J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
2 FEBRUARI 2018. - Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten

Bron :
BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 24-12-2018 nummer :   2018015287 bladzijde : 102175       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2018-02-02/14
Inwerkingtreding : 24-12-2018

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :2018202642        2018202644        2018202643        2018203266        2018203295        2018040177        2018013859        2018203970       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Art. 1-3
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 4-6
Afdeling 2. - Vaststellen van de bevoegde gewestelijke overheid
Art. 7-8
Afdeling 3. - Toezicht, controle en sanctionering
Art. 9-13
HOOFDSTUK III. - Wederzijdse erkenning
Art. 14
HOOFDSTUK IV. - Gecombineerde aanvraagprocedure met het oog op het verkrijgen van een gecombineerde vergunning of een andere verblijfstitel om voor een periode van meer dan negentig dagen te werken
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Art. 15-16
Afdeling 2. - Indiening van de aanvraag
Onderafdeling 1. - Algemene regels
Art. 17-21
Onderafdeling 2. - Bijzondere regels
Art. 22-23
Afdeling 3. - Behandeling van de aanvraag
Art. 24-33
Afdeling 4. - Afgifte van de gecombineerde vergunning
Art. 34-35
Afdeling 5. - Beëindiging van de toelating tot arbeid of de machtiging tot verblijf
Art. 36
Afdeling 6. - Rechtsmiddelen
Art. 37-38
HOOFDSTUK V. - Transversale bepalingen
Afdeling 1. - Circulatie en overdracht van de dossiers tussen de diensten
Art. 39
Afdeling 2. - Elektronisch platform
Art. 40
Afdeling 3. - Verdeling van de kosten
Art. 41
Afdeling 4. - Coherentie van de wetgevende en reglementaire normen van de verschillende regeringen - Voorafgaande formaliteiten die tijdens latere wijzigingen van de geldende normen noodzakelijk zijn
Art. 42-43
Afdeling 5. - Regeling van de geschillen die het gevolg zijn van de interpretatie of de uitvoering van dit akkoord
Art. 44
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen
Art. 45

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. § 1. Dit samenwerkingsakkoord betreft een gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven.
  Onverminderd de andere bevoegdheden die hun door dit akkoord worden toegekend, kunnen de partijen, met een uitvoerend samenwerkingsakkoord zoals voorzien in artikel 92bis, § 1, derde lid, van de bijzondere wet, de nadere regels omschrijven die zijn vereist voor het uitvoeren van dit akkoord.
  § 2. Dit samenwerkingsakkoord is van toepassing op de richtlijnen die zijn uitgevaardigd op grond van artikel 79, § 2, onder a) en b) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, wanneer ze de voorwaarden voor toegang en verblijf van de onderdanen van derde landen met het oog op een tewerkstelling gedurende meer dan negentig dagen bepalen, en wanneer ze de invoering van één enkele procedure op het Belgisch niveau noodzakelijk maken.
  De partijen kunnen, met een uitvoerend samenwerkingsakkoord zoals bepaald in artikel 92bis, § 1, derde lid, van de bijzondere wet, de bijzondere modaliteiten voor de uitvoering van dit akkoord die van toepassing zijn op deze richtlijnen bepalen.

  Art. 2. De partijen oefenen hun respectieve bevoegdheden uit met inachtneming van dit akkoord.

  Art. 3. In de zin van dit akkoord wordt verstaan onder:
  1° "Dienst Vreemdelingenzaken": de bestuursoverheid die bij de FOD Binnenlandse Zaken bevoegd is voor de toepassing van de regels inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  2° "gewestelijke overheid": de door het Gewest aangeduide bestuursoverheid die bevoegd is voor de tewerkstelling van de buitenlandse werknemers;
  3° "Gewest": het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of de Duitstalige Gemeenschap dat of die bevoegd is voor de tewerkstelling van de buitenlandse werknemers;
  4° "FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg" (hierna FOD WASO)": federale overheidsdienst die bevoegd is voor de tewerkstelling van de buitenlandse werknemers op basis van hun specifieke verblijfssituatie;
  5° "de minister": de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  6° "gecombineerde aanvraagprocedure": elke procedure, op basis van een gecombineerde aanvraag die door een onderdaan van een derde land of zijn werkgever wordt ingediend om te worden gemachtigd om op het Belgische grondgebied te verblijven en er te werken, en dewelke tot een beslissing in verband met deze aanvraag leidt;
  7° "onderdaan van een derde land": een persoon die noch een burger is van de Unie in de zin van artikel 20, paragraaf 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, noch een persoon die onder het Unierecht inzake vrij verkeer valt, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 5, van de Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) is;
  8° "toelating tot arbeid": machtiging die de onderdaan van een derde land toelaat om op het Belgische grondgebied te werken, overeenkomstig de wetgeving inzake de tewerkstelling van de buitenlandse werknemers;
  9° "machtiging tot verblijf": beslissing die de onderdaan van een derde land machtigt om voor een duur van meer dan negentig dagen in het op het Belgische grondgebied te verblijven om er te werken, overeenkomstig de wetgeving inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  10° "gecombineerde vergunning": verblijfstitel die een vermelding bevat met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt en dewelke een onderdaan van een derde land in staat stelt om wettelijk op het Belgische grondgebied te verblijven, om er te werken;
  11° "vestigingseenheid of uitbatingsadres of exploitatiezetel": het uitbatingsadres of de exploitatiezetel, overeenkomstig artikel 2.6° van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen;
  12° "maatschappelijke zetel": het hoofdkantoor van een bedrijf; de formele vestigingsplaats van een rechtspersoon;
  13° "federale inspectiedienst": de door de federale overheid gemachtigde ambtenaren voor het vaststellen van inbreuken zoals bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 3° en 4° van de bijzondere wet;
  14° "gewestelijke inspectiedienst": de door de gewesten gemachtigde ambtenaren voor het vaststellen van inbreuken zoals bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 3° en 4° van de bijzondere wet.

  HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 4. Dit akkoord regelt de samenwerking tussen de partijen met het oog op de coördinatie en de harmonisatie van de procedures aangaande machtigingen tot verblijf en toelatingen tot arbeid, en bij de uitoefening van de bevoegdheden inzake tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
  Dit akkoord respecteert de specifieke kenmerken van elke bevoegde overheid en de doelstellingen die door elk van deze overheden dienen te worden nagestreefd.

  Art. 5. De samenwerking bedoeld in artikel 4 heeft tot doel:
  1° de coördinatie van de verdeling van de bevoegdheden inzake de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten tussen de federale overheid en de gewestelijke overheden, wat betreft normering, toepassing der normen, controle, toezicht en sanctionering, overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, § 1, IX, 3° en 4° van de bijzondere wet;
  2° de territoriale verdeling van de bevoegdheden inzake de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten tussen de gewestelijke overheden op grond van het territoriaal aanknopingspunt;
  3° de vastlegging van het principe van wederzijdse erkenning, opdat de Gewesten hun bevoegdheden inzake tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten uitoefenen met inachtneming van de Belgische economische unie overeenkomstig artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet;
  4° de invoering en de coördinatie van één enkele gemeenschappelijke aanvraagprocedure voor onderdanen van derde landen die op het grondgebied wensen te verblijven om er te werken, overeenkomstig Richtlijn 2011/98/EU.

  Art. 6. Dit akkoord regelt eveneens de transversale maatregelen die uit deze samenwerking voortvloeien:
  1° de verdeling van de kosten;
  2° de coherentie tussen wetgevende en reglementaire normen van de verschillende regeringen;
  3° de regeling van de geschillen die voortvloeien uit de interpretatie of de uitvoering van dit akkoord;
  4° de inwerkingtreding en de duur van dit akkoord.

  Afdeling 2. - Vaststellen van de bevoegde gewestelijke overheid

  Art. 7. De gewestelijke overheid die bevoegd is om elke aanvraag voor toelating tot arbeid te ontvangen en te behandelen wordt als volgt vastgesteld:
  1°
  - wanneer de werkgever of de gebruiker van een dienstverrichting één of meerdere vestigingseenheden bezit die in één of verschillende gewesten gesitueerd zijn, is de bevoegde gewestelijke overheid de overheid die overeenkomt met de vestigingseenheid waar de activiteiten van de buitenlandse werknemer geconcentreerd zijn;
  - wanneer de hoofdzakelijke plaats van tewerkstelling niet kan worden bepaald, is de bevoegde gewestelijke overheid de overheid die overeenkomt met de maatschappelijke zetel van de onderneming;
  - wanneer de werkgever of de gebruiker van een dienstverrichting geen enkele maatschappelijke zetel en geen enkele vestigingseenheid in België bezit, is de bevoegde gewestelijke overheid de overheid van het gewest waar de onderdaan van het derde land zijn activiteiten zal uitoefenen.
  2° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een toelating tot arbeid voor onbepaalde duur of een vrijstelling voor onbepaalde duur is de bevoegde gewestelijke overheid de overheid die overeenkomt met de officiële woonplaats van de werknemer.

  Art. 8. Wanneer de gewestelijke overheid waarbij de aanvraag wordt ingediend, niet de bevoegde overheid is overeenkomstig artikel 7, geeft deze de aanvraag binnen een termijn van vier werkdagen na ontvangst door aan de bevoegde overheid, en brengt ze de verzoeker hiervan op de hoogte.
  In bijzondere gevallen kan de in het eerste lid bepaalde termijn bij uitvoerend samenwerkingsakkoord aangepast worden.

  Afdeling 3. - Toezicht, controle en sanctionering

  Art. 9. Elke bevoegde overheid bepaalt het wettelijk kader waarbinnen de uitoefening van de controle en het toezicht en de bijbehorende sancties geregeld worden.

  Art. 10. De vaststelling van inbreuken betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers is een gedeelde bevoegdheid van de federale overheid en de gewestelijke overheden.
  Elke bevoegde overheid wijst haar ambtenaren aan die belast zijn met deze controles.

  Art. 11. De federale inspectiedienst kan, naast inbreuken op de federale regelgeving, in toepassing van artikel 10 inbreuken vaststellen op de regionale regelgeving.
  Elke gewestelijke inspectiedienst kan, naast inbreuken op de eigen regionale regelgeving binnen haar eigen grondgebied, in toepassing van artikel 10 inbreuken vaststellen op de federale regelgeving.

