J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2018/01/26/2018010487/justel

Titel
26 JANUARI 2018. - Koninklijk besluit tot vastlegging van de procedure voor geschillenbeslechting vermeld in artikel 4 van de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 08-02-2018 nummer :   2018010487 bladzijde : 9497       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2018-01-26/07
Inwerkingtreding : 18-02-2018

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Indiening van de procedure
Art. 1-7
HOOFDSTUK 2. - Het onderzoek
Art. 8-10
HOOFDSTUK 3. - Vertrouwelijkheid
Art. 11
HOOFDSTUK 4. - Keuze van verblijf- of woonplaats
Art. 12
HOOFDSTUK 5. - Slotbepaling
Art. 13

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Indiening van de procedure

  Artikel 1. § 1. Elk verzoek tot geschillenbeslechting door het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (hierna : "het Instituut") wordt ingediend via een verzoekschrift, genotificeerd via afgifte in de zetel van het Instituut tegen ontvangstbewijs, via een aangetekende postzending tegen ontvangstbewijs of via een gekwalificeerde dienst van elektronische aangetekende zending aan de hand waarvan de datum van ontvangst kan worden aangetoond.
  Het verzoekschrift vermeldt op straffe van onontvankelijkheid:
  1° de naam, voornaam, woonplaats van de eiser en, in het geval van een rechtspersoon, de benaming en maatschappelijke zetel, alsook de naam, voornaam, woonplaats en hoedanigheid van de wettelijke vertegenwoordiger. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser of een advocaat of, indien het om een rechtspersoon gaat, door de wettelijke vertegenwoordiger of een advocaat;
  2° de naam en voornaam of benaming van de tegenpartij, alsook zijn adres;
  3° het exacte voorwerp van het geschil en een toelichting van de gronden;
  4° de datum van het gemotiveerd verzoek om onderhandelingen te starten;
  5° een voorstel tot oplossing van het geschil;
  Het verzoekschrift wordt op straffe van onontvankelijkheid vergezeld van:
  1° het bewijs dat er een geschil bestaat;
  2° de statuten van de vragende partij, indien het een rechtspersoon betreft.
  Het verzoekschrift wordt genotificeerd in één origineel.
  § 2. Het verzoekschrift mag worden vergezeld van stukken die de vragende partij wenst voor te leggen. Ze worden genummerd en opgelijst. Indien bepaalde stukken vertrouwelijk zijn, wordt dat vermeld in de inventaris.
  De stukken worden voorgelegd op een duurzame gegevensdrager.
  § 3. Op straffe van onontvankelijkheid van het verzoek stelt de vragende partij een niet-vertrouwelijke versie hiervan en van zijn stukken op en stuurt deze mee met zijn verzoekschrift.

  Art. 2. Het verzoekschrift wordt vanaf de ontvangst ervan door het Instituut geregistreerd en genotificeerd aan de partijen via een aangetekende postzending tegen ontvangstbewijs of via een gekwalificeerde dienst van elektronische aangetekende zending aan de hand waarvan de datum van ontvangst kan worden aangetoond. De tegenpartij krijgt de niet-vertrouwelijke versie van het verzoekschrift, alsook de niet-vertrouwelijke versie van de stukken. Zij beschikt over drie werkdagen, vanaf de notificatie, om haar opmerkingen in verband met de ontvankelijkheid aan het Instituut en aan de vragende partij mee te delen.
  Het Instituut neemt binnen tien werkdagen vanaf de datum van registratie van het verzoekschrift, na de partijen te hebben gehoord, een besluit over de ontvankelijkheid. Het Instituut onderzoekt de vormvereisten, de kwaliteit van de partijen alsook of de onderhandelingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Dit besluit wordt onmiddellijk genotificeerd aan de partijen.
  Onder werkdagen moeten alle dagen worden verstaan behalve wettelijke feestdagen alsook zaterdagen en zondagen.

  Art. 3. Op straffe van onontvankelijkheid notificeert de tegenpartij aan het Instituut haar verweerschrift, binnen de vijftien dagen vanaf de kennisgeving beoogd in artikel 2, tweede lid, via afgifte in de zetel van het Instituut tegen ontvangstbewijs, via een aangetekende postzending tegen ontvangstbewijs of via een gekwalificeerde dienst van elektronische aangetekende zending aan de hand waarvan de datum van ontvangst kan worden aangetoond.
  Het verweerschrift mag worden vergezeld van stukken die de tegenpartij wenst voor te leggen. Ze worden genummerd en opgelijst. Indien bepaalde stukken vertrouwelijk zijn, wordt dat vermeld in de inventaris.
  De stukken worden voorgelegd op een duurzame gegevensdrager.
  Op straffe van onontvankelijkheid notificeert de tegenpartij tegelijk aan het Instituut een niet-vertrouwelijke versie van haar verweerschrift en van haar stukken aan de vragende partij, via een aangetekende postzending.

  Art. 4. Het Instituut kan beslissen om verzoekschriften als samenhangend geheel te behandelen, indien ze onderling zo nauw verbonden zijn, dat het beter is om ze samen te onderzoeken en te beslechten, om tegenstrijdige oplossingen te voorkomen.
  De samenvoeging van zaken mag niet leiden tot een vertraging in de beslechting van het geschil dat in eerste instantie is voorgelegd.

  Art. 5. Bij toepassing van artikel 4, vierde lid, van de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, notificeert het Instituut zijn besluit onmiddellijk aan de partijen.

  Art. 6. Indien het geschil evolueert of wijzigt tijdens de procedure, brengt de meest gerede partij het Instituut daar onmiddellijk van op de hoogte. Dit brengt de andere partij op de hoogte en nodigt deze ook uit om zich te verantwoorden ter zake, binnen de termijn die het vastlegt.

  Art. 7. Er kan te allen tijde met akkoord van de partijen een eind worden gemaakt aan de procedure.

  HOOFDSTUK 2. - Het onderzoek

  Art. 8. Het Instituut kan, met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor, elke onderzoeksmaatregel treffen. Het kan in het bijzonder de partijen of derden verzoeken om het de nodige inlichtingen te verschaffen om het geschil te beslechten. Het Instituut bepaalt de termijn binnen dewelke deze inlichtingen moeten worden verstrekt.

  Art. 9. § 1. Het Instituut kan de partijen en derden horen.
  De partijen en de derden worden opgeroepen ten minste vijftien dagen voor de datum van de hoorzitting, via een aangetekende postzending met ontvangstbewijs of via een gekwalificeerde dienst van elektronische aangetekende zending aan de hand waarvan de datum van ontvangst kan worden aangetoond.
  § 2. De partijen en derden kunnen zich laten bijstaan door advocaten en deskundigen.
  § 3. Indien een derde wordt gehoord in afwezigheid van de partijen, wordt van de hoorzitting een proces-verbaal opgesteld.
  Het proces-verbaal van verhoor wordt aan de partijen meegedeeld via een aangetekende postzending tegen ontvangstbewijs of via een gekwalificeerde dienst van elektronische aangetekende zending aan de hand waarvan de datum van ontvangst kan worden aangetoond. De partijen beschikken over vijf dagen om aan het Instituut en aan de tegenpartij een eventuele schriftelijke reactie in te dienen.
  § 4. In het geval de partijen, of een van de partijen, niet verschijnen ondanks hun oproep, neemt het Instituut zijn besluit op basis van de elementen in zijn bezit.

  Art. 10. § 1. Het Instituut kan beslissen tot een deskundigenonderzoek.
  § 2. Een partij mag een deskundigenonderzoek vragen. In het verzoek wordt het doel en de aard van het deskundigenonderzoek gespecificeerd. Ze mag een of meer deskundigen voorstellen.
  § 3. Indien het Instituut van oordeel is dat het verzoek gegrond is, wijst het de deskundige(n) van zijn keuze aan.
  § 4. Het Instituut definieert de opdracht van het deskundigenonderzoek en bepaalt de termijn van het eindrapport en in voorkomend geval van de tussentijdse rapporten. In geval van overschrijding van de termijn worden de deskundige en de partijen gehoord. Er kan een andere deskundige worden aangewezen ofwel kunnen de termijnen worden herzien.
  § 5. Het deskundigenonderzoek wordt verricht op tegenspraak.
  § 6. De honoraria en de kosten van het deskundigenonderzoek komen ten laste van de partij die dit aanvraagt.
  Indien het deskundigenonderzoek werd gevraagd op het initiatief van het Instituut, worden de honoraria en de kosten van het deskundigenonderzoek gelijk verdeeld onder de partijen.
  § 7. In afwijking van § 6, eerste lid, kunnen de partijen op voorhand overeenkomen over de verdeling van de honoraria en de kosten.

  HOOFDSTUK 3. - Vertrouwelijkheid

  Art. 11. Het Instituut, de deskundigen, de partijen en hun raadgevers, alsook de derden zijn onderworpen aan een vertrouwelijkheidsverplichting.

  HOOFDSTUK 4. - Keuze van verblijf- of woonplaats

  Art. 12. De partijen kiezen een verblijf- of woonplaats in België.

  HOOFDSTUK 5. - Slotbepaling

  Art. 13. De minister bevoegd voor Telecommunicatie is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 26 januari 2018.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Telecommunicatie,
A. DE CROO

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, artikel 4, vervangen bij de wet van 31 juli 2017;
   Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 16 november 2016;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 4 januari 2017;
   Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
   Gelet op advies 62.519/4 van de Raad van State, gegeven op 18 december 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 2013;
   Op de voordracht van de Minister van Telecommunicatie en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Algemeen
   Artikel 4 van de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, zoals gewijzigd door de wet van 31 juli 2017, heeft de bevoegdheid om geschillen tussen elektronische-communicatieoperatoren en tussen postoperatoren te beslechten, overgedragen van de Belgische Mededingingsautoriteit naar het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (hierna het BIPT).
   Het doel van dit ontwerp, waarvan dat artikel 4 de wettelijke grondslag vormt, bestaat erin de procedure voor geschillenbeslechting voor het BIPT vast te stellen. Dergelijke bepalingen bestonden niet toen geschillenbeslechting onder de bevoegdheid van de Belgische Mededingingsautoriteit viel.
   Door de erg korte termijn waarin het BIPT het geschil moet beslechten, opdat de kwaliteit van zijn besluit optimaal is, moet er een klimaat van eerlijke samenwerking heersen tussen de partijen en de regulator alsook tussen de partijen onderling.
   Ondanks het praktische belang ervan komt de kwestie van het gebruik van de talen niet aan bod in het besluit omdat het een materie betreft die geregeld moet worden door de wetgever en niet door de Koning.
   De wetgever heeft duidelijk bevestigd dat de procedure voor geschillenbeslechting voor het BIPT van het administratieve en niet van het rechterlijke type is; met andere woorden dat het BIPT hier optreedt als actieve administratie en niet als een administratieve rechtbank (1). Daarom zijn logischerwijze de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken (verder "de gecoördineerde wetten") van toepassing, hoewel die niet uitdrukkelijk hebben voorzien in het specifieke geval van een administratie die een geschil moet beslechten. Op deze bijzondere situatie zullen dus de algemene regels die in de gecoördineerde wetten opgenomen zijn, toegepast moeten worden en inzonderheid de artikelen 39 tot 43ter ervan, aangezien het BIPT in dat opzicht beschouwd moet worden als een centrale dienst waarvan de werkkring het hele land bestrijkt. Deze bepalingen moeten evenwel worden gecombineerd met de administratieve rechtspraak.
   Daarbij kan ervan worden uitgegaan dat door een geschil tussen operatoren te beslechten, het BIPT op een vraag van de eisende operator antwoordt (2).
   Bovendien oordeelt de Raad van State in hetzelfde arrest dat de taal van het verzoekschrift niet alleen de taal bepaalt waarin de beslissing moet worden genomen, maar ook de taal van het onderzoek (3). Het is dus de taal van het verzoekschrift dat bepalend zal blijken voor het gebruik van de talen tijdens de procedure.
   De eiser gebruikt in principe de taal van zijn keuze. Voor zover het om een van de drie landstalen gaat, zal het BIPT de zaak in de gekozen taal moeten behandelen. Artikel 41, § 2, van de gecoördineerde wetten schrijft evenwel voor:
   " § 2. Aan de private bedrijven, die gevestigd zijn in een gemeente zonder speciale regeling uit het Nederlandse of uit het Franse taalgebied, wordt (door de centrale diensten) echter in de taal van dat gebied geantwoord."
   In dit geval zal het BIPT ongeacht de taal die door de onderneming wordt gekozen. Indien deze laatste gevestigd is in het Nederlandse of het Franse taalgebied zonder speciale taalregeling, verplicht zijn om naargelang van het geval de zaak in het Nederlands of in het Frans te behandelen.
   Het kan vanzelfsprekend gebeuren dat de verweerder ervoor kiest of door de gecoördineerde wetten verplicht is, een taal te gebruiken die verschilt van die van de eiser. Geen enkel algemeen rechtsbeginsel (4) bevestigt in dat geval het recht voor de verweerder om volledig in zijn taal te worden berecht (5). Het is geenszins vereist dat de procedure tweetalig wordt. De verweerder zal met het BIPT mogen communiceren in de taal die hij gekozen heeft, maar hij zal zich niet ertegen mogen verzetten dat de eiser in de neergelegde stukken of tijdens eventuele hoorzittingen, een andere taal dan de zijne blijft gebruiken. Desnoods zal hij voor een beter begrip van de elementen van het onderzoek waarin die andere taal wordt gebruikt, op eigen kosten een beroep kunnen doen op de diensten van vertalers.
   Er dient ook te worden herhaald dat de geschillenbeslechting slechts één van de verschillende middelen is waarover het BIPT beschikt om zijn opdracht van economische regulering uit te oefenen. Of een geschil nu aanhangig wordt gemaakt door een of door meer operatoren, dat belet het BIPT niet om zijn actie via andere wegen in te zetten of voort te zetten, ook in het gebied betrokken bij het geschil.
   Het advies van de Raad van State werd gevolgd.
   Artikelsgewijze bespreking
   Artikel 1
   Deze bepaling geeft alle vermeldingen weer die verplicht op het inleidende verzoekschrift moeten staan. Naast de identiteit van de partijen dient het een korte uiteenzetting van de feiten die hebben geleid tot het geschil te omvatten, alsook het voorwerp ervan, zo nauwkeurig mogelijk beschreven, evenals de middelen uitgewerkt door de vragende partij. Het is inderdaad bijzonder belangrijk dat het voorwerp van het geschil zo snel mogelijk duidelijk is voor alle partijen zowel als voor de autoriteit die moet beslechten. Aangezien de wetgever voorrang heeft willen geven aan het nastreven van een minnelijke schikking tussen de partijen door middel van voorafgaande onderhandelingen van een duur van ten minste vier maanden, dient de vragende partij ook de datum aan te geven waarop de onderhandelingen zijn gestart. Om de behandeling van de zaak te versnellen en de vragende partij meer verantwoordelijk te maken dient deze ook een concreet voorstel van geschillenbeslechting te doen dat ze voorlegt aan het Instituut.
   Dat verzoekschrift moet vergezeld worden van elk bewijsstuk waaruit de echtheid van de onderhandelingen alsook de duur ervan blijkt.
   We herhalen hier dat de bescherming van het beroepsgeheim wordt gegarandeerd krachtens artikel 23, § 3, tweede lid, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. De partijen moeten dus desgevallend een niet-vertrouwelijke versie van de documenten beoogd in de artikelen 1 tot 3 voorleggen.
   De aandacht wordt tevens gevestigd op de verschillende mogelijkheden om het verzoekschrift in te dienen. Behalve de indiening in de zetel van het BIPT tegen ontvangstbewijs en de aangetekende postzending met ontvangstbewijs is ook de verzending van een elektronisch aangetekend schrijven aan de hand waarvan de datum van ontvangst kan worden aangetoond, toegestaan met inachtneming van artikel XII.25, §§ 7 en 8, van het Wetboek van economisch recht.
   Deze opmerking geldt ook mutatis mutandis voor de notificatie van het verzoekschrift aan de tegenpartij (artikel 2), het indienen van het verweerschrift (artikel 3) en de eventuele oproeping voor de hoorzitting (artikel 9).
   Het begrip duurzame gegevensdrager is geïnspireerd op dat wat vermeld wordt in artikel I.19, 5°, van het Wetboek van economisch recht. Het gaat om ieder hulpmiddel dat in staat stelt om informatie op te slaan op een wijze die deze informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is aangepast aan het doel waarvoor de informatie is bestemd, en die een ongewijzigde weergave van de opgeslagen informatie mogelijk maakt.
   Artikel 2
   Na ontvangst van het verzoekschrift beschikt het Instituut over tien werkdagen om het desgevallend onontvankelijk te verklaren.
   We herhalen bovendien dat de wetgever heeft voorzien in de mogelijkheid voor de partijen om aan het BIPT te vragen om, binnen de 10 dagen na dit verzoek, het verzoekschrift duidelijk onontvankelijk of duidelijk ongegrond te verklaren.
   Omwille van een gelijke behandeling wordt bepaald dat de partijen ook worden gehoord wanneer een beslissing tot onontvankelijkheid van het verzoekschrift uitgaat van het Instituut.
   Op verzoek van de Raad van State werd de koppeling tussen de verschillende leden herbekeken.
   Overeenkomstig de Beginselen van de wetgevingstechniek van de Raad van State, werd gedefinieerd wat dient te worden verstaan onder werkdagen (6).
   Artikel 3
   De tegenpartij beschikt over vijftien dagen om te reageren op het verzoekschrift.
   Artikel 4
   Dit artikel behoeft geen commentaar.
   Artikel 5
   Dit artikel beoogt te beantwoorden aan de wens van de Raad van State om de hypothese beter in de verf te zetten waarbij het verzoek om de vordering als duidelijk onontvankelijk of als duidelijk ongegrond te verklaren, voortkomt van één van de partijen.
   Artikel 6
   Dit artikel behoeft geen commentaar.
   Artikel 7
   Dit artikel behoeft geen commentaar.
   Artikel 8
   Dit artikel beoogt het eerste middel waarover het Instituut beschikt om zich te informeren alvorens zijn besluit te nemen: het schriftelijke verzoek om informatie. Normaal zou op dit formele verzoek om inlichtingen moeten geantwoord worden binnen een termijn van vijf tot tien werkdagen, afhankelijk van de complexiteit van de aanvraag.
   Artikel 9
   Er wordt geen enkele verplichting opgelegd aan het BIPT om hoorzittingen van de partijen te organiseren. De partijen hebben immers de gelegenheid gekregen om hun respectieve standpunten uit te drukken in het dossier dat overgezonden is aan het Instituut, of in hun repliek aan de vragende partij. Een vaste rechtspraak verduidelijkt dat artikel 19 van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector zo moet worden geïnterpreteerd dat de persoon die bij het besluit betrokken is, niet mondeling hoeft te worden gehoord, voor zover hij zijn standpunt geldig te kennen heeft kunnen geven (Cass., 19 maart 2010, Pas., 903 en Cass., 25 juni 2010, C.07.0544.F., blz. 21).
   Indien het Instituut dat echter nuttig acht om het geschil te beslechten, kan het de partijen of derden oproepen om te worden gehoord, met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor.
   Artikel 10
   Deze bepaling betreft de eventuele gerechtelijke expertise en behoeft geen verdere commentaar.
   Artikel 11
   De sanctie voor de overtreding van dit artikel valt onder het strafrecht, meer in het bijzonder artikel 458 van het Strafwetboek.
   Artikel 12
   Dit artikel behoeft geen commentaar.
   Artikel 13
   Dit artikel behoeft geen commentaar.
   Dit zijn, Sire, de voornaamste bepalingen van het besluit dat aan Uwe Majesteit ter goedkeuring wordt voorgelegd.
   Ik heb de eer te zijn,
   Sire,
   Van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
   De Minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post,
   A. DE CROO
   Nota's
   (1) Parl.St. Kamer, 2016-2017, nr. 54-2558/001, blz. 12.
   (2) Zie in die zin : RvS, 28 juli 1999, nr. 81.945, XXX, waar geoordeeld wordt dat het antwoord op een vordering een betrekking met particulieren vormt. De "vordering" bestond in het onderhavige geval in een klacht (namelijk een verzoek om herziening) ingediend bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen tegen een beslissing van Vreemdelingenzaken tot weigering van een verblijf.
   (3) RvS, 28 juli 1999, nr. 81.945, XXX, blz. 4.
   (4) Hierbij wordt gedacht aan de beginselen van de tegenspraak of van het recht om te worden gehoord.
   (5) P. MARTENS (dir.), Les droits de la défense, Brussel, Larcier, 2014, blz. 121 : "Het recht om in zijn taal te worden gehoord wordt enkel bevestigd indien dat recht verenigbaar is met de regels die het gebruik van de talen in bestuurszaken regelen." (vrij vertaald) Zie in die zin de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 13 januari 1973, art. 66, eerste lid. Deze veelheid aan talen in eenzelfde procedure wordt ook beoogd, met name in het Wetboek van economisch recht, art. IV.83.
   (6) Raad van State, Beginselen van de wetgevingstechniek, z.p., 2008, nr. 95, blz. 70.
   
   ADVIES 62.519/4 VAN 18 DECEMBER 2017 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT `TOT VASTLEGGING VAN DE PROCEDURE VOOR GESCHILLENBESLECHTING VERMELD IN ARTIKEL 4 VAN DE WET VAN 17 JANUARI 2003 BETREFFENDE DE RECHTSMIDDELEN EN DE GESCHILLENBEHANDELING NAAR AANLEIDING VAN DE WET MET BETREKKING TOT HET STATUUT VAN DE REGULATOR VAN DE BELGISCHE POST- EN TELECOMMUNICATIESECTOR'
   Op 20 november 2017 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vice-Eersteminister en Minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot vastlegging van de procedure voor geschillenbeslechting vermeld in artikel 4 van de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector'.
   Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 18 december 2017.
   De kamer was samengesteld uit Pierre Liénardy, kamervoorzitter, Martine Baguet en Bernard Blero, staatsraden, Christian Behrendt en Marianne Dony, assessoren, en Anne-Catherine Van Geersdaele, griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Anne Vagman, eerste auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Martine Baguet.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 18 december 2017.
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten `op de Raad van State', gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   Onderzoek van het ontwerp
   Aanhef
   In het tweede lid dient het woord "september" te worden vervangen door het woord "november".
   Dispositief
   Artikel 2
   1. De bespreking van het artikel stelt het volgende:
   "Naast de formele eisen zal dit onderzoek naar de ontvankelijkheid ook betrekking hebben op het onderzoek van de kwaliteit van de partijen evenals de echtheid en de duur van de (...) onderhandelingen."
   Die precisering moet worden vermeld in het dispositief zelf. Artikel 2 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.
   2. De afdeling Wetgeving begrijpt niet goed hoe het tweede en het derde lid van de voorliggende bepaling zich tot elkaar verhouden.
   Uit de bespreking van het artikel blijkt dat die twee leden twee verschillende situaties beogen te combineren: die waarin het Instituut het verzoek op eigen initiatief onontvankelijk verklaart en die waarin het uitvoering geeft aan artikel 4, vierde lid, van de wet van 17 januari 2003 `betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector'.
   Dat artikel 4, vierde lid, luidt als volgt:
   "Het Instituut kan, op verzoek van een partij, en binnen de tien werkdagen na de indiening van zulk verzoek, kennelijk onontvankelijke of ongegronde verzoeken tot geschillenbeslechting bij gemotiveerde beslissing afwijzen. Alvorens een verzoek als kennelijk onontvankelijk of ongegrond af te wijzen, hoort het Instituut alle betrokken partijen."
   Het Instituut blijkt enkel op verzoek van een van de partijen - en niet op eigen initiatief - het verzoek al dan niet "kennelijk onontvankelijk" of "kennelijk ongegrond" (en overigens niet "onontvankelijk") te kunnen verklaren.
   Artikel 2 moet worden herzien zodat een duidelijker onderscheid wordt gemaakt tussen de twee gevallen, namelijk enerzijds het geval waarin het verzoek kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond is en dat binnen de werkingssfeer van artikel 4, vierde lid, van de wet van 17 januari 2003 valt, en anderzijds het geval waarin het verzoek onontvankelijk is volgens de procedure die het ontwerp instelt.
   Artikel 7
   De termijn van drie dagen waarin paragraaf 3, tweede lid, voorziet, lijkt niet redelijk. Hij moet worden herzien zodat de partijen over een redelijke termijn beschikken om hun eventuele schriftelijke reactie naar behoren in te dienen.
   
   De griffier,
   A.-C. Van Geersdaele.
   De voorzitter,
   P. Liénardy.
   

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie