J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2020/06/12/2020202545/justel

Titel
12 JUNI 2020. - Wet betreffende werk in de visserijsector

Bron :
WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG.SOCIALE ZEKERHEID.JUSTITIE.MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 16-06-2020 nummer :   2020202545 bladzijde : 43591       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2020-06-12/03
Inwerkingtreding : 26-06-2020

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :2003012246        2010A09589        2017030001       

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
Art. 1-3
HOOFDSTUK 2. - Definities
Art. 4
HOOFDSTUK 3. - Toepassingsgebied
Afdeling 1. - Vissersschepen
Art. 5
Afdeling 2. - Vissers
Art. 6-8
TITEL 2. - Het visserij-arbeidscertificaat voor de vissersschepen die de Belgische vlag voeren
HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied
Art. 9
HOOFDSTUK 2. - Het visserij-arbeidscertificaat
Art. 10-25
HOOFDSTUK 3. - Maatregelen voor de bekendmaking
Art. 26-27
TITEL 3. - Inspecties
HOOFDSTUK 1. - Inspecties van de vissersschepen die de Belgische vlag voeren
Afdeling 1. - Inspecties buiten certificatie
Onderafdeling 1. - Periodieke inspecties
Art. 28-29
Onderafdeling 2. - Andere soorten inspecties
Art. 30-31
Afdeling 2. - Inspecties met het oog op certificatie
Art. 32-36
HOOFDSTUK 2. - Inspecties van de vissersschepen die een vreemde vlag voeren
Art. 37-40
HOOFDSTUK 3. - De aangewezen ambtenaren
Art. 41-43
HOOFDSTUK 4. - Machtiging van de erkende organisaties
Art. 44
HOOFDSTUK 5. - Rapporteringplicht
Afdeling 1. - Bepalingen van toepassing op de inspecties van vissersschepen die de Belgische vlag voeren
Art. 45-50
Afdeling 2. - Bepalingen van toepassing op de inspecties van vissersschepen die een vreemde vlag voeren
Art. 51-52
HOOFDSTUK 6. - Plichten tot vertrouwelijkheid en geheimhouding
Art. 53-54
TITEL 4. - Maatregelen die kunnen worden voorgeschreven in geval van vaststelling van overtreding
HOOFDSTUK 1. - Ten aanzien van vissersschepen die de Belgische vlag voeren
Art. 55
HOOFDSTUK 2. - Ten aanzien van vissersschepen die een vreemde vlag voeren
Art. 56-57
HOOFDSTUK 3. - Beroep tegen de beslissingen
Art. 58
TITEL 5. - Verplichting tot zorgvuldigheid van de aangewezen ambtenaren en van de erkende organisaties
Art. 59
TITEL 6. - Klachtenprocedures van de vissers
HOOFDSTUK 1. - Klachten betreffende de werk- en leefomstandigheden aan boord van het vissersschip
Art. 60-61
HOOFDSTUK 2. - Behandeling van de klachten
Art. 62-64
HOOFDSTUK 3. - Specifieke bepaling voor de vissersschepen die de Belgische vlag voeren
Afdeling 1. - Informatie
Art. 65
Afdeling 2. - Bescherming in geval van klacht ingediend door een visser werkzaam aan boord van een vissersschip dat de Belgische vlag voert
Art. 66
TITEL 7. - Strafrechtelijke bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Aan boord van vissersschepen die de Belgische vlag voeren
Art. 67
HOOFDSTUK 2. - Aan boord van vissersschepen die een vreemde vlag voeren
Art. 68
HOOFDSTUK 3. - Aan boord van vissersschepen ongeacht de Staat van hun vlag
Art. 69-70
HOOFDSTUK 4. - Regels van toepassing op de strafsancties
Art. 71-74
TITEL 8. - Vergoedingen en reiskosten
Art. 75-76
TITEL 9. - Wijzigende bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser
Art. 77-89
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Sociaal strafwetboek
Art. 90-96
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten
Art. 97
TITEL 10. - Inwerkingtreding
Art. 98

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - Algemene bepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  Art. 2. Deze wet zet de richtlijn (EU) 2017/159 van de Raad van 19 december 2016 tot uitvoering van de op 21 mei 2012 door het Algemeen Comité van de landbouwcoöperaties van de Europese Unie (COGECA), de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) en de Vereniging van de nationale organisaties van visserijondernemingen in de Europese Unie (Europêche) gesloten Overeenkomst betreffende de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie uit 2007 gedeeltelijk om.

  Art. 3. Deze wet heeft tot doel een systeem te creëren om de naleving te waarborgen van het op 21 mei 2012 door het Algemeen Comité van de landbouwcoöperaties van de Europese Unie (COGECA), de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) en de Vereniging van de nationale organisaties van visserijondernemingen in de Europese Unie (Europêche) gesloten Overeenkomst betreffende de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie uit 2007 en van de wettelijke, reglementaire en conventionele bepalingen tot uitvoering ervan in het interne rechtsbestel, meer bepaald door regelmatige inspecties, door de invoering van een systeem van certificatie, door de opstelling van verslagen, door opvolgingsmaatregelen en door een doeltreffend sanctiesysteem.

  HOOFDSTUK 2. - Definities

  Art. 4. Voor de toepassing van deze wet verstaat men onder:
  1° "de richtlijn 2017/159": de richtlijn 2017/159 van de Raad van 19 december 2016 tot uitvoering van de op 21 mei 2012 door het Algemeen Comité van de landbouwcoöperaties van de Europese Unie (COGECA), de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) en de Vereniging van de nationale organisaties van visserijondernemingen in de Europese Unie (Europêche) gesloten Overeenkomst betreffende de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie uit 2007.
  2° "de Overeenkomst": de op 21 mei 2012 door werkgevers en werknemers ("de sociale partners") op het niveau van de Unie in de zeevisserijsector, namelijk het Algemeen Comité van de landbouwcoöperaties van de Europese Unie (COGECA), de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) en de Vereniging van de nationale organisaties van visserijondernemingen in de Europese Unie (Europêche), gesloten Overeenkomst betreffende de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie uit 2007;
  3° "commerciële zeevisserij": alle visserijoperaties op zee, uitgezonderd wanneer het gaat om vissen voor het eigen levensonderhoud of om sportvissen;
  4° "vissersschip dat de Belgische vlag voert": elk schip dat doelmatig op zee wordt ingezet voor de commerciële zeevisserij, en dat als dusdanig voorkomt op de officiële lijst van Belgische vissersschepen, jaarlijks uitgegeven door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, Directoraat-generaal Scheepvaart;
  5° "vissersschip dat de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voert": elk schip of boot die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voert of onder de volledige rechtsmacht van een lidstaat geregistreerd is, van welke aard ook en ongeacht de eigendomsvorm, en dat gebruikt wordt of bestemd is om gebruikt te worden voor de commerciële zeevisserij;
  6° "vissersschip dat een vreemde vlag voert": elk schip of boot die de vlag van een vreemde Staat, een lidstaat van de Europese Unie inbegrepen, voert, van welke aard ook en ongeacht de eigendomsvorm, en dat gebruikt word of bestemd is om gebruikt te worden voor de commerciële zeevisserij;
  7° "de aangewezen ambtenaar": de ambtenaar, aangewezen door de Koning, belast met het toezicht van de naleving op de wet en haar uitvoeringsbesluiten;
  8° "reder": eigenaar van het vissersschip of elke andere instelling of persoon, zoals de scheepsuitbater, de agent of de rompbevrachter, aan wie de eigenaar de verantwoordelijkheid voor de uitbating van het vissersschip heeft toevertrouwd en die, bij het opnemen van die verantwoordelijkheid, aanvaard heeft om de taken en verplichtingen die krachtens deze wet aan de reders zijn opgelegd, op zich te nemen, los van het feit dat andere instellingen of personen zich in zijn naam van sommige van die taken of verantwoordelijkheden kwijten.
  9° "schipper": gezagvoerder aan boord van het vissersschip;
  10° "vertegenwoordigers van de vissers en van de reders": de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers uit de visserijsector;
  11° "Directoraat-generaal Scheepvaart": Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
  12° "Nationale bepalingen": de Belgische en in België van kracht zijnde internationale bepalingen;
  13° "erkende organisatie": de organisatie erkend in de zin van het koninklijk besluit van 13 maart 2011 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor de met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties.

  HOOFDSTUK 3. - Toepassingsgebied

  Afdeling 1. - Vissersschepen

  Art. 5. § 1 Behalve voor de uitzonderingen waarin deze wet voorziet, is zij van toepassing op alle vissersschepen die bij commerciële zeevisserij betrokken zijn.
  § 2. Ingeval van twijfel over de toepasbaarheid van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten op een vissersschip dat de Belgische vlag voert of een categorie van vissersschepen die de Belgische vlag voeren, wordt de beslissing genomen door het Directoraat-generaal Scheepvaart na raadpleging van het betrokken paritair comité.
  § 3. Voor de vissersschepen die de vlag van een andere Staat dan de Belgische Staat voeren, worden uitsluitingen van bepaalde categorieën vissersschepen krachtens de Overeenkomst of een geldend internationaal instrument alleen in aanmerking genomen indien zij in een door de betrokken vlaggenstaat afgegeven document zijn vermeld.
  § 4. Het vissersschip dat de vlag voert van een Staat die de richtlijn 2017/159 niet heeft omgezet en/of de internationale verdragen betreffende de werk- en leefomstandigheden van de vissers aan boord van vissersschepen niet heeft geratificeerd kan niet rekenen op een gunstigere behandeling dan het vissersschip dat de vlag voert van een Staat die de richtlijn 2017/159 wel heeft omgezet en/of de internationale verdragen betreffende de werk- en leefomstandigheden van de vissers aan boord van vissersschepen wel heeft geratificeerd.

  Afdeling 2. - Vissers

  Art. 6. Aan boord van de vissersschepen die de Belgische vlag voeren is deze wet enkel van toepassing ten aanzien van de zeevisser zoals bedoeld in de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser.
  De reder moet garanderen dat de personen die tewerkgesteld zijn, in dienst genomen zijn of in enige hoedanigheid werkzaamheden verrichten aan boord van een vissersschip, genieten van gelijkwaardige arbeids- en leefomstandigheden aan deze van de vissers bedoeld in het eerste lid.

  Art. 7. med. Deze wet is niet van toepassing op de havenloodsen en op het walpersoneel dat werkzaamheden verricht aan boord van een vissersschip aan de kade.

  Art. 8. Voor de vissersschepen die een vreemde vlag voeren, dient als visser beschouwd te worden, elke persoon die tewerkgesteld is, in dienst genomen is of in enige hoedanigheid werkzaamheden verricht aan boord van een vissersschip, tenzij de bevoegde autoriteit waarvan het vissersschip de vlag voert, bevestigt dat het bepaalde categorieën vissers op grond van een internationaal instrument en/of, voor de vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voert, op grond van de Overeenkomst heeft uitgesloten.

  TITEL 2. - Het visserij-arbeidscertificaat voor de vissersschepen die de Belgische vlag voeren

  HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied

  Art. 9. Elk vissersschip dat de Belgische vlag voert dat langer dan 3 etmalen op zee blijft en dat:
  a) een lengte heeft gelijk aan of langer dan 24 meter, of
  b) gewoonlijk méér dan 200 zeemijl uit de kust of voorbij de buitenste rand van het continentaal plat vaart als dat verder van de kustlijn is gelegen,
  bewaart aan boord een visserij-arbeidscertificaat en houdt die bij.

  HOOFDSTUK 2. - Het visserij-arbeidscertificaat

  Art. 10. Het visserij-arbeidscertificaat staaft dat de leef- en arbeidsomstandigheden van de vissers, met inbegrip de maatregelen genomen om de voortdurende conformiteit te waarborgen met de nationale bepalingen tot omzetting van de vereisten van de Overeenkomst, het voorwerp hebben uitgemaakt van een inspectie en beantwoorden aan de nationale bepalingen tot omzetting van de vereisten van de Overeenkomst.

  Art. 11. Het certificaat wordt in het Frans of het Nederlands, naar keuze van de reder, en in het Engels opgesteld.

  Art. 12. Het visserij-arbeidscertificaat moet door de aangewezen ambtenaar worden afgeleverd of vernieuwd wanneer, ingevolge een inspectie bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 1 van titel 3, wordt vastgesteld dat het vissersschip de nationale bepalingen tot omzetting van de vereisten van de Overeenkomst in de volgende gebieden naleeft of blijft naleven:
  1° de minimumleeftijd van de personen tewerkgesteld of in dienst genomen of werkend aan boord van het vissersschip;
  2° het medisch onderzoek en het medisch certificaat;
  3° de bemanning;
  4° de rusttijden;
  5° de bemanningslijst;
  6° de arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst voor de zeevisserij;
  7° de repatriëring;
  8° het beroep op elke aanwervings- of arbeidsbemiddelingsdienst;
  9° het loon;
  10° de huisvesting;
  11° de voeding en de catering;
  12° de medische zorgen aan boord;
  13° de veiligheid en gezondheid op het werk en preventie van arbeidsongevallen;
  14° de sociale zekerheid;
  15° de bescherming bij werkgerelateerde ziekte, verwonding of overlijden.

  Art. 13. Na een gunstige tussentijdse inspectie bedoeld in de artikelen 35 en 36 brengt de aangewezen ambtenaar of de erkende organisatie zijn visum op het visserij-arbeidscertificaat.

  Art. 14. De geldigheidsduur van het visserij-arbeidscertificaat mag een periode van vijf jaar niet overschrijden.

  Art. 15. De aanvraag tot vernieuwing van het visserij-arbeidscertificaat dient ten vroegste vier maanden voor de vervaldatum van het huidige certificaat worden ingediend.
  De inspectie, bedoeld in artikel 37, met het oog op de vernieuwing van het visserij-arbeidscertificaat, dient uitgevoerd te worden binnen de drie maanden vóór de vervaldatum van het huidige certificaat.

  Art. 16. Het nieuwe visserij-arbeidscertificaat is geldig voor een periode die de vijf jaar niet overschrijdt te rekenen vanaf de datum waarop de inspectie, met het oog op de vernieuwing van het visserij-arbeidscertificaat, heeft plaatsgehad.

  Art. 17. Een visserij-arbeidscertificaat kan ten voorlopige titel in drie gevallen worden verstrekt:
  1° aan de nieuwe vissersschepen, bij de levering ervan;
  2° wanneer een vissersschip omvlagt naar de Belgische vlag;
  3° wanneer een reder de exploitatie van een vissersschip, dat voor hem nieuw is, voor zijn rekening neemt.

  Art. 18. Het visserij-arbeidscertificaat mag ten voorlopige titel slechts worden afgeleverd voor een duur, die de zes maanden niet overschrijdt.

  Art. 19. Het visserij-arbeidscertificaat mag ten voorlopige titel slechts worden afgeleverd, indien werd vastgesteld dat de volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn:
  1° het vissersschip werd geïnspecteerd, voor zover dit redelijkerwijze mogelijk is, ten opzichte van de nationale bepalingen die betrekking hebben op de gebieden opgesomd in artikel 12, rekening houdend met de controle van de elementen bedoeld in de bepalingen onder 2° en 6°;
  2° de reder heeft aangetoond dat aan boord passende procedures worden toegepast om de naleving van de nationale bepalingen tot uitvoering van de vereisten van de Overeenkomst te waarborgen.

  Art. 20. De aflevering van een visserij-arbeidscertificaat met een geldigheidsduur van vijf jaar is afhankelijk van de uitvoering van een volledige inspectie, zoals voorzien in afdeling 2 van hoofdstuk 1 van titel 3, vóór de vervaldatum van het certificaat afgeleverd ten voorlopige titel.

  Art. 21. Er wordt geen enkel nieuw visserij-arbeidscertificaat ten voorlopige titel afgeleverd na de in artikel 19 bedoelde eerste periode van zes maanden.

  Art. 22. Het visserij-arbeidscertificaat, zelfs indien het ten voorlopige titel werd afgeleverd, verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
  1° de tussentijdse inspectie bedoeld in artikelen 35 en 36 werd niet binnen de vastgestelde termijnen uitgevoerd, tenzij door omstandigheden buiten de wil van de reder;
  2° het visserij-arbeidscertificaat werd na een gunstige tussentijdse inspectie niet geviseerd overeenkomstig artikel 13;
  3° bij omvlagging van het vissersschip;
  4° de reder houdt op om de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het vissersschip op zich te nemen;
  5° belangrijke wijzigingen werden aangebracht aan het vissersschip betreffende de huisvesting.
  In het geval het certificaat zijn geldigheid verliest omwille van het de bepaling 3°, 4° of 5° bedoelde geval, wordt het nieuwe certificaat slechts afgegeven wanneer de aangewezen ambtenaar die het afgeeft, er volledig van overtuigd is dat het vissersschip conform is met de vereisten betreffende de domeinen vermeld in artikel 12.

  Art. 23. De aangewezen ambtenaar kan het visserij-arbeidscertificaat intrekken, indien blijkt dat het vissersschip de nationale bepalingen tot omzetting van de bepalingen van de Overeenkomst in de gebieden bepaald in artikel 12 niet naleeft en dat de tekortkomingen vastgesteld door de aangewezen ambtenaar of de erkende organisatie, bedoeld in artikel 44, die de inspectie heeft uitgevoerd, niet op bevredigende wijze werden verholpen.

  Art. 24. Wanneer de aangewezen ambtenaar de intrekking van een certificaat overweegt, moet hij rekening houden met de ernst en/of de frequentie van de tekortkomingen en dient hij de reder te horen.

  Art. 25. De Koning bepaalt :
  1° het model van het visserij-arbeidscertificaat bedoeld in artikel 10 alsmede de vermeldingen die er moeten voorkomen;
  2° het model van het visserij-arbeidscertificaat dat ten voorlopige titel wordt afgeleverd, zoals bedoeld in artikel 17, en de vermeldingen die er moeten voorkomen;
  3° de overheid welke bevoegd is voor de afgifte van een certificaat.

  HOOFDSTUK 3. - Maatregelen voor de bekendmaking

  Art. 26. Een kopie van het visserij-arbeidscertificaat wordt goed zichtbaar aangeplakt op een plaats die toegankelijk is voor de vissers.

  Art. 27. Op verzoek van de vissers, de aangewezen ambtenaren, de erkende organisaties, de bevoegde ambtenaren van de havenstaat en de vertegenwoordigers van de vissers en van de reders bezorgt de reder een kopie van het visserij-arbeidscertificaat.

  TITEL 3. - Inspecties

  HOOFDSTUK 1. - Inspecties van de vissersschepen die de Belgische vlag voeren

  Afdeling 1. - Inspecties buiten certificatie

  Onderafdeling 1. - Periodieke inspecties

  Art. 28. Onverminderd de inspectiebevoegdheden van de aangewezen ambtenaren krachtens andere wettelijke en reglementaire bepalingen, zijn alle vissersschepen die de Belgische vlag voeren, die al dan niet gehouden zijn tot certificatie, onderworpen aan periodieke inspecties om te garanderen dat de arbeids- en leefomstandigheden van vissers aan boord van vissersschepen die de Belgische vlag voeren, voldoen aan de nationale bepalingen die de domeinen bedoeld in artikel 12 regelen en hieraan blijven voldoen.

  Art. 29. Periodieke inspecties worden in principe aangekondigd, tenzij een dergelijke aankondiging de effectiviteit van de inspectie kan benadelen.

  Onderafdeling 2. - Andere soorten inspecties

  Art. 30. Onverminderd de inspectiebevoegdheden van de aangewezen ambtenaren krachtens andere wettelijke en reglementaire bepalingen, kunnen alle vissersschepen die de Belgische vlag voeren, ongeacht of ze al dan niet gehouden zijn tot certificatie, ook het voorwerp zijn van punctuele inspecties, gerichte inspecties of inspecties naar aanleiding van een klacht.
  Onder "punctuele inspectie" wordt verstaan de inspectie die geen periodieke inspectie is en die bestemd is om na te gaan of het vissersschip dat de Belgische vlag voert, voldoet aan de nationale bepalingen tot omzetting van de vereisten van de Overeenkomst.
  Onder "gerichte inspectie" wordt verstaan de inspectie in verband met een specifiek probleem of een type vissersschip.
  Onder "inspectie naar aanleiding van een klacht" wordt verstaan de inspectie uitgevoerd naar aanleiding van een klacht zoals bedoeld in Titel 6.

  Art. 31. De aangewezen ambtenaar beslist of hij al dan niet de in artikel 30 bedoelde inspecties aankondigt en bepaalt, in functie van de omstandigheden, de omvang van de inspectie.

  Afdeling 2. - Inspecties met het oog op certificatie

  Art. 32. De inspectie van de vissersschepen die de Belgische vlag voeren die gehouden zijn tot certificatie, moet volledig zijn en voorafgaan aan de aflevering van het visserij-arbeidscertificaat en moet betrekking hebben op de gebieden die in artikel 12 van deze wet zijn opgesomd.

  Art. 33. Voor de vissersschepen die de Belgische vlag voeren die vóór de inwerkingtreding van deze wet werden gebouwd, blijven de bepalingen betreffende de bouw en de uitrusting van de schepen van toepassing zoals bepaald in het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.

  Art. 34. Er moet minstens een tussentijdse inspectie worden uitgevoerd om na te gaan of de nationale bepalingen tot omzetting van de vereisten van de Overeenkomst nog steeds worden nageleefd.
  Indien één enkele tussentijdse inspectie wordt uitgevoerd, moet deze plaatshebben tussen de tweede en de derde verjaardag van de datum waarop het visserij-arbeidscertificaat werd opgesteld.
  Onder de verjaardag verstaat men de dag en de maand van elk jaar die overeenkomen met de vervaldatum van het visserij-arbeidscertificaat.

  Art. 35. De tussentijdse inspectie is even uitgebreid en grondig als de inspecties die worden uitgevoerd met het oog op de vernieuwing van het visserij-arbeidscertificaat.

  Art. 36. De inspectie met het oog op de vernieuwing van het visserij-arbeidscertificaat heeft betrekking op de nationale bepalingen tot omzetting van de vereisten van de Overeenkomst die het voorwerp zijn van de inspectie voorafgaand aan de aflevering van een eerste visserij-arbeidscertificaat.

  HOOFDSTUK 2. - Inspecties van de vissersschepen die een vreemde vlag voeren

  Art. 37. Elk vissersschip, dat de vlag voert van een vreemde Staat en dat een Belgische haven aandoet tijdens zijn gewone activiteit of om een reden inherent aan de exploitatie, of die zich in de Belgische territoriale wateren bevindt, kan worden geïnspecteerd van zodra:
  1° er bewijzen zijn dat het vissersschip niet voldoet aan de vereisten van de van kracht zijnde internationale instrumenten betreffende de werk- en leefomstandigheden van vissers en/of, voor vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren, aan de vereisten van de Overeenkomst; of
  2° een klacht is ingediend wegens het niet-voldoen aan de vereisten van de van kracht zijnde internationale instrumenten die van toepassing zijn op vissersschepen met betrekking tot de werk- en leefomstandigheden van vissers en/of, voor vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren, aan de vereisten van de Overeenkomst.

  Art. 38. Onverminderd de in artikel 40 omschreven gevallen en de bevoegdheden van de havenstaat voorzien door de Belgische en internationale bepalingen inzake havenstaatcontrole, blijft de inspectie van vissersschepen die een vreemde vlag voeren, beperkt tot een inspectie van de door de bevoegde autoriteit af te geven documenten waaruit blijkt dat het vissersschip door of namens de bevoegde autoriteit is geïnspecteerd, om na te gaan of het visserschip in overeenstemming is met de bepalingen van de van kracht zijnde internationale instrumenten inzake de werk- en leefomstandigheden van vissers en/of, met de vereisten van de overeenkomst voor de vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren, met de vereisten van de overeenkomst.
  De inspectie wordt uitgevoerd door de aangewezen ambtenaar, nadat deze aan boord van het vissersschip is gegaan.

  Art. 39. § 1. De aangewezen ambtenaar kan tot een gedetailleerde inspectie overgaan om te controleren of de werk- en leefomstandigheden aan boord van het vissersschip nageleefd worden, wanneer hij bij een inspectie bedoeld in artikel 38, vaststelt dat:
  1° de vereiste documenten niet worden voorgelegd, of niet bijgehouden of bedrieglijk werden opgesteld, of dat de documenten niet de informatie bevatten die wordt vereist door een geldend internationaal instrument betreffende de werk- en leefomstandigheden van vissers en/of, voor vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren, door de Overeenkomst, of om enige andere reden niet geldig zijn; of
  2° er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de werk- en leefomstandigheden aan boord van het vissersschip niet overeenstemmen met de vereisten van een geldend internationaal instrument betreffende de werk- en leefomstandigheden van vissers en/of, in het geval van vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren, met de vereisten van de Overeenkomst; of
  3° er redelijke motieven bestaan om aan te nemen dat het vissersschip werd omgevlagd teneinde te ontsnappen aan de verplichting om zich te schikken naar de vereisten van de van kracht zijnde internationale instrumenten betreffende de werk- en leefomstandigheden van de vissers en/of, voor vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren, naar de vereisten van de 0vereenkomst.
  § 2. De aangewezen ambtenaar moet overgaan tot een gedetailleerde inspectie:
  1° indien wordt vastgesteld dat de werk- en leefomstandigheden waarvan geoordeeld of aangevoerd wordt niet overeen te stemmen met de vereisten van een geldend internationaal instrument betreffende de werk- en leefomstandigheden van vissers en/of, voor de vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren, met de vereisten van de Overeenkomst, een reëel gevaar kunnen betekenen voor de veiligheid, de gezondheid of de beveiliging van de vissers, of
  2° wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat elke tekortkoming een ernstige inbreuk is op de vereisten van een geldend internationaal instrument betreffende de arbeids- en levensomstandigheden van vissers en/of, voor de vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren, op de vereisten van de Overeenkomst.

  Art. 40. De gedetailleerde inspectie in de gevallen bedoeld in artikel 39 heeft betrekking op de gebieden opgesomd in artikel 12 overeenkomstig de vereisten van geldend internationale instrumenten en/of, voor de vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren, de vereisten van de Overeenkomst.

  HOOFDSTUK 3. - De aangewezen ambtenaren

  Art. 41. Er dient een protocolakkoord afgesloten te worden tussen de leidende ambtenaren van de inspectiediensten waarbij de aangewezen ambtenaren behoren, met inbegrip van het Directoraat-generaal Scheepvaart en de Afdeling van de juridische studiën, documentatie en geschillen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
  Dit protocolakkoord betreft met name de organisatie en de coördinatie van de inspecties waaronder de verdeling van de inspectietaken evenals de voorbereiding en het verloop van de inspecties.

  Art. 42. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de aangewezen ambtenaren toezicht op:
  - de naleving van de nationale bepalingen tot omzetting van de vereisten van de Overeenkomst evenals de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan voor de vissersschepen die de Belgische vlag voeren;
  - de naleving van de internationale instrumenten betreffende de arbeids- en leefomstandigheden van de vissers aan boord van het vissersschip voor de vissersschepen die een vreemde vlag voeren en;
  - de naleving van de vereisten van de Overeenkomst voor de vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren.

  Art. 43. De aangewezen ambtenaren voeren hun opdrachten uit overeenkomstig de wetten en uitvoeringsbesluiten die de modaliteiten bepalen voor de uitoefening van hun bevoegdheden, hun rechten en hun plichten.

  HOOFDSTUK 4. - Machtiging van de erkende organisaties

  Art. 44. § 1. De Koning kan voorzien in de machtiging van erkende organisaties teneinde er op toe te zien dat de vissersschepen die de Belgische vlag voeren, de nationale bepalingen tot uitvoering van de vereisten van de Overeenkomst en van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan naleven.
  § 2. De machtiging bepaalt de omvang van de bevoegdheden van de erkende organisatie.
  Deze machtiging laat toe om minstens de verbetering te eisen van de tekortkomingen vastgesteld inzake de arbeids- en leefomstandigheden van de vissers en op dit gebied inspecties uit te voeren, indien een havenstaat hierom verzoekt.
  Wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat de tekortkomingen die zij vaststelt een ernstige inbreuk vormen op de nationale bepalingen tot omzetting van de vereisten van de Overeenkomst of een ernstig gevaar vormen voor de veiligheid, de gezondheid of de beveiliging van de vissers, stelt de erkende organisatie de aangewezen ambtenaar hiervan onmiddellijk in kennis.

  HOOFDSTUK 5. - Rapporteringplicht

  Afdeling 1. - Bepalingen van toepassing op de inspecties van vissersschepen die de Belgische vlag voeren

  Art. 45. Voor iedere inspectie uitgevoerd op vissersschepen die de Belgische vlag voeren, wordt een inspectieverslag opgesteld en aan het Directoraat-generaal Scheepvaart gezonden.

  Art. 46. Een kopie van het verslag wordt aan de reder en de schipper van het geïnspecteerde vissersschip overhandigd.

  Art. 47. De aangewezen ambtenaar of degene die namens de erkende organisatie bedoeld in artikel 44 optreedt bezorgt een kopie van het verslag aan de vertegenwoordigers van de vissers die hierom verzoeken.

  Art. 48. Het Directoraat-generaal Scheepvaart houdt een register bij van alle inspecties.
  Het houden van een register heeft tot doel:
  - per vissersschip een overzicht te hebben van de verrichte inspecties en de resultaten daarvan;
  - de verschillende controles voor te bereiden die in het kader van deze wet moeten worden uitgevoerd;
  - om de nodige lessen te trekken;
  - desgevallend, een jaarverslag op te stellen.
  De register bevat volgende gegevens:
  a) de identificatie van het geïnspecteerde vissersschip;
  b) de naam en voornaam van de inspecteur;
  c) de datum, plaats en type van de inspectie;
  d) eventueel, de resultaten van de gesprekken met de vissers aan boord van het geïnspecteerde vissersschip;
  e) informatie betreffende eventuele tekortkomingen en/of inbreuken op de wetgeving, opgelegde maatregelen en aanhouding van het vissersschip;
  f) verwijzingen van de opgestelde proces-verbalen.
  De gegevens worden geanonimiseerd voor de vissers.
  De verwerkingsverantwoordelijke is de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Scheepvaart.
  Elke aangewezen ambtenaar van het Directoraat-generaal Scheepvaart heeft toegang tot de geregistreerde gegevens en alleen voor de in dit artikel genoemde doeleinden.
  De gegevens worden gedurende 10 jaar bewaard.

  Art. 49. De schipper van het geïnspecteerde vissersschip plakt een kopie van het verslag aan op het aanplakbord van het vissersschip of stelt het elektronisch beschikbaar om de vissers in te lichten.

  Art. 50. Het resultaat van alle inspecties die op het vissersschip werden uitgevoerd en alle ernstige tekortkomingen die tijdens deze inspecties werden vastgesteld alsook de datum van de vaststelling dat de tekortkomingen werden verholpen, worden opgenomen in een document, op papier of in elektronische vorm, dat de reder aan boord van het vissersschip moet bijhouden en wordt beschikbaar gesteld aan vissers, inspecteurs van de vlaggenstaat, bevoegde officieren in havenstaten en vertegenwoordigers van de reders en vissers.
  Het document moet onmiddellijk raadpleegbaar zijn tijdens de inspecties

  Afdeling 2. - Bepalingen van toepassing op de inspecties van vissersschepen die een vreemde vlag voeren

  Art. 51. De aangewezen ambtenaar die, bij een gedetailleerde inspectie van een vissersschip dat een vreemde vlag voert en een Belgische haven aandoet, vaststelt dat de werk- en leefomstandigheden van de vissers aan boord van het vissersschip niet overeenstemmen met de voorschriften van geldend internationale instrumenten betreffende de werk- en levensomstandigheden van vissers en/of, voor de vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren, van de Overeenkomst, moet minstens:
  1° onmiddellijk de schipper van het vissersschip schriftelijk in kennis stellen van de vastgestelde tekortkomingen, van de maatregelen om deze te verhelpen en van de termijnen waarin zij moeten worden verholpen en;
  2° een inspectieverslag opstellen en naar het Directoraat-generaal Scheepvaart zenden.

  Art. 52. Wanneer de aangewezen ambtenaar tekortkomingen heeft vastgesteld die hij als voldoende ernstig beschouwt en met de schipper van het vissersschip dat een vreemde vlag voert, de passende maatregelen om deze te verhelpen en de daarvoor nodige termijnen is overeengekomen, zendt het Directoraat-generaal Scheepvaart aan de vlaggenstaat het inspectieverslag toe waarin de tekortkomingen en de goedgekeurde maatregelen om deze te verhelpen, worden beschreven. Tezelfdertijd verzoekt het Directoraat-generaal Scheepvaart de meest nabije vertegenwoordiger van de Vlaggenstaat om daarbij, zo mogelijk, aanwezig te zijn.
  Van het inspectieverslag, vermeld in het eerste lid, zendt het Directoraat-generaal Scheepvaart een kopie aan de Directeur-generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.

  HOOFDSTUK 6. - Plichten tot vertrouwelijkheid en geheimhouding

  Art. 53. De aangewezen ambtenaren en de erkende organisaties moeten de nodige maatregelen nemen om het vertrouwelijk karakter te waarborgen van de persoonsgegevens waarvan ze kennis hebben gekregen in de uitoefening van hun opdracht en om te waarborgen dat deze gegevens uitsluitend worden aangewend voor de uitoefening van hun opdracht tot toezicht.

  Art. 54. Behoudens uitdrukkelijke toestemming van de indiener van een klacht of van een aangifte betreffende:
  - een overtreding zoals bedoeld in Titel 4 van deze wet,
  - een overtreding aan de rechten van de vissers, of
  - een overtreding aan deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan,
  mogen de aangewezen ambtenaren en de erkende organisaties in geen enkel geval, zelfs niet voor de rechtbanken, de naam van de indiener van deze klacht of deze aangifte bekend maken.
  Het is de aangewezen ambtenaren en de erkende organisaties eveneens verboden aan de reder of zijn vertegenwoordiger te onthullen dat ingevolge een klacht of een aangifte een onderzoek werd ingesteld.

  TITEL 4. - Maatregelen die kunnen worden voorgeschreven in geval van vaststelling van overtreding

  HOOFDSTUK 1. - Ten aanzien van vissersschepen die de Belgische vlag voeren

  Art. 55. Onverminderd de bevoegdheid om proces-verbaal op te stellen bij vaststelling van een inbreuk op de nationale bepalingen tot omzetting van de vereisten van de Overeenkomst, van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, is de aangewezen ambtenaar gemachtigd om te eisen dat elke tekortkoming wordt verholpen en om aan een vissersschip te verbieden de haven te verlaten waar het zich op het ogenblik van de inspectie bevindt totdat de nodige maatregelen werden genomen, wanneer hij redenen heeft om aan te nemen dat de tekortkomingen een ernstige inbreuk vormen op de nationale bepalingen tot omzetting van de vereisten van de Overeenkomst, of een ernstig gevaar vormen voor de veiligheid, de gezondheid of de beveiliging van de vissers.

  HOOFDSTUK 2. - Ten aanzien van vissersschepen die een vreemde vlag voeren

  Art. 56. Onverminderd de bevoegdheid om proces-verbaal op te stellen in geval van tekortkomingen op:
  - de voorschriften van een van kracht zijnde internationale instrumenten betreffende de werk- en levensomstandigheden van vissers;
  - op de vereisten van de Overeenkomst, voor de vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren;
  - op deze wet en/of haar uitvoeringsbesluiten,
  neemt de aangewezen ambtenaar, die bij een gedetailleerde inspectie aan boord van een vissersschip die een vreemde vlag voert, bovendien vaststelt dat:
  a) de werk- en leefomstandigheden aan boord een duidelijk gevaar vormen voor de veiligheid, de gezondheid of de beveiliging van de vissers; of
  b) de tekortkoming een ernstige of herhaalde inbreuk vormt op de voorschriften van de van kracht zijnde internationale instrumenten betreffende de werk- en levensomstandigheden van vissers en/of, voor de vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren, op de vereisten van de Overeenkomst,
  de nodige maatregelen neemt om te waarborgen dat het vissersschip niet uitvaart zolang de tekortkomingen bedoeld in de punten a) en b) niet werden rechtgezet, of zolang hij geen plan heeft aanvaard om deze recht te zetten en hij niet overtuigd is dat dit plan snel zal worden uitgevoerd.

  Art. 57. Indien hij het vissersschip verbiedt uit te varen, deelt de aangewezen ambtenaar zijn beslissing onverwijld mede aan de administratie van de Vlaggenstaat. Hij nodigt een vertegenwoordiger van deze Staat uit om, indien mogelijk, aanwezig te zijn en vraagt aan de betrokken Staat een antwoord binnen een termijn die hij voorschrijft.
  Hij informeert eveneens onverwijld de vertegenwoordigers van de vissers en de reders die op het Belgisch grondgebied bestaan.

  HOOFDSTUK 3. - Beroep tegen de beslissingen

  Art. 58. Onverminderd de mogelijke rechtsmiddelen overeenkomstig andere reglementeringen, kan de reder of de schipper, die meent dat zijn rechten werden geschaad door de beslissing, genomen door de aangewezen ambtenaar overeenkomstig artikel 55 of 57 om het vissersschip te verbieden de haven te verlaten, beroep aantekenen tegen de beslissing binnen de veertien dagen volgend op de kennisgeving van de beslissing overeenkomstig de toepasselijke bepalingen.
  Het beroep wordt ingediend bij verzoekschrift gericht aan de Rijkscommissaris bij de Onderzoeksraad voor de scheepvaart en bevat de ingeroepen middelen.
  Het beroep is niet opschortend.

  TITEL 5. - Verplichting tot zorgvuldigheid van de aangewezen ambtenaren en van de erkende organisaties

  Art. 59. Alle redelijke inspanningen worden gedaan om te voorkomen dat de controles, de inspecties, de voorgeschreven maatregelen om de vastgestelde tekortkomingen te verhelpen en/of de dwangmaatregelen, ten onrechte een aanhouding of een vertraging van het vissersschip zouden veroorzaken.

  TITEL 6. - Klachtenprocedures van de vissers

  HOOFDSTUK 1. - Klachten betreffende de werk- en leefomstandigheden aan boord van het vissersschip

  Art. 60. Elke visser, aan boord van een vissersschip dat de Belgische vlag voert of die zich bevindt aan boord van een vissersschip dat een vreemde vlag voert dat een Belgische haven aandoet of die zich op de Belgische territoriale wateren bevindt kan bij de aangewezen ambtenaar een klacht indienen over elk probleem dat in hun ogen een inbreuk vormt, voor de eerste, op de nationale bepalingen tot omzetting van de vereisten van de Overeenkomst, op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en voor de tweede, op de vereisten van een geldend internationale instrument betreffende de werk- en leefomstandigheden van de vissers en/of, voor de vissers aan boord van een vissersschip die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voert, op de vereisten van de Overeenkomst.

  Art. 61. Wordt ook als klacht beschouwd en als zodanig behandeld, elke informatie verstrekt door een beroepsorganisatie, een vereniging, een vakbond of meer algemeen elke persoon die belang heeft bij de veiligheid van het vissersschip, met inbegrip van de risico's voor de veiligheid of de gezondheid van de vissers aan boord.

  HOOFDSTUK 2. - Behandeling van de klachten

  Art. 62. Tenzij hij ze kennelijk ongegrond acht dient de aangewezen ambtenaar gevolg te geven aan elke klacht.
  Een kennelijk ongegronde klacht is een klacht die duidelijk ongegrond of onrechtmatig is, en verdient dus niet grondig te worden onderzocht.
  Indien blijkt dat een klacht duidelijk ongegrond is, moeten de redenen ervan worden vastgelegd in een verslag dat aan het Directoraat-generaal Scheepvaart wordt meegedeeld.

  Art. 63. De aangewezen ambtenaar verricht een eerste onderzoek om na te gaan of de klacht daadwerkelijk betrekking heeft op de werk- en leefomstandigheden aan boord van het vissersschip.

  Art. 64. Wanneer, ten gevolge van de eerste onderzoek, de aangewezen ambtenaar besluit een inspectie aan boord van het vissersschip uit te voeren, moet hij deze beperken tot het voorwerp van de klacht, tenzij de klacht of het onderzoek ervan gegronde redenen oplevert om aan te nemen dat de werk- en leefomstandigheden aan boord van het vissersschip niet overeenstemmen:
  - met de nationale bepalingen tot uitvoering van de vereisten van de Overeenkomst, voor de vissersschepen die de Belgische vlag voeren;
  - met de vereisten van een geldend internationaal instrument betreffende de arbeids- en levensomstandigheden van vissers voor de vissersschepen die een vreemde vlag voeren, en/of,
  - met de vereisten van de Overeenkomst voor de vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren.
  In dat geval verricht de aangewezen ambtenaar een inspectie zoals bedoeld in artikel 30 voor de vissersschepen die de Belgische vlag voeren en een gedetailleerde inspectie zoals bedoeld in artikel 39 voor de vissersschepen die een vreemde vlag voeren.

  HOOFDSTUK 3. - Specifieke bepaling voor de vissersschepen die de Belgische vlag voeren

  Afdeling 1. - Informatie

  Art. 65. Een document, opgesteld in het Engels en in de werktaal van het vissersschip waarin de klachtenprocedure wordt beschreven dient aangeplakt te worden op het aanplakbord van het vissersschip of elektronisch ter beschikking te worden gesteld aan elke visser.
  Dit document moet ook de gegevens van de inspectiedienst waarbij klacht mag ingediend worden en van het Directoraat-generaal Scheepvaart vermelden.

  Afdeling 2. - Bescherming in geval van klacht ingediend door een visser werkzaam aan boord van een vissersschip dat de Belgische vlag voert

  Art. 66. § 1. Wanneer door een visser een klacht wordt ingediend, kan geen enkele nadelige maatregel ten aanzien van deze persoon worden genomen, behalve om redenen die vreemd zijn aan die klacht.
  § 2. In de zin van dit artikel wordt onder nadelige maatregel ondermeer verstaan de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden of elke andere kwaadwillige handeling, ongeacht de dader ervan, ten aanzien van de visser die klacht heeft ingediend.
  § 3. In de zin van dit artikel dient onder klacht verstaan te worden de klacht zoals bedoeld in artikelen 60 en 61, alsook een rechtsvordering ingediend door de betrokken persoon.
  § 4. Wanneer ten aanzien van de betrokken visser een nadelige maatregel werd genomen binnen een termijn van twaalf maanden volgend op het indienen van de klacht, stelt de visser de aangewezen ambtenaar bij wie de klacht werd ingediend, daarvan in kennis.

  TITEL 7. - Strafrechtelijke bepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Aan boord van vissersschepen die de Belgische vlag voeren

  Art. 67. Onverminderd de mogelijke toepassing van andere wettelijke sancties, voor elk vissersschip dat de Belgische vlag voert, wordt gestraft met een strafrechtelijke geldboete van 100 tot 1 000 euro, vermeerderd met de opdeciemen, de reder, zijn lasthebber of aangestelde en/of de schipper of zijn vertegenwoordiger die:
  1° aan boord van het vissersschip, het visserij-arbeidscertificaat niet bewaart of bijhoudt;
  2° geen kopie van het visserij-arbeidscertificaat meedeelt aan de vissers, de aangewezen ambtenaren, de erkende organisaties de vertegenwoordigers van de vissers en de reders, die hierom verzoeken;
  3° geen kopie van het visserij-arbeidscertificaat goed zichtbaar heeft aangeplakt op een plaats die toegankelijk is voor de vissers;
  4° geen kopie van het inspectieverslag op het aanplakbord heeft aangeplakt overeenkomstig de verplichting bedoeld in artikel 49;
  5° het document bedoeld in artikel 50 niet aan boord van het vissersschip bijhoudt of het niet in de voorgeschreven vorm bijhoudt of niet op zodanige wijze dat het tijdens de inspecties onmiddellijk raadpleegbaar is.
  6° de procedure niet naleeft, die aan de vissers de mogelijkheid biedt om klacht in te dienen aangaande elk probleem dat volgens hen een inbreuk vormt op de nationale bepalingen tot omzetting van de vereisten van de Overeenkomst;
  7° aan de vissers aan boord van het vissersschip niet het document overhandigt bedoeld in artikel 65 of een onvolledig document overhandigt of een document opgesteld in een andere taal dan deze opgelegd door artikel 65.

  HOOFDSTUK 2. - Aan boord van vissersschepen die een vreemde vlag voeren

  Art. 68. Voor elk vissersschip dat de vreemde vlag voert, overeenkomstig het internationaal recht, wordt gestraft met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6 000 euro, vermeerderd met de opdeciemen, de reder, zijn lasthebber of aangestelde en/of de schipper of zijn vertegenwoordiger die:
  1° op om het even welke wijze het recht verhindert van de vissers, die zich aan boord van een vissersschip bevinden dat een vreemde vlag voert, om klacht in te dienen of bij de aangewezen ambtenaar een overtreding van de vereisten van een internationaal instrument betreffende de werk- en leefomstandigheden van de vissers te melden en/of, voor de vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese unie voeren, van de vereisten van de Overeenkomst;
  2° die een overtreding begaat aan de vereisten van een geldend internationaal instrument betreffende de werk- en leefomstandigheden van de vissers en/of, voor de vissersschepen die de vlag van een lidstaat van de Europese unie voeren, van de vereisten van de Overeenkomst.

  HOOFDSTUK 3. - Aan boord van vissersschepen ongeacht de Staat van hun vlag

  Art. 69. Wordt gestraft met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6 000 euro, vermeerderd met de opdeciemen, de reder, zijn lasthebber of aangestelde en/of de schipper of zijn vertegenwoordiger die een vissersschip, ongeacht de Staat van de vlag, laat varen niettegenstaande het verbod om de haven te verlaten zoals beslist door de aangewezen ambtenaar.

  Art. 70. Onverminderd de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek en van de artikelen 22 en 28 van de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid van de schepen, wordt gestraft met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6 000 euro, vermeerderd met de opdeciemen, elke persoon die het toezicht, georganiseerd krachtens deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, verhindert.

  HOOFDSTUK 4. - Regels van toepassing op de strafsancties

  Art. 71. De straffen bepaald bij deze wet ten aanzien van de schipper kunnen worden verminderd tot een vierde van deze waartoe de reder kan worden veroordeeld, indien bewezen is dat de schipper het schriftelijk of mondeling bevel van die reder heeft ontvangen om in strijd met deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan te handelen.

  Art. 72. Bij herhaling binnen het jaar volgend op een veroordeling voor een inbreuk op de bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, kan de straf op het dubbele van het maximum worden gebracht.
  Hoofdstuk van Boek 1 van het Strafwetboek is niet van toepassing op de inbreuken opgenomen in deze Titel.

  Art. 73. Hoofdstukken VI en VII van Boek 1 van het Strafwetboek zijn van toepassing op de inbreuken opgenomen in deze Titel.

  Art. 74. Indien er verzachtende omstandigheden zijn, kan de geldboete worden verminderd tot beneden het minimumbedrag vermeld door de wet, zonder dat zij evenwel lager mag zijn dan 40 procent van het voorgeschreven minimumbedrag.

  TITEL 8. - Vergoedingen en reiskosten

  Art. 75. De Koning bepaalt de vergoedingen die kunnen worden geïnd uit hoofde van de certificatieprocedure en de inspectie aan een vissersschip, alsmede van elke tussenkomst, uitgevoerd door de aangewezen ambtenaar in het kader van de functies die hem door deze wet of uitvoeringsbesluiten ervan zijn opgelegd. Deze komen ten laste van de reder.

  Art. 76. Indien een inspectie buiten België noodzakelijk blijkt te zijn, komen de reis- en verblijfkosten van de aangewezen ambtenaren die deze uitvoeren, ten laste van de reder.

  TITEL 9. - Wijzigende bepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser

  Art. 77. In de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser wordt een artikel 1/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 1/1. Deze wet zet de richtlijn (EU) 2017/159 van de Raad van 19 december 2016 tot uitvoering van de op 21 mei 2012 door het Algemeen Comité van de landbouwcoöperaties van de Europese Unie (COGECA), de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) en de Vereniging van de nationale organisaties van visserijondernemingen in de Europese Unie (Europêche) gesloten Overeenkomst betreffende de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie uit 2007 gedeeltelijk om.".

  Art. 78. In artikel 2 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) In de bepaling onder 1° worden de woorden ", waarvoor door de bevoegde dienst voor de zeevisserij een visvergunning werd afgeleverd" opgeheven;
  b) De bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt:
  "2° "de reder": eigenaar van het vissersschip of elke andere instelling of persoon, zoals de scheepsuitbater, de agent of de rompbevrachter, aan wie de eigenaar de verantwoordelijkheid voor de uitbating van het vissersschip heeft toevertrouwd en die, bij het opnemen van die verantwoordelijkheid, aanvaard heeft om de taken en verplichtingen die krachtens deze wet en de Overeenkomst, aan de reders zijn opgelegd, op zich te nemen, los van het feit dat andere instellingen of personen zich in zijn naam van sommige van die taken of verantwoordelijkheden kwijten;";
  c) in de bepaling onder 3° worden de woorden "in uitvoering van een arbeidsovereenkomst met de reder gesloten. "opgeheven;
  d) hetzelfde artikel wordt aangevuld met de bepaling onder 3°/1, luidende:
  "3°/1 "de schipper": gezagvoerder aan boord van de vissersschip;".

  Art. 79. In artikel 9, § 2 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt, "de naam en de voornamen, het rijksregisternummer voor de zeevissers die ingeschreven zijn in het rijksregister, de geboorteplaats en de geboortedatum of leeftijd indien de geboortedatum niet gekend is van de zeevissers die niet in het rijksregister ingeschreven zijn, de woonplaats en het erkenningsnummer van de zeevisser;";
  b) dezelfde paragraaf wordt aangevuld met de bepalingen onder 8° en 9°, luidende:
  "8° de levensmiddelen en drinkwater die aan de zeevisser moeten worden verstrekt;
  9° de minimale duur van de rusttijden.".

  Art. 80. Artikel 9 van dezelfde wet wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
  " § 4. De zeevisser moet de gelegenheid hebben de overeenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij te bestuderen en hieromtrent advies in te winnen alvorens tot ondertekening over te gaan, en toegang krijgen tot alle andere middelen die noodzakelijk zijn om te verzekeren dat hij zich vrijwillig verbond met voldoende begrip van zijn rechten en zijn verplichtingen.

  Art. 81. "Artikel 11 wordt aangevuld met een lid luidende:
  "De reder zorgt ervoor dat elke zeevisser in bezit is van een overeenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten."

  Art. 82. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 24/1, luidende :
  "Art. 24/1. Onder de voorwaarden vastgesteld door de Koning, dient de reder levensmiddelen met een voldoende voedingswaarde, van toereikende kwaliteit en kwantiteit en drinkwater van toereikende kwaliteit en kwantiteit ter beschikking van de zeevissers te stellen.
  De levensmiddelen en drinkwater moeten door de reder worden verstrekt zonder kosten voor de zeevisser."

  Art. 83. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 24/2, luidende :
  "Art. 24/2. In het kader van hun verplichtingen inzake risicoanalyse nemen de reder en de schipper de nodige maatregelen om aan boord van de vissersschepen de preventieaanbevelingen die zijn opgesteld door de bevoegde instantie ter bevordering van een preventief veiligheids- en gezondheidsbeleid of gelijkwaardige preventiemaatregelen uit te voeren.".

  Art. 84. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 24/3, luidende :
  "Art. 24/3. De reder mag de schipper niet verhinderen beslissingen te nemen die naar het professionele oordeel van de schipper noodzakelijk zijn voor de veiligheid van de zeevissers aan boord of voor het vissersschip en de veilige navigatie en exploitatie ervan."

  Art. 85. Dezelfde wet wordt aangevuld met een artikel 26/1, luidende :
  "Art. 26/1. De reder en de schipper nemen de nodige maatregelen om de rusttijden in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk IV/1 aan de zeevissers te waarborgen."

  Art. 86. In dezelfde wet wordt een hoofdstuk IV/1 ingevoegd, die de artikelen 27/1 tot 27/6 bevat, luidende:
  "HOOFDSTUK IV/1. - Rusttijden
  Art. 27/1. De zeevisser heeft recht op regelmatige rusttijden van een voldoende duur om zijn veiligheid en gezondheid te beschermen.
  Art. 27/2. Het minimumaantal rusturen mag niet minder bedragen dan:
  - 10 uur per periode van 24 uur, en
  - 77 uur per periode van zeven dagen.
  Art. 27/3. De rusttijd mag in niet meer dan twee perioden worden opgedeeld, waarvan er één minstens zes uur moet bedragen, en de tijd tussen twee opeenvolgende rustperioden mag niet meer dan 14 uur bedragen.
  Art. 27/4. Overeenkomstig de algemene beginselen van de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers en om objectieve, technische of arbeidsorganisatorische redenen mag de Koning, na overleg met de paritaire commissie voor zeevisserij, de gevallen en voorwaarden van uitzonderingen met betrekking tot het minimumaantal rusturen en de opdeling van de rusttijden, bepalen.
  In deze gevallen, worden aan de zeevissers zo snel mogelijk compenserende rusttijden toegestaan.
  Art. 27/5. Geen enkel bepaling van dit hoofdstuk doet afbreuk aan het recht van de schipper van een vissersschip een zeevisser te verplichten de nodige uren te werken om de onmiddellijke veiligheid van het vissersschip, de personen aan boord of de vangst te waarborgen of om op zee bijstand aan andere boten, schepen of personen in nood te verlenen. De schipper kan dus de geplande rusttijden tijdelijk opschorten en een zeevisser verplichten de nodige uren te werken totdat de situatie opnieuw normaal is. Zo snel mogelijk nadat de situatie opnieuw normaal is, zorgt de schipper ervoor dat alle zeevissers die tijdens een geplande rustperiode gewerkt hebben, voldoende rust krijgen.
  Art. 27/6. Teneinde de controle op de naleving van de minimumrusttijden te veroorloven, wordt een systeem van werk- en rusttijdsopvolging ingevoerd aan boord van elke vissersschip. Dit systeem moet voldoen aan volgende voorwaarden:
  a) het systeem van tijdsopvolging bevat, voor elke betrokken zeevisser, per zeereis, de volgende gegevens:
  1° de naam, voornaam en geboortedatum van de zeevisser;
  2° per dag het begin en einde van zijn prestaties en zijn rustpauzes; deze gegevens moeten respectievelijk worden opgetekend op het ogenblik dat de prestaties beginnen, dat ze eindigen en bij het begin en einde van elke rustpauze;
  3° de periode waarop de opgetekende gegevens betrekking hebben;
  b) teneinde de controle op de naleving van de minimumrusttijden en de kwaliteitscontrole van de daarin opgenomen gegevens te veroorloven moet het systeem van tijdsopvolging kunnen geraadpleegd worden door de zeevisser, alsook door de ambtenaren die met het toezicht op de uitvoering van deze wet belast zijn en de vertegenwoordigers van de zeevissers en van de reders.
  Elke zeevisser mag enkel toegang hebben tot zijn eigen gegevens;
  c) de opgetekende gegevens worden door de reder bewaard gedurende de gehele periode die begint op de datum van de inschrijving van de laatste verplichte vermelding en eindigt drie jaar na het einde van de maand die volgt op het kwartaal waarin deze inschrijving wordt uitgevoerd.";
  d) de gegevens worden opgetekend met een onuitwisbare markering wanneer een papieren formaat wordt gebruikt.
  In het geval van een elektronisch systeem van tijdsopvolging moet het systeem alle wijzigingen registreren die in de opgetekende gegevens zijn aangebracht."

  Art. 87. Artikel 42 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De zeevisser heeft recht om aan wal medisch behandeld te worden en tijdig voor behandeling aan wal te worden gebracht als hij het slachtoffer wordt van een ernstig letsel of een ernstige ziekte.".

  Art. 88. In artikel 47 van dezelfde wet, wordt het woord "zware" vervangen door het woord "opzettelijke".

  Art. 89. Artikel 48 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 48. § 1. De in het buitenland ontscheepte zeevisser heeft recht op repatriëring naar zijn woonplaats op kosten van de reder van het vissersschip in de in artikel 52 bedoelde gevallen.
  Het recht op repatriëring strekt zich uit tot de reis-, verblijf- en voedselkosten van de zeevissers.
  De reder kan deze kosten terugvorderen bij de zeevisser indien deze ontscheept moest worden om disciplinaire redenen of wanneer de reder aantoont dat de ziekte of de verwonding enkel te wijten is aan een opzettelijke fout van de zeevisser.
  § 2. De maximumduur van tijdvakken van dienst aan boord waarna de zeevisser recht heeft op repatriëring is minder dan 12 maanden.
  De repatriëring dient via aangepast vervoer te gebeuren en zo kort mogelijk in duurtijd te zijn.
  § 3. Het is aan de reders verboden vooruitbetaling te eisen van de zeevisser bij aanvang van zijn tewerkstelling voor de kosten van repatriëring, en eveneens om de kosten van repatriëring te verhalen op het loon of andere aanspraken van de zeevisser, tenzij de repatriëring om tuchtredenen diende te gebeuren.
  § 4. Als de repatriëring van de zeevissers niet wordt voorzien door de reder, draagt de Belgische staat de kosten van repatriëring.
  Met inachtneming van de van toepassing zijnde internationale instrumenten, kan de Belgische staat indien deze de kosten van repatriëring ingevolge paragraaf 1 heeft betaald, deze kosten terugvorderen van de reder en, indien nodig, de vissersschepen van de desbetreffende reder aanhouden, of verzoeken om aanhouding hiervan, totdat de vergoeding heeft plaatsgevonden.
  De kosten van repatriëring komen in geen geval ten laste van een zeevisser, behalve wanneer de repatriëring is gebeurd om tuchtredenen.
  De Belgische staat faciliteert de repatriëring van zeevissers die werken aan boord van vissersschepen die een andere vlag dan de Belgische vlag voeren die een Belgische haven aandoen of door de Belgische territoriale wateren of binnenwateren varen, alsook hun vervanging aan boord.
  Het recht op repatriëring kan niet geweigerd worden aan de zeevisser omwille van de financiële omstandigheden van de reder of omwille van het onvermogen of onwil van de reder om de betrokkene te vervangen.".

  HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Sociaal strafwetboek

  Art. 90. In boek 2, hoofdstuk 1, afdeling 3, van het Sociaal Strafwetboek wordt een artikel 126/1 toegevoegd luidende:
  "Art. 126/1. De zeevissers
  Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de schipper die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser, niet de nodige maatregelen heeft genomen om de preventieve aanbevelingen van de bevoegde instantie ter bevordering van een preventief beleid inzake veiligheid en gezondheid of gelijkwaardige preventiemaatregelen aan boord van vissersschepen ten uitvoer te leggen.
  De inbreuk wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg heeft gehad voor een zeevisser.
  De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken.".

  Art. 91. In boek 2, hoofdstuk 1, afdeling 4, van hetzelfde Wetboek wordt artikel 136/1 ingevoegd, luidende:
  "Artikel 136/1. De minderjarige zeevisser
  Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de schipper die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser:
  1° een minderjarige van 15 jaar of ouder die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht aan boord van een vissersschip heeft ingescheept zonder de toestemming van de daartoe aangewezen ambtenaar belast met de scheepvaartcontrole;
  2° een minderjarige van 15 jaar of ouder die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht aan boord van een vissersschip heeft ingescheept gedurende een periode waarin de aanwezigheid van voornoemde minderjarige op school verplicht is;
  3° geen arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij heeft gesloten met de minderjarige die 15 jaar of ouder die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht en die de toestemming tot het inschepen aan boord van een vissersschip van de daartoe aangewezen ambtenaar belast met de scheepvaartcontrole heeft gekregen;
  4° een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij voor een langere periode dan de duur van één zeereis heeft gesloten met een minderjarige die 15 jaar of ouder is, die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht en die de toestemming tot het inschepen aan boord van een vissersschip van de daartoe aangewezen ambtenaar belast met de scheepvaartcontrole heeft gekregen;
  5° een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij of opeenvolgende arbeidsovereenkomsten heeft gesloten waarvan de totale duur de duur van de schoolvakantie overschrijdt heeft gesloten met een minderjarige die 15 jaar of ouder, die niet meer onderworpen is aan de voltijdse leerplicht en die de toestemming tot het inschepen aan boord van een vissersschip van de daartoe aangewezen ambtenaar belast met de scheepvaartcontrole heeft gekregen.
  Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken minderjarigen".

  Art. 92. In Boek 2, Hoofdstuk 2, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling 9 ingevoegd, luidende:
  "De arbeidstijd en rusttijden van de zeevissers".

  Art. 93. In afdeling 9, ingevoegd bij artikel 92, wordt artikel 160/2 ingevoegd, luidende:
  "Artikel 160/2. De arbeidstijd en rusttijden van de zeevissers
  Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber, de schipper, die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser:
  1° de rusttijden bepaald in hoofdstuk IV/1 van voormelde wet van 3 mei 2003 niet heeft toegekend;
  2° het document voor het toezicht op de arbeidstijd en de rusttijd niet op de voorgeschreven tijdstippen heeft ingevuld of voltooid.
  Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken zeevissers".

  Art. 94. In boek 2, hoofdstuk 3, afdeling 2, van hetzelfde Wetboek wordt artikel 171/5 ingevoegd, luidende:
  "Artikel 171/5. De kosten van repatriëring van de zeevisser
  Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser:
  1° vooruitbetaling heeft geëist van de zeevisser bij aanvang van zijn tewerkstelling voor de kosten van repatriëring, en eveneens de kosten van repatriëring verhaald op de loon of andere aanspraken van de zeevisser, tenzij de repatriëring om tuchtredenen diende te gebeuren of in het geval bedoeld in artikel 47 van voormelde wet van 3 mei 2003;
  2° in geval van ontscheping van de zeevisser in het buitenland, hem niet heeft gerepatrieerd naar de woonplaats van de zeevisser of hem heeft gerepatrieerd op kosten van de zeevisser, in de gevallen bedoeld in artikel 52, 1° tot 3°, 5°, 7°, enkel indien er door de zeevisser een einde wordt gesteld aan de arbeidsovereenkomst, en 8° en in artikel 54 van voormelde wet van 3 mei 2003.
  Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken zeevissers.".

  Art. 95. In Boek 2, Hoofdstuk 6, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling 6/1 ingevoegd, luidende:
  "De arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en het algemeen stamboek der zeevissers".

  Art. 96. In afdeling 6/1 ingevoegd bij artikel 95, wordt artikel 188/3 ingevoegd, luidende:
  "Artikel 188/3. De arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en het algemeen stamboek der zeevissers
  § 1. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal statuut van de zeevisser:
  1° één of meerdere zeevissers als bemanningslid tewerkstelt zonder voorafgaand aan de tewerkstelling een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij te hebben gesloten;
  2° de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij niet door de zeevisser zelf heeft doen ondertekenen;
  3° met één of meerdere zeevissers een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij heeft gesloten die niet alle minimale vereisten bepaald in artikel 9, § 2 van voormelde wet van 3 mei 2003 bevat;
  4° geen exemplaar van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij aan de zeevisser heeft overhandigd;
  5° geen exemplaar van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij aan boord van het vissersschip heeft bewaard, waar de zeevisser het op elk ogenblik kan inkijken.
  Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken zeevissers.
  § 2. Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de reder, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met voormelde wet van 3 mei 2003 de zeevisser die voor de eerste maal in het kader van een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij wordt aangeworven, niet heeft ingeschreven in het algemeen stamboek der zeevisser.
  Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuk, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken zeevissers.".

  HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten

  Art. 97. Artikel 2, 1° van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten wordt aangevuld met een twintigste streepje, luidende:
  "- de wet van 12 juni 2020 betreffende werk in de visserijsector."

  TITEL 10. - Inwerkingtreding

  Art. 98. Titel 2, afdeling 2 van hoofdstuk 1 van Titel 3 en artikel 67, 1° tot en met 3°, treden in werking op 15 november 2020.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 12 juni 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
N. MUYLLE
De Minister van Sociale Zaken,
M. DE BLOCK
De Minister van Justitie,
K. GEENS
De Minister voor Noordzee,
Ph. DE BACKER
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    De Kamer van volksvertegenwoordigers Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) : Stukken : 55-1176 (2019-2020) Integraal verslag : 26 mei 2020

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie