeld in punt 1°, en bezorgt die registratiegegevens aan het agentschap. Het agentschap bepaalt de vorm en de overdrachtswijze en -frequentie waarop de registratiegegevens bezorgd moeten worden en kan daartoe, na overleg met de betrokkenen, een registratiesysteem invoeren waarvan de administratieve last zo beperkt mogelijk wordt gehouden. De laatste registratiegegevens van een werkingsjaar worden bezorgd uiterlijk drie maanden nadat het werkingsjaar is verstreken.
   3° de afdeling Medisch Toezicht of het departement Medisch Toezicht bezorgt, als de afdeling of het departement in het kader van de preventieovereenkomst een subsidie ontvangt, jaarlijks een financieel verslag aan het agentschap over de werking als organisatie met terreinwerking. Dat verslag mag geïntegreerd worden in andere verslaggeving over de basiswerking die aan het agentschap bezorgd moet worden. Het agentschap kan de vorm van dat verslag bepalen.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-05-16/31, art. 70, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 28. Departementen Medisch Toezicht en afdelingen Medisch Toezicht kunnen in het kader van een erkenning als organisatie met terreinwerking alleen taken krijgen die passen in hun algemene preventieve opdracht voor werknemers in de bedrijven, of in vestigingen ervan, waarmee ze een overeenkomst hebben gesloten.

  Art. 29. De erkenning van een afdeling Medisch Toezicht of departement Medisch Toezicht als organisatie met terreinwerking loopt van rechtswege af bij het aflopen van de erkenning als afdeling Medisch Toezicht of departement Medisch Toezicht.

  HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen

  Art. 30. Artikel 106 en 107 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming worden opgeheven.

  Art. 31. Het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen treedt voor de departementen Medisch Toezicht en afdelingen Medisch Toezicht in werking op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 32. Artikel 22, 23, 25, 1° en 26 van het decreet van 20 maart 2009 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin treden in werking op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 33. Afdelingen Medisch Toezicht die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend zijn door de Vlaamse Gemeenschap, blijven van rechtswege erkend tot en met 31 december 2013. Vanaf 1 januari 2014 worden afdelingen Medisch Toezicht erkend volgens de bepalingen van dit besluit. De afdelingen Medisch Toezicht dienen daarvoor, overeenkomstig artikel 10, uiterlijk op 1 januari 2013 een aanvraag tot erkenning in.

  Art. 34. Het agentschap bepaalt de datum waartegen een departement Medisch Toezicht, dat door de Vlaamse Gemeenschap is erkend, een aanvraag tot erkenning moet indienen op basis van dit besluit. Die datum is uiterlijk 31 december 2014.
  Een departement Medisch Toezicht blijft van rechtswege erkend tot maximaal een jaar na de datum, vermeld in het eerste lid.

  Art. 35. De Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 5 juni 2009.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
V. HEEREN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Vlaamse Regering,
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;
   Gelet op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, artikel 40, § 3, vierde lid;
   Gelet op het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, goedgekeurd bij de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947, inzonderheid op de artikelen 106 en 107, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 april 1965, 2 augustus 1968, 27 juli 1973 en het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 1983 en 29 september 1999;
   Gelet op het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, artikel 5, § 4, artikel 6, artikel 7, artikel 9 en artikel 14;
   Gelet op het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid, artikel 20, artikel 23, artikel 75bis, ingevoegd bij het decreet van 20 maart 2009, en artikel 80, § 1, tweede lid, ingevoegd bij het decreet van 20 maart 2009;
   Gelet op het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, artikel 12;
   Gelet op het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, gewijzigd bij de koninklijke besluiten, artikel 36, 3°;
   Gelet op het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, artikel 13, § 2, eerste lid;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008 betreffende Vlaamse werkgroepen binnen het preventieve gezondheidsbeleid, artikel 2 en 3, 2°;
   Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 29 april 2009;
   Gelet op advies nummer 46.572/3 van de Raad van State, gegeven op 26 mei 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 07-12-2018 GEPUBL. OP 09-01-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 26)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 30-01-2015 GEPUBL. OP 05-03-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 13; 26)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 16-05-2014 GEPUBL. OP 15-09-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 8; 11; 27)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 12-07-2013 GEPUBL. OP 06-09-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 17; 20; 21; 23; 24)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 24-09-2010 GEPUBL. OP 21-10-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 13; 26)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 8 uitvoeringbesluiten 5 gearchiveerde versies
    Franstalige versie