  Art. 12. De betrokken inspectiedienst stuurt een exemplaar van het proces-verbaal dat de inbreuk op de gewestelijke reglementering vaststelt naar de bevoegde gewestelijke cel Administratieve geldboeten.
  De betrokken inspectiedienst stuurt een exemplaar van het proces-verbaal dat de inbreuk op de federale reglementering vaststelt naar de Directie Administratieve boeten van de FOD WASO.

  Art. 13. Ingeval één proces-verbaal verschillende inbreuken bevat waarvoor verschillende cellen administratieve geldboeten bevoegd zijn, wordt een exemplaar van het proces-verbaal naar de bevoegde cellen Administratieve geldboeten en/of de bevoegde Directies Administratieve geldboeten gestuurd.

  HOOFDSTUK III. - Wederzijdse erkenning

  Art. 14. De onderdanen van derde landen die beschikken over een geldige toelating tot arbeid die toegekend werd door een gewestelijke overheid voor de tewerkstelling in een bepaalde functie bij een bepaalde werkgever, of zij die vrijgesteld zijn van de verplichting om een dergelijke toelating tot arbeid te verkrijgen, kunnen in opdracht van dezelfde werkgever op het hele Belgische grondgebied werken, op voorwaarde dat alle voorwaarden betreffende de toelating tot arbeid of de vrijstelling hiervan, zoals vastgesteld door de eerste gewestelijke overheid, zijn vervuld.
  De werknemer die een toelating tot arbeid voor onbepaalde duur in één Gewest verkrijgt, of die vrijgesteld is voor onbepaalde duur in één Gewest, kan op basis van diezelfde vergunning of vrijstelling op het hele Belgische grondgebied werken.
  Indien dwingende redenen van algemeen belang dit rechtvaardigen, kunnen de partijen bij uitvoerend samenwerkingsakkoord, de categorieën buitenlandse werknemers die onder het toepassingsgebied van het tweede lid vallen, beperken.

  HOOFDSTUK IV. - Gecombineerde aanvraagprocedure met het oog op het verkrijgen van een gecombineerde vergunning of een andere verblijfstitel om voor een periode van meer dan negentig dagen te werken

  Afdeling 1. - Toepassingsgebied

  Art. 15. Onverminderd gunstigere bepalingen is dit hoofdstuk van toepassing op elke aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op werk voor een periode van meer dan 90 dagen.
  De partijen kunnen bij uitvoerend samenwerkingsakkoord, de categorieën buitenlandse werknemers die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen, beperken.

  Art. 16. Onverminderd andersluidende reglementaire bepalingen inzake de tewerkstelling van de buitenlandse werknemers, zijn voor de toepassing van dit hoofdstuk, voor wat betreft de aangelegenheden waarvoor de Gewesten bevoegd zijn, de arbeidskaarten, die toelating geven tot arbeid voor meer dan negentig dagen in de zin van artikel 5 van de wet van 30 april 1999, vervat in de gecombineerde vergunning of in een andere verblijfstitel met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen.
  Onverminderd andersluidende reglementaire bepalingen inzake de tewerkstelling van de buitenlandse werknemers, zijn voor de toepassing van dit hoofdstuk, voor wat betreft de aangelegenheden waarvoor de Gewesten bevoegd zijn, de vrijstellingen van de verplichting om een arbeidskaart te verkrijgen, die toelating geven tot arbeid voor een periode van meer dan negentig dagen in de zin van artikel 7 van de wet van 30 april 1999, vervat in de gecombineerde vergunning of in een andere verblijfstitel met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen.
  Onverminderd andersluidende reglementaire bepalingen inzake de tewerkstelling van de buitenlandse werknemers, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk voor wat betreft de aangelegenheden waarvoor de Gewesten bevoegd zijn, de gecombineerde vergunning of een andere verblijfstitel met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen gelijkgesteld met de arbeidsvergunning, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, van de wet van 30 april 1999, die de werkgever machtigt de buitenlandse werknemer tewerk te stellen.

  Afdeling 2. - Indiening van de aanvraag

  Onderafdeling 1. - Algemene regels

  Art. 17. De aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen wordt ingediend in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
  De aanvraag voor een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor een machtiging tot verblijf.
  De machtiging tot verblijf is enkel geldig indien een toelating tot arbeid wordt toegekend.
  De toelating tot arbeid is enkel geldig indien een machtiging tot verblijf wordt toegekend.

  Art. 18. § 1. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 22 en 23 wordt de aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op werk en de aanvraag voor de vernieuwing of wijziging van deze machtiging door de onderdaan van een derde land ingediend via zijn werkgever bij de territoriaal bevoegde gewestelijke overheid.
  § 2. Het Gewest bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor de indiening van de aanvraag.
  § 3. Naast de documenten die zijn voorgeschreven door de wetgevende of reglementaire bepalingen inzake de tewerkstelling van de buitenlandse werknemers, bevat de aanvraag de documenten met betrekking tot het verblijf die voorgeschreven zijn door de wetgeving inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  § 4. Op verzoek verstrekken de Dienst Vreemdelingenzaken en de gewestelijke overheden, ieder wat hen betreft, aan de onderdaan van een derde land en zijn werkgever de relevante informatie inzake de documenten die vereist zijn om een volledige aanvraag in te dienen.

  Art. 19. § 1. De bevoegde gewestelijke overheid neemt een beslissing over de volledigheid en de ontvankelijkheid van de aanvraag.
  § 2. Wanneer niet alle documenten die vereist zijn om de aanvraag te staven voorgelegd worden, of indien ze onvolledig zijn, deelt de gewestelijke overheid de aanvrager schriftelijk mee welke aanvullende inlichtingen of documenten hij moet voorleggen, en dit binnen een termijn van vijftien dagen na de betekening van de brief waarin deze documenten gevraagd worden.
  § 3. Indien de aanvullende documenten of inlichtingen niet binnen de termijn bedoeld in § 2 geleverd werden, verklaart de gewestelijke overheid de aanvraag onontvankelijk.
  In afwijking van het eerste lid, verklaart de gewestelijke overheid de aanvraag onvolledig doch ontvankelijk indien de minister of zijn gemachtigde aangeeft dat bepaalde documenten voorgeschreven door de wetgeving inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in de loop van de procedure zullen worden toegevoegd.

  Art. 20. Ten laatste vijftien dagen na de ontvankelijkheid van de aanvraag stuurt de gewestelijke overheid een kopie van het dossier naar de Dienst Vreemdelingenzaken.
  In bepaalde gevallen kan de in het eerste lid bepaalde termijn bij uitvoerend samenwerkingsakkoord gewijzigd worden.

  Art. 21. De aanvraag voor vernieuwing of wijziging van de machtiging tot verblijf met het oog op werk wordt ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige machtiging bij de gewestelijke overheid ingediend.

  Onderafdeling 2. - Bijzondere regels

  Art. 22. De aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op werk voor onbepaalde duur wordt door de onderdaan van een derde land ingediend bij de territoriaal bevoegde gewestelijke overheid, overeenkomstig artikel 7, 2° wanneer hij een aanvraag voor een toelating tot arbeid van onbeperkte duur indient.

  Art. 23. Indien de toelating tot arbeid door de bevoegde gewestelijke overheid voor onbeperkte duur wordt toegekend, dient de onderdaan van een derde land de volgende aanvraag voor vernieuwing van zijn machtiging tot verblijf in bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft, overeenkomstig de wetgeving inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

  Afdeling 3. - Behandeling van de aanvraag

  Art. 24. § 1. De Federale Staat en de Gewesten bepalen de nadere regels voor het behandelen van de aanvragen.
  § 2. De Dienst Vreemdelingenzaken en de gewestelijke overheden behandelen de aanvragen gezamenlijk en respecteren daarbij hun respectieve bevoegdheden.

  Art. 25. § 1. Onverminderd gunstigere bepalingen in de Europese richtlijnen bedoeld in artikel 1, § 2, wordt de beslissing met betrekking tot de aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op werk ten laatste binnen de vier maanden genomen na de kennisgeving van het feit dat de aanvraag volledig is.
  § 2. Tijdens het onderzoek van de aanvraag kan aan de onderdaan van een derde land of aan de werkgever worden gevraagd om binnen een termijn van 15 dagen aanvullende inlichtingen of documenten voor te leggen.
  Indien de aanvullende inlichtingen of documenten niet binnen de voorgeschreven termijn werden voorgelegd, wordt de aanvraag geweigerd.
  § 3. In uitzonderlijke omstandigheden, die verbonden zijn met de complexiteit van de aanvraag, kan de termijn bedoeld in paragraaf 1 verlengd worden.
  Wanneer de minister of zijn gemachtigde deze termijn verlengt, brengt hij de onderdaan van een derde land en de bevoegde gewestelijke overheid daarvan op de hoogte.
  Wanneer de gewestelijke overheid deze termijn verlengt, brengt ze de aanvrager en de minister of zijn gemachtigde daarvan op de hoogte.
  § 4. Indien er na het verstrijken van de termijn bedoeld in paragraaf 1, die eventueel verlengd werd overeenkomstig paragraaf 3, geen enkele beslissing werd genomen, worden de machtigingen tot verblijf en de toelatingen tot arbeid beschouwd te zijn toegekend.

  Art. 26. Indien de bevoegde gewestelijke overheid binnen de in artikel 20 bepaalde termijn beslist om een toelating tot arbeid toe te kennen, stuurt ze onmiddellijk haar beslissing en een kopie van het volledig dossier naar de minister of zijn gemachtigde.
  Wanneer de minister of zijn gemachtigde beslist om een machtiging tot verblijf toe te kennen, betekent hij de twee positieve beslissingen in overeenstemming met artikel 33 aan de onderdaan van een derde land.
  Wanneer de minister of zijn gemachtigde een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf neemt, betekent hij zijn beslissing aan de onderdaan van een derde land en brengt hij de bevoegde gewestelijke overheid en de werkgever daarvan op de hoogte.

  Art. 27. Indien de gewestelijke overheid binnen de in artikel 20 bepaalde termijn een beslissing tot weigering van toelating tot arbeid neemt, betekent ze haar beslissing aan de aanvrager, en brengt ze de minister of zijn gemachtigde daarvan op de hoogte.

  Art. 28. Indien de bevoegde gewestelijke overheid na de in artikel 20 bepaalde termijn beslist om een toelating tot arbeid toe te kennen, stuurt ze haar beslissing naar de minister of zijn gemachtigde.
  Wanneer de minister of zijn gemachtigde beslist om een machtiging tot verblijf toe te kennen, betekent hij de twee positieve beslissingen in overeenstemming met artikel 33 aan de onderdaan van een derde land.
  Wanneer de minister of zijn gemachtigde een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf neemt, betekent hij zijn beslissing aan de onderdaan van een derde land, en brengt hij de werkgever daarvan op de hoogte.

  Art. 29. Indien de minister of zijn gemachtigde na de in artikel 20 bepaalde termijn beslist om een machtiging tot verblijf toe te kennen, stuurt hij zijn beslissing naar de bevoegde gewestelijke overheid.
  Wanneer de gewestelijke overheid beslist om een toelating tot arbeid toe te kennen stuurt ze haar beslissing naar de minister of zijn gemachtigde. De minister of zijn gemachtigde geeft kennis van deze beslissingen overeenkomstig artikel 33.
  Wanneer de gewestelijke overheid een beslissing tot weigering van een toelating tot arbeid neemt, betekent ze haar beslissing aan de aanvrager, en brengt ze minister of zijn gemachtigde daarvan op de hoogte.

  Art. 30. Indien de gewestelijke overheid na de in artikel 20 bepaalde termijn een beslissing tot weigering van een toelating tot arbeid neemt, brengt ze de minister of zijn gemachtigde daarvan op de hoogte vooraleer ze de beslissing aan de aanvrager betekent.

  Art. 31. Indien de minister of zijn gemachtigde na de in artikel 20 bepaalde termijn een beslissing neemt tot weigering van een machtiging tot verblijf, brengt hij de bevoegde gewestelijke overheid daarvan op de hoogte vooraleer hij de beslissing aan de onderdaan van een derde land betekent en hij de werkgever daarvan op de hoogte brengt.

  Art. 32. De beslissingen die betrekking hebben op de aanvragen voor een machtiging tot verblijf met het oog op werk worden gemotiveerd en schriftelijk meegedeeld aan de aanvrager.
  De schriftelijke betekening vermeldt de mogelijke rechtsmiddelen.

  Art. 33. De beslissingen waarmee de gecombineerde vergunning wordt toegekend nemen de vorm aan van een gecombineerde administratieve akte die tegelijkertijd het verblijf en het werk toestaat.
  De minister of zijn gemachtigde betekent deze akte aan de onderdaan van een derde land en brengt de werkgever hiervan op de hoogte.

  Afdeling 4. - Afgifte van de gecombineerde vergunning

  Art. 34. Wanneer de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het Belgische grondgebied te verblijven en te werken, brengt de Dienst Vreemdelingenzaken de diplomatieke posten en/of de gemeenten op de hoogte van de positieve beslissingen.
  Indien de onderdaan van een derde land zich op de datum van de beslissing tot machtiging tot verblijf en arbeid in het buitenland bevindt, wordt op zijn verzoek een visum aan hem afgeleverd.
  De tot verblijf met het oog op werk gemachtigde onderdaan van een derde land wordt in het vreemdelingenregister ingeschreven. Een gecombineerde vergunning conform aan Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen wordt aan hem afgegeven.
  De onderdaan van een derde land die overeenkomstig artikel 33 tot verblijf met het oog op werk gemachtigd werd, kan beginnen werken zodra hij in het bezit is van het voorlopige verblijfsdocument dat wordt afgeleverd in afwachting van de afgifte van de gecombineerde vergunning, of in afwachting van de vernieuwing of wijziging van de gecombineerde vergunning.

  Art. 35. In overleg met alle partijen vermeldt de Dienst Vreemdelingenzaken op de verblijfstitel conform aan Verordening (EG) 1030/2002 die afgegeven wordt aan de onderdanen van derde landen die toegelaten of gemachtigd zijn tot verblijf de beperkingen van de arbeidsmarkt die vastgelegd zijn door de federale of gewestelijke wetgeving.
  Deze vermelding ziet er als volgt uit:
  1° ofwel "Arbeidsmarkt": beperkt
  2° ofwel "Arbeidsmarkt": onbeperkt
  3° ofwel "Arbeidsmarkt": nee

  Afdeling 5. - Beëindiging van de toelating tot arbeid of de machtiging tot verblijf

  Art. 36. § 1. Wanneer de gewestelijke overheid overeenkomstig de reglementering inzake de tewerkstelling van onderdanen van derde landen een einde maakt aan de toelating tot arbeid van de onderdaan van een derde land, stuurt ze haar beslissing naar de minister of zijn gemachtigde.
  De minister of zijn gemachtigde betekent de beslissing aan de onderdaan van een derde land en aan de werkgever.
  Deze beslissing wordt gemotiveerd en vermeldt de mogelijke rechtsmiddelen.
  § 2. Indien de onderdaan van een derde land niet meer toegelaten is tot arbeid, eindigt zijn verblijf negentig dagen na het einde van de toelating tot arbeid van rechtswege, en dit onverminderd de bevoegdheid van de minister, of zijn gemachtigde, om overeenkomstig de wetgeving inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen een einde te maken aan het verblijf.
  Indien er gedurende deze periode geen einde wordt gemaakt aan het verblijf, wordt de onderdaan van een derde land in het bezit gesteld van een voorlopig verblijfsdocument.
  Indien een aanvraag tot vernieuwing of wijziging wordt ingediend, verlengt de minister of zijn gemachtigde op verzoek van de bevoegde gewestelijke overheid, in uitzonderlijke omstandigheden die verbonden zijn met het onderzoek van de redenen die betrekking hebben op het werk, de geldigheid van dit verblijfsdocument.
  § 3. Wanneer de minister of zijn gemachtigde een einde maakt aan het verblijf van de onderdaan van een derde land, brengt hij de bevoegde gewestelijke overheid daarvan op de hoogte en betekent hij zijn beslissing aan de onderdaan van een derde land.
  Deze beslissing wordt gemotiveerd en vermeldt de mogelijke rechtsmiddelen.
  De toelating tot arbeid vervalt van rechtswege bij een beslissing van beëindiging van het verblijf.

  Afdeling 6. - Rechtsmiddelen

  Art. 37. De aanvrager kan een beroep indienen bij de Raad van State tegen de beslissing van de gewestelijke overheid inzake de ontvankelijkheid van de aanvraag, overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973;
  De aanvrager kan een beroep indienen bij de gewestminister tegen de beslissing van de gewestelijke overheid inzake:
  1° de weigering van de gecombineerde vergunning om reden van weigering van de toelating tot arbeid, overeenkomstig de bepalingen van de regionale wetgeving;
  2° de weigering van de vernieuwing of wijziging van de gecombineerde vergunning om redenen van weigering van de toelating tot arbeid, overeenkomstig de bepalingen van de regionale wetgeving;
  3° de intrekking van de toelating tot arbeid overeenkomstig de bepalingen van de regionale wetgeving.
  De gewestelijke overheid brengt de minister of zijn gemachtigde op de hoogte wanneer een beroep wordt ingediend.
  Indien de bestreden beslissing hervormd wordt, stuurt de gewestelijke overheid de nieuwe beslissing onmiddellijk naar de minister of zijn gemachtigde, opdat deze beslist over het verblijf overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van de wetgeving inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  Indien de beslissing nietig wordt verklaard door de Raad van State en de beslissing van de gewestelijke overheid positief is, stuurt ze de beslissing onmiddellijk naar de minister of zijn gemachtigde, opdat deze beslist over het verblijf overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van de wetgeving inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

  Art. 38. De onderdaan van een derde land kan een beroep indienen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, overeenkomstig de wetgeving inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, tegen de beslissingen van de minister of zijn gemachtigde inzake:
  1° de weigering van de gecombineerde vergunning om reden van weigering van het verblijf;
  2° de weigering van de vernieuwing of wijziging van de gecombineerde vergunning om redenen van weigering van de vernieuwing van de machtiging tot verblijf;
  3° de intrekking van de gecombineerde vergunning.
  De minister of zijn gemachtigde brengt de bevoegde gewestelijke overheid op de hoogte wanneer een beroep wordt ingediend.
  Indien er na een nietigverklaring van de beslissing door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen of na het arrest dat door de Raad van State uitgevaardigd werd een positieve beslissing wordt genomen, brengt de minister of zijn gemachtigde de bevoegde gewestelijke overheid daarvan op de hoogte en betekent hij de twee positieve beslissingen overeenkomstig artikel 33 aan de onderdaan van een derde land.

  HOOFDSTUK V. - Transversale bepalingen

  Afdeling 1. - Circulatie en overdracht van de dossiers tussen de diensten

  Art. 39. In afwachting van de creatie van het elektronisch platform overeenkomstig artikel 40, maakt de gewestelijke overheid het volledige dossier en de door haar genomen beslissingen bij gewone brief, per drager, per fax of via elektronische weg over aan de minister of zijn gemachtigde.
  De gewestelijke overheid wordt bij gewone brief, per fax of via elektronische weg op de hoogte gebracht van de door de minister of zijn gemachtigde genomen beslissing.
  Bij elke uitwisseling van inlichtingen of documenten wordt de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens gerespecteerd.

  Afdeling 2. - Elektronisch platform

  Art. 40. De partijen verbinden zich ertoe om een gemeenschappelijk elektronisch platform te creëren dat het mogelijk maakt om gegevens en documenten op elektronische wijze te verzamelen en uit te wisselen tussen de diensten die bevoegd zijn voor de behandeling van de aanvragen voor een gecombineerde vergunning.
  De partijen preciseren bij uitvoerend samenwerkingsakkoord de nadere regels voor het gebruik van dit platform.

  Afdeling 3. - Verdeling van de kosten

  Art. 41. De partijen zullen, elk binnen hun bevoegdheid, de nodige maatregelen nemen en middelen vrijmaken om de taken uit te voeren die hen zijn toegewezen.
  Met behulp van een uitvoerend samenwerkingsakkoord preciseren de partijen de sleutel voor de verdeling van de éénmalige kost met betrekking tot het aanmaken van de titels die gelijktijdig de verblijfsvergunning en de arbeidsvergunning zijn.

  Afdeling 4. - Coherentie van de wetgevende en reglementaire normen van de verschillende regeringen - Voorafgaande formaliteiten die tijdens latere wijzigingen van de geldende normen noodzakelijk zijn

  Art. 42. De Ministers, de Leden van de gewestregeringen of van de Duitstalige Gemeenschap, brengen elke partij van dit akkoord, ieder wat hen betreft, op de hoogte van alle voorontwerpen van wet, van decreet of ordonnantie of van alle ontwerpen van reglementaire besluiten, wanneer deze ontwerpen binnen het toepassingsgebied van dit samenwerkingsakkoord vallen en/of een impact hebben op de toepassing van dit akkoord.

  Art. 43. De partijen verbinden zich ertoe om een werkgroep op te richten waarin de bestuursoverheden die bevoegd zijn voor het verblijf en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers vertegenwoordigd zijn.
  Rekening houdend met de bevoegdheden van de verschillende federale, gewestelijke en gemeenschapsoverheden houdt de werkgroep zich bezig met de praktische modaliteiten die betrekking hebben op de algemene coördinatie van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in het kader van dit akkoord genomen worden. De werkgroep onderzoekt elke vraag met betrekking tot de toepassing van dit akkoord.
  De werkgroep komt regelmatig en op verzoek van een of meerdere van zijn Leden samen.

  Afdeling 5. - Regeling van de geschillen die het gevolg zijn van de interpretatie of de uitvoering van dit akkoord

  Art. 44. De geschillen tussen de partijen bij dit akkoord met betrekking tot de interpretatie of de uitvoering van dit samenwerkingsakkoord worden voorgelegd aan een samenwerkingsgerecht, in de zin van artikel 92bis, § 5, van de bijzondere wet.
  Het rechtscollege is samengesteld uit een voorzitter en een lid dat is aangewezen door elke partij.
  De leden van het rechtscollege worden respectievelijk aangewezen door de Ministerraad, de Vlaamse regering, de Waalse regering, de Brusselse Hoofdstedelijke regering en de regering van de Duitstalige Gemeenschap.
  De werkingskosten van het rechtscollege worden gelijk verdeeld over de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest, het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap.

  HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen

  Art. 45. Het akkoord wordt afgesloten voor onbepaalde duur en treedt in werking op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad van de laatste goedkeurende akte uitgaande van de partijen.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 2 februari 2018 in 11 exemplaren,
VOOR DE FEDERALE STAAT :
De Vice-eersteminister en Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel,
K. PEETERS
De Vice-eersteminister en Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen
J. JAMBON
De Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,
Th. FRANCKEN
VOOR HET VLAAMSE GEWEST :
De Minister-President van de Vlaamse REgering
G. BOURGEOIS
De Minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport,
Ph. MUYTERS
VOOR HET WAALSE GEWEST :
De Minister-Predident van de Waalse Regering
W. BORSUS
De Minister-President en Minister van Economie, Industrie, Onderzoek, Innovatie, Digitalisering, Werk en Vorming
P.-Y. JEHOLET
VOOR HET BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJK GEWEST :
De Minister-President van de Regering van het Brussel Hoofdstedelijk Gewest,
R. VERVOORT
De Minister belast met Tewerkstelling, Economie, Brandbestrijding en Dringende medische hulp,
D. GOSUIN
VOOR DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP :
De Minister-President van de Duitstalige Gemeenschap
O. PAASCH
De Viceminister-President, Minister van Cultuur, Werkgelegenheid en Toerisme
I. WEYKMANS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Gelet op de artikelen 39 en 139 van de Grondwet;
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 6, § 1, IX, 3° en 4°, en artikel 92bis, §§ 1 en 3, c (hierna "bijzondere wet");
   Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, de artikelen 4 en 42;
   Gelet op de bijzondere wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, artikel 55bis;
   Gelet op de wet van 23 januari 1989 op het rechtscollege bedoeld bij artikel 92bis, § 5 en § 6, en 94, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
   Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna "wet van 15 december 1980");
   Gelet op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
   Gelet op de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek;
   Gelet op het decreet van de Waalse Gewestraad van 6 mei 1999 betreffende de uitoefening door de Duitstalige Gemeenschap van de bevoegdheden van het Waalse Gewest inzake tewerkstelling en opgravingen;
   Gelet op het decreet van de Duitstalige Gewestraad van 10 mei 1999 betreffende de uitoefening door de Duitstalige Gemeenschap van de bevoegdheden van het Waalse Gewest inzake tewerkstelling en opgravingen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
   Gelet op het akkoord van 25 november 2015 in het Overlegcomité betreffende de verdeling van de bevoegdheden tussen de Federale Staat en de Gewesten als gevolg van de zesde staatshervorming en de omzetting van richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (hierna Richtlijn "2011/98/EU");
   Gelet op het feit dat Richtlijn 2011/98/EU voor de lidstaten verplichtingen voorziet die onder de respectieve bevoegdheden van de Federale Staat en de Gewesten vallen, wat betreft de werknemers die onderdanen zijn van derde landen;
   Overwegende dat de Federale Staat en de Gewesten, krachtens artikel 92bis § 3, c, van de bijzondere wet, een samenwerkingsakkoord sluiten voor de coördinatie van het beleid inzake de arbeidsvergunningen en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten;
   Overwegende dat de Gewesten, als gevolg van de zesde staatshervorming, bevoegd zijn geworden om regels op te stellen voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers; dat de Gewesten bijgevolg bevoegd zijn om de sancties die van toepassing zijn in geval van inbreuken op deze normen te bepalen.
   Overwegende dat het toezicht op de naleving van deze normen behoort tot de bevoegdheid van de Gewesten.
   Overwegende dat de vaststelling van de inbreuken op deze normen eveneens kan gebeuren door de daartoe gemachtigde federale inspecteurs;
   Overwegende dat de Duitstalige Gemeenschap op het Duitse taalgebied de bevoegdheden van het Waals Gewest inzake tewerkstelling uitoefent;
   Overwegende dat de Federale Staat, naast de normen inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, bevoegd blijft om de normen inzake de tewerkstelling van de buitenlandse werknemers die om andere doeleinden dan werk op het Belgische grondgebied verblijven op te stellen, alsook om de inbreuken op deze normen vast te stellen en te sanctioneren. De vaststelling van de inbreuken kan eveneens gebeuren door de daartoe gemachtigde regionale inspecteurs;
   Overwegende dat de federale Staat aldus bevoegd is voor de toelatingen om te werken voor onder meer:
   1° de onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en van de Zwitserse Bondstaat, evenals hun familieleden;
   2° de verzoekers en de begunstigden van de internationale beschermingsstatus;
   3° de onderdanen van derde landen die tot een verblijf van onbeperkte duur zijn toegelaten of gemachtigd;
   4° de onderdanen van derde landen die van het recht op gezinshereniging genieten;
   5° de onderdanen van derde landen die tot een verblijf zijn gemachtigd of toegelaten om als hoofdactiviteit een studieopleiding te volgen die leidt tot het behalen van een titel van het hoger onderwijs.
   Overwegende dat, wat de onderdanen van derde landen die voor andere doeleinden dan werk op het Belgische grondgebied verblijven betreft, artikel 7 van de Richtlijn 2011/98/EU voorziet dat de verblijfstitels afgegeven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (hierna "Verordening (EG) nr. 1030/2002") indicaties dienen te bevatten inzake de toelating tot arbeid; dat deze bepalingen tot doel hebben dat derdelanders voor wie werk niet het doel van het verblijf is een verblijfstitel ontvangen die vermeldt of zij al dan niet zijn toegelaten arbeid te verrichten en dewelke, desgevallend, bijkomende informatie bevat over de voorwaarden waaronder zij zijn toegelaten te werken;
   Gelet op het feit dat de artikelen 4 tot 6 van de Richtlijn 2011/98/EU, wat de onderdanen van derde landen die op het Belgische grondgebied willen verblijven om er te werken betreft, de lidstaten ertoe verplichten om één enkele aanvraagprocedure en één gecombineerde vergunning in te voeren, om de toelatingsprocedures te vereenvoudigen en het gemakkelijker te maken om hun statuut te controleren;
   Overwegende dat de invoering van de gecombineerde vergunning en de gecombineerde procedure een nauwe samenwerking en uitwisseling van informatie vereist tussen de verschillende overheden die bevoegd zijn voor het verblijf en de tewerkstelling van de buitenlandse werknemers;
   Overwegende dat dit akkoord het mogelijk zal maken om de normen waaraan de partijen onderworpen zijn en de nadere procedureregels voor de afgifte van de vereiste verblijfsvergunning en toelating tot arbeid vast te leggen, volgens één enkele procedure en in overeenstemming met de bevoegdheidsverdelende regels;
   Overwegende dat verschillende Europese richtlijnen die op het vlak van migratie goedgekeurd werden bijzondere regels bevatten ten gunste van de onderdanen van derde landen die in de lidstaten van de Europese Unie wensen te verblijven om er te werken;
   Overwegende dat de toepassing van de richtlijnen met betrekking tot de economische migratie deels onder de bevoegdheid van de Federale Staat en deels onder de bevoegdheid van de Gewesten valt; dat bijgevolg het respecteren van deze richtlijnen een nauwe samenwerking vereist tussen de Federale Staat en de gefedereerde entiteiten;
   Overwegende dat de afstemming tussen de door de verschillende overheden uitgevoerde controles bijdraagt tot de strijd tegen het misbruik op het gebied van migratie en illegale tewerkstelling, en bijgevolg de economische gezondheid van het land ten goede komt;
   Overwegende dat het, met het oog op de vereenvoudiging van de uitvoering van deze opdrachten, gepast is dat de partijen bij dit akkoord hun acties coördineren en het ten dien einde eens worden over de bijzondere modaliteiten van samenwerking.
   TUSSEN:
   De Federale Staat, vertegenwoordigd door de federale regering, in de persoon van de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, van de vice-eersteminister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der gebouwen, en van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging;
   Het Vlaams Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president van de Vlaamse regering en van de minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport;
   Het Waals Gewest, vertegenwoordigd door de Waalse regering, in de persoon van de minister-president van de Waalse regering en van de viceminister-president en minister van Economie, Industrie, Onderzoek, Innovatie, Digitalisering, Werk en Vorming;
   Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke regering, in de persoon van de minister-president van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en van de minister belast met Tewerkstelling, Economie, Brandbestrijding en Dringende medische hulp;
   De Duitstalige Gemeenschap, vertegenwoordigd door de regering van de Duitstalige Gemeenschap, in de persoon van de minister-president van de Duitstalige Gemeenschap en de viceminister-president minister van Cultuur, Werkgelegenheid en Toerisme.
   IS HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten
Franstalige versie