J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/ordonnantie/2018/07/23/2018031816/justel

Titel
23 JULI 2018. - Ordonnantie met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen Zie wijziging(en)

Bron :
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 18-09-2018 nummer :   2018031816 bladzijde : 72413       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2018-07-23/06
Inwerkingtreding : 01-02-2019

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :2017020463        2004031138        2012031222       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Art. 1-2
HOOFDSTUK 2. - Over de sociale onderneming
Afdeling 1. - Over de privaatrechtelijke structuren : de sociale en democratische ondernemingen
Art. 3-6
Afdeling 2. - Over de structuren van publieke aard : de publieke initiatieven in sociaal ondernemerschap
Art. 7-10
HOOFDSTUK 3. - De erkenning van de sociale ondernemingen
Art. 11-13
HOOFDSTUK 4. - Over het mandaat en de financiering van de sociale inschakelingsondernemingen
Afdeling 1. - Over het mandateren
Art. 14
Afdeling 2. - Over de financiering
Onderafdeling 1. - Voorwaarden voor de toekenning van de compensatie voor de openbare dienst
Art. 15
Onderafdeling 2. - De compensatie voor de openbare dienst
Art. 16-18
Onderafdeling 3. - De financieringsaanvraag
Art. 19
HOOFDSTUK 5. - Evaluaties
Afdeling 1. - Sociale ondernemingen
Art. 20-22
Afdeling 2. - Ordonnantie
Art. 23-24
HOOFDSTUK 6. - Adviesraad voor sociaal ondernemerschap
Art. 25
HOOFDSTUK 7. - Ondersteuningsmiddelen voor de sociale ondernemingen
Afdeling 1. - De adviesagentschappen
Art. 26-27
Afdeling 2. - Andere ondersteuningsmiddelen voor de sociale ondernemingen
Art. 28
HOOFDSTUK 8. - Controle en toezicht
Art. 29-30
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingsbepaling
Art. 31
HOOFDSTUK 10. - Opheffingsbepalingen
Art. 32
HOOFDSTUK 11. - Overgangsbepalingen
Art. 33
HOOFDSTUK 12. - Slotbepaling
Art. 34

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

  Art. 2. Voor de toepassing van deze ordonnantie en zijn uitvoeringsmaatregelen, wordt er verstaan onder :
  1° " sociale onderneming " : de publiek- en privaatrechtelijke rechtspersonen die, in toepassing van hoofdstuk 2, aan de volgende principes beantwoorden :
  a) de uitvoering van een economisch project ;
  b) het nastreven van een sociaal doel ;
  c) de uitoefening van een democratisch bestuur ;
  2° " sociale inschakelingsonderneming " : de, in toepassing van hoofdstuk 3, erkende sociale onderneming, die een specifiek inschakelingsprogramma bedoeld in artikel 15, § 2 ontwikkelt ;
  3° " niet-werkende werkzoekende " : de persoon die, als niet-werkende werkzoekende ingeschreven is bij Actiris en die geen enkele beroepsactiviteit of gelijkwaardige activiteit uitoefent ;
  4° " ordonnantie betreffende de tewerkstellingssteun " : de ordonnantie van 23 juni 2017 betreffende de tewerkstellingssteun in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
  5° " werknemer van de doelgroep " : de niet-werkende werkzoekende die recht heeft op tewerkstellingssteun zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van de ordonnantie betreffende de tewerkstellingssteun ;
  6° " tewerkstellingssteun " : de maatregelen bedoeld in hoofdstukken 2 tot 5 van de ordonnantie betreffende de tewerkstellingssteun ;
  7° " ARSO " : de Adviesraad voor sociaal ondernemerschap zoals bedoeld in hoofdstuk 6 ;
  8° " loonkost " : de brutobezoldiging van de werknemer, verhoogd met de patronale bijdragen voor de sociale zekerheid en verminderd met de betreffende vrijstellingen van de RSZ en met de uitkeringen die toegerekend worden aan het te betalen salaris. De brutobezoldiging omvat de bezoldiging en het geheel van vergoedingen en voordelen die aan de werknemer verschuldigd zijn op basis van of krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen, met uitzondering van de vergoedingen voor de verbreking van de arbeidsovereenkomst, met inbegrip van deze die verschuldigd zijn krachtens collectieve arbeidsovereenkomsten die afgesloten werden binnen het paritair comité waartoe de werkgever behoort ;
  9° " de Regering " : de Brusselse Hoofdstedelijke Regering ;
  10° " het Bestuur " : Brussel Economie en Werkgelegenheid van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel ;
  11° " Actiris " : de Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, georganiseerd door de ordonnantie van 18 januari 2001 houdende organisatie en werking van Actiris ;
  12° " ESRBHG " : de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
  13° " de ordonnantie van 18 maart 2004 " : de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de erkenning en de financiering van de plaatselijke initiatieven voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de inschakelingsondernemingen.

  HOOFDSTUK 2. - Over de sociale onderneming

  Afdeling 1. - Over de privaatrechtelijke structuren : de sociale en democratische ondernemingen

  Art. 3. Kunnen als sociale onderneming erkend worden, de privaatrechtelijke rechtspersonen die positief en cumulatief beantwoorden aan de principes vermeld in de artikelen 4 tot 6.

  Art. 4. De uitvoering van een economisch project wordt gekenmerkt door :
  1° een doorlopende activiteit van productie van goederen en/of diensten ;
  2° een economische levensvatbare activiteit ;
  3° een minimum aan betaalde kwalitatieve en duurzame arbeid.

  Art. 5. De onderneming die een sociaal doel nastreeft, wordt gekenmerkt door :
  1° de inschrijving in zijn oprichtingsstatuten van een expliciet doel van activiteiten en/of diensten met het oog op ofwel het belang van de collectiviteit ofwel van een specifieke groep personen ;
  2° de prioriteit aan doeleinden met een sociale finaliteit doel waarbij enerzijds de uitkering van winsten beperkt wordt en anderzijds duurzame productie- en consumptiemethodes nagestreefd worden ;
  3° het bewijs van een gematigde loonspanning.

  Art. 6. De uitoefening van een democratisch bestuur impliceert dat de onderneming :
  1° een hoge graad van beheersautonomie heeft zowel in de strategie als in het dagelijks bestuur ;
  2° een democratische beslissingsmacht toepast die niet gebaseerd is op het bezit van kapitaal alleen ;
  3° een transparante en participatieve dynamiek kent die de belangrijkste betrokken partijen omvat.

  Afdeling 2. - Over de structuren van publieke aard : de publieke initiatieven in sociaal ondernemerschap

  Art. 7. § 1. Kunnen als sociale onderneming erkend worden, de publiekrechtelijke rechtspersonen die een initiatief in sociale ondernemerschap dragen dat beantwoordt aan de principes vermeld in de artikelen 8 tot 10.
  § 2. Het betreft namelijk, de structuren van publieke aard die :
  1° hetzij door een wet zijn opgericht en beschikken over een organieke autonomie, onverminderd de toezichts- en controlebevoegdheden van de overheid ;
  2° hetzij door de overheid zijn opgericht voor het vervullen van taken van algemeen belang ;
  3° hetzij onder determinerende invloed staan van de overheid, hetgeen blijkt uit :
  a) hetzij het beheer ervan onderworpen is aan het toezicht van de overheid ;
  b) hetzij meer dan 25 % van de leden van hun raad van bestuur de overheid vertegenwoordigen.

  Art. 8. De uitvoering van een economisch project wordt gekenmerkt door :
  1° een doorlopende activiteit van productie van goederen en/of diensten ;
  2° een economisch levensvatbare activiteit ;
  3° een minimum aan betaalde kwalitatieve en duurzame arbeid.

  Art. 9. De navolging van een sociale finaliteit is gekarakteriseerd door :
  1° de inschrijving in zijn oprichtingsakte van een expliciet doel van activiteiten en/of diensten met het oog op ofwel het belang van de collectiviteit ofwel van een specifieke groep personen ;
  2° de prioriteit aan doeleinden met een sociale finaliteit waarbij enerzijds winsten worden toegewezen aan dit einddoel en anderzijds duurzame productie- en consumptiemethodes nagestreefd worden ;
  3° het bewijs van een gematigde loonspanning.

  Art. 10. De uitoefening van een democratisch bestuur impliceert :
  1° een hoge graad van dagelijkse beheersautonomie ;
  2° een democratische beslissingsmacht ;
  3° een transparante en participatieve dynamiek die de belangrijkste betrokken partijen omvat.

  HOOFDSTUK 3. - De erkenning van de sociale ondernemingen

  Art. 11. De Regering erkent als sociale onderneming de rechtspersonen die de principes van hoofdstuk 2 toepassen en die aan de volgende voorwaarden beantwoorden :
  1° hun maatschappelijke zetel of exploitatiezetel hebben op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
  2° de reglementeringen op het vlak van arbeid, sociale zekerheid, handel en fiscaliteit en het vennootschaps- of verenigingsrecht, het verzekeringsrecht en het boekhoudkundig recht naleven evenals de van kracht zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten ;
  3° in voorkomend geval beschikken over de erkenningen, toelatingen, vergunningen, inschrijvingen, registraties en licenties die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de eraan verbonden activiteiten of beroepen waarvoor de erkenning gevraagd wordt ;
  4° onder zijn bestuurders, zaakvoerders, mandatarissen of andere personen die gemachtigd zijn de vennootschap of de vereniging te verbinden, geen personen tellen :
  a) waarvan de burgerrechten en politieke rechten werden afgenomen ;
  b) bedoeld zijn in het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en aan de gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen ;
  c) die in de vijf jaar voor de erkenningsaanvraag verantwoordelijk zijn geacht voor de verbintenissen of de schulden van een gefailleerde vennootschap in toepassing van artikels 229, 5°, 265, 315, 456, 4°, en 530 van het Vennootschapswetboek ;
  d) die in de vijf jaar voor de erkenningsaanvraag veroordeeld werden door een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing door of krachtens artikel 19 van de ordonnantie van 4 september 2008 betreffende de strijd tegen discriminatie en de gelijke behandeling op het vlak van de tewerkstelling ;
  e) die in de vijf jaar voor de erkenningsaanvraag veroordeeld werden door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing door of krachtens wetgevingen aangenomen krachtens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen ;
  f) aan wie in de vijf jaar voor de erkenningsaanvraag, in hun hoedanigheid van werkgever in de zin van artikel 16, 3°, van het Sociaal Strafwetboek of van artikel 13 van de ordonnantie van 9 juli 2015 houdende geharmoniseerde regels betreffende de administratieve geldboeten bepaald bij de wetgeving op het vlak van werkgelegenheid en economie, een administratieve boete werd opgelegd de wegens inbreuk op de reglementeringen bedoeld in de artikelen 1 en 1bis van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten of op artikel 2 van de genoemde ordonnantie.
  Voor de toepassing van deze bepaling wordt de verminderde administratieve geldboete omwille van verzachtende omstandigheden of de opschorting voor de uitvoering van de betaling van deze geldboete bedoeld in artikels 115 en 116 van het Sociaal Strafwetboek en in de artikelen 8 en 9 van de genoemde ordonnantie niet beschouwd als een opgelegde administratieve geldboete ;
  g) die bestuurder, afgevaardigd bestuurder, zaakvoerder of mandataris waren van een sociale onderneming waarvan de erkenning werd ingetrokken gedurende de laatste tien jaar overeenkomstig de bepalingen vastgelegd door de Regering of die in welke hoedanigheid dan ook, gemachtigd waren de genoemde vennootschap te verbinden ;
  h) in de laatste vijf jaar voor de erkenningsaanvraag miet veroordeeld werden door een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing wegens valsheid in geschrifte bedoeld in hoofdstuk IV van titel III van boek II van het Strafwetboek ;
  5° in de vijf jaar voor de erkenningsaanvraag niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van de erkenning overeenkomstig de bepalingen vastgelegd door de Regering.

  Art. 12. § 1. De erkenning wordt verleend voor twee jaar. Ze kan vernieuwd worden voor een periode van drie jaar waarna deze na afloop opnieuw per periode van vijf jaar vernieuwd kan worden.
  De Regering bepaalt de wijze van indiening en verwerking van de erkenningsaanvraag evenals de toekennings-, weigerings-, vernieuwings-, opschortings- en intrekkingsprocedure van de erkenning met inbegrip van hun modaliteiten.
  § 2. Bij de aanvraag van de toekenning of de hernieuwing van de erkenning overhandigt de rechtspersoon, namelijk, volgende documenten :
  1° het bewijs van de naleving van de principes bedoeld in hoofdstuk 2 aan de hand van het formulier bedoeld in artikel 20 ;
  2° een activiteitenverslag, met uitzondering van de nieuw opgerichte rechtspersonen die een activiteitenprogramma indienen ;
  3° de boekhoudkundige balans van de drie voorgaande jaren, met uitzondering van de nieuw opgerichte rechtspersonen die een financieel plan voor drie jaar indienen ;
  4° de begroting van het lopende jaar.
  De Regering legt de wijze vast voor de overhandiging van de documenten bedoeld in het eerste lid evenals het voorstellingsmodel van het activiteitenverslag en van het activiteitenprogramma.

  Art. 13. § 1. De erkenning mag niet aan een derde overgedragen worden.
  § 2. Er wordt afgeweken van paragraaf 1 in de gevallen die door de Regering bepaald worden. Zij bepaalt de wijze waarop de erkenning behouden, overgedragen of verdeeld wordt in geval van fusie, wijziging of splitsing van de sociale onderneming. De genoemde erkenning mag slechts toegekend worden voor de resterende duur van de lopende erkenning.

  HOOFDSTUK 4. - Over het mandaat en de financiering van de sociale inschakelingsondernemingen

  Afdeling 1. - Over het mandateren

  Art. 14. § 1. Volgend op een oproep tot kandidaatstelling kan de Regering bepaalde sociale ondernemingen, erkend overeenkomstig hoofdstuk 3 van deze ordonnantie, mandateren om een inschakelingsprogramma te realiseren bestaande uit een opdracht van diensten van economisch algemeen belang.
  § 2. In het kader van zijn mandaat, beheert de sociale inschakelingsonderneming een opdracht van diensten van economisch algemeen belang bestaande uit de re-integratie op de arbeidsmarkt van personen bijzonder ver verwijderd van de arbeid genaamd werknemer van de doelgroep en dit in de zin van artikel 2 c), van het besluit van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.
  § 3. Het mandaat wordt toegekend voor een hernieuwbare periode van vijf jaar.
  § 4. Het mandaat is zonder voorwerp in geval van intrekking van de erkenning. De schorsing van de erkenning schorst automatisch het mandaat op.
  § 5. Volgend op de oproep tot kandidaatstelling vraagt de Regering het advies van Actiris betreffende de projecten voor inschakelingsprogramma's volgens de modaliteiten bepaald door de Regering.
  § 6. De Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure voor toekenning en hernieuwing van de machtiging.

  Afdeling 2. - Over de financiering

  Onderafdeling 1. - Voorwaarden voor de toekenning van de compensatie voor de openbare dienst

  Art. 15. § 1. Binnen de grenzen van de beschikbare begrotingskredieten en volgens de voorwaarden die door deze ordonnantie en zijn uitvoeringsbesluiten worden vastgelegd, kan de Regering een compensatie voor de openbare dienst toekennen aan de sociale inschakelingsbedrijven die inschakelingsprogramma's uitvoeren.
  § 2. Het inschakelingsprogramma wordt omschreven als een specifiek begeleidingsprogramma voor de werknemer van de doelgroep met het oog op :
  1° een professionele begeleiding van de werknemer van de doelgroep die de opleiding omvat voor het werk dat hij uitoefent en de ontwikkeling van zijn autonomie, en ;
  2° een sociale begeleiding van de werknemer van de doelgroep die de verbetering omvat van zijn aanpassing aan de werkomgeving door hem te begeleiden in de sociale en administratieve procedures, door de communicatie in de onderneming te verbeteren met de verschillende betrokken partijen.

  Onderafdeling 2. - De compensatie voor de openbare dienst

  Art. 16. § 1. Binnen de grenzen van de begroting die jaarlijks vastgelegd worden, kan de Regering aan de sociale inschakelingsonderneming een compensatie voor de openbare dienst toekennen die bedoeld is om de loonkost te dekken van het begeleidingspersoneel dat de inschakeling van de werknemer van de doelgroep moet bevorderen via de toepassing van het inschakelingsprogramma bedoeld in artikel 15, § 2.
  § 2. De compensatie wordt berekend op basis van een forfaitair bedrag, dat jaarlijks aangepast wordt op basis van de afgevlakte index, rekening houdend met het aantal werknemers van de doelgroep in voltijdsequivalenten die op het ogenblik van hun indiensttreding steun voor tewerkstelling kunnen genieten die voorzien is door hoofdstuk 2 van de ordonnantie betreffende de tewerkstellingssteun.

  Art. 17. Binnen de grenzen van de begroting die jaarlijks vastgelegd worden, kan de compensatie voor de openbare dienst eveneens de werkingskosten dekken voor een percentage van het bij artikel 16 toegekende bedrag en die verband houdt met de toepassing van het inschakelingsprogramma.

  Art. 18. De Regering is gemachtigd voor de bepaling en de verduidelijking van :
  1° de modaliteiten met betrekking tot de bepaling van het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 16, § 2, en van het percentage bedoeld in artikel 17 ;
  2° de toekenningsmodaliteiten van de loons- en werkingscompensatie voor de openbare dienst.
  De compensaties voor de openbare dienst mogen niet vereffend worden in geval van faillissement, ontbinding of vrijwillige of gerechtelijke vereffening van de sociale inschakelingsonderneming.

  Onderafdeling 3. - De financieringsaanvraag

  Art. 19. § 1. De sociale inschakelingsonderneming dient jaarlijks zijn financieringsaanvraag in volgens de vormen en modaliteiten die door de Regering zijn vastgelegd.
  § 2. De Regering bepaalt de procedure, de instructie- en evaluatiemodaliteiten van de financieringsaanvragen door het Bestuur.
  § 3. In het kader van een mandaat voor een dienst van algemeen economisch belang bepaalt ze eveneens een herzieningsmechanisme van de compensatie voor de openbare dienst die het bedrag van de compensatie voor de openbare dienst die het jaar voordien werd toegekend opnieuw kan toekennen, verlagen of verhogen.

  HOOFDSTUK 5. - Evaluaties

  Afdeling 1. - Sociale ondernemingen

  Art. 20. § 1. De sociale ondernemingen bewijzen via het door de Regering opgestelde formulier, de toepassing van elk kenmerk van de principes bedoeld in hoofdstuk 2 met behulp van kwantitatieve en/of kwalitatieve criteria die verplicht of progressief kunnen zijn. Elk van deze kenmerken wordt geëvalueerd op basis van minstens één verplicht criterium.
  § 2. De Regering bepaalt, na advies van de ARSO, de criteria die de toepassing bewijzen van de kenmerken van de principes bedoeld in hoofdstuk 2 evenals het modelformulier dat deze criteria bevat.
  § 3. Het Bestuur analyseert jaarlijks de resultaten die in het formulier staan dat door de sociale onderneming overgemaakt wordt.

  Art. 21. § 1. De sociale ondernemingen passen een proces toe waarmee, bovenop de voorwaarden die voor de erkenning gesteld worden, ze zichzelf kunnen evalueren en de principes bedoeld in hoofdstuk 2 kunnen uitdiepen.
  § 2. De Regering bepaalt, na advies van de ARSO het zelfevaluatie-instrument van de sociale ondernemingen.

  Art. 22. § 1. De sociale ondernemingen maken jaarlijks het formulier zoals bedoeld in artikel 20 over aan het Bestuur.
  § 2. De sociale inschakelingsondernemingen maken naast het formulier voorzien in paragraaf 1, een specifiek activiteitenverslag over dat op hun mandaat van openbare dienst betrekking heeft.
  § 3. De Regering bepaalt de overhandigingsmodaliteiten van de documenten bedoeld in paragrafen 1 en 2 en eventuele aanvullende documenten evenals het standaardformulier.

  Afdeling 2. - Ordonnantie

  Art. 23. § 1er. De Regering stelt jaarlijks een rapport voor over de uitvoering van deze ordonnantie aan het Brussels Parlement alsook aan de ARSO.
  Het eerste rapport wordt voorgesteld achttien maanden na de inwerkingtreding van deze ordonnantie.
  § 2. Dit rapport bevat met name een statistische uiteenzetting van :
  1° het aantal erkende sociale ondernemingen krachtens hoofdstuk 3, het aantal ondernemingen dat een mandaat verkreeg voor een inschakelingsprogramma krachtens hoofdstuk 4 en het aantal bij de inschakelingsprogramma's betrokken werknemers, het aantal erkende adviesagentschappen en de bijbehorende begrotingen ;
  2° de erkenningen en mandaten die sinds het vorige rapport toegekend, geweigerd of ingetrokken werden ;
  3° de geografische verdeling van deze actoren binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
  4° het aantal erkende sociale ondernemingen dat gewestelijke steun vsoor ondernemingen, financieringen van de GIMB-groep of subsidies in het kader van door het Gewest georganiseerde innoverende projectoproepen verkreeg, alsook de bijbehorende begrotingen ;
  5° door de Regering getroffen sancties.

  Art. 24. § 1. De Regering voegt om de twee jaar aan het rapport bedoeld in artikel 23 een synthese van :
  1° de kwantitatieve en kwalitatieve ontwikkeling van de sociale ondernemingen evenals hun erkende bijdrage aan het economische en tewerkstellingsbeleid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
  2° de vooruitgang en obstakels die werden tegengekomen bij de uitvoering door de sociale ondernemingen van de verschillende karakteristieken van elk van de principes bedoeld in hoofdstuk 2 ;
  3° de lopende ontwikkelingen in de innoverende Europese regio's inzake sociaal ondernemerschap ;
  4° de acties die moeten worden ondernomen, binnen de twee jaar, op basis van de lessen die getrokken werden uit de voorbije periode.
  § 2. De eerste synthese wordt gevoegd aan het tweede rapport, dertig maanden na de inwerkingtreding van deze ordonnantie.

  HOOFDSTUK 6. - Adviesraad voor sociaal ondernemerschap

  Art. 25. § 1. Er wordt een Adviesraad voor sociaal ondernemerschap opgericht binnen de ESRBHG die er het secretariaat van waarneemt. De Raad is met de volgende taken belast :
  1° adviezen formuleren over de erkenning van de sociale ondernemingen bedoeld in artikel 11 ;
  2° adviezen formuleren over de inschakelingsprogramma's bedoeld in artikel 15, § 2 ;
  3° op eigen initiatief en op vraag van de Regering adviezen formuleren ;
  4° het overleg te organiseren tussen de erkende sociale ondernemingen en de publieke en private actoren die verband houden met het sociale ondernemerschap ;
  5° bijdragen tot de bevordering van het gewestelijke beleid voor de sociale economie.
  § 2. De Regering bepaalt de samenstelling en de werkingswijze van de ARSO.
  § 3. De Regering benoemt de voorzitter en de ondervoorzitter op voordracht van de minister bevoegd voor de sociale economie.
  Minstens drie vierde van de leden van de ARSO is gedomicilieerd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  De Regering wijst uit dubbele lijsten de leden aan op voordracht van de instellingen die zij vertegenwoordigen.
  Ten hoogste twee derde van de leden van de ARSO behoort tot dezelfde taalrol.
  De Regering wijst de representatieve organisaties van de sector van de sociale economie aan.
  § 4. De ARSO stelt binnen drie maanden na de benoeming van de leden ervan zijn huishoudelijk reglement op. Dat reglement bevat onder meer regels met betrekking tot de taken van de voorzitter en de ondervoorzitter, de regelmaat en de data van de vergaderingen, de uitnodigingen voor de vergaderingen, de notulen, de agenda, de goedkeuring van de agenda en de notulen en een gedetailleerde omschrijving van de te volgen procedures.

  HOOFDSTUK 7. - Ondersteuningsmiddelen voor de sociale ondernemingen

  Afdeling 1. - De adviesagentschappen

  Art. 26. § 1. De Regering kan de rechtspersonen erkennen en financieren die als maatschappelijk doel de consultancy aan sociale ondernemingen en hun begeleiding hebben.
  § 2. Om erkend te worden en de benaming adviesagentschap te gebruiken, heeft de rechtspersoon zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voert hij met name de volgende taken uit :
  1° samenwerken aan de opkomst van een dynamiek van professionalisering en bevordering van het sociale ondernemerschap als economisch groeimodel voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
  2° de sociale ondernemingen die een aanvraag indienen, ondersteunen in hun wil om de toepassing van één of meer principes bedoeld in hoofdstuk 2 uit te diepen of om de programma's bedoeld in artikel 15, § 2 toe te passen, met inbegrip van de verwerving van interne tools en aangepaste methodes ;
  3° meer specifiek de sociale ondernemingen ondersteunen tijdens het eerste jaar van hun erkenning op het vlak van sociale aspecten, human resources en dit in een logica van professionalisering, van beheer en groei ;
  4° de rechtspersonen informeren die van plan zijn de erkenning bedoeld in hoofdstuk 2 te genieten.

  Art. 27. § 1. Binnen de grenzen van de begroting die jaarlijks vastgelegd worden kan de Regering het adviesagentschap een subsidie toekennen om de taken vermeld in artikel 26, § 2, uit te voeren.
  § 2. De Regering bepaalt de erkenningscriteria en de toekenningsmodaliteiten van de subsidies.

  Afdeling 2. - Andere ondersteuningsmiddelen voor de sociale ondernemingen

  Art. 28. De Regering stelt andere middelen in dan die bedoeld in afdeling 1, teneinde de sociale ondernemingen die streven naar aanzienlijke vooruitgang in de uitdieping van één of meerdere principes bedoeld in hoofdstuk 2 te ondersteunen of om het sociale ondernemerschap te promoveren. Die omvatten met name :
  1° een jaarlijkse oproep voor innoverende projecten ;
  2° aangepaste financieringsproducten (leningen en participaties) ;
  3° begeleidingsmechanismen voor de oprichting, de groei of schaalverandering van sociale ondernemingen of voor projectdragers van zulke ondernemingen ;
  4° promotiemiddelen voor economische modellen van sociale ondernemingen.

  HOOFDSTUK 8. - Controle en toezicht

  Art. 29. § 1. De ambtenaren die door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering worden aangeduid, controleren de toepassing van deze ordonnantie en haar uitvoeringsmaatregelen en houden toezicht op de naleving ervan.
  § 2. Deze ambtenaren voeren deze controle of dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen.

  Art. 30. De bepalingen van de ordonnantie van 8 oktober 2015 houdende algemene regels betreffende de inhouding, de terugvordering en de niet-vereffening van subsidies op het vlak van werkgelegenheid en economie zijn van toepassing op de recuperatie van de compensaties voor de openbare dienst bedoeld in de artikelen 16 en 17.

  HOOFDSTUK 9. - Wijzigingsbepaling

  Art. 31. In artikel 5 van de ordonnantie van 23 juni 2017 betreffende de tewerkstellingssteun in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, worden de woorden " als bedoeld in artikel 2, 7° en 8°, van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de erkenning en de financiering van de plaatselijke initiatieven voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de inschakelingsondernemingen " vervangen door de worden " als bedoeld in artikel 2, 2°, van de ordonnantie van [...] met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen ".

  HOOFDSTUK 10. - Opheffingsbepalingen

  Art. 32. De volgende ordonnanties worden opgeheven :
  1° de ordonnantie van 18 maart 2004, gewijzigd door de ordonnanties van 3 mei 2007 en van 30 april 2009 ;
  2° de ordonnantie van 26 april 2012 betreffende de sociale economie en de erkenning van inschakelingsondernemingen en plaatselijke initiatieven voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid met het oog op de toekenning van toelagen.

  HOOFDSTUK 11. - Overgangsbepalingen

  Art. 33. § 1. De inschakelingsonderneming of het plaatselijke initiatief voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid behoudt de financiering die door de Regering toegekend werd overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 18 maart 2004 voor de duur van zijn erkenning en ten laatste tot 31 december 2019.
  § 2. In het geval dat de erkenning van de inschakelingsonderneming of het plaatselijke initiatief voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid zoals bedoeld in paragraaf 1 vervalt vóór 31 december 2019, wordt deze verlengd tot maximaal 31 december 2019 en voor zover de erkenningsvoorwaarden bedoeld in artikels 4 en 5 van de ordonnantie van 18 maart 2004 worden nageleefd.
  § 3. Tegen 1 januari 2020 dienen de rechtspersonen bedoeld in paragraaf 1 een verzoek tot erkenning in overeenkomstig de bepalingen van deze ordonnantie.

  HOOFDSTUK 12. - Slotbepaling

  Art. 34. De Regering bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze ordonnantie.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel vastgesteld op 01-02-2019 door BESL 2018-12-20/20, art. 17)

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 23 juli 2018.
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Territoriale Ontwikkeling, Stedelijk Beleid, Monumenten en Landschappen, Studentenaangelegenheden, Toerisme, Openbaar Ambt, Wetenschappelijk Onderzoek en Openbare Netheid,
R. VERVOORT
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Externe Betrekkingen en Ontwikkelingssamenwerking,
G. VANHENGEL
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie en Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
D. GOSUIN
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit en Openbare Werken,
P. SMET
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Huisvesting, Levenskwaliteit, Leefmilieu en Energie,
C. FREMAULT

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen, het geen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
-------------------------------------INWERKINGTREDING DOOR-------------------------------------
originele versie
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 20-12-2018 GEPUBL. OP 09-01-2019

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Documenten van het Parlement : Gewone zitting 2017-2018 A-693/1 Ontwerp van ordonnantie A-693/2 Verslag A-693/3 Amendementen na verslag Integraal verslag : Bespreking en aanneming : vergadering van vrijdag 20 juli 2018.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten
    Franstalige versie