J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgilex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
30 AUGUSTUS 1961. - Verdrag van de Verenigde Naties tot beperking der staatloosheid, gedaan te New York op 30 augustus 1961

Bron :
BUITENLANDSE ZAKEN, BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Publicatie : 04-11-2014 nummer :   2014A15179 bladzijde : 84245       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 1961-08-30/01
Inwerkingtreding : 29-09-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-21
BIJLAGEN.
Art. N1-N3

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. 1. Iedere Verdragsluitende Staat verleent zijn nationaliteit aan degene die geboren is op zijn grondgebied en die anders staatloos zou zijn. Deze nationaliteit wordt verleend:
  a) van rechtswege, bij de geboorte, of
  b) op een verzoek, door of namens belanghebbende bij de bevoegde autoriteit ingediend op de wijze als door de wetgeving van de betrokken Staat is voorgeschreven; behoudens de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, mag het verzoek niet worden afgewezen.
  Een Verdragsluitende Staat welks wetgeving verlening van zijn nationaliteit op verzoek overeenkomstig punt b van dit lid kent, kan die nationaliteit ook van rechtswege verlenen bij het bereiken van de leeftijd en op de voorwaarden als in zijn wetgeving zijn vastgesteld.
  2. Een Verdragsluitende Staat kan de verkrijging van zijn nationaliteit overeenkomstig punt b van het eerste lid van dit artikel, aan een of meer van de volgende voorwaarden binden:
  a) dat het verzoek wordt ingediend in de loop van een tijdvak vastgesteld door de Verdragsluitende Staat, welk tijdvak uiterlijk op de leeftijd van 18 jaar aanvangt en niet eerder dan op de leeftijd van 21 jaar eindigt, met dien verstande echter dat de belanghebbende ten minste n jaar de tijd krijgt om zijn verzoek persoonlijk en zonder dat hij daartoe bevoegd behoeft te zijn verklaard in te dienen;
  b) dat de belanghebbende gedurende een door de Verdragsluitende Staat vast te stellen tijdvak zijn gewone verblijf op het grondgebied van die Staat heeft gehad; bedoeld tijdvak mag niet op langer dan tien jaar in totaal worden gesteld, noch op langer dan vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek;
  c) dat de belanghebbende niet schuldig is verklaard aan een delict tegen de nationale veiligheid, noch is veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten minste vijf jaar terzake van een ander strafbaar feit;
  d) dat de belanghebbende bij zijn geboorte of later geen nationaliteit heeft verkregen.
  3. Ongeacht de bepalingen van het eerste lid sub b en van het tweede lid van dit artikel, verkrijgt het wettige kind dat is geboren op het grondgebied van een Verdagsluitende Staat en welks moeder de nationaliteit van die Staat bezit, die nationaliteit bij de geboorte, indien het anders staatloos zou zijn.
  4. Iedere Verdragsluitende Staat verleent zijn nationaliteit aan degene, die anders staatloos zou zijn en van wie, ten tijde van de geboorte, de vader of de moeder de nationaliteit van genoemde Staat bezat, indien hij, doordat hij boven de leeftijd is gekomen welke is vastgesteld voor de indiening van zijn verzoek, of doordat hij niet voldoet aan de gestelde voorwaarden met betrekking tot het verblijf, de nationaliteit van de Verdragsluitende Staat op welks grondgebied hij is geboren niet heeft kunnen verkrijgen. Indien de ouders niet dezelfde nationaliteit bezaten ten tijde van de geboorte, volgt naar gelang van de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Staat het kind de nationaliteit van de vader dan wel die van de moeder. Indien de nationaliteit moet worden aangevraagd, dient dit verzoek door of namens de belanghebbende bij de bevoegde autoriteit te worden ingediend op de wijze als is voorgeschreven door de wetgeving van de betrokken Staat. Behoudens de bepalingen van het vijfde lid van dit artikel, mag dit verzoek niet worden afgewezen.
  5. De Verdragsluitende Staat kan het verlenen van zijn nationaliteit overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van dit artikel, binden aan een of meer van de volgende voorwaarden:
  a) dat het verzoek wordt ingediend voordat de belanghebbende een door de betrokken Verdragsluitende Staat vastgestelde leeftijd heeft bereikt, welke leeftijd echter niet beneden de 23 jaar mag liggen;
  b) dat de belanghebbende gedurende een zeker tijdvak onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek zijn gewone verblijf heeft gehad op het grondgebied van de betrokken Verdragsluitende Staat; de duur van dit tijdvak wordt door die Staat vastgesteld, doch mag drie jaar niet te boven gaan;
  c) dat de belanghebbende bij zijn geboorte of later geen nationaliteit heeft verkregen.

  Art. 2. Het kind, gevonden op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat wordt, totdat het tegendeel is bewezen, geacht te zijn geboren op dat grondgebied uit ouders die de nationaliteit van die Staat bezitten.

  Art. 3. Ter vaststelling van de verplichtingen der Verdragsluitende Staten binnen het kader van dit Verdrag wordt een geboorte aan boord van een schip of van een luchtvaartuig geacht te hebben plaats gehad op het grondgebied van de Staat welks vlag het schip voert of waarin het luchtvaartuig staat ingeschreven.

  Art. 4. 1. Een Verdragsluitende Staat verleent zijn nationaliteit aan degene, die anders staatloos zou zijn en niet is geboren op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, indien ten tijde van de geboorte de vader of de moeder de nationaliteit van de eerstgenoemde Staat bezat. Indien de ouders ten tijde van de geboorte niet dezelfde nationaliteit bezaten, volgt het kind, naar gelang van de wetgeving van die Staat, de nationaliteit van de vader dan wel die van de moeder. De nationaliteit, toegekend overeenkomstig het in dit lid bepaalde, wordt verleend:
  a) van rechtswege, bij de geboorte, of
  b) op verzoek, door of namens belanghebbende ingediend bij de bevoegde autoriteit met inachtneming van de wettelijke voorschriften; behoudens de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, mag het verzoek niet worden afgewezen.
  2. De Verdragsluitende Staat kan het verlenen van zijn nationaliteit, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel binden aan een of meer van de volgende voorwaarden:
  a) dat het verzoek wordt ingediend voordat de belanghebbende een door de betrokken Verdragsluitende Staat vastgestelde leeftijd heeft bereikt, welke leeftijd niet beneden de 23 jaar mag liggen;
  b) dat de belanghebbende gedurende een zeker tijdvak onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek zijn gewone verblijf heeft gehad op het grondgebied van de betrokken Verdragsluitende Staat; de duur van dit tijdvak wordt door die Staat vastgesteld, doch mag drie jaar niet te boven gaan;
  c) dat de belanghebbende niet schuldig is verklaard aan een delict tegen de nationale veiligheid;
  d) dat de belanghebbende bij zijn geboorte of later geen nationaliteit heeft verkregen.

  Art. 5. 1. Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Staat bepaalt dat iemand zijn nationaliteit verliest als gevolg van een wijziging in zijn burgerlijke staat zoals huwelijk, ontbinding van het huwelijk, wettiging, erkenning of adoptie, wordt dat verlies afhankelijk gesteld van het bezit of het verkrijgen van de nationaliteit van een andere Staat.
  2. Indien overeenkomstig de wetgeving van een Verdragsluitende Staat een natuurlijk kind de nationaliteit van die Staat verliest als gevolg van een erkenning, wordt het de mogelijkheid geboden deze terug te krijgen door middel van een daartoe strekkend aan de bevoegde autoriteit gericht verzoek, waarvan de inwilliging niet mag worden gebonden aan de vervulling van strengere voorwaarden dan die, welke worden genoemd in het tweede lid van artikel 1 van dit Verdrag.

  Art. 6. Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Staat bepaalt dat, doordat iemand de nationaliteit van die Staat verliest of deze hem wordt ontnomen ook de echtgenoot of de kinderen deze verliezen, wordt dit verlies afhankelijk gesteld van het bezit of het verkrijgen door dezen van de nationaliteit van een andere Staat.

  Art. 7. 1. a) Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Staat toelaat dat iemand afstand doet van zijn nationaliteit, dan heeft dit alleen dan verlies van die nationaliteit tot gevolg, indien de betrokkene de nationaliteit van een andere Staat bezit of verkrijgt.
  b) De bepalingen onder punt a van dit lid zijn niet van toepassing wanneer zij onverenigbaar zouden blijken te zijn met de beginselen vermeld in de artikelen 13 en 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, welke op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is goedgekeurd.
  2. Hij die de nationaliteit van een Verdragsluitende Staat bezit en een verzoek tot naturalisatie in een ander land heeft ingediend, verliest zijn nationaliteit niet, tenzij hij de nationaliteit van dat andere land verkrijgt of de verzekering heeft ontvangen die te zullen verkrijgen.
  3. Behoudens de bepalingen van het vierde en vijfde lid van dit artikel, zal niemand zijn nationaliteit verliezen op grond van het feit dat hij het land waarvan hij de nationaliteit bezit, verlaat, in het buitenland woont, zich niet laat inschrijven of op grond van enig ander soortgelijk feit, dat voor hem staatloosheid met zich zou brengen.
  4. Verlies van de nationaliteit, verkregen door naturalisatie, kan worden gegrond op verblijf in den vreemde gedurende een door de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Staat vast te stellen tijdvak van ten minste zeven opeenvolgende jaren, tenzij de belanghebbende de bevoegde autoriteit ervan in kennis stelt dat hij zijn nationaliteit wenst te behouden.
  5. Met betrekking tot een persoon die geboren is buiten het grondgebied van de Verdragsluitende Staat waarvan hij de nationaliteit bezit, kan de wetgeving van die Staat bepalen, dat deze persoon zijn nationaliteit na verloop van n jaar te rekenen van het tijdstip waarop hij meerderjarig werd, verliest, indien hij op dat moment zijn woonplaats niet heeft op het grondgebied van die Staat of zich niet bij de bevoegde autoriteit heeft laten inschrijven.
  6. Behoudens het bepaalde in dit artikel verliest niemand de nationaliteit van een Verdragsluitende Staat, indien dit verlies voor hem staatloosheid met zich zou brengen, ook indien dit verlies niet reeds uitdrukkelijk door enige andere bepaling van dit Verdrag is uitgesloten.

  Art. 8. 1. Een Verdragsluitende Staat ontneemt een onderdaan de nationaliteit van die Staat niet, indien dit voor die onderdaan staatloosheid met zich zou brengen.
  2. Ongeacht de bepaling van het eerste lid van dit artikel kan iemand de nationaliteit van een Verdragsluitende Staat worden ontnomen:
  a) in de gevallen waarin het, krachtens de leden 4 en 5 van artikel 7, toegelaten is te bepalen, dat iemand zijn nationaliteit verliest;
  b) indien hij die nationaliteit door middel van een valse verklaring of bedrog heeft verkregen.
  3. Ongeacht het bepaalde in het eerste lid van dit artikel behoudt een Verdragsluitende Staat het recht iemand zijn nationaliteit te ontnemen, indien die Staat ten tijde van de ondertekening of de bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag een daartoe strekkende verklaring aflegt onder opgave van de gronden, welke zijn nationale recht voor die ontneming kent en waarvoor de beweegreden is geweest:
  a) dat betrokkene, op een wijze die onverenigbaar is met zijn plicht tot trouw aan de Verdragsluitende Staat,
  i) in weerwil van een uitdrukkelijk verbod van de Verdragsluitende Staat aan een andere Staat diensten heeft verleend of is blijven verlenen, of van een andere Staat emolumenten heeft ontvangen of is blijven ontvangen, of
  ii) zich dusdanig heeft gedragen, dat daardoor aan de wezenlijke belangen van de Staat ernstig afbreuk wordt gedaan;
  b) dat betrokkene hetzij een eed, hetzij een stellige verklaring van trouw aan een andere Staat heeft afgelegd, dan wel door zijn gedrag onweerlegbaar heeft doen blijken van zijn besluit de trouw aan de Verdragsluitende Staat op te zeggen.
  4. Een Verdragsluitende Staat maakt van de mogelijkheid om iemand met inachtneming van de leden 2 en 3 van dit artikel zijn nationaliteit te ontnemen geen gebruik dan met eerbiediging van de wet, waarbij de betrokkene recht heeft op een onpartijdige behandeling van zijn zaak, hetzij door een rechtbank, hetzij door een ander onafhankelijk orgaan.

  Art. 9. Geen Verdragsluitende Staat mag een persoon of een groep personen hun nationaliteit op grond van overwegingen ingegeven door hun ras, ethnologische afkomst, godsdienst of politieke overtuiging ontnemen.

  Art. 10. 1. Ieder tussen Verdragsluitende Staten gesloten verdrag waarin wordt voorzien in de overdracht van grondgebied, dient bepalingen te bevatten ter verzekering dat niemand tengevolge van die overdracht staatloos wordt. Een Verdragsluitende Staat dient al het mogelijke te doen ter verzekering dat in elk zodanig verdrag dat hij met een Staat die geen partij is bij het onderhavige Verdrag sluit, bepalingen als hierboven bedoeld worden opgenomen.
  2. Indien bepalingen van deze strekking ontbreken, verleent de Verdragsluitende Staat waaraan grondgebied wordt overgedragen of die op andere wijze grondgebied verkrijgt, zijn nationaliteit aan hen die anders tengevolge van de overdracht of de verkrijging, staatloos zouden worden.

  Art. 11. De Verdragsluitende Staten bevorderen dat binnen het raam van de Organisatie van de Verenigde Naties, zo spoedig mogelijk na de nederlegging van de zesde akte van bekrachtiging of toetreding een orgaan wordt ingesteld, waartoe iemand die zich op dit Verdrag wenst te beroepen zich, zowel voor onderzoek van zijn beroep als voor bijstand bij het voorleggen van zijn zaak aan het bevoegde gezag, kan wenden.

  Art. 12. 1. Ten aanzien van een Verdragsluitende Staat die niet overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid van artikel 1 of die van artikel 4 van dit Verdrag zijn nationaliteit van rechtswege bij de geboorte verleent, zijn de bepalingen van het eerste lid van artikel 1 of die van artikel 4 van toepassing zowel op personen die geboren zijn vr, als op personen die geboren zijn na de inwerkingtreding van dit Verdrag.
  2. De bepalingen van het vierde lid van artikel 1 van dit Verdrag zijn van toepassing zowel op personen die geboren zijn vr, als op personen die geboren zijn na de inwerkingtreding daarvan.
  3. De bepalingen van artikel 2 van dit Verdrag zijn uitsluitend van toepassing op kinderen gevonden op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat na het in werking treden van het Verdrag.

  Art. 13. Dit Verdrag laat eventuele bepalingen, die in nog sterkere mate de beperking der staatloosheid bevorderen en thans zijn of later mochten worden opgenomen, hetzij in de wetgeving van een der Verdragsluitende Staten, hetzij in een Verdrag, overeenkomst of regeling tussen twee of meer Verdragsluitende Staten, onverlet.

  Art. 14. Elk tussen Verdragsluitende Staten gerezen geschil de uitlegging of toepassing van dit Verdrag betreffende, dat niet langs andere weg kan worden beslecht, wordt op verzoek van een der partijen bij het geschil voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof.

  Art. 15. 1. Dit Verdrag is van toepassing op alle niet-autonome, onder beheer staande en koloniale gebieden, alsmede op alle andere niet tot het moederland behorende gebieden voor de internationale betrekkingen waarvan een Verdragsluitende Staat verantwoordelijk is; met inachtneming van de bepalingen van het tweede lid van dit artikel verklaart de betrokken Verdragsluitende Staat ten tijde van de ondertekening of de bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag op welke van de niet tot het moederland behorende gebieden het Verdrag ipso facto, op grond van die ondertekening, die bekrachtiging of die toetreding van toepassing is.
  2. Indien, wat de nationaliteit betreft, een niet tot het moederland behorend grondgebied niet geacht wordt een geheel met het moederland uit te maken of indien krachtens de constitutionele wetten of gebruiken van de Verdragsluitende Staat of van het niet tot het moederland behorende gebied, voor de toepassing van het Verdrag op dat gebied, vooraf de goedkeuring van dat niet tot het moederland behorende gebied wordt vereist, tracht de betrokken Verdragsluitende Staat de vereiste goedkeuring van het niet tot het moederland behorende gebied binnen de twaalf maanden volgend op de ondertekening van het Verdrag door die, Verdragsluitende Staat te verkrijgen; nadat bedoelde goedkeuring is verkregen, stelt de Verdragsluitende Staat de Secretaris-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties daarvan in kennis. Met ingang van de dag waarop bedoelde kennisgeving door de Secretaris-Generaal wordt ontvangen is dit Verdrag op de in die kennisgeving genoemde gebieden van toepassing.
  3. Na het verstrijken van de in het tweede lid van dit artikel genoemde termijn van twaalf maanden stellen de betrokken Verdragsluitende Staten de Secretaris-Generaal in kennis van de resultaten van het overleg dat is gevoerd met die niet tot het moederland behorende gebieden, voor de internationale betrekkingen waarvan zij verantwoordelijk zijn en die met de toepasselijkheid van dit Verdrag niet hebben ingestemd.

  Art. 16. 1. Dit Verdrag staat open voor ondertekening ten hoofdkwartiere van de Organisatie van de Verenigde Naties van 30 augustus 1961 tot 31 mei 1962.
  2. Dit Verdrag staat open voor ondertekening namens:
  a) iedere Staat die lid is van de Verenigde Naties;
  b) elke andere Staat die is uitgenodigd de Conferentie van de Verenigde Naties inzake de wegneming of beperking van staatloosheid in de toekomst bij te wonen;
  c) elke Staat die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties zou worden uitgenodigd tot ondertekening van of toetreding tot dit Verdrag.
  3. Dit Verdrag zal worden bekrachtigd en akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties.
  4. Dit Verdrag staat open voor toetreding door de in het tweede lid van dit artikel genoemde Staten. Toetreding geschiedt door nederlegging van een akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties.

  Art. 17. 1. Bij de ondertekening, de bekrachtiging of de toetreding kan elke Staat een voorbehoud maken met betrekking tot de artikelen 11, 14 of 15.
  2. Andere voorbehouden op dit Verdrag worden niet toegestaan.

  Art. 18. 1. Dit Verdrag treedt in werking twee jaar na het tijdstip waarop de zesde akte van bekrachtiging of toetreding is neder gelegd.
  2. Ten aanzien van elke Staat die bekrachtigt of toetreedt na de nederlegging van de zesde akte van bekrachtiging of toetreding, treedt het in werking op de negentigste dag na de nederlegging door die Staat van zijn akte van bekrachtiging of toetreding of op het tijdstip waarop dit Verdrag overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid van dit artikel in werking treedt, zo dit tijdstip later valt.

  Art. 19. 1. Elke Verdragsluitende Staat heeft het recht dit Verdrag op elk willekeurig tijdstip door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties gerichte schriftelijke kennisgeving op te zeggen. Deze opzegging wordt ten aanzien van de betrokken Verdragsluitende Staat van kracht n jaar na ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
  2. In gevallen waarin, overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, dit Verdrag op een niet tot het moederland van een Verdragsluitende Staat behorend gebied van toepassing is geworden, kan die Staat, met goedkeuring van het betrokken gebied op elk willekeurig tijdstip daarna de Secretaris-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties ervan in kennis stellen dat hij dit Verdrag ten aanzien van dat betrokken gebied opzegt. De opzegging heeft rechtsgevolg n jaar na de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving van opzegging heeft ontvangen, waarop de Secretaris-Generaal alle andere Verdragsluitende Staten zowel van die kennisgeving als van de datum van ontvangst daarvan bericht zendt.

  Art. 20. 1. De Secretaris-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties doet aan alle leden van de Verenigde Naties en de in artikel 16 genoemde Staten die geen lid zijn van deze Organisatie mededeling van:
  a) de krachtens artikel 16 ontvangen ondertekeningen, bekrachtigingen en toetredingen;
  b) de krachtens artikel 17 gemaakte voorbehouden;
  c) de datum waarop ingevolge het bepaalde in artikel 18 dit Verdrag in werking treedt;
  d) de ingevolge artikel 19 ontvangen opzeggingen.
  2. Uiterlijk na de nederlegging van de zesde akte van bekrachtiging of toetreding zal de Secretaris-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties de aandacht van de Algemene Vergadering erop vestigen, dat een orgaan dient te worden ingesteld, als voorzien in artikel 11.

  Art. 21. Dit Verdrag wordt door de Secretaris-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties geregistreerd op de dag waarop het in werking treedt.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Lijst der gebonden staten
  

  
Staten/Organisaties Datum Authentificatie Type instemming Datum instemming Datum interne inwerkingtreding
ALBANIE  Toetreding 09/07/2003 07/10/2003
ARMENIE  Toetreding 18/05/1994 1/08/1994
AUSTRALIE  Toetreding 13/12/1973 13/12/1975
AZERBEIDZJAN  Toetreding 16/08/1996 14/11/1996
BENIN  Toetreding 08/12/2011 07/03/2012
BOLIVIA  Toetreding 06/10/1983 04/01/1984
BOSNIE EN HERZEGOVINA  Toetreding 13/12/1996 13/03/1997
BRAZILIE  Toetreding 25/10/2007 23/01/2008
BULGARIJE  Toetreding 22/03/2012 20/06/2012
BELGIE  Toetreding 01/07/2014 29/09/2014
CANADA  Toetreding 17/07/1978 15/10/1978
COSTA RICA  Toetreding 02/11/1977 31/01/1978
DENEMARKEN  Toetreding 11/07/1977 09/10/1977
DOMINICAANSE REPUBLIEK 05/12/1961 Onbepaald   
DUITSLAND  Toetreding 31/08/1977 29/11/1977
ECUADOR  Toetreding 24/09/2012 23/12/2012
FINLAND  Toetreding 07/08/2008 05/11/2008
FRANKRIJK 31/05/1962 Onbepaald   
GUATEMALA  Toetreding 19/07/2001 17/10/2001
HONDURAS  Toetreding 18/12/2012 18/03/2013
HONGARIJE  Toetreding 12/05/2009 10/08/2009
IERLAND  Toetreding 18/01/1973 13/12/1975
ISRAEL 30/08/1961 Onbepaald   
IVOORKUST  Toetreding 03/10/2013 01/01/2014
JAMAICA  Toetreding 09/01/2013 09/04/2013
KIRIBATI  Statenopvolging 29/11/1983 12/07/1979
KROATIE  Toetreding 22/09/2011 21/12/2011
LESOTHO  Toetreding 24/09/2004 23/12/2004
LETLAND  Toetreding 14/04/1992 13/07/1992
LIBERIA  Toetreding 22/09/2004 21/12/2004
LIBIE  Toetreding 16/05/1989 14/08/1989
LIECHTENSTEIN  Toetreding 25/09/2009 24/12/2009
LITOUWEN  Toetreding 22/07/2013 20/10/2013
MOLDAVIE  Toetreding 19/04/2012 18/07/2012
MONTENEGRO  Toetreding 05/12/2013 05/03/2014
NEDERLAND 30/08/1961 Bekrachtiging 13/05/1985 11/08/1985
NICARAGUA  Toetreding 29/07/2013 27/10/2013
NIEUW-ZEELAND  Toetreding 20/09/2006 19/12/2006
NIGER  Toetreding 17/06/1985 15/09/1985
NIGERIA  Toetreding 20/09/2011 19/12/2011
NOORWEGEN  Toetreding 11/08/1971 13/12/1975
OEKRAINE  Toetreding 25/03/2013 23/06/2013
OOSTENRIJK  Toetreding 22/09/1972 13/12/1975
PANAMA  Toetreding 02/06/2011 31/08/2011
PARAGUAY  Toetreding 06/06/2012 04/09/2012
PORTUGAL  Toetreding 01/10/2012 30/12/2012
ROEMENIE  Toetreding 27/01/2006 27/04/2006
RWANDA  Toetreding 04/10/2006 02/01/2007
SENEGAL  Toetreding 21/09/2005 20/12/2005
SERVIE  Toetreding 07/12/2011 06/03/2012
SLOVAKIJE  Toetreding 03/04/2000 02/07/2000
SWAZILAND  Toetreding 16/11/1999 14/02/2000
TSJAAD  Toetreding 12/08/1999 10/11/1999
TSJECHISCHE REP.  Toetreding 19/12/2001 19/03/2002
TUNESIE  Toetreding 12/05/2000 10/08/200
TURKMENISTAN  Toetreding 29/08/2012 27/11/2012
URUGUAY  Toetreding 21/09/2001 20/12/2001
VERENIGD KONINKRIJK 30/08/1961 Bekrachtiging 29/03/1966 13/12/1975
ZWEDEN  Toetreding 19/02/1969 13/12/1975

Art. N2. Verklaringen
  - Verklaring in verband met artikel 2 van het Verdrag:
  "De Belgische Regering verklaart dat de categorie van "vondelingen" voor Belgi de gevonden kinderen betreft waarvan wordt aangenomen dat zij pasgeboren zijn."
  - Verklaring in verband met artikel 8, paragraaf 3, van het Verdrag:
  "Belgi behoudt zich het recht voor om een persoon die de Belgische nationaliteit niet heeft verkregen van een ouder die Belg was op de dag van zijn geboorte of wiens nationaliteit niet werd toegekend op grond van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, van deze nationaliteit vervallen te verklaren in de gevallen die thans voorzien zijn in de Belgische wetgeving met name:
  1. Indien hij de Belgische nationaliteit heeft verkregen ten gevolge van een bedrieglijke handelwijze, door het verschaffen van valse informatie, door het plegen van valsheid in geschrifte en/of het gebruik van valse of vervalste stukken, door identiteitsfraude of fraude bij het verkrijgen van het recht op verblijf.
  2. Indien hij ernstig is tekortgekomen aan zijn verplichtingen als Belgisch burger.
  3. Indien hij als dader, mededader of medeplichtige veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van ten minste vijf jaar zonder uitstel voor volgende misdrijven:
  - aanslagen en samenspanning tegen de Koning, de koninklijke familie en de regering;
  - misdaden en wanbedrijven tegen de uitwendige veiligheid van de Staat;
  - misdaden tegen de inwendige veiligheid van de Staat;
  - ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht;
  - terroristische misdrijven;
  - bedreiging met een aanslag op personen of op eigendommen en valse inlichtingen betreffende ernstige aanslagen;
  - diefstal en afpersing van kernmateriaal;
  - misdrijven inzake de externe beveiliging van kernmateriaal;
  - mensenhandel;
  - mensensmokkel.
  4. indien hij als dader, mededader of medeplichtige veroordeeld werden tot een gevangenisstraf van ten minste vijf jaar zonder uitstel voor het plegen van een misdrijf waarvan het plegen kennelijk werd vergemakkelijkt door het bezit van de Belgische nationaliteit, voor zover hij het misdrijf heeft gepleegd binnen vijf jaar vanaf de dag waarop hij de Belgische nationaliteit heeft verworven."

  Art. N3. Inwerkingtreding voor Belgi: 29/09/2014
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   TEN BLIJKE WAARVAN de ondertekenende gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend.
GEDAAN te New York, de 30ste augustus 1961, in n exemplaar, zijnde de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse teksten gelijkelijk authentiek, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Organisatie van de Verenigde Naties en waarvan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties voor eensluidend gewaarmerkte afschriften zal doen toekomen aan alle leden van de Verenigde Naties en aan de in artikel 16 van dit Verdrag bedoelde Staten die geen lid zijn van deze Organisatie.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Verdragsluitende Staten, Handelende overeenkomstig resolutie 896 (IX), aangenomen door de op 4 december 1954 gehouden Algemene Vergadering van de Verenigde Naties,
   Overwegende dat het wenselijk is de staatloosheid door een internationaal akkoord te beperken,
   Zijn het volgende overeengekomen:

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie