J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2021/07/04/2021021315/justel

Titel
4 JULI 2021. - Wet houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie

Bron :
KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER
Publicatie : 13-07-2021 nummer :   2021021315 bladzijde : 70289       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2021-07-04/03
Inwerkingtreding : 23-07-2021
Opheffing : 30-09-2021

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :2010A09589       

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Algemene bepaling
Art. 1
TITEL 2. - Economie
Enig hoofdstuk. - Compensatiemaatregel voor bepaalde auteurs en uitvoerende kunstenaars ter compensatie van de minderinkomsten uit auteursrecht en naburige rechten als gevolg van de COVID-19-pandemie
Art. 2-12
TITEL 3. - Financiën
Enig hoofdstuk. - Terugbetaling van accijnzen voor onverkoopbaar tankbier en bier in vaten
Art. 13
TITEL 4. - Sociale zaken
Enig hoofdstuk. - Doelgroepvermindering van socialezekerheidsbijdragen in het kader van de relance
Art. 14-23
TITEL 5. - Werk
Hoofdstuk 1. - Toekenning van een vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen bestemd voor het wettelijk vakantiestelsel voor handarbeiders aan de werkgevers die handarbeiders tewerkstellen die onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf (PC 302) vallen, en tot toekenning van een toelage aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie
Art. 24-26
Hoofdstuk 2. - Uitbreiding van de mogelijkheid tot studentenarbeid door de tijdens het derde kwartaal 2021 gepresteerde uren te neutraliseren
Art. 27-28
Hoofdstuk 3. - Specifieke maatregelen voor de sector van de dienstencheques
Art. 29-31

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  TITEL 2. - Economie

  Enig hoofdstuk. - Compensatiemaatregel voor bepaalde auteurs en uitvoerende kunstenaars ter compensatie van de minderinkomsten uit auteursrecht en naburige rechten als gevolg van de COVID-19-pandemie

  Art. 2. § 1. Dit hoofdstuk voert een steunmechanisme in het kader van de COVID-19-pandemie bestaande uit een sociale compensatiemaatregel verbonden aan de minderinkomsten uit auteursrecht en naburige rechten in.
  § 2. Het totale budget voor deze sociale compensatiemaatregel bedraagt 19 107 088 euro.
  § 3. Dit bedrag wordt gefinancierd vanuit de begroting van de Staat.

  Art. 3. Het steunmechanisme zoals bedoeld in artikel 2 heeft tot doel de vermindering van inkomsten uit auteursrecht en naburige rechten uit de exploitatiewijzen zoals bedoeld in artikel 6, geleden door auteurs en uitvoerende kunstenaars ten gevolge van de COVID-19-pandemie gedeeltelijk te compenseren.

  Art. 4. De begunstigden van deze sociale compensatiemaatregel zijn natuurlijke personen of eenpersoonsvennootschappen.
  De begunstigden dienen hun fiscale woonplaats in België te hebben.

  Art. 5. De sociale compensatiemaatregel zoals bepaald in artikel 2 heeft als doel de vermindering van inkomsten gedurende de jaren 2020 en 2021 voor de begunstigden te compenseren.
  Per begunstigde, bedraagt het maximumbedrag van de sociale compensatie 10 000 euro per referentiejaar. Bedragen van minder dan 150 euro per referentiejaar worden niet uitbetaald.
  Het totaal bedrag van de sociale compensatie bedraagt in elk geval nooit meer dan 70 % van de effectief gederfde roerende inkomsten aan auteursrecht en naburige rechten in de jaren 2020 en 2021.
  Indien een forfaitaire vergoeding wordt toegekend, bedraagt het maximumbedrag 500 euro. Bedragen lager dan 150 euro worden niet uitbetaald. Het vorig lid is in dat geval niet van toepassing.

  Art. 6. Enkel de vermindering van inkomsten met betrekking tot de volgende exploitatiewijzen wordt in aanmerking genomen:
  - de openbare uitvoering;
  - de openbare opvoering.
  De Koning kan de in het vorige lid bepaalde exploitatiewijzen nader preciseren of aanvullen en kan andere situaties waarin begunstigden als gevolg van de COVID-19-pandemie minderinkomsten hebben geleden bepalen.

  Art. 7. De beheersvennootschappen en collectieve beheersorganisaties die in België gevestigd zijn en de collectieve beheersorganisaties met een bijkantoor in België die de categorieën van begunstigden zoals bedoeld in artikel 4 vertegenwoordigen worden belast met de verdeling van de bedragen van de sociale compensatiemaatregel.
  In uitvoering van de artikelen 4 tot 6 bepaalt de Koning welke beheersvennootschappen en collectieve beheersorganisaties belast worden met de verdeling van een deel van het totale bedrag van de sociale compensatie.
  Het deel van het totale bedrag van de compensatie dat toegekend wordt aan de beheersvennootschappen en collectieve beheersorganisaties zoals bedoeld in het eerste lid, wordt berekend op basis van de verminderde inningen in de loop van het jaar 2020 met betrekking tot de exploitatievormen zoals bedoeld in artikel 6. De Koning stelt het exacte bedrag vast.
  De Koning kan de nadere regels inzake de uitbetaling aan de begunstigden bepalen.

  Art. 8. De beheersvennootschappen of de collectieve beheersorganisaties zoals bedoeld in artikel 7 die kunnen bewijzen dat zij omwille van de COVID-19-pandemie vrijwillig afstand hebben gedaan van een deel van de contractueel aan hen verschuldigde rechten met betrekking tot het jaar 2020, en zich ertoe engageren voor wat betreft het jaar 2021 om een commerciële geste ten aanzien van de gebruikers van hun repertoire toe te kennen, kunnen de hierdoor in de jaren 2020 en 2021 gederfde rechten ten aanzien van de rechthebbenden compenseren.
  De artikelen 4, eerste lid, 5, derde lid, en 9 zijn niet van toepassing.
  De commerciële geste wordt door de beheersvennootschap onderhandeld met de betalingsplichtigen. Deze commerciële geste bedraagt de kwijtschelding van verschuldigde rechten van maximum 5 maanden ten aanzien van bepaalde betalingsplichtigen, naargelang de duur van de verplichte sluiting van de handelszaak van de betalingsplichtigen en het beschikbare budget voor de compensatie.
  De Koning bepaalt de verdere uitvoeringsmodaliteiten van deze bepaling.

  Art. 9. In afwijking van artikel XI.256 van het Wetboek van economisch recht rekenen de beheersvennootschappen en collectieve beheersorganisaties zoals aangeduid door de Koning in artikel 7 een beheerskost van ten hoogste 5 % aan voor de verdeling van de steunmaatregel.

  Art. 10. § 1. De Controledienst zoals bedoeld in artikel I.16, § 1, 1°, van het Wetboek van economisch recht oefent toezicht uit op de toepassing door de beheersvennootschappen en collectieve beheersorganisaties bedoeld in artikel 7 en de uitvoeringsmaatregelen van artikelen 6 tot 8 en spoort inbreuken hierop op en stelt ze vast.
  § 2. Het toezicht, de opsporing en vaststelling van de inbreuken zoals bedoeld in paragraaf 1 wordt uitgeoefend overeenkomstig de artikelen XI.279 en XV.25/4 van het Wetboek van economisch recht, waarbij toepassing kan worden gemaakt van de procedures bedoeld in de artikelen XV.31/1 en XV.66/2 van hetzelfde Wetboek.
  § 3. Met een strafrechtelijke geldboete van 26 tot 50 000 euro worden gestraft, zij die:
  1° inbreuken begaan op de bepalingen van dit hoofdstuk of haar uitvoeringsbesluiten;
  2° met opzet de personen van de diensten bedoeld in paragraaf 1 hinderen of beletten bij de uitvoering van hun opdracht.

  Art. 11. De bedragen die de begunstigden ontvangen ingevolge de sociale compensatiemaatregel voorzien in de artikelen 2 tot 8 van deze wet, worden op sociaalrechtelijk en fiscaalrechtelijk vlak onderworpen aan hetzelfde regime als bedragen die auteurs en uitvoerende kunstenaars die in België hun fiscale woonplaats hebben buiten de sociale compensatiemaatregel normalerwijze zouden ontvangen van beheersvennootschappen en collectieve beheersorganisaties voor de exploitatie van hun werken en prestaties.

  Art. 12. In afwijking van artikel 130, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering wordt geen rekening gehouden met de bedragen ontvangen in het kader van deze wet.

  TITEL 3. - Financiën

  Enig hoofdstuk. - Terugbetaling van accijnzen voor onverkoopbaar tankbier en bier in vaten

  Art. 13. Terugbetaling van accijnzen wordt verleend voor tankbier en bier in vaten dat reeds in verbruik werd gesteld en effectief werd geleverd aan horecagelegenheden, en dat onverkoopbaar is geworden ingevolge de verplichte sluiting van de horecasector, op voorwaarde dat het betrokken tankbier en bier in vaten effectief werd teruggenomen en vernietigd, en kosteloos of ten minste zonder nieuwe doorrekening van accijnzen werd vervangen door bier van dezelfde aard en in dezelfde hoeveelheid door de persoon die het bier in verbruik heeft gesteld.
  De administratie gaat, op verzoek van de persoon die het bier in verbruik heeft gesteld, over tot terugbetaling van het bedrag aan accijnzen dat reeds werd betaald op het teruggenomen bier, voor zover op basis van voorgelegde boekhoudkundige en andere stukken kan worden aangetoond dat de verplichtingen voorzien in dit artikel werden nageleefd.
  De Koning bepaalt de controlemaatregelen en de procedure van toekenning van terugbetaling van accijnzen.
  Deze maatregel is van toepassing op alle inverbruikstellingen van tankbier en bier in vaten vanaf 1 juni 2020 tot en met 30 oktober 2020, dat werd vervangen tussen 1 april 2021 en 30 september 2021.

  TITEL 4. - Sociale zaken

  Enig hoofdstuk. - Doelgroepvermindering van socialezekerheidsbijdragen in het kader van de relance

  Art. 14. Er wordt een doelgroepvermindering toegekend volgens de voorwaarden en modaliteiten bepaald in de artikelen 16 tot 20 aan de werkgevers en de personen die hiermee worden gelijkgesteld, bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wanneer en voor zover zij onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.

  Art. 15. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° "doelgroepvermindering": de vermindering van bijdragen bedoeld in Titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, van de programmawet (I) van 24 december 2002;
  2° "mu": de prestatiebreuk van de prestaties, zoals berekend overeenkomstig artikel 2, 2°, g), van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen;
  3° "mu (glob)": de som van alle tewerkstellingen van een werknemer bij een en dezelfde werkgever tijdens een kwartaal;
  4° "totale mu (glob)": de som van de "mu (glob)'s" van alle bij dezelfde werkgever in dienst zijnde werknemers;
  5° "G1" en "G17": de verminderingsbedragen bedoeld in artikel 336 van de voormelde programmawet (I) van 24 december 2002;
  6° "vestigingseenheid": een plaats die men geografisch gezien kan identificeren door een adres, waar ten minste een activiteit van de geregistreerde entiteit wordt uitgeoefend of van waaruit de activiteit wordt uitgeoefend;
  7° "zwaar getroffen werkgever": een werkgever wordt beschouwd als zwaar getroffen wanneer het arbeidsvolume, berekend op basis van de "totale mu (glob)", tijdens het eerste kwartaal 2021 50 % lager ligt dan in het eerste kwartaal 2020 of tijdens het vierde kwartaal 2020 50 % lager ligt dan in het vierde kwartaal 2019. Deze vergelijking gebeurt op het niveau van de werkgever. De berekening gebeurt op basis van de gegevens van de DmfA, op 1 juli 2021 waarbij wijzigingen of rechtzettingen na 1 juli 2021 niet in aanmerking worden genomen.

  Art. 16. In het derde kwartaal 2021 wordt een doelgroepvermindering toegekend voor maximum vijf werknemers per vestigingseenheid op voorwaarde dat er op het niveau van de werkgever een toename is van het arbeidsvolume in het derde kwartaal 2021 ten opzichte van het arbeidsvolume in het eerste kwartaal 2021, berekend op basis van de "totale mu (glob)". De vereiste toename is afhankelijk van het gemiddeld aantal tewerkgestelde werknemers, berekend overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 oktober 2009 waarbij de referteperiode en de wijze worden bepaald waarop het gemiddelde van de tijdens deze referteperiode tewerkgestelde werknemers wordt berekend met het oog op de inning, door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, van de bijdragen bedoeld in de artikelen 58 en 60 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen en van de bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, eerste lid, 9°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers:
  1° voor de werkgevers die gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstellen, dient deze toename minstens 25 % te bedragen;
  2° voor de werkgevers die gemiddeld tussen de 50 en de 499 werknemers tewerkstellen dient deze toename minstens 20 % te bedragen, met een minimale verhoging van de "totale mu (glob)" gelijk aan 12,5;
  3° voor de werkgevers die gemiddeld 500 of meer werknemers tewerkstellen dient deze toename minstens 10 % van het arbeidsvolume, met een minimale verhoging van de "totale mu (glob)" gelijk aan 100.

  Art. 17. De toename van het personeel bedoeld in het vorige artikel, noch de afname van het personeel bedoeld in artikel 15, 7°, mag het gevolg zijn van een juridische herstructureringsoperatie zoals bedoeld in de artikelen 12:2 tot 12:10, 12:101 en 12:103 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

  Art. 18. Het bedrag van de doelgroepvermindering bedraagt:
  1° voor de zwaar getroffen werkgevers: G17 voor maximum vijf werknemers per vestigingseenheid;
  2° voor de andere werkgevers: G1 voor maximum vijf werknemers per vestigingseenheid.

  Art. 19. De artikelen 324 tot en met 328, 335 tot en met 338, 353ter en 353quater van de voormelde programmawet (I) van 24 december 2002 alsook de artikelen 2 en 4 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen vinden toepassing op de doelgroepverminderingen toegekend in toepassing van dit hoofdstuk.

  Art. 20. Om de vermindering te kunnen genieten, dient de werkgever de volgende voorwaarden na te leven:
  1° hij moet de werknemers waarvoor hij de doelgroepvermindering toepast, ononderbroken in dienst houden gedurende het kwartaal waarop deze doelgroepvermindering betrekking heeft, behoudens indien de werknemer zelf ontslag neemt of ontslagen wordt om dringende reden;
  2° hij moet zich in 2021 onthouden van:
  a) het uitkeren van dividenden aan aandeelhouders;
  b) het uitkeren van bonussen aan de leden van de raad van bestuur en aan het leidinggevend personeel van de onderneming;
  c) het inkopen van eigen aandelen;
  3° hij mag in het tweede en derde kwartaal van 2021 geen collectief ontslag aangekondigd hebben of aankondigen, zoals bedoeld in artikel 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 24 van 2 oktober 1975 betreffende de informatie en raadpleging van de werknemersvertegenwoordigers met betrekking tot het collectief ontslag;
  4° hij moet gebruik maken van het geregistreerd kassasysteem, zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen, indien dit is opgelegd overeenkomstig artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;
  5° hij moet in 2021 de bepalingen naleven die opgenomen zijn in de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten bedoeld in de artikelen 12 en 13 van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk, of, bij gebreke aan dergelijke overeenkomsten, moet hij de bepalingen naleven bedoeld in de artikelen 14 en 15 van dezelfde wet evenals deze in het koninklijk besluit van 5 december 2017 houdende uitvoering van afdeling 1 van hoofdstuk 2 van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk, voor zover deze op hem van toepassing zijn.

  Art. 21. De sociaal inspecteurs van de volgende diensten of instellingen zijn belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk:
  1° de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  2° het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen;
  3° de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
  4° de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
  5° de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
  6° het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering.
  De sociaal inspecteurs beschikken over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 23 tot 39 en 43 tot 49 van het Sociaal Strafwetboek wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk.

  Art. 22. In artikel 336 van de programmawet (I) van 24 december 2002 betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "of G16" worden telkens vervangen door de woorden ", G16 of G17";
  2° de zin "Artikel 337 is niet van toepassing." wordt aangevuld met de volgende zin: "G17 is gelijk aan 2 400 euro.".

  Art. 23. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2021.

  TITEL 5. - Werk

  Hoofdstuk 1. - Toekenning van een vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen bestemd voor het wettelijk vakantiestelsel voor handarbeiders aan de werkgevers die handarbeiders tewerkstellen die onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf (PC 302) vallen, en tot toekenning van een toelage aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie

  Art. 24. In artikel 38, § 3, 8°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 96 van 28 september 1982 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 juni 2015, wordt tussen het tweede en het derde lid, een lid ingevoegd, luidende:
  "Wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf (PC 302) vallen wordt, voor de vier kwartalen van 2020, het bijdragepercentage van 15,84 pct., bedoeld in het tweede lid, vervangen door het bijdragepercentage van 5,57 pct. en het gedeelte begrepen in deze bijdrage dat slechts jaarlijks gestort wordt in de loop van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar wordt vastgesteld op 0,00 pct.".

  Art. 25. Een toelage die in de begroting van de FOD Sociale Zekerheid is opgenomen, wordt aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie toegekend voor het jaar 2021 ter compensatie van de vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen bestemd voor het wettelijk vakantiestelsel voor de handarbeiders die onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf (PC 302) vallen voorzien in artikel 38, § 3, 8°, derde lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
  Het bedrag van deze toelage wordt vastgesteld op 110 000 000 euro.
  Het in het tweede lid bedoelde bedrag wordt uiterlijk op 31 juli 2021 aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie betaald.

  Art. 26. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 15 juni 2021.

  Hoofdstuk 2. - Uitbreiding van de mogelijkheid tot studentenarbeid door de tijdens het derde kwartaal 2021 gepresteerde uren te neutraliseren

  Art. 27. In afwijking van artikel 17bis, paragrafen 1 en 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden de tijdens het derde kwartaal van 2021 gepresteerde uren niet in aanmerking genomen voor de berekening van het jaarlijkse contingent van 475 uren.

  Art. 28. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2021.

  Hoofdstuk 3. - Specifieke maatregelen voor de sector van de dienstencheques

  Art. 29. § 1. Onverminderd de verplichtingen inzake preventie, veiligheid en bescherming op het werk, voorzien de werkgevers die werknemers tewerkstellen met een arbeidsovereenkomst dienstencheques zoals bedoeld in hoofdstuk II van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, hun werknemers minstens van volgende materialen:
  1° hetzij, per week, wegwerp mondmaskers waarvan het aantal minstens gelijk is aan het aantal werkplaatsen waar de werknemer gedurende één dag tewerkgesteld wordt, verhoogd met het aantal extra wegwerp mondmaskers per prestatie van meer dan 4 uur op dezelfde werkplaats;
  hetzij een set herbruikbare mondmaskers, waarvan het aantal minstens gelijk is aan het aantal werkplaatsen waar de werknemer per week werkzaam is, verhoogd met het aantal extra herbruikbare mondmaskers per prestatie van meer dan 4 uur op dezelfde werkplaats.
  Herbruikbare mondmaskers worden ten minste om de 15 weken vernieuwd of, op verzoek van de werknemer, in geval van slijtage of verslechtering;
  2° desinfecterende gel of een gelijkaardig product om de handen te kunnen ontsmetten voor, tijdens en na de verschillende prestaties.
  § 2. Wanneer de werknemer vaststelt dat hij het werk niet in veilige omstandigheden kan aanvatten of verderzetten omdat de preventiemaatregelen bedoeld in artikel 2, § 2, van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken niet worden toegepast, verwittigt hij zijn werkgever hiervan onmiddellijk en heeft hij het recht om zijn prestaties op te schorten zolang de situatie aanhoudt. Indien de situatie op korte termijn niet opgelost kan worden, heeft de werknemer, met het akkoord van zijn werkgever, het recht om de arbeidsplaats te verlaten. De werknemer heeft in elk geval het recht om de werkplaats te verlaten indien de situatie langer dan de helft van de voorziene prestatietijd duurt.

  Art. 30. In artikel 238, eerste lid, van het Sociaal Strafwetboek wordt de eerste zin aangevuld met de volgende woorden: "of artikel 29 van de wet van 4 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie".

  Art. 31. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en houdt op uitwerking te hebben op 30 september 2021.
  De Koning kan de datum van uitwerkingtreding met drie maanden uitstellen via een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 4 juli 2021.
FILIP
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
A. DE CROO
De Minister van Economie en Werk,
P.-Y. DERMAGNE
De Minister van Financiën,
V. VAN PETEGHEM
De Minister van Sociale Zaken,
Fr. VANDENBROUCKE
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
V. VAN QUICKENBORNE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) : Stukken : 55-2002 Integraal verslag : 1 juli 2021.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie