J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2019/02/05/2019040322/justel

Titel
5 FEBRUARI 2019. - Koninklijk besluit ter bepaling van de maatregelen die in een bevoorradingscrisis gelden voor de toebedeling van aardolie en aardolieproducten op internationaal en nationaal niveau en voor de billijke bevoorrading van de beschikbare aardolie en aardolieproducten en tot bepaling van de regels voor het aanspreken van de verplichte voorraden aardolie en aardolieproducten

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 20-02-2019 nummer :   2019040322 bladzijde : 17462       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2019-02-05/11
Inwerkingtreding : 01-04-2019

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :1976071306       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Art. 1-2
HOOFDSTUK 2. - Toebedeling op internationaal niveau
Art. 3-7
HOOFDSTUK 3. - Toebedeling op nationaal niveau
Afdeling 1. - Algemeen principe
Art. 8-11
Afdeling 2. - Jaarlijkse bepaling van de primaire deelnemers en hun relatief aandeel in een vrijgave van de verplichte voorraden door APETRA
Art. 12
Afdeling 3. - Bepaling van de absolute aandelen in een bevoorradingscrisis
Art. 13
Afdeling 4. - Organisatie van de vrijgave
Art. 14-16
Afdeling 5. - Andere bepalingen
Art. 17
HOOFDSTUK 4. - Billijke bevoorrading
Art. 18
HOOFDSTUK 5. - Regels voor het aanspreken van de verplichte voorraden
Afdeling 1. - Verplichte voorraden beheerd door voorraadplichtigen
Art. 19
Afdeling 2. - Verplichte voorraden beheerd door APETRA
Art. 20-21
HOOFDSTUK 6. - Strafbepalingen
Art. 22
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
Art. 23-24

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2009/119/EG van de Raad van 14 september 2009 houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden.

  Art. 2. § 1. De definities van artikel 2 van de wet van 26 januari 2006 betreffende de aanhouding van een verplichte voorraad aardolie en aardolieproducten en de oprichting van een agentschap voor het beheer van een deel van deze voorraad en tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop, zijn van toepassing op dit besluit.
  § 2. Daarnaast wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan onder:
  1° "wet van 13 juli 1976": de wet van 13 juli 1976 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake een Internationale Energieprogramma, en van de bijlage ervan, opgemaakt te Parijs op 18 november 1974;
  2° "IEA": het Internationaal Energie Agentschap zoals bedoeld in de Overeenkomst inzake het internationaal energieprogramma, en van de bijlage ervan, opgemaakt te Parijs op 18 november 1974;
  3° "wet van 26 januari 2006": de wet van 26 januari 2006 betreffende de aanhouding van een verplichte voorraad aardolie en aardolieproducten en de oprichting van een agentschap voor het beheer van een deel van deze voorraad en tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop;
  4° "NOB": het Nationaal Oliebureau zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 19 december 2018 houdende de oprichting, de samenstelling, de opdrachten en de werkwijze van een Nationaal Oliebureau;
  5° "balans": de balans zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 15 november 2017 betreffende de rapportageverplichting van biobrandstoffen, minerale oliën en hun substitutieproducten van biologische oorsprong;
  6° "vrijgeven - vrijgave": het door APETRA in een bevoorradingscrisis aanbieden ter aankoop van in aanmerking komende aardolieproducten en/of ruwe aardolie ten gevolge van een besluit overeenkomstig artikel 5, § 3, 2°, of artikel 10, § 3, 2°, van dit besluit of overeenkomstig artikel 4, § 4, van de wet van 26 januari 2006;
  7° "in aanmerking komend product": de aardolieproducten opgesomd bij de drie productcategorieën in artikel 3, § 1, van de wet van 26 januari 2006.

  HOOFDSTUK 2. - Toebedeling op internationaal niveau

  Art. 3. Dit hoofdstuk regelt de toebedeling op internationaal niveau in het geval van een bevoorradingscrisis en in het bijzonder een vermindering van de olievoorziening zoals bedoeld in de artikelen 13, 14 en 17 van de Overeenkomst inzake een internationaal energieprogramma, of als dusdanig erkend door een unanieme beslissing van de Raad van Bestuur van het IEA of door de Europese Commissie op basis van de bevindingen van de Coördinatiegroep.

  Art. 4. § 1. Wanneer de minister, in het geval van een bevoorradingscrisis bedoeld in artikel 3, gebruik maakt van de mogelijkheid en machtiging voorzien in artikel 4, § 4, van de wet van 26 januari 2006, dan dienen de bepalingen van dit besluit te worden nageleefd.
  § 2. Een tijdelijke aanwending bedoeld in paragraaf 1 gebeurt:
  1° door de voorraadplichtigen door een tijdelijke daling van de individuele voorraadplicht, zoals bedoeld in de artikelen 2, 15° en 4 van de wet van 26 januari 2006 en het koninklijk besluit van 15 juni 2006 tot vaststelling van de drempelhoeveelheid en de individuele voorraadplicht, waarna de voorraadplichtigen de van voorraadplicht ontheven voorraden aanbieden aan de markt en/of;
  2° door APETRA door het vrijgeven van door haar beheerde verplichte voorraden door middel van de organisatie van een concurrerende inschrijvingsprocedure, waarvan de modaliteiten door APETRA worden bepaald.

  Art. 5. § 1. Aanvullend aan het tijdelijk aanwenden van de verplichte voorraden bedoeld in artikel 4 kan de minister ingeval van een bevoorradingscrisis bedoeld in artikel 3 voorraadplichtigen en/of APETRA opdragen verplichte voorraden aan te wenden ten gunste van één of meer specifieke lidstaten van het IEA of de EU.
  § 2. Een dergelijke opdracht kan een algemeen of een individueel karakter hebben.
  § 3. Dergelijke opdrachten kunnen onder andere vermelden:
  1° de specifieke markt of markten, lidstaat of lidstaten van het IEA of de EU ten gunste waarvan voorraden aangewend dienen te worden;
  2° de hoeveelheid en aard van de aan te wenden voorraden;
  3° de aanvang en looptijd van de termijn waarbinnen de aanwending moet gebeuren, en;
  4° de aan te leveren informatie betreffende de maatregelen die genomen worden om de opdracht uit te voeren en hun resultaat.
  § 4. Diegene tot wie de opdracht is gericht wordt geacht deze te hebben vervuld als hij aantoont dat hij de nodige directe en/of indirecte aanbiedingen heeft gedaan aan voorwaarden die in lijn liggen met de op dat moment geldende voorwaarden op de markt(en) of in de lidsta(a)t(en) bedoeld in § 3, 1°, en dat de niet-uitvoering redelijkerwijs niet aan hem te wijten is.

  Art. 6. In geval van een activering van het hoofdstuk III `Toebedeling' van de Overeenkomst inzake een Internationaal Energieprogramma, overeenkomstig hoofdstuk IV `Inwerkingstelling' van dezelfde Overeenkomst:
  1° bezorgen de aan het IEA rapporterende bedrijven (`reporting companies') aardoliedata en, desgevallend, vrijwillige offertes rechtstreeks aan het IEA;
  2° bezorgen andere dan in 1° bedoelde geregistreerde aardoliebedrijven en APETRA aardoliedata en, desgevallend, vrijwillige offertes aan het NOB;
  3° coördineert en becommentarieert het NOB deze vrijwillige offertes, bezorgt ze aan het IEA en analyseert deze die door het IEA geselecteerd worden in functie van hun impact op de nationale aanbodsituatie;
  4° staat het secretariaat van het NOB in voor de informatie-uitwisseling tussen het IEA en de nationale belanghebbende ondernemingen, de nationale representatieve beroepsfederaties van de aardolie- en aardolie-opslagsector en de betrokken nationale instanties.

  Art. 7. Indien een beslissing van het IEA leidt tot een aanwending van verplichte voorraden dan deelt de minister dit onverwijld mee aan de Europese Commissie.

  HOOFDSTUK 3. - Toebedeling op nationaal niveau

  Afdeling 1. - Algemeen principe

  Art. 8. Dit hoofdstuk regelt de toebedeling op nationaal niveau in het geval van een bevoorradingscrisis als dusdanig erkend door de regering bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

  Art. 9. § 1. Wanneer de minister, in het geval van een bevoorradingscrisis bedoeld in artikel 8, gebruik maakt van de mogelijkheid en machtiging voorzien in artikel 4, § 4, van de wet van 26 januari 2006, dienen de bepalingen van dit besluit te worden nageleefd.
  § 2. Een tijdelijke aanwending bedoeld in paragraaf 1 gebeurt:
  1° door de voorraadplichtigen, behoudens in geval van een andersluidende beslissing overeenkomstig artikel 10, door een tijdelijke daling van de individuele voorraadplicht zoals bedoeld in de artikelen 2, 15° en 4 van de wet van 26 januari 2006 en het koninklijk besluit van 15 juni 2006 tot vaststelling van de drempelhoeveelheid en de individuele voorraadplicht, waarna de voorraadplichtigen de van voorraadplicht bevrijde voorraden aanbieden aan de markt en
  2° door APETRA, behoudens in geval van een andersluidende beslissing overeenkomstig artikel 11, door een vrijgave van de verplichte voorraden die zij beheert enkel aan de primaire deelnemers, zoals bepaald in artikel 12, § 1.

  Art. 10. § 1. Indien een bevoorradingscrisis tot maatregelen noopt op nationaal niveau, kan de minister, aanvullend aan het tijdelijk aanwenden van de verplichte voorraden bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 26 januari 2006, voorraadplichtigen opdragen verplichte voorraden aan te wenden op de nationale markt.
  § 2. Een dergelijke opdracht kan een algemeen of een individueel karakter hebben.
  § 3. Dergelijke opdrachten kunnen onder andere vermelden:
  1° de hoeveelheid en aard van de aan te wenden voorraden;
  2° de aanvang en looptijd van de termijn waarbinnen de aanwending moet gebeuren;
  3° de aan te leveren informatie betreffende de maatregelen die genomen worden om de opdracht uit te voeren.
  § 4. Diegene tot wie de opdracht is gericht wordt geacht deze te hebben vervuld als hij aantoont dat hij de nodige directe en/of indirecte aanbiedingen heeft gedaan aan voorwaarden in lijn met de op dat moment op de nationale markt geldende voorwaarden en dat de niet-uitvoering redelijkerwijs niet aan hem te wijten is.

  Art. 11. In plaats van of complementair aan een vrijgave overeenkomstig artikel 9, § 2, 2°, kan de minister APETRA opdragen haar verplichte voorraden vrij te geven door middel van een concurrerende inschrijvingsprocedure, waarvan de beschrijving van de opdracht door APETRA wordt bepaald in overleg met het NOB, of op een andere wijze. Deze opdracht kan verdere instructies bevatten.

  Afdeling 2. - Jaarlijkse bepaling van de primaire deelnemers en hun relatief aandeel in een vrijgave van de verplichte voorraden door APETRA

  Art. 12. § 1. Ter voorbereiding van de vrijgave bedoeld in artikel 9, § 2, 2°, bepaalt de Algemene Directie, op basis van de balans, jaarlijks, of op basis van een andere desgevallend beschikbare bron afkomstig van een federale overheidsinstantie, per in aanmerking komend product de lijst met primaire deelnemers bij een vrijgave van verplichte voorraden.
  Ter bepaling van deze lijst met primaire deelnemers vertrekt de Algemene Directie van de geregistreerde aardoliemaatschappijen die in het voorgaande kalenderjaar samen verantwoordelijk zijn voor ten minste negentig procent van het totaal in België tot verbruik uitgeslagen volume van het in aanmerking komend product.
  Voor de conversie van de volume-eenheid naar massaeenheid wordt het gemiddelde van de dichtheden bepaald in de van kracht zijnde technische normen gebruikt.
  § 2. Met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar, informeert de Algemene Directie deze geregistreerde aardoliemaatschappijen jaarlijks, ten laatste tegen 30 juni, per e-mail over de door hen volgens de balans tot verbruik uitgeslagen volumes van de in aanmerking komende producten.
  § 3. Volumes aardolieproducten die door de geregistreerde aardoliemaatschappij tot verbruik uitgeslagen werden in opdracht en voor rekening van een andere geregistreerde aardoliemaatschappij moeten door de eerstgenoemde overgedragen worden aan deze laatstgenoemde.
  § 4. De minister bepaalt de verdere regels betreffende de procedure op basis waarvan de overdracht zoals bedoeld in paragraaf 3 kan plaatsvinden.
  § 5. Rekening houdend met eventuele overdrachtsovereenkomsten bedoeld in paragraaf 4 bepaalt de Algemene Directie de lijst van primaire deelnemers en voor elk van hen per productcategorie het relatief aandeel van zijn tot verbruik uitgeslagen volume in verhouding tot hun totaal in verbruik gestelde volume van dat in aanmerking komend product.
  § 6. De Algemene Directie deelt ten laatste op 30 juni de volledige lijst van primaire deelnemers en hun relatieve aandelen per in aanmerking komend product aan APETRA mee, om deze laatste in staat te stellen een mogelijke bevoorradingscrisis voor te bereiden.

  Afdeling 3. - Bepaling van de absolute aandelen in een bevoorradingscrisis

  Art. 13. § 1. Ingeval van een vrijgave op de nationale markt overeenkomstig artikel 9, § 2, 2°, bepaalt de Algemene Directie het absolute aandeel van iedere primaire deelnemer. Hiertoe worden de relatieve aandelen bedoeld in artikel 12 toegepast op de hoeveelheid verplichte voorraden die, zoals beslist door de minister overeenkomstig artikel 4, § 4, van de wet van 26 januari 2006, binnen een bepaald tijdsbestek moeten worden vrijgegeven.
  § 2. De Algemene Directie communiceert de absolute aandelen onverwijld aan de primaire deelnemers en aan APETRA.

  Afdeling 4. - Organisatie van de vrijgave

  Art. 14. Op uitdrukkelijk verzoek van de minister overeenkomstig artikel 9, § 2, 2°, geeft APETRA de door haar beheerde voorraden vrij. Om de injectie van verplichte voorraden zo goed mogelijk af te stemmen op de evoluerende tekorten wordt deze vrijgave uitgevoerd gespreid over één of meerdere aanbiedingsperioden die APETRA in voorbereiding van een vrijgave vastlegt in overleg met de primaire deelnemers.

  Art. 15. APETRA organiseert een logistieke matching tussen de door haar beheerde voorraden en de absolute aandelen, waarbij zij rekening houdt met de globale aflevermogelijkheden van haar depots en met de grootte van de aandelen. Hiertoe maakt APETRA in het kader van haar interne crisisvoorbereiding reeds de nodige afspraken met de primaire deelnemers en de APETRA opslagbedrijven en ticketverkopers, waaraan deze bedrijven hun bereidwillige medewerking verlenen.

  Art. 16. § 1. Per aanbiedingsperiode geeft APETRA aan de primaire deelnemers voorraden vrij ten belope van hun overeenkomstig artikel 13, § 2 toegekende absolute aandeel en overeenkomstig de spreiding van dit absolute aandeel over de aanbiedingsperiodes bedoeld in artikel 14.
  De vrijgave door APETRA bestaat, behoudens in het geval bedoeld in paragraaf 4, uit een verkoopaanbod, waarop de primaire deelnemer geheel of gedeeltelijk kan ingaan door ondertekening en terugzending van het verkoopcontract binnen de aangegeven termijn. Ingevolge deze ondertekening en terugzending wordt de primaire deelnemer koper van deze vrijgegeven voorraden.
  Onverminderd artikel 18, mogen deze gekochte voorraden enkel aangewend worden voor de bevoorrading van de Belgische markt.
  § 2. In zoverre nuttig kunnen de absolute aandelen van primaire deelnemers-raffinaderijen eveneens uitgedrukt worden in volumes ruwe aardolie, waarbij het verkoopaanbod dan betrekking heeft op de ruwe aardolie van APETRA.
  § 3. Volumes die aangeboden worden, maar waarop niet ingegaan wordt, keren terug naar de verplichte voorraden en zullen door APETRA worden vrijgegeven door middel van een concurrerende inschrijvingsprocedure waarvan de beschrijving van de opdracht door APETRA in overleg met het NOB wordt bepaald.
  § 4. Ingeval een primaire deelnemer voorraden aan APETRA ter beschikking stelt, duidt APETRA, in functie van deze terbeschikkinggestelde volumes en de volumes waarop de primaire deelnemer een absoluut aandeel heeft, deze primaire deelnemer aan als koper van deze terbeschikkinggestelde volumes en compenseert hiermee diens absoluut aandeel.

  Afdeling 5. - Andere bepalingen

  Art. 17. Indien een aanwending van verplichte voorraden op nationaal niveau tot gevolg heeft of kan hebben dat België niet langer voldoet aan de verplichtingen van artikel 2 van de Overeenkomst inzake een internationaal energieprogramma en/of artikel 3 van Richtlijn 2009/119/EG, deelt de minister dit onverwijld mee aan het IEA en de Europese Commissie. Deze mededeling vermeldt tevens om welke hoeveelheden het gaat.

  HOOFDSTUK 4. - Billijke bevoorrading

  Art. 18. § 1. In een bevoorradingscrisis bedoeld in artikel 3 of in artikel 8 zijn geregistreerde aardoliemaatschappijen ertoe gehouden om:
  1° bij prioriteit uitvoering te geven aan bestaande overeenkomsten met bestaande afnemers en;
  2° enkel nieuwe overeenkomsten met bestaande of nieuwe afnemers aan te gaan tegen gelijkwaardige contractuele voorwaarden zoals bedongen in de bestaande overeenkomsten die tijdens de voorafgaande twaalf maanden werden gesloten of die tijdens deze periode uitwerking hadden.
  § 2. De bestaande overeenkomsten zoals bedoeld in paragraaf 1 betreffen alle verkoopovereenkomsten, noodzakelijk voor de nationale handel in de aardolieproducten, die voorafgaand aan de bevoorradingscrisis werden afgesloten en die nog uitwerking hebben. Bestaande afnemers zoals bedoeld in paragraaf 1 zijn de kopers die in de periode van een maand voorafgaand aan de bevoorradingscrisis aankochten bij de geregistreerde aardoliemaatschappij.
  § 3. Bij de toepassing van de voorgaande twee paragrafen wordt desgevallend rekening gehouden met het programma ter beperking van de vraag naar aardolie bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 13 juli 1976 en de lijst met prioritaire gebruikers van aardolieproducten bedoeld in artikel 2, 4°, van de wet van 13 juli 1976.
  § 4. Dit artikel is niet van toepassing op APETRA.

  HOOFDSTUK 5. - Regels voor het aanspreken van de verplichte voorraden

  Afdeling 1. - Verplichte voorraden beheerd door voorraadplichtigen

  Art. 19. In geval van de verplichting tot tijdelijke aanwending overeenkomstig artikel 4, § 2, 1° of artikel 9, § 2, 1°, alsook in het geval van een opdracht bedoeld in artikel 5 of 10, worden de verplichte voorraden door de voorraadplichtigen op de markt aangeboden tegen voorwaarden in lijn met de op dat moment op de nationale markt geldende voorwaarden.
  Bij niet-naleving van de verplichting bedoeld in het eerste lid, wordt misbruik van machtspositie in de zin van artikel IV.2 van het Wetboek van economisch recht vermoed.

  Afdeling 2. - Verplichte voorraden beheerd door APETRA

  Art. 20. § 1. In geval van een vrijgave aan de primaire deelnemers overeenkomstig artikel 9, § 2, 2° of in geval van een opdracht bedoeld in artikel 11 behoudens in geval van een concurrerende inschrijvingsprocedure, worden de verplichte voorraden door de APETRA vrijgegeven aan een verkoopprijs die bestaat uit een productprijs die wordt aangevuld met:
  1° de gemiddelde behandelingskosten bij aflevering die een gewogen gemiddelde zijn van de gecontracteerde behandelingskosten in het geheel van door APETRA gehuurde opslagcapaciteit, zoals gepubliceerd op de website van APETRA;
  2° de locatiekost bedoeld in paragraaf 2.
  De productprijs bedoeld in het eerste lid is gebaseerd op de gemiddelde prijsnoteringen gepubliceerd door een internationaal noteringsagentschap gedurende de prijsberekeningsperiode. Indien deze noteringen niet beschikbaar zijn, dan worden deze vervangen door de best vergelijkbare index, zoals te goeder trouw bepaald door APETRA.
  De in het eerste lid bedoelde verkoopprijs is gelijk voor elke koper tijdens eenzelfde aanbiedingsperiode, met uitzondering van de locatiekosten bedoeld in paragraaf 2.
  § 2. De locatiekosten houden rekening met de locatiezone van het depot van waaruit de verplichte voorraden vrijgegeven worden en dienen vergelijkbaar te zijn met deze aangerekend door verkopers in eenzelfde locatiezone.
  § 3. De Algemene Directie staat in voor de controle van de rechtmatige vaststelling van de in paragraaf 1 bedoelde verkoopprijs en zijn bestanddelen door APETRA. Daartoe verschaft APETRA aan de Algemene Directie op diens verzoek en binnen vijf werkdagen na dit verzoek alle nodige inlichtingen over de methode waarop die vaststelling van de verkoopprijs gebeurt.
  § 4. Dit artikel is niet van toepassing wanneer APETRA een vrijgave verricht door middel van een concurrerende inschrijvingsprocedure.

  Art. 21. § 1. Voor verplichte voorraden in eigendom van APETRA komt de koopovereenkomst tot stand tussen APETRA en de koper met toepassing van de APETRA algemene verkoopsvoorwaarden. Deze voorwaarden houden een stelling van een bankgarantie of contante voorafbetaling in. APETRA verkoopt in bulk en in regel in het vrije verkeer gebruik makend van het accijnsnummer van haar opslagbedrijf. De kopers nemen hiertoe de gepaste maatregelen.
  § 2. In het bijzonder voor een vrijgave aan de nationale markt probeert APETRA zo veel als mogelijk om de normale fysieke en douane-technische afleverstromen in de commerciële depots te respecteren en de introductie van nieuwe afnemers in deze depots te vermijden.
  § 3. Voor aan APETRA ter beschikking gestelde voorraden komt, behoudens in geval van een compensatie bedoeld in artikel 16, § 4, waarvoor geen betaling plaatsvindt, de koopovereenkomst tot stand tussen de eigenaar van de aan APETRA terbeschikkinggestelde voorraden en de koper. Behoudens andersluidend akkoord tussen beide partijen zijn op deze overeenkomst de APETRA algemene verkoopsvoorwaarden van toepassing.

  HOOFDSTUK 6. - Strafbepalingen

  Art. 22. § 1. Worden gestraft met een geldboete van 15.000 tot 25.000 euro:
  1° zij die acties ondernemen die ingaan tegen de billijke bevoorrading bedoeld in de artikelen 16 en 18;
  2° zij die de overdracht van tot verbruik uitgeslagen volumes bedoeld in artikel 12, § 3, niet of niet correct doen;
  3° zij die de verplichting bedoeld in artikel 4, § 2 of de verplichting bedoeld in artikel 9, § 2 niet nakomen;
  4° zij die de opdracht bedoeld in artikel 5 of in de artikelen 10 en 11 moedwillig weigeren uit te voeren;
  5° zij die de aanbieding aan de markt bedoeld in artikel 4, § 2, 1°, en artikel 9, § 2, 1° of de vrijgave bedoeld in artikel 4, § 2, 2° en artikel 9, § 2, 2° moedwillig belemmeren.
  § 2. Worden gestraft met een geldboete die varieert tussen 5.000 en 15.000 euro: zij die de bepalingen bedoeld in de artikelen 20 en 21 niet respecteren.
  § 3. Worden gestraft met een geldboete die varieert tussen 500 en 5.000 euro: zij die de informatie-uitwisseling bedoeld in artikel 6, 1° en 2° weigeren.

  HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen

  Art. 23. Op de eerste dag van de maand na afloop van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag volgend op de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad treden in werking:
  1° artikel 2, § 1, 2° en 3° en artikel 4 van de wet van 13 juli 1976;
  2° dit besluit.

  Art. 24. De minister bevoegd voor Energie is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 5 februari 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Energie,
M. C. MARGHEM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de Grondwet, artikel 108;
   Gelet op de wet van 13 juli 1976 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake een Internationale Energieprogramma, en van de bijlage, opgemaakt te Parijs op 18 november 1974, artikel 2, § 1, 2° en 3°, en de artikelen 4 en 5, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2006;
   Gelet op het overleg met de voorraadplichtige ondernemingen, op 21 september 2016;
   Gelet op het overleg met de raad van bestuur van de naamloze vennootschap van publiek recht APETRA op 18 november 2016;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 15 mei 2018;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 28 mei 2018;
   Gelet op de regelgevingsimpactanalyse uitgevoerd op 18 mei 2018 overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
   Gelet op het advies 63.755/3 van de Raad van State, gegeven op 31 juli 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Overwegende de wet van 26 januari 2006 betreffende de aanhouding van een verplichte voorraad aardolie en aardolieproducten en de oprichting van een agentschap voor het beheer van een deel van deze voorraad en tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop;
   Overwegende het ministerieel besluit van 27 december 1978 betreffende de inschrijving van de personen die optreden in de bevoorradingsketen van het land en van de verbruikers in aardolie en aardolieproducten, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 1 december 2000 en bij de wet van 26 januari 2006;
   Overwegende dat de beschikbaarheid van de olievoorraden en de veiligstelling van de energielevering essentiële elementen vormen van de openbare veiligheid en het economische leven;
   Overwegende dat geregistreerde aardoliemaatschappijen die instaan voor de bevoorrading van de nationale en internationale markt tijdens een bevoorradingscrisis de historische raffinage-, bevoorradings- en leveringspatronen zo veel mogelijk dienen te respecteren en hun bestaande afnemers, geaffilieerd of niet, op een billijke wijze dienen te behandelen;
   Overwegende dat de verplichte voorraden kunnen worden ingezet om bevoorradingsproblemen tegen te gaan, zowel nationaal als internationaal;
   Overwegende dat de minister de nodige maatregelen kan treffen om in een bevoorradingscrisis de distributie van aardolieproducten en verplichte voorraden zo vlot mogelijk te doen verlopen en hun bereikbaarheid te vrijwaren. Dit geldt in zonderheid ook voor de verplichte voorraden die ten gunste van een andere lidstaat in België opgeslagen zijn met onderlinge goedkeuring;
   Op de voordracht van de Minister van Energie en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie