J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2019/12/20/2019042912/justel

Titel
20 DECEMBER 2019. - Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen

Bron :
FINANCIEN
Publicatie : 24-12-2019 nummer :   2019042912 bladzijde : 116336       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2019-12-20/02
Inwerkingtreding : 01-01-2020

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1970071709        2005003124        2007003338        2007003609       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Modaliteiten en voorwaarden voor de verzending en kennisgeving van de documenten
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Betalingen
Art. 2-3
HOOFDSTUK 3. - Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de fiscale en niet-fiscale schulden van een aannemer of onderaannemer
Art. 4-6
HOOFDSTUK 4. - Onbeperkt uitstel van de invordering
Art. 7-10
HOOFDSTUK 5. - Schaal van de administratieve geldboeten en hun toepassingsmodaliteiten
Art. 11-13
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van het koninklijk besluit van 27 december 2007 tot uitvoering van de artikelen 400, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van de artikelen 12, 30bis en 30ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van artikel 6ter van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk
Art. 14-17
HOOFDSTUK 7. - Opheffingsbepalingen
Art. 18-21
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
Art. 22-23

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Modaliteiten en voorwaarden voor de verzending en kennisgeving van de documenten

  Artikel 1. Behalve indien het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen er anders over beschikt, worden de documenten voorzien door het Wetboek verzonden aan hun bestemmelingen bij gewone zending onder gesloten omslag.

  HOOFDSTUK 2. - Betalingen

  Art. 2. De financiële rekening "Inning en Invordering" bedoeld in artikel 15 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen is de financiële rekening van de dienst van de algemene administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, die instaat voor de centralisatie van de betalingen bedoeld in artikel 18, §§ 1 en 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.

  Art. 3. De dienst waarop de persoon die wenst aan te geven welke som hij wil aanzuiveren, zich voorafgaand moet richten overeenkomstig artikel 18, § 1, eerste lid van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, is de dienst van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, belast met het verzorgen van de rechtstreekse en onrechtstreekse contacten met de natuurlijke personen en de rechtspersonen over inningsmateries.

  HOOFDSTUK 3. - Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de fiscale en niet-fiscale schulden van een aannemer of onderaannemer

  Art. 4. Het krachtens artikel 55 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen ingehouden bedrag moet worden gestort bij de ontvanger van de dienst van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, belast met de inning van de bedragen verschuldigd met toepassing van de artikelen 53 tot 59 van hetzelfde Wetboek.
  De betaling van het ingehouden bedrag moet worden verricht op hetzelfde tijdstip als de betaling aan de aannemer en uitsluitend door storting of overschrijving op de financiële rekening van de ontvanger bedoeld in het eerste lid.
  Op het stortings- of overschrijvingsbewijs moeten achtereenvolgens het ondernemings-nummer, het bedrag en de datum van de factuur waarop de betaling van de inhouding betrekking heeft, en de naam van de in tweede lid bedoelde aannemer worden vermeld.
  Gelijktijdig met de vermelde storting of overschrijving, zendt degene die de storting moet verrichten, aan de ontvanger bedoeld in het eerste lid een afschrift van de facturen waarop de betaling betrekking heeft.

  Art. 5. Het attest bedoeld in artikel 55, § 5, tweede lid van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen is geldig gedurende twintig dagen volgend op de uitreiking ervan door de bevoegde ontvanger.

  Art. 6. § 1. De persoon op wiens schuldvordering het gestorte bedrag werd ingehouden kan, wanneer zijn achterstallige fiscale en niet-fiscale schulden volledig zijn aangezuiverd, bij de in artikel 4, eerste lid bedoelde ontvanger een aanvraag om teruggaaf van het overschot van de gedane stortingen indienen.
  De aanvraag dient inzonderheid te vermelden de naam, het adres en in voorkomend geval het ondernemingsnummer van degene die de inhouding en de storting heeft gedaan, de datum van die storting indien bekend, het bedrag van deze storting, alsmede de datum, het nummer en het bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van de factuur waarop de storting betrekking had.
  De aanvraag om teruggaaf geschiedt door middel van een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door de leidinggevende ambtenaar van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
  § 2. Het in § 1 bedoelde overschot wordt ten spoedigste en uiterlijk binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de regelmatig ingediende aanvraag om teruggaaf, door de ontvanger aan de aanvrager overgemaakt.
  § 3. Wanneer het gestorte bedrag geheel of gedeeltelijk is aangewend overeenkomstig het voornoemde artikel 57, § 1 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, geeft de ontvanger daarvan binnen de in § 2 bedoelde termijn kennis aan de aanvrager met vermelding van alle gegevens omtrent de aangezuiverde fiscale en niet-fiscale schulden.

