J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
31 AUGUSTUS 2018. - Samenwerkingsakkoord van 31 augustus 2018 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de coördinatie van de radiofrequenties voor radio-omroep in de frequentieband 87,5-108 MHz overeenkomstig artikel 17 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie

Bron :
DUITSTALIGE GEMEENSCHAP.ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE.FRANSE GEMEENSCHAP.VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 05-04-2019 nummer :   2019A11554 bladzijde : 35370       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2018-08-31/06

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-7
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1 Dit samenwerkingsakkoord betreft een regeling van de coördinatie van de radiofrequenties voor radio-omroep in de frequentieband 87,5-108 MHz overeenkomstig artikel 17 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.
  In het kader van dit samenwerkingsakkoord wordt verstaan onder:
  1° "Instituut": het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie zoals bedoeld in artikel 13 van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector;
  2° "Toewijzing": geheel van de technische karakteristieken met betrekking tot het gebruik van een radiofrequentie door een radio-omroepstation;
  3° "Nationaal plan": de lijst die de toewijzingen van de drie gemeenschappen bevat;
  4° "Akkoord van Genčve 1984": regionaal akkoord betreffende het gebruik van de 87.5 - 108 MHz-band voor radio-omroep met frequentiemodulatie (Regio 1 en deel van Regio 3), gesloten te Genčve op 7 december 1984;
  5° "Administratie": administratie in de zin van nummer 1002 van de Stichtingsakte van de Internationale Telecommunicatie Unie;
  6° "Akkoord van Hannover 1985": akkoord betreffende de toepassing van paragraaf 4.2.3. van het akkoord van Genčve 1984, gesloten te Hannover van 10 tot 14 juni 1985;

  Art. 2. § 1. De dag van inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord is het nationaal plan samengesteld uit de toewijzingen die opgenomen zijn in de bijlagen 1 en 2.
  § 2. Over de toewijzingen opgenomen in bijlage 1 kon een technisch akkoord worden bereikt. Deze toewijzingen kunnen worden gewijzigd mits de in artikel 3 bedoelde coördinatieprocedure en de drie in artikel 4 bedoelde berekeningsmethoden worden nageleefd.
  § 3. Over de toewijzingen opgenomen in bijlage 2 kon geen technisch akkoord worden bereikt, maar deze zijn evenwel bevroren. Deze toewijzingen kunnen dus niet worden gewijzigd. In een geval van overmacht verbonden aan onroerende of stedenbouwkundige beperkingen buiten de wil van de betrokken gemeenschap kan een verplaatsing van het uitzendpunt echter overwogen worden op voorwaarde dat deze wijziging geen verhoging van het bestaande bruikbare veld impliceert na berekening volgens de drie in artikel 4 bedoelde berekeningsmethoden en coördinatie volgens de in artikel 3 bedoelde procedure.

  Art. 3. § 1. Een gemeenschap die een wijziging wil aanbrengen in het eigen onderdeel van het nationaal plan dient bij het Instituut een coördinatieaanvraag in.
  De aanvraag bevat alle karakteristieken van de toewijzing overeenkomstig hetgeen is bepaald in het akkoord van Genčve 1984.
  Onder wijziging van het nationaal plan wordt verstaan:
  1° een wijziging van de technische karakteristieken van een toewijzing opgenomen in het nationaal plan ten gevolge van een verplaatsing van het uitzendpunt, een verhoging van het effectief uitgestraald vermogen en/of van de hoogte van de antenne; of
  2° de toevoeging van een toewijzing aan het nationaal plan; of
  3° de schrapping van een toewijzing uit het nationaal plan.
  § 2. Binnen de zeven dagen na de ontvangst van de aanvraag zendt het Instituut de coördinatieaanvraag voor raadpleging over naar de andere gemeenschappen en naar Belgocontrol.
  Binnen een maximumtermijn van twee maanden vanaf de ontvangst van de coördinatieaanvraag moeten de geraadpleegde instanties hun opmerkingen meedelen aan het Instituut.
  § 3. Op vraag van de gemeenschap die een wijziging in het eigen onderdeel van het nationaal plan wenst, verricht het Instituut ook de coördinatie met de administraties van de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, overeenkomstig paragraaf 4.2.3 van het akkoord van Genčve 1984 en het akkoord van Hannover 1985.
  Binnen de zeven dagen na de ontvangst van de vraag zendt het Instituut deze voor raadpleging over aan de in het eerste lid bedoelde administraties.
  Indien na een termijn van twaalf weken na het versturen van de vraag een in het eerste lid bedoelde administratie niet heeft gereageerd op de raadpleging stuurt het Instituut daaraan onverwijld een herinnering.
  Indien er geen antwoord volgt binnen de twee weken na de datum van de ontvangst van de herinnering, wordt ervan uitgegaan dat het buitenlandse bestuur dat niet heeft geantwoord, akkoord gaat met de wijzigingsaanvraag.
  § 4. Het Instituut houdt de gemeenschap die de vraag heeft ingediend op de hoogte over de vordering van de coördinatie.
  Na ontvangst van het akkoord of van de eventuele bezwaren van de geraadpleegde instanties deelt het Instituut deze onmiddellijk mee aan de gemeenschappen.
  § 5. Wanneer een gemeenschap bezwaren formuleert over de coördinatieaanvraag van een andere gemeenschap worden deze gemotiveerd op basis van de toepassing van de drie in artikel 4 bedoelde berekeningsmethoden en eventueel, van bijkomende objectieve (bijvoorbeeld topografische) elementen.
  De gemeenschap die de coördinatieaanvraag heeft ingediend kan aan het Instituut vragen om een vergadering van de coördinatiecommissie bijeen te roepen.
  De coördinatiecommissie is samengesteld uit:
  1° twee vertegenwoordigers van het Instituut van een verschillende taalrol die het secretariaat verzorgen;
  2° twee vertegenwoordigers per gemeenschap.
  Deze commissie is ermee belast:
  1° er voor te zorgen dat de berekeningen van de gemeenschappen volgens de drie in artikel 4 bedoelde berekeningsmethoden met elkaar overeenstemmen;
  2° eventueel bijkomende objectieve elementen voor te stellen en te analyseren;
  3° tot een oplossing te komen die aanvaardbaar is voor alle gemeenschappen, inclusief de toepassing van artikel 6, paragraaf 1, alinea 2;
  4° de praktische modaliteiten van toepassing op dit akkoord te bepalen.
  De gemeenschappen werken te goeder trouw en transparant waarbij erop wordt toegezien dat alle relevante elementen die door een andere gemeenschap zouden worden gevraagd, doorgegeven worden.
  Indien unaniem wordt vastgesteld dat de berekeningen met elkaar overeenstemmen en er bij de beoordeling van de storingen geen rekening kan worden gehouden met een bijkomend objectief element, worden de nodige verzwakkingen doorgevoerd.
  Wanneer de gemeenschappen moeilijkheden ondervinden om tot een unanieme oplossing te komen, heeft het Instituut als bemiddelaar, als rol de standpunten met elkaar te verzoenen en evenredige en evenwichtige oplossingen voor bespreking voor te leggen.
  Indien de gemeenschappen na deze bemiddeling het nog steeds niet eens zijn, zal de coördinatie als geweigerd worden beschouwd en zal de betrokken gemeenschap niet overgaan tot de implementatie van de beoogde karakteristieken.
  § 6. Wanneer de buitenlandse administraties bezwaren formuleren over de coördinatieaanvraag kan de gemeenschap die de coördinatieaanvraag heeft ingediend aan het Instituut vragen om een vergadering bijeen te roepen met de betrokken buitenlandse administraties om tot een oplossing te komen.
  § 7. In geval van akkoord tussen de gemeenschappen of bij gebrek aan antwoord binnen de in artikel 3, § 2 voorziene termijnen, wordt de wijziging aangebracht in het nationaal plan met de technische karakteristieken die door alle gemeenschappen aanvaard zijn. Het Instituut brengt de gemeenschappen en Belgocontrol op de hoogte van deze wijziging.

  Art. 4. § 1. Wat de coördinaties tussen gemeenschappen betreft, is de berekening van de gevraagde verzwakkingen gebaseerd op een maximale verhoging met 0,5 dB van het referentie bruikbare veld op basis van de drie berekeningsmethoden die beschreven zijn in de paragrafen 2 tot 4.
  De toewijzingen waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van het referentie bruikbare veld zijn de toewijzingen van het nationaal plan en de buitenlandse toewijzingen die voldoen aan het akkoord van Genčve 1984:
  1° op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord, voor een te beschermen toewijzing vermeld in de bijlagen 1 en 2; of
  2° op het ogenblik van de toevoeging van deze toewijzing aan het nationaal plan overeenkomstig artikel 3, § 7, voor een te beschermen toewijzing die toegevoegd wordt aan het nationaal plan na de inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord na de toepassing van de bepalingen van artikel 3.
  § 2. Methode 1 is afgeleid van het akkoord van Genčve 1984.
  De testpunten voor de berekening van de verhoging van het bruikbare veld worden gekozen binnen de dienstzone van een zender, gedefinieerd als de zone waarbinnen het nuttige veld hoger is dan of gelijk aan het bruikbare veld (mits slechts tot de staatsgrenzen en tot de taalgrenzen wordt beschermd).
  Het bruikbare veld wordt berekend door optelling van de stoorvelden van de 20 meest storende zenders, gebruikmakend van de vereenvoudigde vermenigvuldigingsmethode, overeenkomstig paragraaf 4.1 van bijlage 2 van het akkoord van Genčve 1984.
  Het stoorveld wordt berekend op basis van een troposferische storing (1% van de tijd) tenzij het stoorveld voor een constante storing (50% van de tijd) groter is dan het stoorveld voor een troposferische storing.
  Het stoorveld van stoorzender i wordt bepaald volgens de formule Esi=Eni(50,t)+Ai+Bi waarbij:
  1° Esi staat voor het stoorveld van zender i, uitgedrukt in dB(µV/m);
  2° Eni(50,t) staat voor het veld, uitgedrukt in dB(µV/m), van stoorzender i. Dat veld wordt overschreden in 50% van de locaties gedurende ten minste 50% van de tijd in geval van een constante storing en 1% van de tijd in geval van een troposferische storing. De stoorvelden worden berekend op basis van de Aanbeveling ITU-R P. 370-7 met de volgende parameters:
  a) hoogte van de ontvangstantenne boven het niveau van de grond: 10 m;
  b) Percentage zee (Land-Sea discrimination): gebruikt;
  c) Terrein ontruimingshoek voor negatieve effectieve antennehoogte (Heff < 0): gebruikt.
  3° Ai staat voor de radiofrequentie-beschermingsverhouding uitgedrukt in dB, overeenstemmend met stoorzender i, vermeld in tabel 2.1 van bijlage 2 van het akkoord van Genčve 1984 voor stereofonische uitzendingen;
  4° Bi staat voor de discriminatie van de ontvangstantenne, in dB, berekend overeenkomstig paragraaf 3.8.2 van bijlage 2 van het akkoord van Genčve 1984.
  § 3. Methode 2 is identiek aan methode 1, beschreven in § 2, behalve dat:
  1° de dienstzone van een zender niet meer wordt berekend op basis van een nuttig veld dat hoger is dan of gelijk aan het bruikbare veld, maar op basis van een nuttig veld dat hoger is dan of gelijk aan 60 dB (µV/m);
  2° men houdt geen rekening met discriminatiefactor Bi van de ontvangstantenne in de berekening van het bruikbare veld.
  § 4. Methode 3 is identiek aan methode 2 beschreven in § 3, behalve dat de stoorvelden worden berekend op basis van constante storingen (t = 50%).
  Bij gebruik van methode 3 moeten objectieve elementen worden voorgelegd om geval per geval de resultaten van methode 3, in rekening te brengen.

  Art. 5. § 1. De coördinatieaanvragen die worden ingediend door de buitenlandse administraties, alsook de herinneringen, worden gericht aan het Instituut, dat de gemeenschappen en Belgocontrol raadpleegt binnen zeven dagen na de ontvangst van de aanvraag of van de herinnering.
  Binnen een maximumtermijn van tien weken vanaf de ontvangst van de coördinatieaanvraag moeten de geraadpleegde instanties hun opmerkingen meedelen aan het Instituut.
  § 2. Bij uitblijven van een antwoord binnen zeven dagen na de ontvangst van de herinnering door het Instituut wordt een gemeenschap die niet heeft geantwoord, geacht zich akkoord te hebben verklaard met het verzoek om wijziging.
  § 3. Het Instituut is gebonden door het advies van elke gemeenschap en volgt het meest beperkende advies
  Het Instituut richt binnen de zeven dagen na de verzending van zijn antwoord aan de verzoekende administratie een afschrift van zijn antwoord aan de gemeenschappen en aan Belgocontrol.

  Art. 6. § 1. Een gemeenschap die de bepalingen wil toepassen van artikel 4, met uitzondering van paragraaf 4.2.3, of van artikel 7 van het akkoord van Genčve 1984 verzendt alle nodige inlichtingen naar het Instituut.
  Na de andere gemeenschappen te hebben geraadpleegd en hun akkoord te hebben ontvangen zendt het Instituut de inlichtingen over naar de Internationale Telecommunicatie Unie.
  § 2. Het akkoord van Genčve 1984 heeft enkel betrekking op de internationale coördinatie. De Belgische radio-omroepstations in de frequentieband 87,5-108 MHz voldoen aan het nationaal plan.
  § 3. Bij de publicatie van een speciale sectie overeenkomstig paragraaf 4.2.7, c) van het akkoord van Genčve 1984 moet een gemeenschap die wenst dat het Instituut tussenbeide komt bij de Internationale Telecommunicatie Unie, dat uiterlijk zeven dagen voor de uiterste datum die wordt opgelegd door de bepalingen van artikel 4 van het akkoord van Genčve 1984, aanvragen.

  Art. 7. Dit samenwerkingsakkoord treedt in werking nadat het werd goedgekeurd door de federale Wetgevende Kamers en de Gemeenschappen.

  BIJLAGE.

  Art. N.
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 31-05-2019, p. 52932 )
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gedaan te Brussel, op 31-8-2018 in vier originele exemplaren, waarvan elke partij verklaart haar eigen exemplaar te hebben ontvangen.
Voor de Federale Staat:
De Minister van Telecommunicatie,
A. DE CROO
Voor de Vlaamse Gemeenschap:
De minister-president en minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed,
G. BOURGEOIS
De minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brussel,
S. GATZ
Voor de Franse Gemeenschap:
De minister-president,
R. DEMOTTE
De vicepresident en minister van Hoger Onderwijs, Wetenschapsbeleid en Media,
J.-Cl. MARCOURT
Voor de Duitstalige Gemeenschap:
De minister-president,
O. PAASCH
De viceminister-president en minister van Cultuur, Werkgelegenheid en Toerisme,
I. WEYKMANS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Samenwerkingsakkoord van 31 augustus 2018 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de coördinatie van de radiofrequenties voor radio-omroep in de frequentieband 87,5-108 MHz overeenkomstig artikel 17 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie
   Gelet op de artikelen 127 en 130 van de Grondwet;
   Gelet op de artikelen 4, 6°, en 92bis, §§ 1 en 5, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
   Gelet op de artikelen 4, § 1, en 55bis, van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap;
   Gelet op artikel 17 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
   Overwegende dat de coördinatie van de radiofrequenties voor radio-omroep moet worden geregeld door een samenwerkingsakkoord overeenkomstig artikel 17 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.
   De Federale Staat vertegenwoordigd door de heer Alexander De Croo, vicepremier en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecom en Post,
   De Vlaamse Gemeenschap vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de heer Bourgeois, minister-president en minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed en de heer Gatz, minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brussel,
   De Franse Gemeenschap vertegenwoordigd door de Franse Gemeenschapsregering in de persoon van de heer Demotte, minister-president en de heer Marcourt, vicepresident en minister van Hoger Onderwijs, Wetenschapsbeleid en Media,
   De Duitstalige Gemeenschap vertegenwoordigd door de Regering van de Duitstalige Gemeenschap in de persoon van de heer Paasch, minister-president en mevrouw Weykmans, viceminister-president en minister van Cultuur, Werkgelegenheid en Toerisme,
   zijn overeengekomen om de volgende tekst ter goedkeuring aan de federale Wetgevende Kamers en de Parlementen van de Gemeenschappen voor te leggen.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie