J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 78 uitvoeringbesluiten 26 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2002/07/18/2002022549/justel

Titel
18 JULI 2002. - Koninklijk besluit houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-08-2002 en tekstbijwerking tot 31-03-2021)

Bron : TEWERKSTELLING EN ARBEID.SOCIALE ZAKEN.VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU
Publicatie : 22-08-2002 nummer :   2002022549 bladzijde : 36581       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2002-07-18/48
Inwerkingtreding : 01-01-2003

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :2002022442        2001012219        1998012380        2000012393        1999012484        1999012548        1999012424        1999012426        1999012429        1999012431        1999012076        1997012030        1997012040        1998012682        1998012683        1998012686        1997012176       

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Toepassingsgebied.
Art. 1
TITEL II. - Bijdragevermindering.
Art. 2, 2bis
TITEL III. - Toekenning van de vermindering van de werkgeversbijdragen.
Art. 3-5
TITEL IV. - Berekening en vaststelling van de dotaties.
Art. 6, 6bis, 7
TITEL V. - Sectorale uitvoeringswijze.
HOOFDSTUK I. - De collectieve arbeidsovereenkomsten en de raamakkoorden.
Art. 8-11, 11bis, 11ter
HOOFDSTUK 2. - De financiële tussenkomst van de Fondsen Sociale Maribel en de besteding van de opbrengst van de bijdrageverminderingen ingevolge de toetreding tot het raamakkoord.
Art. 12-14, 14bis
HOOFDSTUK 3. - De Sectorale Fondsen Sociale Maribel.
Art. 15-21, 21/1
HOOFDSTUK 4. - (Fonds sociale Maribel van de Overheidssector) <KB 2006-09-01/44, art. 20, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
Afdeling 1. - (Zetel en samenstelling van het Beheerscomité van het Fonds Sociale Maribel voor de Overheidssector) <KB 2006-09-01/44, art. 21, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
Art. 22-25
Afdeling 2. - (Duurtijd van het mandaat van de leden van het Beheerscomité) <KB 2006-09-01/44, art. 23, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
Art. 26
Afdeling 3. - Werking van het beheerscomité. <Ingevoegd bij KB 2006-09-01/44, art. 25; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
Art. 27-28
Afdeling 3. (oude afdeling 4) - (Gemeenschappelijke bepalingen.) <KB 2003-12-31/31, art. 20, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 29
Afdeling 5. - Tegemoetkomingsmodaliteiten. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Onderafdeling 1. - Toetredingsakten. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 30-31
Onderafdeling 2. - Bijkomende financiële tegemoetkoming. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 32-40
Afdeling 6. - Bijzondere tegemoetkomingsmodaliteiten met betrekking tot het " Fonds ziekenhuizen en psychiatrische verzorgingstehuizen ". (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 41
Afdeling 7. - Bijzondere tegemoetkomingsmodaliteiten met betrekking tot het Fonds RSZPPO. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 42-47
Afdeling 8. - Gemeenschappelijke bepaling. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 48
TITEL VI. - Naleving van de verplichting tot bijkomende tewerkstelling.
Art. 49, 49/1, 50-56
TITEL VII. - [1 Vrijstelling van bedrijfsvoorheffing]1
Art. 57-59, 59bis
TITEL VIII. - Toezicht.
Art. 60
TITEL X. - Overgangs- en slotbepalingen.
Art. 60bis, 60bis/1, 60bis/2, 61, 61/1, 61bis, 61bis/1, 61bis/2, 61ter, 62, 62bis, 62ter, 62quater, 62quinquies, 62sexies, 63-67
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Toepassingsgebied.

  Artikel 1.Vallen onder de toepassing van dit besluit :
  1° (de werkgevers voor de werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van volgende paritaire comités :
  a) [8 ...]8
  b) [8 ...]8
  c) Paritair Comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp;
  d) Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap;
  e) Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Vlaamse Gemeenschap;
  f) Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en -diensten;
  g) Paritair Subcomité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en diensten van de Vlaamse Gemeenschap;
  h) Paritair Subcomité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en diensten van de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap;
  i) [8 Paritair Comité voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de maatwerkbedrijven, met uitzondering van de sociale werkplaatsen;]8
  j) Paritair Comité voor de socio-culturele sector;
  k) Paritair Subcomité voor de socio-culturele sector van de Vlaamse Gemeenschap;
  l) Paritair subcomité voor de federale en bicommunautaire socio-culturele organisaties;
  m) Paritair subcomité voor de socio-culturele sector van de Franstalige en Duitstalige Gemeenschap en het Waals Gewest;
  n) Paritair comité voor de gezondheidsinrichtingen en diensten, met uitzondering van de werkgevers die onder de omschrijving van het paritaire subcomité voor de tandprothese vallen;
  o) Paritair comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector;
  p) [8 Paritair Comité voor de Franstalige en Duitstalige welzijns- en gezondheidssector;]8
  q) [8 Paritair Subcomité voor de Vlaamse sector van de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de maatwerkbedrijven, met uitzondering van de sociale werkplaatsen;]8
  r) Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap;
  s) Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen van het Waalse Gewest en van de Duitstalige Gemeenschap.
  [8 ...]8
  2° [3 de provinciale en plaatselijke besturen voor het personeel dat zij aangeven onder de volgende NACE-codes : 55202, 79901, 84115, 85207, 85520, 85591, 85592, 85601, 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86220, 86230, 86902, 86903, 86904, 86905, 86906, 86907, 86909, 87101, 87109, 87201, 87202, 87203, 87204, 87205, 87209, 87301, 87302, 87303, 87304, 87309, 87901, 87902, 87909, 88101, 88102, 88103, 88104, 88109, 88911, 88912, 88919, 88991, 88992, 88993, 88994, 88995, 88996, 88999, 90012, 90021, 90029, 90031, 90032, 90041, 90042, 91011, 91012, 91020, 91030, 91041, 91042, 93110, 93191, 93199, 94991, 94992, 94993 en 94999;]3
  3° de volgende openbare diensten en instellingen, voor het personeel dat zij tewerkstellen :
  a) [7 de Universiteit Gent voor het personeel tewerkgesteld bij het Universitair Ziekenhuis Gent als bedoeld in artikel 2, tweede lid van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen;]7
  b) (opgeheven) <KB 2005-07-18/31, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  c) het C.H.U. Sart-Tilman te Luik;
  d) het Hôpital psychiatrique le Chêne aux Haies te Bergen;
  e) het Openbaar psychiatrisch centrum te Rekem;
  f) het Hôpital psychiatrique Les Marronniers te Doornik;
  g) het Openbaar psychiatrisch ziekenhuis te Geel;
  h) de Centrale Dienst voor sociale en culturele actie ten behoeve van de leden van de militaire gemeenschap;
  i) [6 War Heritage Institute;]6
  j) Kind en Gezin;
  k) l'Office de la Naissance et de l'Enfance;
  l)[4 Sport Vlaanderen]4;
  m) (...) <KB 2003-12-31/31, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [2 [5 Bovendien worden de werknemers van de diensten van de gemeenschappen die bevoegd zijn voor jeugdbescherming, voor kinderopvang of voor sport en cultuur beschouwd als vallende onder de toepassing van dit besluit. Die werknemers worden geacht te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 2. Het aantal werknemers wordt op basis van een attest overeenkomstig artikel 55 vastgesteld.]5]2
  ----------
  (1)<KB 2009-07-31/11, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 14-08-2009>
  (2)<KB 2016-06-01/06, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (3)<KB 2017-03-15/07, art. 8, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (4)<KB 2019-09-19/06, art. 1,7°, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (5)<KB 2019-09-19/06, art. 1,8°, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (6)<KB 2019-09-19/06, art. 1,6°, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2017>
  (7)<KB 2019-09-19/06, art. 1,5°, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (8)<KB 2019-09-19/06, art. 1,1°-1,4°, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  TITEL II. - Bijdragevermindering.

  Art. 2.§ 1. Elk van de in artikel 1 vermelde werknemers geeft, voor de periode waarin deze ten minste halftijds tewerkgesteld is onder de voorwaarden van artikel 1 van dit besluit, recht op een vermindering van de werkgeversbijdragen bedoeld in artikel 35, § 5, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder " werknemer die ten minste halftijds tewerkgesteld is ", verstaan :
  1° wat de privé sector, zoals bepaald in artikel 1, 1°, en wat de openbare sector zoals bepaald in artikel 1, 3°, betreft, de werknemer die per kwartaal, van het aantal arbeidsuren of arbeidsdagen voorzien in de betreffende sector voor een voltijdse betrekking, minstens 50 pct. presteert;
  (Aan deze voorwaarde is voldaan indien MU (glob) zoals bedoeld en berekend volgens de bepalingen van artikel 2 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen ten minste 0,49 bedraagt.) <KB 2003-12-31/31, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (De werknemer die een doelgroepvermindering geniet bedoeld in Hoofdstuk III van Titel III van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheid of een doelgroepvermindering bedoeld in artikel 58, 59, 62, 64, 64bis, 67, 68 en 69 van voornoemd besluit van 16 mei 2003 wordt voor de toepassing van dit besluit evenwel niet beschouwd als werknemer die tenminste halftijds tewerkgesteld is) <KB 2004-09-13/35, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  2° wat de openbare sector zoals bepaald in artikel 1, 2°, betreft, de werknemer wiens arbeidsregime minstens 50 pct. bedraagt van een voltijdse betrekking in de betreffende sector.
  (...). <KB 2004-09-13/35, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  § 2. [1 De vermindering van de werkgeversbijdragen als bedoeld in paragraaf 1 bedraagt per werknemer en per trimester 395,45 euro vanaf 1 januari 2014.
   De vermindering bedoeld in het 1ste lid wordt vanaf 1 januari 2014 verhoogd :
   - met 3,38 euro per werknemer en per trimester voor het sectoraal fonds voor het paritair comité als bedoeld in artikel 1, 1°, n);
   - met 1,68 euro per werknemer en per trimester voor het fonds als bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2° van de wet van 29 juni 1981.]1
  [2 In afwijking van het eerste lid wordt de vermindering van de werkgeversbijdragen als bedoeld in paragraaf 1 per werknemer en per trimester beperkt tot het bedrag van de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3bis, van voornoemde wet van 29 juni 1981 voor de werknemers bedoeld in artikel 28/11, derde lid van voornoemd besluit van 16 mei 2003.]2
  [3 § 2/1. [4 De vermindering van de werkgeversbijdragen als bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, wordt per werknemer en per trimester vermeerderd met :
   - 13,92 euro vanaf 1 januari 2016;
   - [5 ...]5;
   - [5 ...]5.]4 ]3
  [5 § 2/2. De vermindering van de werkgeversbijdragen als bedoeld in § 2, eerste lid, wordt per werknemer en per trimester vermeerderd met :
   - 48,41 euro vanaf 1 april 2016;
   - 69,84 euro vanaf 1 januari 2018;
   - 87,22 euro vanaf 1 januari 2019;
   - 108,65 euro vanaf 1 januari 2020.
   Het vorige lid is niet van toepassing op de werkgevers bedoeld in artikel 1, eerste lid, 1°, d en e.
   In afwijking van het eerste lid, wordt voor het fonds als bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2° van de wet van 29 juni 1981 de vermindering van de werkgeversbijdragen als bedoeld in § 2, eerste lid, per werknemer en per trimester vermeerderd met :
   - 45,70 euro vanaf 1 april 2016;
   - 65,44 euro vanaf 1 januari 2018;
   - 81,44 euro vanaf 1 januari 2019;
   - 101,18 euro vanaf 1 januari 2020.]5
  (§ 3. De in § 2, eerste lid, bedoelde vermindering van de werkgeversbijdragen (voor het geheel van de werknemers die onder toepassing van dit besluit vallen) kan in geen geval de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7°, en § 3bis, van de voornoemde wet van 29 juni 1981 overschrijden, waarbij geen rekening wordt gehouden met de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3bis, eerste lid, van dezelfde wet, die niet werd berekend op de werkgeversbijdragen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 8° en § 3bis, eerste en tweede lid, (van dezelfde wet, voor het geheel van de werknemers die onder toepassing van dit besluit vallen).) <KB 2003-12-31/31, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <KB 2007-02-28/31, art. 1, 2°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (§ 4. De in § 2, eerste lid, bedoelde vermindering van de werkgeversbijdragen is, per tewerkstelling bedoeld in artikel 2, § 1 van het voornoemde koninklijk besluit van 16 mei 2003, cumuleerbaar met :
  1° de structurele vermindering en één enkele doelgroepvermindering zoals bedoeld in hoofdstuk 7 van Titel IV van de Programmawet (I) van 24 december 2002 volgens de regelingen en modaliteiten daarin bepaald; of
  2° met één enkele andere vermindering der werkgeversbijdragen, dan bedoeld in 1° van dit lid of in § 5. In dit geval wordt het bedrag van de werkgeversbijdragen dat beschikbaar is voor de andere verminderingen vooraf verminderd met het bedrag van de in § 2 bedoelde forfaitaire vermindering.) <KB 2003-12-31/31, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 5. [2 De in § 2, eerste lid, bedoelde vermindering van de werkgeversbijdragen is niet cumuleerbaar met :
   - een doelgroepvermindering bedoeld in artikel 28/11, eerste en tweede lid van voornoemd besluit van 16 mei 2003;
   - een doelgroepvermindering bedoeld in artikel 28/15 van voornoemd besluit van 16 mei 2003.]2
  (§ 6. Dit artikel is niet van toepassing op de beschutte werkplaatsen.) <KB 2004-09-13/35, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  ----------
  (1)<KB 2014-03-19/01, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<KB 2014-04-24/45, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<KB 2014-05-22/07, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (4)<KB 2015-03-27/10, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (5)<KB 2016-06-01/06, art. 2, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 2bis.<Ingevoegd bij KB 2004-09-13/35, art. 2; Inwerkingtreding : 01-07-2004> § 1. Elk van de in artikel 1 vermelde werknemers geeft, voor de periode waarin deze ten minste voor 33 % tewerkgesteld is in een beschutte werkplaats onder de voorwaarden van artikel 1 van dit besluit, recht op de vermindering van de werkgeversbijdragen bedoeld in artikel 35, § 5, van voormelde wet van 29 juni 1981.
  (Artikel 2, § 1, tweede lid, met uitzondering van 1°, laatste lid, is van toepassing met dien verstande dat '50 pct.' telkens vervangen wordt door '33 pct.' en dat '0,49' wordt vervangen door '0,33'.) <KB 2005-07-18/31, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  § 2. [1 De vermindering van de werkgeversbijdragen als bedoeld in paragraaf 1 bedraagt per werknemer en per trimester 395,45 euro vanaf 1 januari 2014.]1
  [2 § 2/1. [3 De vermindering van de werkgeversbijdragen als bedoeld in paragraaf 2, wordt per werknemer en per trimester vermeerderd met :
   - 13,92 euro vanaf 1 januari 2016;
   - [4 ...]4;
   - [4 ...]4.]3 ]2
  [4 § 2/2. De vermindering van de werkgeversbijdragen als bedoeld in § 2, wordt per werknemer en per trimester vermeerderd met :
   - 48,41 euro vanaf 1 april 2016;
   - 69,84 euro vanaf 1 januari 2018;
   - 87,22 euro vanaf 1 januari 2019;
   - 108,65 euro vanaf 1 januari 2020;]4
  [5 - 144,50 euro vanaf 1 januari 2021.]5
  § 3. (De in § 2 bedoelde vermindering wordt toegepast na elke andere bijdragevermindering sociale zekerheid waarop de werkgever voor de bij hem tewerkgestelde werknemers aanspraak kan maken.
  Artikel 2, § 3 is van toepassing voor de werknemers van de beschutte werkplaatsen.) <KB 2007-02-28/31, art. 2, 2°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ----------
  (1)<KB 2014-03-19/01, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<KB 2014-05-22/07, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<KB 2015-03-27/10, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (4)<KB 2016-06-01/06, art. 3, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (5)<KB 2021-03-25/04, art. 1, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  TITEL III. - Toekenning van de vermindering van de werkgeversbijdragen.

  Art. 3. § 1. Dit artikel is van toepassing op de werkgevers die met toepassing van artikel 8 gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst of met toepassing van artikel 9 onder de toepassing van een raamakkoord vallen.
  § 2. (De opbrengst, na vermindering van de 0,10 % bijdrage voorzien in artikel 35, § 5, van de voormelde wet van 29 juni 1981, wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan het bevoegde sectorale fonds, voorzien in dezelfde wet, gestort.
  (Tweede lid opgeheven) <KB 2006-09-01/44, art. 4, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  § 3. (De opbrengst, bedoeld in artikel 35, § 5 van de voormelde wet van 29 juni 1981, verschuldigd aan de werkgevers bedoeld in artikel 1, eerste lid, 3°, wordt, na vermindering van de bijdrage van 0,10 %, door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gestort aan het Fonds sociale Maribel bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2°, a).) <KB 2006-09-01/44, art. 4, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  § 4. (...) <KB 2006-09-01/44, art. 4, 3°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 4.<KB 2006-09-01/44, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> De opbrengst van de vermindering van de werkgeversbijdragen van de werkgevers, na aftrek van de bijdrage van 0,10 % voorzien in de voormelde wet van 29 juni 1981, die in beginsel in aanmerking komen voor de betrokken regeling, maar die niet onder een collectieve arbeidsovereenkomst of een raamakkoord vallen zoals bedoeld in hoofdstuk I van Titel V, wordt gestort door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid [1 ...]1 in overeenstemming met de bestemming beslist door de Ministers die Sociale Zaken, Werk en Volksgezondheid tot hun bevoegdheid hebben. Deze bestemming kan de financiering zijn van bijkomende tewerkstelling in bepaalde sectoren en/of de financiering van opleidingsprojecten.
  ----------
  (1)<KB 2017-03-15/07, art. 9, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 5.<KB 2006-09-01/44, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> § 1. De opbrengst van de vermindering van de werkgeversbijdragen met betrekking tot het statutair personeel van de openbare instelling dat gedetacheerd is bij een instelling die behoort tot de private sector, wordt door de [2 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]2 gestort aan het sectoraal Fonds van de private sector waartoe de instelling behoort.
  Deze storting geschiedt de twintigste van de laatste maand van het kwartaal waarop de (...) dotatie betrekking heeft. <KB 2007-02-28/31, art. 3, 1°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 2. (Indien een werkgever binnen het toepassingsgebied van dit besluit overgaat naar een ander paritair comité of paritair subcomité, dan dient het sectorale fonds waartoe de werkgever voorheen behoorde aan het sectorale fonds waartoe de werkgever nu behoort, een deel van de dotaties over te maken voor de periode gelegen tussen het tijdstip van wijziging van paritair comité en het jaartal waarin de prestaties van de werknemers van deze werkgever meegenomen zijn in de dotaties van het nieuwe sectorale fonds.) <KB 2007-02-28/31, art. 3, 2°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 3. [1 Bij de overgang van een werkgever van een fonds als bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2°, van de wet van 29 juni 1981 naar een sectoraal fonds als bedoeld in artikel 35, § 5, C, 1°, van dezelfde wet, of in het omgekeerde geval, dient het nieuw bevoegde fonds de opbrengst van de bijdragevermindering, bedoeld in artikel 35, § 5 van de wet van 29 juni 1981, van de betrokken instelling te besteden aan de financiering van de reeds bij deze werkgever gecreëerde maribel betrekkingen, rekening houdend met de financieringsregels in voege in het nieuwe fonds.
   Deze bepaling impliceert dat het geheel van de bijdrageverminderingen van deze instelling zonder verwijl moeten worden getransfereerd door het oude fonds naar het nieuwe bevoegde fonds, zij is van toepassing vanaf deze transfer tot in het jaar in de loop van hetwelk de prestaties van de werknemers van deze instelling in aanmerking genomen zijn in de dotaties van het nieuwe bevoegde fonds.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-07-31/11, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 14-08-2009>
  (2)<KB 2017-03-15/07, art. 10, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  TITEL IV. - Berekening en vaststelling van de dotaties.

  Art. 6.§ 1. (De opbrengst van de vermindering bedoeld in Titel III van dit besluit, alsook het bedrag voortvloeiend uit de toepassing van de 0,10 % bijdragen voorzien in de voormelde wet van 29 juni 1981 worden door Ons, op voordracht van de Minister van Werk en van de Minister van Sociale Zaken, vastgesteld en verdeeld over de sectorale fondsen volgens de regelingen in dit artikel.) <KB 2007-02-28/31, art. 4, 1°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 2. [2 Vanaf het jaar 2014 is het bedrag van de opbrengsten van de bijdragevermindering bedoeld in artikel 35, § 5, van de voormelde wet van 29 juni 1981, per sectoraal fonds, voor het jaar n, gelijk aan het aantal recht openende werknemers in het jaar n-2 vermenigvuldigd met 391,87 euro per trimester.
   Het bedrag van 391,87 euro vermeld in het 1ste lid wordt vanaf 1 januari 2014 verhoogd :
   - met 3,38 euro per werknemer en per trimester voor het sectoraal fonds voor het paritair comité als bedoeld in artikel 1, 1°, n). Deze verhoging wordt toegewezen aan de aanwerving van verplegend personeel in de ziekenhuizen waar de verplichting tot volcontinudienst leidt tot de zwaarste zorglast vergeleken met de toegewezen effectieven binnen de huidige budgettaire limieten;
   - met 1,68 euro per werknemer en per trimester voor het fonds als bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2° van de wet van 29 juni 1981. Deze verhoging wordt toegewezen aan de aanwerving van verplegend personeel in de ziekenhuizen waar de verplichting tot volcontinudienst leidt tot de zwaarste zorglast vergeleken met de toegewezen effectieven binnen de huidige budgettaire limieten.
   [8 ...]8]2
  [3 Voor de toepassing van deze titel worden ook de werknemers bedoeld in artikel 28/15 van voornoemd besluit van 16 mei 2003 beschouwd als recht openende werknemers.]3
  [4 § 2/1. [5 Het bedrag van de opbrengsten van de bijdragevermindering als bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, wordt per werknemer en per trimester vermeerderd met:
   - 13,92 euro vanaf 1 januari 2016;
   - [6 ...]6;
   - [6 ...]6.]5 ]4
  [6 § 2/2. Het bedrag van de opbrengsten van de bijdragevermindering als bedoeld in § 2, wordt per werknemer en per trimester vermeerderd met :
   - 48,23 euro vanaf 1 april 2016;
   - 69,65 euro vanaf 1 januari 2018;
   - 87,02 euro vanaf 1 januari 2019;
   - 108,44 euro vanaf 1 januari 2020.
   Het vorige lid is niet van toepassing op de werkgevers bedoeld in artikel 1, eerste lid, 1°, d en e.
   In afwijking van het eerste lid, wordt voor het fonds als bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2° van de wet van 29 juni 1981 de opbrengsten van de bijdragevermindering als bedoeld in § 2 per werknemer en per trimester vermeerderd met:
   - 45,52 euro vanaf 1 april 2016;
   - 65,25 euro vanaf 1 januari 2018;
   - 81,25 euro vanaf 1 januari 2019;
   - 100,98 euro vanaf 1 januari 2020.]6
  [9 In afwijking van het eerste lid, wordt voor de werkgevers bedoeld in artikel 1, eerste lid, 1°, i), q), r) en s), het bedrag van de opbrengsten van de bijdragevermindering als bedoeld in § 2, eerste lid, per werknemer en per trimester vermeerderd met 144,29 euro vanaf 1 januari 2021.]9
  [6 § 2/3. [8 ...]8]6
  § 3. (Het verschil tussen de berekening bedoeld in artikel 2 en 2bis voor het geheel van de werknemers die onder toepassing van dit besluit vallen samen en de berekeningen bedoeld in § 2 [8 , § 2/1, § 2/2, § 5 en § 5/1]8 van dit artikel voor de sectorale fondsen samen, blijft in het globaal beheer van de sociale zekerheid.) <KB 2007-02-28/31, art. 4, 3°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 4. (De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid [7 maakt]7 jaarlijks via elektronische drager de gegevens per paritair comité of per paritair subcomité alsook per openbare dienst of instelling de gegevens inzake het aantal rechtopenende werknemers over de jaren n-3 en n-2 over aan de leidend ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.) <KB 2007-02-28/31, art. 4, 4°, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (Na ontvangst van de gegevens bedoeld in het vorige lid, maakt de leidend ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, deze gegevens over aan de voorzitters van de bevoegde sectorale Fondsen.) <KB 2006-09-01/44, art. 7, 8°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  [1 § 5. [2 ...]2
   [1 Vanaf het jaar 2014, kunnen de dotaties van de fondsen sociale Maribel niet lager zijn dan de dotaties van het voorgaande jaar, tot in het jaar waarin deze dotaties niet langer groter zijn dan het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal recht openende werknemers in het jaar n-2 met 391,87 euro.]1
   In de gevallen als bedoeld in deze paragraaf en in afwijking van artikel 6, § 2, is het bedrag van de opbrengsten van de bijdragevermindering bedoeld in artikel 35, § 5, van de voormelde wet van 29 juni 1981, per sectoraal fonds, voor het jaar n, gelijk aan het bedrag van de ontvangen dotatie ontvangen tijdens het jaar n-1, verhoogd met het viervoud van het bedrag van 354,92 euro vermenigvuldigd met het verschil tussen het jaarlijks gemiddelde van het aantal werknemers die in de loop van de jaren n-3 en n-2, voor dit fonds het recht openden op de vermindering.]1
  [4 § 5/1. [6 Het bedrag van de opbrengsten van de bijdragevermindering als bedoeld in § 5, eerste lid, wordt per werknemer en per trimester vermeerderd met :
   - 13,92 euro vanaf 1 januari 2016;
   - 48,23 euro vanaf 1 april 2016;
   - 69,65 euro vanaf 1 januari 2018;
   - 87,02 euro vanaf 1 januari 2019;
   - 108,44 euro vanaf 1 januari 2020.
   [8 ...]8.]6 ]4
  ----------
  (1)<KB 2010-06-13/11, art. 3, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<KB 2014-03-19/01, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<KB 2014-04-24/45, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (4)<KB 2014-05-22/07, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (5)<KB 2015-03-27/10, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (6)<KB 2016-06-01/06, art. 4, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (7)<KB 2017-03-15/07, art. 11, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (8)<KB 2019-09-19/06, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>
  (9)<KB 2021-03-25/04, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 6bis.[2 § 1.]2 [1 De dotatie van het fonds als bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2° van voormelde wet van 29 juni 1981 wordt verhoogd met 19,36 miljoen euro vanaf 1 januari 2010.
   Dit bedrag kan vanaf 2011 geharmoniseerd worden teneinde het proportioneel equivalent te maken aan de dotatie toegekend aan de privé-sector in toepassing van Titel VII van dit besluit, maar het mag in geen geval het bedrag van 38,720 miljoen euro overschrijden.]1
  [2 § 2. Vanaf 1 januari 2014 wordt de dotatie voor het sectoraal fonds voor het paritair comité als bedoeld in artikel 1, 1°, n) vermeerderd met 5,25 miljoen euro.
   Deze middelen worden prioritair aangewend ter financiering van de werknemers aangeworven in het kader van het project "diensten voor thuisverzorging", zoals voorzien in artikel 1, 4° van het ministerieel besluit van 31 mei 2007 tot uitvoering van artikel 82 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact en tot vaststelling van de globale projecten in de sectoren die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen.
   Het bedrag zoals bedoeld in het eerste lid is gekoppeld aan de spilindex 112,72 (basis 2004 = 100) en wordt, vanaf het jaar 2010, geïndexeerd in oktober van het jaar n-1, overeenkomstig de bepalingen in de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
   De verhoging, zoals bedoeld in de vorige leden, wordt steeds beperkt tot de werkelijke kost van de gecreëerde arbeidsplaatsen.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-06-13/11, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<KB 2014-06-29/07, art. 1, 019; Inwerkingtreding : 30-06-2014>

  Art. 7.<KB 2005-07-18/31, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2005> De dotaties worden op de vijftiende van elke maand gestort. Als die dag geen werkdag is, gebeurt de storting de eerste werkdag die volgt op de vijftiende.
  (Vanaf 1 april 2006 worden de dotaties trimestrieel gestort op de vijftiende van de eerste maand van het kwartaal. Als die dag geen werkdag is, gebeurt de storting de eerste werkdag die volgt op de vijftiende.
  [1 ...]1.
  Vanaf 2006, stort de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan het Fonds sociale Maribel bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2°, a) van de wet van 29 juni 1981 op de 15de van de derde maand van elk trimester de dotatie met betrekking tot de drie maanden van het lopende trimester voor de werkgevers van de openbare sector aangesloten bij deze Rijksdienst.) <KB 2006-09-01/44, art. 8, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  ----------
  (1)<KB 2017-03-15/07, art. 12, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  TITEL V. - Sectorale uitvoeringswijze.

  HOOFDSTUK I. - De collectieve arbeidsovereenkomsten en de raamakkoorden.

  Art. 8. § 1. De collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 3, § 1, moet gesloten zijn in een paritair orgaan overeenkomstig de bepalingen van de wet van 5 december 1968 op de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en moet algemeen verbindend verklaard worden bij koninklijk besluit.
  (De collectieve arbeidsovereenkomst moet alle werkgevers dekken die onder het toepassingsgebied van het paritair orgaan vallen waarin de overeenkomst gesloten is en die gevat worden door artikel 1, eerste lid, 1°, van dit besluit.) <KB 2006-09-01/44, art. 9, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  § 2. De collectieve arbeidsovereenkomst moet minstens de volgende elementen bevatten :
  a) (...) <KB 2006-09-01/44, art. 9, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  b) de verbintenis om de bijdrageverminderingen bedoeld in artikel 2 integraal aan te wenden voor de financiering van bijkomende tewerkstelling zoals omschreven in artikel 49;
  c) de nadere regelen om de integrale besteding te waarborgen van de toegekende verminderingen aan de netto toename van de tewerkstelling;
  d) een strikt tijdsschema met betrekking tot de realisatie van de netto toename van de tewerkstelling, met die verstande dat die netto toename minstens binnen een termijn van zes maanden gerealiseerd moet worden;
  e) de inlichtingen die de werkgevers moeten verstrekken en die moeten toelaten dat het Sectoraal Fonds Sociale Maribel op elk moment met kennis van zaken kan beslissen over de financiering van de bijkomende tewerkstelling;
  f) een mechanisme van controle door het Sectoraal Fonds Sociale Maribel op de besteding van de middelen die ter beschikking van de werkgever worden gesteld (...). <KB 2006-09-01/44, art. 9, 3°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (§ 3. De collectieve arbeidsovereenkomst kan in geen geval het bepalen van de elementen bedoeld in § 2 delegeren aan het Fonds.) <KB 2006-09-01/44, art. 9, 4°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 9. § 1. Het raamakkoord bedoeld in artikel 3, § 1, moet gesloten zijn in het bevoegde onderhandelingscomité overeenkomstig de bepalingen van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
  (Het moet alle werkgevers van de publieke sector dekken bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2° en 3° en bedoeld in artikel 1, tweede lid.) <KB 2006-09-01/44, art. 10, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  § 2. Het in paragraaf 1 bedoelde raamakkoord moet minstens de volgende elementen bevatten :
  a) (...) <KB 2006-09-01/44, art. 10, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  b) de verbintenis om de bijdrageverminderingen bedoeld in artikel 2 integraal aan te wenden voor de financiering van bijkomende tewerkstelling zoals omschreven in artikel 49;
  c) de nadere regelen om de integrale besteding te waarborgen van de toegekende verminderingen aan de netto toename van de tewerkstelling;
  d) een strikt tijdsschema met betrekking tot de realisatie van de netto toename van de tewerkstelling, met die verstande dat die netto toename minstens binnen een termijn van zes maanden gerealiseerd moet worden;
  e) de inlichtingen die de werkgevers moeten verstrekken en die moeten toelaten dat de bevoegde Fondsen Sociale Maribel op elk moment met kennis van zaken kunnen beslissen over de financiering van de bijkomende tewerkstelling;
  f) een mechanisme van controle door de bevoegde Fondsen Sociale Maribel op de besteding van de middelen die ter beschikking van de werkgever worden gesteld (...); <KB 2006-09-01/44, art. 10, 3°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  g) (...) <KB 2006-09-01/44, art. 10, 4°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (Tweede lid opgeheven) <KB 2006-09-01/44, art. 10, 5°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (§ 3. Het raamakkoord kan in geen geval het bepalen van de elementen bedoeld in § 2 delegeren aan het Fonds.) <KB 2006-09-01/44, art. 10, 6°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 10. <KB 2006-09-01/44, art. 11, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> De collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 8 en het raamakkoord bedoeld in artikel 9, worden goedgekeurd door Onze Ministers van Werk en van Sociale Zaken.
  De goedkeuring moet betekend worden, naargelang het geval, aan de voorzitter van het paritaire orgaan binnen welk de overeenkomst gesloten werd of aan de voorzitter van het bevoegde onderhandelingscomité binnen welk het akkoord werd gesloten binnen één maand vanaf de datum van de betekening aan de Ministers van de overeenkomst of het akkoord.
  Indien de goedkeuring of de weigering niet betekend wordt binnen de termijn bepaald in het vorige lid, wordt de collectieve arbeidsovereenkomst of het raamakkoord geacht goedgekeurd te zijn door de ministers.

  Art. 11. De Minister van Werkgelegenheid en de Minister van Sociale Zaken kunnen de goedkeuring vermeld in artikel 10 intrekken wanneer wordt vastgesteld dat één van de elementen vermeld in de collectieve arbeidsovereenkomst of het raamakkoord niet wordt nageleefd.

  Art. 11bis.<Ingevoegd bij KB 2006-09-01/44, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-2006> § 1. Ten laatste op 30 november 2006 moeten de Paritaire Comités en het Overlegcomité bevoegd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, de collectieve arbeidsovereenkomst of het raamakkoord, aangepast aan de bepalingen van dit besluit, overmaken aan de Minister van Werk, de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Volksgezondheid.
  Indien het Paritaire Comité of het Onderhandelingscomité deze termijn, vastgelegd in het voorgaande lid, niet respecteert, kan de storting van de dotatie bestemd voor het desbetreffende bevoegde sectorale Fonds opgeschort worden bij beslissing van de minister van Werk en van Sociale Zaken.
  § 2. [1 Elk sectoraal fonds dient een werkingsdocument op te stellen]1 en goed te keuren binnen het Beheerscomité dat minstens volgende elementen bevat :
  a) de toekenningscriteria gecreëerd in toepassing van dit besluit;
  b) De wijze waarop de toekenning van bijkomende tewerkstelling wordt verdeeld over de kandidaat-werkgevers;
  c) Het percentage, frequentie en het ogenblik van betaling van de financiële tussenkomst.
  d) De lijst van informatie door de werkgever te leveren aan het Fonds op basis van artikel 14bis, § 2 van dit besluit.
  e) De objectieve criteria bedoeld in artikel 14.
  [1 f) de lijst van documenten die de werkgever aan het fonds moet bezorgen in het kader van de controle van de bepaling als bedoeld in artikel 12, zesde lid.]1
  De toekenningen [1 ...]1 dienen te gebeuren binnen het kader van dit werkingsdocument, dat ten allen tijde door het Fonds kan worden aangepast, zonder dat deze wijziging een retroactief effect kan hebben.
  [1 Het werkingsdocument moet raadpleegbaar zijn op de website van het fonds sociale Maribel.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-09-19/06, art. 3, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 11ter.[1 § 1. De fondsen als bedoeld in artikel 35, § 5, C, 1° en 2° van de wet van 29 juni 1981 hebben de mogelijkheid om het administratief beheer geheel of gedeeltelijk te groeperen binnen een rechtspersoon die instaat voor het gemeenschappelijk beheer.
   Jaarlijks kunnen de fondsen een bedrag ter dekking van de administratie- en personeelskosten van het lopende jaar aan deze rechtspersoon overmaken.
   Dit gemeenschappelijk beheer valt onder het toezicht van de in artikel 20 bedoelde regeringscommissarissen.
   § 2. Jaarlijks stelt de rechtspersoon die instaat voor het gemeenschappelijk beheer ter gelegenheid van het opmaken van de jaarrekening een rapport op over het voorgaande jaar met vermelding van :
   1° de totale inkomsten per juridische entiteit met inbegrip van de overeenkomstige financiële en uitzonderlijke opbrengsten;
   2° de totale uitgaven per juridische entiteit met inbegrip van de overeenkomstige financiële en uitzonderlijke kosten;
   3° de gedetailleerde uitgaven voor de in paragraaf 1 bedoelde fondsen;
   4° het personeelsbestand van de in paragraaf 1 bedoelde fondsen.
   Ten laatste op 30 april bezorgt de rechtspersoon die instaat voor het gemeenschappelijk beheer het rapport betreffende het voorgaande jaar aan de in paragraaf 1 bedoelde fondsen.
   § 3. De revisoren als bedoeld in artikel 21, worden belast met de controle op het rapport als bedoeld in paragraaf 2.
   Zij kunnen kennis nemen, zonder verplaatsing, van de boekhouding en de comptabiliteitsbescheiden, de briefwisseling, de notulen, de periodieke toestandsopgaven en, over het algemeen, van alle geschriften. Zij zien de samenstelling na van de goederen en van de waarden die aan de rechtspersoon die instaat voor het gemeenschappelijk beheer toebehoren of waarvan deze het gebruik heeft of waarover hij het beheer voert.
   De revisoren delen in een verslag aan het beheerscomité van het fonds mee of de inkomsten en uitgaven vermeld in het in paragraaf 2 bedoelde rapport uitsluitend betrekking hebben op het gemeenschappelijk beheer voor de sectorale uitvoering als bedoeld in titel V van dit besluit.
   § 4. Tegelijkertijd met de documenten als bedoeld in artikel 21/1, § 2 bezorgen de in paragraaf 1 bedoelde fondsen het in paragraaf 2 bedoelde rapport en het in paragraaf 3 bedoelde verslag van de revisor aan de leden van de Commissie sociale Maribel als bedoeld in artikel 20, § 2.
   De Commissie sociale Maribel neemt, binnen een termijn van twee maanden, een beslissing over de inkomsten en uitgaven betreffende het gemeenschappelijk beheer.
   De leden van de Commissie kunnen bij de fondsen bijkomende informatie opvragen via de in artikel 20, § 1 bedoelde regeringscommissarissen. In dat geval wordt de termijn uit het vorige lid opgeschort tot het fonds de bijkomende informatie bezorgt.
   De Commissie verstuurt haar beslissing naar de fondsen en de ministers bevoegd voor Werkgelegenheid en Sociale Zaken.
   De in paragraaf 1 bedoelde fondsen kunnen, binnen een termijn van één maand, bij de ministers bevoegd voor Werkgelegenheid en Sociale Zaken een beroep instellen tegen deze beslissing. Deze ministers beschikken over een termijn van één maand om een beslissing te nemen na ontvangst van dit beroep.
   § 5. Voor 1 december van het jaar waarin het in paragraaf twee bedoelde verslag werd opgemaakt, stort de rechtspersoon die instaat voor het gemeenschappelijk beheer, in voorkomend geval, volgende bedragen terug aan de fondsen :
   1° de overschotten van de door de fondsen in het voorgaande jaar overgemaakte bedragen
   2° de bedragen van uitgaven die door de Commissie sociale Maribel of de ministers werden geweigerd.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-09-19/06, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  HOOFDSTUK 2. - De financiële tussenkomst van de Fondsen Sociale Maribel en de besteding van de opbrengst van de bijdrageverminderingen ingevolge de toetreding tot het raamakkoord.

  Art. 12.De financiële tussenkomst van een Fonds Sociale Maribel is ten hoogste gelijk aan de loonkost van de tengevolge de toekenning van de bijkomende arbeidspost aangeworven werknemer. (...). <KB 2006-09-01/44, art. 13, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder " loonkost " verstaan : het brutoloon van de werknemer verhoogd met de werkgeversbijdragen voor de Sociale Zekerheid. Het brutoloon omvat het loon alsook alle vergoedingen en voordelen die aan de werknemer verschuldigd zijn door of krachtens de wettelijke of reglementaire bepalingen alsook deze verschuldigd krachtens collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten binnen het paritair orgaan waaronder de werkgever ressorteert.
  De loonkost wordt bovendien beperkt tot de effectieve en ermee gelijkgestelde bezoldigde prestaties.
  [1 Per voltijds equivalent kan de loonkost van de werknemer, aangeworven in toepassing van dit besluit, beperkt worden tot een bedrag bepaald in de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of het toepasselijke raamakkoord.]1
  Het bedrag vermeld in het vierde lid wordt geïndexeerd volgens de modaliteiten en op de tijdstippen bepaald in de collectieve arbeidsovereenkomst toepasselijk in het paritair orgaan waaronder de werkgever ressorteert. In de Fondsen van de openbare sector, wordt het bedrag geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de Sociale Zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld en dit op de tijdstippen bepaald door die wet.
  [1 De financiële tussenkomst wordt door het Fonds sociale Maribel teruggevorderd bij de werkgever voor de periode waarin de loonkost hoger ligt dan het bedrag als bedoeld in het vierde lid.]1
  (Zevende lid opgeheven) <KB 2006-09-01/44, art. 13, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  De toepassing van het vierde tot het (zesde) lid mag niet tot gevolg hebben dat : <KB 2006-09-01/44, art. 13, 3°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  1° de werknemers die geheel of gedeeltelijk met middelen Sociale Maribel gefinancierd worden, ontslagen worden met als motivering voor het ontslag de toepassing van huidig besluit;
  2° het geheel van de via Sociale Maribel gecreëerde jobs, uitgedrukt in voltijds equivalenten, vermindert.
  (Aan de werkgevers bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2° en 3° wordt de financiële tussenkomst gestort na ontvangst van de socialezekerheidsaangifte van deze werkgevers voor het kwartaal waarop de tussenkomst betrekking heeft volgens volgende termijnen : de storting van een voorschot gelijk aan 80 % van de tussenkomst die verschuldigd is voor het kwartaal gebeurt tegen het einde van de maand die volgt op de maand waarin de socialezekerheidsaangifte is opgeladen in de databank Dmfa/Dmfappl. De storting van het saldo gebeurt na verificatie van het arbeidsvolume en de loonkost uiterlijk tegen het einde van de 3e maand volgend op de maand waarin de aangifte is opgeladen in de databank Dmfa/Dmfappl.
  De Minister van Werkgelegenheid en de Minister van Sociale Zaken kunnen een afwijkende betalingstermijn toestaan.) <KB 2006-09-01/44, art. 13, 4°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  ----------
  (1)<KB 2019-09-19/06, art. 5, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 13.[1 De tussenkomst van een fonds moet leiden tot een financiering aan 100 % van de werkelijke loonkost, als bedoeld in artikel 12, tweede tot derde lid.
   In afwijking van het vorige lid, kan het beheerscomité van het Fonds sociale Maribel beslissen dat de financiering van de loonkost wordt beperkt tot een maximale tussenkomst per voltijds equivalent.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-09-19/06, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 14.<KB 2006-09-01/44, art. 14, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> Indien de werkgever zich genoodzaakt ziet om het arbeidsvolume, zoals bedoeld in artikel 50, te verminderen, moet hij hierover vooraf melding maken per aangetekende brief aan het sectoraal Fonds om verder te kunnen genieten van de financiële tegemoetkomingen bepaald in dit besluit. De informatie aan het Fonds moet de volgende gegevens bevatten : de vermindering van het arbeidsvolume uitgedrukt in voltijdse equivalenten gedurende een volledig kalenderjaar, de datum vanaf de welke de vermindering ingang vindt, de fases van deze vermindering alsook de reden die de vermindering van het arbeidsvolume veroorzaakt.
  [1 Op basis van objectieve criteria en bij gemotiveerde beslissing, betuigt of weigert het bevoegde Fonds Sociale Maribel zijn instemming met het voorstel van vermindering van het arbeidsvolume en bepaalt het de modaliteiten van de eventuele vermindering of beëindiging van de aan de werkgever toegekende financiële tegemoetkomingen.]1
  Het Fonds deelt zijn beslissing mee aan de werkgever.
  ----------
  (1)<KB 2014-07-13/06, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 14bis.<Ingevoegd bij KB 2006-09-01/44, art. 15, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> § 1. De sectorale Fondsen en de cel sociale Maribel ingesteld bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, hebben toegang tot de informatie van de gegevensbanken DIMONA en DMFA van de [1 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]1 enkel wat betreft de werkgevers die behoren tot hun bevoegdheidsgebied en enkel aangaande de informatie die hun noodzakelijk is om volledig de taken die hun in het kader van de uitvoering van dit besluit zijn toevertrouwd, te vervullen.
  § 2. Tot op het ogenblik waarop de sectorale Fondsen effectief toegang hebben tot de informatie bedoeld in § 1, kan het sectoraal Fonds aan de werkgever vragen dat hij de informatie nodig voor de uitvoering van dit besluit, levert.
  De lijst van informatie te leveren door de werkgever in het kader van deze paragraaf, wordt bepaald door het Sectoraal fonds.
  ----------
  (1)<KB 2017-03-15/07, art. 14, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  HOOFDSTUK 3. - De Sectorale Fondsen Sociale Maribel.

  Art. 15. <KB 2003-12-31/31, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt bedoeld met " sectorale fondsen Sociale Maribel " : de fondsen opgericht met toepassing van artikel 35, § 5, C, 1° (en 2°, a)) van de voormelde wet van 29 juni 1981 (...). <KB 2006-09-01/44, art. 16, 1° en 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (Tweede lid opgeheven) <KB 2006-09-01/44, art. 13, 3°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 16. <Hersteld bij KB 2007-02-28/31, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 08-03-2007> De integrale affectatie van de verminderingen van bijdragen aan de financiering van bijkomende tewerkstelling is onverenigbaar met elke andere affectatie door de fondsen, inzonderheid de financiële plaatsingen over meer dan één jaar.

  Art. 17. De Sectorale Fondsen Sociale Maribel worden belast met de financiering van de bijkomende tewerkstelling die, in het kader van de regeling bepaald door of krachtens dit besluit, wordt gecreëerd door werkgevers ressorterend onder hun respectievelijke bevoegdheid.

  Art. 18.<KB 2003-12-31/31, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004> De financiële tussenkomst wordt door het sectoraal Fonds (...) toegekend aan werkgevers die de verbintenis aangaan een netto aangroei van de tewerkstelling te verwezenlijken en dit a rato van de hen toegekende financiering. <KB 2006-09-01/44, art. 17, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  De toekenning van de financiële tussenkomst geschiedt overeenkomstig de bepalingen van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of het toepasselijke raamakkoord.
  Wat de werkgevers en werknemers betreft bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2° en 3°, (en in het tweede lid) van dit besluit, is het totale bedrag, per gemeenschap of gewest, van de op grond van dit besluit en het raamakkoord toegekende financiële tussenkomsten, beperkt tot de opbrengst waarop de werkgevers, gevestigd in de gemeenschap of het gewest, aanspraak kunnen maken met toepassing van artikel 35, § 5, van voormelde wet van 29 juni 1981. <KB 2006-09-01/44, art. 17, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  Elke aanvraag voor toekenning van een financiële tussenkomst moet duidelijk vermelden voor hoeveel arbeidsuren de tussenkomst gevraagd wordt.
  Het Sectoraal Fonds Sociale Maribel (...) motiveert de beslissing van toekenning of van niet - toekenning van gevraagde financiële tussenkomst. Die beslissing bepaalt ook de hoogte van de tussenkomst met in acht name van de bepalingen van dit besluit en van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of het toepasselijke raamakkoord. <KB 2006-09-01/44, art. 17, 3°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  De aanwervingen tengevolge de beslissing van het sectoraal fonds (...) mogen niet plaatsvinden vóór de datum waarop het sectoraal fonds (...) de toekenning beslist heeft. Zij moeten verwezenlijkt worden binnen de termijn bepaald door de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of het toepasselijke raamakkoord; (...). <KB 2006-09-01/44, art. 17, 4°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  [1 De beheerscomités van de sectorale Fondsen sociale Maribel zijn gemachtigd om de toegekende financiële tussenkomst terug te vorderen als de werkgever na ingebrekestelling de nodige gegevens als bedoeld in artikel 11bis, § 2, d) en f) niet heeft verstrekt.
   De sectorale Fondsen sociale Maribel moeten de financiële tussenkomst terugvorderen wanneer op basis van de aangiften van sociale zekerheid, de documenten bezorgd door de werkgever of de gegevens van de federale of gewestelijke overheid blijkt dat de financiële tussenkomst te hoog was]1
  ----------
  (1)<KB 2019-09-19/06, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 19.[1 Indien een toekenning niet wordt ingevuld binnen een termijn van zes maanden, wordt deze van rechtswege geannuleerd behoudens afwijking bij beslissing van het beheerscomité van het Fonds sociale Maribel.
   De onverschuldigde bedragen worden door het Fonds sociale Maribel teruggevorderd.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-09-19/06, art. 8, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 20. <KB 2006-09-01/44, art. 18, 008; Inwerkingtreding : 11-09-2006> § 1. Op de sectorale Fondsen wordt toezicht uitgeoefend door de regeringscommissarissen, door Ons aangesteld, op voordracht van de Minister van Werk en de Minister van Sociale Zaken, en voor de sectoren die onder zijn bevoegdheid vallen, de Minister van Volksgezondheid. Een plaatsvervanger kan worden aangesteld door elke bevoegde Minister in het geval van verhindering van de commissaris. De plaatsvervanger heeft dezelfde rechten als de regeringscommissaris die hij vervangt.
  De regeringscommissaris woont de vergaderingen van de beheerscomités van de sectorale Fondsen bij met raadgevende stem. De regeringscommissaris beschikt voor het vervullen van zijn opdracht over de ruimste macht. Hij oefent het toezicht uit op basis van stukken ter plaatse. Met strikte naleving van de termijn, die in het huishoudelijk reglement van het Fonds moet zijn bepaald, ontvangt hij alle documenten met betrekking tot de punten die op de agenda van het beheerscomité staan. De overdracht gebeurt via elektronische weg. Wanneer de documenten of enkele van deze documenten niet werden overgemaakt aan de regeringscommissaris in de voorgeschreven termijn of indien de termijn korter is dan vijf werkdagen, kan hij uitstel van onderzoek vragen van de desbetreffende punten.
  Elke regeringscommissaris kan binnen de termijn van vijf werkdagen een gemotiveerd beroep indienen tegen elke beslissing die hij strijdig acht met de wet, dit besluit, de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst of kaderakkoord, de statuten van het Fonds, het werkingsdocument of het algemeen belang. Het beroep is opschortend.
  Deze termijn gaat in de dag van de vergaderingen, waarop de beslissingen genomen werden, voor zover de regeringscommissaris daarop regelmatig uitgenodigd werd, en, in het tegenovergestelde geval, de dag waarop hij er kennis van gekregen heeft.
  Het beroep wordt ingediend, ofwel bij aangetekend schrijven bij de post ofwel bij elektronische weg bij de voorzitter van de Commissie sociale Maribel bedoeld in § 2. De regeringscommissaris maakt op hetzelfde ogenblik op dezelfde wijze een kopie van het beroep over aan het betrokken sectoraal Fonds.
  Het sectoraal Fonds beschikt over een termijn van tien werkdagen om zijn opmerkingen en observaties over te maken aan de regeringscommissaris die het beroep heeft ingediend en aan de voorzitter van de Commissie sociale Maribel. Het sectoraal Fonds kan bij verzending van zijn opmerkingen en observaties, vragen gehoord te worden door de Commissie sociale Maribel.
  Het beroep wordt onderzocht door de Commissie sociale Maribel.
  De Commissie spreekt zich uit binnen een termijn van twintig werkdagen vanaf de datum van indiening van het beroep.
  De beslissing van de Commissie wordt ten laatste de eerste werkdag volgend op het verstrijken van de termijn vastgesteld in het voorgaand lid overgemaakt aan het betrokken sectoraal Fonds en aan de regeringscommissaris die het beroep heeft ingediend. De overdracht gebeurt ofwel bij aangetekend schrijven bij de post ofwel via elektronische weg.
  Tegen de beslissing van de Commissie, kunnen zowel het Fonds als de regeringscommissaris binnen vijf werkdagen vanaf de notificatie van de beslissing een gemotiveerd beroep indienen bij de Minister van Sociale Zaken, de Minister van Werk en de Minister van Volksgezondheid.
  De Ministers spreken zich uit binnen twintig werkdagen vanaf het indienen van het beroep. De beslissing van de Ministers wordt medegedeeld, ofwel bij aangetekend schrijven ofwel via elektronische weg, aan het Fonds en aan de regeringscommissaris. De mededeling gebeurt ten laatste op de eerste werkdag volgend op het verstrijken van voormelde termijn.
  Voor de toepassing van dit artikel, alsook voor de toepassing van artikel 50, worden de zaterdagen, zondagen, feestdagen alsook de sluitingsdagen van toepassing in de Federale Overheidsdiensten, niet beschouwd als werkdagen.
  § 2. Er wordt een Commissie sociale Maribel ingesteld Deze is samengesteld uit drie ambtenaren aangesteld door respectievelijk de Minister van Sociale Zaken, de Minister van Werk en de Minister van Volksgezondheid. Elke Minister kan één of meerdere plaatsvervangers aanstellen in geval van afwezigheid van het effectief lid aangesteld door de betrokken Minister.

  Art. 21.Jaarlijks moet een revisor, lid van het Instituut voor Bedrijfsrevisoren, de werkzaamheden van het sectoraal fonds (bedoeld in artikel 35, § 5, punt C., 1° van de voormelde wet van 29 juni 1981) controleren. <KB 2003-12-31/31, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  De revisoren zijn gelast op de geschriften controle uit te oefenen en ze juist en echt te verklaren.
  Zij kunnen kennis nemen, zonder verplaatsing, van de boekhouding en comptabiliteitsbescheiden, de briefwisseling, de notulen, de periodieke toestandopgaven en, over het algemeen, van alle geschriften. Zij zien de samenstelling na van de waarden en gebeurlijke andere eigendommen die aan het sectoraal fonds toebehoren of waarvan deze het gebruik hebben of waarover zij het beheer voeren.
  Zij mogen zich niet met het beheer van het sectoraal fonds inlaten.
  (Zij sturen [1 binnen de termijn bepaald door het sectoraal fonds sociale Maribel]1 ter gelegenheid van het opmaken van de balans en van de verlies- en winstrekening of van de jaarlijkse rekening, [1 en van het rapport als bedoeld in artikel 21/1]1 aan de organen van bestuur van het sectoraal fonds, een verslag over het actief en het passief. Zij wijzen hen onverwijld op elk verzuim, op elke onregelmatigheid en, in het algemeen, op elke toestand die de solvabiliteit en liquiditeit van het sectoraal fonds in het gedrang kan brengen. <KB 2003-12-31/31, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <KB 2006-09-01/44, art. 19, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ([1 ...]1) <KB 2006-09-01/44, art. 19, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  ----------
  (1)<KB 2019-09-19/06, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 21/1.[1 § 1. Jaarlijks stelt het sectoraal Fonds sociale Maribel ter gelegenheid van het opmaken van de balans en resultatenrekening of de jaarrekening een rapport op over het voorgaande jaar met vermelding van :
   1° de financiële gegevens :
   a) de toestand van provisies en reserves op 1 januari en 31 december van het betrokken jaar;
   b) de toestand van vorderingen en schulden op 1 januari en 31 december van het betrokken jaar;
   c) de kastoestand op 1 januari en 31 december van het betrokken jaar;
   d) de ontvangen dotatie berekend volgens de artikelen 3, 6, 6bis, § 2 en 61bis/2;
   e) de ontvangen dotatie berekend volgens artikel 6bis, § 1 en artikel 57;
   f) de ontvangsten als bedoeld in artikel 11ter, § 5;
   g) de ontvangsten als bedoeld in artikel 12, zesde lid;
   h) de ontvangsten als bedoeld in artikel 18, zevende lid;
   i) de ontvangsten als bedoeld in artikel 18, achtste lid;
   j) de ontvangsten als bedoeld in artikel 19, tweede lid;
   k) de ontvangsten als bedoeld in artikel 50, § 2, vierde en vijfde lid;
   l) de aard en het bedrag van andere ontvangsten;
   m) de betalingen aan de werkgevers in de loop van het betrokken jaar met betrekking tot de jaren die het betrokken jaar voorafgaan;
   n) de betalingen aan de werkgevers in de loop van het betrokken jaar met betrekking tot het betrokken jaar;
   o) een gedetailleerd overzicht van de middelen aangewend ter dekking van administratie- en personeelskosten;
   p) voor het sectoraal fonds voor het paritair comité als bedoeld in artikel 1, 1°, n) en het fonds als bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2° van de wet van 29 juni 1981: de betalingen aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering in toepassing van artikel 59bis;
   q) voor de sectorale fondsen voor de paritaire comités als bedoeld in artikel 1, 1°, i), q), r) en s) : de betalingen aan de werkgevers overeenkomstig artikel 49, zesde lid;
   r) de aard en het bedrag van andere uitgaven.
   2° de toekenningen:
   a) een overzicht van het aantal toekenningen waarvan de uitvoeringstermijn ten laatste is ingegaan op 1 januari van het betrokken jaar, uitgedrukt in voltijds equivalenten en uitgesplitst naar toekenningsduur en in voorkomend geval volgens de functieclassificatie;
   b) een overzicht van het aantal toekenningen waarvan de uitvoeringstermijn ten laatste is ingegaan op 31 december van het betrokken jaar, uitgedrukt in voltijds equivalenten en uitgesplitst naar toekenningsduur en in voorkomend geval volgens de functieclassificatie;
   c) een overzicht van de hoogte van de jaarlijkse tussenkomsten op 31 december van het betrokken jaar, in voorkomend geval uitgesplitst volgens de functieclassificatie;
   d) het financieringsniveau, berekend op basis van de hoogte van de jaarlijkse tussenkomst op 31 december van het betrokken jaar en het gemiddeld jaarloon, in voorkomend geval uitgesplitst volgens de functieclassificatie;
   e) een schatting op jaarbasis van de middelen nodig voor de financiering van de verhoging van de tussenkomsten als bedoeld in artikel 49, tweede lid beslist in het betrokken jaar bij de toekenningen met een uitvoeringstermijn die ingingen voor 1 januari van het betrokken jaar;
   f) een schatting op jaarbasis van de middelen nodig voor de financiering van de nieuwe toekenningen beslist in het betrokken jaar;
   § 2. Ten laatste op 30 juni bezorgt het sectoraal fonds Sociale Maribel de balans en resultatenrekening of de jaarrekening van het voorgaande jaar, het in paragraaf 1 bedoelde rapport en het in artikel 21 bedoelde verslag van de revisor aan de bevoegde ministers als bedoeld in artikel 35, § 5, D, derde lid van de wet van 29 juni 1981, aan de minister bevoegd voor Financiën en aan de leden van de Commissie sociale Maribel als bedoeld in artikel 20 § 2.]1
  ----------
  (1)<KB 2019-09-19/06, art. 10, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  HOOFDSTUK 4. - (Fonds sociale Maribel van de Overheidssector) <KB 2006-09-01/44, art. 20, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Afdeling 1. - (Zetel en samenstelling van het Beheerscomité van het Fonds Sociale Maribel voor de Overheidssector) <KB 2006-09-01/44, art. 21, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 22.<KB 2006-09-01/44, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> De zetel van het Fonds sociale Maribel voor de Overheidssector is gevestigd op het adres van de [1 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]1.
  ----------
  (1)<KB 2017-03-15/07, art. 15, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 23. <KB 2006-09-01/44, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> De leden van het Beheerscomité worden aangesteld door de Minister van Sociale Zaken, de Minister van Werk en de Minister van Volksgezondheid.

  Art. 24.<KB 2006-09-01/44, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> Het Beheerscomité van het Fonds Sociale Maribel voor de Overheidssector is samengesteld uit :
  1° een voorzitter [1 ...]1, zonder stemrecht, aangesteld door de Minister van Sociale Zaken, de Minister van Werk en de Minister van Volksgezondheid.
  2° 15 effectieve [1 ...]1 leden, vertegenwoordigers van de werkgevers, respectievelijk aangesteld op voordracht van :
  a) " la Fédération des C.P.A.S. de L'union des Villes en Communes de Wallonie " : 2 effectieve [1 ...]1 leden;
  b) de " Afdeling O.C.M.W.'s van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten " : 2 effectieve [1 ...]1 leden;
  c) " de afdeling O.C.M.W.'s van de Vereniging van de Stad en de Gemeenten van het Brussel Gewest " : 2 effectieve [1 ...]1 leden;
  d) de " Vereniging van Openbare Verzorgingsinstellingen " : 1 effectief [1 ...]1 lid;
  e) l'Association Francophone d'Institutions de Santé : 1 effectief [1 ...]1 lid;
  f) de Vlaamse Gemeenschap : 3 effectieve [1 ...]1 leden;
  g) de Franse Gemeenschap : 1 effectief [1 ...]1 lid;
  h) de Duitstalige Gemeenschap : 1 effectief [1 ...]1 lid;
  i) Het Waalse Gewest : 1 effectief [1 ...]1 lid;
  j) Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : 1 effectief [1 ...]1 lid.
  3° 15 effectieve [1 ...]1 leden van de werknemers, aangesteld op voordracht van de organisaties zetelend in het Comité A.
  [1 De personen die op 31 december 2016 benoemd waren in de hoedanigheid van voorzitter en leden van het Beheerscomité Maribel van de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels, oefenen hun respectievelijke mandaten verder uit in de hoedanigheid van voorzitter en leden van het Beheerscomité bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2°, a), tweede lid van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, tot het voorziene einde van de op 31 december 2016 lopende mandaten, tenzij de bevoegde minister er anders over beslist.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-03-15/07, art. 16, 024; Inwerkingtreding : 12-06-2016>

  Art. 25.<KB 2006-09-01/44, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> Het secretariaat van het Beheerscomité wordt verzekerd door de [1 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]1.
  ----------
  (1)<KB 2017-03-15/07, art. 17, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Afdeling 2. - (Duurtijd van het mandaat van de leden van het Beheerscomité) <KB 2006-09-01/44, art. 23, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 26. <Nieuw art. 26 ingevoegd bij KB 2006-09-01/44, art. 24, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> (NOTA : Het oud art. 26, gewijzigd bij KB 2003-12-31/31, is opgeheven bij <KB 2006-09-01/44, art. 35, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>) Het mandaat van de leden van het Beheerscomité wordt vastgesteld voor een hernieuwbare termijn van 4 jaar die een einde neemt :
  1° na het einde van het mandaat;
  2° in geval van ontslag;
  3° in geval de instantie die het lid voorgesteld heeft, zijn vervanging aanvraagt;
  4° in geval van overlijden;
  5° wanneer het lid de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft.
  Het nieuwe lid beëindigt het mandaat van het lid dat hij vervangt.

  Afdeling 3. - Werking van het beheerscomité. <Ingevoegd bij KB 2006-09-01/44, art. 25; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 27. <Nieuw art. 27 ingevoegd bij KB 2006-09-01/44, art. 26, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> (NOTA : Oud art. 27, gewijzigd bij KB 2003-12-31/31, werd opgeheven bij <KB 2006-09-01/44, art. 35, 3°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> Het Beheerscomité bepaalt zijn huishoudelijk reglement.

  Art. 28. (Opgeheven) <KB 2006-09-01/44, art. 35, 4°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Afdeling 3. (oude afdeling 4) - (Gemeenschappelijke bepalingen.) <KB 2003-12-31/31, art. 20, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 29. (Opgeheven) <KB 2006-09-01/44, art. 35, 4°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Afdeling 5. - Tegemoetkomingsmodaliteiten. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Onderafdeling 1. - Toetredingsakten. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 30. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 31. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Onderafdeling 2. - Bijkomende financiële tegemoetkoming. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 32. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 33. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 34. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 35. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 36. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 37. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 38. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 39. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 40. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Afdeling 6. - Bijzondere tegemoetkomingsmodaliteiten met betrekking tot het " Fonds ziekenhuizen en psychiatrische verzorgingstehuizen ". (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 41. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Afdeling 7. - Bijzondere tegemoetkomingsmodaliteiten met betrekking tot het Fonds RSZPPO. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 42. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 43. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 44. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 45. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 46. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 47. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Afdeling 8. - Gemeenschappelijke bepaling. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 48. (Opgeheven) <KB 2003-12-31/31, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  TITEL VI. - Naleving van de verplichting tot bijkomende tewerkstelling.

  Art. 49.[1 De bijdrageverminderingen, die worden toegekend met toepassing van de artikelen 2, § 2, § 2/1 en § 2/2, en 2bis, § 2, § 2/1 en § 2/2 [3 en het dotatiebedrag uit artikel 6bis, § 2]3, moeten integraal aangewend worden voor de financiering van bijkomende tewerkstelling.]1
  [1 De financiering van de tewerkstelling gefinancierd [3 met de middelen als bedoeld in het eerste lid]3, gebeurt ten belope van een financieringsniveau dat duurzame en stabiele banen waarborgt, door geleidelijk het niveau van de tussenkomsten voor de banen sociale Maribel [3 ...]3 te verhogen.]1
  In de sector van de ziekenhuizen en van de psychiatrische verzorgingstehuizen, moeten de werknemers aangeworven ingevolge de bijkomende inspanning voor tewerkstelling, ten belope van 80,57 EUR per kwartaal van het bedrag bepaald in artikel 2 een functie bekleden van logistiek assistent. De functie van logistiek assistent wordt door Onze Minister van Volksgezondheid omschreven.
  In de sectoren die onder federale bevoegdheid vallen moet de functie van de werknemers aangeworven ten gevolge van de voormelde bijkomende inspanning voor tewerkstelling :
  a) de werkdruk verlagen, in het bijzonder voor het personeel dat rechtstreeks bij de verzorging en de dienstverlening betrokken is;
  b) de intensiteit en de kwaliteit van de zorg en de dienstverlening verbeteren en het comfort van de patiënten of cliënten optimaliseren.
  Worden niet beschouwd als bijkomende tewerkstelling, de aangroei van personeelsleden die het gevolg is van een fusie of overname van een andere instelling of van een verhoging van de subsidiëring toegekend door de bevoegde overheid.
  [1 In afwijking van het eerste en tweede lid, wordt de sector van de beschutte werkplaatsen per werknemer en per trimester vrijgesteld van de verplichting de bijdrageverminderingen integraal aan te wenden voor de financiering van bijkomende tewerkstelling ten belope van een bedrag van :
   - 245,51 euro in 2014 en 2015;
   - 252,47 euro in het eerste trimester van 2016;
   - 269,63 euro in het tweede, derde en vierde trimester van 2016 en in 2017;
   - 280,34 euro in 2018;
   - 289,02 euro in 2019;
   - 299,73 euro vanaf het eerste trimester 2020.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-06-01/06, art. 6, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2017-01-10/03, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2016>
  (3)<KB 2019-09-19/06, art. 11, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 49/1.
  <Opgeheven bij KB 2019-09-19/06, art. 12, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 50.<KB 2006-09-01/44, art. 28, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> § 1. In de loop van de maand oktober van elk jaar, [2 deelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]2 per elektronische drager aan de leidend ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg het arbeidsvolume uitgedrukt in voltijdse equivalenten van de werknemers die onder de toepassing vallen van dit besluit per werkgever, mede en gegroepeerd per paritair comité, paritair subcomité of raamakkoord, met betrekking tot het voorafgaande jaar. [3 Voor de toepassing van de paragrafen 2 tot 4 is het jaar waarop deze gegevens slaan het jaar x.]3
  Het arbeidsvolume wordt berekend per werkgever bedoeld in artikel 1, eerste lid. Het arbeidsvolume van de werkgever is uitgedrukt in voltijds equivalenten, waarbij één voltijds equivalent overeenkomt met de voltijdse tewerkstelling van één werknemer gedurende een volledig kwartaal op basis van de aangifte van de werknemer waarbij zowel de bezoldigde dagen, vakantiedagen als alle gelijkgestelde dagen in rekening worden gebracht.
  Het arbeidsvolume van een paritair comité of een paritair subcomité wordt bekomen door het arbeidsvolume van de werkgevers die eronder vallen, te totaliseren.
  De leidend ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg maakt de gegevens bedoeld in § 1 over aan elk sectoraal Fonds.
  § 2. [3 Ten laatste tegen 30 juni van het jaar x+2, vergelijkt het beheerscomité per werkgever het arbeidsvolume van het jaar x met het arbeidsvolume van het jaar x-1 en met het arbeidsvolume van het jaar x-2. Bij deze vergelijking wordt voor de drie jaren het arbeidsvolume verminderd met het arbeidsvolume gerealiseerd met tussenkomsten van een Fonds sociale Maribel.
   Indien het arbeidsvolume van het jaar x lager is dan het arbeidsvolume van het jaar x-1 en eveneens lager is dan het arbeidsvolume van het jaar x-2 en deze daling niet door het beheerscomité werd goedgekeurd na een melding als bedoeld in artikel 14, vraagt het beheerscomité aan de werkgever om deze daling te verantwoorden binnen de termijn van één maand.
   Op de eerste vergadering van het beheerscomité na ontvangst van de verantwoording, spreekt het beheerscomité zich uit over deze verantwoording.
   Het beheerscomité kan beslissen om de daling geheel, gedeeltelijk of niet te aanvaarden.
   Indien de werkgever geen verantwoording binnen de termijn heeft bezorgd of indien het beheerscomité de daling niet geheel aanvaardt, moet de werkgever de tussenkomsten als bedoeld in artikel 12 van het betrokken jaar aan het Fonds terugstorten.
   De terugstorting is beperkt tot het resultaat van de vermenigvuldiging van de gemiddelde tussenkomst voor één voltijds equivalent bij de betrokken werkgever met de daling van het jaar x ten opzichte van het jaar x-1, uitgedrukt in voltijds equivalenten en verder beperkt tot het door het beheerscomité niet-aanvaarde deel.]3
  [3 § 2/1. Indien het beheerscomité vaststelt dat een nieuwe toekenning wordt aangewend ter financiering van tewerkstelling die al bestaat vóór de inwerkingtreding van deze toekenning, of dat de creatie van de tewerkstelling gefinancierd met een nieuwe toekenning gepaard gaat met ontslagen, kan het beheerscomité een verantwoording vragen aan de werkgever binnen de termijn van één maand.
   Op de eerste vergadering van het beheerscomité na ontvangst van de verantwoording, spreekt het beheerscomité zich uit over deze verantwoording.
   Het beheerscomité kan beslissen om de verantwoording niet te aanvaarden.
   Indien de werkgever geen verantwoording binnen de termijn heeft bezorgd of indien het beheerscomité de verantwoording niet aanvaardt, moet de werkgever de nieuw toegekende tussenkomst als bedoeld in artikel 12 van het betrokken jaar aan het Fonds terugstorten.]3
  § 3. [3 Ten laatste tegen 30 juni van het jaar x+2, vergelijkt de voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg of zijn gemachtigde per Fonds sociale Maribel het arbeidsvolume van het jaar x met het arbeidsvolume van het jaar x-1 en het arbeidsvolume van het jaar x-2. Bij deze vergelijking wordt voor de drie jaren het arbeidsvolume verminderd met het arbeidsvolume gerealiseerd met tussenkomsten van een Fonds sociale Maribel.]3
  [3 Indien het arbeidsvolume van het jaar x lager is dan het arbeidsvolume van het jaar x-1 en eveneens lager is dan het arbeidsvolume van het jaar x-2, vraagt hij aan het betrokken Fonds sociale Maribel om deze daling te verklaren en te staven binnen een termijn van één maand.]3
  Met dit aangetekend schrijven wordt verzocht aan het betrokken sectorale Fonds de daling van het arbeidsvolume te verklaren en te staven met alle stukken die hem daarbij dienstbaar kunnen zijn. De voornoemde leidend ambtenaar vraagt een gemotiveerd advies aan de regeringscommissaris. Dit advies wordt hem overgemaakt binnen een termijn van één maand. De voornoemde leidend ambtenaar maakt het volledige dossier en de adviezen over aan de Commissie sociale Maribel, bedoeld in artikel 20, § 2 van dit besluit.
  De Commissie spreekt zich uit over de daling van het arbeidsvolume binnen een termijn van twintig werkdagen vanaf de datum van indiening van het dossier.
  De beslissing van de Commissie wordt ten laatste de eerste werkdag volgend op het verstrijken van de termijn vastgesteld in het voorgaand lid overgemaakt aan het betrokken sectoraal Fonds en aan de regeringscommissaris. De overdracht gebeurt ofwel bij aangetekend schrijven bij de post ofwel via elektronische weg.
  Indien een daling van het arbeidsvolume niet afdoende kan worden verantwoord, kan de dotatie van het volgende jaar voor het betrokken Fonds verminderd worden met een bedrag in overeenstemming met de daling van het arbeidsvolume.
  [3 § 4. Voor de jaren waarin de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet over gegevens beschikt met betrekking tot het arbeidsvolume gerealiseerd met tussenkomsten van een Fonds sociale Maribel, wordt dit volume berekend op basis van de gegevens van het Fonds sociale Maribel.
   Gedurende deze overgangsperiode vermeldt het Fonds sociale Maribel het met tussenkomsten gerealiseerde arbeidsvolume van de jaren x, x-1 en x-2 in het rapport als bedoeld in artikel 21/1.]3
  ----------
  (1)<KB 2016-06-01/06, art. 8, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2017-03-15/07, art. 18, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (3)<KB 2019-09-19/06, art. 13, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 51. (Opgeheven) <KB 2006-09-01/44, art. 35, 4°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 52. (Opgeheven) <KB 2006-09-01/44, art. 35, 5°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 53. (Opgeheven) <KB 2006-09-01/44, art. 35, 6°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 54. (Opgeheven) <KB 2006-09-01/44, art. 35, 7°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 55.<KB 2006-09-01/44, art. 29, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> Voor de toepassing van deze Titel, sturen de bevoegde Gemeenschapsministers aan de leidend ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, voor het eind van de maand juni van elk kalenderjaar, per aangetekende brief :
  1° een attest, betreffende het arbeidsvolume uitgedrukt in voltijds equivalenten van de werknemers van de betrokken gemeenschap, tewerkgesteld in de diensten van deze gemeenschap voor jeugdbescherming, voor kinderopvang, voor sport en cultuur. Het attest herneemt het arbeidsvolume van het kalenderjaar voorafgaand aan de verzending van het attest alsook het arbeidsvolume van het burgerlijk jaar onmiddellijk voorafgaand aan dit kalenderjaar. Het arbeidsvolume wordt berekend conform de richtlijnen overgemaakt door de leidend ambtenaar van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
  2° het aantal werknemers uitgedrukt in voltijds equivalenten die zich bezig houden in de diensten bedoeld in 1° voor elk van de kwartalen gelegen in de jaren bedoeld in 1°.
  Indien de leidinggevend ambtenaar van de federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, constateert dat hij de informatie te leveren in toepassing van het eerste lid, niet heeft ontvangen, informeert hij hierover het Fonds sociale Maribel van de Overheidssector. Het Fonds is, vanaf ontvangst van de informatie, gehouden de uitbetaling van de financiële tussenkomsten bedoeld in hoofdstuk 4 van titel V, te schorsen.
  De schorsing van de uitbetaling neemt een einde vanaf dat de leidinggevende ambtenaar het Fonds informeert over de ontvangst van de informatie voorzien in dit artikel.
  Als de informatie niet wordt doorgestuurd [1 uiterlijk op 1 oktober van het jaar]1 in de loop waarvan ze moet worden geleverd, worden de tewerkstellingen toegekend aan de betrokken gemeenschap automatisch ingetrokken.
  ----------
  (1)<KB 2019-09-19/06, art. 14, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 56. (Opgeheven) <KB 2006-09-01/44, art. 35, 8°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  TITEL VII. - [1 Vrijstelling van bedrijfsvoorheffing]1
  ----------
  (1)<KB 2009-07-31/11, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2009>

  Art. 57.[1 De bedragen betreffende de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 35, § 6, A van de Wet van 29 juni 1981, die door de Schatkist worden getransfereerd naar de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, worden maandelijks herverdeeld, ten laatste voor het eind van de derde maand die volgt op deze waarop zij betrekking hebben, aan de fondsen sociale Maribel als bedoeld in artikel 1, 1°, a) tot en met p).
   § 2. Deze vrijstelling wordt verdeeld onder de fondsen als bedoeld in § 1, op basis van de loonmassa van de werknemers tewerkgesteld in het jaar n-2 in de paritaire comités en paritaire subcomités die onder de bevoegdheid van deze fondsen vallen.
   § 3. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid deelt, op het eind van elke trimster, aan de leidend ambtenaar van de Federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg de bedragen mee die gestort zijn aan de fondsen als bedoeld in § 1.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-07-31/11, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2009>

  Art. 58.[1 De berekening van de niet-recurrente middelen gebeurt conform de bepalingen van artikel 35, § 6, C, van de wet van 29 juni 1981.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-07-31/11, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2009>

  Art. 59.[1 De opbrengst van de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing wordt beheerd door de fondsen overeenkomstig de bepalingen opgenomen in Titel V en de artikelen 50, 60 [2 ...]2 en 65.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-07-31/11, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2009>
  (2)<KB 2019-09-19/06, art. 15, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 59bis. [1 Ingeval het sectorale fonds voor het paritair comité als bedoeld in artikel 1, 1°, n) en het fonds als bedoeld in artikel 35, § 5, C, 2° van de wet van 29 juni 1981 ingevolge de opbrengst van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing of van het compenserend bedrag vermeld in artikel 6bis, arbeidsplaatsen scheppen in de sector van de rusthuizen, moeten zij een gedeelte van de middelen met betrekking tot de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing overdragen aan het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsuitkeringen.
   Deze overdrachten zijn bestemd voor de financiering van de jaarlijkse tegemoetkomming, als bedoeld bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema's en de loonsverhogingen in bepaalde gezondheidsinrichtingen betreft, voor de nieuwe arbeidsplaatsen gecreëerd in de sector van de rusthuizen ingevolge de opbrengst van de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing of van het compenserend bedrag vermeld in artikel 6bis.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-06-13/11, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  TITEL VIII. - Toezicht.

  Art. 60.Worden belast met het toezicht op de werkgevers voor de toepassing van dit besluit :
  1° de sociale inspecteurs en de sociale controleurs van de Administratie van de Inspectie van de sociale wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
  2° [2 ...]2
  3° de sociale inspecteurs en de sociale controleurs van de Rijksdienst voor sociale Zekerheid;
  4° [1 ...]1.
  ----------
  (1)<KB 2017-03-15/07, art. 19, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<KB 2017-06-22/02, art. 17, 025; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  TITEL X. - Overgangs- en slotbepalingen.

  Art. 60bis. (Opgeheven) <KB 2006-09-01/44, art. 35, 9°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 60bis/1. (Opgeheven) <KB 2006-09-01/44, art. 35, 10°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art 60bis/2
  <Opgeheven bij KB 2010-06-13/11, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 61.
  <Opgeheven bij KB 2019-09-19/06, art. 16, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 61/1. (Opgeheven) <KB 2006-09-01/44, art. 35, 11°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 61bis.
  <Opgeheven bij KB 2010-06-13/11, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 61bis/1.
  <Opgeheven bij KB 2010-06-13/11, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 61bis/2. <KB 2006-09-01/44, art. 33, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2006> In afwijking van artikel 7 worden de dotaties gestort naar rato van 94 %. Het gedeelte van de dotaties die niet in de loop van het jaar waarop ze betrekking hebben, wordt betaald, wordt gestort op vijf april van het daaropvolgende jaar. Als die dag geen werkdag is, gebeurt de storting op de eerst voorafgaande werkdag.
  Dit artikel is niet van toepassing op de 1,20 % van de dotaties die kan aangewend worden ter dekking van werkingskosten en personeelskosten
  Dit artikel is niet van toepassing voor de beschutte werkplaatsen.

  Art 61ter.
  <Opgeheven bij KB 2019-09-19/06, art. 16, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 62.
  <Opgeheven bij KB 2019-09-19/06, art. 16, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 62bis. (Opgeheven) <KB 2007-02-28/31, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 62ter.
  <Opgeheven bij KB 2010-06-13/11, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 62quater.
  <Opgeheven bij KB 2010-06-13/11, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 62quinquies.
  <Opgeheven bij KB 2010-06-13/11, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 62sexies.
  <Opgeheven bij KB 2019-09-19/06, art. 16, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 63.
  <Opgeheven bij KB 2019-09-19/06, art. 16, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 64. Worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, laatst gewijzigd op 25 januari 2001;
  2° het koninklijk besluit van 5 februari 1997 tot bepaling van het kwartaalbedrag van de forfaitaire bijdragevermindering in de non-profit sector, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 april 1998, 10 augustus 1998, 1 maart 1999, 8 juni 2001, 25 januari 2001 en 19 november 2001;
  3° het ministerieel besluit van 5 mei 1997 bepalend het referentiejaar bepaald in artikel 4, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 23 juli 1997 en 20 mei 1998;
  4° het ministerieel besluit van 20 mei 1998 bepalend de modaliteiten bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, gewijzigd door de ministeriële besluiten van 12 oktober 1998, 6 juli 1999 en 29 november 1999;
  5° het ministerieel besluit van 24 juli 1998 tot bepaling van de universitaire ziekenhuizen die onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector;
  6° het ministerieel besluit van 24 juli 1998 in toepassing, betreffende de sociale werkplaatsen en de " entreprises d'insertion " van de privé-sector, van artikel 3, § 8, van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector;
  7° het ministerieel besluit van 10 augustus 1998 tot bepaling van de rusthuizen en van de rust- en verzorgingstehuizen die onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector;
  8° het ministerieel besluit van 1 maart 1999 bepalend bijzondere nadere regelen van artikelen 2, eerste lid, en 4, § 6, van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector;
  9° het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot inrichting van het Terugvorderingsfonds voor de ziekenhuizen en de psychiatrische verzorgingstehuizen van de publieke sector aangesloten bij de RSZ, bedoeld in artikel 71, 3°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen en tot bepaling van zijn werkingsmodaliteiten;
  10° het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot inrichting van het Terugvorderingsfonds voor de privé non-profit sector, bedoeld in artikel 35, derde lid, 2°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale Zekerheid voor werknemers en tot bepaling van zijn werkingsmodaliteiten;
  11° het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot inrichting van het Terugvorderingsfonds voor de publiek non-profitsector aangesloten bij de RSZPPO, bedoeld in artikel 1, § 7, 2°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen en tot bepaling van zijn werkingsmodaliteiten;
  12° het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot bepaling van het bedrag van de opbrengst van de forfaitaire vermindering, bedoeld in artikel 71, 1°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, en tot bepaling van de modaliteiten van de besteding van deze opbrengst aan het Fonds voor de ziekenhuizen en de psychiatrische verzorgingstehuizen van de publieke sector aangesloten bij de RSZ, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 1 maart 2000, 8 juni 2000, 9 juli 2000, 8 maart 2001 en 10 augustus 2001;
  13° het ministerieel besluit van 4 mei 1999 tot bepaling van de modaliteiten van de storting van de forfaitaire vermindering, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, aan de sectorale fondsen van de privé non-profit sector, laatst gewijzigd op 9 januari 2001;
  14° het ministerieel besluit van 6 juli 1999 in toepassing, betreffende sommige opvoedings- en huisvestingsinrichtingen, van artikel 3, § 8, van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector en tot wijziging van het ministerieel besluit van 4 mei 1999 tot bepaling van de modaliteiten van de storting van de forfaitaire vermindering, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, aan de sectorale fondsen van de privé non-profit sector;
  15° het koninklijk besluit van 16 april 2000 tot aanwijzing van de ambtenaren en beambten belast met het toezicht op de toepassing van artikel 35, § 5, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale Zekerheid van werknemers en van de uitvoeringsbesluiten ervan;
  16° het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot bepaling van het bedrag van de opbrengst van de forfaitaire vermindering, bedoeld in artikel 71, 2°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, en tot bepaling van de modaliteiten van de besteding van deze opbrengst aan het Fonds voor de openbare sector aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale Zekerheid, gewijzigd door het koninklijk besluit van 10 augustus 2001;
  17° het koninklijk besluit 18 juli 2002 houdende regeling van de Fondsen sociale Maribel van de overheidssector.

  Art. 65. De bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomsten en de raamakkoorden afgesloten met toepassing van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, blijven zolang zij niet vervangen worden en zover zij niet strijdig zijn met de bepalingen van dit besluit, geldig.

  Art. 66. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2003.

  Art. 67.Onze Minister van Werkgelegenheid, Onze Minister van sociale Zaken en Onze Minister van Volksgezondheid zijn, ieder wat hem betreft belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGE.

  Art. N. Inlichtingsformulier lonen sociale Maribel.
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 22-08-2002, p. 36605-36606).
  (Opgeheven) <KB 2004-09-21/51, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 01-07-2004>

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 18 juli 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Volksgezondheid,
Mevr. M. AELVOET
De Minister van sociale Zaken,
F. VANDENBROUCKE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, inzonderheid artikel 35, § 5, ingevoegd bij de wet van 30 december 1988 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 1995, 26 juli 1996, 6 december 1996, 13 februari 1998, 15 januari 1999, 26 maart 1999, 24 december 1999 en 30 december 2001;
   Gelet op de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, inzonderheid artikel 1, § 7, ingevoegd bij de wet van 26 maart 1999 en gewijzigd bij de wetten van 24 december 1999 en 30 december 2001;
   Gelet op de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse sociale bepalingen, inzonderheid op artikel 71 gewijzigd bij de wetten van 24 december 1999 en 30 december 2001;
   Gelet op het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, laatst gewijzigd op 25 januari 2001;
   Gelet op het koninklijk besluit van 5 februari 1997 tot bepaling van het kwartaalbedrag van de forfaitaire bijdragevermindering in de non-profit sector, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 april 1998, 10 augustus 1998, 1 maart 1999, 8 juni 2001, 25 januari 2001 en 19 november 2001;
   Gelet op het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot inrichting van het Terugvorderingsfonds voor de ziekenhuizen en de psychiatrische verzorgingstehuizen van de publieke sector aangesloten bij de RSZ, bedoeld in artikel 71, 3°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen en tot bepaling van zijn werkingsmodaliteiten;
   Gelet op het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot inrichting van het Terugvorderingsfonds voor de privé non-profit sector, bedoeld in artikel 35, derde lid, 2°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en tot bepaling van zijn werkingsmodaliteiten;
   Gelet op het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot inrichting van het Terugvorderingsfonds voor de publiek non-profitsector aangesloten bij de RSZ-PPO, bedoeld in artikel 1, § 7, 2°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen en tot bepaling van zijn werkingsmodaliteiten;
   Gelet op het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot bepaling van het bedrag van de opbrengst van de forfaitaire vermindering, bedoeld in artikel 71, 1°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, en tot bepaling van de modaliteiten van de besteding van deze opbrengst aan het Fonds voor de ziekenhuizen en de psychiatrische verzorgingstehuizen van de publieke sector aangesloten bij de RSZ, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 1 maart 2000, 8 juni 2000, 9 juli 2000, 8 maart 2001 en 10 augustus 2001;@ @@   Gelet het koninklijk besluit van 16 april 2000 tot aanwijzing van de ambtenaren en beambten belast met het toezicht op de toepassing van artikel 35, § 5, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid van werknemers en van de uitvoeringsbesluiten ervan;
   Gelet op het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot bepaling van het bedrag van de opbrengst van de forfaitaire vermindering, bedoeld in artikel 71, 2°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, en tot bepaling van de modaliteiten van de besteding van deze opbrengst aan het Fonds voor de openbare sector aangesloten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, gewijzigd door het koninklijk besluit van 10 augustus 2001;
   Gelet het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende regeling van de fondsen sociale Maribel van de overheidssector;
   Gelet op het ministerieel besluit van 5 mei 1997 bepalend het referentiejaar bepaald in artikel 4, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 23 juli 1997 en 20 mei 1998;
   Gelet op het ministerieel besluit van 20 mei 1998 bepalend de modaliteiten bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, gewijzigd door de ministeriële besluiten van 12 oktober 1998, 6 juli 1999 en 29 november 1999;
   Gelet op het ministerieel besluit van 24 juli 1998 tot bepaling van de universitaire ziekenhuizen die onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector;
   Gelet op het ministerieel besluit van 24 juli 1998 in toepassing, betreffende de sociale werkplaatsen en de " entreprises d'insertion " van de privé-sector, van artikel 3, § 8, van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector;
   Gelet op het ministerieel besluit van 10 augustus 1998 tot bepaling van de rusthuizen en van de rust- en verzorgingstehuizen die onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector;
   Gelet op het ministerieel besluit van 1 maart 1999 bepalend bijzondere nadere regelen van artikelen 2, eerste lid, en 4, § 6, van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector;
   Gelet op het ministerieel besluit van 4 mei 1999 tot bepaling van de modaliteiten van de storting van de forfaitaire vermindering, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, aan de sectorale fondsen van de privé non-profit sector, laatst gewijzigd op 9 januari 2001;
   Gelet op het ministerieel besluit van 6 juli 1999 in toepassing, betreffende sommige opvoedings- en huisvestingsinrichtingen, van artikel 3, § 8, van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector en tot wijziging van het ministerieel besluit van 4 mei 1999 tot bepaling van de modaliteiten van de storting van de forfaitaire vermindering, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, aan de sectorale fondsen van de privé non-profit sector;
   Gelet op het advies van de Nationale Arbeidsraad van 20 maart 2002;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 23 januari 2002;
   Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting, gegeven op 30 januari 2002;
   Gelet op artikel 92ter , eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
   Gelet op het akkoord van de regering van de Vlaamse Gemeenschap, gegeven op 1 juli 2002;
   Gelet op het akkoord van de regering van het Waals Gewest gegeven op 11 juli 2002;
   Gelet op het akkoord van de regering van de Franse Gemeenschap, gegeven op 24 juni 2002;
   Gelet op het akkoord van de regering van de Duitstalige Gemeenschap, gegeven op 30 mei 2002;
   Gelet op het besluit van de Ministerraad van 19 april 2002 over het verzoek aan de Raad van State om het advies te geven binnen een termijn van een maand;
   Gelet op het advies 33.304/1 van de Raad van State, gegeven op 30 mei 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid, Onze Minister van Sociale Zaken, Onze Minister van Volksgezondheid en op advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-03-2021 GEPUBL. OP 31-03-2021
    (GEWIJZIGDE ART. : 2bis; 6)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-09-2019 GEPUBL. OP 03-10-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 6; 11bis; 11ter; 12; 13; 18; 19; 21; 21/1; 49; 49/1; 50; 55; 59; 61; 61ter; 62; 62sexies; 63)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-06-2017 GEPUBL. OP 30-06-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 60)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-03-2017 GEPUBL. OP 27-03-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 4; 5; 6; 7; 13; 14bis; 22; 24; 25; 50; 60)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-01-2017 GEPUBL. OP 18-01-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 49)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-06-2016 GEPUBL. OP 17-06-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 2bis; 6; 21/1; 49; 49/1; 50)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-03-2015 GEPUBL. OP 08-04-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 2bis; 6; 49)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-07-2014 GEPUBL. OP 18-08-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-06-2014 GEPUBL. OP 11-07-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 6bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-05-2014 GEPUBL. OP 06-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 2bis; 6; 49)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-04-2014 GEPUBL. OP 23-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 6)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-03-2014 GEPUBL. OP 28-03-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 2bis; 6; 49)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-06-2013 GEPUBL. OP 05-07-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-01-2011 GEPUBL. OP 27-01-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 61)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-06-2010 GEPUBL. OP 25-06-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 2bis; 6; 6bis; 11ter; 59bis; 60bis/2-61bis/1; 62ter-62quinquies)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-07-2009 GEPUBL. OP 14-08-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 5; 57-59)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-07-2009 GEPUBL. OP 29-07-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 62sexies)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-07-2008 GEPUBL. OP 01-08-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 62TER; 62QUINQUIES)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-02-2007 GEPUBL. OP 08-03-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 2BI; 5; 6; 16; 62BI; 62TER; 62QQ)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-09-2006 GEPUBL. OP 11-09-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 26; 27; 49; 50; 55; 60BIS/2; 61; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 61BIS; 61BIS/2; 62QQ; 19; 28; 29; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 51-54; 56; 60BIS; 60BIS/1; 61/1)
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 2BIS; 3-5; 6; 7-10; 11BIS; 12)
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 14BIS; 15; 18; 20; 21; 22-25; )
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-07-2005 GEPUBL. OP 04-08-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2BIS; 6; 7; 57-59; 60BIS/1; 61)
    (GEWIJZIGDE ART. : 61/1; 61BIS; 61BIS/2; 62BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 62TER; 62QUINQUIES)
  • originele versie
  • MINISTERIEEL BESLUIT VAN 30-06-2005 GEPUBL. OP 26-07-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 61BIS/1)
  • originele versie
  • MINISTERIEEL BESLUIT VAN 29-06-2005 GEPUBL. OP 26-07-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 61BIS/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-01-2005 GEPUBL. OP 03-03-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 2BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-09-2004 GEPUBL. OP 03-11-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 2BIS; 13; N)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-09-2004 GEPUBL. OP 21-09-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 2BIS; 6; 49; 50; 52; 54; 61; 61BI)
    (GEWIJZIGD ART. : 62QUATER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-12-2003 GEPUBL. OP 09-01-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 3; 4; 6; 15; 16; 18; 20; 21; 22; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 23; 24; 26; 27; 30-48; 57; 58; 59; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 60BIS; 61BIS; 61BIS/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-12-2002 GEPUBL. OP 29-01-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 61BIS; 61TER; 62TER; 62QUA)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-12-2002 GEPUBL. OP 29-01-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 1) Inwerkingtreding nader te bepalen

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       Artikel 35 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers levert de rechtsbasis om bij koninklijk besluit maatregelen te nemen ten aanzien van de bevordering van de werkgelegenheid in de non-profit sector via de toekenning van verminderingen van patronale sociale zekerheidsbijdragen.
       Tot vandaag zorgt het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector voor de omzetting van inmiddels ongeveer 451 miljoen euro in bijkomende tewerkstelling.
       Om tal van redenen, die hieronder toegelicht worden, is het noodzakelijk gebleken om voormeld koninklijk besluit van 5 februari 1997 grondig te herwerken.
       Het besluit dat wij U thans ter ondertekening voorleggen, en dat het voormeld koninklijk besluit van 5 februari 1997 vervangt, is het resultaat van grondig voorbereidend werk geleverd door de administratieve diensten en van een ruime consultatie van de actoren van de non-profit sector.
       Het voorliggend besluit verschilt grondig van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 om volgende redenen :
       1. het voorliggend besluit bundelt maar liefst 17 verschillende besluiten die inmiddels in het kader van de bevordering van de werkgelegenheid in de non-profit sector getroffen werden, samen tot één geheel. Deze drastische vereenvoudiging van de regelgeving moet ervoor zorgen dat er opnieuw zicht komt op de samenhangende elementen van de maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid in de non-profit sector;
       2. het voorliggend besluit hertekent op belangrijke wijze de verantwoordelijkheden, in de zin dat de politieke verantwoordelijkheid enerzijds beperkt wordt tot het definiëren van de basisbeginselen (wie valt onder de toepassing van de maatregel . welke middelen worden ter beschikking gesteld en op welke wijze . welke spelregels dienen in acht genomen te worden ten aanzien van de besteding van de beschikbaar gestelde middelen .) maar anderzijds versterkt wordt wat de controle op de resultaatsverbintenis betreft en wat de aanwending van de middelen, via de terugvorderingsfondsen, die de sociale partners van de non-profit sector niet voldoende hebben weten te mobiliseren voor de creatie van bijkomende tewerkstelling betreft. Tegelijkertijd wordt de participatie van de openbare instellingen van sociale zekerheid in de implementatie van de maatregelen teruggebracht tot de participatie die in het verlengde van de normale activiteiten van die instellingen verwacht mag worden;
       3. het voorliggend besluit maakt komaf met de feitelijke ongelijke behandeling die ontstaan was tussen de privé non-profit sector en de openbare non-profit sector, met respect weliswaar voor de implementatiekeuze die, zoals inmiddels duidelijk geworden is, anders gewenst wordt in de openbare sector (keuze voor individuele toetreding van de werkgever) dan het geval is in de privé-sector (keuze voor mutualisering via de Fondsen Sociale Maribel).
       Artikel 1 bevat het toepassingsgebied. In het koninklijk besluit van 5 februari 1997 werd het toepassingsgebied gedefiniëerd uitgaande van de werkgevers die hun voornaamste activiteit uitoefenen in één of meerdere activiteiten die betrekking hebben op gezondheid, maatschappelijke dienstverlening of cultuur. In de praktijk bleek het niet steeds eenvoudig om uit te maken of een werkgever beantwoordde aan het gestelde criterium. Thans wordt er dus voor gekozen om de werkgevers en werknemers die vallen onder het toepassingsgebied meteen zonder mogelijkheid van betwisting aan te duiden. Voor de privé non-profit sector gaat het aldus om de werknemers die door de betrokken werkgevers aangegeven worden bij de RSZ omdat die werknemers vallen onder één van de paritaire comités of paritaire subcomités die vermeld worden. Indien een werkgever twijfels heeft of zijn werknemers vallen onder de voorziene paritaire comités of paritaire subcomités, zal de kwestie eerst uitgeklaard moeten worden via de dienst van de collectieve arbeidsverhoudingen van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid of via de arbeidsrechtbank, alvorens de betrokken werknemers met toepassing van voorliggend besluit aangegeven kunnen worden bij de RSZ. Wat de werkgevers en werknemers betreft die onder de zorg van de RSZPPO vallen, wordt de definitie overgenomen die nu reeds voorkomt in het raamakkoord, dat afgesloten werd in uitvoering van het koninklijk besluit van 5 februari 1997. Ten slotte worden de openbare diensten en instellingen,
       die aangesloten zijn bij de RSZ, nominatief vermeld. Het aldus vastgestelde toepassingsgebied heeft geen vermindering van de middelen die voor de Sociale maribel ingezet worden en die, zoals hoger vermeld, ongeveer 451 miljoen euro bedragen, tot gevolg. Aan te stippen valt dat het paritair comité voor het vermakelijkheidsbedrijf niet opgenomen werd in het nieuwe toepassingsgebied, aangezien ook binnen het besluit van 5 februari 1997 de werkgevers en werknemers behorend tot dat paritair comité niet vallen onder de toepassing van de Sociale maribel.
       Artikel 2 bepaalt de werknemers die recht geven op een lastenverlaging sociale zekerheid. Er wordt daarbij geen onderscheid meer gemaakt tussen arbeiders en bedienden. Dat onderscheid, dat om technische redenen weerhouden werd in het koninklijk besluit van 5 februari 1997, is thans niet meer relevant, aangezien inmiddels de redenen die aan de oorsprong lagen van dat onderscheid, niet meer bestaan. De opheffing van dat onderscheid heeft niet tot gevolg dat de Fondsen Sociale Maribel minder inkomsten zullen ontvangen, zodat de verdere financiering van de aangegane engagementen gewaarborgd is. Anders dan in het koninklijk besluit van 5 februari 1997 wordt als basisbeginsel niet langer weerhouden dat de werkgever recht heeft op de lastenverlaging. Door de mutualisering worden immers het merendeel van de middelen ter beschikking gesteld van Fondsen Sociale Maribel en vloeien ze niet rechtstreeks toe naar de werkgever voor de werknemers die hij tewerkstelt (dit laatste is enkel het geval voor de werkgevers aangesloten bij de RSZPPO die tot de maatregel van de Sociale maribel toegetreden zijn). Er wordt voorzien in een nieuwe, eenvoudige regel, van toepassing op de beschermde werkplaatsen : de werknemers die ten minste voor 22 % tewerkgesteld zijn, geven recht op de lastenverlaging sociale zekerheid. Op die manier genereren de beschutte werkplaatsen evenveel middelen Sociale maribel als thans het geval is, zonder dat er nog een toetsing nodig is op het niveau van de sociale zekerheidsbijdragen die de werkgever voor de totaliteit van zijn werknemers verschuldigd is. Bovendien zal voor de beschutte werkplaatsen niet meer gekeken worden naar het verleden, maar enkel de bijdragevermindering die hoger ligt dan 241,70 euro per kwartaal getoetst worden op de naleving van de verplichting tot bijkomende tewerkstelling (cf. artikel 49 van het voorliggend besluit). Artikel 2 bevat ook het bedrag van de vermindering van de werkgeversbijdragen. Dit is met name het bedrag dat thans vermeld wordt in het koninklijk besluit van 5 februari 1997 tot bepaling van het kwartaalbedrag van de forfaitaire bijdragevermindering in de non-profit sector. Voor de sectoren van de thuisverpleging en van het bloed van het Rode Kruis zal de vermindering worden vastgesteld op grond van het aantal rechtgevende werknemers in het paritair comité waaronder respectievelijk de thuisverpleging en het bloed van het Rode Kruis vallen en rekening houdend met de bedragen die toegezegd werden in het op 1 maart 2000 afgesloten sociaal akkoord voor de non-profit sector.
       Titel III, dat de artikelen 3 tot 5 bevat, bepaalt waar de vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen terecht komen. Deze artikelen moeten in samenhang met de wetsbepalingen, opgenomen enerzijds in artikel 35 van voormelde wet van 29 juni 1981 en anderzijds in artikel 71, 1°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, gelezen worden. Die wetsbepalingen houden met name in dat 0,10 % voorafgenomen wordt voor de dekking, bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, van de werkings- en personeelskosten die voortvloeien uit de toepassing van de Sociale maribel. De resterende opbrengst gaat hetzij naar de Fondsen Sociale Maribel, hetzij naar de werkgever die is toegetreden tot de maatregel. Bij afwezigheid evenwel van een collectieve arbeidsovereenkomst of een raamakkoord, of nog, als er geen Fonds Sociale Maribel conform de bepalingen van voorliggend besluit opgericht wordt, gaan de bijdragenverminderingen sociale zekerheid naar de terugvorderingsfondsen. In dat geval komen de middelen terecht in een circuit dat overeenkomstig de bepalingen opgenomen in voormelde wetten van 29 juni 1981 en 26 maart 1999 uitsluitend onder de politieke verantwoordelijkheid valt. De oorspronkelijke tekst werd aangepast aan de terechte opmerkingen van de Nationale Arbeidsraad.
       Artikel 6 bepaalt op precieze wijze hoe de totale bedragen van de vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen, die als basis zullen dienen voor de vaststelling van de middelen waarover de Fondsen Sociale Maribel dienen te beschikken, worden vastgesteld. Het is evident dat op die totale bedragen voormelde wettelijke bepalingen toegepast zullen worden. Het basismateriaal hiervoor wordt opgeleverd door de RSZ; het is het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid dat dat basismateriaal zal omzetten in één koninklijk besluit per semester (thans worden de dotaties per semester vastgesteld in één ministerieel besluit en twee koninklijke besluiten).
       Artikel 7 bepaalt op welke tijdstippen de dotaties aan de Fondsen Sociale Maribel uiterlijk gestort moeten worden. Bij het niet respecteren van die termijnen zijn interesten verschuldigd. Dit is niet meer dan billijk, gelet op het feit dat artikel 35 van de voormelde wet van 29 juni 1981 aan de Fondsen Sociale Maribel ook de betaling van interesten oplegt bij het laattijdig doorstorten naar de terugvorderingsfondsen van de beschikbare niet-recurrente middelen. Indien met toepassing van artikel 7 interesten verschuldigd zijn, zal in voorkomend geval nagegaan moeten worden aan wie het niet tijdig storten van de dotaties aan de Fondsen Sociale Maribel toegeschreven kan worden. De RSZ dient inderdaad normaal in de 3de en 9de maand van het kalenderjaar het basismateriaal te bezorgen aan het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid; het koninklijk besluit tot vaststelling van de dotaties dient normaal 15 kalenderdagen vóór de eindtermijn vermeld in het artikel 7 in het Belgisch Staatsblad te worden bekendgemaakt. Indien het verschuldigd zijn van interesten niet te wijten is aan de RSZ, kan dit in voorkomend geval een herziening van de Staatstoelage in het globaal beheer van de RSZ tot gevolg hebben.
       Hoofdstuk I van Titel V, met de artikelen 8 tot 11, bevat, lichtjes aangepast, de bepalingen die thans reeds in het koninklijk besluit van 5 februari 1997 terug te vinden zijn met betrekking tot af te sluiten collectieve arbeidsovereenkomsten en raamakkoorden voor de toepassing van de maatregel inzake Sociale Maribel. De bepalingen met betrekking tot het gemengd privé/openbaar protocolakkoord werden achterwege gelaten, aangezien zij in de praktijk toch geen toepassing vinden. De constructie van de vrijwillige groepering van werkgevers werd eveneens verlaten, omdat zij onoverkomelijke toepassingsmoeilijkheden met zich meebracht. De wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, laat overigens toe om eenzelfde effect te bereiken als het effect dat beoogd werd middels de constructie van de vrijwillige groepering van werkgevers.
       Ingevolge het advies van de Nationale Arbeidsraad werd voorzien :
       - dat de collectieve arbeidsovereenkomsten en raamakkoorden ook moeten voorzien welke inlichtingen de werkgevers moeten verstrekken (waardoor in artikel 18, eerste lid, nog enkel de eerste zin behouden wordt);
       - dat de collectieve arbeidsovereenkomsten en raamakkoorden moeten voorzien in een mechanisme van controle;
       - dat de collectieve arbeidsovereenkomsten en raamakkoorden goedgekeurd zijn na het verstrijken van een termijn van 5 maanden vanaf het tijdstip dat zij voor goedkeuring worden voorgelegd aan de Minister bevoegd voor Werkgelegenheid en de Minister bevoegd voor Sociale Zaken.
       Artikel 12 bevat de regels met betrekking tot de maximale loonkost die in aanmerking genomen wordt binnen het kader van de toepassing van de Sociale maribel. Er werd daarbij gekozen voor een afdoend maximaal plafond, nl. de maximale bruto-loonkost van een verpleegkundige A1. Hierdoor wordt op de eerste plaats een onduidelijkheid die ontstaan was in de huidige reglementering, beantwoordt. In de huidige reglementering is immers enkel sprake van een bedrag van 7.883,01 euros per kwartaal, als bedrag, om de tewerkstellingsverplichting te toetsen. Het is duidelijk dat hiermee een gemiddeld bedrag bedoeld wordt. Hetzelfde bedrag werd evenwel, ten onrechte, in sommige gevallen ook beschouwd als maximaal bedrag van tussenkomst vanwege de Fondsen Sociale Maribel. Het is bijgevolg evident dat het bedrag van de maximale loonkost, op het tijdstip van inwerkingtreding van voorliggend besluit, hoger moet zijn dan voormeld bedrag van 7.883,01 euro per kwartaal. Bovendien is het noodzakelijk, voor het behoud van een structurele financieringsbasis, dat het bedrag de evolutie van de index volgt. Van de andere kant is het van belang dat de nieuwe maximale loonkost niet tot gevolg heeft dat de werkdruk opnieuw verhoogd wordt. De Sociale Maribel werd immers op sporen gezet, specifiek om een antwoord te bieden op de hoge werkdruk die vastgesteld werd in de non-profit sector. Daarom wordt voorzien in de mogelijkheid om het maximaal plafond bij ministerieel besluit te verhogen. Dit zal dienen te gebeuren rekening houdend met de loonsituatie in de verschillende sectoren, met bijzondere aandacht voor de effecten die de anciënniteitsaanrekening op de reëel uit te betalen lonen heeft, maar ook met de accenten die het beleid meent te moeten leggen. De toepassing van een maximaal loonplafond mag niet tot gevolg hebben dat de tewerkstelling van de werknemers die thans via de Sociale Maribel gefinancierd worden, in het gedrang gebracht wordt. Daarenboven dient duidelijk gesteld te worden dat de toepassing van de bedragen van de maximale loonkost niet ingeroepen mag worden noch om een verhoging van de vermindering van de werkgeversbijdragen bedoeld in artikel 2 van het voorliggend besluit, noch om een verhoging van de tussenkomsten door een overheid in de financiering van de sector, te bekomen. Artikel 12 wil een duidelijk perspectief aanreiken in de problematiek die ontstaat wanneer middelen, die in beginsel constant blijven en met zekerheid geen vaste groeivoet kunnen volgen, aangewend worden om uitgaven te verrichten die in principe een stijgende tendens kennen. Ingaand op het advies van de Raad van State werd in het artikel uitdrukkelijk gespecifieerd :
       - dat werknemers die geheel of gedeeltelijk met middelen Sociale Maribel gefinancierd worden, niet ontslagen mogen worden met als enige motivering voor het ontslag de toepassing van het artikel 12 van voorliggend besluit;
       - dat het geheel aan de via de Sociale Maribel gecreëerde jobs, uitgedrukt in voltijds equivalenten, niet mag verminderen ingevolge de toepassing van het artikel 12 van voorliggend besluit.
       Artikel 13 sluit nauw aan bij artikel 12 : niet alleen dient voorzien te worden dat voor elke voltijdse bijkomende tewerkstelling slechts tot een bepaald bedrag geput mag worden uit de middelen Sociale Maribel, bovendien is het ook niet verenigbaar met het concept van de Sociale Maribel dat jobs die een zekere loongrens te boven gaan, in aanmerking zouden kunnen komen voor een (co-)financiering met de middelen Sociale Maribel. Bijgevolg legt artikel 13 de verplichting op om slechts die jobs te financieren met middelen Sociale Maribel die, wat hun maximale loonkost in de carrière betreft, niet hoger uitvallen dan 64.937,84 EUR per jaar. De regering kan niet ingaan op de vraag van de Nationale Arbeidsraad om artikel 13 te schrappen, maar merkt wel op dat in ruime mate aan de bezwaren, geformuleerd in het advies van de Nationale Arbeidsraad, werd tegemoet gekomen.
       Artikel 14 regelt de situatie van een werkgever die geniet van een financiële tegemoetkoming met toepassing van voorliggend besluit, maar zich op een bepaald tijdstip geconfronteerd ziet met de onmogelijkheid om de tewerkstellingsverbintenis volledig na te komen. Op akkoord van het bevoegde fonds sociale maribel kan een dergelijke werkgever een afwijking bekomen op die tewerkstellingsverbintenis.
       Hoofdstuk 3 van Titel V, met de artikelen 15 tot 21, handelt over de Fondsen Sociale Maribel van de privé non-profit sector. Hierbij dient aangestipt dat voortaan per paritair comité of paritair subcomité slechts één sectoraal Fonds mag worden opgericht (artikel 16). Dit is nodig om zonder veel problemen en zware bijkomende investeringen op een correcte wijze de dotaties voor de Fondsen Sociale Maribel te kunnen vaststellen. Het staat de sociale partners nochtans vrij om in de aldus opgerichte sectorale Fondsen Sociale Maribel die afdelingen te voorzien die zij voor een vlot beheer nuttig achten. De regering zal bijzonder de specifieke problemen die zich in een overgangsperiode zouden kunnen stellen, in het oog houden. De basisregels waaraan de Fondsen Sociale Maribel zich dienen te houden zijn vervat in artikel 18. Dit laat toe dat afgestapt kan worden van de goedkeuring van beheersovereenkomsten met die Fondsen. Bovendien is het niet langer nodig dat de Fondsen Sociale Maribel semestriële rapporten opmaken, al mogen ze dat natuurlijk wel voor intern gebruik blijven doen zo zij dit nuttig achten. Ingevolge het advies van de Nationale Arbeidsraad voorziet artikel 18 dat de sectorale fondsen 2 maal per jaar gegevens zullen ontvangen met betrekking tot het arbeidsvolume voor het gebied waarvoor het sectoraal fonds bevoegd is. Op de Fondsen Sociale Maribel wordt controle uitgeoefend door regeringscommissarissen (artikel 20) die enkel dienen tussen te komen indien de beheerscomités van de Fondsen Sociale Maribel beslissingen treffen die strijdig zijn met wettelijke en reglementaire bepalingen, statutaire bepalingen of met het algemeen belang. Dit brengt mee dat sneller dan nu het geval is nieuwe wervingen gerealiseerd zullen kunnen worden : de Fondsen Sociale Maribel hoeven immers niet langer een voorstel van toewijzing van de arbeidsposten voor goedkeuring voor te leggen aan de Ministers. De Fondsen Sociale Maribel worden ten slotte ook gecontroleerd door een revisor (artikel 21).
       Hoofdstuk 4 van Titel V, dat de artikelen 22 tot 48 bevat, regelt alles wat betrekking heeft op de Fondsen Sociale Maribel van de overheidssector. Het gaat, op artikel 39, na dat zich schikt naar het nieuw artikel 12 van voorliggend besluit, en het toegevoegde artikel 48 na, over een overname van de bepalingen van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende regeling van de Fondsen Sociale Maribel van de overheidssector.
       Titel VI, dat de artikelen 49 tot 56 bevat, organiseert een nieuw controlesysteem op de naleving van de verplichting om de middelen Sociale maribel aan te wenden voor de creatie van bijkomende tewerkstelling. Artikel 49 herneemt de principes die reeds voorzien werden in het koninklijk besluit van 5 februari 1997. Artikel 50 en volgende organiseren de controle op de tewerkstellingsverplichting voortaan nog enkel op het arbeidsvolume in plaats van op de dubbele controlesleutel voorzien in het koninklijk besluit van 5 februari 1997, te weten de vermeerdering van het totaal aantal werknemers en de toename van het arbeidsvolume. Zoals in de praktijk gebleken is, biedt de combinatie van de twee controlesleutels voorzien in het koninklijk besluit van 5 februari 1997 nauwelijks houvast met betrekking tot de vraag of er in een degelijk en billijk controlemechanisme voorzien werd. Wat de privé non-profit sector betreft moet bovendien melding gemaakt worden van het feit dat de RSZ onmogelijk in staat geweest is om een controlemechanisme, analoog aan het systeem opgebouwd bij de RSZPPO, op sporen te zetten : de aard van de aangifte- en de databankarchitectuur, in combinatie met een verhoudingsgewijs kleine doelgroep ten opzichte van de volledige klantenpopulatie van de RSZ, zou dermate zware investeringen vergen dat daardoor prioritaire acties van de Rijksdienst en de Regering in het gedrang zouden komen. Los daarvan dient te worden vastgesteld dat ook het systeem opgebouwd bij de RSZPPO niet toelaat om de werknemers aangeworven als gevolg van een verhoging van de subsidiëring en/of financiering toegekend door de bevoegde overheid, te neutraliseren, zoals nochtans opgelegd wordt door het koninklijk besluit van 5 februari 1997. Een verhoging van de subsidiëring en/of financiering toegekend door de bevoegde overheid, holt het in het koninklijk besluit van 5 februari 1997 voorziene controlesysteem volledig uit. In een branche die in volle expansie is, is het evenwel zeer belangrijk dat de beschikbare middelen zo optimaal mogelijk aangewend worden. Te meer daar het in het licht van de aantrekkelijkheid van de non-profit sector van essentieel belang is dat de aansluiting op de verzoening van werk met privé-leven niet gemist wordt. Een degelijk en uitvoerbaar controlesysteem is bijgevolg geen overbodige luxe. De artikelen 50 en volgende hebben de ambitie om hieraan tegemoet te komen. De essentiële wijziging die voorgesteld wordt, heeft betrekking op de vaststelling van de wijziging van het arbeidsvolume, te wijten aan een verhoging van de subsidiëring toegekend door de bevoegde overheid, te wijten aan algemene beleidsmaatregelen of te wijten aan een toename of afname van het aandeel van een Fonds Sociale Maribel in het geheel van een betrokken sector. Het zullen de federale ministers bevoegd voor Werkgelegenheid en Sociale Zaken zijn die met alle bronnen die zij kunnen aanwenden, jaarlijks die wijziging van het arbeidsvolume zullen vaststellen. Op die wijze wordt gewaarborgd dat de controle op een voor elk Fonds Sociale Maribel gelijke manier zal verlopen.
       Uitgangspunt van het controlesysteem is het arbeidsvolume uitgedrukt in voltijdse equivalenten, zoals het blijkt uit de gegevens van de RSZ of RSZPPO, voor de verschillende Fondsen Sociale Maribel over het kalenderjaar 2002.
       Op dat arbeidsvolume zullen jaar op jaar de nodige correcties moeten worden aangebracht.
       Die correcties vinden hun oorsprong in één van de volgende vaststellingen :
       1. de bevoegde overheid heeft de subsidiëring verhoogt. Dit leidt dus tot een toename van het arbeidsvolume ten opzichte van het jaar 2002;
       2. algemene beleidsmaatregelen hebben een weerslag op de betrokken sectoren. Het gaat hierbij om maatregelen die op zich niets te maken hebben met de betrokken sectoren, maar afgeleide effecten genereren op de betrokken sectoren. Indien bijvoorbeeld personen met een handicap zouden beschikken over een hoger inkomen, dan zou dit tot gevolg kunnen hebben dat die personen minder een beroep doen op intramurale opvang. Dit zou dus een daling van het arbeidsvolume voor de betrokken sector tot gevolg kunnen hebben. Omgekeerd, als relatief arme mensen meer inkomsten krijgen en daardoor minder de voor hen noodzakelijke medische verzorging uitstellen, kan dit leiden tot een toename van het arbeidsvolume in bijvoorbeeld de sector van de thuisverpleging. Of zich dergelijke effecten voordoen, zal indicatief blijken uit de evolutie van het aantal werknemers dat in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de dotaties;
       3. er is een toename of een afname van het aandeel van het betrokken Fonds Sociale Maribel in het geheel van de betrokken sector. De evolutie van het aantal werknemers dat in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de dotaties, kan ook een indicatie geven voor verschuivingen tussen de non-profit privé en de non-profit openbare sector. Het spreekt voor zich dat dergelijke verschuivingen ook een weerslag, in plus of min, zullen hebben op het arbeidsvolume ten opzichte van het kalenderjaar 2002;
       4. het arbeidsvolume van de werknemers, tewerkgesteld bij werkgevers die geen gebruik maken van de Sociale Maribel, is gedaald ten opzichte van het jaar 2002. Dit moet bijgevolg vertaald worden in een gelijke daling van het globaal arbeidsvolume voor het betrokken sectoraal fonds, aangezien de werkgevers die wel gebruik maken van de Sociale Maribel en die dus onderworpen zijn aan de tewerkstellingsverplichting, niet gesanctioneerd mogen worden hiervoor;
       5. werkgevers die gebruik maken van de Sociale Maribel hebben een afwijking op de tewerkstellingsverplichting bekomen. Dit heeft een daling van het globaal arbeidsvolume voor het betrokken sectoraal fonds tot gevolg;
       6. er zijn méér middelen Sociale Maribel geïnjecteerd in een Fonds Sociale Maribel. Dit moet resulteren in een toename van het arbeidsvolume.
       De niet-naleving van de tewerkstellingsverplichting heeft tot gevolg dat er middelen in het terugvorderingsfonds terecht komen en dat bijgevolg de beschikbare middelen in de Fondsen Sociale Maribel worden verminderd. De regering zal een juridisch kader uitwerken dat zal toelaten dat het betrokken Fonds Sociale Maribel de gederfde inkomsten kan verhalen op de werkgevers die verantwoordelijk zijn voor de niet-naleving van de tewerkstellingsverplichting.
       Titel VII, dat de artikelen 57 tot 59 bevat, regelt aangelegenheden die betrekking hebben op de terugvorderingsfondsen. De terugvorderingsfondsen vormen het sluitstuk van de regeling Sociale Maribel : zij zorgen ervoor, als om één of andere reden het normale circuit niet optimaal meer functioneert, dat het geld niet verloren gaat, maar onder uitsluitende politieke verantwoordelijkheid en op voordracht van de federale Ministers die de non-profit onder hun bevoegdheid hebben, opnieuw geïnvesteerd wordt in de non-profit. Uiteindelijk zou het dus moeten kunnen dat dit ultiem vangnet nooit in gebruik gesteld zou moeten worden. De middelen die in de terugvorderingsfondsen terechtkomen verliezen hun natuur van bijdragevermindering sociale zekerheid. Het is om die reden dat het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 tot bepaling van de besteding van de middelen van het terugvorderingsfonds voorzien bij het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot inrichting van het terugvorderingsfonds voor de publieke non-profitsector aangesloten bij de R.S.Z.-P.P.O., niet in voorliggend besluit geïntegreerd werd. Artikel 58 bepaalt de zetel van de terugvorderingsfondsen en artikel 59 herneemt de bepaling met betrekking tot de samenstelling en werking van het beheerscomité van de terugvorderingsfondsen. Er wordt niet ingegaan op de vraag van de Nationale Arbeidsraad om de sociale partners te betrekken in de beheerscomités, omdat dit nauwelijks een meerwaarde teweeg zou brengen aangezien de taak van de beheerscomités effectief beperkt is tot het uitvoeren van de regeringsbeslissingen. De regering zal wel een initiatief nemen om de sociale partners te betrekken bij de voorbereiding van de regeringsbeslissingen over de besteding van de middelen die beschikbaar zijn in de terugvorderingsfondsen.
       Artikel 60 integreert de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 april 2000 tot aanwijzing van de ambtenaren en beambten belast met het toezicht op de toepassing van de Sociale Maribel, in voorliggend besluit. Het gaat om de controle op het niveau van de werkgevers. Een samenwerkingsprotocol zal terzake tussen de 4 inspectiediensten tegen het einde van het jaar afgesloten moeten worden, waarbij het voor de hand ligt dat de inspectiedienst van de sociale wetten inzonderheid toezicht zal uitoefenen op de privé non-profit sector en de inspectiedienst van de RSZPPO op de werkgevers aangesloten bij die Rijksdienst.
       Artikel 61 voorziet in specifieke regels die van toepassing zijn voor de vaststelling van de dotaties verschuldigd aan de Fondsen Sociale Maribel van de non-profit privé voor het 1ste en 2de semester 2003 en voor het 1ste semester 2004.
       Artikel 62 voorziet in een uitdovende regeling voor de bijkomende tewerkstelling die gecreëerd werd in het kader van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 en die niet in overeenstemming gebracht kan worden met het artikel 13 van voorliggend besluit.
       Artikel 63 houdt rekening met de mogelijkheid dat de nieuwe federale overheidsdiensten op de datum van de inwerkingtreding van voorliggend besluit nog niet volledig operationeel zouden kunnen zijn en voorziet derhalve in een tijdelijk verder gebruik van de oude benamingen van de ministeries die betrokken zijn bij de toepassing van het besluit.
       Bij artikel 64 worden een hele reeks besluiten opgeheven die overbodig geworden zijn door voorliggend besluit.
       Artikel 65 is een overgangsbepaling.
       Artikel 66 ten slotte bepaalt dat voorliggend besluit in werking treedt op 1 januari 2003.
       Er werd volledig ingegaan op de opmerkingen die de Raad van State in zijn advies formuleerde.
       We hebben de eer te zijn,
       Sire,
       Van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars,
       De Minister van Werkgelegenheid,
       Mevr. L. ONKELINX
       De Minister van Volksgezondheid,
       Mevr. M. AELVOET
       De Minister van Sociale Zaken,
       F. VANDENBROUCKE

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 78 uitvoeringbesluiten 26 gearchiveerde versies
    Franstalige versie