  HOOFDSTUK 4. - Onbeperkt uitstel van de invordering

  Art. 7. De behandeling van het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering zoals bedoeld in het artikel 65, eerste lid, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, wordt toevertrouwd aan de ontvanger belast met de invordering van de sommen verschuldigd uit hoofde van de fiscale of niet-fiscale schuldvorderingen waarop het verzoek betrekking heeft.
  Indien evenwel het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering betrekking heeft op sommen verschuldigd uit hoofde van de fiscale of niet-fiscale schuldvorderingen die tot de bevoegdheid behoren van verschillende ontvangers, wordt de behandeling van het verzoek toevertrouwd aan de ontvanger in wiens ambtsgebied de verzoeker zijn woonplaats heeft op de dag waarop het verzoek werd ingediend of, wanneer de verzoeker zijn woonplaats niet meer in België heeft op de dag waarop hij het verzoek indient, aan de ontvanger in wiens ambtsgebied de verzoeker zijn laatste gekende woonplaats in België had.

  Art. 8. § 1. De ontvanger aan wie de behandeling van het verzoek wordt toevertrouwd, stelt, in alle gevallen, een solvabiliteitsonderzoek in ten laste van de verzoeker om in het kader van artikel 63, § 2, 1° van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen zijn financiële toestand te bepalen dankzij de vermogenssituatie en de inkomsten en uitgaven van de huishouding.
  § 2. Met dit doel wordt de verzoeker uitgenodigd zijn verzoek te vervolledigen met een overzicht van de vermogenssituatie en van de inkomsten en uitgaven van de huishouding.
  De leidinggevende ambtenaar van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen kan het gebruik van een overzicht van de vermogenssituatie en de inkomsten en uitgaven van de huishouding onder de vorm van een gestandaardiseerd formulier voorschrijven.
  § 3. De volgende persoonsgegevens worden in voorkomend geval behandeld in het kader van het solvabiliteitsonderzoek en van het overzicht van de vermogenssituatie en van de inkomsten bedoeld in de paragrafen 1 en 2:
  1° de identificatiegegevens van de aanvrager, alsook deze met betrekking tot zijn beroepsactiviteit;
  2° de verschuldigde bedragen uit hoofde van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen voor dewelke hij zijn verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering indient;
  3° de minimale gegevens met betrekking tot zijn huwelijksstelsel die toestaan de draagwijdte van zijn vermogen te bepalen;
  4° de gegevens met betrekking tot de activa en passiva van het vermogen van de aanvrager, alsook van het gemeenschappelijk vermogen als hij gehuwd is onder een gemeenschapsstelsel;
  5° de goederen die deel uitmaken van de vermogens bedoeld in 4°, vervreemd in de loop van de zes maanden voorafgaand aan de indiening van de aanvraag;
  6° de inkomsten en uitgaven van de aanvrager.
  § 3. De ontvanger brengt over zijn behandeling verslag uit aan de adviseur-generaal die gevat werd door het verzoek en hij legt hem een voorstel van beslissing voor.

  Art. 9. Om het onbeperkt uitstel van de invordering te verlenen, houdt de adviseur-generaal rekening met de door de verzoeker vermelde bijzondere elementen in zijn verzoek, met de vermogenssituatie en de inkomsten en uitgaven van de huishouding van de verzoeker, evenals met de door hem verschuldigde sommen uit hoofde van vervallen of, nog te vervallen fiscale of niet-fiscale schuldvorderingen.
  Hij bepaalt het bedrag van de in het artikel 63, § 1, tweede lid, laatste zin, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen bedoelde som op basis van dezelfde criteria.

  Art. 10. § 1. De Beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 66, § 2, eerste lid van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, wordt naast de administrateur-generaal van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, of zijn gemachtigde, samengesteld uit drie aangeduide adviseurs-generaal van de voormelde administratie overeenkomstig voormeld artikel 66, § 2.
  § 2. De beslissingen van de Commissie worden aangenomen door een meerderheid, elk lid beschikkend over één stem. In geval van pariteit, is de stem van de Voorzitter doorslaggevend.
  § 3. De Commissie stelt zijn reglement van orde op. Dit reglement wordt goedgekeurd door de Minister van Financiën.

  HOOFDSTUK 5. - Schaal van de administratieve geldboeten en hun toepassingsmodaliteiten

  Art. 11. De schaal van de administratieve geldboeten bij overtredingen van de bepalingen van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten wordt als volgt vastgesteld:
  

  
Nature des infractions
  Aard van de overtredingen
Amende administrative Administratieve geldboete
A. Infraction due à des circonstances indépendantes de la volonté du redevable ou du codébiteur : A. Overtreding ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de schuldenaar of medeschuldenaar:Néant
  Nihil
B. Infraction non imputable à la mauvaise foi ou à l'intention d'éluder le paiement des créances fiscales et non fiscales :
  - 1ère infraction :
  - 2ème infraction :
  - 3ème infraction :
  - 4ème infraction :
  Infractions suivantes : B. Overtreding niet toe te schrijven aan kwade trouw of aan het opzet de betaling van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen te ontduiken:
  - 1ste overtreding:
  - 2de overtreding:
  - 3de overtreding:
  - 4de overtreding:
  Volgende overtredingen:

  50,00 euros
  125,00 euros
  250,00 euros
  625,00 euros 1.250,00 euros 50,00 euro
  125,00 euro
  250,00 euro
  625,00 euro
  1.250,00 euro
C. Infraction due à la mauvaise foi ou à l'intention d'éluder le paiement des créances fiscales et non fiscales : C. Overtreding toe te schrijven aan kwade trouw of aan het opzet de betaling van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen te ontduiken:1.250,00 euros 1.250,00 euro

Art. 12. De vorige overtredingen die bedoeld zijn in punt B van artikel 11 worden niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van het toe te passen bedrag van de geldboeten wanneer geen enkele overtreding werd bestraft voor de laatste vier kalenderjaren die het kalenderjaar voorafgaan waarin de nieuwe overtreding moet worden bestraft.

  Art. 13. Voor de vaststelling van het krachtens artikel 11 toe te passen bedrag van de geldboeten, is een tweede of volgende overtreding aanwezig wanneer op het ogenblik waarop een nieuwe overtreding wordt begaan, aan de overtreder kennis is gegeven van de geldboete die de vorige overtreding heeft bestraft.".

  HOOFDSTUK 6. - Wijziging van het koninklijk besluit van 27 december 2007 tot uitvoering van de artikelen 400, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van de artikelen 12, 30bis en 30ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van artikel 6ter van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk

  Art. 14. Het opschrift van het koninklijk besluit van 27 december 2007 tot uitvoering van de artikelen 400, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van de artikelen 12, 30bis en 30ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van artikel 6ter van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 december 2013, wordt vervangen als volgt:
  "Koninklijk besluit van 27 december 2007 tot uitvoering van het artikel 53 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en van de artikelen 12, 30bis en 30ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van artikel 6ter van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk".

  Art. 15. In hetzelfde koninklijk besluit wordt het opschrift van hoofdstuk I, vervangen bij het koninklijk besluit van 17 juli 2013, vervangen als volgt:
  "HOOFDSTUK I. - Werkingssfeer van artikel 53, eerste lid, 1°, b, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en artikel 30ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders".

  Art. 16. In artikel 1 van hetzelfde besluit, hersteld bij het koninklijk besluit van 17 juli 2013, worden de woorden "in artikel 400, 1°, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992" vervangen door de woorden "in artikel 53, eerste lid, 1°, b, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen".

  Art. 17. In artikel 2 van hetzelfde besluit, hersteld bij het koninklijk besluit van 22 oktober 2013 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 december 2015, worden de woorden "in artikel 400, 1°, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992" vervangen door de woorden "in artikel 53, eerste lid, 1°, b, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen".

  HOOFDSTUK 7. - Opheffingsbepalingen

  Art. 18. De artikelen 207 tot 209 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden opgeheven.

  Art. 19. Het koninklijk besluit van 25 februari 2005 tot uitvoering van de artikelen 413bis tot 413sexies van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt opgeheven.

  Art. 20. Het koninklijk besluit van 7 juni 2007 tot uitvoering van de artikelen 84quinquies tot 84decies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 januari 2015, wordt opgeheven.

  Art. 21. Afdeling 1 van hoofdstuk II van het ministerieel besluit van 17 juli 1970 tot uitvoering van het Wetboek van de met de Inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen

  Art. 22. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2020.

  Art. 23. De minister bevoegd voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 20 december 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
A. DE CROO

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de Grondwet, artikel 108;
   Gelet op het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, ingevoegd bij de wet van 13 april 2019, de artikelen 2, § 2, 15, § 1, derde lid, 18, § 1, eerste lid, 26, eerste en tweede lid, 53, 55, §§ 1, 2 en 5, 57, 69 en 84, tweede lid;
   Gelet op het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
   Gelet op het koninklijk besluit van 25 februari 2005 tot uitvoering van de artikelen 413bis tot 413sexies van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
   Gelet op het koninklijk besluit van 7 juni 2007 tot uitvoering van de artikelen 84quinquies tot 84decies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
   Gelet op het koninklijk besluit van 27 december 2007 tot uitvoering van de artikelen 400, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van de artikelen 12, 30bis en 30ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van artikel 6ter van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
   Gelet op het ministerieel besluit van 17 juli 1970 tot uitvoering van het Wetboek van de met de Inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen;
   Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 29 juli 2019;
   Gelet op de regelgevingsimpactanalyse uitgevoerd overeenkomstig artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
   Gelet op het advies nr. 66.535/3 van de Raad van State, gegeven op 23 september 2019, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Gelet op het overleg met de gewesten, gehouden op 21 november 2019;
   Gelet op het advies nr. 177/2019 van de Gegevensbeschermingsautoriteit, gegeven op 29 november 2019;
   Overwegende dat het louter gaat om een uitvoeringsbesluit van bestaande wetgeving en dit besluit op zich geen enkele nieuwe budgettaire weerslag heeft, moet geen akkoord van de Minister van Begroting worden gevraagd;
   Op de voordracht van de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Het besluit dat u wordt voorgelegd door de regering heeft als doel de uitvoeringsbepalingen in te voeren van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (hierna "Invorderingswetboek" genoemd), ingevoerd door de wet van 13 april 2019.
   Ermee rekening houdend dat het Invorderingswetboek hoofdzakelijk een harmonisering tot stand brengt van de invorderingsprocedures inzake de inkomstenbelastingen, de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, de btw, de diverse taksen bedoeld in boek II van het Wetboek diverse rechten en taksen, de rolrechten en de niet-fiscale schuldvorderingen die zijn opgenomen in de verschillende fiscale wetboeken of betreffende wetten, doet dit besluit dikwijls niets meer dan de uitvoeringsbepalingen inzake de invordering van deze wetboeken of wetten hernemen, waarbij zij worden geharmoniseerd.
   Artikel 1 van het uitvoeringsbesluit van het Invorderingswetboek voorziet dat de documenten die erin worden voorzien bij gewone zending onder gesloten omslag worden verzonden, tenzij het Invorderingswetboek anders bepaalt.
   De artikelen 2 en 3 leggen, in uitvoering van de artikelen 15 en 18 van het Invorderingswetboek, de financiële rekening "Inning en Invordering" vast waarop de betaling van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen in regel moet worden verricht, evenals de dienst waartoe de persoon, die het bedrag wil aanduiden dat deze wenst aan te zuiveren, zich vooraf moet wenden.
   De artikelen 4 tot 6, genomen in uitvoering van de artikelen 53 tot 59 van het Invorderingswetboek inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid en de inhoudingsplicht voor de fiscale en niet-fiscale schulden verschuldigd door een aannemer of onderaannemer, hernemen de artikelen 207 tot 209 van het besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, voor alle fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen die onder het toepassingsgebied van het Invorderingswetboek vallen.
   Zij bepalen met name aan welke dienst, op welke manier en wanneer de ingehouden bedragen moeten worden gestort, de geldigheidsduur van het attest bedoeld in het artikel 55, § 5, tweede lid van het Invorderingswetboek, evenals de manier waarop de persoon op wiens schuldvordering het gestorte bedrag werd ingehouden dit bedrag kan terugkrijgen wanneer zijn fiscale en niet-fiscale schulden volledig zijn aangezuiverd.
   De artikelen 7 tot 10 leggen de toepassingsvoorwaarden vast van de artikelen 63 tot 68 van het Invorderingswetboek voor wat betreft het onbeperkt uitstel van de invordering.
   Zij hernemen de inhoud van het koninklijk besluit van 25 februari 2005 tot uitvoering van de artikelen 413bis tot 413sexies van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 tot uitvoering van de artikelen 84quinquies tot 84decies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, met dien verstande dat het onbeperkt uitstel van de invordering voortaan kan worden toegepast op alle uit hoofde van fiscale of niet-fiscale schuldvorderingen verschuldigde sommen die behoren tot het toepassingsgebied van het Invorderingswetboek.
   Overeenkomstig punt 8 van het advies 177/2019 van de Gegevensbeschermingsautoriteit wordt verduidelijkt dat het onderzoek van de vermogenssituatie en de inkomsten en uitgaven van de huishouding strikt beperkt blijft tot de vaststelling van de financiële situatie van de verzoeker in het kader van het onderzoek van zijn verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering van fiscale en niet-fiscale schulden.
   Bovendien, en overeenkomstig punt 11 van het advies 177/2019, worden de gegevenscategorieën die het voorwerp uitmaken van een verwerking aangevuld in artikel 8, § 3 van het ontwerp.
   Met betrekking tot punt 12 van het voornoemde advies, dient verduidelijkt te worden dat de Federale Overheidsdienst Financiën momenteel protocollen over de uitwisseling van gegevens met andere overheidsinstanties aan het onderhandelen is op basis van artikel 20 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
   Punt 13 van het voornoemde advies, hoewel het relevant is, kan niet opgelost worden in het kader van dit besluit, gezien de problematiek transversaal is en betrekking heeft op de wet van 3 augustus 2012.
   De artikelen 11 tot 13, genomen in uitvoering van artikel 84 van het Invorderingswetboek, leggen de schaal van de administratieve geldboeten vast voor de overtredingen op het Invorderingswetboek en op de ter uitvoering ervan genomen besluiten, en regelen de toepassingsmodaliteiten van deze boeten. Voor de vaststelling van het bedrag van de administratieve geldboeten, wordt rekening gehouden met het feit of de overtreding al of niet te wijten is aan de kwade trouw van de schuldenaar of met de bedoeling de betaling van de fiscale en niet-fiscale schuldvordering te ontduiken, en met het al dan niet herhaaldelijk karakter van de overtreding.
   De artikelen 14 à 17 van het ontwerp van koninklijk besluit brengen wijzigingen aan op het koninklijk besluit van 27 december 2007 tot uitvoering van de artikelen 400, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van de artikelen 12, 30bis en 30ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van artikel 6ter van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk zodat het voortaan eveneens verwijst naar artikel 53 van het Invorderingswetboek in plaats van naar het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
   Daarna volgt een reeks bepalingen tot opheffing van de bepalingen die het onderwerp hebben uitgemaakt van een omzetting in het Invorderingswetboek of in zijn uitvoeringsbesluit.
   Het ontwerp van besluit dat u wordt voorgelegd treedt in werking op 1 januari 2020, dezelfde datum als het Invorderingswetboek.
   Dit is, Sire, de draagwijdte van het besluit dat U wordt voorgelegd,
   Ik heb de eer te zijn,
   Sire,
   Van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
   De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
   A. DE CROO
   
   ADVIES 66.535/3 VAN 23 SEPTEMBER 2019 OVEREEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT `TOT INVOERING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT TOT UITVOERING VAN HET WETBOEK VAN DE MINNELIJKE EN GEDWONGEN INVORDERING VAN FISCALE EN NIET FISCALE SCHULDVORDERINGEN'
   Op 27 augustus 2019 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Financiën verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot invoering van het koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet fiscale schuldvorderingen'.
   Het ontwerp is door de derde kamer onderzocht op 17 september 2019. De kamer was samengesteld uit Jo Baert, kamervoorzitter, Jeroen Van Nieuwenhove en Koen Muylle, staatsraden, Jan Velaers, assessor, en Astrid Truyens, griffier.
   De verslagen zijn uitgebracht door Kristine Bams, eerste auditeur-afdelingshoofd en Dries Van Eeckhoutte, eerste auditeur.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 23 september 2019.
   *
   1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
   *
   Voorafgaande opmerking
   2. Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als ze te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van een verordening noodzakelijk is.
   Strekking van het ontwerp
   3. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe uitvoering te geven aan een aantal bepalingen van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (hierna: Wetboek invordering).
   Daartoe wordt het "koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen" (hierna: uitvoeringsbesluit Wetboek invordering) ingevoerd (titel I van het ontwerp).
   De wijzigings-, opheffings- en overgangsbepalingen die daarbij horen zijn ondergebracht in een afzonderlijke titel (titel II van het ontwerp).
   Zoals het Wetboek invordering, treedt het te nemen besluit in werking op 1 januari 2020 (titel III van het ontwerp).
   Algemene opmerking
   4. Het ontwerp van koninklijk besluit is niet op de gebruikelijke wijze gestructureerd. Normaal worden eerst de op zichzelf staande bepalingen opgenomen, gevolgd door de wijzigings-, opheffings- en overgangsbepalingen, de inwerkingtredingsbepaling en de uitvoeringsbepaling. Daarbij worden al deze artikels opeenvolgend genummerd en vormen ze het dispositief van de reglementaire tekst. Anders dan het geval is bij het invoeren van een nieuw wetboek, wordt een nieuw besluit dus niet "ingevoerd" bij een besluit. Er is dan ook geen inleidend artikel nodig dat daartoe strekt.
   Het ontwerp dient zo te worden herwerkt dat het te nemen koninklijk besluit één geheel vormt waarin niet alleen de op zichzelf staande bepalingen maar ook de andere begeleidende bepalingen worden ondergebracht en doorlopend zijn genummerd. De gemachtigde stemde hier mee in.
   Rechtsgrond
   5. Voor het ontworpen besluit kan in beginsel rechtsgrond worden gevonden in de bepalingen die worden vermeld in het eerste en het tweede lid van de aanhef van het om advies voorgelegde ontwerp.
   5.1. Daarnaast bieden echter ook de volgende bepalingen rechtsgrond:
   - voor het ontworpen artikel 6 van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering dient de rechtsgrond te worden gezocht in artikel 55, § 2, van het Wetboek invordering;
   - voor het ontworpen artikel 8, § 3, van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering kan rechtsgrond worden gevonden in artikel 108 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 57, § 1, van het Wetboek invordering.
   Van de artikelen 55, § 2, en 57, § 1, van het Wetboek invordering zal derhalve eveneens melding moeten worden gemaakt in het tweede lid van de aanhef.
   5.2. Wat het ontworpen artikel 4, tweede lid, van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering betreft, ziet de afdeling Wetgeving dan weer niet wat daarvoor de rechtsgrond is.
   Krachtens artikel 26, eerste lid, van het Wetboek invordering kan de Koning van de schuldenaars van de belasting op de spelen en de weddenschappen een zakelijke waarborg eisen "in de gevallen die Hij bepaalt en volgens de voorwaarden die Hij vaststelt", maar die bepaling lijkt de Koning niet toe te laten om de beoordeling geval per geval aan de belastingadministratie over te laten.
   Door te bepalen dat een zakelijke waarborg "ingelijks [mag] worden geëist van de inrichters van duivenprijskampen" geeft de Koning op onvolkomen wijze uitvoering aan artikel 26, eerste lid, van het Wetboek invordering: hij bepaalt immers niet in welke gevallen de inrichters van duivenprijskampen een zakelijke waarborg moeten stellen.
   De conclusie is derhalve dat het ontworpen artikel 4, tweede lid, van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering niet bestaanbaar is met de rechtsgrondbiedende bepaling.
   Vormvereisten
   6. Krachtens artikel 5, § 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 `betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten' zorgt de Staat voor de dienst van de belasting "in overleg met het betrokken gewest", tot het gewest de dienst van de belasting zelf in handen neemt. In zoverre de ontworpen regels betrekking hebben op gewestelijke belastingen waarvoor de federale overheid nog de dienst verzorgt, dient er overleg te worden gepleegd met de betrokken gewesten.
   Vermits de federale Staat inzake de belasting op de spelen en de weddenschappen nog slechts instaat voor de dienst van de belasting wat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreft, dient er voorafgaand met dat gewest overlegd te worden over de ontworpen artikelen 4 en 5 van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering.
   7. Het ontwerp bevat bepalingen die de verwerking van persoonsgegevens regelen. Zo wordt in het ontworpen artikel 10 van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering (artikel 1 van het ontwerp) bepaald dat de vermogenssituatie en de inkomsten en uitgaven van de huishouding moeten worden vastgesteld van degene die om onbeperkt uitstel van de invordering verzoekt.
   Artikel 36, lid 4, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 `betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)', gelezen in samenhang met artikel 57, lid 1, c), en overweging 96 van die verordening, voorziet in een verplichting om de toezichthoudende autoriteit, in dit geval de Gegevensbeschermingsautoriteit bedoeld in de wet van 3 december 2017 `tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit', te raadplegen bij het opstellen van een voorstel voor een door een nationaal parlement vast te stellen wetgevingsmaatregel, of een daarop gebaseerde regelgevingsmaatregel in verband met verwerking. Het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit moet bijgevolg nog worden ingewonnen vooraleer het ontwerp doorgang kan vinden.
   8. Indien de aan de Raad van State voorgelegde tekst ten gevolge van het vervullen van de voormelde vormvereisten nog wijzigingen zou ondergaan, moeten de gewijzigde of toegevoegde bepalingen, ter inachtneming van het voorschrift van artikel 3, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, aan de afdeling Wetgeving worden voorgelegd.
   Onderzoek van de tekst
   Opschrift
   9. In het opschrift moeten de woorden "tot invoering van het koninklijk besluit" worden geschrapt.
   Aanhef
   10. In de aanhef dient melding te worden gemaakt van de te wijzigen besluiten, evenwel zonder melding te maken van de te wijzigen artikelen. (1) De verwijzingen naar de koninklijke besluiten van 25 februari 2005, 7 juni 2007 en 27 december 2007 en het ministerieel besluit van 17 juli 1970 zijn dan ook correct gesteld, maar in het lid met betrekking tot het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 dienen de woorden ", de artikelen 207, 208 en 209" geschrapt te worden.
   TITEL I. - BESLUIT TOT UITVOERING VAN HET WETBOEK VAN DE MINNELIJKE EN GEDWONGEN INVORDERING VAN FISCALE EN NIET-FISCALE SCHULDVORDERINGEN
   Artikel 1
   Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen
   Artikel 1
   11. Om nadere toelichting gevraagd over de draagwijdte van het ontworpen artikel 1 van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering, antwoordde de gemachtigde:
   "La terminologie utilisée s'inspire de l'article 302 du Code des impôts sur les revenus dont la mesure a pour but d'étendre le secret des lettres, tel qu'il est garanti par l'art. 29 de la Constitution aux communications faites aux contribuables, lorsque ces communications contiennent des éléments couverts par le secret professionnel.
   Dès lors que l'on vise en effet, un envoi par courrier simple, la formulation suivante pourrait constituer une alternative : `Sauf lorsque le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales en a déjà disposé, les documents prévus par ce Code sont adressés à leurs destinataires par envoi ordinaire.'"
   Teneinde in overeenstemming te zijn met de bedoeling van de steller zouden in het ontworpen artikel 1 de woorden "bij gewone brief" kunnen worden ingelast vóór de woorden "onder gesloten omslag".
   12. Zoals dat het geval is in de Franse tekst, dient ook in het Nederlandse tekst het volledige opschrift van het Wetboek invordering te worden gebruikt. De woorden "van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen" zijn derhalve toe te voegen voor de woorden "er anders over beschikt".
   Artikelen 4 en 5
   13. In het ontworpen artikel 4 van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering wordt, ter uitvoering van artikel 26, eerste lid, van het Wetboek invordering, bepaald in welke gevallen van de schuldenaars van de belasting op de spelen en de weddenschappen een zakelijke waarborg vereist wordt.
   Een en anders is echter te verduidelijken in de tekst van het ontwerp:
   - Bij het ontworpen artikel 4, eerste lid, 1°, van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering ("pronostiekprijskampen op sportwedstrijden van alle aard") rijst de vraag of ook "virtuele sportwedstrijden" of "e-sportwedstrijden" worden bedoeld. Daarover om uitleg verzocht, antwoordde de gemachtigde het volgende:
   "Il doit s'agir d'épreuves sportives réelles, ne sont par exemple pas visées des courses vituelles de chameaux: dans ce cas, il s'agit de jeux de hasard."
   - Ook uit het ontworpen artikel 4, eerste lid, 4°, van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering ("spelen die enige gelijkenis vertonen met de eigenlijke casinospelen") blijkt onvoldoende wat wordt bedoeld. De gemachtigde verstrekte de volgende toelichting:
   "De spelen die enige gelijkenis vertonen met casinospelen zijn spelen die, hoewel ze niet dezelfde eigenschappen hebben zoals klassieke casinospelen, gelijkenissen vertonen met casinospelen zoals de roulettespelen. Enkele voorbeelden hiervan zijn `Saturne', `Opta', `24 Kogelcarrousel', ..."
   14.1.In het ontworpen artikel 5 van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering wordt, ter uitvoering van artikel 26, tweede lid, van het Wetboek invordering, de hoogte van de zakelijke waarborg bepaald. Volgens die rechtsgrondbepalingen dient de Koning de hoogte ervan te bepalen "rekening houdend met de aard en de organisatievoorwaarden van de verrichtingen".
   De vooropgestelde bedragen variëren sterk naargelang de verschillende gevallen: vijf maal het bedrag van de vermoede belastingschuld (minimum 500 euro, maximum 50.000 euro) als het gaat om spelen en weddenschappen, twee maal het bedrag van de vermoede belastingschuld (minimum 12.500 euro) als het gaat om casinospelen of spelen die enige gelijkenis vertonen met de eigenlijke casinospelen, en 25.000 euro per (deel van) schijf van 20 agentschappen (maximum 500.000 euro) als het gaat om weddenschappen op paardenwedrennen die in het buitenland plaatsvinden. (2)
   14.2. De onderscheiden behandeling die uit die verschillende regelingen blijkt - het al of niet vereisen van een waarborg,(3) de verschillende hoogte van de waarborg -, moet kunnen worden verantwoord.
   Het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel geldt immers ook in belastingzaken. (4) Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof is een verschil in behandeling slechts verenigbaar met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet discriminatie, wanneer dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betrokken maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. (5)
   Ook op grond van het recht van de Europese Unie dienen de gemaakte keuzes te kunnen worden verantwoord. Het vereisen van een financiële waarborg beperkt immers het vrije verkeer. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie kunnen nationale maatregelen die de uitoefening van de in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gewaarborgde fundamentele vrijheden kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, slechts toelaatbaar zijn mits zij een doel van algemeen belang nastreven, geschikt zijn om de verwezenlijking daarvan te waarborgen en niet verder gaan dan noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken. (6)
   Aan de gemachtigde is om nadere toelichting van de gemaakte keuzes gevraagd, maar die is er niet gekomen. Er is enkel gewezen op mogelijke verklaringen.
   De steller van het ontwerp zal de ontworpen artikelen 4 en 5 van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering aan een nieuw onderzoek moeten onderwerpen om zich ervan te vergewissen dat er voor elk van de erin vervatte eisen een afdoende, concrete verantwoording voorhanden is. Het verdient aanbeveling om de verantwoording voor de gehanteerde verschillen te expliciteren in het verslag aan de Koning.
   Artikel 8
   15. Erop gewezen dat wie een aanvraag doet om teruggave van het overschot van de gedane stortingen, niet noodzakelijk op de hoogte is van de datum van storting door de schuldenaar van de schuldvordering, stelde de gemachtigde voor om de redactie van het ontworpen artikel 8, § 1, tweede lid, van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering als volgt aan te passen:
   "La demande doit notamment mentionner le nom, l'adresse et, le cas échéant, le numéro d'entreprise de celui qui a effectué la retenue et le versement, la date de ce versement si elle est connue, le montant de ce versement, ainsi que la date, le numéro et le montant, non compris la taxe sur la valeur ajoutée, de la facture à laquelle se rapporte le versement."
   Hiermee kan worden ingestemd.
   Artikelen 9 en 10
   16. In verband met de ontworpen artikelen 9 en 10 inzake het onbeperkt uitstel van invordering en de verhouding van die bepalingen tot de regeling opgenomen in artikel 69 van het Wetboek invordering, verstrekte de gemachtigde de volgende toelichting:
   "Ce sont les mêmes mesures d'exécution que celles prévues par les arrêtés royaux du 25 février 2005 d'exécution des articles 413bis à 413sexies du Code des impôts sur les revenus et du 7 juin 2007 portant exécution des articles 84quinquies à 84decies du Code de la taxe sur la valeur ajoutée qui ont été transposés aux articles 9 à 12 du présent projet d'arrêté.
   Conformément à l'article 65 du Code, l'instruction de la demande de surséance indéfinie au recouvrement est confiée au receveur. L'AR en projet détermine à quel receveur l'instruction de la demande de surséance est confiée. Il s'agit en règle du receveur chargé du recouvrement des sommes dues à titre de créances fiscales et non fiscales visées par la demande ; lorsque la demande de surséance indéfinie au recouvrement vise des sommes dues à titre de créances fiscales et non fiscales qui relèvent de la compétence de différents receveurs, l'instruction de la demande est confiée au receveur dans le ressort duquel le demandeur a son domicile au jour où la demande est introduite ou, lorsque le demandeur n'a plus son domicile en Belgique au jour où il introduit sa demande, au receveur dans le ressort duquel le demandeur avait son dernier domicile connu en Belgique.
   L'instruction de la demande de surséance indéfinie précède la décision du Conseiller général ou de son délégué. L'instruction consiste pour le receveur à vérifier que les conditions légales de la surséance indéfinie sont réunies dans le chef du demandeur ; le receveur procède notamment à cette fin à une enquête de solvabilité, et fait ensuite rapport de son instruction au Conseiller général (ou à son délégué) saisi de la demande de surséance indéfinie."
   17. In het ontworpen artikel 10, § 2, tweede lid, van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering is sprake van een gestandaardiseerd formulier, maar er wordt niet bepaald wie dat formulier dient vast te stellen. De gemachtigde verklaarde in dit verband:
   "L'administrateur de l'AGPR. Effectivement, la formulation actuelle devra être adaptée par `L'administrateur général de l'administration en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales peut prescrire l'utilisation....'."
   Daarmee kan worden ingestemd.
   Artikel 11
   18. In het ontworpen artikel 11, tweede lid, van het uitvoeringsbesluit Wetboek invordering kan duidelijkheidshalve beter worden verwezen naar "artikel 63, § 1, tweede lid, laatste zin," van het Wetboek invordering.
   TITEL II. - WIJZIGINGS-, OPHEFFINGS EN OVERGANGSBEPALINGEN
   Artikel 10
   19. Artikel 10 van het ontwerp lijst de administratieve dwangbevelen en fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen op die niet onder de toepassing van het te nemen besluit vallen.
   De overgang tussen het oude en het nieuwe recht is echter reeds bepaald bij artikel 138 van de wet van 13 april 2019 en wordt hier nagenoeg letterlijk herhaald.
   Artikel 10 van het ontwerp is dan ook een overbodige herhaling van wat reeds uit de wet voortvloeit. Om die reden dient het artikel te worden geschrapt.
   De griffier,
   A. Truyens
   De voorzitter,
   J. Baert
   Nota's
   (1) Zoals vermeld in de Handleiding wetgevingstechniek is het niet zinvol de nummers van de artikelen te vermelden waarop de wijzigingen betrekking hebben (Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, Raad van State, 2008, nr. 30, te raadplegen op de webstek van de Raad van State: www.raadvst-consetat.be).
   (2) Voor de inrichters van duivenprijskampen bedraagt de zakelijke waarborg het bedrag van de vermoede belastingschuld, maar zoals uit opmerking 5.2 blijkt, ontbeert dit onderdeel van het ontwerp rechtsgrond.
   (3) Zo worden weddenschappen op paardenwedrennen die in België plaatsvinden niet onderworpen aan de waarborgregeling, terwijl weddenschappen op paardenwedrennen die in het buitenland plaatsvinden er wel onder vallen.
   (4) Bij artikel 172 van de Grondwet wordt de toepasselijkheid van de grondwettelijke regels van gelijkheid en van niet discriminatie (artikelen 10 en 11 van de Grondwet) bevestigd in fiscale aangelegenheden. Het eerste lid van deze bepaling is immers een precisering of een bijzondere toepassing van het in artikel 10 van de Grondwet algemeen geformuleerde gelijkheidsbeginsel (zie o.m. GwH 7 mei 2015, nr. 54/2015, B.4.3).
   (5) Vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Zie bv. : GwH 17 juli 2014, nr. 107/2014, B.12; GwH 25 september 2014, nr. 141/2014, B.4.1; GwH 30 april 2015, nr. 50/2015, B.16; GwH 18 juni 2015, nr. 91/2015, B.5.1; GwH 16 juli 2015, nr. 104/2015, B.6; GwH 16 juni 2016, nr. 94/2016, B.3; GwH 18 mei 2017, nr. 60/2017, B.11; GwH 15 juni 2017, nr. 79/2017, B.3.1; GwH 19 juli 2017, nr. 99/2017, B.11; GwH 28 september 2017, nr. 104/2017, B.8.
   (6) HvJ 16 april 2013, C-202/11, Las, punt 50.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie