J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
6 DECEMBER 2018. - Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-07-2019 en tekstbijwerking tot 18-07-2019)

Bron : BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 18-07-2019 nummer :   2019013569 bladzijde : 72198       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2018-12-06/44
Inwerkingtreding : 01-09-2019

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL Ier. - ALGEMENE BEPALINGEN
Art. 1-5
TITEL II. - CATEGORIEEN VAN VERGUNNINGEN
Hoofdstuk 1. - Europese blauwe kaart voor de hooggekwalificeerde werknemer
Afdeling 1. - Definitie
Art. 6
Afdeling 2. - Toepassingsgebied
Art. 7
Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de Europese blauwe kaart
Art. 8-11
Hoofdstuk 2. - Vergunning voor de seizoenarbeider
Afdeling 1. - Definities
Art. 12
Afdeling 2. - Toepassingsgebied
Art. 13-14
Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de seizoenarbeidersvergunningen
Art. 15-23
Hoofdstuk 3. - Vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon en vergunning ICT voor lange-termijnmobiliteit
Afdeling 1. - Definities
Art. 24
Afdeling 2. - Toepassingsgebied
Art. 25
Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de vergunningen voor binnen een onderneming overgeplaatste persoon en de vergunningen voor lange-termijnmobiliteit
Art. 26-36
Hoofdstuk 4. - Vergunning voor een onderzoeker en vergunning voor lange-termijnmobiliteit-onderzoeker
Afdeling 1. - Definities
Art. 37
Afdeling 2. - Toepassingsgebied
Art. 38
Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de vergunningen voor onderzoeker en de vergunningen voor lange-termijnmobiliteit
Art. 39-46
Hoofdstuk 5. - Vergunning voor een stagiair
Afdeling 1. - Definities
Art. 47
Afdeling 2. - Toepassingsgebied
Art. 48
Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot vergunningen voor stagiairs
Art. 49-54
Hoofdstuk 6. - Vergunning voor een vrijwilliger in het kader van Europees vrijwilligerswerk
Afdeling 1. - Definities
Art. 55
Afdeling 2. - Toepassingsgebied
Art. 56
Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de vergunningen voor vrijwilligers
Art. 57-62
TITEL III. - SLOTBEPALING
Art. 63

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL Ier. - ALGEMENE BEPALINGEN

  Artikel 1. Dit samenwerkingsakkoord legt de specifieke uitvoeringsbepalingen vast van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten (hierna "samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018") en betreft een gedeeltelijke omzetting van:
  - richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (hierna "de richtlijn 2009/50/EG");
  - richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider (hierna " de richtlijn 2014/36/EU");
  - richtlijn 2014/66/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming - Intra Corporate Transfer "ICT" (hierna "de richtlijn 2014/66/UE");
  - richtlijn 2016/801/EU van het Europees Parlement en de Raad van11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (hierna "de richtlijn 2016/801/EU").

  Art. 2. Voor de toepassing van dit akkoord dient men te verstaan onder:
  1° " lidstaat ": de lidstaat van de Europese Unie, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken;
  2° " derde land ": een andere staat dan de staat die in punt 1 vermeld wordt.

  Art. 3. De duur van de machtiging tot verblijf stemt overeen met de duur van de toelating tot arbeid.
  De geldigheidsduur van de verblijfstitels bedoeld door dit akkoord is gelijk aan de duur van de machtiging tot verblijf met het oog op werk.
  De geldigheidsduur van de machtiging tot verblijf met het oog op werk is niet langer dan de maximale periode tijdens welke de onderdanen van derde landen op het Belgische grondgebied mogen verblijven en werken, met toepassing van de richtlijnen die in artikel 1 bedoeld zijn.

  Art. 4. § 1. De territoriaal bevoegde gewestelijke overheid moet worden kennisgegeven van elke wijziging die van invloed is op de toelatingscriteria omschreven in de regelgeving betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
  Wanneer de territoriaal bevoegde gewestelijke overheid wordt kennisgegeven van een wijziging zoals bedoeld in het vorige lid, brengt zij de Dienst Vreemdelingenzaken daarvan op de hoogte.
  Wanneer een gewestelijke overheid wordt kennisgegeven van een wijziging die van invloed is op de toelatingscriteria omschreven in de regelgeving betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, geeft zij deze wijziging door aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
  § 2. De Dienst Vreemdelingenzaken moet worden kennisgegeven van elke wijziging die van invloed is op toelatingscriteria omschreven in de regelgeving betreffende het verblijf van buitenlandse werknemers.
  Wanneer de Dienst Vreemdelingenzaken wordt kennisgegeven van een wijziging zoals bedoeld in het vorige lid, brengt hij de territoriaal bevoegde gewestelijke overheid daarvan op de hoogte.
  Wanneer de Dienst Vreemdelingenzaken wordt kennisgegeven van een wijziging die van invloed is op de toelatingscriteria omschreven in de regelgeving betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, geeft hij deze wijziging door aan de territoriaal bevoegde gewestelijke overheid.

  Art. 5. In geval van mobiliteit, is het de Dienst Vreemdelingenzaken die alle informatie ontvangt en doorgeeft aan de andere lidstaten aangaande het verkrijgen of intrekken van machtigingen tot verblijf met het oog op werk in het kader van dit akkoord.

  TITEL II. - CATEGORIEEN VAN VERGUNNINGEN

  Hoofdstuk 1. - Europese blauwe kaart voor de hooggekwalificeerde werknemer

  Afdeling 1. - Definitie

  Art. 6. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° "Europese blauwe kaart": de verblijfstitel overeenkomstig het uniforme model dat wordt beschreven in Verordening (EG) nr. 1030/2002, die een vermelding "Europese blauwe kaart" bevat, die de houder het recht geeft op het Belgische grondgebied te verblijven voor een periode van langer dan negentig dagen als hooggekwalificeerde werknemer;
  2° "hooggekwalificeerde werknemer": de werknemer die beschikt over de benodigde adequate en bijzondere vaardigheden, die blijken uit hogere beroepskwalificaties in het kader van de Europese blauwe kaart.
  3° " eerste lidstaat ":
  a) de lidstaat die als eerste de blauwe Europese kaart toekent aan een onderdaan van een derde land, of
  b) de lidstaat die de onderdaan van een derde land verlaat om zich naar een andere lidstaat te begeven in het kader van het recht op mobiliteit;
  4° " tweede lidstaat " : elke lidstaat andere dan de eerste lidstaat waarin de onderdaan van een derde land zijn recht op mobiliteit uitoefent of van plan is het uit te oefenen.

  Afdeling 2. - Toepassingsgebied

  Art. 7. Dit hoofdstuk is van toepassing op elke aanvraag voor een machtiging tot verblijf die door een onderdaan van een derde land wordt ingediend met het oog op een hooggekwalificeerde baan in het kader van de Europese blauwe kaart.

  Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de Europese blauwe kaart

  Art. 8. § 1. De aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op een hooggekwalificeerde baan kan wordt ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied bevindt.
  De onderdaan van een derde land die toegelaten of gemachtigd is op het grondgebied van het Rijk te verblijven voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt of voor een periode van meer dan negentig dagen, overeenkomstig de wetgeving inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan een in het eerste lid bedoeld aanvraag indienen.
  § 2. De onderdaan van een derde land die sinds achttien maanden in een andere lidstaat, eerste lidstaat, verblijft, als houder van een Europese blauwe kaart, kan, wanneer hij zich buiten het grondgebied bevindt, een aanvraag indienen voor een machtiging tot verblijf met het oog op een hooggekwalificeerde baan in België, tweede lidstaat, op overlegging van zijn geldige Europese blauwe kaart.
  De onderdaan van een derde land die sinds achttien maanden in een andere lidstaat, eerste lidstaat, verblijft als houder van een Europese blauwe kaart, kan, zo spoedig mogelijk en ten laatste een maand na zijn binnenkomst op het Belgische grondgebied, een aanvraag indienen voor een machtiging tot verblijf met het oog op een hooggekwalificeerde baan in België, tweede lidstaat, op overlegging van zijn geldige Europese blauwe kaart.
  In afwachting van de beslissing over zijn aanvraag, mag de onderdaan van een derde land niet werken.

  Art. 9. De beslissing met betrekking tot de aanvraag voor een machtiging tot het verblijf met het oog op een hooggekwalificeerde baan wordt ten laatste genomen negentig dagen na de kennisgeving van het feit dat de aanvraag volledig is.
  De in eerste lid bedoelde termijn kan in geen geval verlengd worden.

  Art. 10. Wanneer de onderdaan van een derde land wordt gemachtigd op het Belgische grondgebied te verblijven om een hooggekwalificeerde betrekking te vervullen, brengt de Dienst Vreemdelingenzaken de positieve beslissingen ter kennis van de diplomatieke posten en/of gemeenten.
  Wanneer de onderdaan van een derde land zich in het buitenland bevindt op de datum van de beslissing tot machtiging tot verblijf en werk, wordt hem, op zijn vraag, een visum afgegeven.
  De onderdaan van een derde land, gemachtigd om te verblijven op het Belgische grondgebied met het oog op het vervullen een hooggekwalificeerde baan wordt ingeschreven in het vreemdelingenregister.
  Er wordt hem een Europese blauwe kaart afgegeven.
  De onderdaan van een derde land, gemachtigd om te verblijven op het Belgische grondgebied met het oog op het vervullen een hooggekwalificeerde baan mag beginnen werken zodra hij in het bezit is van het voorlopig verblijfsdocument dat hem wordt afgegeven in afwachting van de afgifte van de Europese blauwe kaart, of in afwachting van de verlenging of wijziging van deze kaart.

  Art. 11. De geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart is een standaard geldigheidsduur die tussen een en vier jaar ligt, in functie van de duur van de toelating tot arbeid die door elk Gewest bepaald wordt.
  In afwijking van artikel 3 is de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart, indien de periode die door de arbeidsovereenkomst gedekt wordt korter is dan de in het eerste lid bedoelde duur, gelijk aan de duur van de arbeidsovereenkomst plus drie maanden.

  Hoofdstuk 2. - Vergunning voor de seizoenarbeider

  Afdeling 1. - Definities

  Art. 12. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° "seizoenarbeider": de onderdaan van een derde land die zijn hoofdverblijfplaats in een derde land heeft, maar legaal tijdelijk op het Belgische grondgebied verblijft om een seizoenafhankelijke activiteit uit te oefenen, op basis van één of meer arbeidsovereenkomst(en) voor bepaalde tijd die rechtstreeks tussen die onderdaan van een derde land en de op het Belgische grondgebied gevestigde werkgever zijn gesloten;
  2° "seizoenafhankelijke activiteit": de activiteit die vanwege een zich herhalende gebeurtenis of een zich herhalend patroon van gebeurtenissen, die samenhangen met seizoenomstandigheden, gebonden is aan een bepaalde tijd van het jaar waarin het aantal benodigde arbeidskrachten significant uitstijgt boven het aantal dat nodig is voor de gewoonlijk te verrichten werkzaamheden;
  3° "seizoenarbeidersvergunning": de verblijfstitel overeenkomstig het uniforme model dat wordt beschreven in Verordening (EG) nr. 1030/2002, die een vermelding "seizoenarbeider" bevat en die de houder het recht geeft op het Belgische grondgebied te verblijven en te werken voor een periode van langer dan negentig dagen.

  Afdeling 2. - Toepassingsgebied

  Art. 13. Dit hoofdstuk is van toepassing op elke aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider door een onderdaan van een derde land in één van de zoals in artikel 14 voorziene sectoren voor een periode van meer dan negentig dagen.

  Art. 14. De Gewesten stellen, elk binnen hun eigen bevoegdheden, een limitatieve lijst op van de sectoren waar seizoenafhankelijke activiteiten voorkomen.

  Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de seizoenarbeidersvergunningen

  Art. 15. De onderdaan van een derde land die als seizoenarbeider op het Belgische grondgebied wenst te worden toegelaten, moet zich op het moment van het indienen van de aanvraag, buiten het grondgebied van de lidstaten bevinden, behoudens de in artikel 21 van dit akkoord bedoelde gevallen.

  Art. 16. De aanvraag bevat een bewijs dat de seizoenarbeider tijdens zijn verblijf op een passende wijze zal worden gehuisvest, zodat hij een gepaste levensstandaard geniet, overeenkomstig de wetgeving inzake de huisvesting.
  Indien de huisvesting door of via de werkgever wordt geregeld, verstrekt de aanvrager een huurovereenkomst of een gelijkwaardig document waarin de huurvoorwaarden duidelijk staan vermeld.
  De Dienst Vreemdelingenzaken onderzoekt de elementen van het bewijs van huisvesting waar de seizoenarbeiders voor de duur van zijn verblijf zal verblijven op het Belgische grondgebied.

  Art. 17. § 1. De beslissing met betrekking tot de aanvraag voor een machtiging tot het verblijf met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider wordt ten laatste genomen negentig dagen na de kennisgeving van het feit dat de aanvraag volledig is.
  § 2. Wanneer de onderdaan van een derde land in de loop van de voorafgaande vijf jaar ten minste eenmaal als seizoenarbeider op het Belgische grondgebied werd toegelaten en tijdens elk van zijn verblijven de voorwaarden die gelden voor seizoenarbeiders heeft nageleefd, wordt de beslissing van de aanvraag ten laatste genomen zestig dagen na de kennisgeving van het feit dat de aanvraag volledig is.
  § 3. De beslissing over een aanvraag voor vernieuwing of verlenging, zoals bedoeld in artikel 21, paragrafen 1 en 2, van dit akkoord, wordt ten laatste genomen dertig dagen na de kennisgeving van het feit dat de aanvraag volledig is.
  § 4. De in paragrafen 1, 2 en 3 bedoelde termijnen kunnen in geen geval worden verlengd.

  Art. 18. Wanneer de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het Belgische grondgebied te verblijven met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider, brengt de Dienst Vreemdelingenzaken de diplomatieke posten en/of de gemeenten op de hoogte van de positieve beslissing.
  Een visum wordt hem op zijn vraag afgegeven.
  De onderdaan van een derde land die gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het Belgische grondgebied te verblijven met het hoog op tewerkstelling als seizoenarbeider, wordt in het vreemdelingenregister ingeschreven. Een seizoenarbeidersvergunning wordt hem afgegeven.
  De onderdaan van een derde land die gemachtigd is op het Belgische grondgebied te verblijven om er te werken als seizoenarbeider, kan beginnen werken zodra hij in het bezit is van een voorlopig verblijfsdocument dat is afgegeven in afwachting van de afgifte van een vergunning voor seizoenarbeid.

  Art. 19. De maximumduur voor de machtiging tot verblijf als seizoenarbeider bedraagt maximaal vijf maanden, per periode van twaalf maanden.

  Art. 20. § 1er. Binnen de maximumduur zoals bepaald in artikel 19, mag de seizoenarbeider zijn arbeidsovereenkomst met dezelfde werkgever en zijn verblijf herhaaldelijk verlengen, onder voorbehoud van de voorwaarden die bepaald zijn in de wetgevende en reglementaire normen van de partijen bij dit akkoord.
  § 2. Binnen de maximumduur zoals bepaald in artikel 19, mag de seizoenarbeider zijn arbeidsovereenkomst met een andere werkgever en zijn verblijf herhaaldelijk verlengen, onder voorbehoud van de voorwaarden die bepaald zijn in de wetgevende en reglementaire normen van de partijen bij dit akkoord.

  Art. 21. § 1. Een aanvraag voor vernieuwing van de machtiging tot verblijf met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider wordt ten laatste één maand voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige machtiging bij de gewestelijke overheid ingediend.
  De toekenning van de vernieuwing van de machtiging tot verblijf met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider doet geen afbreuk aan artikel 19.
  § 2. De onderdaan van een derde land die reeds toegelaten is tot een verblijf in de hoedanigheid van een seizoenarbeider voor een periode van ten hoogste 90 dagen en die de duur van zijn verblijf wenst te verlengen voor een periode van meer dan negentig dagen, dient een aanvraag in volgens de procedure voorzien in dit hoofdstuk. Bij een positieve beslissing over de aanvraag, zal een visum lang verblijf aan hem worden afgeleverd met de vermelding "seizoenarbeider".
  De toekenning van de machtiging tot verblijf als seizoenarbeider zoals in het eerste lid bepaald, doet geen afbreuk aan artikel 19.

  Art. 22. Wanneer de onderdaan van een derde land niet meer toegelaten is tot arbeid, eindigt zijn machtiging tot verblijf.

  Art. 23. De volgende instellingen kunnen, onder voorbehoud van de toestemming van de betrokkene, optreden, in de rechtsgeschillen waartoe de toepassing van dit hoofdstuk aanleiding kan geven, in rechte optreden ter verdediging van de rechten van de seizoenarbeider die tewerkgesteld is of was:
  1° de representatieve werknemersorganisaties bedoeld in artikel 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
  2° de representatieve vakorganisaties bedoeld in de wet van 19 december 1974 tot de regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
  3° de representatieve vakorganisaties in het aangewezen orgaan van vakbondsoverleg voor de administraties, diensten of instellingen waarop de wet van 19 december 1974 tot de regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel niet van toepassing is;
  4° elke andere door de bevoegde overheid bepaalde instelling van openbaar nut en vereniging die op de dag van de feiten tenminste drie jaar rechtspersoonlijkheid bezit en zich statutair tot doel stelt de belangen van de onderdanen van een derde land te verdedigen.

  Hoofdstuk 3. - Vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon en vergunning ICT voor lange-termijnmobiliteit

  Afdeling 1. - Definities

  Art. 24. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° "leidinggevende ICT" : een onderdaan van een derde land, lid van het hogere personeel dat in de eerste plaats leiding geeft aan de gastentiteit, onder het algemene toezicht van of aangestuurd door, in hoofdzaak, de raad van bestuur of de aandeelhouders van de onderneming of daarmee gelijkgestelde personen; deze functie omvat: het leiding geven aan de gastentiteit of een afdeling of onderafdeling daarvan; het toezicht houden op en het controleren van de werkzaamheden van andere toezichthoudende, hooggespecialiseerde of leidinggevende werknemers; het bevoegd zijn voor het aanbevelen van de indienstneming of van het ontslag van werknemers dan wel van ander optreden in het kader van het personeelsbeleid;
  2° "specialist ICT" : de onderdaan van een derde land die binnen de groep van ondernemingen werkt en die beschikt over gespecialiseerde kennis die van wezenlijk belang is voor de activiteiten, de technieken of het beheer van de gastentiteit. Bij de beoordeling van deze kennis wordt niet alleen rekening gehouden met de voor de gastentiteit specifieke kennis, maar ook met de vraag of de betrokkene hoge kwalificaties heeft, waaronder toereikende beroepservaring, voor bepaalde werkzaamheden of activiteiten waarvoor specifieke technische kennis inclusief eventueel het lidmaatschap van een erkende beroepsgroep vereist zijn;
  3° "stagiair-werknemer ICT" : de onderdaan van een derde land met een universitair diploma die voor loopbaanontwikkeling of voor een opleiding in bedrijfstechnieken of -methoden wordt overgeplaatst naar een gastentiteit en die gedurende de overplaatsing wordt bezoldigd;
  4° "vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon" : de verblijfstitel overeenkomstig het uniforme model dat wordt beschreven in Verordening (EG) nr. 1030/2002 met het acroniem "ICT" (Intra- Corporate Transfer), die de houder het recht geeft op het grondgebied van de eerste lidstaat en, waar van toepassing, van tweede lidstaten, te verblijven en te werken;
  5° "overplaatsing binnen een onderneming" : de tijdelijke detachering, voor beroepsactiviteiten of opleiding, van een onderdaan van een derde land die op het tijdstip van de aanvraag voor de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon buiten het grondgebied van de lidstaten verblijft, van een buiten het grondgebied van een lidstaat gevestigde onderneming waarmee deze onderdaan voorafgaand aan en gedurende de overplaatsing een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, naar een entiteit die behoort tot de onderneming of tot dezelfde groep van ondernemingen en die is gevestigd in die lidstaat, alsmede, waar van toepassing, de mobiliteit tussen gastentiteiten die gevestigd zijn in één of meerdere andere lidstaten;
  6° "vergunning voor lange-termijnmobiliteit" : de verblijfstitel overeenkomstig het uniforme model dat wordt beschreven in Verordening (EG) nr. 1030/2002, met het acroniem "mobile ICT", die de houder van een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon het recht geeft op het grondgebied van de tweede lidstaat te verblijven en te werken voor een periode van meer dan negentig dagen;
  7° "gastentiteit": de entiteit waarnaar de binnen een onderneming overgeplaatste persoon wordt overgeplaatst en die, ongeacht haar rechtsvorm, overeenkomstig het nationale recht is gevestigd op het grondgebied van een lidstaat;
  8° "groep van ondernemingen": het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen zoals bedoeld in artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen;
  9° "eerste lidstaat": de lidstaat die als eerste een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon afgeeft aan een onderdaan van een derde land;
  10° "tweede lidstaat": de lidstaat, niet zijnde de eerste lidstaat, waar de binnen een onderneming overgeplaatste onderdaan van een derde land voornemens is het recht op mobiliteit uit te oefenen of reeds uitoefent;
  11° "korte-termijnmobiliteit": het recht waarover de onderdaan van een derde land die in het bezit is van een geldige vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, die door de een andere lidstaat afgegeven werd, beschikt om op het Belgische grondgebied te verblijven en te werken in elke entiteit die in België is gevestigd en die tot de onderneming of dezelfde groep van ondernemingen behoort te werken, gedurende een maximale periode van negentig dagen binnen elke periode van honderdtachtig dagen, per lidstaat, onder voorbehoud van de voorwaarden die zijn bepaald in de wetgevende en reglementaire normen van de partijen bij dit akkoord;
  12° "lange-termijnmobiliteit" : het recht waarover de onderdaan van een derde land binnen de geldigheidsperiode van de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, die door de een andere lidstaat afgegeven werd, beschikt om op het Belgische grondgebied te verblijven en te werken in elke entiteit die in België is gevestigd en die tot de onderneming of dezelfde groep van ondernemingen behoort te werken, voor een periode van meer dan negentig dagen per lidstaat, en dit onder voorbehoud van de voorwaarden die bepaald zijn in de wetgevende en reglementaire normen van de partijen bij dit akkoord.

  Afdeling 2. - Toepassingsgebied

  Art. 25. Dit hoofdstuk is van toepassing op leidinggevenden ICT, specialisten ICT en stagiair-werknemers ICT die een aanvraag voor de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon of voor de vergunning voor lange-termijnmobiliteit indienen.
  De toekenning van de vernieuwing van de machtiging tot verblijf met het oog op werk voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon of van de machtiging voor lange-termijnmobiliteit doet geen afbreuk aan artikel 31.

  Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de vergunningen voor binnen een onderneming overgeplaatste persoon en de vergunningen voor lange-termijnmobiliteit

  Art. 26. De onderdaan van een derde land die een aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op werk voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon indient, moet zich op het moment van het indienen van de aanvraag, buiten het grondgebied van de lidstaten bevinden, behoudens de aanvraag tot hernieuwing van deze machtiging.

  Art. 27. De aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op werk voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon wordt ingediend bij de instanties van de lidstaat van het eerste verblijf. Indien het eerste verblijf niet het langste is, wordt de aanvraag ingediend bij de instanties van de lidstaat waar over het geheel genomen het langst durende verblijf tijdens de overplaatsing zal plaatsvinden.

  Art. 28. De beslissing met betrekking tot een aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op werk voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon of een aanvraag voor een machtiging voor lange-termijnmobiliteit wordt ten laatste binnen de negentig dagen na de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag genomen.
  De in het eerste lid bedoelde termijn kan in geen geval verlengd worden.

  Art. 29. Wanneer de onderdaan van een derde land die tijdelijk binnen een onderneming wordt overgeplaatst mag verblijven werken op het Belgische grondgebied, brengt de Dienst Vreemdelingenzaken de diplomatieke posten en/of de gemeentebesturen ter kennis van de positieve beslissing.
  Een visum wordt hem op zijn vraag afgegeven.
  De onderdaan van een derde land die tijdelijk binnen een onderneming wordt overgeplaatst en gemachtigd is om te verblijven en te werken op het Belgische grondgebied wordt ingeschreven in het vreemdelingenregister, en hem wordt een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon afgegeven.
  De onderdaan van een derde land die gemachtigd is op het Belgische grondgebied te verblijven, mag beginnen werken zodra hij in het bezit is van het voorlopig verblijfsdocument dat hem is afgegeven in afwachting van de afgifte van de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, of in afwachting van de verlenging of de wijziging van deze vergunning.

  Art. 30. Een vergunning voor lange-termijnmobiliteit wordt afgeleverd aan de onderdaan van een derde land die houder is van een door een andere lidstaat afgegeven vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, en die gemachtigd wordt om op het Belgisch grondgebied te verblijven en te werken.

  Art. 31. De maximumduur van de overplaatsing binnen een onderneming is drie jaar voor de leidinggevende ICT en specialisten ICT en een jaar voor de stagiair-werknemers ICT.

  Art. 32. De volledige aanvraag voor een machtiging voor lange-termijnmobiliteit wordt minstens twintig dagen voor de aanvang van de mobiliteit ingediend.
  Wanneer de noodzaak van lange-termijnmobiliteit zich aandient nadat de korte-termijnmobiliteit van de binnen een onderneming overgeplaatste persoon is ingegaan, wordt de volledige aanvraag voor lange-termijnmobiliteit minstens twintig dagen voor de afloop van de korte-termijnmobiliteit ingediend.

  Art. 33. De binnen een onderneming overgeplaatste persoon mag op het Belgische grondgebied beginnen werken totdat een beslissing werd genomen over zijn aanvraag voor lange-termijnmobiliteit op voorwaarde dat:
  - de periode voor korte-termijnmobiliteit en de geldigheidsperiode van de door de eerste lidstaat afgegeven vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon zijn niet verstreken; en
  - de volledige aanvraag voor een machtiging lange-termijnmobiliteit werd minstens twintig dagen voor de aanvang van lange-termijnmobiliteit ingediend, overeenkomstig artikel 32, eerste lid, van dit akkoord.

  Art. 34. De vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon en de vergunning voor lange-termijnmobiliteit machtigt de houder ervan de specifieke beroepsactiviteit te verrichten in elke gastentiteit die tot de onderneming of de groep van ondernemingen behoort en die gevestigd is op het Belgische grondgebied.

  Art. 35. Wanneer de onderdaan van een derde land niet meer toegelaten is tot arbeid, eindigt zijn machtiging tot verblijf.

  Art. 36. Wanneer de maximumduur van de overplaatsing binnen een onderneming, zoals voorzien in artikel 31, werd bereikt, kan de onderdaan van een derde land een nieuwe aanvraag voor een overplaatsing binnen een onderneming indienen alleen na een verloop van een periode van drie maanden.

  Hoofdstuk 4. - Vergunning voor een onderzoeker en vergunning voor lange-termijnmobiliteit-onderzoeker

  Afdeling 1. - Definities

  Art. 37. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° "onderzoeker" : een onderdaan van een derde land die een doctorsgraad heeft of een passend diploma van het hoger onderwijs dat deze derdelander toegang geeft tot doctoraatsprogramma's en die door een onderzoeksinstelling is geselecteerd en tot het Belgische grondgebied is toegelaten om een onderzoeksproject uit te voeren waarvoor die graad of dat diploma doorgaans vereist zijn;
  2° "erkende onderzoeksinstelling": onderzoekinstelling die erkend is bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten;
  3° "gastovereenkomst": de overeenkomst tussen de erkende onderzoeksinstelling en de onderzoeker, die, onder voorbehoud van andersluidende gewestelijke bepalingen, afgesloten wordt overeenkomstig titel III van het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet-EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
  4° "eerste lidstaat": de lidstaat die als eerste een vergunning met het oog op onderzoek afgeeft aan een onderdaan van een derde land;
  5° "tweede lidstaat": de lidstaat, niet zijnde de eerste lidstaat, waar de onderzoeker voornemens heeft het recht op mobiliteit uit te oefenen of reeds uitoefent;
  6° "vergunning voor onderzoeker": de verblijfstitel conform het uniforme model dat wordt beschreven in Verordening (EG) nr. 1030/2002, die een vermelding "onderzoeker" bevat en die de houder het recht geeft op het Belgische grondgebied te verblijven en te werken voor een periode van langer dan negentig dagen teneinde er onderzoekswerk uit te voeren;
  7° "vergunning voor lange-termijnmobiliteit": de verblijfstitel conform het uniforme model dat wordt beschreven in Verordening (EG) nr. 1030/2002, dat een vermelding "onderzoekersmobiliteit" bevat en de houder van een vergunning met het oog op onderzoek het recht geeft op het Belgische grondgebied te verblijven en te werken voor een periode van langer dan 180 dagen teneinde er onderzoekswerk uit te voeren;
  8° "onderzoek": stelselmatig verricht creatief werk ter vergroting van het kennisbestand, waaronder de kennis van mens, cultuur en samenleving, alsmede de aanwending van dit kennisbestand voor nieuwe toepassingen;
  9° "korte-termijnmobiliteit": het recht waarover de onderdaan van een derde land beschikt die in het bezit is van een geldige vergunning voor onderzoeker, die door een andere lidstaat afgegeven werd, om op het Belgische grondgebied te verblijven om er een deel van zijn onderzoek te voeren, gedurende een periode van honderdtachtig dagen binnen elke periode van driehonderdzestig dagen, onder de voorwaarden die bepaald zijn in de wetgevende en reglementaire normen van partijen bij dit akkoord;
  10° "lange-termijnmobiliteit":
  het recht waarover de onderdaan van een derde land beschikt om binnen de geldigheidsperiode van de vergunning voor onderzoeker, afgegeven door een andere lidstaat, op het Belgische grondgebied te verblijven om er een deel van zijn onderzoek uit te voeren, gedurende een periode van meer dan honderdtachtig dagen, onder van de voorwaarden die zijn bepaald in de wetgevende en reglementaire normen van de partijen bij dit akkoord.

  Afdeling 2. - Toepassingsgebied

  Art. 38. Dit hoofdstuk is van toepassing op elke aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op onderzoek of voor een machtiging voor lange-termijnmobiliteit, door een onderdaan van een derde land op basis van een gastovereenkomst bij een erkende onderzoeksinstelling .

  Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de vergunningen voor onderzoeker en de vergunningen voor lange-termijnmobiliteit

  Art. 39. De aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op onderzoek wordt ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied bevindt.
  De onderdaan van een derde land die toegelaten of gemachtigd is op het grondgebied van het Rijk te verblijven voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt of voor een periode van meer dan negentig dagen, overeenkomstig de wetgeving inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan een in het eerste lid bedoeld aanvraag indienen.

  Art. 40. § 1. Elke beslissing met betrekking tot een aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op onderzoek wordt ten laatste binnen de zestig dagen na de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag genomen worden.
  Elke beslissing met betrekking tot een aanvraag voor lange-termijnmobiliteit wordt ten laatste binnen de negentig dagen na de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag genomen worden.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde termijn van zestig of negentig dagen kan in geen geval verlengd worden.

  Art. 41. Wanneer de onderdaan van een derde land gemachtigd is om met het oog op onderzoek op het Belgisch grondgebied te verblijven brengt de Dienst Vreemdelingenzaken de diplomatieke posten en/of de gemeenten op de hoogte van de positieve beslissingen.
  Wanneer de onderdaan van een derde land zich in het buitenland bevindt op de datum van de beslissing tot de machtiging tot verblijf en werk, wordt hem op zijn vraag een visum afgegeven.
  De onderdaan van een derde land die tot het verblijf is gemachtigd om onderzoekswerk te verrichten, wordt ingeschreven in het vreemdelingregister.
  Een vergunning voor onderzoeker wordt hem afgegeven.
  De onderdaan van een derde land die gemachtigd is om op het Belgische grondgebied te verblijven mag zijn onderzoekswerk beginnen zodra hij in het bezit is van het voorlopig verblijfsdocument dat hem wordt afgegeven in afwachting van de afgifte van de vergunning voor onderzoeker.

  Art. 42. Na zijn onderzoekswerk te hebben verricht, heeft de houder van een vergunning voor onderzoeker de mogelijkheid een aanvraag voor een machtiging tot verblijf in te dienen om werk te zoeken overeenkomstig de wetgeving inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  Wanneer de machtiging tot verblijf wordt verleend, wordt hem een verblijfstitel conform Verordening nr. 1030/2002 afgegeven met een duur van twaalf maanden.
  Ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de verblijfstitel bedoeld in het tweede lid, kan de betrokkene een aanvraag voor een gecombineerde vergunning indienen op het Belgische grondgebied volgens de procedure vastgelegd in het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 of een aanvraag bedoeld in dit akkoord.

  Art. 43. Een vergunning voor lange-termijnmobiliteit wordt afgeleverd aan de onderdaan van een derde land die houder is van een door een andere lidstaat, eerste lidstaat, afgegeven vergunning met het oog op onderzoek, en die gemachtigd wordt om in België, tweede lidstaat, te verblijven en te werken.

  Art. 44. De volledige aanvraag voor een machtiging voor lange-termijnmobiliteit wordt ingediend minstens dertig dagen voor de aanvang van de mobiliteit.
  Wanneer de noodzaak van lange-termijnmobiliteit zich aandient nadat de korte-termijnmobiliteit van de onderzoeker is ingegaan, wordt de aanvraag van lange-termijnmobiliteit minstens dertig dagen voor de afloop van de korte-termijnmobiliteit ingediend.

  Art. 45. De onderzoeker mag een deel van zijn onderzoek in de onderzoeksinstelling op het Belgische grondgebied verrichten totdat een beslissing werd genomen over zijn aanvraag voor lange-termijnmobiliteit op voorwaarde dat:
  1° de periode voor korte-termijnmobiliteit en de geldigheidsperiode van de door de eerste lidstaat afgegeven vergunning is niet verstreken; en
  2° de volledige aanvraag voor een machtiging lange-termijnmobiliteit werd minstens dertig dagen voor de aanvang van mobiliteit ingediend, overeenkomstig artikel 44, eerste lid van dit akkoord.

  Art. 46. De machtiging voor lange-termijnmobiliteit wordt afgegeven voor de duur van het onderzoeksproject dat in de onderzoeksinstelling op het Belgische grondgebied wordt uitgevoerd.

  Hoofdstuk 5. - Vergunning voor een stagiair

  Afdeling 1. - Definities

  Art. 47. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° "stagiair": de onderdaan van een derde land die in het bezit is van een diploma van het hoger onderwijs of een opleiding volgt in een derde land die leidt tot een diploma van hoger onderwijs en die is toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat voor een opleidingsprogramma met het oog op het opdoen van kennis, praktijk en ervaring in de beroepswereld;
  2° "vergunning voor stagiair": de verblijfstitel conform het uniforme model dat wordt beschreven in Verordening (EG) nr. 1030/2002, die een vermelding "stagiair" bevat en die de houder het recht geeft op het Belgische grondgebied te verblijven voor een periode van langer dan negentig dagen om er een stage te volbrengen.
  3° "stage": de opleidingsprogramma bij een werkgever met het oog op het opdoen van kennis, praktijk en ervaring in de beroepswereld die leidt tot een diploma van het hoger onderwijs of als voorzetting van de voorafgaande studie.

  Afdeling 2. - Toepassingsgebied

  Art. 48. Dit hoofdstuk is van toepassing op elke aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op stage door een onderdaan van een derde land.

  Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot vergunningen voor stagiairs

  Art. 49. De aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op stage kan wordt ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied bevindt.
  De onderdaan van een derde land die voor een periode van meer dan negentig dagen toegelaten of gemachtigd is tot verblijf overeenkomstig de wetgeving inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf kan een in het eerste lid bedoelde aanvraag indienen.

  Art. 50. Wanneer de stagiair gedurende het gehele verblijf, bij de gastentiteit verblijft, bevat de aanvraag een bewijs dat de stagiair tijdens zijn verblijf op een passende wijze zal worden gehuisvest, zodat hij een gepaste levensstandaard geniet, overeenkomstig de wetgeving inzake de huisvesting.
  De Dienst Vreemdelingenzaken onderzoekt de elementen van het bewijs van huisvesting waar de stagiair voor de duur van zijn verblijf zal verblijven op het Belgische grondgebied.

  Art. 51. De beslissing met betrekking tot de aanvraag voor een machtiging tot het verblijf met het oog op stage wordt ten laatste genomen negentig dagen na de kennisgeving van het feit dat de aanvraag volledig is.
  De in paragraaf 1 bedoelde termijn kan in geen geval verlengd worden.

  Art. 52. Wanneer de onderdaan van een derde land gemachtigd is te verblijven op het Belgische grondgebied met het oog op een stage, brengt de Dienst Vreemdelingenzaken de positieve beslissingen ter kennis van de diplomatieke posten en/of gemeentebesturen.
  Wanneer de onderdaan van een derde land zich in het buitenland bevindt op de datum van de beslissing tot machtiging tot verblijf en tot machtiging tot stage, wordt hem, op zijn vraag, een visum afgegeven.
  De onderdaan van een derde land die tot het verblijf is gemachtigd met het oog op een stage wordt ingeschreven in het bevolkingsregister.
  Een vergunning voor stagiair wordt hem afgegeven.
  De onderdaan van een derde land die gemachtigd is tot het verblijf op het Belgische grondgebied, kan met zijn stage beginnen zodra hij in het bezit is van het voorlopig verblijfsdocument dat hem wordt afgegeven in afwachting van de afgifte van de vergunning voor stagiair.

  Art. 53. § 1. De duur van de machtiging tot verblijf komt overeen met de duur van de machtiging tot stage.
  De geldigheidsduur van een machtiging tot verblijf met het oog op een stage bedraagt zes maanden.
  De geldigheidsduur van de vergunning voor stagiair bedraagt zes maanden.
  § 2. Indien de gewestelijke wetgeving dit toelaat, kan de onderdaan van een derde land één keer een aanvraag voor vernieuwing van de in het eerste lid bedoelde machtiging indienen, voor de duur die noodzakelijk is om de stage te kunnen voltooien.

  Art. 54. Wanneer de onderdaan van een derde land niet meer toegelaten is om zijn stage te volbrengen, eindigt zijn machtiging tot verblijf.

  Hoofdstuk 6. - Vergunning voor een vrijwilliger in het kader van Europees vrijwilligerswerk

  Afdeling 1. - Definities

  Art. 55. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° "vrijwilliger": de onderdaan van een derde land die is toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat om deel te nemen aan een vrijwilligersprogramma in het kader van Europees vrijwilligerswerk;
  2° "vrijwilligersprogramma": het programma voor concrete solidariteitsactiviteiten op basis van een door de betrokken lidstaat of de Unie als zodanig erkend programma dat zonder winstoogmerk doelstellingen van algemeen belang nastreeft, waarin de activiteiten niet worden vergoed, met uitzondering van onkostenvergoeding en/of zakgeld;
  3° "vergunning voor vrijwilliger": de verblijfstitel die beantwoordt aan het uniforme model dat wordt beschreven in Verordening (EG) nr. 1030/2002, die een vermelding "vrijwilliger" bevat en die de houder het recht geeft op het Belgische grondgebied te verblijven voor een periode van langer dan negentig dagen met het oog op vrijwilligerswerk.

  Afdeling 2. - Toepassingsgebied

  Art. 56. Dit hoofdstuk is van toepassing op elke aanvraag voor een machtiging tot verblijf door een onderdaan van een derde land met het oog vrijwilligerswerk in het kader van Europees vrijwilligerswerk.

  Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de vergunningen voor vrijwilligers

  Art. 57. De aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op vrijwilligerswerk wordt ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied bevindt.
  De onderdaan van een derde land die voor een periode van meer dan negentig dagen toegelaten of gemachtigd is tot verblijf overeenkomstig de wetgeving inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf kan een in het eerste lid bedoelde aanvraag indienen.

  Art. 58. De beslissing met betrekking tot de aanvraag voor een machtiging tot het verblijf met het oog op vrijwilligerswerk wordt ten laatste genomen negentig dagen na de kennisgeving van het feit dat de aanvraag volledig is.
  De termijn bedoeld in het eerste lid kan in geen geval worden verlengd.

  Art. 59. Wanneer de onderdaan van een derde land wordt gemachtigd om op het Belgische grondgebied te verblijven met het oog op vrijwilligerswerk, brengt de Dienst Vreemdelingenzaken de positieve beslissingen ter kennis van de diplomatieke posten.
  Op zijn vraag wordt hem een visum afgegeven.
  De onderdaan van een derde land die tot het verblijf is gemachtigd met het oog op vrijwilligerswerk wordt ingeschreven in het vreemdelingenregister.
  Een vergunning voor vrijwilligerswerk wordt hem afgegeven.
  De onderdaan van een derde land die gemachtigd is tot het verblijf op het Belgische grondgebied, kan met zijn vrijwilligerswerk beginnen zodra hij in het bezit is van het voorlopig verblijfsdocument dat hem wordt afgegeven in afwachting van de afgifte van de vergunning voor vrijwilligerswerk.

  Art. 60. Wanneer de vrijwilliger gedurende het gehele verblijf, bij de gastentiteit verblijft, bevat de aanvraag een bewijs dat de vrijwilliger tijdens zijn verblijf op een passende wijze zal worden gehuisvest, zodat hij een gepaste levensstandaard geniet, overeenkomstig de wetgeving inzake de huisvesting.
  De Dienst Vreemdelingenzaken onderzoekt de elementen van het bewijs van huisvesting waar de vrijwilliger voor de duur van zijn verblijf zal verblijven op het Belgische grondgebied.

  Art. 61. De duur van de machtiging tot verblijf komt overeen met de duur van de machtiging tot vrijwilligerswerk.
  De geldigheidsduur van een machtiging tot verblijf met het oog op vrijwilligerswerk bedraagt één jaar, en kan in geen geval verlengd worden.
  De geldigheidsduur van de vergunning voor vrijwilligers komt overeen met de geldigheidsduur van de machtiging tot verblijf met het oog op vrijwilligerswerk.

  Art. 62. Wanneer de onderdaan van een derde land niet meer toegelaten is om vrijwilligerswerk te doen, eindigt zijn machtiging tot verblijf.

  TITEL III. - SLOTBEPALING

  Art. 63.[1 § 1 Dit akkoord treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van dertig dagen die ingaat de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad
   § 2. In afwijking van paragraaf 1, treedt het akkoord, wat de categorieën van werknemers betreft bedoeld in de hoofdstukken 3, 4, 5 en 6 van Titel II, in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van dertig dagen die ingaat de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad van de wijzigingsakten van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen die deze bepalingen volledig uitvoeren.
   § 3. De minister die bevoegd is voor asiel en migratie is belast met de bekendmaking van dit akkoord.]1
  ----------
  (1)<NO 2019-05-28/08, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 18-07-2019>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Getekend te Brussel, op 6 december 2018, in een enkel oorspronkelijk exemplaar in het Frans en in het Nederlands, dat zal worden neergelegd bij de Centrale Secretarie van het Overlegcomité.
Voor de Federale Staat :
De Vice-eersteminister en Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel,
K. PEETERS
De Vice-eersteminister en Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen,
J. JAMBON
De Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,
T. FRANCKEN
Voor het Vlaamse Gewest :
De Minister-President van de Vlaamse Regering,
G. BOURGEOIS
De Minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport,
Ph. MUYTERS
Voor het Waalse Gewest :
De Minister-President van de Waalse Regering,
W. BORSUS
De Viceminister-President en Minister van Economie, Industrie, Onderzoek, Innovatie, Digitalisering, Werk en Vorming,
P.-Y. JEHOLET
Voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest :
De Minister-President van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,
R. VERVOORT
De Minister belast met Tewerkstelling, Economie, Brandbestrijding en Dringende medische hulp,
D. GOSUIN
Voor de Duitstalige Gemeenschap :
De Minister-President van de Duitstalige Gemeenschap
O. PAASCH
De Viceminister-President, Minister van Cultuur, Werkgelegenheid en Toerisme,
I. WEYKMANS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Gelet op de Grondwet, de artikelen 39 en 139;
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 6, § 1, IX, 3° en 4°, en artikel 92bis, §§ 1 en 3, c;
   Gelet op het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten
   Gelet op de wet van 12 november 2018 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
   Gelet op het decreet van 15 maart 2018 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord gesloten te Brussel op 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waalse Gewest, het Vlaamse Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap over de coördinatie van het beleid voor de toekenning van arbeidsvergunningen en voor de toekenning van de verblijfsvergunning, alsook de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse werknemers;
   Gelet op het decreet van 23 maart 2018 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
   Gelet op de ordonnantie van 19 april 2018 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
   Gelet op het decreet van 23 april 2018 instemming met het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten, gedaan te Brussel op 2 februari 2018;
   TUSSEN
   De Federale Staat, vertegenwoordigd door de Federale Regering, in de persoon van de Vice-eersteminister en Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, van de Vice-eersteminister en Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der gebouwen, en van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging ;
   Het Vlaams Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President van de Vlaamse Regering en van de Minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport ;
   Het Waals Gewest, vertegenwoordigd door de Waalse Regering, in de persoon van de Minister-President van de Waalse Regering en van de Viceminister-President en Minister van Economie, Industrie, Onderzoek, Innovatie, Digitalisering, Werk en Vorming;
   Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, in de persoon van de Minister-President van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en van de Minister belast met Tewerkstelling, Economie, Brandbestrijding en Dringende medische hulp;
   De Duitstalige Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, in de persoon van de Minister-president van de Duitstalige Gemeenschap en de Viceminister-President, Minister van Cultuur, Werkgelegenheid en Toerisme.
   IS HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • SAMENWERKINGSAKKOORD (NATIONAAL) VAN 28-05-2019 GEPUBL. OP 18-07-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 63)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       I. ALGEMENE COMMENTAAR
       1. Doelstelling van het akkoord
       Ingevolge de bijzondere wet met betrekking tot de zesde staatshervorming van 6 januari 2014 (B.S., 31 januari 2014), die in werking trad op 1 juli 2014, zijn de bevoegdheden inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers overgedragen aan de deelstaten. De reglementering inzake de toegang tot werk naar gelang van de verblijfssituatie van de betrokken personen en ook de regels inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen blijven evenwel een federale bevoegdheid.
       Artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna: "BWHI"), verplicht in zijn paragrafen 1 en 3, c), de Federale Overheid en de Gewesten een samenwerkingsakkoord af te sluiten voor het coördineren van het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten.
       Bovendien staat artikel 92bis, paragraaf 1, derde lid, van de BWHI toe, dat een samenwerkingsakkoord, dat de vereiste instemming heeft gekregen, bepaalt dat zijn toepassing wordt gegarandeerd door uitvoeringsbesluiten die uitwerking hebben zonder dat de parlementaire instemming is vereist.
       Op 2 februari 2018 hebben de Federale Staat, de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap een samenwerkingsakkoord gesloten over het coördineren van het beleid inzake arbeidsvergunningen en het beleid inzake verblijfsvergunningen en inzake de regels betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (hierna: "samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018"). Dit akkoord is een gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de gecombineerde aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (hierna: "richtlijn 2011/98/EU"). Het is overigens van toepassing op alle aanvragen voor een machtiging tot verblijf ingediend met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen, die op Belgisch niveau de oprichting van de gecombineerde procedure vereisen met inbegrip van de aanvragen ingediend op grond van andere Europese richtlijnen op het gebied van de economische migratie. Artikel 1, paragraaf 2, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 bepaalt immers: "Dit samenwerkingsakkoord is van toepassing op de richtlijnen die zijn uitgevaardigd op grond van artikel 79, lid 2,a) en b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, wanneer ze de voorwaarden voor toegang en verblijf van de onderdanen van derde landen met het oog op een tewerkstelling gedurende meer dan negentig dagen bepalen, en wanneer ze de invoering van één enkele procedure op het Belgische niveau noodzakelijk maken. ". Artikel 1, paragraaf 2, tweede lid, zegt: "De partijen kunnen, met een samenwerkingsakkoord zoals voorgeschreven bij artikel 92bis, § 1, derde lid, van de bijzondere wet, de bijzondere bepalingen voor de uitvoering van dit akkoord die van toepassing zijn op deze richtlijnen vaststellen".
       Dit samenwerkingsakkoord voorziet dus in de bijzondere uitvoeringsbepalingen van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.
       Verder zet het de volgende richtlijnen gedeeltelijk om:
       - richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (hierna "richtlijn 2009/50/EG");
       - richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider (hierna "richtlijn 2014/36/EU");
       - richtlijn 2014/66/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming (hierna "richtlijn 2014/66/EU" );
       - richtlijn 2016/801/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (hierna "richtlijn 2016/801/EU").
       De bovenvermelde richtlijnen worden gedeeltelijk omgezet, aangezien hun omzetting ook wordt uitgevoerd door andere wet- en regelgeving die behoort tot de bevoegdheid van de verschillende op dit gebied bevoegde ministers.
       De richtlijnen die gedeeltelijk worden omgezet bij dit akkoord maken deel uit van het actieplan betreffende legale migratie aangenomen door de Europese Commissie in 2005.
       2. Richtlijn 2009/50/EG
       Richtlijn 2009/50/EG moet ertoe bijdragen dat de doelstellingen van Lissabonstrategie worden verwezenlijkt en de tekorten aan arbeidskrachten opgevangen. Zij bevordert de toegang en de mobiliteit met het oog op een hooggekwalificeerde baan van onderdanen van derde landen voor een verblijf van langer dan negentig dagen. Dit met het oog om de Europese Unie wereldwijd aantrekkelijk te maken voor hoogopgeleide werknemers en de economische groei te verstevigen. De toegang voor hoogopgeleide werknemers (en hun gezinsleden) moet daardoor worden versoepeld en moeten ze op bepaalde gebieden dezelfde sociale en economische rechten krijgen als de nationale onderdanen van de lidstaten.
       Deze richtlijn heeft dus twee doelstellingen:
       - een bijzondere procedure invoeren voor de binnenkomst en het verblijf van de onderdanen van derde landen die op het grondgebied van de Europese Unie wensen te verblijven om er een hooggekwalificeerde baan uit te oefenen gedurende meer dan drie maanden;
       - de voorwaarden bepalen waaronder de onderdanen van derde landen die in een lidstaat een blauwe kaart verkregen samen met hun gezin in andere lidstaten mogen verblijven.
       3. Richtlijn 2014/36/EU
       Richtlijn 2014/36/EU bepaalt de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider.
       Deze richtlijn beoogt bij te dragen tot een doeltreffend beheer van de migratiestromen voor de specifieke categorie van tijdelijke seizoenmigratie.
       Verder verplicht deze richtlijn de lidstaten tot het garanderen van behoorlijke arbeidsvoorwaarden en levensomstandigheden voor seizoenarbeiders, door de invoering van eerlijke en transparante regels voor toelating en verblijf en het vaststellen van de rechten van seizoenarbeiders.
       Er zijn echter ook stimulansen en waarborgen ingebouwd om te voorkomen dat het verblijf van de seizoenmigranten langer duurt dan is toegestaan of dat een tijdelijk verblijf permanent wordt.
       Voor een verblijf van ten hoogste negentig dagen geldt deze richtlijn onverminderd het Schengenacquis en met name de Visumcode, de Schengengrenscode en Verordening nr. 539/2001. De aanvragen van ten hoogste negentig dagen vallen echter buiten het toepassingsgebied van dit samenwerkingsakkoord.
       De richtlijn is van toepassing voor de onderdanen van derde die zich op het moment van het indienen van de aanvraag om toegelaten te worden tot het grondgebied als seizoenarbeider, buiten het grondgebied van de lidstaten bevinden.
       4. Richtlijn 2014/66/EU
       Richtlijn 2014/66/EU houdt in dat de multinationale ondernemingen gemakkelijker en sneller hooggekwalificeerde werknemers tijdelijk ter beschikking kunnen stellen in dochterondernemingen in de Europese Unie. Verder legt zij een gemeenschappelijk pakket van rechten vast voor de onderdanen van derde landen die binnen een onderneming worden overgeplaatst, om te vermijden dat ze worden uitgebuit en om concurrentievervalsing te voorkomen. Ten slotte vergemakkelijkt ze de mobiliteit binnen de Europese Unie voor deze categorie van gedetacheerde werknemers.
       Richtlijn 2014/66/EU is van toepassing op de onderdanen van derde landen die buiten de Europese Unie verblijven op het ogenblik van de indiening van hun aanvraag of die al op het grondgebied van een lidstaat waren toegelaten, krachtens deze richtlijn, in het geval van detachering binnen hun onderneming.
       Net zoals richtlijn 2011/98/EU, maakt richtlijn 2014/66/EU deel uit van de maatregelen die de Europese Unie heeft genomen om de immigratie van onderdanen van derde landen voor economische doeleinden op zijn grondgebied te vergemakkelijken. Deze twee richtlijnen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, te meer daar richtlijn 2014/66/EU een één- aanvraagprocedure oplegt (zie artikel 11, lid 5, van richtlijn 2014/66/EU) en uitdrukkelijk verwijst naar de gecombineerde vergunning in zijn overwegingen (zie met name overweging nr. 30).
       5. Richtlijn 2016/801/EU
       Richtlijn 2016/801/EU is een fusie en een herziening van richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk en richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek Richtlijn 2016/801/EU biedt een antwoord op de uitvoeringsverslagen door het verbeteren van de tekortkomingen die erin werd vastgesteld.
       Het doel van de nieuwe richtlijn is de verbetering van het juridische kader voor de toegang en het verblijf van de onderdanen van derde landen die vallen in het toepassingsgebied van de twee bovengenoemde richtlijnen, en de uitbreiding van de werkingssfeer van de richtlijn tot nieuwe categorieën onderdanen van derde landen.
       Deze richtlijn heeft verscheidene doelstellingen:
       - bepalen van de voorwaarden van binnenkomst en verblijf voor onderdanen van derde landen op het grondgebied van de lidstaten, voor een langere duur dan drie maanden, met het oog op onderzoek, scholierenuitwisseling, bezoldigde en onbezoldigde opleiding vrijwilligerswerk en au pair werk;
       - bepalen van de voorwaarden van binnenkomst en verblijf voor onderdanen van derde landen die student of bezoldigd stagiair zijn in lidstaten andere dan de lidstaat die oorspronkelijk een machtiging heeft afgegeven krachtens de richtlijn;
       - bepalen van de voorwaarden van binnenkomst en verblijf voor de onderdanen van derde landen die onderzoeker zijn in lidstaten andere dan de lidstaat die oorspronkelijk aan de onderdaan van een derde land een machtiging heeft afgegeven krachtens de richtlijn;
       De Europese Unie wordt gepromoot als aantrekkelijke locatie voor onderzoek en innovatie en wordt gepoogd haar mondiale concurrentiepositie tot het aantrekken van talent te verbeteren. Dit, teneinde ook de algehele concurrentiekracht en groeicijfers voort te stuwen en banen te creëren. De tenuitvoerlegging van de richtlijn mag echter geen stimulans vormen voor een braindrain uit opkomende economieën en ontwikkelingslanden. Een goed evenwicht is aldus noodzakelijk.
       Verder wordt, zoals de andere richtlijnen omtrent legale migratie, ook hier ingezet op het faciliteren van mobiliteit tussen de lidstaten van de Europese Unie.
       II. ARTIKELSGEWIJZE COMMENTAAR :
       Artikel 1
       Artikel 1 van dit akkoord is een toepassing van artikel 1, paragraaf 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018. Dit artikel schrijft voor, in zijn eerste lid, dat het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 van toepassing is op de richtlijnen die zijn uitgevaardigd op grond van artikel 79, lid 2, a) en b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, wanneer ze de voorwaarden voor toegang en verblijf van de onderdanen van derde landen met het oog op een tewerkstelling gedurende meer dan negentig dagen bepalen, en wanneer ze de invoering van één enkele procedure op het Belgische niveau noodzakelijk maken. Het verduidelijkt, in een tweede lid, dat de partijen, met een samenwerkingsakkoord zoals voorgeschreven bij artikel 92bis, § 1, derde lid, van de BWHI, de bijzondere bepalingen voor de uitvoering van dit akkoord die van toepassing zijn op deze richtlijnen kunnen vaststellen.
       Overigens is artikel 1 van dit akkoord ook een toepassing van artikel 23 van richtlijn 2009/50/EG, van artikel 28, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2014/36/EU; van artikel 27, lid 1, tweede lid, van richtlijn 2014/66/EU en van artikel 40, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2016/801/EU. Deze artikelen bepalen dat wanneer de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aannemen om aan een richtlijn te voldoen, deze bepalingen een verwijzing naar de richtlijn moeten bevatten of dat bij hun officiële bekendmaking naar de richtlijn moet worden verwezen.
       De omzetting door dit akkoord is gedeeltelijk. De omzetting van de bovenvermelde richtlijnen wordt immers ook uitgevoerd door andere wet- en regelgeving die tot de bevoegdheid behoort van de verschillende bevoegde federale en gefedereerde overheden inzake de gemeenschappelijke rechten van de economische migranten (arbeidsvoorwaarden, vrijheid van vereniging, opleiding en taalcursussen, erkenning van diploma's, toegang tot takken van de sociale zekerheid, goederen en diensten, huisvesting, adviesdiensten, exporteren van pensioenrechten - artikel 14 van richtlijn 2009/50/EG, artikel 23 van richtlijn 2014/36/EU, artikel 18 van richtlijn 2014/66/EU, artikel 22 van richtlijn 2016/801/EU) en de eigen bevoegdheden van de partijen bij dit akkoord.
       Artikel 2
       Deze bepaling omschrijft de begrippen lidstaat en derde land.
       Overeenkomstig de artikelen 1, 2 en 4bis van het Protocol over de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, gevoegd bij het verdrag over de Europese Unie en het verdrag over de werking van de Europese Unie, zijn deze staten niet gebonden door de richtlijnen bedoeld in artikel 1, en zijn deze richtlijnen niet op hen van toepassing.
       Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol over de positie van Denemarken, gevoegd bij het verdrag over de Europese Unie en het verdrag over de werking van de Europese Unie, zijn deze staten niet gebonden door de richtlijnen bedoeld in artikel 1, en zijn deze richtlijnen niet op hen van toepassing.
       Artikel 3
       Deze bepaling schrijft voor, in haar eerste lid, dat de duur van de periode waarin de onderdanen van derde landen in het kader van dit akkoord zijn gemachtigd om op het Belgische grondgebied te verblijven overeenkomt met de duur van de periode waarin ze op het Belgische grondgebied mogen werken.
       Het tweede lid vermeldt de geldigheidsduur van de verschillende verblijfstitels afgegeven in het kader van dit akkoord.
       De bepaling voegt hieraan toe, in haar derde lid, dat de geldigheidsduur van de machtiging tot verblijf met het oog op werk niet langer mag zijn dan de maximumperiode, zoals wordt voorzien door de richtlijnen van dit akkoord, waarin de onderdanen van een derde land op het Belgische grondgebied mogen verblijven en werken.
       Zo mag bijvoorbeeld de geldigheidsduur van een machtiging tot verblijf met het oog op werk voor een persoon die binnen een onderneming wordt overgeplaatst in geen geval langer zijn dan drie jaar, indien de onderdaan van een derde land aan wie die vergunning is afgegeven een leidinggevende of een specialist is in de zin van richtlijn 2014/66/EU. Artikel 12, lid 1, van richtlijn 2014/66/EU, stelt immers de maximumduur van een overplaatsing binnen een onderneming vast op drie jaar voor deze categorie van vreemdelingen. Als daarentegen de vergunning voor een persoon die binnen een onderneming wordt overgeplaatst wordt afgegeven aan een onderdaan van een derde land die een stagiair-werknemer is, zoals omschreven in richtlijn 2014/66/EU, mag de maximumduur van de vergunning in geen geval langer zijn dan één jaar, aangezien artikel 12, lid 1, van richtlijn 2014/66/EU, de maximumduur van de overplaatsing van een stagiair-werknemer binnen een onderneming op één jaar vaststelt.
       Artikel 4
       De eerste paragraaf van artikel 4 schrijft voor dat bij een wijziging die van invloed is op de specifieke toelatingscriteria voor werk (bijvoorbeeld: in het kader van de richtlijn 2014/66/EU, een wijziging betreffende de bezoldiging van de binnen een onderneming overgeplaatste persoon), de werkgever of de gastentiteit, verplicht is het territoriaal bevoegde Gewest daarvan te verwittigen, welk op zijn beurt de Dienst Vreemdelingenzaken van deze wijziging in kennis stelt.
       De tweede paragraaf heeft een wijziging op het oog die van invloed is op de specifieke toelatingscriteria voor het verblijf (bijvoorbeeld: het einde van de gastovereenkomst van een onderzoeker met de erkende onderzoeksinstelling). Bij een dergelijke wijziging is de onderdaan van een derde land verplicht, via zijn werkgever, de Dienst Vreemdelingenzaken daarvan te verwittigen, die op zijn beurt de territoriaal bevoegde overheid daarvan in kennis stelt.
       Artikel 4 is een gedeeltelijke omzetting van de artikelen 14 en 23, lid 3, van richtlijn 2014/66/EU, die dus alleen de binnen een onderneming overgeplaatste werknemers betreffen. Er is evenwel overeengekomen dat de regels bepaald bij de artikelen 14 en 23, lid 3, van richtlijn 2014/66/EU, van toepassing zouden zijn op alle in dit akkoord bedoelde buitenlandse werknemers.
       Artikel 5
       Deze bepaling zet artikel 26 van richtlijn 2014/66/EU en artikel 37 van richtlijn 2016/801/EU gedeeltelijk om. Artikel 26 van richtlijn 2014/66/EU legt de lidstaten op contactpunten te benoemen die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en doorgeven van de informatie aan de andere lidstaten die nodig is voor de uitvoering van de artikelen 22 (lange-termijnmobiliteit) en 23 (waarborgen en sancties in het kader van de mobiliteit) van de richtlijn. Dat wordt ook opgelegd door artikel 37 van richtlijn 2016/801/EU inzake de mobiliteit van de onderzoekers en hun gezinsleden (artikelen 28, 29 en 30), de mobiliteit van de studenten (artikel 31) en de waarborgen en sancties in deze gevallen van mobiliteit (artikel 32).
       Er is beslist dat de Dienst Vreemdelingenzaken deze functie van contactpunt op zich zou nemen voor de Belgische Staat, in het kader van de toepassing van de richtlijnen 2014/66/EU en 2016/801/EU.
       Indien de Dienst Vreemdelingenzaken kennis, als contactpunt van de Belgische Staat, krijgt van een wijziging die van invloed is op de toelatingscriteria omschreven in de regelgeving betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, geeft de Dienst Vreemdelingenzaken deze info door aan de bevoegde overheid, zoals voorzien in artikel 4 van dit akkoord.
       HOOFDSTUK 1. - De Europese blauwe kaart voor de hooggekwalificeerde werknemer
       Artikel 6
       Dit artikel omschrijft de begrippen die van toepassing zijn voor dit hoofdstuk.
       De definitie van de "Europese blauwe kaart" komt overeen met de definitie in artikel 2, c), en artikel 7, lid 3, van richtlijn 2009/50/EG.
       Met toepassing van artikel 7, lid 3 van de richtlijn, beantwoordt de blauwe kaart aan het model zoals bepaald in Verordening (EG) 1030/2001 van de Raad betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen.
       De definitie van de "hooggekwalificeerde werknemer" is gebaseerd op de definitie van "hooggekwalificeerde baan", zoals bepaald in artikel 2, b), van richtlijn 2009/50/EG.
       In het kader van de mobiliteit van de hooggekwalificeerde werknemers binnen de Europese Unie worden de begrippen van eerste lidstaat en tweede lidstaat omschreven.
       De eerste lidstaat is de staat die in de eerste plaats een Europese blauwe kaart heeft afgegeven en volgens artikel 18, lid 8, van de richtlijn, de lidstaat die de houder van de Europese blauwe kaart verlaat wanneer hij opnieuw gebruik maakt van zijn recht op mobiliteit.
       Artikel 7
       Dit artikel verduidelijkt dat dit hoofdstuk van het samenwerkingsakkoord van toepassing is op de aanvragen om als hooggekwalificeerde werknemer te worden toegelaten tot het grondgebied.
       Artikel 8
       Paragraaf 1 verduidelijkt dat een aanvraag voor een Europese blauwe kaart kan worden ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich in het buitenland bevindt, maar ook wanneer hij al legaal op het Belgische grondgebied in het kader van een kort verblijf of een lang verblijf verblijft.
       Paragraaf 2 zet artikel 18 van richtlijn 2009/50/EG gedeeltelijk om, welk artikel de voorwaarden bepaalt voor het uitoefenen van het recht op mobiliteit door de hooggekwalificeerde werknemers binnen de Europese Unie.
       In dit verband is het de betrokkene niet toegestaan te werken wanneer hij, overeenkomstig artikel 18, lid 2, van de richtlijn, zijn aanvraag indient terwijl hij zich al op het grondgebied bevindt.
       Artikel 9
       Met toepassing van artikel 25, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 bepaalt dit artikel dat een aanvraag ten laatste binnen de termijn van negentig dagen na kennisgeving van de volledige aanvraag, moet worden behandeld, zoals bepaald in artikel 11, lid 1, van richtlijn 2009/50/EG.
       In afwijking van artikel 25, § 3, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, kan de termijn van negentig dagen in geen geval worden verlengd.
       Anders dan bij richtlijn 2011/98/EU, bepaalt richtlijn 2009/50/EG niet de mogelijkheid de behandeltermijn van een aanvraag voor een Europese blauwe kaart te verlengen wanneer uitzonderlijke omstandigheden in verband met de complexiteit van het dossier dit rechtvaardigen.
       Artikel 10
       De onderdanen van derde landen die in het buitenland zijn op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, zullen, op hun verzoek, een visum ontvangen. Als het gaat om een aanvraag ingediend op het grondgebied of een aanvraag voor verlenging, deelt de Dienst Vreemdelingenzaken de akte mee aan de gemeentebesturen.
       Eenmaal ingeschreven in het vreemdelingenregister, krijgt de onderdaan van een derde land een blauwe kaart conform verordening EG nr. 1030/2002, in overeenstemming met artikel 7, lid 3, van richtlijn 2009/50/EG.
       In afwachting van de fysieke afgifte van de Europese blauwe kaart, wordt de onderdaan van een derde land in het bezit gesteld van een document dat hem in staat zal stellen te werken.
       Artikel 11
       Deze bepaling zet artikel 7, lid 2, van richtlijn 2009/50/EG, dat de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaarten bepaalt, gedeeltelijk om.
       HOOFDSTUK 3. - Vergunning voor de seizoenarbeider
       Artikel 12
       Dit artikel omschrijft de begrippen die van toepassing zijn voor dit hoofdstuk. De begrippen stemmen grotendeels overeen met de definities van artikel 3, b), c) en d) van richtlijn 2014/36/EU.
       Met toepassing van artikel 12, lid 4, van de richtlijn,
       beantwoordt de seizoenarbeidersvergunning aan het model zoals bepaald in Verordening (EG) 1030/2001 van de Raad betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen.
       Aangezien dit een samenwerkingsakkoord betreft ter uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, dat van toepassing voor de aanvragen om langer dan negentig dagen op het grondgebied te blijven en te werken, vallen de bepalingen inzake de aanvragen van ten hoogste negentig dagen, niet binnen het toepassingsgebied van dit akkoord.
       Artikel 13
       Dit artikel verduidelijkt dat dit hoofdstuk van het samenwerkingsakkoord van toepassing is op de aanvragen om als seizoenarbeider te worden toegelaten op het grondgebied.
       Artikel 14
       Artikel 2, lid 2, van richtlijn 2014/36/EU bepaalt dat bij de omzetting van deze richtlijn, de lidstaten een lijst opstellen, in overleg met de sociale partners, van de sectoren waar seizoenafhankelijke activiteiten voorkomen. Dit artikel vormt bijgevolg een gedeeltelijke omzetting van artikel 2, lid 2 van de richtlijn 2014/36/EU.
       Artikel 15
       In dit artikel wordt gepreciseerd dat de onderdaan van een derde land die als seizoenarbeider naar België wenst te komen, zich op het moment van het indienen van de aanvraag, buiten het grondgebied van de lidstaten moet bevinden. Dit wordt bepaald in artikel 2, lid 1, van de richtlijn 2014/36/EU en is niet van toepassing op de onderdaan van een derde land die een aanvraag tot vernieuwing indient.
       Artikel 16
       Dit artikel vormt een gedeeltelijke omzetting van artikel 6, lid 1,c) en artikel 20 van richtlijn 2014/36/EU.
       Het bewijs zoals bedoeld in het eerste lid, kan worden geleverd door middel van een geregistreerde huurcontract van de woning die hij huurt als hoofdverblijfplaats, of van de eigendomstitel van de huisvesting waar hij woont. Indien de huisvesting door of via de werkgever ter beschikking wordt gesteld, moet de aanvrager een huurovereenkomst of een gelijkwaardig document waarin de huurvoorwaarden duidelijk staan vermeld, verstrekken.
       Het bewijs van voldoende huisvesting zal niet aanvaard worden als de huisvesting onbewoonbaar verklaard werd door een daartoe bevoegde overheid.
       Artikel 17
       Paragraaf 1 van dit artikel zet artikel 18, lid 2 van richtlijn 2014/36/EU gedeeltelijk om. Artikel 18, lid 2 van richtlijn 2014/36/EU bepaalt dat de bevoegde autoriteiten de aanvrager zo snel mogelijk en ten laatste negentig dagen nadat de volledige aanvraag is ingediend, schriftelijk in kennis stellen van hun besluit, met toepassing van artikel 25, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.
       Artikel 16 van richtlijn 2014/36/EU bepaalt dat de lidstaten de hernieuwde binnenkomst moeten faciliteren voor onderdanen van derde landen die in de loop van de voorafgaande vijf jaar ten minste éénmaal als seizoenarbeider in die betrokken lidstaat werden toegelaten en die tijdens elk van hun verblijven de voorwaarden die gelden voor de seizoenarbeiders, hebben nageleefd.
       De richtlijn somt verschillende maatregelen die de facilitering van de hernieuwde binnenkomst kunnen inhouden. Paragraaf 2, van dit artikel vormt bijgevolg een gedeeltelijke omzetting van artikel 16 van de richtlijn, daar België heeft gekozen om optie c) toe te passen. Zo zal de aanvraag binnen de termijn van zestig dagen na de kennisgeving van het feit dat de aanvraag volledig is, worden behandeld in plaats van de voorziene termijn van negentig dagen.
       Paragraaf 3 bepaalt verder dat de beslissingen van aanvragen tot vernieuwing ten laatste dertig dagen na de kennisgeving van het feit dat de aanvraag volledig is, worden genomen.
       Ook de beslissingen over de aanvragen van statuutwijziging, zoals bedoeld in artikel 21, tweede paragraaf, van onderdanen van derde landen die werden gemachtigd om ten hoogste negentig dagen in de hoedanigheid van een seizoenarbeider op het grondgebied te verblijven, en die de duur van hun verblijf wensen te verlengen voor een periode van lager dan negentig dagen, worden genomen ten laatste dertig dagen na de kennisgeving van het feit dat de aanvraag volledig is.
       In afwijking van artikel 25, § 3 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 ten slotte, kan de termijn van negentig dagen in geen geval worden verlengd.
       Artikel 18
       Aangezien de verblijfstitel, met het oog op de procedure, enkel op het Belgisch grondgebied afgegeven wordt, zal aan de onderdanen van derde landen die zich op het moment van de indiening van de aanvraag in het buitenland bevinden, op hun verzoek, een visum toegekend worden.
       Indien het om een in artikel 21 voorziene aanvraag tot vernieuwing gaat, deelt de Dienst Vreemdelingenzaken de akte mee aan de gemeentebesturen.
       Eenmaal ingeschreven in het vreemdelingenregister, zal de onderdaan van een derde land een vergunning voor seizoenarbeid krijgen overeenkomstig verordening EG nr. 1030/2002 in overeenstemming met artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/36/EU.
       In afwachting van de fysieke afgifte van de vergunning, wordt de onderdaan van een derde land in het bezit gesteld van een document dat hem in staat zal stellen te werken.
       Artikel 19
       Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2014/36/EU bepaalt dat de lidstaten een maximumduur moeten vaststellen voor het verblijf van seizoenarbeiders die per periode van twaalf maanden niet minder bedraagt dan vijf maanden en niet meer dan negen maanden.
       Dit artikel zet artikel 14, lid 1 gedeeltelijk om. De maximumduur voor het verblijf als seizoenarbeider is vijf maanden, per periode van twaalf maanden.
       Artikel 20
       Dit artikel betreft de verlenging van het verblijf met het oog op seizoenarbeid en zet artikel 15, leden 1 tot. 4 van Richtlijn 2014/36/EU gedeeltelijk om.
       Artikel 15 van de richtlijn bepaalt, in zijn leden 1 en 3, dat de lidstaten het verblijf van een seizoenarbeider verlengen indien hij de volgende voorwaarden vervult:
       - de maximale duur van de machtiging tot verblijf als seizoenarbeider is niet bereikt, namelijk vijf maanden per periode van twaalf maanden in het kader van de omzetting in Belgisch recht;
       - de voorwaarden voor toelating zijn nog altijd vervuld;
       - de documenten geleverd bij de oorspronkelijke aanvraag zijn niet door enig bedrieglijk middel verkregen, werden niet vervalst of veranderd;
       - de redenen voor afwijzing vermeld in de artikelen 8, lid 1, b), in artikel 8, lid 2, en, zo nodig, in artikel 8, lid 4, van de richtlijn, zijn niet van toepassing.
       Indien de voorwaarden zijn vervuld, staan de lidstaten de seizoenarbeider een enkele velenging van zijn verblijf toe wanneer zijn contract wordt verlengd om bij dezelfde werkgever te werken.
       Onder dezelfde omstandigheden staan de lidstaten de seizoenarbeider een enkele verlenging van het verblijf toe, om door een verschillende werkgever in dienst te kunnen worden genomen.
       Artikel 15 daarentegen laat de lidstaten de mogelijkheid te beslissen, conform hun nationale recht, of zij de seizoenarbeiders toestaan hun contract bij dezelfde werkgever meerdere keren te verlengen en, bijgevolg, ook hun verblijf te verlengen (artikel 15, lid 2, van de richtlijn). Zo kunnen de lidstaten ook beslissen, conform hun nationale recht, de seizoenarbeiders toe te staan in dienst te zijn bij een verschillende werkgever en hun verblijf meerdere keren te verlengen (artikel 15, lid 4, van de richtlijn). Maar zowel in de eerste geval (verlenging van het verblijf en door dezelfde werkgever tewerkgesteld worden) als in het tweede geval (verlenging van het verblijf en door een verschillende werkgever tewerkgesteld worden), mag de maximumperiode van de machtiging tot verblijf als seizoenarbeider niet worden overschreden.
       Artikel 21
       In afwijking van artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wordt in de eerste lid van dit artikel bepaald dat een aanvraag tot vernieuwing van de machtiging tot verblijf met het oog op seizoenarbeid, één maand voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige machtiging, moet worden ingediend.
       Het tweede lid bepaalt dat de vernieuwing de maximumduur van artikel 19 niet mag overschrijden.
       Deze bepaling zet artikel 14, lid 1 van de richtlijn 2014/36/EU gedeeltelijk om.
       De tweede paragraaf bepaalt dat de onderdaan van een derde land die werd gemachtigd om ten hoogste negentig dagen in de hoedanigheid van een seizoenarbeider te verblijven, en die de duur van zijn verblijf wenst te verlengen voor een totale duur van lager dan negentig dagen, hij een aanvraag indienen volgens de gecombineerde procedure voorgeschreven bij dit akkoord. De aanvraag moet binnen een termijn van dertig dagen worden behandeld (zoals voorzien in artikel 14, paragraaf 3 van dit akkoord).
       Bij een positieve beslissing over de aanvraag, zal een visum lang verblijf (visumD) met de vermelding "seizoenarbeider" aan de onderdaan van een derde land worden afgeleverd, met dewelke hij kan werken.
       De maximumduur van artikel 19 moet ook hier worden gerespecteerd.
       Artikel 22
       Paragraaf 2, lid 1, van artikel 36 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, bepaalt dat het einde van de toelating tot arbeid niet automatisch leidt tot het einde van de machtiging tot verblijf. De onderdaan van een derde land beschikt over een termijn van negentig dagen die hem in staat zal stellen om nieuw werk te zoeken, en dit onverminderd de mogelijkheid om, indien nodig, een einde te maken aan zijn verblijf. Het artikel 36, paragraaf 2, eerste lid werd geschreven om in overeenstemming te zijn met artikel 18, § 3, van het Europees Sociaal Handvest.
       Aangezien de seizoenarbeiders voor een periode van maximaal vijf maanden op het Belgische grondgebied mogen verblijven en werken en het een tijdelijke migratie betreft, is het artikel 36, § 2, eerste lid niet van toepassing voor hen.
       Artikel 23
       Dit artikel vormt een gedeeltelijke omzetting van artikel 25 van de richtlijn 2014/36/EU.
       HOOFDSTUK 3. - Vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon en vergunning voor lange-termijnmobiliteit - ICT
       Artikel 24
       Deze bepaling omschrijft een aantal begrippen die in het hoofdstuk worden gebruikt. Ze neemt hoofdzakelijk de definities van richtlijn 2014/66/EU over.
       De termen "leidinggevende ICT, specialist ICT en stagiair-werknemer ICT" worden in dit akkoord gedefinieerd, zodat hun definitie voor alle partijen gelijk is. Het acroniem "ICT" (Intra Corporate Transfer), dat niet voorkomt in de definities van artikel 3, e), f) en g), van richtlijn 2014/66/EU, is toegevoegd om de leidinggevenden, specialisten en stagiairs in de context van richtlijn 2014/66/EU te onderscheiden van de andere leidinggevenden, specialisten en stagiairs " van gemeen recht ".
       De definitie van "vergunning voor lange-termijnmobiliteit", zoals vastgesteld in dit akkoord, is identiek met die van artikel 3, j), van richtlijn 2014/66/EU. Ter wille van de juridische duidelijkheid geeft de definitie in dit akkoord de duur aan van de periode waarin de houder van de vergunning voor lange-termijnmobiliteit gemachtigd is op het grondgebied van de lidstaat te verblijven en te werken, namelijk meer negentig dagen.
       De definitie van "groep van ondernemingen" die in dit akkoord voorkomt, neemt de definitie van "groep van ondernemingen" over zoals bepaald in artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen.
       Artikel 25
       Deze bepaling omschrijft de in dit akkoord bedoelde categorieën van werknemers, onderdanen van derde landen, die binnen een onderneming worden overgeplaatst.
       Het betreft de leidinggevenden ICT, de specialisten IC en de stagiair-werknemers ICT die een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon van meer dan negentig dagen of een vergunning voor lange-termijnmobiliteit aanvragen.
       Artikel 26
       Dit artikel verduidelijkt dat de onderdaan van een derde land zich in het buitenland moet bevinden op het moment van het indienen van de aanvraag. Dit artikel vormt een gedeeltelijke omzetting van artikel 11, lid 2 van de Richtlijn 2014/66/EU.
       Artikel 27
       Dit artikel verduidelijkt dat een aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op werk moet worden ingediend bij de bevoegde instanties van de lidstaat waar de onderdaan van een derde land over het geheel genomen, het langst zal verblijven. Dit artikel vormt een gedeeltelijke omzetting van artikel 11, lid 3 van de Richtlijn 2014/66/EU.
       Artikel 28
       Artikel 28, eerste lid, van dit akkoord, is een gedeeltelijke omzetting van artikel 15, lid 1, en artikel 22, lid 2, b), van richtlijn 2014/66/EU, die bepalen dat de behandeltermijn van aanvragen voor een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon en aanvragen voor een lange-termijnmobiliteitsvergunning maximum negentig dagen is.
       Met toepassing van artikel 25, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, bepaalt artikel 28, tweede lid, van dit akkoord de behandeltermijn van de aanvraag. Richtlijn 2014/66/EU, in tegenstelling tot richtlijn 2011/98/EU (artikel 5, lid 2, tweede alinea, richtlijn 2011/98/EU), voorziet immers niet in de mogelijkheid van een verlenging van de behandeltermijn van een aanvraag voor een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon of een aanvraag voor een lange-termijnmobiliteitsvergunning, wanneer bijzondere omstandigheden die verband houden met de complexiteit van het dossier dit rechtvaardigen.
       Artikel 29
       Deze bepaling zet artikel 13 van richtlijn 2014/66/EU gedeeltelijk om. Dit artikel 13 schrijft voor een nieuwe titel te creëren die een verblijfsvergunning en een werkvergunning combineert, specifiek voor onderdanen van derde landen die binnen een onderneming worden overgeplaatst: de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon.
       Met toepassing van artikel 13, lid 3, van richtlijn 2014/66/EU, wordt de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon afgegeven met gebruikmaking van het uniforme format dat in verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen waarmee de lidstaten kunnen aanvullende informatie met betrekking tot de beroepsactiviteit tijdens de overplaatsing binnen de onderneming van de onderdaan van het derde land aangeven.
       Aangezien de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, met het oog op de procedure, enkel op het Belgisch grondgebied afgegeven wordt, zal aan de onderdanen van derde landen die zich op het moment van de indiening van de aanvraag in het buitenland bevinden, op hun verzoek, een visum toegekend worden.
       Zodra hij in het vreemdelingenregister is ingeschreven zal aan de onderdaan van een derde land de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon.
       In afwachting van de fysieke afgifte van de vergunning, wordt de onderdaan van een derde land in het bezit gesteld van een document dat hem in staat zal stellen te werken.
       Artikel 30
       Deze bepaling zet artikel 22, lid 4, van richtlijn 2014/66/EU gedeeltelijk om. Dit artikel schrijft voor een nieuwe titel te creëren die een verblijfsvergunning en een werkvergunning combineert, specifiek voor de houder van een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, afgegeven door een eerste lidstaat, die door een tweede lidstaat is gemachtigd te verblijven en te werken op het grondgebied van de tweede lidstaat.
       In toepassing van artikel 22, lid 4, van richtlijn 2014/66/EU, wordt de vergunning voor lange-termijnmobiliteit afgegeven met gebruikmaking van het uniforme format dat in verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen waarmee de lidstaten kunnen aanvullende informatie met betrekking tot de beroepsactiviteit tijdens de lange-termijnmobiliteit van de binnen de onderneming verplaatste persoon aangeven.
       Artikel 31
       Deze bepaling zet artikel 12, lid 1, van richtlijn 2014/66/EU gedeeltelijk om. De overplaatsing binnen een onderneming mag voor leidinggevenden ICT en specialisten ICT niet langer dan drie jaar duren. Voor stagiair-werknemers ICT is dat één jaar.
       Artikel 32
       Deze bepaling is een gedeeltelijke omzetting van artikelen 22, lid 2,e) en 22, lid 2, d) ii) van richtlijn 2014/66/EU.
       Het eerste lid van artikel 32 preciseert de termijn waarbinnen een aanvraag voor lange-termijnmobiliteit moet worden ingediend, namelijk minimum twintig dagen voor de aanvang van de beoogde mobiliteit.
       Het tweede lid heeft betrekking op het specifieke geval van de houder van een door een andere lidstaat afgegeven geldige vergunning voor een persoon die het voorwerp uitmaakt van een overplaatsing binnen een onderneming die zijn recht op korte-termijnmobiliteit op het Belgisch grondgebied wenst uit te oefenen of uitoefent en die vervolgens van plan is om in het kader van lange-termijnmobiliteit meer dan negentig dagen in België te verblijven en te werken. Overeenkomstig artikel 22, lid 2, e) van de richtlijn voorziet artikel 32 van het akkoord in zijn tweede lid dat een aanvraag voor lange-termijnmobiliteit niet tegelijk met een kennisgeving voor korte-termijnmobiliteit mag worden ingediend. Het tweede lid voegt ook toe dat, wanneer de noodzaak van lange-termijnmobiliteit zich aandient nadat de korte-termijnmobiliteit van de binnen een onderneming overgeplaatste persoon is ingegaan, de aanvraag voor lange-termijnmobiliteit minstens twintig dagen voor de afloop van de periode van korte-termijnmobiliteit moet worden ingediend.
       Artikel 33
       Deze bepaling is een gedeeltelijke omzetting van artikel 22, lid 2, d) van Richtlijn 2014/66/UE. Zij voorziet dat tijdens het onderzoek van de aanvraag voor lange-termijnmobiliteit, de onderdaan van een derde land op het Belgische grondgebied mag verblijven en werken, zolang voldaan is aan de volgende voorwaarden:
       - de periode voor korte-termijnmobiliteit en de geldigheidsperiode van de vergunning voor een binnen onderneming overgeplaatste persoon afgegeven door de eerste lidstaat, zijn niet verstreken; en
       - de volledige aanvraag voor een machtiging lange-termijnmobiliteit werd minstens twintig dagen voor de aanvang van lange-termijnmobiliteit ingediend.
       Artikel 34
       Dit artikel vormt een omzetting van artikel 17, c) van de richtlijn 2014/66/EU en een uitvoering van artikel 14 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.
       Artikel 35
       Artikel 36, paragraaf 1, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, bepaalt: "wanneer de onderdaan van een derde land niet meer mag werken, eindigt zijn verblijf van rechtswege negentig dagen na het einde van de toelating om te werken, onverminderd de bevoegdheid van de minister of zijn gemachtigde om aan het verblijf een einde te maken overeenkomstig de wetgeving betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen". Er is beslist dat de werknemers die zijn gedetacheerd in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming geen verblijfsvergunning van negentig dagen na afloop van hun werkvergunning zouden genieten. Richtlijn 2014/66/EU heeft immers een tijdelijke migratie op het oog.
       Artikel 36
       Dit artikel vormt een gedeeltelijke omzetting van artikel 12, lid 2 van de Richtlijn 2014/66/EU en bepaalt dat een nieuwe aanvraag voor een overplaatsing binnen een onderneming kan worden ingediend na een verloop van een periode van drie maanden, wanneer de maximumduur van de overplaatsing binnen een onderneming werd bereikt.
       HOOFDSTUK 4. - Vergunning voor een onderzoeker en vergunning voor lange-termijnmobiliteit - Onderzoeker
       Artikel 37
       Dit artikel omschrijft de begrippen die van toepassing zijn voor dit hoofdstuk. De begrippen stemmen grotendeels overeen met de definities van artikel 3, 2°, 9°, 18°, 19° en 21° van de richtlijn 2016/801/EU.
       Artikel 17, lid 1, van de richtlijn 2016/801/EU bepaalt dat wanner de vergunning de vorm aanneemt van een verblijfstitel, de lidstaten het in Verordening (EG) nr. 1030/2002 bepaalde model moeten gebruiken en op die verblijfstitel de term "onderzoeker" vermeld moet zijn.
       De vergunning voor lange-termijnmobiliteit moet de term "onderzoekersmobiliteit" bevatten wanneer het de vorm aanneemt van een verblijfstitel.
       In de definitie van lange-termijnmobiliteit wordt gepreciseerd dat het gaat om mobiliteit gedurende een periode van meer dan 180 dagen. België heeft geopteerd om geen gebruik te maken van de facultatieve mogelijkheid van artikel 29. 1, tweede lid, van Richtlijn 2016/801/EU en stelt geen maximumduur voor lange-termijnmobiliteit vast. De lange-termijnmobiliteit moet echter plaatsvinden binnen de geldigheidsperiode van de door de eerste lidstaat afgegeven vergunning voor onderzoeker.
       Artikel 38
       Dit artikel zegt dat de bepalingen van dit hoofdstuk enkel van toepassing zijn voor de onderzoekers met een gastovereenkomst bij een erkende onderzoeksinstelling en ook op de aanvragen van lange-termijnmobiliteit, wanneer België de tweede lidstaat is.
       Artikel 39
       Dit artikel verduidelijkt dat een aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op onderzoek kan worden ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich in het buitenland bevindt, maar ook wanneer hij al legaal op het Belgische grondgebied in het kader van een kort verblijf of een lang verblijf verblijft.
       Artikel 40
       Paragraaf 1, lid 1, van dit artikel zet artikel 34, lid 2 van de richtlijn 2016/801/EU gedeeltelijk om.
       Artikel 34, lid 2, van de richtlijn 2016/801/EU bepaalt dat het besluit over de volledige aanvraag indien het om de toelatingsprocedure bij een erkende onderzoeksinstelling gaat, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zestig dagen moet worden genomen.
       Met toepassing van artikel 25, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, bepaalt het akkoord de behandeltermijn van de aanvragen.
       Indien het gaat om een aanvraag voor een vergunning voor lange-termijnmobiliteit, wordt de aanvraag binnen de negentig dagen na de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag genomen. Dit wordt bepaalt in artikel 29, lid 2, b) van de richtlijn 2016/801/EU.
       In afwijking van artikel 25, § 3 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, kan de termijn van zestig of negentig dagen in geen geval worden verlengd. Dit wordt bepaald in de tweede paragraaf van dit artikel.
       Artikel 41
       De onderdanen van derde landen die zich op het ogenblik van de indiening van hun aanvraag in het buitenland bevinden, zullen een visum krijgen, op hun vraag. Als het een aanvraag betreft die op het grondgebied is ingediend of een aanvraag voor verlenging, deelt de Dienst Vreemdelingenzaken de akte mee aan de gemeentebesturen.
       Eenmaal ingeschreven in het vreemdelingenregister, krijgt de onderdaan van een derde land een vergunning voor onderzoeker conform verordening EG nr. 1030/2002, in overeenstemming met artikel 7, lid 1, van richtlijn 2016/801/EG.
       In afwachting van de fysieke afgifte van de vergunning, wordt de onderdaan van een derde land in het bezit gesteld van een document dat hem in staat zal stellen te werken.
       Artikel 42
       Deze bepaling past artikel 25 van de richtlijn toe dat de mogelijkheid voorschrijft voor onderzoekers, indien zij de algemene toelatingsvoorwaarden van de richtlijn vervullen, in de lidstaat te blijven gedurende de twaalf maanden die onmiddellijk volgen op het einde van hun onderzoek, om werk te zoeken.
       In dit verband hebben de bedoelde personen de mogelijkheid een verblijfsaanvraag met het oog op werk in te dienen.
       Artikel 43
       Dit artikel bepaalt welke verblijfstitel de onderzoeker zal krijgen wanneer hij naar België komt in het kader van lange-termijnmobiliteit.
       Artikel 44
       Dit artikel vormt een gedeeltelijke omzetting van artikelen 29, lid 2, d) ii) en 29, lid 2, e) van de richtlijn 2016/801.
       Het eerste lid van artikel 44 preciseert de termijn waarbinnen een aanvraag voor lange-termijnmobiliteit moet worden ingediend, namelijk minstens dertig dagen voor de aanvang van de beoogde mobiliteit.
       Het tweede lid heeft betrekking op het specifieke geval van de houder van een door een andere lidstaat afgegeven geldige vergunning voor onderzoekers die zijn recht op korte-termijnmobiliteit op het Belgisch grondgebied wenst uit te oefenen of uitoefent en die vervolgens van plan is om in het kader van lange-termijnmobiliteit in België te verblijven en te werken. Overeenkomstig artikel 29, lid 2, e) van de richtlijn voorziet artikel 44 van het akkoord in zijn tweede lid dat een aanvraag voor lange-termijnmobiliteit niet tegelijk met een kennisgeving voor korte-termijnmobiliteit mag worden ingediend. Het tweede lid voegt ook toe dat, wanneer de noodzaak van lange-termijnmobiliteit zich aandient nadat de korte-termijnmobiliteit van de onderzoeker is ingegaan, de aanvraag voor lange-termijnmobiliteit minstens dertig dagen voor de afloop van de periode van korte-termijnmobiliteit moet worden ingediend.
       Artikel 45
       Deze bepaling is een gedeeltelijke omzetting van artikel 29, lid 2, d) van Richtlijn 2016/801/EU. Zij voorziet dat tijdens het onderzoek van de aanvraag voor lange-termijnmobiliteit, de onderdaan van een derde land op het Belgische grondgebied mag verblijven en een deel van zijn onderzoek verrichten bij een onderzoeksinstelling, zolang voldaan is aan de volgende voorwaarden:
       - de periode voor korte-termijnmobiliteit en de geldigheidsperiode van de vergunning afgegeven door de eerste lidstaat zijn niet verstreken; en
       - de volledige aanvraag voor een machtiging voor lange-termijnmobiliteit werd minstens dertig dagen voor de aanvang van lange-termijnmobiliteit ingediend.
       Artikel 46
       In dit artikel wordt bepaald dat een machtiging voor lange-termijnmobiliteit wordt afgeleverd voor de duur van het onderzoeksproject dat wordt uitgevoerd op het Belgische grondgebied. De duur van het onderzoek in België zal nader worden bepaald in de gastovereenkomst die wordt afgesloten tussen de onderzoekers en de onderzoeksinstellingen. De lange-termijnmobiliteit moet plaatsvinden binnen de geldigheidsperiode van de door de eerste lidstaat afgegeven vergunning voor onderzoeker, zoals bepaald in artikel 29, lid 2, d) van richtlijn 2016/801/EU. Dit wordt ook gepreciseerd in de definitie van "lange-termijnmobiliteit" van artikel 36, 9° van dit akkoord.
       Hoofdstuk 5. - Vergunning voor een stagiair
       Artikel 47
       Dit artikel omschrijft de begrippen die van toepassing zijn voor dit hoofdstuk. Het begrip stagiair stemt overeen met de definitie van artikel 3, 5°, van de richtlijn 2016/801/EU.
       Artikel 17, lid 1, van de richtlijn 2016/801/EU bepaalt dat wanneer de vergunning de vorm aanneemt van een verblijfstitel, de lidstaten het in Verordening (EG) nr. 1030/2002 bepaalde model moeten gebruiken en op die verblijfstitel de term "stagiair" vermeld moet zijn.
       Artikel 48
       Dit artikel zegt dat de bepalingen van dit hoofdstuk enkel van toepassing zijn voor de aanvragen om een machtiging tot verblijf te krijgen met het oog op stage.
       Artikel 49
       Dit artikel verduidelijkt dat een aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op stage kan worden ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich in het buitenland bevindt, maar ook wanneer hij legaal op het Belgische grondgebied in het kader van een lang verblijf verblijft.
       Artikel 50
       Dit artikel vormt een gedeeltelijke omzetting van artikel 13, lid 1, f) van de Richtlijn 2016/801/EU.
       Het bewijs zoals bedoeld in het eerste lid, kan worden geleverd door middel van een geregistreerde huurcontract van de woning die hij huurt als hoofdverblijfplaats, of van de eigendomstitel van de huisvesting waar hij woont.
       Het bewijs van voldoende huisvesting zal niet aanvaard worden als de huisvesting onbewoonbaar verklaard werd door een daartoe bevoegde overheid.
       Artikel 51
       Met toepassing van artikel 25, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, zet dit artikel 34, lid 1, van richtlijn 2016/801/EU, gedeeltelijk om.
       Artikel 34, lid 1, van richtlijn 2016/801/EU bepaalt dat het besluit over de volledige aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen negentig dagen moet worden genomen.
       In afwijking van artikel 25, § 3 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, kan de termijn van negentig dagen in geen geval worden verlengd. Dit wordt bepaald in het tweede lid van dit artikel.
       Artikel 52
       De onderdanen van derde landen die zich op het ogenblik van de indiening van hun aanvraag in het buitenland bevinden, zullen een visum krijgen, op hun vraag, Als het een aanvraag betreft die op het grondgebied is ingediend of een aanvraag voor verlenging, deelt de Dienst Vreemdelingenzaken de akte mee aan de gemeentebesturen.
       Eenmaal ingeschreven in het vreemdelingenregister, krijgt de onderdaan van een derde land een vergunning voor stagiair conform verordening EG nr. 1030/2002, in overeenstemming met artikel 7, lid 1, van richtlijn 2016/801/EG.
       In afwachting van de fysieke afgifte van de vergunning, wordt de onderdaan van een derde land in het bezit gesteld van een document dat hem in staat zal stellen zijn stage te volbrengen.
       Artikel 53
       In paragraaf 1, lid 1 van deze bepaling wordt gepreciseerd dat de duur van de machtiging tot verblijf op het Belgisch grondgebied voor de onderdaan van een derde land overeenkomt met de duur van zijn machtiging tot stage op het Belgisch grondgebied.
       Het tweede lid voorziet dat de geldigheidsduur van een machtiging tot verblijf voor een stagiair zes maanden bedraagt.
       Het derde lid bepaalt de geldigheidsduur van de vergunning voor stagiair.
       Deze bepaling vormt een gedeeltelijke omzetting van artikel 18, lid 6 van de richtlijn 2016/801/EU.
       Het tweede lid zet artikel 18, paragraaf 6, tweede lid van de richtlijn om.
       Artikel 54
       Paragraaf 2, lid 1, van artikel 36 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, bepaalt dat het einde van de toelating tot arbeid niet automatisch leidt tot het einde van de machtiging tot verblijf. De onderdaan van een derde land beschikt over een termijn van negentig dagen die hem in staat zal stellen om nieuw werk te zoeken, en dit onverminderd de mogelijkheid om, indien nodig, een einde te maken aan zijn verblijf. Het artikel 36, paragraaf 2, eerste lid werd geschreven om in overeenstemming te zijn met artikel 18, § 3, van het Europees Sociaal Handvest.
       Aangezien dit echter een tijdelijke migratie betreft, is artikel 36, § 2, eerste lid, niet van toepassing op de stagiairs.
       HOOFDSTUK 6. - Vergunning voor een vrijwilliger in het kader van Europees vrijwilligerswerk
       Artikel 55
       Dit artikel omschrijft de begrippen die van toepassing zijn voor dit hoofdstuk. De begrippen stemmen grotendeels overeen met de definities van artikel 3, 6° en 7° van de richtlijn 2014/36/EU.
       Enkel de vrijwilligers in het kader van Europees vrijwilligerswerk worden bedoeld in dit hoofdstuk.
       Artikel 17, lid 1, van de richtlijn 2016/801 bepaalt dat wanner de vergunning de vorm aanneemt van een verblijfstitel, de lidstaten het in Verordening (EG) nr. 1030/2002 bepaalde model moeten gebruiken en op die verblijfstitel de term "vrijwilliger" vermeld moet zijn. Dit artikel zet deze bepaling gedeeltelijk om.
       Artikel 56
       Dit artikel zegt dat de bepalingen van dit hoofdstuk enkel van toepassing zijn voor de aanvragen om een machtiging tot verblijf te krijgen met het oog op vrijwilligerswerk in het kader van Europees vrijwilligerswerk.
       Artikel 57
       Dit artikel verduidelijkt dat een aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op vrijwilligerswerk kan worden ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich in het buitenland bevindt, maar ook wanneer hij legaal op het Belgische grondgebied in het kader van een lang verblijf verblijft.
       Artikel 58
       Met toepassing van artikel 25, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, zet het eerste lid van dit artikel 34, lid 1, van richtlijn 2016/801/EU gedeeltelijk om.
       Artikel 34, lid 1, van richtlijn 2016/801/EU bepaalt dat het besluit over de volledige aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen negentig dagen moet worden genomen.
       In afwijking van artikel 25, § 3 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, kan de termijn van negentig dagen in geen geval worden verlengd. Dit wordt bepaald in het tweede lid van dit artikel.
       Artikel 59
       De onderdanen van derde landen die zich op het ogenblik van de indiening van hun aanvraag in het buitenland bevinden, zullen een visum krijgen, op hun vraag.
       Eenmaal ingeschreven in het vreemdelingenregister, krijgt de onderdaan van een derde land een vergunning voor vrijwilliger conform verordening EG nr. 1030/2002, in overeenstemming met artikel 7, lid 1, van richtlijn 2016/801/EG.
       In afwachting van de fysieke afgifte van de vergunning, wordt de onderdaan van een derde land in het bezit gesteld van een document dat hem in staat zal stellen zijn vrijwilligerswerk te volbrengen.
       Artikel 60
       Dit artikel vormt een gedeeltelijke omzetting van artikel 14, lid 1,b) van de Richtlijn 2016/801/EU.
       Het bewijs zoals bedoeld in het eerste lid, kan worden geleverd door middel van een geregistreerde huurcontract van de woning die hij huurt als hoofdverblijfplaats, of van de eigendomstitel van de huisvesting waar hij woont.
       Het bewijs van voldoende huisvesting zal niet aanvaard worden als de huisvesting onbewoonbaar verklaard werd door een daartoe bevoegde overheid.
       Artikel 61
       In het eerste lid van de bepaling wordt gepreciseerd dat de duur van de machtiging tot verblijf op het Belgisch grondgebied voor de onderdaan van een derde land overeenkomt met de duur van zijn machtiging tot vrijwilligerswerk op het Belgisch grondgebied.
       Het tweede lid voorziet dat de maximale geldigheidsduur van een machtiging tot verblijf met het oog op vrijwilligerswerk één jaar bedraagt en in geen geval kan worden verlengd.
       Het derde lid bepaalt de geldigheidsduur van de vergunning voor vrijwilligers.
       Deze bepaling vormt een gedeeltelijke omzetting van artikel 18, lid 7 van de richtlijn 2016/801/EU.
       Artikel 62
       Paragraaf 2, lid 1, van artikel 36 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, bepaalt dat het einde van de toelating tot arbeid niet automatisch leidt tot het einde van de toelating tot verblijf. De onderdaan van een derde land beschikt over een termijn van negentig dagen die hem in staat zal stellen om nieuw werk te zoeken, en dit onverminderd de mogelijkheid om, indien nodig, een einde te maken aan zijn verblijf. Het artikel 36, paragraaf 2, eerste lid werd geschreven om in overeenstemming te zijn met artikel 18, paragraaf 3, van het Europees Sociaal Handvest.
       Aangezien het echter een tijdelijke migratie betreft, is artikel 36, § 2, eerste lid niet van toepassing op de vrijwilligers.
       Artikel 63
       Dit artikel preciseert dat dit akkoord wordt afgesloten voor een onbepaalde duur en bepaalt de datum van de inwerkingtreding.
       Brussel, 6 december 2018 in één enkel exemplaar.
       Voor de Federale Staat :
       De Vice-eersteminister en Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel,
       K. PEETERS
       De Vice-eersteminister en Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen,
       J. JAMBON
       De Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,
       Th. FRANCKEN
       Voor het Vlaamse Gewest :
       De Minister-President van de Vlaamse Regering,
       G. BOURGEOIS
       De Minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport,
       Ph. MUYTERS
       Voor het Waalse Gewest :
       De Minister-President van de Waalse Regering,
       W. BORSUS
       De Viceminister-President en Minister van Economie, Industrie, Onderzoek, Innovatie, Digitalisering, Werk en Vorming,
       P.-Y. JEHOLET
       Voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest :
       De Minister-President van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,
       R. VERVOORT
       De Minister belast met Tewerkstelling, Economie, Brandbestrijding en Dringende medische hulp,
       D. GOSUIN
       Voor de Duitstalige Gemeenschap :
       De Minister-President van de Duitstalige Gemeenschap
       O. PAASCH
       De Viceminister-President, Minister van Cultuur, Werkgelegenheid en Toerisme,
       I. WEYKMANS

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie