J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 10 uitvoeringbesluiten 12 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2020/03/23/2020030349/justel

Titel
23 MAART 2020. - Wet tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-03-2020 en tekstbijwerking tot 29-07-2021)

Bron : ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 24-03-2020 nummer :   2020030349 bladzijde : 17822       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2020-03-23/03
Inwerkingtreding : 24-03-2020

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :2016022509       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen
Art. 2
HOOFDSTUK 3. - Tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19
Art. 3-4, 4bis, 4ter, 4quater, 4quinquies, 5
HOOFDSTUK 3/1. [1 - Toekenning van een eenmalige premie voor bepaalde begunstigden van de tijdelijke crisismaatregelen overbrug-gingsrecht in het kader van de COVID-19-crisis]1
Art. 5/1, 5/2, 5/3
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
Art. 6-7

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen

  Art. 2. Artikel 10 van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende:
  " § 3. De begunstigden bedoeld in artikel 4, 3°, die in toepassing van de bepalingen in artikel 7, § 1, en artikel 11, § 4, voor een bepaalde kalendermaand geen aanspraak kunnen maken op het maandelijks bedrag bedoeld in § 1, hebben, voor zover ze geen aanspraak kunnen maken op een vervangingsinkomen, gedurende deze kalendermaand recht op de volgende financiėle uitkering:
  1° 100 procent van het maandelijks bedrag bepaald in § 1, wanneer de onderbreking van de beroepsactiviteit gedurende deze kalendermaand minstens 28 opeenvolgende kalenderdagen duurt;
  2° 75 procent van het maandelijks bedrag bepaald in § 1, wanneer de onderbreking van de beroepsactiviteit gedurende deze kalendermaand minstens 21 opeenvolgende kalenderdagen duurt;
  3° 50 procent van het maandelijks bedrag bepaald in § 1, wanneer de onderbreking van de beroepsactiviteit gedurende deze kalendermaand minstens 14 opeenvolgende kalenderdagen duurt;
  4° 25 procent van het bedrag bepaald in § 1, wanneer de onderbreking van de beroepsactiviteit gedurende deze kalendermaand minstens 7 opeenvolgende kalenderdagen duurt.
  In geval van een onderbreking van de beroepsactiviteit gedurende deze kalendermaand die minder dan 7 opeenvolgende kalenderdagen duurt, heeft betrokken zelfstandige geen recht op een financiėle uitkering."

  HOOFDSTUK 3. - Tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19

  Art. 3.[1 § 1. De bepalingen van de artikelen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in respectievelijk artikel 3, 5quater, 6 en 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, die naar aanleiding van COVID-19 gedwongen worden hun zelfstandige activiteit te onderbreken voor zover ze voorlopige bijdragen verschuldigd zijn overeenkomstig de artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, of 12bis, § 2, of 13bis, § 2, 1°, 1° bis of 2°, van het voormelde koninklijk besluit op het moment van de voormelde gedwongen onderbreking.
   § 2. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de zelfstandigen en helpers, zoals bedoeld in respectievelijk artikel 3, 5quater en 6 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, die naar aanleiding van COVID-19 gedwongen worden hun zelfstandige activiteit te onderbreken, voor zover ze op het moment van de voormelde gedwongen onderbreking voorlopige bijdragen verschuldigd zijn overeenkomstig de artikelen 12, § 2, tweede, derde en vierde lid, of 12bis, § 1, 2. of 13, § 1, tweede, derde en vierde lid, en voor zover de voorlopige bijdragen minstens berekend worden op de helft van het bedrag vermeld in artikel 12, § 1, tweede lid, eerste zin van het voormelde besluit.
   § 3. De bepalingen van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, die van toepassing zijn op de zelfstandigen bedoeld in artikel 4, 3° van voormelde wet, zijn van toepassing op de onderbrekingen bedoeld in dit hoofdstuk in de mate waarin de artikelen van dit hoofdstuk er niet van afwijken.]1
  ----------
  (1)<KB 13 2020-04-27/02, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 4.[1 § 1. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 3, kunnen, in afwijking van de bepalingen van artikel 7, § 1, en artikel 11, § 4, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, aanspraak maken op het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de voormelde wet, voor de kalendermaand waarin een periode van volledige onderbreking van hun zelfstandige activiteit gelegen is, voor zover deze onderbreking minstens 7 opeenvolgende kalenderdagen duurt.
   § 2. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 3, die gedwongen worden hun activiteit gedeeltelijk of volledig te onderbreken en voor zover hun activiteiten behoren tot de activiteiten zoals bedoeld in het ministerieel besluit van 13 maart 2020 en elk ander later ministerieel besluit houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID - 19 te beperken, kunnen eveneens aanspraak maken op het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, voor de kalendermaand waarin een periode van onderbreking van hun zelfstandige activiteit gelegen is.
   § 3. In afwijking van §§ 1 en 2 wordt voor de zelfstandigen en helpers zoals bedoeld in artikel 3, § 2, van deze wet, de helft van het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10 § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, toegekend en dit voor zover ze voldoen aan de overige voorwaarden van §§ 1 of 2, naargelang de aard van hun onderbreking.
   § 4. De zelfstandigen en helpers bedoeld in § 3 kunnen het aldaar bedoelde maandelijkse bedrag slechts cumuleren met een of meerdere andere vervangingsinkomens voor zover de som van het maandelijks bedrag bedoeld in § 3 en de andere vervangingsinkomens per maand niet meer bedraagt dan 1.614,10 euro. Ingeval van overschrijding wordt het maandelijks bedrag bedoeld in § 3 verminderd ten belope van deze overschrijding.
   § 5. De gerechtigden op primaire ongeschiktheids- of invaliditeitsuitkeringen die een activiteit als zelfstandige met de toelating van de adviserend arts van hun verzekeringsinstelling uitoefenen, al naargelang het geval, met toepassing van artikel 100, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 of de artikelen 23 of 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, en die, onder de voorwaarden bepaald in de paragrafen 1 tot 3, hun toegelaten activiteit moeten onderbreken, kunnen op geen enkel bedrag aan overbruggingsrecht voor deze onderbreking van activiteit aanspraak maken.]1
  ----------
  (1)<KB 13 2020-04-27/02, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 4bis. [1 § 1. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 3, kunnen, in afwijking van de bepalingen van artikel 7, § 1, en artikel 11, § 4, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, aanspraak maken op het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de voormelde wet, voor de kalendermaand waarin een periode van volledige onderbreking van hun zelfstandige activiteit gelegen is, voor zover deze onderbreking minstens 7 opeenvolgende kalenderdagen duurt.
   De aanvraag ingediend door de zelfstandige moet objectieve elementen bevatten die kunnen aantonen dat het om een gedwongen onderbreking gaat naar aanleiding van COVID-19.
   § 2. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 3, die gedwongen worden hun activiteiten gedeeltelijk of volledig te onderbreken en voor zover hun activiteiten rechtstreeks behoren tot de activiteiten zoals bedoeld in het ministerieel besluit van 23 maart 2020 en elk ander later ministerieel besluit houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, of afhankelijk zijn van deze activiteiten, kunnen eveneens aanspraak maken op het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, voor de kalendermaand waarin een periode van onderbreking van hun zelfstandige activiteit gelegen is.
   § 3. In afwijking van §§ 1, en 2 wordt voor de zelfstandigen en helpers zoals bedoeld in artikel 3, § 2, van deze wet, de helft van het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10 § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, toegekend en dit voor zover ze voldoen aan de overige voorwaarden van §§ 1 of 2, naargelang de aard van hun onderbreking.
   § 4. De zelfstandigen en helpers bedoeld in § 3 kunnen het aldaar bedoelde maandelijkse bedrag slechts cumuleren met een of meerdere andere vervangingsinkomens voor zover de som van het maandelijks bedrag bedoeld in § 3 en de andere vervangingsinkomens per maand niet meer bedraagt dan 1.614,10 euro. Ingeval van overschrijding wordt het maandelijks bedrag bedoeld in § 3 verminderd ten belope van deze overschrijding.
   § 5. De gerechtigden op primaire ongeschiktheids- of invaliditeitsuitkeringen die een activiteit als zelfstandige met de toelating van de adviserend arts van hun verzekeringsinstelling uitoefenen, al naargelang het geval, met toepassing van artikel 100, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 of de artikelen 23 of 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, en die, onder de voorwaarden bepaald in de paragrafen 1 tot 3, hun toegelaten activiteit moeten onderbreken, kunnen op geen enkel bedrag aan overbruggingsrecht voor deze onderbreking van activiteit aanspraak maken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 41 2020-06-26/09, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-06-2020>
  

  Art. 4ter. [1 § 1 De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 3, § 1 die hun activiteit opnieuw mogen heropstarten omwille van de opheffing van de beperkingen of het verbod op hun activiteit in het kader van COVID-19 overeenkomstig het ministerieel besluit van 23 maart 2020 en elk ander later ministerieel besluit houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, kunnen aanspraak maken op het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, voor de kalendermaand waarin aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldaan is :
   1° het betreft een activiteit, die op datum van 3 mei 2020 nog steeds verboden of beperkt werd door artikel 1, §§ 1, 5 en 6 van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, in de versie zoals gewijzigd door het ministerieel besluit van 17 april 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken;
   2° de betrokken activiteit, mag opnieuw opgestart worden voor de hele kalendermaand zonder andere beperkingen dan de regels inzake social distancing;
   3° de zelfstandige, helper en meewerkende echtgenoten kan aantonen dat er voor het kwartaal voorafgaand aan de maand waarop de aanvraag betrekking heeft, de activiteit een omzetverlies of vermindering van bestellingen kent van minstens 10% in vergelijking met hetzelfde kwartaal in 2019;
   4° Wanneer de aanvraag betrekking heeft op de maand juni 2020, zullen de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, in afwijking van 3°, moeten kunnen aantonen dat voor het kwartaal waarin de maand valt waarop de aanvraag betrekking heeft, de activiteit een omzetverlies of vermindering van bestellingen kent van minstens 10% in vergelijking met hetzelfde kwartaal in 2019;
   5° de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot geniet voor dezelfde maand niet van een financiėle uitkering bedoeld in de artikelen 4 en 4bis.
   § 2. De gerechtigden op primaire ongeschiktheids- of invaliditeitsuitkeringen die een activiteit als zelfstandige met de toelating van de adviserend arts van hun verzekeringsinstelling uitoefenen, al naargelang het geval, met toepassing van artikel 100, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 of de artikelen 23 of 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, en die, onder de voorwaarden bepaald in paragraaf 1, hun toegelaten activiteit hervatten, kunnen op geen enkel bedrag aan overbruggingsrecht aanspraak maken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 41 2020-06-26/09, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-06-2020>
  

  Art. 4quater.[1 § 1. In afwijking van artikel 4bis, § 2, kunnen aanspraak maken op het dubbele van de het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandige:
   - de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 3, die gedwongen worden hun activiteiten gedeeltelijk of volledig te onderbreken en voor zover hun activiteiten rechtstreeks behoren tot de activiteiten zoals bedoeld in het ministerieel besluit van 18 oktober 2020 en elk ander later ministerieel besluit houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, voor de kalendermaand waarin de periode van onderbreking van hun zelfstandige activiteit gelegen is;
   - de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 3, wiens activiteiten afhankelijk zijn van de activiteiten rechtstreeks bedoeld in het ministerieel besluit van 18 oktober 2020 en elk ander later ministerieel besluit houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, die hun activiteiten volledig onderbreken gedurende de periode van gedwongen onderbreking bedoeld door bovengenoemd ministerieel besluit, voor de kalendermaand waarin de periode van daadwerkelijke onderbreking van hun zelfstandige activiteit gelegen is.
   § 2. In afwijking van artikel 4bis, § 3 wordt voor de zelfstandigen en helpers zoals bedoeld in artikel 3, § 2, van deze wet, het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10 § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, toegekend en dit voor zover ze voldoen aan de overige voorwaarden van de eerste paragraaf.
   § 3. [2 De zelfstandigen en helpers bedoeld in § 1 kunnen het aldaar bedoelde bedrag slechts cumuleren met een of meerdere andere vervangingsinkomens voor zover de som van het bedrag bedoeld in § 1 en de andere vervangingsinkomens niet meer bedraagt dan het bedrag bedoeld in § 1. Ingeval van overschrijding wordt het bedrag bedoeld in § 1 verminderd ten belope van deze overschrijding.
   De zelfstandigen en helpers bedoeld in § 2 kunnen het aldaar bedoelde bedrag slechts cumuleren met een of meerdere andere vervangingsinkomens voor zover de som van het bedrag bedoeld in § 2 en de andere vervangingsinkomens niet meer bedraagt dan het bedrag bedoeld § 2. Ingeval van overschrijding wordt het bedrag bedoeld in § 2 verminderd ten belope van deze overschrijding.]2
   § 4. [2 ...]2]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2020-11-24/02, art. 11, 008; Inwerkingtreding : 30-11-2020>
  (2)<W 2021-02-28/07, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-02-2021>

  Art. 4quinquies. [1 § 1. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 3, die gedwongen worden hun zelfstandige activiteiten volledig te onderbreken omwille van beslissingen van de overheid genomen teneinde de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, kunnen aanspraak maken op het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, voor de kalendermaand waarin een periode van volledige onderbreking van hun zelfstandige activiteit gelegen is, voor zover deze verplichte onderbreking minstens vijftien opeenvolgende kalenderdagen duurt. Indien de verplichte onderbreking minder dan vijftien opeenvolgende kalenderdagen duurt, kunnen zij aanspraak maken op de helft van hoger vernoemd bedrag.
   § 2. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 3, kunnen aanspraak maken het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, voor de kalendermaand waarin aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldaan is :
   1° de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot kan aantonen dat voor de kalendermaand voorafgaand aan de kalendermaand waarop de aanvraag betrekking heeft, zijn activiteit een omzetverlies kent van minstens 40 % in vergelijking met dezelfde kalendermaand van het refertejaar 2019;
   2° de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot moet zijn wettelijk verschuldigde voorlopige bijdragen voor minstens vier kwartalen tijdens het tijdvak van zestien kwartalen dat voorafgaat aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de kalendermaand waarop de aanvraag betrekking heeft effectief betaald hebben. Indien de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot zijn verzekeringsplicht in het kader van het koninklijk besluit nr. 38 slechts kan bewijzen gedurende de twaalf kwartalen die onmiddellijk voorafgaan aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de kalendermaand waarop de aanvraag betrekking heeft of minder, volstaat het dat hij zijn wettelijk verschuldigde voorlopige bijdragen voor minstens twee kwartalen effectief betaald heeft.
   De zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot mag voor dezelfde kalendermaand niet een financiėle uitkering bedoeld in § 1 genieten.
   § 3. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 3, die gedwongen worden hun zelfstandige activiteiten volledig te onderbreken, kunnen aanspraak maken op het bedrag bedoeld in artikel 10, § 3, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, voor de periode waarin zij hun zelfstandige activiteit onderbreken omwille van één van de volgende redenen:
   1) De zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot bevindt zich gedurende minstens zeven opeenvolgende kalenderdagen in quarantaine of isolatie omwille van het coronavirus COVID-19;
   2) De zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot moet gedurende minstens zeven kalenderdagen tijdens een kalendermaand instaan voor de zorg van een kind van minder dan 18 jaar dat met hem samenwoont en niet naar het kinderdagverblijf of school kan gaan, omdat het kind zich in quarantaine of isolatie bevindt of omdat het kinderdagverblijf, de klas of de school waarvan het deel uitmaakt wordt gesloten als gevolg van een maatregel om de verspreiding van het COVID-19-virus te beperken of omdat het kind verplicht lessen onder de vorm van onderwijs op afstand volgt als gevolg van een beslissing van de bevoegde overheid om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken;
   3) De zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot moet gedurende minstens zeven kalenderdagen tijdens een kalendermaand instaan voor de zorg van een gehandicapt kind dat hij ten laste heeft, ongeacht de leeftijd van dat kind, omdat het kind niet naar een centrum voor opvang van gehandicapte personen kan gaan, omdat dit centrum wordt gesloten of bij de tijdelijke stopzetting van de intramurale of extramurale dienstverlening of behandeling georganiseerd of erkend door de Gemeenschappen als gevolg van een maatregel om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken.
   § 4. In afwijking van § 1 wordt voor de zelfstandigen en helpers zoals bedoeld in artikel 3, § 2, van deze wet, de helft van het bedrag bedoeld in § 1 toegekend en dit voor zover ze voldoen aan de overige voorwaarden van § 1.
   In afwijking van § 2 wordt voor de zelfstandigen en helpers zoals bedoeld in artikel 3, § 2, van deze wet, de helft van het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen toegekend en dit voor zover ze voldoen aan de overige voorwaarden van § 2.
   In afwijking van § 3 wordt voor de zelfstandigen en helpers zoals bedoeld in artikel 3, § 2, van deze wet, de helft van het bedrag bedoeld in artikel 10 § 3, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, toegekend en dit voor zover ze voldoen aan de overige voorwaarden van § 3.
   § 5. De zelfstandigen en helpers bedoeld in § 1 kunnen het aldaar bedoelde bedrag slechts cumuleren met een of meerdere andere vervangingsinkomens voor zover de som van het bedrag bedoeld in § 1 en de andere vervangingsinkomens niet meer bedraagt dan het bedrag bedoeld in § 1. Ingeval van overschrijding wordt het bedrag bedoeld in § 1 verminderd ten belope van deze overschrijding.
   De zelfstandigen en helpers bedoeld in § 2 kunnen het aldaar bedoelde bedrag slechts cumuleren met een of meerdere andere vervangingsinkomens voor zover de som van het bedrag bedoeld in § 2 en de andere vervangingsinkomens niet meer bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen. Ingeval van overschrijding wordt het bedrag bedoeld in § 2 verminderd ten belope van deze overschrijding.
   De zelfstandigen en helpers bedoeld in § 3 kunnen het aldaar bedoelde bedrag slechts cumuleren met een of meerdere andere vervangingsinkomens voor zover de som van het bedrag bedoeld in § 3 en de andere vervangingsinkomens niet meer bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 10, § 3, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen. Ingeval van overschrijding wordt het bedrag bedoeld in § 3 verminderd ten belope van deze overschrijding.
   De zelfstandigen en helpers bedoeld in § 4 kunnen het aldaar bedoelde bedrag slechts cumuleren met een of meerdere andere vervangingsinkomens voor zover de som van het bedrag bedoeld in § 4 en de andere vervangingsinkomens niet meer bedraagt dan het bedrag bedoeld in § 4. Ingeval van overschrijding wordt het bedrag bedoeld in § 4 verminderd ten belope van deze overschrijding.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2020-12-22/25, art. 15, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  

  Art. 5.[1 § 1. Voor de toepassing van de artikelen 4, 4bis, 4ter, 4quater en 4quinquies en in afwijking van artikel 7, § 3, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, wordt er geen rekening gehouden met de financiėle uitkeringen die de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenote bedoeld in artikel 3 reeds in het verleden heeft genoten krachtens het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en zijn uitvoeringsbesluiten en krachtens de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en haar uitvoeringsbesluit.
   Bovendien zal de financiėle uitkering die overeenkomstig de artikelen 4, 4bis, 4ter, 4quater en 4quinquies wordt toegekend, niet in rekening worden gebracht bij het bepalen van de maximale duur van het overbruggingsrecht in toepassing van artikel 7, § 3, van de voormelde wet van 22 december 2016.
   § 2. Voor de toepassing van de artikelen 4, 4bis, 4ter, 4quater en 4quinquies zijn de voorwaarden bedoeld in de artikelen 5, § 1, en 5/1, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, niet van toepassing op de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten bedoeld in artikel 3.
   § 3. Het behoud van de sociale rechten, zoals bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, is niet van toepassing op de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenotes bedoeld in artikel 3.
   § 4. In afwijking van artikel 8, § 1, tweede lid, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, moet de aanvraag, op straffe van verval, ingediend worden ten laatste binnen het tweede kwartaal volgend op het kwartaal waarin de periode ligt waarvoor de aanvraag wordt gedaan.]1
  ----------
  (1)<W 2020-12-22/25, art. 16, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  HOOFDSTUK 3/1. [1 - Toekenning van een eenmalige premie voor bepaalde begunstigden van de tijdelijke crisismaatregelen overbrug-gingsrecht in het kader van de COVID-19-crisis]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2021-07-18/03, art. 43, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2021>
  

  Art. 5/1. [1 § 1. De zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot zoals bedoeld in artikel 3, § 1, van deze wet heeft recht op een eenmalige premie van 598,81 euro indien hij minstens zes maandelijkse financiėle uitkeringen rechtmatig genoten heeft in toepassing van de artikelen 4bis, § 2, 4ter, 4quater, § 1 en 4quinquies, § 2, van deze wet in de periode vanaf 1 oktober 2020 tot en met 30 april 2021.
   § 2. De premie bedoeld in dit artikel wordt beschouwd als een financiėle uitkering die evenwel niet in aanmerking wordt genomen voor het cumulplafond bedoeld in de artikelen 4quater, § 3, en 4quinquies, § 5 van deze wet.
   § 3. Er wordt geen rekening gehouden met deze premie in het kader van de vaststelling van de overige sociale rechten van de aanvrager.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2021-07-18/03, art. 43, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2021>
  

  Art. 5/2. [1 § 1. Het sociaal verzekeringsfonds controleert op eigen initiatief de voorwaarde bepaald in artikel 5/1 en, indien aan deze voorwaarde voldaan is, gaat zij over tot uitbetaling van de eenmalige premie.
   § 2. Voor de toepassing van artikel 5/1, § 1, baseert het sociaal verzekeringsfonds zich op de maandelijkse financiėle uitkeringen die zij rechtmatig uitbetaald heeft aan de zelfstandige voor de maanden die zich bevinden in de periode tussen 1 oktober 2020 tot en met 30 april 2021.
   § 3. Het sociaal verzekeringsfonds gaat over tot uitbetaling van de eenmalige premie vanaf de inwerkingtreding van de wet en ten laatste op 30 september 2021.
   § 4. De zelfstandige wordt door zijn sociaal verzekeringsfonds in kennis gesteld van de beslissing tot toekenning van de eenmalige premie.
   § 5. Op aanvraag van een zelfstandige, die ingediend moet worden voor 15 september 2021, moet het sociaal verzekeringsfonds op-nieuw nagaan of aan de voorwaarde bepaald in artikel 5/1, § 1 voldaan is en de zelfstandige hierover inlichten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2021-07-18/03, art. 43, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2021>
  

  Art. 5/3. [1 Voor zover hiervan niet wordt afgeweken door de bepalingen van deze wet, zijn de bepalingen van de afdelingen 2, 5 en 6 van hoofdstuk 5 van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen betreffende de beslissing, de terugvordering en de verjaring van de financiėle uitkering van toepassing op de toekenning van deze premie bedoeld in artikel 5/1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2021-07-18/03, art. 43, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2021>
  

  HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding

  Art. 6.[1 § 1. De toepassing in de tijd van deze wet wordt als volgt geregeld :
   1° Artikel 2 is van toepassing op alle feiten bedoeld in artikel 5, § 2, 3°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, die plaatsvinden vanaf 1 maart 2020.
   2° Artikel 3 is van toepassing op alle gedwongen onderbrekingen overeenkomstig artikel 4, 3°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, die plaatsvinden naar aanleiding van COVID-19 en zich situeren [2 in de periode van 1 maart 2020 tot en met 28 februari 2021]2.
   3° Artikel 4 is van toepassing op alle gedwongen onderbrekingen overeenkomstig artikel 4, 3°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, die plaatsvinden naar aanleiding van COVID-19 en zich situeren in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 juni 2020.
   4° Artikel 5 is van toepassing op alle financiėle uitkeringen toegekend naar aanleiding van gedwongen onderbrekingen overeenkomstig artikel 4, 3°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, die plaatsvinden naar aanleiding van COVID-19 en zich situeren [2 in de periode van 1 maart 2020 tot en met 28 februari 2021]2.
   5° Artikel 4bis, § 1 is van toepassing op alle gedwongen onderbrekingen overeenkomstig artikel 4, 3°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, die plaatsvinden naar aanleiding van COVID-19 en zich situeren in de periode van 1 juli 2020 tot en met 31 augustus 2020.
   Artikel 4bis, §§ 2, 3, 4 en 5 is van toepassing op alle gedwongen onderbrekingen overeenkomstig artikel 4, 3°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, die plaatsvinden naar aanleiding van COVID-19 en zich situeren in de periode van 1 juli 2020 tot en met 31 december 2020.
   6° Artikel 4ter is van toepassing op elke heropstart ten gevolge van de opheffing van de beperkingen of het verbod op hun activiteit in het kader van COVID-19 overeenkomstig het ministerieel besluit van 23 maart 2020 en elk ander later ministerieel besluit houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken en die voldoet aan de cumulatieve voorwaarden in artikel 4ter gedurende de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 december 2020.
   7° Artikel 4quater is van toepassing op alle gedwongen onderbrekingen overeenkomstig artikel 4, 3°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, die plaatsvinden naar aanleiding van COVID-19 en zich situeren [3 in de periode van 1 oktober 2020 [4 tot en met 30 september 2021]4]3.
   8° Artikel 4quinquies, § 1, is van toepassing op alle gedwongen onderbrekingen overeenkomstig artikel 4, 3°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, die plaatsvinden naar aanleiding van COVID-19 en zich situeren [4 in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021]4.
   9° Artikel 4quinquies, § 2, is van toepassing [3 in de periode van 1 januari 2021 [4 tot en met 30 september 2021]4]3.
   10° Artikel 4quinquies, § 3, is van toepassing op alle gedwongen onderbrekingen overeenkomstig artikel 4, 3°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, die plaatsvinden naar aanleiding van COVID-19 en zich situeren [3 in de periode van 1 januari 2021 [4 tot en met 30 september 2021]4]3.
   § 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de periode van de toepassing van de maatregelen bedoeld in de artikelen 4bis en 4ter verlengen tot uiterlijk 31 december 2020.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de periode van de toepassing van de maatregelen bedoeld in artikel 4 verlengen tot uiterlijk 30 juni 2020.
   [2 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de toepassing van de maatregelen bedoeld in de artikelen 3, 4quater, 4quinquies en 5, aanpassen in de tijd.]2
   § 3. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad:
   1) het bedrag en de duurtijd van de vereiste onderbreking bedoeld in artikel 4quinquies, § 1, van deze wet aanpassen;
   2) het percentage bedoeld in artikel 4quinquies, § 2, 1°, van deze wet aanpassen.]1
  ----------
  (1)<W 2020-12-22/25, art. 17, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  (2)<W 2021-02-28/07, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-02-2021>
  (3)<KB 2021-03-25/14, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 01-03-2021>
  (4)<W 2021-07-18/03, art. 42, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  Art. 7. Deze wet treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 23 maart 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Zelfstandigen,
D. DUCARME
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 18-07-2021 GEPUBL. OP 29-07-2021
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 5/1; 5/2; 5/3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-03-2021 GEPUBL. OP 07-04-2021
    (GEWIJZIGD ART. : 6)
  • originele versie
  • WET VAN 28-02-2021 GEPUBL. OP 25-03-2021
    (GEWIJZIGDE ART. : 4quater; 6)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-12-2020 GEPUBL. OP 31-12-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 6)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2020 GEPUBL. OP 31-12-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 4quinquies; 5; 6; 7; 10)
  • originele versie
  • WET VAN 24-11-2020 GEPUBL. OP 30-11-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 4quater; 5; 6)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-11-2020 GEPUBL. OP 10-11-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 6)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-08-2020 GEPUBL. OP 31-08-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 6)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-06-2020 GEPUBL. OP 30-06-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 4bis; 4ter; 5; 6)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-05-2020 GEPUBL. OP 03-06-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 6)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-05-2020 GEPUBL. OP 08-05-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 6)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-04-2020 GEPUBL. OP 29-04-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4; 5)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken. - 55 1090. Integraal Verslag : 19 maart 2020.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 10 uitvoeringbesluiten 12 gearchiveerde versies
    Franstalige versie