J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 18 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2017/07/13/2017040352/justel

Titel
13 JULI 2017. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-07-2017 en tekstbijwerking tot 01-07-2020)

Bron : PERSONEEL EN ORGANISATIE
Publicatie : 19-07-2017 nummer :   2017040352 bladzijde : 73530       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2017-07-13/08
Inwerkingtreding : 01-09-2017

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1954033007        1964090450        1964101203        1964122401        1965032606        1967032802        1983021128        1988022191        1991022466        1993022064        1993022389        1994012031        1997016138        1997022762        2000002123        2002002192        2005002084        2006002152        2007002087        2007002147        2007002161        2007014005        2007022842        2008002136        2008024095        2009000784        2010002043        2010002044        2011018280        2013000093        2013002046        2013003390        2013003394        2014011334        2014207656        1951102404        1960063003        1964101301        1974021902        1979050804        1995000949        1998000691        1998012131        1965011802        1979013001        1937100201        1998002123        2013002052       

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Toepassingsgebied, definities en algemene principes
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - Algemene principes
Art. 3-12
TITEL II. - Toelagen
HOOFDSTUK I. - Ambtshalve toegekende toelagen
Afdeling 1. - Onvoorwaardelijk toegekende toelagen
Onderafdeling 1. - Vakantiegeld
Art. 13-15
Onderafdeling 2. - Eindejaarstoelage
Art. 16-17
Afdeling 2. - Haard- en standplaatstoelage toegekend wegens de persoonlijke situatie van het personeelslid
Art. 18-20
Afdeling 3. - Toelagen toegekend wegens het einde van de arbeidsrelatie
Onderafdeling 1. - Toelage wegens ontslag
Art. 21
Onderafdeling 2. - Compenserende toelage
Art. 22
HOOFDSTUK II. - Toelagen verbonden aan ongewone prestaties
Afdeling 1. - Directietoelage
Art. 23-25
Afdeling 2. - Toelage voor de uitoefening van een hogere functie
Art. 26-35
Afdeling 3. - Toelage voor opleidingsactiviteit
Art. 36-37
Afdeling 4. - Creatie van specifieke toelagen
Art. 38-41
HOOFDSTUK III. - Toelagen verbonden aan de specifieke organisatie van de arbeidstijd
Afdeling 1. - Wachttoelage
Art. 42-46
Afdeling 2. - Toelage voor onregelmatige prestaties
Art. 47-50
Afdeling 3. - Toelage voor werk in opeenvolgende ploegen
Art. 51-52
Afdeling 4. - Toelage voor bijkomende prestaties
Art. 53-55
HOOFDSTUK IV. - Taaltoelage
Art. 56-62
TITEL III. - Vergoedingen
HOOFDSTUK I. - Vergoeding voor verplaastingskosten tussen de woonplaats en de werkplaats
Art. 63-67
HOOFDSTUK II. - Vergoedingen voor reiskosten
Afdeling 1. - Principes
Art. 68-71
Afdeling 2. - Gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer
Art. 72
Afdeling 3. - Gebruik van een persoonlijk voertuig
Art. 73-74
Afdeling 4. - Ander vervoermiddel
Art. 75
HOOFDSTUK III. - Vergoeding voor het gebruik van de fiets
Art. 76-79
HOOFDSTUK IV. - Vergoeding voor verblijfkosten
Afdeling 1. - Principe
Art. 80-82
Afdeling 2. - Vergoeding voor verblijfkosten in België
Art. 83-88
Afdeling 3. - Vergoeding voor verblijfkosten in het buitenland
Art. 89-91
HOOFDSTUK V. - Vergoeding wegens begrafeniskosten
Art. 92-95
HOOFDSTUK VI. - Vergoeding voor telewerkkosten
Art. 96
HOOFDSTUK VII. - Creatie van specifieke vergoedingen
Art. 97-100
TITEL IV. - Opheffende en wijzigende bepalingen
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel
Art. 101
HOOFDSTUK II. - Wijziging van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten
Art. 102-105
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddenschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden
Art. 106
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
Art. 107
HOOFDSTUK V. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel
Art. 108
HOOFDSTUK VI. - Wijziging van het koninklijk besluit van 10 juli 2002 tot toekenning van een Copernicuspremie aan sommige personeelsleden van de rijksbesturen
Art. 109
HOOFDSTUK VII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 november 2006 betreffende het telewerk en het satellietwerk in het federaal administratief openbaar ambt
Art. 110
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 betreffende de ten laste neming van de kosten inzake openbaar vervoer in woonwerkverkeer van de federale personeelsleden door de staat en sommige federale openbare instellingen
Art. 111
HOOFDSTUK IX. - Wijziging van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt
Art. 112-113
HOOFDSTUK X. - Wijziging van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt
Art. 114-115
HOOFDSTUK XI. - Wijziging van het ministerieel besluit van 25 oktober 1966 tot vaststelling van de toelagen verleend aan de personen belast met het geven van cursussen of conferenties aan het personeel van het Ministerie van Financiën
Art. 116
HOOFDSTUK XII. - Opheffingsbepalingen
Art. 117
TITEL V. - Bewarende, overgangs- en slotbepalingen
Art. 118-126
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Toepassingsgebied, definities en algemene principes

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities

  Artikel 1. § 1. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 zijn de bepalingen van titel II betreffende de toelage voor de uitoefening van een hogere functie en de toelage wegens ontslag niet van toepassing op de stagiairs.
  In afwijking van paragraaf 1 zijn de bepalingen van dit besluit echter slechts van toepassing op de mandaathouders wat betreft artikel 15 en de in titel II bedoelde eindejaarstoelage en titel III, die bestaat uit de artikelen 63 tot 100.
  In afwijking echter van het tweede lid en van artikel 2, eerste lid, 23° zijn hoofdstukken IV en V van titel III niet van toepassing op de mandaathouder als zijn totale bezoldiging voorziet in de forfaitaire terugbetaling van onkosten. Hoofdstukken I tot III van titel III zijn niet van toepassing op de mandaathouder als hem een dienstvoertuig ter beschikking werd gesteld.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 zijn de bepalingen van titel II betreffende de wachttoelagen, de toelagen voor onregelmatige prestaties en de toelagen voor werk in opeenvolgende ploegen niet van toepassing :
  1° op de personeelsleden van de permanente eenheden van de Civiele Bescherming die een vierentwintiguursdienst moeten verrichten;
  2° op de personeelsleden van de gesloten centra onder het beheer van de Algemene Directie van de Dienst Vreemdelingenzaken voor wie nachtprestaties, feestdagen of weekenden tot hun normaal uurrooster behoren;
  3° op de personeelsleden die de permanentie verzekeren binnen de Algemene Directie van het Crisiscentrum van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
  4° op de personeelsleden van de noodoproepencentrales 100, 101 en 112;
  5° op de personeelsleden van de buitendiensten van het Directoraat-Generaal Penitentiaire Inrichtingen;
  6° op de burgerlijke ambtenaren bekleed met een bijzondere graad van het stafdepartement Inlichtingen en Veiligheid van het Ministerie van Landsverdediging.
  § 4. In afwijking van paragraaf 1 zijn de bepalingen van titel II betreffende de taaltoelage eveneens van toepassing op de leden van de beleidscellen, van de cel Algemene Beleidscoördinatie, van de cellen Algemeen Beleid en van de secretariaten van de ministers en van de Staatssecretarissen die geen deel uitmaken van het federaal openbaar ambt.
  § 5. Het gebruik van de mannelijke vorm in dit besluit is gemeenslachtig.

  Art. 2. In dit besluit verstaat men onder :
  1° federale dienst : een federale overheidsdienst, een programmatorische federale overheidsdienst, het Ministerie van Landsverdediging alsook de diensten die ervan afhangen, of een van de rechtspersonen bedoeld in artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;
  2° federaal openbaar ambt : het geheel van de federale diensten;
  3° federale overheidsdiensten : de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten, alsook de diensten die ervan afhangen;
  4° openbare instellingen van sociale zekerheid : de instellingen die vallen onder het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, in toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
  5° instellingen van openbaar nut : de rechtspersonen bedoeld in artikel 1, 3°, van de voormelde wet van 22 juli 1993 die geen openbare instellingen van sociale zekerheid zijn;
  6° overheidsdienst : de administratie die door een overheid is ingesteld om haar verplichte wettelijke opdrachten te verzekeren;
  7° personeelslid : elke werknemer die tot een federale dienst behoort;
  8° ambtenaar : elk personeelslid van een federale dienst van wie de arbeidsrelatie met de overheid eenzijdig door deze overheid wordt bepaald;
  9° stagiair : de ambtenaar die een stage vervult, niet vastbenoemd is en de eed niet heeft afgelegd in deze functie;
  10° contractueel : elk personeelslid dat met een arbeidsovereenkomst in dienst wordt genomen in een federale dienst;
  11° mandaathouder : de ambtenaar die in een federale dienst een management- of een staffunctie uitoefent in het kader van een mandaat van bepaalde duur;
  12° leidend ambtenaar : de voorzitter van het directiecomité van een federale overheidsdienst, de voorzitter van een programmatorische federale overheidsdienst, de leidend ambtenaar of de ambtenaar belast met het dagelijks beheer van een openbare instelling van sociale zekerheid of van een instelling van openbaar nut, de ambtenaar die de directieraad van het Ministerie van Landsverdediging voorzit;
  13° P&O-directeur : de directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie of, in de federale diensten waar deze functie niet is toegekend, de directeur of de verantwoordelijke van de dienst belast met het humanresourcesmanagement of, bij gebrek hieraan, de verantwoordelijke van de personeelsdienst;
  14° directiecomité : het directiecomité voor een federale overheidsdienst of een programmatorische federale overheidsdienst of de directieraad voor het Ministerie van Landsverdediging en voor een van de rechtspersonen bedoeld in artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;
  15° werkdag : alle dagen van de week, met uitzondering van zaterdagen, zondagen en feestdagen;
  16° arbeidsdag : de dagen waarop een personeelslid diensten moet presteren volgens zijn werkrooster;
  17° feestdag : alle dagen bedoeld in artikel 14, § 1 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen;
  18° nacht : de periode bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector;
  19° dag, maand, trimester, kwadrimester, semester, jaar : dag, maand, trimester, kwadrimester, semester, jaar, zoals ze in de kalender voorkomen;
  20° indexeringsregeling : de koppeling aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de regels voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld;
  21° ouderschapsverlof : het onbezoldigd ouderschapsverlof evenals het ouderschapsverlof toegekend in het kader van de voltijdse of deeltijdse loopbaanonderbreking;
  22° verlof verbonden aan de bescherming van het moederschap : het verlof of de arbeidsonderbreking bedoeld in artikelen 39 en 42 tot 43bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 18, tweede lid, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd;
  23° bezoldiging : de wedde, de schaalbonificatie en, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën, het complement, het weddecomplement en het weddesupplement;
  24° administratieve standplaats : de plaats waar het personeelslid zijn functie hoofdzakelijk uitoefent;
  25° werkplaats : de plaats waar het personeelslid zich werkelijk bevindt om zijn functie uit te oefenen;
  26° voertuig : het motorvoertuig, met inbegrip van de motorfiets en de bromfiets.
  De uitdrukking "personeelslid" bedoeld in de definities in 7°, 8° en 10° van het eerste lid moet worden begrepen als "burgerpersoneelslid" als ze betrekking heeft op het Ministerie van Landsverdediging.
  Als een bevoegdheid gedelegeerd wordt, verbiedt de uitdrukking "of aan zijn afgevaardigde" niet dat de bevoegdheid aan meerdere personen gedelegeerd wordt.
  Als het akkoord van de inspecteur van Financiën wordt gevraagd krachtens artikelen 28 en 31 wordt dit akkoord gegeven door de afgevaardigde van de minister van Begroting voor de instellingen bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°.

  HOOFDSTUK II. - Algemene principes

  Art. 3. Er wordt een toelage toegekend aan het personeelslid, hetzij ambtshalve, hetzij wegens verrichte prestaties die niet als normaal kunnen worden beschouwd vergeleken met de uitoefening van de functie, hetzij wegens een specifieke organisatie van de arbeidstijd, hetzij na het slagen voor een proef.
  Worden beschouwd als een ambtshalve toegekende toelage :
  1° het vakantiegeld en de eindejaarstoelage, onvoorwaardelijk toegekend;
  2° de haard- en standplaatstoelage toegekend wegens de persoonlijke situatie van het personeelslid;
  3° de toelage wegens ontslag en de compenserende vergoeding, toegekend wegens het einde van de arbeidsrelatie.
  Worden beschouwd als een toelage verbonden aan prestaties die niet als normaal kunnen worden beschouwd vergeleken met de uitoefening van de functie :
  1° de directietoelage;
  2° de toelage voor de uitoefening van een hogere functie;
  3° de toelage voor opleidingsactiviteiten;
  4° in voorkomend geval de toelage gecreëerd in toepassing van afdeling 4 van het hoofdstuk II van titel II.
  Worden beschouwd als een toelage verbonden aan de specifieke organisatie van de arbeidstijd :
  1° de wachttoelage;
  2° de toelage voor onregelmatige prestaties;
  3° de toelage voor werk in opeenvolgende ploegen;
  4° de toelage voor bijkomende prestaties.
  De taaltoelage wordt beschouwd als een toelage verbonden aan het slagen voor een proef.

  Art. 4. Voor de directietoelage, de toelage voor de uitoefening van een hogere functie of voor alle specifieke toelagen is de toelage niet verschuldigd als :
  1° het personeelslid om eender welke reden meer dan dertig opeenvolgende werkdagen afwezig is; de schorsing van de toelage gebeurt met terugwerkende kracht op de eerste dag van de afwezigheid;
  2° ofwel als het personeelslid het voordeel van zijn bezoldiging verliest of een wachtgeld geniet; de schorsing van de toelage gebeurt vanaf de eerste dag.
  Behoudens bijzondere bepalingen is de toelage naar rato verschuldigd als de bezoldiging zelf naar rato wordt betaald.
  Hij houdt op verschuldigd te zijn als niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan.
  Komen niet in aanmerking voor de registratie van de dertig werkdagen, bepaald in het eerste lid, 1° :
  1° een ouderschapsverlof en een verlof verbonden aan de bescherming van het moederschap;
  2° de recuperaties die worden toegekend in het kader van de overschrijdingen van de grens die is bepaald in de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector;
  3° een jaarlijks vakantieverlof;
  4° een afwezigheid door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte.

  Art. 5. Er wordt een vergoeding toegekend aan het personeelslid dat verplicht is om naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie werkelijke onkosten te dragen die niet beschouwd kunnen worden als normaal, of ze nu al dan niet inherent zijn aan de functie.

  Art. 6. Iedere vergoeding wordt toegekend op basis van de bewijsstukken van het bestaan van werkelijke onkosten, die het personeelslid verstrekt.
  De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde weigert de terugbetaling van de kosten als hij ze ongerechtvaardigd vindt. In voorkomend geval vermindert hij ze als hij ze overdreven vindt of normaliter vermeden hadden kunnen worden.

  Art. 7. Behoudens bijzondere bepalingen, als de functie waaraan een forfaitaire vergoeding is verbonden niet wordt uitgeoefend, wordt de betaling van de bedoelde vergoeding geschorst.

  Art. 8. De agglomeraties die inzake vergoedingen in aanmerking moeten worden genomen, zijn de volgende :
  a) Brusselse agglomeratie : Anderlecht, Oudergem, Sint-Agatha-Berchem, Brussel, Etterbeek, Evere, Vorst, Ganshoren, Elsene, Jette, Koekelberg, Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Gillis, Sint-Joost-ten-Node, Schaarbeek, Ukkel, Watermaal-Bosvoorde, Sint-Lambrechts-Woluwe en Sint-Pieters-Woluwe.
  b) De als volgt gevormde agglomeraties :
  1) Antwerpen : Antwerpen, Mortsel, Zwijndrecht.
  2) Charleroi : Charleroi, Châtelet, Courcelles, Fontaine-l'Evêque, Montignies-le-Tilleul.
  3) Gent : Gent, Merelbeke.
  4) Luik : Ans, Beyne-Heusay, Flémalle, Herstal, Luik, Saint-Nicolas, Seraing.
  5) Borinage : Boussu, Frameries, Bergen, Quaregnon, Quiévrain, Saint-Ghislain.
  6) Centrum-Henegouwen : Chapelle-lez-Herlaimont, La Louvière, Manage, Morlanwelz.
  7) Oostende : Bredene, Oostende.
  8) Verviers : Dison, Verviers.

  Art. 9. Behoudens bijzondere bepalingen geldt de indexeringsregeling voor de toelagen en vergoedingen.
  Tenzij andersluidende bepaling zijn ze verbonden aan de spilindex 138,01. Bij de berekening ervan wordt geen rekening gehouden met de derde decimaal in het eindresultaat.

  Art. 10. Het genot van de toelagen en vergoedingen van dit besluit is niet cumuleerbaar met het genot van elk ander voordeel of elke andere vergoeding voor dezelfde prestaties of onkosten.

  Art. 11. § . 1. Voor de toepassing van hoofdstukken II en IV van titel III en om dienstredenen moet de administratieve standplaats zo worden bepaald dat de reis- en verblijfkosten zoveel mogelijk worden beperkt. Hij kan door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde worden vastgesteld op de verblijfplaats van het personeelslid.
  De toegekende vergoeding mag in geen geval meer bedragen dan die die zou worden toegekend als de verplaatsingen de administratieve standplaats als begin- en eindpunt zouden hebben.
  § . 2. Als de administratieve standplaats om dienstredenen niet overeenkomt met de plaats waar de centrale administratie of de buitendienst gevestigd is, wordt deze schriftelijk door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde vastgesteld.
  Voor de toepassing van de hoofdstukken II en IV van titel III betreffende respectievelijk de vergoeding voor reiskosten en de vergoeding voor verblijfskosten bedoeld in dit besluit, mag de administratieve standplaats niet overeenstemmen met de plaats waar het telewerk of het werk in een satellietkantoor verricht wordt.

  Art. 12. Voor de toepassing van artikel 30, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen in uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders zijn de toelagen en vergoedingen bedoeld in dit besluit waarvan de toekenningsmodaliteiten voor 1 augustus 1990 werden vastgesteld geacht toegekend te zijn in uitvoering van de bepalingen zoals ze van kracht waren op 31 augustus 2017.

  TITEL II. - Toelagen

  HOOFDSTUK I. - Ambtshalve toegekende toelagen

  Afdeling 1. - Onvoorwaardelijk toegekende toelagen

  Onderafdeling 1. - Vakantiegeld

  Art. 13. Elk jaar wordt een vakantiegeld toegekend aan het personeelslid.

  Art. 14. § 1. Het vakantiegeld vertegenwoordigt 92% van de bezoldiging die verschuldigd is of verschuldigd had moeten zijn in de maand maart van het lopende jaar, verhoogd met 92% van een twaalfde van de premie voor competentieontwikkeling verschuldigd in de voorgaande maand september, zoals ingesteld door artikel 36ter, §§ 1 tot 3, en 5, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddenschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden en door artikel 36, § 1, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvat de bezoldiging, in afwijking van artikel 2, eerste lid, 23°, eveneens de haardtoelage of de eventuele standplaatstoelage.
  De in het eerste lid bedoelde bezoldiging en twaalfde stemmen overeen met voltijdse prestaties gedurende het voorgaande jaar, dat het referentiejaar wordt genoemd.
  § 2. Het vakantiegeld wordt op evenredige wijze beperkt als de bezoldiging niet voltijds of tijdens het hele referentiejaar betaald werd.
  De vermindering verbonden aan het deeltijds werken wordt aan hetzelfde prorata berekend als de bezoldiging. Er wordt evenwel geen vermindering toegepast in het geval van verminderde prestaties wegens medische redenen.
  De vermindering verbonden aan de niet-betaalde dagen wordt vastgesteld door middel van een breuk waarvan de teller het aantal betaalde dagen is en de noemer het aantal arbeidsdagen. Als het aantal uren varieert naargelang van de dagen zijn de teller en de noemer de overeenstemmende uuraantallen.
  Hebben, in afwijking van het derde lid, geen invloed op de berekening van het vakantiegeld :
  1° de verloven verbonden aan een ouderschapsverlof;
  2° het ziekteverlof en de disponibiliteit;
  3° het moederschapsbeschermingsverlof.
  § 3. Het vakantiegeld wordt verhoogd met 92% van de maandelijkse toelage betaald in het kader van de vrijwillige vierdagenweek in toepassing van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid.
  § 4. Het personeelslid dat jonger is dan 25 jaar op de laatste dag van het referentiejaar en dat in dienst is getreden binnen de vier maanden na het beëindigen van de studies geniet een vakantiegeld alsof zijn prestaties het hele referentiejaar hadden bestreken.
  § 5. Het vakantiegeld wordt betaald in mei, behalve bij beëindiging van de arbeidsrelatie. In dat geval wordt het vakantiegeld op hetzelfde moment betaald als de laatste bezoldiging. De basis van de berekening ervan is die van de laatste gepresteerde maand. De referentieperiode is het geheel van de maanden waarvoor het personeelslid geen vakantiegeld heeft ontvangen.

  Art. 15. In afwijking van artikel 14, § 1 wordt het vakantiegeld van de mandaathouders berekend op de volgende basis :
  1° een forfaitair gedeelte vastgesteld op 1.177,96 euro voor het jaar 2017;
  2° een variabel gedeelte dat gelijk is aan 13,2 % van de maandelijkse bezoldiging van de maand maart.
  Het forfaitaire gedeelte wordt elk jaar aangepast volgens een breuk waarvan de noemer de gezondheidsindex van de maand januari van het voorgaande jaar is en de teller de gezondheidsindex van de maand januari van het beschouwde jaar.
  Voor het overige zijn de bepalingen van artikel 14 van toepassing.

  Onderafdeling 2. - Eindejaarstoelage

  Art. 16. Elk jaar wordt een eindejaarstoelage toegekend aan het personeelslid.

  Art. 17. § 1. De eindejaarstoelage is samengesteld uit een forfaitair gedeelte en twee gedeeltes die variëren naargelang van de bezoldiging.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvat de bezoldiging, in afwijking van artikel 2, eerste lid, 23°, eveneens de haardtoelage of de eventuele standplaatstoelage.
  De in het eerste lid bedoelde bezoldiging stemt overeen met voltijdse prestaties gedurende de periode van 1 januari tot 30 september van het beschouwde jaar, die de referentieperiode wordt genoemd.
  § 2. Het forfaitaire gedeelte wordt vastgesteld op 718,32 euro voor het jaar 2016. In dat forfaitaire gedeelte wordt een bedrag van 337,3647 euro geacht te zijn vastgesteld voor 1 augustus 1990.
  Het forfaitaire gedeelte en het bedrag van 337,3647 euro worden elk jaar aangepast volgens een breuk waarvan de noemer de afgevlakte index van de maand oktober van het jaar daarvoor is en de teller de afgevlakte index van de maand oktober van het beschouwde jaar.
  Het eerste variabele gedeelte vertegenwoordigt 2,5% van de jaarlijkse bezoldiging verhoogd met de premie voor competentieontwikkeling, zoals ingesteld door artikel 36ter, §§ 1 tot 3, en 5, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddenschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden en door artikel 36, § 1, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. De jaarlijkse bezoldiging is die die dient of gediend zou hebben als basis voor de berekening van de bezoldiging van de maand oktober van het beschouwde jaar en de premie voor competentieontwikkeling is die die betaald wordt of betaald geweest zou zijn in de maand september van het beschouwde jaar.
  Het tweede variabele gedeelte vertegenwoordigt 7% van de bezoldiging van dezelfde maand oktober of van die die verschuldigd geweest zou zijn voor deze maand.
  Dit tweede variabele gedeelte wordt echter op 100,95 euro gebracht als het resultaat van de berekening lager is dan dit bedrag en wordt tot 201,90 euro beperkt als het resultaat van de berekening hoger is dan dit bedrag.
  Voor het personeelslid dat de gewaarborgde bezoldiging geniet overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de ministeries is het bedrag dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het gedeelte dat varieert naargelang van de jaarlijkse bezoldiging en van het gedeelte dat varieert naargelang van de maandelijkse bezoldiging van de eindejaarstoelage dat van de gewaarborgde bezoldiging.
  § 3. De eindejaarstoelage wordt op evenredige wijze verminderd als de bezoldiging niet voltijds of tijdens de referentieperiode werd betaald.
  De vermindering verbonden aan het deeltijds werk wordt aan hetzelfde prorata berekend als de bezoldiging.
  De vermindering verbonden aan de niet-betaalde dagen wordt vastgesteld door middel van een breuk waarvan de teller het aantal betaalde dagen is en de noemer het aantal arbeidsdagen. Als het aantal uren varieert naargelang van de dagen zijn de teller en de noemer de overeenstemmende uuraantallen.
  In afwijking van het derde lid hebben de verloven verbonden aan een ouderschapsverlof geen invloed op de berekening van de eindejaarstoelage.
  Als de ambtenaar in disponibiliteit geplaatst werd, wordt de eindejaarstoelage voor de periode van disponibiliteit berekend naar rato van het percentage van de bezoldiging dat het wachtgeld vertegenwoordigt.
  Als de contractueel een uitkering heeft ontvangen van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gedurende de hele referentieperiode of een deel ervan wordt de eindejaarstoelage berekend naar rato van het percentage van de bezoldiging dat deze vergoeding vertegenwoordigt.
  § 4. De eindejaarstoelage wordt in december betaald, behalve bij beëindiging van de arbeidsrelatie. In dat geval wordt de eindejaarstoelage op hetzelfde moment betaald als de laatste bezoldiging. Voor de berekening ervan is het forfaitaire gedeelte het laatste dat in aanmerking werd genomen en wordt het variabele gedeelte berekend op basis van de laatste betaalde maand.
  § 5. Voor de bedragen van 100,95 euro en 201,90 euro geldt de indexeringsregeling. Ze worden vastgelegd op de spilindex 138,01.

  Afdeling 2. - Haard- en standplaatstoelage toegekend wegens de persoonlijke situatie van het personeelslid

  Art. 18. § 1. Aan het personeelslid van wie de jaarlijkse bezoldiging lager ligt dan of gelijk is aan 16.100 euro wordt een haard- of een standplaatstoelage toegekend.
  De haardtoelage bedraagt 720 euro voor voltijdse prestaties.
  De standplaatstoelage bedraagt 360 euro voor voltijdse prestaties.
  § 2. Het personeelslid van wie de jaarlijkse bezoldiging tussen 16.100 euro en 18.330 euro bedraagt, ontvangt een verminderde haard- of standplaatstoelage.
  De verminderde haardtoelage bedraagt 360 euro voor voltijdse prestaties.
  De verminderde standplaatstoelage bedraagt 180 euro voor voltijdse prestaties.
  De verminderde toelage wordt evenwel in voorkomend geval verhoogd zodat de som van de bezoldiging en de verminderde toelage, verminderd met de inhouding bestemd voor de financiering van het wettelijke pensioen, niet lager is dan de som die het personeelslid ontvangen zou hebben als zijn bezoldiging 16.100 euro bedragen zou hebben.
  § 3. Het personeelslid van wie de jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan 18.330 euro ontvangt een gedeeltelijke toelage, zodat de som van de bezoldiging en de gedeeltelijke toelage, verminderd met de inhouding bestemd voor de financiering van het wettelijke pensioen, niet lager is dan de som die het personeelslid ontvangen zou hebben indien zijn bezoldiging 18.330 euro bedragen zou hebben.
  § 4. De haard- en standplaatstoelage worden volgens dezelfde verhoudingen en volgens dezelfde modaliteiten betaald als de bezoldiging.
  Ze worden niet toegekend voor bijkomende functies.
  De in disponibiliteit geplaatste ambtenaar, met inbegrip van de stagiair, geniet noch de haard-, noch de standplaatstoelage.
  § 5. Voor de bedragen van 16.100 euro en 18.330 euro geldt de indexeringsregeling. Ze zijn verbonden aan de spilindex 138,01.

  Art. 19. De haardtoelage wordt toegekend aan het in artikel 18 bedoelde personeelslid van wie de echtgeno(o)t(e) deze toelage niet ontvangt, noch een vergelijkbare toelage van een andere werkgever.
  De in het eerste lid bedoelde echtgeno(o)te(e) is de persoon van hetzelfde of van een ander geslacht met wie het personeelslid als koppel samenleeft op dezelfde woonplaats.
  De haardtoelage wordt eveneens toegekend aan het alleenstaande personeelslid van wie een of meer kinderen deel uitmaken van het gezin en recht geven op kinderbijslag.
  In geval van wijziging van de situatie in de loop van de maand geniet het personeelslid de gunstigste regeling voor de volledige maand.
  De P&O-directeur of zijn afgevaardigde laat zich alle getuigschriften die nuttig zijn voor de toepassing van dit artikel overhandigen door het personeelslid.

  Art. 20. De standplaatstoelage wordt toegekend aan het in artikel 18 bedoelde personeelslid dat de haardtoelage niet geniet.

  Afdeling 3. - Toelagen toegekend wegens het einde van de arbeidsrelatie

  Onderafdeling 1. - Toelage wegens ontslag

  Art. 21. Er wordt een toelage wegens ontslag toegekend aan de wegens beroepsongeschiktheid ontslagen ambtenaar.
  Het bedrag van de toelage is gelijk :
  1° aan twaalf maal de laatste maandelijkse bezoldiging als de ambtenaar ten minste 20 jaar dienstanciënniteit heeft;
  2° aan acht maal de laatste maandelijkse bezoldiging als de ambtenaar ten minste 10 jaar dienstanciënniteit heeft;
  3° aan zes maal de laatste maandelijkse bezoldiging als de ambtenaar minder dan 10 jaar dienstanciënniteit heeft.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvat de bezoldiging, in afwijking van artikel 2, eerste lid, 23°, eveneens de haardtoelage of de eventuele standplaatstoelage.
  De in aanmerking te nemen bezoldiging stemt overeen met voltijdse prestaties.

  Onderafdeling 2. - Compenserende toelage

  Art. 22. Er wordt een compenserende toelage toegekend aan het personeelslid dat :
  1° hetzij wegens dienstnoodwendigheden zijn jaarlijks vakantieverlof niet geheel of gedeeltelijk heeft kunnen opnemen voor zijn definitieve ambtsneerlegging;
  2° hetzij zonder vooropzeg de hoedanigheid van personeelslid verliest en ten gevolge van dit vertrek met onmiddellijke ingang zijn jaarlijks vakantieverlof niet geheel of gedeeltelijk heeft kunnen opnemen.
  Het bedrag is gelijk aan de laatste activiteitsbezoldiging van het personeelslid die overeenkomt met het aantal niet-opgenomen dagen jaarlijks vakantieverlof.
  Indien het personeelslid zijn opgespaard jaarlijks vakantieverlof niet heeft opgenomen vooraleer hij de dienst verlaat, heeft hij recht op een compensatietoelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste activiteitsbezoldiging van het personeelslid die overeenstemt met het aantal niet-opgenomen dagen jaarlijks vakantieverlof.
  De niet-opgenomen dagen worden uitgedrukt in een breuk waarvan de teller het aantal niet-opgenomen dagen is en de noemer het aantal arbeidsdagen. Als het aantal uren varieert naargelang van de dagen, zijn de teller en de noemer de overeenstemmende uuraantallen.
  Voor de toepassing van deze onderafdeling omvat de bezoldiging, in afwijking van artikel 2, eerste lid, 23°, eveneens de haardtoelage of de eventuele standplaatstoelage, alsook de toelage voor de uitoefening van een hogere functie.
  In geval van overlijden van het personeelslid wordt de compenserende toelage voor de niet-opgenomen dagen jaarlijks vakantieverlof aan de erfgenamen uitbetaald, met in begrip van het opgespaard jaarlijks vakantieverlof.

  HOOFDSTUK II. - Toelagen verbonden aan ongewone prestaties

  Afdeling 1. - Directietoelage

  Art. 23. Er wordt een directietoelage toegekend aan het personeelslid van het niveau B, C of D dat :
  1° hetzij rechtstreeks een team van minstens tien personeelsleden beheert;
  2° hetzij rechtstreeks een team van minstens vijf personeelsleden beheert en voor zover hij daarvoor door de leidend ambtenaar werd aangewezen.
  De directietoelage wordt jaarlijks vastgesteld op 1000 euro.

  Art. 24. In afwijking van artikel 23 verliest een personeelslid het voordeel van de directietoelage als hij een hogere functie uitoefent op het niveau A, B of C.

  Art. 25. De directietoelage wordt maandelijks betaald, per twaalfde, tezelfdertijd als de bezoldiging.

  Afdeling 2. - Toelage voor de uitoefening van een hogere functie

  Art. 26. Er wordt een toelage toegekend aan de ambtenaar die door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde, met zijn akkoord, werd aangewezen om tijdelijk een hogere functie uit te oefenen gedurende een minimumduur van dertig ononderbroken dagen.
  Onder "hogere functie" wordt verstaan een functie die tot een hoger niveau of een hogere klasse behoort dan die waarin de ambtenaar is benoemd.

  Art. 27. De toelage voor de uitoefening van een hogere functie is gelijk aan het verschil, vastgesteld op de datum van de aanwijzing, tussen de weddeschaal toegewezen aan de graad of klasse waarin hij is benoemd en de weddeschaal die hem zou worden toegekend als hij wordt bevorderd tot de graad of de klasse waartoe de hogere functie behoort.
  De geldelijke anciënniteit van de ambtenaar die is aangewezen om een hogere functie uit te oefenen wordt bepaald overeenkomstig artikel 13 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.
  Een verlengingsakte leidt niet tot de herberekening van de toelage.

  Art. 28. § 1. De aanwijzing bepaald in artikel 26 gebeurt als er niet in een betrekking, in een functie die onontbeerlijk is voor de goede werking van de dienst, kan worden voorzien door aanwerving, overgang naar het hogere niveau of bevordering naar de hogere klasse en de dringende noodzaak om hier tijdelijk in te voorzien vastgesteld is.
  Om aangewezen te worden daarenboven :
  1° voldoet de ambtenaar op de datum van de aanwijzing aan de statutaire voorwaarden om bevorderd te worden door overgang naar de graad of de klasse waartoe de hogere functie behoort;
  2° maakt de ambtenaar niet het voorwerp uit van een andere niet-uitgewiste tuchtstraf dan de terechtwijzing;
  3° is de ambtenaar die ambtenaar die het meest geschikt geacht wordt om het hoofd te bieden aan de onmiddellijke noodwendigheden van de dienst of wiens aanwijzing het minste nadelen oplevert voor de goede werking van de dienst.
  § 2. Als de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde vaststelt dat het onmogelijk is om de hogere functie in te vullen kan hij, in afwijking van paragraaf 1, tweede lid, 1° en 2°, bij een met redenen omklede beslissing en met het akkoord van de inspecteur van Financiën, er een andere ambtenaar in aanwijzen.
  In dat geval wordt de aanwijzing voor de uitoefening van een hogere functie in een betrekking die overeenstemt met een graad ingedeeld in de niveaus C of B voorbehouden aan de ambtenaar die titularis is van een graad van het onmiddellijk lagere niveau.
  In geval van een aanwijzing in een betrekking die overeenstemt met de klasse A1 wordt de aanwijzing voorbehouden aan de ambtenaar die titularis is van een graad van het niveau B of het niveau C.
  De aanwijzing voor de uitoefening van een hogere functie in een betrekking van de klasse A2, A4 of A5 wordt voorbehouden aan de ambtenaar benoemd in de onmiddellijk lagere klasse. De aanwijzing voor de uitoefening van een hogere functie in een betrekking van de klasse A3 wordt voorbehouden aan de ambtenaar benoemd in de klasse A1 of A2.

  Art. 29. § 1. Een hogere functie kan worden uitgeoefend in een betrekking die niet wordt bekleed door de titularis ervan of in een definitief vacante betrekking.
  § 2. Als de aanwijzing in een hogere functie wordt gedaan in een betrekking die niet wordt bekleed door de titularis ervan, heeft ze uitwerking gedurende een eerste periode van maximum zes maanden.
  De in het eerste lid gedefineerde aanwijzing kan na deze periode hernieuwd worden. Ze blijft uitwerking hebben zolang ze noodzakelijk is voor de goede werking van de dienst en uiterlijk tot de terugkeer van de titularis van de betrekking.
  Als de betrekking vacant verklaard wordt, wordt de uitoefening van de hogere functie voortgezet in toepassing van paragraaf 3.
  § 3. Als de aanwijzing in een hogere functie in een definitief vacante betrekking wordt gedaan, heeft ze uitwerking gedurende een eerste periode van maximum zes maanden.
  Ze kan na deze periode worden hernieuwd voor een periode die niet langer duurt dan zes maanden, op voorwaarde dat de procedure om de betrekking definitief toe te kennen op gang werd gebracht en op regelmatige wijze werd voortgezet.
  Ze kan vervolgens eenmaal of meermaals verlengd worden voor een nieuwe periode van niet meer dan zes maanden als en enkel als de op gang gebrachte procedure om de definitief vacante betrekking toe te kennen niet of nog niet heeft geleid tot de benoeming van een kandidaat.

  Art. 30. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde kan de uitoefening van een hogere functie te allen tijde opschorten of beëindigen.
  De ambtenaar kan te allen tijde afzien van de uitoefening van een hogere functie.

  Art. 31. § 1. Elke aanwijzing in een hogere functie en elke verlenging worden ter akkoord voorgelegd aan de inspecteur van Financiën.
  § 2. Op het moment van de aanwijzing of van de verlenging kan evenwel een met redenen omklede vrijstelling van akkoord worden gegeven door de inspecteur van Financiën als hij dat gepast vindt.
  Een vrijstelling van akkoord heeft een geldigheidsduur van hoogstens twaalf maanden. Ze kan echter te allen tijde worden ingetrokken door de inspecteur van Financiën, zonder terugwerkende kracht.
  § 3. Een driemaandelijkse staat van de verlengingen van aanwijzingen gerealiseerd op basis van de vrijstelling van akkoord wordt meegedeeld aan de inspecteur van Financiën.

  Art. 32. De aanwijzings- of verlengingsakte vermeldt minstens :
  1° of de betrekking in kwestie een betrekking is die niet door de titularis ervan wordt bekleed of een definitief vacante betrekking is;
  2° in voorkomend geval de naam van de titularis of de laatste titularis van de betrekking, naargelang de betrekking niet bekleed of definitief vacant is;
  3° de motivering van het onontbeerlijke karakter van de functie;
  4° het bedrag van de toelage berekend in toepassing van artikel 27;
  5° in voorkomend geval of de procedure om de betrekking definitief toe te kennen op gang werd gebracht en op regelmatige wijze werd voortgezet of als de op gang gebrachte procedure om de definitief vacante betrekking toe te kennen niet heeft geleid tot de opmaak van een lijst van geslaagden.

  Art. 33. De ambtenaar aangewezen in een hogere functie oefent alle voorrechten verbonden aan deze functie uit.

  Art. 34. De uitoefening van een hogere functie geeft geen enkele aanspraak op een vaste benoeming in de klasse of de graad van deze functie.
  Als de ambtenaar die een hogere functie uitoefent echter vervolgens, zonder dat er een onderbreking is, bevorderd wordt tot de graad of de klasse van deze functie, wordt hij voor de schaal-, de graad- of de klasseanciënniteit beschouwd als zijnde bevorderd op de datum waarop hij werd aangewezen om deze hogere functie uit te oefenen, zonder dat deze datum verder terug kan gaan dan de datum waarop de betrokkene aan alle statutaire voorwaarden voldeed om bevorderd te worden tot de klasse of de graad van de betrekking waaraan hij is toegewezen of dan de datum waarop deze betrekking definitief vacant werd.
  De in het tweede lid bepaalde terugwerkende kracht is slechts van toepassing voor zover hij gunstiger is voor de ambtenaar.

  Art. 35. In de graad of de klasse waarin hij is benoemd, krijgt de ambtenaar de hogere weddeschaal of de schaalbonificatie alsof hij er jaarlijks de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" in had gekregen.
  In afwijking van het eerste lid wordt in voorkomend geval rekening gehouden met de vermelding "uitzonderlijk" verbonden aan de uitoefening van de hogere functie.

  Afdeling 3. - Toelage voor opleidingsactiviteit

  Art. 36. Er wordt een toelage voor opleidingsactiviteit, die naargelang van het geval door het directiecomité of de directieraad van de federale dienst erkend wordt, toegekend aan het personeelslid dat naast de hem toegewezen functie en zonder dat dit deel uitmaakt van zijn normale activiteiten als taak heeft cursussen of opleidingen te geven in het federaal openbaar ambt.

  Art. 37. De toelage wordt vastgesteld op 180,00 euro per dag cursus.
  Een dag cursus bevat zes uur minimum. De prestaties van minder dan zes uur worden echter naar rato van zes uur uitbetaald.
  Het bedrag van de toelage dekt eveneens de tijd besteed aan de voorbereiding van de cursussen of de opleidingen en in voorkomend geval de correctie van de proeven verbonden aan deze cursussen of opleidingen.

  Afdeling 4. - Creatie van specifieke toelagen

  Art. 38. Er wordt een specifieke toelage toegekend aan het personeelslid wegens verrichte prestaties die niet als normaal kunnen worden beschouwd ten aanzien van de uitoefening van de functie en als deze prestaties niet zijn gedekt door een in dit besluit vastgestelde toelage.
  Een specifieke toelage wordt steeds vastgelegd in een reglementaire tekst met algemene reikwijdte en is nooit nominatief.
  De specifieke toelage mag geen terugwerkende kracht hebben. Ze treedt slechts in werking na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 39. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde ziet erop toe dat er geen enkele specifieke toelage wordt toegekend als het personeelslid niet daadwerkelijk de functie uitoefent volgens de bijzondere voorwaarden die de toekenning ervan rechtvaardigen.
  De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde moet de toekenning van de specifieke toelage opschorten of intrekken als niet meer aan de bijzondere voorwaarden die de toekenning ervan rechtvaardigden wordt voldaan. Hij brengt het personeelslid hiervan vooraf op de hoogte.

  Art. 40. Onverminderd de regels betreffende de administratieve en de begrotingscontrole worden de toelagen vastgesteld door Onze bevoegde Minister of Ministers, na beraadslaging in de Ministerraad.

  Art. 41. De deelneming van het personeel aan jury's, comités, raden of commissies die zitting hebben in de federale diensten geeft geen aanleiding tot de toekenning van een toelage.
  De koninklijke of ministeriële besluiten betreffende de toekenning van de toelagen kunnen echter uitzonderingen op de in het eerste lid vermelde regel bevatten als de bedoelde deelneming geregeld drukke bezigheden met zich meebrengt die directe bijkomende prestaties vergen die buiten het kader vallen van de normale activiteit van het personeelslid.

  HOOFDSTUK III. - Toelagen verbonden aan de specifieke organisatie van de arbeidstijd

  Afdeling 1. - Wachttoelage

  Art. 42. Er wordt een wachttoelage toegekend aan het personeelslid dat een actieve of passieve wachtdienst verzorgt.
  Onder passieve wachtdienst verstaat men de verplichting voor een personeelslid om buiten zijn diensturen bereikbaar en beschikbaar te zijn zonder zich echter te moeten verplaatsen.
  Onder actieve wachtdienst verstaat men de verplichting voor een personeelslid om buiten zijn diensturen niet alleen bereikbaar en beschikbaar te zijn, maar ook om zich te kunnen verplaatsen.

  Art. 43. Onder de wachtperiode "tijdens de week" verstaat men de ononderbroken of onderbroken periode, met een minimumduur van 15 uur en met een maximumduur van 24 uur, van maandag tot vrijdag.
  Onder de wachtperiode "tijdens het weekend" verstaat men de ononderbroken of onderbroken periode, met een minimumduur van 15 uur en met een maximumduur van 24 uur, die volledig of gedeeltelijk plaatsvindt op zaterdag, zondag of een feestdag.

  Art. 44. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde beslist over de organisatie van wachtdiensten en stelt hiervoor op vrijwillige basis personeelsleden aan of laat hen aanstellen.

  Art. 45. De volgende forfaitaire toelagen worden toegekend aan het personeelslid :
  1° een forfaitaire toelage van 20,00 euro voor een passieve wachtdienst geleverd gedurende een wachtperiode "tijdens de week";
  2° een forfaitaire toelage van 30,00 euro voor een actieve wachtdienst geleverd gedurende een wachtperiode "tijdens de week";
  3° een forfaitaire toelage van 35,00 euro voor een passieve wachtdienst geleverd gedurende een wachtperiode "tijdens het weekend";
  4° een forfaitaire toelage van 50,00 euro voor een actieve wachtdienst geleverd gedurende een wachtperiode "tijdens het weekend".

  Art. 46. Deze afdeling is niet van toepassing op het personeelslid van wie de functie vereist dat hij permanent bereikbaar is.

  Afdeling 2. - Toelage voor onregelmatige prestaties

  Art. 47. Er wordt een toelage toegekend aan het personeelslid dat prestaties moet verrichten buiten de normale uurroosters.
  Als prestaties buiten de normale uurroosters worden beschouwd de prestaties verricht tijdens de nacht en de prestaties verricht op zaterdag, zondag of feestdagen.
  De prestaties verricht tussen 18 uur en 20 uur worden gelijkgesteld met prestaties verricht tijdens de nacht, voor zover deze eindigen om of na 22 uur.
  Elk deel van een uur dat gelijk is aan of langer duurt dan dertig minuten, waarin prestaties zijn verricht buiten de normale uurroosters, wordt beschouwd als een uur prestatie. Het wordt weggelaten als het deze duur niet bereikt.
  Voor de toepassing van dit artikel worden niet bedoeld :
  1° het personeelslid dat in opeenvolgende ploegen werkt in de zin van artikelen 51 en 52;
  2° het personeelslid van wie het normale uurrooster prestaties 's nachts, tijdens feestdagen of tijdens het weekend omvat.

  Art. 48. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde beslist over de organisatie van prestaties buiten de normale uurroosters en stelt hiervoor op vrijwillige basis personeelsleden aan of laat hen aanstellen.
  Telewerk geeft geen recht op de toelage voor prestaties buiten de normale uurroosters, behoudens andersluidende beslissing van de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde.

  Art. 49. De toelage voor prestaties buiten de normale uurroosters is, per uur prestatie, gelijk aan 1/1976e van de brutojaarbezoldiging, genomen als basis voor de berekening van de bezoldiging van de maand waarin de prestaties verricht werden, als deze verricht werden op een zon- of feestdag of tijdens de nacht die aan een zon- of feestdag voorafgaat, aan 50 % van dit bedrag in de andere gevallen.

  Art. 50. Het personeelslid dat prestaties moet verrichten buiten de normale uurroosters kan in plaats van de in artikel 47 bedoelde toelage opteren voor een inhaalrust.
  In dat geval stemt de inhaalrust overeen met een recuperatie aan 200% van de gepresteerde tijd als het personeelslid prestaties heeft verricht op een zondag of een feestdag of tijdens de nacht die aan een zon- of feestdag voorafgaat en aan 150% van de gepresteerde tijd in de andere gevallen.
  De inhaalrust wordt genomen naar keuze van het personeelslid, met het akkoord van zijn hiërarchische meerdere.

  Afdeling 3. - Toelage voor werk in opeenvolgende ploegen

  Art. 51. Er wordt een toelage voor werk in opeenvolgende ploegen toegekend aan het personeelslid dat dergelijk werk verricht.
  De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde beslist over de organisatie van het werk in opeenvolgende ploegen.
  Als werk in opeenvolgende ploegen wordt beschouwd een wijze van werkorganisatie waarbij de werknemers na elkaar op dezelfde werkposten tewerkgesteld zijn volgens een bepaald rooster, ook bij toerbeurt en al dan niet continu, met als gevolg dat de werknemers over een bepaalde periode van dagen of weken op verschillende tijdstippen moeten werken.
  Het werk in opeenvolgende ploegen gebeurt op vrijwillige basis, behalve als het personeelslid werd aangeworven voor een functie die het vereist, als hij heeft verzocht ertoe aangewezen te worden of ernaar overgeplaatst te worden of als zijn arbeidsovereenkomst erin voorziet.
  Het personeelslid van wie het uurrooster gewone prestaties van meer dan 10 uur gedurende een periode van 24 uur omvat, wordt niet beschouwd als werkend in opeenvolgende ploegen.

  Art. 52. De toelage voor werk in opeenvolgende ploegen is, per uur prestatie, gelijk aan een percentage van 1/1976e van de brutojaarbezoldiging genomen als basis voor de berekening van de bezoldiging van de maand waarin het werk in opeenvolgende ploegen verricht werd.
  Voor de toepassing van deze afdeling omvat de bezoldiging, in afwijking van artikel 2, eerste lid, 23°, het complement, het weddecomplement en het weddesupplement niet.
  Het in het eerste lid bepaalde percentage bedraagt :
  1° 10% als het personeelslid uitsluitend tijdens de week werkt zonder werk te verrichten tussen tweeëntwintig uur en zes uur;
  2° 15% als het personeelslid :
  - tijdens de week en het weekend werkt zonder werk te verrichten tussen tweeëntwintig uur en zes uur;
  - tijdens de week, evenals tussen tweeëntwintig en zes uur werkt, zonder werk te verrichten tijdens het weekend;
  3° 20% als het personeelslid tijdens de week, tijdens het weekend en tussen tweeëntwintig uur en zes uur werkt;
  4° 25 % als het personeelslid uitsluitend tijdens het weekend en tussen tweeëntwintig uur en zes uur werkt, of enkel een van beide. Prestaties verricht van twintig tot tweeëntwintig uur of van zes tot acht uur, om het even welke dag, mogen evenwel in aanmerking worden genomen als ze niet meer dan 25% van het totaal van de prestatie bedragen.
  De toelage voor werk in opeenvolgende ploegen wordt maandelijks na het vervallen van de termijn betaald.

  Afdeling 4. - Toelage voor bijkomende prestaties

  Art. 53. Er wordt een toelage toegekend aan het personeelslid dat bijkomende prestaties verricht waarvoor hem, met zijn akkoord, geen inhaalrust werd toegekend.
  Worden als bijkomende prestaties beschouwd de prestaties verricht boven de maximale beperkingen bepaald door de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector als er zich onvoorziene omstandigheden voordoen die dringende maatregelen vereisen.
  Elk deel van een uur dat gelijk is aan of langer duurt dan dertig minuten, waarin bijkomende prestaties werden verricht, wordt beschouwd als een uur prestatie. Het wordt weggelaten als het deze duur niet bereikt.

  Art. 54. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde beslist over de organisatie van de bijkomende prestaties en stelt hiervoor op vrijwillige basis personeelsleden aan of laat hen aanstellen.
  De inspecteur van Financiën, of de afgevaardigde van de minister van Begroting voor de instellingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 4° en 5°, wordt hier maandelijks over ingelicht.

  Art. 55. De toelage voor bijkomende prestaties is, per uur prestatie, gelijk aan 1/1976e van de brutojaarbezoldiging, genomen als basis voor de berekening van de bezoldiging van de maand waarin de prestaties verricht werden.

  HOOFDSTUK IV. - Taaltoelage

  Art. 56. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° "gecoördineerde wetten" : de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, samengevat op 18 juli 1966;
  2° "het koninklijk besluit betreffende de taalexamens" : het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de voornoemde gecoördineerde wetten.

  Art. 57. Er wordt een taaltoelage toegekend aan het personeelslid dat aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden voldoet :
  1° voor een examencommissie, samengesteld door de afgevaardigd bestuurder van Selor, het bewijs hebben geleverd van de kennis van de tweede of de derde landstaal, of een beslissing van de afgevaardigd bestuurder van Selor hebben geleverd die hem op grond van zijn diploma vrijstelt van de verplichting om het taalexamen af te leggen;
  2° toegewezen zijn aan een centrale dienst of aan een uitvoeringsdienst waarvan de activiteit het hele land bestrijkt of aan een plaatselijke of gewestelijke dienst waarvan het activiteitsgebied een van de gemeenten omvat bedoeld in artikelen 5 tot 8 van de gecoördineerde wetten;
  3° dit aanvragen.
  Het aanvragen van de taaltoelage en deze taaltoelage genieten impliceert dat men kan gevraagd worden gebruik te maken van een andere landstaal naargelang van het bewezen competentieniveau in het kader van zijn betrekkingen met de diensten, met de personeelsleden of met particulieren.

  Art. 58. Het bedrag van de toelage varieert naargelang van het taalexamen waarvoor men geslaagd is. Als het personeelslid een vrijstellingsbeslissing inroept, verkrijgt hij de toelage die toegekend is aan het personeelslid dat geslaagd is voor het examen bepaald in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende de taalexamens.
  Het bedrag van de toelage wordt vastgesteld overeenkomstig de tabel van de bijlage van dit besluit, waarin het bewijs vermeld is door de bepaling van het koninklijk besluit betreffende de taalexamens op grond waarvan het bewijs wordt uitgereikt en, in voorkomend geval, door het niveau van de taalkennis waarmee dit bewijs overeenstemt.

  Art. 59. Als een personeelslid voldoet aan de toekenningsvoorwaarden van meerdere toelagen voor de kennis van dezelfde taal krijgt hij slechts de hoogste toelage.
  Als een personeelslid voldoet aan de toekenningsvoorwaarden van meerdere toelagen voor de kennis van twee talen krijgt hij de twee toelagen; het totaalbedrag van deze toelagen mag echter niet meer bedragen dan 150 % van de hoogste toelage.

  Art. 60. Het personeelslid bedoeld in artikel 43, § 6, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, aangewezen door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde, krijgt de hoogste toelage van de tabel van de voornoemde bijlage.

  Art. 61. De toelage is verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand na de maand waarin het personeelslid aan de in artikel 57 bedoelde toekenningsvoorwaarden voldoet.

  Art. 62. De toelage wordt maandelijks tegelijkertijd met de bezoldiging betaald.
  De toelage is niet verschuldigd in de gevallen bedoeld in artikel 4, eerste lid. Onverminderd de toepassing van artikel 4, vierde lid, worden de afwezigheden wegens een ziekte, een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte, een ouderschapsverlof, een adoptieverlof, een opvangverlof, een pleegzorgverlof, een loopbaanonderbreking om palliatieve zorgen of medische bijstand te verstrekken, een verlof verbonden aan de moederschapsbescherming echter niet aangerekend op de dertig werkdagen.
  De toelage is naar rato verschuldigd als de bezoldiging zelf naar rato wordt betaald. De toelage wordt echter niet verminderd als het personeelslid een verlof geniet wegens verminderde prestaties die gewettigd zijn door een chronische ziekte, een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte.

  TITEL III. - Vergoedingen

  HOOFDSTUK I. - Vergoeding voor verplaastingskosten tussen de woonplaats en de werkplaats

  Art. 63. Het personeelslid geniet gratis vervoer op het Belgische grondgebied tussen zijn woonplaats en zijn werkplaats als hij gebruik maakt van het gemeenschappelijk openbaar vervoer.
  De toepassing van het eerste lid wordt verwezenlijkt door middel van akkoorden met de ondernemingen NMBS, DE LIJN, MIVB en SRWT-TEC krachtens welke het personeelslid gratis een abonnement of treinkaarten tweede klas ontvangt.
  De kosteloosheid van de verplaatsingen met het gemeenschappelijk openbaar vervoer wordt toegekend op voorwaarde dat steeds de meest voordelige manier voor de betrokken federale dienst wordt gekozen.
  Voor dezelfde maand kunnen slechts voor één woonplaats een abonnement of treinkaarten toegekend worden.

  Art. 64. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde kent een compenserende vergoeding toe aan het personeelslid dat bewijst dat hij het gemeenschappelijk openbaar vervoer niet kan gebruiken om een van de volgende redenen :
  1° een lichamelijke verhindering laat tijdelijk of permanent niet toe het gemeenschappelijk openbaar vervoer te gebruiken;
  2° De werkplaats is gelegen op meer dan drie kilometer van de dichtstbijzijnde halteplaats van een openbaar vervoermiddel;
  3° Het onregelmatige uurrooster of prestaties in opeenvolgende ploegen sluiten het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer uit over een afstand van ten minste drie kilometer.
  De compenserende vergoeding is gelijk aan de prijs van de treinkaart tweede klas die een maand geldig is over de toegelaten afstand. Ze moet maandelijks worden betaald.
  Als het personeelslid zich slechts een beperkt aantal dagen per maand met eigen middelen heeft moeten verplaatsen tussen zijn woonplaats en zijn werkplaats wordt de compenserende vergoeding verhoudingsgewijs toegekend volgens een breuk waarvan de teller dit beperkt aantal dagen is en de noemer het aantal werkdagen van de maand.

  Art. 65. Het personeelslid dat de kosteloosheid van het gemeenschappelijk openbaar vervoer geniet voor het woon-werkverkeer kan de in artikel 64 bedoelde compenserende vergoeding niet genieten. De cumulatie van deze kosteloosheid en deze vergoeding wordt echter gemachtigd :
  1° in geval van een tijdelijke lichamelijke verhindering die hem belet het gemeenschappelijk openbaar vervoer te gebruiken;
  2° in geval van een bevel om zich dringend te melden op zijn werkplaats;
  3° voor het personeelslid bedoeld in artikel 64, eerste lid, 3° op de dagen en uren waarop verplaatsingen met het gemeenschappelijk openbaar vervoer onmogelijk zijn;
  4° in geval van specifieke omstandigheden, beoordeeld door de leidend ambtenaar, die de verplaatsing via het gemeenschappelijk openbaar vervoer moeilijk mogelijk maken.

  Art. 66. Het personeelslid dient zijn aanvraag voor het verkrijgen van de vergoeding in bij de dienst die daartoe aangewezen is door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde en volgens de modaliteiten die deze bepaalt. Onverminderd artikel 6 vermeldt de aanvraag de reisweg tussen de woonplaats en de werkplaats, de redenen waarom het onmogelijk is het gemeenschappelijk openbaar vervoer te gebruiken en de datums en periodes van deze verplaatsingen.
  De onmogelijkheid om het gemeenschappelijk openbaar vervoer te gebruiken wordt bewezen :
  a) in 1° van artikelen 64, eerste lid, en 65, door een medisch attest dat in geval van twijfel ter controle aan MEDEX wordt voorgelegd; in sommige gevallen mag worden aanvaard dat het voertuig door een derde persoon wordt bestuurd;
  b) in 2° en 3° van artikel 64, eerste lid, en 3° van artikel 65, door attesten van de maatschappijen voor gemeenschappelijk openbaar vervoer die de betrokken streek bedienen, waarin duidelijk verklaard wordt dat er geen, of toch zeker niet op de nodige tijdstippen, gemeenschappelijk openbaar vervoer wordt aangeboden; deze attesten mogen in voorkomend geval vervangen worden door afdrukken via internet van de dienstregelingen van de betrokken maatschappijen;
  c) in 2° van artikel 65 door een attest van de overheid die de betrokkene oproept waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat elk uitstel of tijdverlies ernstige nadelige gevolgen zou hebben;
  d) De moeilijkheid om het gemeenschappelijk openbaar vervoer te gebruiken voor 4° van artikel 65 wordt bewezen door een attest van de maatschappijen voor gemeenschappelijk openbaar vervoer of op enige andere wijze in voorkomend geval.

  Art. 67. Als het personeelslid zelf een of meer vervoerbewijzen heeft aangekocht, worden de kosten hiervan bij het verstrijken van de geldigheidsperiode terugbetaald tegen afgifte van dit/deze vervoerbewijs/vervoerbewijzen.
  Als personeelsleden die aan de voorwaarden voldoen samen gereisd hebben in een eigen voertuig, wordt de compenserende vergoeding enkel aan de bestuurder toegekend.

  HOOFDSTUK II. - Vergoedingen voor reiskosten

  Afdeling 1. - Principes

  Art. 68. Het personeelslid dat zich moet verplaatsen naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie heeft recht op de terugbetaling van zijn reiskosten. Uit dien hoofde wordt hem een vergoeding toegekend.

  Art. 69. De vergoeding voor reiskosten wordt toegekend als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan :
  1° De verplaatsing werd gedaan voor de behoeften van de dienst;
  2° De verplaatsing werd toegestaan door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde;
  3° De verplaatsing werd gedaan met het gemeenschappelijk openbaar vervoer of het eigen voertuig van het personeelslid.
  De onder 2° bedoelde voorwaarde kan een algemene voorwaarde zijn als de aard zelf van de functie van het personeelslid regelmatige verplaatsingen inhoudt.

  Art. 70. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde ziet erop toe dat de reiskosten zo laag mogelijk liggen, rekening houdend met de verschillende mogelijkheden voor het ten laste nemen van deze kosten.

  Art. 71. Het personeelslid dient de aanvraag voor het verkrijgen van de vergoeding in bij de dienst die daartoe aangewezen is door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde en volgens de modaliteiten die deze bepaalt.
  Onverminderd artikel 6 en naargelang van het geval vermeldt de aanvraag voor het verkrijgen van de vergoeding de datum van de verplaatsing, de reden van de verplaatsing en de reisweg.
  Als een eigen voertuig wordt gebruikt, vermeldt de aanvraag eveneens het aantal afgelegde kilometers.

  Afdeling 2. - Gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer

  Art. 72. De reiskosten verbonden aan het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer worden terugbetaald ten bedrage van de prijs van een reis in tweede klas als het vervoermiddel meerdere klassen heeft.
  De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde :
  - reikt hiertoe de machtigingen uit om het gemeenschappelijk openbaar vervoer te gebruiken voor de behoeften van de dienst en legt de modaliteiten vast volgens welke het personeelslid gratis openbaar vervoer krijgt;
  - kan hiertoe een abonnement, dat vrije verplaatsing mogelijk maakt in een aantal plaatsen die hij bepaalt, toekennen aan het personeelslid dat meerdere keren per week in deze plaatsen verplaatsingen moet doen voor de behoeften van de dienst.
  In afwijking van het eerste lid worden de verplaatsingskosten verbonden aan het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer door een persoon met een handicap, zoals bepaald in artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage, terugbetaald ten bedrage van de prijs van een reis in eerste klas.

  Afdeling 3. - Gebruik van een persoonlijk voertuig

  Art. 73. De reiskosten verbonden aan het gebruik van een eigen voertuig worden forfaitair terugbetaald op basis van een kilometervergoeding, naar rato van de kilometers afgelegd voor de dienst.
  Onverminderd artikel 69 worden de kosten slechts terugbetaald voor zover de verplaatsing plaatsvindt buiten de agglomeratie van de administratieve standplaats als er een bestaat, of, als dat niet het geval is, buiten de gemeente van de administratieve standplaats. Echter, wanneer de aard zelf van de functie van het personeelslid regelmatige verplaatsingen impliceert, kan de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde de vergoeding toekennen zelfs als die verplaatsingen plaatsvinden binnen de agglomeratie van de administratieve standplaats als er een bestaat, of, als dat niet het geval is, binnen de gemeente van de administratieve standplaats. Het gebied van een agglomeratie is het gebied bepaald in artikel 8.
  Echter, in afwijking van het derde lid worden de kosten, als het personeelslid zich verplaatst met zijn woonplaats als vertrek- of eindpunt, terugbetaald maar mogen ze niet meer bedragen dan die die verschuldigd zouden zijn geweest als de verplaatsing zijn administratieve standplaats als vertrek- en eindpunt had.
  De toestemming om een eigen voertuig te gebruiken is slechts geldig tot 31 december van elk jaar. De toestemming legt het toegestane jaarlijkse maximumaantal kilometers vast en eventueel de plaats waar de administratieve standplaats is gevestigd. Het maximumaantal kilometers kan per dienst worden vastgelegd.
  De berekeningswijze van de afgelegde afstand wordt bepaald door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde. In geval van betwisting wordt de afstand berekend door het Nationaal Geografisch Instituut op basis van de officiële middenschalige referentiegegevens. Behoudens bijzondere omstandigheden die hij beoordeelt, betaalt de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde geen kosten terug die een afstand dekken die langer is dan die tussen de administratieve standplaats en de plaats van de dienstprestaties.

  Art. 74. § 1. Het bedrag van de kilometervergoeding bestaat uit twee delen.
  Het eerste deel bedraagt 80% van het bedrag van de kilometervergoeding van het voorgaande jaar, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer de index van de consumptieprijzen van de maand mei van het voorgaande jaar is en de teller de index van de consumptieprijzen van de maand mei van het lopende jaar; het verkregen resultaat wordt berekend tot op vijf decimalen.
  Het tweede deel bedraagt 20% van de kilometervergoeding van het voorgaande jaar, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer de som is van het gemiddelde van de dagelijkse maximumprijzen voor benzine 95 RON E10 en gasolie diesel 10S van de maand mei van het voorgaande jaar en de teller de som van het gemiddelde van de dagelijkse maximumprijzen voor benzine 95 RON E10 en gasolie diesel 10S van de maand mei van het lopende jaar; het verkregen resultaat wordt berekend tot op vijf decimalen.
  De dagelijkse maximumprijzen zijn de prijzen die bekendgemaakt worden door de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie.
  Het totaalbedrag van de kilometervergoeding wordt vastgelegd tot op vier decimalen.
  § 2. Voor de berekening van het bedrag van de kilometervergoeding op 1 juli 2017 wordt het bedrag van het voorgaande jaar vastgelegd op 0,3460 euro.
  Het bedrag van de kilometervergoeding wordt jaarlijks op 1 juli herzien.
  In afwijking van artikel 9 is het bedrag van de kilometervergoeding niet onderworpen aan de indexeringsregeling.

  Afdeling 4. - Ander vervoermiddel

  Art. 75. In uitzonderlijke gevallen waarin het personeelslid niet in staat was het openbaar vervoer in tweede klas of zijn eigen voertuig te gebruiken en een ander vervoermiddel heeft moeten gebruiken waarvan het gebruik gerechtvaardigd is door de aard en de dringendheid van de opdracht worden de werkelijke onkosten terugbetaald.

  HOOFDSTUK III. - Vergoeding voor het gebruik van de fiets

  Art. 76.§ 1. Er wordt een vergoeding toegekend door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde aan het personeelslid dat een fiets gebruikt, hetzij voor de verplaatsingen van minstens één kilometer tussen de woonplaats en de werkplaats en vice versa, één keer per dag, hetzij voor de behoeften van de dienst.
  Als de vergoeding betrekking heeft op de verplaatsingen van de woonplaats naar de werkplaats en vice versa wordt het voorafgaande akkoord van de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde gevraagd.
  Onder fiets verstaat men elk voertuig met twee wielen voorzien van pedalen, aangedreven door de spierkracht van de fietser en eventueel voorzien van een bijkomend type van aandrijving met als primaire doel trapondersteuning te bieden, en waarvan de aandrijfkracht onderbroken wordt als het voertuig een maximale snelheid van 25 km per uur bereikt.
  Een motorisch aangedreven of niet-motorisch aangedreven rolstoel of een ander licht, niet-motorisch aangedreven vervoermiddel wordt gelijkgesteld met het gebruik van de fiets.
  [1 Het gebruik van een speed pedelec wordt gelijkgesteld met het gebruik van de fiets.]1
  § 2. Het bedrag van de vergoeding is, per afgelegde kilometer, gelijk aan het bedrag dat elk jaar voor het gebruik van de fiets van belasting kan worden vrijgesteld door de belastingadministratie.
  In afwijking van artikel 9 is het bedrag van de vergoeding voor het gebruik van de fiets niet onderworpen aan de indexeringsregeling.
  ----------
  (1)<W 2020-06-09/03, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2020>

  Art. 77. Het fietsen mag voorafgaan aan of volgen op aanvullend gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer of van het eigen voertuig. De vergoeding kan evenwel nooit gecumuleerd worden met een tegemoetkoming in de kosten van het openbaar vervoer of van het eigen voertuig voor eenzelfde traject tijdens dezelfde periode.

  Art. 78. Het afgelegde traject moet niet noodzakelijkerwijs het kortste traject zijn, maar moet het meest aangewezen traject zijn voor fietsers, met bijzondere aandacht voor veiligheid.

  Art. 79. Het begunstigde personeelslid maakt een halfjaarlijks overzicht op van de met de fiets afgelegde verplaatsingen, met vermelding van de datums van de verplaatsing, het aantal kilometers per traject, het totale aantal afgelegde kilometers en de vergoeding waar hij recht op heeft. Vervolgens dient hij zijn aanvraag voor het verkrijgen van de fietsvergoeding in bij de dienst die daartoe is aangewezen door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde en volgens de modaliteiten die deze bepaalt.
  Voor de toepassing van het eerste lid kan de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde in een kortere termijn voorzien.

  HOOFDSTUK IV. - Vergoeding voor verblijfkosten

  Afdeling 1. - Principe

  Art. 80. Het personeelslid dat zich naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie op vraag van de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde moet verplaatsen heeft recht op de terugbetaling van zijn verblijfkosten. Er wordt hem uit dien hoofde een dagelijkse forfaitaire vergoeding toegekend.

  Art. 81. Het betrokken personeelslid dient zijn aanvraag voor het verkrijgen van de vergoeding in bij de dienst die daartoe is aangewezen door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde en volgens de modaliteiten die deze bepaalt.
  Onverminderd artikel 6 vermeldt de aanvraag voor het verkrijgen van de vergoeding in elk geval de datum van de verplaatsing, de reden van de verplaatsing en de duur van de verplaatsing.

  Art. 82. Dit hoofdstuk is van toepassing op het personeelslid van een federale dienst, dat zich in die hoedanigheid verplaatst om in rechte te gaan getuigen.
  De betrokkene mag in geen geval de reisvergoeding ontvangen die bepaald is in het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.

  Afdeling 2. - Vergoeding voor verblijfkosten in België

  Art. 83. Er wordt een dagelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten om maaltijdkosten te dekken toegekend aan het personeelslid dat zich in België moet verplaatsen in het kader van de uitoefening van zijn functie, volgens de in artikel 85 bepaalde voorwaarden.

  Art. 84. § 1. De vergoeding wordt toegekend als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan :
  1° De verplaatsing duurt minimaal 6 uur;
  2° De verplaatsing is verder dan een straal van 25 km buiten de agglomeratie van de administratieve standplaats als er één bestaat, of, als er geen bestaat, verder dan een straal van 25 km buiten de gemeente van de administratieve standplaats. De verplaatsing wordt berekend van centrum tot centrum van een agglomeratie of van een gemeente;
  3° De verplaatsing geeft er geen aanleiding toe dat de federale dienst of een derde de kost van de maaltijd op zich neemt;
  4° De verplaatsing geeft geen aanleiding tot enig ander voordeel om maaltijdkosten te dekken.
  § 2. De duur van de verplaatsing wordt gerekend vanaf het vertrek uit de administratieve standplaats op de heenweg tot zijn werkelijke uur van aankomst bij de terugkeer.
  Onverminderd § 1, 3° en 4°, echter is, als het personeelslid zich verplaatst zonder langs zijn administratieve standplaats te gaan, de dagelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten verschuldigd voor zover aan de afstand- en duurvoorwaarden bepaald in § 1, 1° en 2°, is voldaan en er daarenboven ook aan zou zijn voldaan indien de verplaatsing vanuit zijn administratieve standplaats was gebeurd.
  § 3. Het gebied van een agglomeratie is dat gebied bepaald in artikel 8.
  § 4. De berekeningswijze van de afstand van de verplaatsing wordt bepaald door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde. In geval van betwisting wordt de afstand berekend door het Nationaal Geografisch Instituut op basis van de officiële middenschalige referentiegegevens.

  Art. 85. Het bedrag van de forfaitaire vergoeding bedraagt 10 euro per dag.

  Art. 86. Als de aard zelf van de functie van het personeelslid regelmatige prestaties buiten de administratieve standplaats impliceert, kan de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde beslissen een maandelijkse forfaitaire vergoeding toe te kennen die gelijkstaat met een aantal keren de in artikel 85 bedoelde dagelijkse vergoeding. Dat aantal is identiek voor alle personeelsleden van een federale overheidsdienst, of van een deel ervan, die dezelfde functie uitoefenen. Het wordt vastgesteld op basis van het gemiddelde van de voltijdse prestaties volbracht door deze personeelsleden tijdens het voorgaande jaar.
  In afwijking van artikel 84, § 1, moet niet aan de voorwaarden bepaald onder 1° en 2° worden voldaan.
  De maandelijkse forfaitaire vergoeding mag nooit hoger liggen dan zestien keer de dagelijkse forfaitaire vergoeding voor een personeelslid met voltijdse prestaties. Het maximum wordt naar rato bepaald voor deeltijdse prestaties.
  De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde past jaarlijks het in het eerste lid bedoelde aantal aan. Hij brengt de personeelsleden hier vooraf van op de hoogte.
  In afwijking van artikel 7 is de maandelijkse forfaitaire vergoeding niet verschuldigd voor iedere periode waarin de uitoefening van de functie onderbroken wordt tijdens een duur van dertig ononderbroken dagen, evenwel met uitzondering van het jaarlijks vakantieverlof.

  Art. 87. In de gevallen bedoeld in artikel 86, als de woonplaats van het personeelslid werd vastgesteld als administratieve standplaats, kan de leidend ambtenaar beslissen om de maandelijkse forfaitaire vergoeding aan te vullen met een vergoeding die de kosten verbonden aan de kosten voor internettoegang en de kosten verbonden aan het telefoongebruik dekt.
  Het bedrag mag echter niet meer bedragen dan 3 keer het bedrag bepaald in artikel 96, tweede lid.
  In afwijking van artikel 9 is het bedrag van de vergoeding niet onderworpen aan de indexeringsregeling.

  Art. 88. § 1. Er wordt een aanvullende dagelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten, die bedoeld is om de huisvestingskosten te dekken, toegekend aan het personeelslid dat in België buiten zijn woonplaats moet logeren naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie.
  § 2. De vergoeding wordt toegekend als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan :
  1° de verplaatsing is verder dan een straal van 75 kilometer buiten de agglomeratie van de administratieve standplaats als er één bestaat, of, als er geen bestaat, verder dan een straal van 75 kilometer buiten de gemeente van de administratieve standplaats;
  2° de verplaatsing geeft er geen aanleiding toe dat de federale dienst de kost van de huisvesting op zich neemt;
  3° de verplaatsing geeft geen aanleiding tot enig ander voordeel van dezelfde aard.
  De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde kan echter afwijken van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden in omstandigheden die hij uitzonderlijk acht.
  Het gebied van een agglomeratie is dat gebied bepaald in artikel 8.
  De berekeningswijze van de afstand van de verplaatsing wordt bepaald door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde. In geval van betwisting wordt de afstand berekend door het Nationaal Geografisch Instituut op basis van de officiële middenschalige referentiegegevens.
  § 3. Het bedrag van de forfaitaire vergoeding voor huisvestingskosten wordt vastgelegd op 75,00 euro per nacht.

  Afdeling 3. - Vergoeding voor verblijfkosten in het buitenland

  Art. 89. Er wordt een forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten toegekend aan het personeelslid dat door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde belast is met een dienstopdracht in het buitenland of dat in internationale commissies zetelt.

  Art. 90. Het personeelslid ontvangt dezelfde dagelijkse forfaitaire verblijfsvergoeding als die toegekend aan de afgevaardigden en ambtenaren die afhangen van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
  De dagelijkse forfaitaire vergoeding is die van categorie 1.
  De herziening van de bedragen van de dagelijkse forfaitaire vergoedingen gebeurt overeenkomstig de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de afgevaardigden en ambtenaren die afhangen van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
  Als er echter rechtstreeks maaltijdkosten ten laste worden genomen door de federale dienst, de buitenlandse overheid of de buitenlandse instelling, dan wordt de dagelijkse forfaitaire vergoeding naar rato verminderd.

  Art. 91. Er wordt een aanvullende vergoeding voor verblijfkosten om de huisvestingskosten te dekken toegekend aan het personeelslid dat door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde met een dienstopdracht belast is of dat in internationale commissies moet zetelen, waarvoor hij moet logeren.
  De vergoeding is gelijk aan de werkelijke huisvestingskosten per nacht en dit ten bedrage van de maximale huisvestingsvergoeding die wordt toegekend aan de afgevaardigden en ambtenaren die afhangen van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Er kunnen evenwel geval per geval met redenen omklede overschrijdingen worden toegestaan door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde.
  De vergoeding wordt toegestaan op vertoon van bewijsstukken en voor zover er geen enkel voordeel van dezelfde aard aan het personeelslid is toegekend.
  De herziening van het bedrag van de maximale vergoeding gebeurt overeenkomstig de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de afgevaardigden en ambtenaren die afhangen van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

  HOOFDSTUK V. - Vergoeding wegens begrafeniskosten

  Art. 92. Bij overlijden van een personeelslid wordt een vergoeding wegens begrafeniskosten toegekend aan de persoon of verdeeld onder de personen die bewijst/bewijzen dat hij/zij de begrafeniskosten op zich heeft/hebben genomen.
  Worden evenwel uitgesloten van de vergoeding wegens begrafeniskosten :
  1° de personen op wie de artikelen 727 en 729 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn;
  2° begrafenisondernemers, hun verwanten, hun aangestelden of lasthebbers, behoudens wanneer zij de echtgenoot/echtgenote, de wettelijk samenwonende of een bloed- of aanverwant tot de derde graad zijn van de overledene;
  3° de privaatrechtelijke rechtspersonen die, in uitvoering van een verzekeringscontract, de gemaakte begrafeniskosten geheel of gedeeltelijk ten laste hebben genomen.

  Art. 93. De vergoeding wordt toegekend :
  1° als de overledene een ambtenaar is, als deze zich de dag vóór het overlijden volgens zijn werkrooster in dienstactiviteit, in disponibiliteit of in non-activiteit om verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid te verrichten bevindt;
  2° als de overledene een contractueel is, als deze zich de dag vóór het overlijden in een situatie bevindt waarin hij geldelijke anciënniteit verwerft of in een van de situaties bedoeld in artikel 86, § 1, 1° a) en b), 2° en 3° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

  Art. 94. De vergoeding wegens begrafeniskosten komt overeen met de bezoldiging die volledig verschuldigd is of volledig verschuldigd had moeten zijn voor de maand die aan het overlijden voorafgaat.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvat de bezoldiging, in afwijking van artikel 2, eerste lid, 23°, eveneens de haardtoelage of de eventuele standplaatstoelage, alsook de toelage voor de uitoefening van een hogere functie.
  De vergoeding wegens begrafeniskosten kan echter niet hoger liggen dan een twaalfde van het bedrag vastgelegd in toepassing van artikel 39, eerste, derde en vierde lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

  Art. 95. De vergoeding wegens begrafeniskosten wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag van een vergoeding die om dezelfde reden wordt toegekend op basis van andere wettelijke of reglementaire bepalingen.

  HOOFDSTUK VI. - Vergoeding voor telewerkkosten

  Art. 96. Er wordt een vergoeding toegekend aan het personeelslid dat telewerk verricht.
  De vergoeding voor telewerkkosten dekt kosten van verbindingen en communicaties. De vergoeding mag echter in haar geheel niet meer bedragen dan 20 euro per maand.
  In afwijking van artikel 9 is het bedrag van de vergoeding niet onderworpen aan de indexeringsregeling.

  HOOFDSTUK VII. - Creatie van specifieke vergoedingen

  Art. 97. Er wordt een specifieke vergoeding toegekend aan het personeelslid dat naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie andere werkelijke onkosten moet dragen dan die gedekt door de in dit besluit vastgelegde vergoedingen, die niet beschouwd kunnen worden als normaal, of ze nu al dan niet inherent zijn aan de functie, om terugkerende kosten te dekken die werkelijk zijn gemaakt tijdens de uitoefening van de functie.
  Een specifieke vergoeding wordt steeds vastgelegd in een reglementaire tekst met algemene reikwijdte en is nooit nominatief.
  De specifieke vergoeding mag geen terugwerkende kracht hebben. Ze treedt slechts in werking na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 98. Als de toestand die aanleiding geeft tot de toekenning van een vergoeding zich herhaaldelijk kan voordoen, kan het bedrag van deze vergoeding forfaitair worden vastgesteld.
  De maandelijkse forfaitaire vergoeding staat gelijk met een aantal keren de dagelijkse vergoeding bedoeld in artikel 97. Dit aantal wordt vastgelegd op basis van de effectieve prestaties van het personeelslid in de voorgaande maanden.
  De maandelijkse forfaitaire vergoeding mag nooit hoger liggen dan zestien keer de dagelijkse forfaitaire vergoeding voor een personeelslid met voltijdse prestaties. Het maximum wordt naar rato vastgesteld voor deeltijdse prestaties.
  De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde past het in het tweede lid bedoelde aantal aan telkens hij dat nodig acht. Hij brengt het personeelslid hier vooraf van op de hoogte.
  Het aantal dagen dat in aanmerking wordt genomen voor de maandelijkse forfaitaire vergoeding wordt evenwel verminderd met het aantal arbeidsdagen tijdens dewelke het personeelslid zijn functie niet daadwerkelijk heeft uitgeoefend.

  Art. 99. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde ziet erop toe dat er geen specifieke vergoeding wordt toegekend die niet overeenstemt met kosten die werkelijk gemaakt worden of die, onder normale omstandigheden, gemaakt zouden moeten worden.
  In toepassing van het eerste lid schort de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde de toekenning van eerder toegekende specifieke vergoedingen op of trekt ze in. Hij brengt het personeelslid hiervan vooraf op de hoogte.

  Art. 100. Onverminderd de regels betreffende de administratieve en budgettaire controle worden de vergoedingen vastgesteld door Onze bevoegde Minister of Ministers, na beraadslaging in de Ministerraad.

  TITEL IV. - Opheffende en wijzigende bepalingen

  HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel

  Art. 101. In artikel 49, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, vervangen bij het koninklijk besluit van 19 november 2008, worden de woorden "artikel 8bis van het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen, toelagen en premies van alle aard toegekend aan het personeel van de federale overheidsdiensten" vervangen door de woorden "artikel 8 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt".

  HOOFDSTUK II. - Wijziging van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten

  Art. 102. In hoofdstuk I van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2016, wordt voor artikel 1, dat artikel 1bis wordt, een nieuw artikel ingevoegd, luidende :
  "Art. 1. Artikelen 1 tot 15 zijn niet van toepassing op de personeelsleden die onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.".

  Art. 103. Artikel 16 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  "Art. 16. De secretaris-generaal van het ministerie van Landsverdediging, de opperofficieren, de eerste voorzitters en de procureurs-generaal van het Hof van Cassatie en van de Hoven van Beroep, de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken, de voorzitter van het College van het openbaar ministerie, de eerste voorzitter en de auditeur-generaal van de raad van State, de voorzitters van het Grondwettelijk Hof en de afgevaardigd bestuurder van Selor mogen voor dienstreizen gebruik maken van hun eigen voertuig.
  Zij komen in aanmerking voor de vergoeding op overlegging van een verklaring op erewoord met opgave van het aantal kilometers die in het belang van de dienst worden afgelegd.
  De betrokken Minister stelt het toegestane jaarlijkse maximumaantal kilometers vast zonder dat dit maximumaantal meer mag bedragen dan 18.000 kilometer per jaar. ".

  Art. 104. In artikel 16bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 mei 1999 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 september 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid, worden de woorden "binnen de perken die bij artikel 12 zijn vastgelegd en eventueel de gemeente waarvan sprake is in artikel 14, tweede lid" vervangen door de woorden "en eventueel de plaats waar de administratieve standplaats is gevestigd";
  2° het derde lid word opgeheven.

  Art. 105. In artikel 17 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 november 2008, wordt de derde zin "In die gevallen zijn op hen de bepalingen van de artikelen 12 en 13 niet van toepassing." opgeheven.

  HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddenschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden

  Art. 106. In artikel 36ter, § 2, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddenschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden, hernummerd bij het koninklijk besluit van 4 augustus 2004 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 januari 2006 en 22 november 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In het tweede lid wordt de zin "De premie voor competentieontwikkeling wordt in aanmerking genomen voor een twaalfde van de Copernicuspremie, bedoeld in het koninklijk besluit van 10 juli 2002 tot toekenning van een Copernicuspremie aan sommige personeelsleden van de rijksbesturen, die erop volgt." opgeheven.
  2° In het derde lid wordt de zin "onder dezelfde voorwaarden, wordt ze niet in aanmerking genomen voor de berekening van Copernicuspremie." opgeheven.

  HOOFDSTUK IV. - Wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen

  Art. 107. In artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 oktober 2009, 14 november 2011, 20 september 2012 en 9 maart 2017, wordt paragraaf 2 opgeheven.

  HOOFDSTUK V. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel

  Art. 108. In artikel 19 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 11 december 2001, 4 augustus 2004, 10 augustus 2005 en 19 november 2008, worden de woorden "van de artikelen 1 en 5 van het besluit van de Regent van 30 maart 1950 de toekenning regelend van toelagen wegens buitengewone prestaties, van de artikelen 1 en 6 van het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen en toelagen van alle aard toegekend aan het personeel van de federale overheidsdiensten" vervangen door de woorden "van de artikelen 41, 47 tot 50 en 53 tot 55 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt".
  Artikel 20 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een paragraaf 3 die als volgt luidt :
  " § 3. Dit artikel is niet van toepassing op de personeelsleden die een toelage voor opleidingsactiviteit genieten bedoeld in de artikelen 36 en 37 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.".

  HOOFDSTUK VI. - Wijziging van het koninklijk besluit van 10 juli 2002 tot toekenning van een Copernicuspremie aan sommige personeelsleden van de rijksbesturen

  Art. 109. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 juli 2002 tot toekenning van een Copernicuspremie aan sommige personeelsleden van de rijksbesturen, vervangen bij het koninklijk besluit van 7 mei 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) 1° wordt opgeheven;
  b) in 2° worden de woorden "; - het Federaal Planbureau" opgeheven.

  HOOFDSTUK VII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 november 2006 betreffende het telewerk en het satellietwerk in het federaal administratief openbaar ambt

  Art. 110. In artikel 10 van het koninklijk besluit van 22 november 2006 betreffende het telewerk en het satellietwerk in het federaal administratief openbaar ambt, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 maart 2017, worden het tweede en het derde lid opgeheven.

  HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 betreffende de ten laste neming van de kosten inzake openbaar vervoer in woonwerkverkeer van de federale personeelsleden door de staat en sommige federale openbare instellingen

  Art. 111. In artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 betreffende de ten laste neming van de kosten inzake openbaar vervoer in woonwerkverkeer van de federale personeelsleden door de staat en sommige federale openbare instellingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepaling onder 1° wordt opgeheven;
  b) de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt : "2° van de krijgsmacht van het Ministerie van Defensie;";
  c) de bepaling onder 3° wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK IX. - Wijziging van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt

  Art. 112. In het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 november 2015 en 3 augustus 2016, wordt het artikel 2 aangevuld door een lid dat als volgt luidt :
  "De uitdrukking "personeelslid" bedoeld in de definities in 6°, 7° en 9° van het eerste lid moet worden begrepen als "lid van het burgerpersoneel" als ze betrekking heeft op het Ministerie van Landsverdediging.".

  Art. 113. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 november 2015 en 3 augustus 2016, wordt artikel 36 vervangen als volgt :
  "Art. 36. Er wordt een toelage wegens ontslag toegekend aan het personeelslid dat wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid.
  Het bedrag van de toelage wordt vastgelegd in het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen in het federaal openbaar ambt.".

  HOOFDSTUK X. - Wijziging van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt

  Art. 114. In het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2016, wordt het artikel 2 aangevuld door een lid dat als volgt luidt :
  "De uitdrukking "personeelslid" bedoeld in de definities in 6°, 7° en 9° van het eerste lid moet worden begrepen als "lid van het burgerpersoneel" als ze betrekking heeft op het Ministerie van Landsverdediging."

  Art. 115. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2016, wordt het hoofdstuk VII, dat de artikelen 29 tot 34 bevat, opgeheven.

  HOOFDSTUK XI. - Wijziging van het ministerieel besluit van 25 oktober 1966 tot vaststelling van de toelagen verleend aan de personen belast met het geven van cursussen of conferenties aan het personeel van het Ministerie van Financiën

  Art. 116. In het ministerieel besluit van 25 oktober 1966 tot vaststelling van de toelagen verleend aan de personen belast met het geven van cursussen of conferenties aan het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 18 januari 1975, 15 juli 2002 en 13 december 2013, worden artikelen 1, 2, § 2, 3, 3bis en 4, opgeheven.

  HOOFDSTUK XII. - Opheffingsbepalingen

  Art. 117. Worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 12 oktober 1964 tot vaststelling van de bezoldiging van hen die hun medewerking verlenen voor de opleiding en de voortgezette opleiding van het Rijkspersoneel gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 maart 1995, 10 april 1995, 11 december 2001, 5 september 2002 en 4 augustus 2004;
  2° het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der federale overheidsdiensten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 december 1990, 4 maart 1993, 5 september 2002 en 4 augustus 2004;
  3° het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen, toelagen en premies van alle aard toegekend aan het personeel van de federale overheidsdiensten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 6 februari 1967, 2 maart 1989, 5 september 2002, 3 augustus 2004, 22 november 2006 en 3 augustus 2016;
  4° het koninklijk besluit van 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's lands algemeen bestuur, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2016;
  5° het koninklijk besluit van 8 augustus 1983 betreffende de uitoefening van een hoger ambt in de rijksbesturen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2016;
  6° het koninklijk besluit van 30 juni 1988 betreffende de toekenning van forfaitaire vergoedingen voor verblijfkosten aan het personeel van de inspectie van de Dienst voor Administratieve Controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2001;
  7° het koninklijk besluit van 1 fébruari 1993 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten aan zekere personeelsleden van de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
  8° het koninklijk besluit van 9 september 1993 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten aan sommige personeelsleden van het Fonds voor Arbeidsongevallen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 oktober 1997, 20 december 2007 en 19 mei 2010;
  9° het koninklijk besluit van 30 december 1993 houdende toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan sommige ambtenaren van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 maart 1998;
  10° het koninklijk besluit van 11 oktober 1997 betreffende de toekenning van een vergoeding voor toegangskosten tot het internet aan sommige personeelsleden van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 augustus 2011;
  11° het koninklijk besluit van 8 juli 2005 tot regeling van de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van een lid van het personeel van een federale overheidsdienst;
  12° het koninklijk besluit van 26 april 2007 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan de personeelsleden belast met een rondreizende functie van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
  13° het koninklijk besluit van 2 augustus 2007 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden belast met het ontwikkelen van projecten in sommige overheidsdiensten;
  14° het koninklijk besluit van 12 februari 2008 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan de personeelsleden belast met een rondreizende functie van de centrale cel van de Gemeenschappelijke Dienst voor preventie en bescherming op het werk voor sommige federale overheidsdiensten;
  15° het koninklijk besluit van 28 november 2008 tot vervanging, voor het personeel van sommige overheidsdiensten, van het koninklijk besluit van 23 oktober 1979 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ten laste van de Schatkist bezoldigd ambt, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 december 2009 en 10 september 2010;
  16° het koninklijk besluit van 13 juni 2010 tot toekenning van toelagen voor tweetaligheid aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt;
  17° het koninklijk besluit van 13 juni 2010 houdende toekenning van een vergoeding voor het gebruik van de fiets aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt;
  18° het koninklijk besluit van 11 februari 2013 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt die bepaalde prestaties verrichten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 maart 2016;
  19° het koninklijk besluit van 21 december 2013 betreffende de afstand afgelegd per motorrijwiel of per autovoertuig die, voor de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Financiën, in aanmerking wordt genomen voor de toekenning van een vergoeding wegens verblijfkosten;
  20° het koninklijk besluit van 21 december 2013 betreffende de berekening van de kilometervergoeding, voor de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Financiën, voor de dienstreizen waarbij de woonplaats van het personeelslid het vertrek- en/of eindpunt is;
  21° het koninklijk besluit van 23 november 2014 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan sommige personeelsleden van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
  22° het ministerieel besluit van 30 maart 1954 houdende toekenning van rondreisvergoedingen aan ambtenaren en beambten van de Dienst voor Inspectie en Economische Onderzoekingen, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 4 december 2001;
  23° het ministerieel besluit van 4 september 1964 houdende toekenning van rondreisvergoedingen aan ambtenaren en beambten van het Nationaal Instituut voor de Statistiek, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 4 december 2001;
  24° het ministerieel besluit van 28 maart 1967 tot toekenning van een rondreisvergoeding aan ambtenaren en beambten van het Ministerie van Sociale Voorzorg die uitsluitend reizende functies uitoefenen, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 2 juni 1972;
  25° het ministerieel besluit van 19 november 1973 tot vaststelling voor de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Financiën van sommige vergoedingen wegens verblijfkosten, gewijzigd bij de ministeriele besluiten van 18 februari 1975, 15 juli 2002, 13 december 2013 en 4 juni 2014;
  26° het ministerieel besluit van 18 februari 1975 tot toekenning van een vergoeding voor verplaatsingskosten aan de personeelsleden van de Administratie der douane en accijnzen tewerkgesteld in bepaalde gebieden van de haven te Antwerpen of in bepaalde grenskantoren, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 15 juli 2002;
  27° het ministerieel besluit van 17 juni 1991 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan zekere personeelsleden van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  28° het ministerieel besluit van 4 september 1991 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan zekere personeelsleden van het Ministerie van Sociale Voorzorg, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 16 oktober 2001;
  29° het ministerieel besluit van 16 mei 1997 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan de personeelsleden, belast met een rondreizende functie, van het Ministerie van Middenstand en Landbouw;
  30° het ministerieel besluit van 18 januari 2007 houdende de toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan sommige personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
  31° het ministerieel besluit van 4 juli 2007 tot toekenning van een forfaitaire maandvergoeding aan de personeelsleden van de Inspectiedienst van de Programmatorische Federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie;
  32° het ministerieel besluit van 10 november 2009 tot vaststelling van de verblijfsvergoedingen toegekend aan de immigratieambtenaren van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
  33° het ministerieel besluit van 21 juli 2011 houdende vaststelling van de verblijfsvergoedingen en huisvestingskosten toegekend aan de personeelsleden van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen die zich in opdracht naar het buitenland begeven of zetelen in internationale commissies;
  34° het ministerieel besluit van 25 april 2014 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten aan zekere personeelsleden van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.

  TITEL V. - Bewarende, overgangs- en slotbepalingen

  Art. 118. De personeelsleden van de niveaus B en C die een directietoelage genieten op de datum van inwerkingtreding van dit besluit behouden het voordeel van deze directietoelage.
  De personeelsleden van het niveau D die een directietoelage genieten op de datum van inwerkingtreding van dit besluit krijgen het bedrag van 1000 euro.
  De directietoelage wordt berekend en uitbetaald volgens de modaliteiten die van kracht waren op 31 augustus 2017.

  Art. 119. De personeelsleden die een projecttoelage genieten overeenkomstig het koninklijk besluit van 2 augustus 2007 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden belast met het ontwikkelen van projecten in sommige overheidsdiensten behouden ze tot het einde van het project.
  De projecttoelage wordt berekend en uitbetaald volgens de modaliteiten die van kracht waren op 31 augustus 2017.

  Art. 120. De uitoefening van een hogere functie die aan de gang is op de datum van inwerkingtreding van dit besluit behoudt zijn uitwerking, overeenkomstig de bepalingen zoals ze van kracht waren, gedurende een periode van maximaal 12 maanden en behoudens andersluidende, behoorlijk met redenen omklede beslissing van de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde.

  Art. 121. De personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit reizende ambtsbetrekkingen uitoefenen en een maandelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten of voor kosten wegens rondreizen genieten overeenkomstig de koninklijke en ministériële besluiten bedoeld in het artikel 117, 6° tot 9°, 12°, 14°, 21° tot 24°, 27° tot 34°, blijven deze vergoeding genieten als het bedrag toegekend overeenkomstig artikel 86 minder voordelig is.
  De maandelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten of kosten wegens rondreizen wordt berekend en uitbetaald volgens de modaliteiten die van kracht waren op 31 augutsus 2017.

  Art. 122. De besluiten die van kracht zijn op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit en die zijn genomen in uitvoering van artikel 7 van het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen, toelagen en premies van alle aard toegekend aan het personeel van de federale overheidsdiensten, worden beschouwd te zijn genomen in uitvoering van de artikelen 40 en 100 van dit besluit.

  Art. 123. De bepalingen van het ministerieel besluit van 18 december 2013 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen die werken in opeenvolgende ploegen en die dienen te werken tijdens een weekend, een feestdag of tussen tweeëntwintig en zes uur moeten niet worden beschouwd als een cumulatie in de zin van artikel 10 van dit besluit.

  Art. 124. De volgende besluiten houden op van toepassing te zijn op de in dit besluit bedoelde personeelsleden :
  1° het koninklijk besluit van 24 oktober 1951 betreffende het verlenen van bijzondere toelagen aan de personen belast met cursussen voor beroepsleiding in het Ministerie van Economische Zaken en Middenstand, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2001;
  2° het koninklijk besluit van 13 oktober 1964 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen welke worden toegekend aan de personen die niet tot het leger behoren en belast zijn met het houden van voordrachten of het volbrengen van andere prestaties en behoeve van de militairen van de Krijgsmacht, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2001;
  3° het koninklijk besluit van 19 februari 1974 betreffende de toelagen en vergoedingen verleend aan de personen die met de vorming van het burgerlijk personeel zijn belast, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 mei 1993 en 4 december 2001;
  4° het koninklijk besluit van 16 april 1975 betreffende de beroepsopleiding van het personeel van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2001;
  5° het koninklijk besluit van 8 mei 1979 tot toekenning van sommige toelagen en vergoedingen aan de personen die met de vorming van het personeel van het Nationaal Geografisch Instituut zijn belast, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2001;
  6° het ministerieel besluit van 30 juni 1960 houdende inrichting van vakcursussen voor het niet-voltijds tewerkgestelde personeel van het Korps Burgerlijke Bescherming, gewijzigd bij de ministeriele besluiten van 10 april 1995, 18 maart 1998 en 3 mei 2002;
  7° het ministerieel besluit van 13 februari 1998 betreffende de beroepsopleiding van het personeel van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen;
  8° het ministerieel besluit van 22 oktober 1998 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden van de Civiele Bescherming die belast zijn met een opleidingsactiviteit, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 3 mei 2002.

  Art. 125. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de tweede maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van :
  1° artikelen 53 tot en met 55, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2017;
  2° artikel 86 dat, voor de rondreizende functies in inspectiediensten, uitwerking heeft op 1 juli 2017.

  Art. 126. Onze Ministers zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGE.

  Art. N. Bijlage bij het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot toekenning van de toelagen voor tweetaligheid aan de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, die het bedrag van de taaltoelage vaststelt
  

  
Certificat
  Bewijs
Montant de l'allocation mensuelle
  Bedrag van de maandelijkse toelage
art. 8 20 EUR
art. 9, § 1er, connaissance élémentaire ou art. 10 /
  art. 9, § 1, elementaire kennis of art. 10
40 EUR
art. 9, § 2, connaissance élémentaire ou art. 14, alinéa 2 ou art. 9, § 1er, connaissance élémentaire et art. 8 /
  art. 9, § 2, elementaire kennis of art. 14, tweede lid of art. 9, § 1, elementaire kennis en art. 8
50 EUR
art. 9, § 1er, connaissance suffisante ou art. 11 /
  art. 9, § 1, voldoende kennis of art. 11
60 EUR
art. 14, alinéa 1er /art. 14, eerste lid 90 EUR
art. 9, § 2, connaissance suffisante ou art. 12 ou art. 13 ou art. 9, § 1er, connaissance suffisante et art. 11 /
  art. 9, § 2, voldoende kennis of art. 12 of art. 13 of art. 9, § 1, voldoende kennis en art. 11
110 EUR
art. 7 niveau D 75 EUR
art. 7 niveau C 80 EUR
art. 7 niveau B ou A/art. 7 niveau B of A 110 EUR


Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 13 juli 2017.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister belast met Ambtenarenzaken,
S. VANDEPUT

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de de Grondwet, artikelen 37 en 107, tweede lid;
   Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, artikel 11, § 1, eerste lid, vervangen bij de wet van 24 december 2002;
   Gelet op de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, artikel 4, § 2, 1°, vervangen bij de wet van 20 mei 1997;
   Gelet op de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector, artikel 8, § 3, tweede lid, gewijzigd bij de wet van 11 december 2016;
   Gelet op het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, inzonderheid artikel 21, § 1;
   Gelet op het koninklijk besluit van van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel;
   Gelet op het koninklijk besluit van 24 oktober 1951 betreffende het verlenen van bijzondere toelagen aan de personen belast met cursussen voor beroepsleiding in het Ministerie van Economische Zaken en Middenstand;
   Gelet op het koninklijk besluit van 12 oktober 1964 tot vaststelling van de bezoldiging van hen die hun medewerking verlenen voor de opleiding en de voortgezette opleiding van het Rijkspersoneel;
   Gelet op het koninklijk besluit van 13 oktober 1964 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen welke worden toegekend aan de personen die niet tot het leger behoren en belast zijn met het houden van voordrachten of het volbrengen van andere prestaties ten behoeve van de militairen van de Krijgsmacht;
   Gelet op het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der federale overheidsdiensten;
   Gelet op het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten;
   Gelet op het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen, toelagen en premies van alle aard toegekend aan het personeel van de federale overheidsdiensten;
   Gelet op het koninklijk besluit van 19 februari 1974 betreffende de toelagen en vergoedingen verleend aan de personen die met de vorming van het burgerlijk personeel zijn belast;
   Gelet op het koninklijk besluit van 16 april 1975 betreffende de beroepsopleiding van het personeel van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
   Gelet op het koninklijk besluit van 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's lands algemeen bestuur;
   Gelet op het koninklijk besluit van 8 mei 1979 tot toekenning van sommige toelagen en vergoedingen aan de personen die met de vorming van het personeel van het Nationaal Geografisch Instituut zijn belast;
   Gelet op het koninklijk besluit van 8 augustus 1983 betreffende de uitoefening van een hoger ambt in de rijksbesturen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 30 juni 1988 betreffende de toekenning van forfaitaire vergoedingen voor verblijfkosten aan het personeel van de inspectie van de Dienst voor Administratieve Controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
   Gelet op het koninklijk besluit van 1 februari 1993 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten aan zekere personeelsleden van de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
   Gelet op het koninklijk besluit van 9 september 1993 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten aan sommige personeelsleden van het Fonds voor Arbeidsongevallen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 30 december 1993 houdende toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan sommige ambtenaren van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
   Gelet op het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddenschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden;
   Gelet op het koninklijk besluit van 11 oktober 1997 betreffende de toekenning van een vergoeding voor toegangkosten tot het internet aan sommige personeelsleden van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
   Gelet op het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel;
   Gelet op het koninklijk besluit van 10 juli 2002 tot toekenning van een Copernicuspremie aan sommige personeelsleden van de rijksbesturen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 8 juli 2005 tot regeling van de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van een lid van het personeel van een federale overheidsdienst;
   Gelet op het koninklijk besluit van 22 november 2006 betreffende het telewerk en het satellietwerk in het federaal administratief openbaar ambt;
   Gelet op het koninklijk besluit van 26 april 2007 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan de personeelsleden belast met een rondreizende functie van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 3 mei 2007 betreffende de ten laste neming van de kosten inzake openbaar vervoer in woonwerkverkeer van de federale personeelsleden door de staat en sommige federale openbare instellingen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 2 augustus 2007 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden belast met het ontwikkelen van projecten in sommige overheidsdiensten;
   Gelet op het koninklijk besluit van 12 februari 2008 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan de personeelsleden belast met een rondreizende functie van de centrale cel van de Gemeenschappelijke Dienst voor preventie en bescherming op het werk voor sommige federale overheidsdiensten;
   Gelet op het koninklijk besluit van 28 november 2008 tot vervanging, voor het personeel van sommige overheidsdiensten, van het koninklijk besluit van 23 oktober 1979 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ten laste van de Schatkist bezoldigd ambt;
   Gelet op het koninklijk besluit van 13 juni 2010 tot toekenning van toelagen voor tweetaligheid aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt;
   Gelet op het koninklijk besluit van 13 juni 2010 houdende toekenning van een vergoeding voor het gebruik van de fiets aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt;
   Gelet op het koninklijk besluit van 11 februari 2013 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt die bepaalde prestaties verrichten;
   Gelet op het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt;
   Gelet op het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
   Gelet op het koninklijk besluit van 21 december 2013 betreffende de afstand afgelegd per motorrijwiel of per autovoertuig die, voor de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Financiën, in aanmerking wordt genomen voor de toekenning van een vergoeding wegens verblijfkosten;
   Gelet op het koninklijk besluit van 21 december 2013 betreffende de berekening van de kilometervergoeding, voor de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Financiën, voor de dienstreizen waarbij de woonplaats van het personeelslid het vertrek- en/of eindpunt is;
   Gelet op het koninklijk besluit van 23 november 2014 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan sommige personeelsleden van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
   Gelet op het ministerieel besluit van 30 maart 1954 houdende toekenning van rondreisvergoedingen aan ambtenaren en beambten van de Dienst voor Inspectie en Economische Onderzoekingen;
   Gelet op het ministerieel besluit van 30 juni 1960 houdende inrichting van vakcursussen voor het niet-voltijds tewerkgestelde personeel van het Korps Burgerlijke Bescherming;
   Gelet op het ministerieel besluit van 4 september 1964 houdende toekenning van rondreisvergoedingen aan ambtenaren en beambten van het Nationaal Instituut voor de Statistiek;
   Gelet op het ministerieel besluit van 25 oktober 1966 tot vaststelling van de toelagen verleend aan de personen belast met het geven van cursussen of conferenties aan het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën;
   Gelet op het ministerieel besluit van 28 maart 1967 tot toekenning van een rondreisvergoeding aan ambtenaren en beambten van het Ministerie van Sociale Voorzorg die uitsluitend reizende functies uitoefenen;
   Gelet op het ministerieel besluit van 19 november 1973 tot vaststelling voor de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Financiën van sommige vergoedingen wegens verblijfkosten;
   Gelet op het ministerieel besluit van 18 februari 1975 tot toekenning van een vergoeding voor verplaatsingskosten aan de personeelsleden van de Administratie der douane en accijnzen tewerkgesteld in bepaalde gebieden van de haven te Antwerpen of in bepaalde grenskantoren;
   Gelet op het ministerieel besluit van 17 juni 1991 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan zekere personeelsleden van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
   Gelet op het ministerieel besluit van 4 september 1991 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan zekere personeelsleden van het Ministerie van Sociale Voorzorg;
   Gelet op het ministerieel besluit van 16 mei 1997 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan de personeelsleden, belast met een rondreizende functie, van het Ministerie van Middenstand en Landbouw;
   Gelet op het ministerieel besluit van 13 februari 1998 betreffende de beroepsopleiding van het personeel van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen;
   Gelet op het ministerieel besluit van 22 oktober 1998 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden van de Civiele Bescherming die belast zijn met een opleidingsactiviteit;
   Gelet op het ministerieel besluit van 18 januari 2007 houdende de toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan sommige personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
   Gelet op het ministerieel besluit van 4 juli 2007 tot toekenning van een forfaitaire maandvergoeding aan de personeelsleden van de Inspectiedienst van de Programmatorische Federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie;
   Gelet op het ministerieel besluit van 10 november 2009 tot vaststelling van de verblijfsvergoedingen toegekend aan de immigratieambtenaren van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
   Gelet op het ministerieel besluit van 21 juli 2011 houdende vaststelling van de verblijfsvergoedingen en huisvestingskosten toegekend aan de personeelsleden van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen die zich in opdracht naar het buitenland begeven of zetelen in internationale commissies;
   Gelet op het ministerieel besluit van 25 april 2014 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten aan zekere personeelsleden van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie;
   Overwegende dat het regeerakkoord voorziet in de vereenvoudiging en de harmonisering van het statuut van het rijkspersoneel;
   Overwegende dat het regeerakkoord bepaalt dat de overurenreglementering voor specifieke functies of omstandigheden geactualiseerd zal worden;
   Overwegende dat het besluit van de Regent van 30 maart 1950 de toekenning regelend van toelagen wegens buitengewone prestaties opgeheven wordt vanaf 1 januari 2017;
   Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 3 augustus 2016;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 19 december 2016;
   Gelet op het advies van het College van de Openbare Instellingen van Sociale Zekerheid, gegeven op 18 oktober 2016;
   Gelet op het protocol nr. 732 van 27 april 2017 van het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten;
   Gelet op de vrijstelling van de regelgevingsimpactanalyse, bedoeld in artikel 8, § 1, 4°, van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
   Gelet op het advies 61.562/4 van de Raad van State, gegeven op 15 juni 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Minister belast met Ambtenarenzaken en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers;
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 09-06-2020 GEPUBL. OP 01-07-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 76)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       Het ontwerp van koninklijk besluit dat ik ter ondertekening aan Uwe Majesteit voorleg, kadert binnen de harmonisering en de vereenvoudiging van het statuut, daar het de verschillende koninklijke en ministeriële besluiten betreffende de toelagen en vergoedingen ten gunste van het rijkspersoneel of van bepaalde categorieën ervan opheft en in mindere mate wijzigt om alle bepalingen betreffende de toelagen en vergoedingen te bundelen.
       Het ontwerp streeft ernaar ambitieus te zijn, want de hele reglementering betreffende de toelagen en vergoedingen is gebundeld in één reglementaire tekst. Toch laat het de mogelijkheid om andere toelagen of vergoedingen te creëren voor een aantal specifieke functies.
       Dit ontwerp van koninklijk besluit vereenvoudigt de toelagen en vergoedingen in een aantal gevallen en moderniseert ze in een aantal andere gevallen, zoals de toelage voor de uitoefening van een hogere functie, het vakantiegeld, de vergoeding voor verblijfkosten of de vergoeding voor reiskosten.
       Het is vernieuwend omdat het een gemeenschappelijk reglementair kader creëert voor de betaling van de toelagen verbonden aan de opleidingsactiviteiten of de bijkomende prestaties.
       I. Het project is gestructureerd volgens vier delen :
       - het eerste deel preciseert het toepassingsgebied van de tekst, bundelt de definities en beschrijft de algemene principes die van toepassing zijn voor alle toelagen en vergoedingen;
       - het tweede deel bundelt alle toelagen en verdeelt ze onder in vier categorieën (de ambtshalve toegekende toelagen, de toelagen verbonden aan ongewone prestaties, de toelage verbonden aan de specifieke organisatie van de arbeidstijd en de taaltoelage);
       - het derde deel definieert de verschillende vergoedingen;
       - het vierde en het vijfde deel hebben betrekking op de verschillende opheffingen en wijzigingen van reglementaire teksten en op de overgangs- en slotbepalingen.
       II. Dit koninklijk besluit is van toepassing op alle personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken. Er moet op worden gewezen dat de voornoemde wet van 22 juli 1993 slechts een aantal federale instellingen van openbaar nut vermeldt, namelijk uitsluitend die die de reglementering volgen die van toepassing is op het rijkspersoneel.
       Dit ontwerpbesluit heeft bijgevolg ook betrekking op het wetenschappelijk personeel, hoewel dit aan een specifiek statuut is onderworpen. Het statuut van het wetenschappelijk personeel bepaalt bovendien dat de wetenschappelijke personeelsleden, onverminderd de bepalingen die eigen aan hen zouden zijn, onderworpen zijn aan de reglementering die van toepassing is op het rijkspersoneel wat betreft de toelagen, vergoedingen en premies van interdepartementale aard, met uitzondering van de premie voor competentieontwikkeling.
       De personeelsleden van een aantal diensten zijn echter uitgesloten van het voordeel van een aantal toelagen verbonden aan de specifieke werkorganisatie, omdat deze diensten over zeer specifieke stelsels voor werkorganisatie beschikken waarvoor er reeds een specifieke reglementering inzake toelagen van kracht is.
       Artikel 1 bepaalt eveneens dat een aantal categorieën van personeelsleden (mandaathouders bijvoorbeeld) uitgesloten wordt van bepaalde toelagen of vergoedingen.
       III. Behalve de hierna vermelde ontwikkelde punten worden de huidige toelagen en vergoedingen, zoals de haard- of standplaatstoelage, de eindejaarstoelage en de vergoeding wegens begrafeniskosten behouden, zowel wat betreft de principes als de modaliteiten of bedragen ervan.
       IV. De voornaamste wijzigingen of vernieuwingen zijn de volgende :
       1) Algemene principes
       De afwezigheid van meer dertig opeenvolgende werkdagen blijft een invloed op de betaling van een toelage hebben. De volgende afwezigheden worden echter niet in aanmerking voor de berekening van dertig opeenvolgende werkdagen genomen : een ouderschapsverlof en een verlof verbonden aan de bescherming van het moederschap, de recuperaties, het jaarlijks vakantieverlof, de afwezigheid door een arbeidsongeval of door een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte.
       2) Vakantiegeld
       De Copernicuspremie wordt rechtstreeks geïntegreerd in de berekening van het vakantiegeld. Het vakantiegeld wordt voortaan gebracht op 92% van de wedde van de maand maart van het vakantiejaar. Het verkregen resultaat is hetzelfde, maar de berekeningswijze is vereenvoudigd.
       3) Directietoelage
       Wat de toekenningsvoorwaarden betreft, wordt de toelage toegekend hetzij als het personeelslid rechtstreeks een team van minstens tien personeelsleden beheert, hetzij als het personeelslid rechtstreeks een team van minstens vijf personeelsleden beheert en voor zover hij daarvoor door de leidend ambtenaar werd aangewezen om de toelage te genieten.
       Het bedrag van de directietoelage voor de personeelsleden van het niveau B, C en D bedraagt 1.000 euro. Het wordt dus verhoogd voor het niveau D.
       Er is voorzien in een overgangsbepaling voor de personeelsleden die een directiepremie kregen voor de inwerkingtreding van dit ontwerpbesluit, waardoor ze hun premie kunnen behouden onder de vroegere reglementaire voorwaarden. Het bedrag van de toelage van de personeelsleden van het niveau D wordt echter eveneens op 1.000 euro vastgelegd.
       4) Toelage voor de uitoefening van een hogere functie
       Enkel de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde zijn bevoegd om een personeelslid dat een hogere functie uitoefent aan te wijzen.
       Elke aanwijzing in een hogere functie of verlenging wordt ter akkoord voorgelegd aan de inspecteur van Financiën behalve als hij een vrijstelling van akkoord geeft.
       In het geval van een definitief vacante betrekking wordt een verlenging van de uitoefening van de hogere functie na 2 jaar mogelijk als de opgestarte procedure om de definitief vacante betrekking toe te kennen niet of nog niet heeft geleid tot de benoeming van een kandidaat. Het verband met betrekkingen die een beslissingsbevoegdheid in fiscale, financiële of boekhoudkundige materies inhouden is niet langer vereist.
       De betaling van de toelage is zowel in een centrale dienst als in een buitendienst verschuldigd vanaf de eerste dag dat het personeelslid de hogere functie uitoefent, als de hogere functie voor een minimale duur van 30 kalenderdagen wordt uitgeoefend.
       Er is voorzien in een overgangsbepaling voor de personeelsleden die voor de inwerkingtreding van dit ontwerpbesluit een hogere functie uitoefenden waardoor zij hun hogere functie kunnen blijven uitoefenen gedurende een maximale periode van 12 maanden na de inwerkingtreding van dit besluit, behoudens andersluidende, behoorlijk met redenen omklede beslissing van de leidend ambtenaar.
       5) Toelage voor bijkomende prestaties
       Het nieuwe artikel 8, § 3, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector, zoals recentelijk gewijzigd bij de wet van 11 december 2016, heeft als doel de betaling, in plaats van de recuperatie, van overuren mogelijk te maken in geval van onvoorziene omstandigheden die dringende maatregelen vereisen.
       Dit ontwerp van koninklijk besluit legt per uur prestatie het bedrag van de toelage vast als aan de voorwaarden voor de betaling van de overuren is voldaan. Dit bedrag is gelijk aan 1/1976e van de brutojaarwedde genomen als basis voor de berekening van de wedde voor de maand waarin de prestaties werden verricht.
       Het nieuwe stelsel is van toepassing op alle personeelsleden van het federaal openbaar ambt en maakt definitief een einde aan het gebruik van het besluit van de Regent van 30 maart 1950 de toekenning regelend van toelagen wegens buitengewone prestaties, opgeheven op 31 december 2016 in toepassing van het koninklijk besluit van 13 maart 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 februari 2013 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt die bepaalde prestaties verrichten.
       6) Toelage voor opleidingsactiviteiten
       Er wordt voor het hele federale openbare ambt een gemeenschappelijk reglementair kader gecreëerd voor de betaling van de opleidingsactiviteiten aan de personeelsleden die als taak hebben cursussen te geven als dat geen deel uitmaakt van hun normale activiteiten. Tot nu toe beschikten slechts een aantal departementen over een specifiek reglementair kader ter zake.
       Het bedrag van de toelage wordt vastgesteld op 180 euro (niet-geïndexeerd) per dag cursus/opleiding.
       Deze gemeenschappelijke reglementaire sokkel houdt in dat alle specifieke reglementeringen aangenomen door de departementen en die hetzelfde doel beogen opgeheven worden.
       7) Vergoeding voor verplaatsingskosten tussen de woonplaats en de werkplaats
       De cumulatie van de kosteloosheid van het gemeenschappelijk openbaar vervoer voor het woon-werkverkeer met het voordeel van een tussenkomst voor het gebruik van een persoonlijk vervoermiddel wordt eveneens gemachtigd in geval van specifieke omstandigheden, beoordeeld door de leidend ambtenaar, die de verplaatsing via het gemeenschappelijk openbaar vervoer onpraktisch maken.
       De woonplaats komt overeen met de feitelijke woning van het personeelslid. Behalve als het personeelslid andersluidende informatie verstrekt, is deze feitelijke woning de woning die vermeld staat op zijn identificatiefiche.
       8) Vergoeding voor reiskosten
       Het personeelslid dat zich moet verplaatsen in het kader van de uitoefening van zijn functie en dat het openbaar vervoer gebruikt, krijgt zijn verplaatsingskosten terugbetaald ten bedrage van de prijs van een reis in tweede klas, ongeacht zijn niveau of zijn functie.
       De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde ziet erop toe dat de reiskosten zo laag mogelijk liggen, rekening houdend met de verschillende mogelijkheden qua vervoermiddelen. Hij kan daartoe, als een traject met verschillende middelen van gemeenschappelijk openbaar vervoer kan worden afgelegd, een vergelijking maken tussen de verschillende officiële tarieven die gehanteerd worden op het ogenblik van de verplaatsing. Ook kan hij via vergelijking nagaan of het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer minder duur blijkt dan het gebruik van een eigen voertuig en omgekeerd.
       9) Vergoeding voor verblijfkosten
       De toekenningsvoorwaarden voor de verblijfkosten worden verscherpt. Naast de voorwaarde van de afstand, die langer moet zijn dan 25 kilometer buiten de agglomeratie van de administratieve standplaats, moet de duur van de verplaatsing voortaan langer zijn dan 6 uur en mag deze er geen aanleiding toe geven dat de werkgever de maaltijdkosten op zich neemt of mag geen aanleiding geven tot een voordeel van dezelfde aard.
       Met voordeel van dezelfde aard worden bedoeld :
       - het restaurantticket, waarvan een deel van de kost op zich wordt genomen door de werkgever of door een derde;
       - de mogelijkheid om een maaltijd te nuttigen in een Fedorest-restaurant of in een restaurant dat verbonden is aan de federale dienst. Deze mogelijkheid is verworven wanneer er in de agglomeratie van de administratieve standplaats of, in voorkomend geval, in de gemeente, waar het personeelslid zich moet naar verplaatsen een Fedorest-restaurant of een restaurant dat verbonden is aan de federale dienst is gevestigd en dit voor zover de toegang ertoe openstaat.
       Het bedrag van de dagelijkse vergoeding voor verblijfkosten is hetzelfde voor alle niveaus en bedraagt 10 euro.
       Als de aard zelf van de functie van het personeelslid regelmatige prestaties buiten de administratieve standplaats impliceert en in afwijking van de voorwaarde van de verplaatsing van minstens 6 uur en meer dan 25 kilometers kan de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde beslissen een maandelijkse forfaitaire vergoeding toe te kennen die gelijkstaat met een aantal keren de dagelijkse vergoeding (maximum 16 keer voor voltijdse prestaties). Er kan een aanvullende vergoeding worden toegekend om de internet- en telefoonkosten te dekken in de hierboven bedoelde gevallen op voorwaarde dat de woonplaats van het personeelslid werd vastgesteld als administratieve standplaats. De overheid preciseert hieromtrent naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State dat het wel degelijk de bedoeling is om twee voorwaarden samen te voegen, namelijk enerzijds een maandelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten krijgen en anderzijds zijn woonplaats als administratieve standplaats vastgelegd hebben. De tekst wordt aangepast om iedere dubbelzinnigheid weg te nemen.
       Het plafond van de vergoeding is geïnspireerd op de fiscale notie van "kosten eigen aan de werkgever". Het plafond bedraagt maximaal 3 keer het plafond van de vergoeding voor telewerk. De leidend ambtenaar ziet erop toe dat er geen dubbele toekenning plaatsvindt voor de kosten van internettoegang en de kosten van telefoongebruik. Zoals elke andere vergoeding, is deze vergoeding niet cumuleerbaar met elke andere vergoeding die dezelfde kosten dekt.
       Er is ook voorzien in een aanvullende vergoeding voor verblijfkosten als het personeelslid in het kader van de uitoefening van zijn functie buiten zijn woonplaats, en mits een voorwaarde van afstand, moet logeren en dat kosten voor hem teweegbrengt. Deze vergoeding mag dus niet worden toegekend als het personeelslid over gratis huisvesting beschikt of over huisvesting waarvan de kost gedragen wordt door de federale dienst. Het bedrag van de vergoeding is hetzelfde voor alle niveaus en bedraagt 75 euro per nacht.
       Wat de verplaatsingen in het buitenland betreft, worden de vergoedingen vastgelegd op basis van de vergoedingen bepaald voor de personeelsleden van de centrale administratie (categorie 1) van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken wanneer zij in het buitenland verblijven.
       Deze gemeenschappelijke reglementaire sokkel impliceert de opheffing van alle specifieke reglementeringen aangenomen door de departementen en die hetzelfde doel beogen. De personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit reizende ambtsbetrekkingen uitoefenen en een maandelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten of voor kosten wegens rondreizen genieten op basis van een opgeheven reglementering blijven echter het bedrag van deze vergoeding genieten als het bedrag van de maandelijkse forfaitaire vergoeding, dat door de leidend ambtenaar wordt vastgelegd, minder voordelig is.
       10) Vergoeding voor het gebruik van de fiets
       De definitie van een fiets wordt gewijzigd zodat het recht op de betaling van de vergoeding eveneens wordt opengesteld voor de personeelsleden die een elektrische fiets gebruiken, voor zover de maximale snelheid ervan niet hoger is dan 25 kilometer per uur.
       Het bedrag van de vergoeding is gelijk aan het bedrag dat vrijgesteld is van belasting en wordt jaarlijks door de fiscale administratie vastgesteld voor het gebruik van de fiets.
       11) Vergoeding voor telewerk
       De vergoeding is gelijk aan de kosten van verbindingen en communicaties, met een maximale maandelijkse limiet die is vastgesteld op 20 euro per maand.
       Deze limiet werd vastgesteld op grond van het maandelijkse fiscale forfait dat wordt toegepast in het kader van de terugbetalingen van kosten verbonden aan telewerk als het personeelslid een aftrek van 20 euro voor zijn persoonlijk internetgebruik kan krijgen.
       12) Specifieke toelage en vergoeding
       Er kan steeds een specifieke toelage gecreëerd en toegekend worden aan het personeelslid wegens verrichte prestaties die niet als normaal kunnen worden beschouwd vergeleken met de uitoefening van de functie, op voorwaarde echter dat deze prestaties niet gedekt zijn door een toelage gedefinieerd in dit ontwerp van koninklijk besluit.
       Er kan steeds een specifieke vergoeding gecreëerd en toegekend worden aan het personeelslid dat verplicht is om werkelijke kosten te dragen die niet als normaal kunnen worden beschouwd, op voorwaarde dat deze kosten niet gedekt worden door de vergoedingen gedefinieerd in dit ontwerp van koninklijk besluit.
       Deze toelagen en vergoedingen hebben betrekking op specifieke prestaties of onkosten verbonden aan activiteiten die eigen zijn aan verschillende federale diensten (zonder dat deze activiteiten of onkosten echter veralgemeend worden voor alle federale diensten) of aan hun federale dienst of een deel ervan.
       De nieuwe specifieke toelagen of specifieke vergoedingen worden aangenomen door de bevoegde Minister(s) met een een in de Ministerraad overlegd ministerieel besluit en worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Bovendien, met het oog op opvolging en transparantie, wordt een inventaris van verschillende betrokken ministeriële besluiten publiek ter beschikking gesteld en bijgewerkt bij elke publicatie van een nieuw ministerieel besluit.
       V. Naast deze voornaamste wijzigingen of vernieuwingen worden er technische verduidelijkingen aangebracht in de opstelling van de bepalingen betreffende de eindejaarstoelage, de taaltoelage en de toelage voor werk in opeenvolgende ploegen.
       Voor het overige bevatten de bepalingen betreffende de haard-/standplaatstoelage, de toelage voor wachtprestaties, de toelage voor onregelmatige prestaties, de compenserende toelage, de vergoeding voor verplaatsingskosten tussen de woonplaats en de werkplaats en de vergoeding wegens begrafeniskosten geen enkele inhoudelijke wijziging.
       Er moet worden opgemerkt dat de term "toelage wegens ontslag" de oude term "vergoeding wegens ontslag" vervangt zonder dat deze verandering, die vereist is door het feit dat dit beantwoordt aan de definitie van een toelage voor de toepassing van het geldelijke statuut, geen andere wijzigingen met zich meebrengt. De toelage wegens ontslag blijft het equivalent van een compenserende opzeggingsvergoeding.
       Tot slot wordt de projecttoelage gedefinieerd in het koninklijk besluit van 2 augustus 2007 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden belast met het ontwikkelen van projecten in sommige overheidsdiensten opgeheven. Er is echter voorzien in een overgangsbepaling voor de personeelsleden die deze toelage kregen bij de inwerkingtreding van dit ontwerp van koninklijk besluit, zodat zij de toelage kunnen behouden tot het project is afgelopen.
       VI. Naast de aangebrachte wijzigingen of vernieuwingen wat betreft bepaalde toelagen of vergoedingen moet er benadrukt worden dat het ontwerpbesluit delegaties aan de leidende ambtenaren of hun afgevaardigden bevat, waardoor hun verantwoordelijkheid wordt geaccentueerd. Deze delegaties vallen dus te verklaren doordat ze betrekking hebben op bijkomende maatregelen die een beperkte en technische reikwijdte hebben of die betrekking hebben op de organisatie van de dienst, zoals de bepalingen met betrekking tot :
       - de "modaliteiten voor het indienen van de aanvragen voor het verkrijgen van de in het ontwerp bedoelde vergoedingen (artikelen 66, eerste lid, 71, eerste lid, 79, eerste lid, 81, eerste lid)".
       De mogelijkheid voor de leidend ambtenaar om de modaliteiten te bepalen voor de aanvragen voor het verkrijgen van een vergoeding komt tegemoet aan de noodzakelijkheid van een goede organisatie van de dienst die hij leidt, met name door te voorzien in het gebruik van e-mail, een formulier, een termijn van orde, enz.;
       - het vaststellen van de "berekeningswijze van de afgelegde afstanden (artikel 73, vijfde lid, 84, § 4, 88, § 2, vierde lid)".
       Het bij het koninklijk besluit van 15 oktober 1969 ingestelde boek der wettelijke afstanden is niet langer het referentie-instrument voor de berekening van de afstanden rekening houdend met de evolutie van de technologieën die toegang geven tot betrouwbare en nauwkeuriger berekeningsinstrumenten voor de berekening van de afgelegde afstanden. De mogelijkheid voor de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde om het instrument voor het vaststellen van de afgelegde afstanden te kiezen betreft een bijkomende maatregel met een technische reikwijdte. In geval van betwisting daarenboven bepaalt het koninklijk besluit dat de afgelegde afstand door het Nationaal Geografisch Instituut berekend wordt op basis van de officiële middenschalige referentiegegevens;
       - de toekenning, in geval van regelmatige verplaatsingen buiten de administratieve standplaats, van een "maandelijkse forfaitaire vergoeding die gelijkstaat met een aantal keren de dagelijkse forfaitaire vergoeding toegekend voor de terugbetaling van de verblijfkosten (artikel 86)".
       De bevoegdheid van de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde beperkt zich in geval van regelmatige verplaatsingen buiten de administratieve standplaats tot het bepalen van de vermenigvuldiger van de dagelijkse forfaitaire vergoeding die in dit ontwerp van koninklijk besluit op 10 euro is vastgesteld. De regels rond het vaststellen van deze vermenigvuldiger zijn bepaald in dit ontwerp van koninklijk besluit, met als verplichtingen dat deze vermenigvuldiger dezelfde is voor alle personeelsleden van de federale dienst of een deel ervan dat dezelfde functie uitoefent en dat hij vastgesteld wordt op basis van het gemiddelde van de voltijdse prestaties die deze personeelsleden hebben verricht gedurende het voorgaande jaar. De aan de leidend ambtenaar toegekende delegatie is dus een maatregel met een louter technische reikwijdte die rekening houdt met de specificiteiten van een federale dienst of van een deel ervan.
       VII. Voor het overige werd er rekening gehouden met alle opmerkingen van de Raad van State. De artikelen in kwestie en de aanhef werden aangepast.
       Er werd echter geen rekening gehouden met de opmerkingen die werden geformuleerd :
       - met betrekking tot artikel 2 (punten 2 tot 4 en 6), daar deze definities reeds gebruikt worden in andere delen van het statuut van het rijkspersoneel, met name in het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt en in het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. Er moet derhalve een zekere coherentie en uniformiteit behouden blijven wat betreft het gebruik van de begrippen;
       - met betrekking tot artikel 19, daar dit begrip hetzelfde is als het begrip dat gebruikt wordt in het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen;
       - met betrekking tot artikel 46, daar dit artikel slechts geval per geval kan worden toegepast. Een voorbeeld is dat van de woordvoerder van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, van wie de functie vereist dat hij permanent bereikbaar is;
       - met betrekking tot artikel 51, daar de definitie, met inbegrip van de precisering betreffende de jobrotatie, die is die gebruikt wordt voor ploegenarbeid in de Europese richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd.
       De in artikel 123 voorziene afwijkende regeling tot slot valt te verklaren door het feit dat de bepaling, daar er cumulatie mogelijk was voor de inwerkingtreding van de nieuwe reglementering, dit voordeel behoudt voor de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen die bepaalde shifts uitvoeren.
       De toepassing van de bepalingen van dit besluit valt onder de volle verantwoordelijkheid van de leidende ambtenaren.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       Van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
       De Minister belast met Ambtenarenzaken,
       S. VANDEPUT
       
       ADVIES 61.562/4 VAN 15 JUNI 2017 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT `TOT VASTSTELLING VAN DE TOELAGEN EN VERGOEDINGEN VAN DE PERSONEELSLEDEN VAN HET FEDERAAL OPENBAAR AMBT'
       Op 19 mei 2017 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt'.
       Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 15 juni 2017.
       De kamer was samengesteld uit Pierre Liénardy, kamervoorzitter, Martine Baguet en Bernard Blero, staatsraden, en Anne-Catherine Van Geersdaele, griffier.
       Het verslag is uitgebracht door Marc Oswald en Florence Piret, auditeurs.
       De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Martine Baguet .
       Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 15 juni 2017.
       Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten `op de Raad van State', gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
       Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
       Voorafgaande opmerkingen
       1. Het verslag aan de Koning bevat de volgende uitleg over het doel dat met het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit nagestreefd wordt :
       "Het ontwerp van koninklijk besluit (...) kadert binnen de harmonisering en de vereenvoudiging van het statuut, daar het de verschillende koninklijke en ministeriële besluiten betreffende de toelagen en vergoedingen ten gunste van het rijkspersoneel of van bepaalde categorieën ervan opheft en in mindere mate wijzigt om alle bepalingen betreffende de toelagen en vergoedingen te bundelen.
       Het ontwerp streeft ernaar ambitieus te zijn, want de hele reglementering betreffende de toelagen en vergoedingen is gebundeld in één reglementaire tekst. Toch laat het de mogelijkheid om andere toelagen of vergoedingen te creëren voor een aantal specifieke functies.
       Dit ontwerp van koninklijk besluit vereenvoudigt de toelagen en vergoedingen in een aantal gevallen en moderniseert ze in een aantal andere gevallen, zoals de toelage voor de uitoefening van een hogere functie, het vakantiegeld, de vergoeding voor verblijfkosten of de vergoeding voor reiskosten.
       Het is vernieuwend omdat het een gemeenschappelijk reglementair kader creëert voor de betaling van de toelagen verbonden aan de opleidingsactiviteiten of de bijkomende prestaties."
       2. Het ontwerp van koninklijk besluit dat aan de afdeling Wetgeving voorgelegd is, strekt er dus toe de regels inzake toelagen en vergoedingen ten gunste van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt te vervangen door één enkele algemeen geldende regeling. Te dien einde worden bij het ontwerp eerst de gemeenschappelijke regels vastgesteld waarmee op algemene wijze bepaald kan worden welke toelagen en vergoedingen aan de leden van dat personeel toegekend zullen kunnen worden, hoeveel ze bedragen en onder welke voorwaarden ze toegekend worden, worden voorts de bestaande regels gewijzigd om ze aan te passen aan de nieuwe bepalingen en worden ten slotte de besluiten opgeheven die overbodig geworden zijn, terwijl in het ontwerp eveneens overgangsbepalingen opgenomen worden.
       Dat is inderdaad een omvangrijke taak. Gelet op het grote aantal koninklijke en ministeriële besluiten waarop het ontwerp betrekking heeft, blijkt het ook een complexe taak te zijn. Binnen de korte termijn die haar toegemeten was, is het voor de afdeling Wetgeving niet mogelijk geweest alle teksten te verifiëren : in bepaalde teksten zijn zeer veel wijzigingen aangebracht waardoor niet gegarandeerd kan worden dat de laatste versie waarnaar verwezen wordt de juiste is, andere teksten kunnen niet geverifieerd worden omdat ze niet in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt zijn.
       Bij het lezen van het voorliggende advies dient de steller van het ontwerp de teksten opnieuw of nog een laatste keer te verifiëren. Het komt er immers op aan zich er van te vergewissen wat de juiste laatste versie is en alleen wat de aangelegenheden betreft die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen. Wat dat verificatiewerk oplevert, zal de steller van het ontwerp er noodzakelijkerwijze toe brengen heel wat inleidende zinnen te herzien, aangezien zij zo nauwkeurig mogelijk opgesteld moeten worden, vooral wanneer het gaat om de volledige of gedeeltelijke wijziging van een artikel.
       Los van de hiernavolgende opmerkingen, wordt ook verwezen naar de wetgevingstechnische slotbepalingen enerzijds en naar de handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten anderzijds (1).
       3. In het verslag aan de Koning staat daarenboven dat het ontwerp van koninklijk besluit "[b]ehoudens uitzonderingen" van toepassing is op "alle personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken" waarna in grote lijnen uiteengezet wordt in welke wijzigingen en vernieuwingen het dispositief voorziet.
       Dat verslag aan de Koning is dermate beknopt dat de adressaten ervan daardoor geen duidelijk beeld kunnen krijgen van de exacte draagwijdte van de daarin vervatte wijzigingen en vernieuwingen. De steller van dit ontwerp, die aangeeft dat het, zoals trouwens in de nota aan de Ministerraad van 9 december 2016 gesteld wordt, "ernaar [streeft] ambitieus te zijn, [aangezien] de hele reglementering betreffende de toelagen en vergoedingen is gebundeld in één reglementaire tekst", moet evenwel nog verduidelijken welke gevolgen de nieuwe regeling zal hebben voor de situatie van de adressaten ervan : worden de toelagen en vergoedingen waarop ze thans recht hebben wat betreft het principe en de nadere regels ervan gehandhaafd, zo niet, waarin verschillen ze van hetgeen thans bepaald wordt, komt er een aanpassing van de bedragen die men toegekend krijgt en, indien dat inderdaad het geval is en ze neerwaarts aangepast worden, wordt dan door het ontwerp of door andere toekomstige regelingen voorzien in compensatiemechanismen? Er zou ook verduidelijkt moeten worden waarom de regeling ten gunste van bepaalde personeelscategorieën, inzonderheid de categorieën van het wetenschappelijk personeel van de wetenschappelijke instellingen, niet eveneens geharmoniseerd en vereenvoudigd wordt. Dat is des te noodzakelijker daar het weliswaar de bedoeling is dat het voorliggende ontwerp de enige regeling inzake toelagen en vergoedingen wordt voor de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, maar er op grond van artikel 126 ervan voor personeelsleden die niet in het ontwerp genoemd worden verschillende specifieke besluiten blijven bestaan, terwijl het voor de afdeling Wetgeving niet duidelijk is voor welke personeelsleden die besluiten van toepassing blijven, aangezien dat niet gepreciseerd wordt in het verslag aan de Koning. Het is niet zeker of de doelstelling inzake vereenvoudiging die door de steller nagestreefd wordt aldus gehaald wordt.
       Het verslag aan de Koning dient dan ook uitgebreid te worden op verschillende punten die in de bijzondere opmerkingen aangegeven zullen worden.
       4. Als logisch gevolg van algemene opmerking 2 die hierna gemaakt wordt, dient opgemerkt te worden dat, indien het, zoals blijkt uit de artikelen 38, 97 en 100 van het ontwerp, de bedoeling van de steller is om met betrekking tot bepaalde categorieën van personeelsleden te overwegen om naderhand koninklijke besluiten tot toekenning van specifieke toelagen vast te stellen, de Koning, in tegenstelling tot wat in de voornoemde bepalingen gesteld wordt, niet gemachtigd dient te worden om die besluiten vast te stellen, maar veeleer in het verslag aan de Koning verduidelijkt dient te worden aan welke categorieën of soorten van categorieën van personeelsleden de steller van het ontwerp dergelijke specifieke toelagen wil toekennen en welke bijzondere kenmerken de uitgeoefende functies moeten vertonen opdat die toelagen verantwoord zouden zijn. De steller van het ontwerp dient eventueel in datzelfde verslag aan de Koning te preciseren dat het zijn bedoeling is dat over die besluiten overleg gepleegd wordt in de Ministerraad, aangezien die voorwaarde daadwerkelijk een grotere garantie biedt dat de uit te vaardigen regels van algemene of zelfs overkoepelende aard zijn.
       Algemene opmerkingen
       1. Delegaties aan de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde
       Veel bepalingen van het ontwerp voorzien in delegaties aan de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde. In bepaalde gevallen heeft de delegatie betrekking op een verordenende bevoegdheid. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde is onder meer bevoegd om :
       - te bepalen op welke wijze de aanvragen voor het verkrijgen van de in het ontwerp bedoelde vergoedingen ingediend moeten worden (artikelen 66, eerste lid, 71, eerste lid, 80, eerste lid, 82, eerste lid);
       - te bepalen op welke wijze de afgelegde afstanden berekend dienen te worden (artikel 73, zesde lid, 85, § 4, 88, § 2, vierde lid);
       - in geval van regelmatige verplaatsingen buiten de administratieve standplaats, een maandelijkse forfaitaire vergoeding toe te kennen die overeenkomt met een aantal keren de dagelijkse forfaitaire vergoeding die toegekend wordt ter compensatie van de verblijfkosten, waarbij dat aantal identiek moet zijn voor alle personeelsleden die dezelfde functie uitoefenen binnen een federale dienst of een deel ervan (artikel 87, § 1);
       - aan de personeelsleden die zich regelmatig buiten de administratieve standplaats verplaatsen of van wie de woonplaats als administratieve standplaats vastgesteld werd een maandelijkse forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de kosten verbonden aan de kosten voor internettoegang en de kosten verbonden aan het telefoongebruik en om het bedrag van die vergoeding vast te stellen (artikel 87, § 2);
       - toelagen en vergoedingen toe te kennen aan personen die niet tot het federaal openbaar ambt behoren en die hun medewerking verlenen aan de opleiding en de voortgezette opleiding van de ambtenaren van de rijksbesturen en om het bedrag van die toelagen en vergoedingen vast te stellen (artikel 103).
       In principe kan niet aanvaard worden dat regelgevende bevoegdheid toegekend wordt aan een ambtenaar die geen politieke verantwoordelijkheid draagt ten aanzien van een democratisch verkozen vergadering, omdat aldus afbreuk gedaan wordt aan het beginsel van de eenheid van de verordenende macht en aan het beginsel van de politieke verantwoordelijkheid van de ministers. Een dergelijke delegatie kan alleen aanvaard worden wanneer het gaat om maatregelen met een beperkte en technische draagwijdte of wanneer de maatregelen betrekking hebben op de organisatie van de dienst (2). Het staat niet vast dat alle delegaties waarin de ontworpen bepalingen voorzien als dergelijke maatregelen beschouwd kunnen worden.
       De steller van het ontwerp dient hoe dan ook te verduidelijken waarom maatregelen die tot dan toe bij koninklijke of ministeriële besluiten vastgesteld waren dermate technisch geworden zijn dat ze voortaan door een ambtenaar vastgesteld dienen te worden en hij behoort zich ervan te vergewissen dat de delegaties die verleend worden alleen betrekking hebben op maatregelen van bijkomstige of detailmatige aard en geen enkele beleidskeuze inhouden.
       2. Specifieke toelagen en vergoedingen
       In de artikelen 38 tot 41 en 97 tot 100 machtigt de steller van het ontwerp de Koning om specifieke toelagen en vergoedingen vast te stellen.
       Die bepalingen zijn zinloos, aangezien de Koning zichzelf niet hoeft te machtigen om een door Hem vastgesteld besluit te wijzigen of aan te vullen.
       De artikelen 38 tot 41 en 97 tot 100 alsook artikel 125 behoren bijgevolg te vervallen en de bepalingen waarin naar die artikelen verwezen wordt behoren dienovereenkomstig herzien te worden.
       Bijzondere opmerkingen
       Aanhef
       1. In de aanhef dienen de teksten van intern recht en de artikelen die de rechtsgrond van het besluit vormen vermeld te worden vóór de teksten van intern recht die bij het besluit gewijzigd of opgeheven worden.
       2. In het tweede lid dient artikel 11, § 1, eerste lid, van de wet van 16 maart 1954 `betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut' als rechtsgrond vermeld te worden in plaats van artikel 11, § 1, tweede lid.
       3. In het derde lid behoort artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 `houdende bepaalde maatregelen in ambtenarenzaken' niet als rechtsgrond van het ontwerpbesluit vermeld te worden, aangezien bij het ontwerpbesluit geen uitvoering gegeven wordt aan die wetsbepaling en zij geen enkele machtiging bevat. Met betrekking tot de contractuele personeelsleden behoort artikel 4, § 2, 1°, van de wet van 22 juli 1993 daarentegen wel als rechtsgrond vermeld te worden.
       4. In het vierde lid dient artikel 8, § 3, tweede lid (3), van de wet van 14 december 2000 `tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector' als rechtsgrond vermeld te worden.
       5. Artikel 21, § 1, van het koninklijk besluit van 3 april 1997 `houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels', bekrachtigd bij de wet van 12 december 1997, waarvan melding gemaakt wordt in het tweeëntwintigste lid, behoort bij wijze van rechtsgrond, in een nieuw derde lid vermeld te worden (4).
       6. Van de volgende teksten dient als op te heffen regelingen melding gemaakt te worden :
       - het koninklijk besluit van 30 juni 1988 `betreffende de toekenning van forfaitaire vergoedingen voor verblijfkosten aan het personeel van de inspectie van de Dienst voor Administratieve Controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering' (dat bij artikel 120, 5°, van het ontwerp opgeheven wordt);
       - het koninklijk besluit van 11 oktober 1997 `betreffende de toekenning van een vergoeding voor toegangskosten tot het internet aan sommige personeelsleden van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering' (dat bij artikel 120, 9°, van het ontwerp opgeheven wordt);
       - het koninklijk besluit van 21 december 2013 `betreffende de berekening van de kilometervergoeding, voor de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Financiën, voor de dienstreizen waarbij de woonplaats van het personeelslid het vertrek- en/of eindpunt is' (dat bij artikel 120, 19°, van het ontwerp opgeheven wordt).
       7. In het zevenentwintigste lid behoort melding gemaakt te worden van het koninklijk besluit van 22 november 2006 `betreffende het telewerk en het satellietwerk in het federaal administratief openbaar ambt' zoals dat opschrift gewijzigd is bij het koninklijk besluit van 9 maart 2017.
       8. Tot slot dient het ministerieel besluit van 9 januari 1975 `vervangend het ministerieel besluit van 9 april 1957 tot bepaling van het bedrag van de vergoedingen, welke dienen toegekend aan de ambtenaren en beambten, belast met het geven van cursussen en voordrachten voor het personeel der strafinrichtingen' weggelaten te worden uit de aanhef. Die tekst wordt niet opgeheven of gewijzigd bij de ontworpen bepalingen.
       Dispositief
       Artikel 1
       Artikel 1 bepaalt het toepassingsgebied van het ontworpen koninklijk besluit.
       Luidens paragraaf 1 is het ontworpen besluit niet van toepassing op het wetenschappelijk personeel van de wetenschappelijke instellingen. Die uitsluiting druist in tegen artikel 52, § 1, van het koninklijk besluit van 25 februari 2008 `tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen', welk artikel als volgt luidt : "Onverminderd de bepalingen van onderhavig statuut, zijn de wetenschappelijke personeelsleden waarop deze van toepassing zijn, onderworpen aan de voorschriften die gelden voor het rijkspersoneel wat betreft : (...) de toelagen, vergoedingen en premies van interdepartementele aard met uitzondering van de premie voor competentieontwikkeling". Die uitsluiting doet hoe dan ook de vraag rijzen of dat geen verschil in behandeling meebrengt dat in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
       Voorts dient in het verslag aan de Koning gepreciseerd te worden om welke objectieve redenen de in paragraaf 3 van het ontwerp bedoelde personeelsleden uitgesloten worden van de wachttoelagen, de toelagen voor onregelmatige prestaties en de toelagen voor werk in opeenvolgende ploegen. Het is raadzaam om in het verslag aan de Koning melding te maken van de regelingen die in dergelijke toelagen voorzien en die reeds voor hen zouden gelden (5).
       Wat de toekenning van de taaltoelage betreft, wordt in paragraaf 4 het toepassingsgebied van het ontworpen besluit uitgebreid tot "de leden van de beleidscellen, van de cel Algemene Beleidscoördinatie, van de cellen Algemeen Beleid en van de secretariaten van de ministers en van de Staatssecretarissen". Die leden zouden derhalve niet beschouwd worden als "personeelsleden van het federaal openbaar ambt" in de zin van paragraaf 1 van artikel 1. In artikel 2, 7°, wordt het "personeelslid" weliswaar gedefinieerd als "elke werknemer in een federale dienst", wat strekt tot de uitsluiting van de leden van de voornoemde cellen en secretariaten. Naar luid van artikel 10, § 1, van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 (6) kunnen die personen evenwel "tot het federaal (...) openbaar ambt [behoren]" en in die hoedanigheid bepaalde in de ontworpen bepalingen bedoelde toelagen of vergoedingen ontvangen, zoals "het vakantiegeld en de eindejaarstoelage".
       Als het de bedoeling van de steller van het ontwerp is om die personen van het toepassingsgebied van de ontworpen tekst uit te sluiten, dient dit uitdrukkelijk vermeld te worden en dient nagegaan te worden of er, na de inwerkingtreding van het ontworpen besluit, nog een reglementaire grondslag is waarop zij zich kunnen beroepen om de toelagen en de vergoedingen te verkrijgen die zij tot dan toe ontvingen.
       Als het de bedoeling is om de leden van de voornoemde cellen en secretariaten die "tot het federaal openbaar ambt [behoren]" niet uit te sluiten, is het raadzaam paragraaf 4 te vervangen door de volgende tekst :
       "In afwijking van paragraaf 1 zijn de bepalingen van titel II betreffende de taaltoelage eveneens van toepassing op de leden van de beleidscellen, van de cel Algemene Beleidscoördinatie, van de cellen Algemeen Beleid en van de secretariaten van de ministers en van de Staatssecretarissen die niet tot het federaal openbaar ambt behoren."
       Bovendien behoort in artikel 2, 7°, de definitie van het "personeelslid" als volgt gewijzigd te worden :
       "personeelslid : elke werknemer die tot een federale dienst behoort".
       Artikel 2
       1. In de definitie in de bepaling onder 1° van het eerste lid wordt geen melding gemaakt van de federale instellingen die bedoeld worden in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 `betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut' maar die niet bedoeld worden in artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 `houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken'.
       Dienaangaande heeft de gemachtigde het volgende laten weten :
       "Les organismes d'intérêt public fédéraux sont seulement ceux visés à l'article 1er, 3°, van de wet van 22 juillet 1993 car c'est seulement ceux-là qui suivent la règlementation applicable aux agents de l'Etat (AR du 2 octobre 1937 dit Arrêté Camu et tout le reste).
       L'énumération prévue dans l'article 1er van de wet van 16 maart 1954 est beaucoup plus large. Si on s'y référait, on reprendrait donc des organismes qui ne sont pas soumis au statut des agents de l'Etat.
       Pour information, la définition du `service fédéral' est identique à celle que nous avons déjà utilisée dans d'autres arrêtés (par exemple l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des personeelsleden de la fonction publique fédérale ou l'arrêté royal du 24 septembre 2013 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale)".
       Die uitleg behoort te worden opgenomen in het verslag aan de Koning.
       2. De definitie in de bepaling onder 3° van het eerste lid is overbodig. Naast het feit dat ze niet duidelijk genoeg is, heeft ze betrekking op een begrip dat ofwel verkeerd is gebruikt in het dispositief van het ontwerp, ofwel alleen is opgenomen in de opschriften van koninklijke besluiten waarnaar in dat dispositief wordt verwezen.
       3. De definitie in de bepaling onder 6° van het eerste lid dient te worden weggelaten aangezien ze overeenstemt met de gebruikelijke betekenis van het woord.
       4. Zoals de inspecteur van Financiën opmerkt, dekt de definitie van leidend ambtenaar in de bepaling onder 12° van het eerste lid niet exact alle bestaande situaties. De definitie moet aldus worden aangevuld dat zij, in voorkomend geval, toepasbaar is op diensten die ressorteren onder de federale overheidsdiensten, zoals de administratieve diensten met boekhoudkundige autonomie.
       5. In de Franse tekst van de bepaling onder 16° van het eerste lid moet het begrip "horaire de travail" worden gehanteerd in plaats van het begrip "calendrier de travail".
       Dezelfde opmerking geldt voor het vervolg van het ontwerp.
       6. De definitie in de bepaling onder 19° van het eerste lid mag worden weggelaten aangezien ze overeenstemt met de gebruikelijke betekenis van het woord.
       7. In de bepaling onder 24° van het eerste lid is er een verschil tussen de Franse en de Nederlandse tekst. In het Frans schrijve men "exerce principalement sa fonction".
       8. In het tweede lid moet, met betrekking tot het begrip "personeelslid", uitsluitend worden verwezen naar de bepalingen onder 7°, 8° en 10° van het eerste lid.
       Artikel 4
       De precisering in het derde lid spreekt vanzelf en moet worden weggelaten.
       Artikel 7
       Het door elkaar gebruiken van de woorden "onderbreking", "schorsing" "gedragen lasten" is dubbelzinnig en zorgt ervoor dat de strekking en zelfs de betekenis van de bepaling niet duidelijk is; de bepaling dient derhalve te worden herzien.
       Artikel 10
       Na de woorden "voor dezelfde prestaties" moeten de woorden "of kosten" worden ingevoegd.
       Artikel 11
       Paragraaf 1 verwijst naar de "hoofdstukken II en III van titel III" wat de reis- en verblijfkosten betreft. Die vergoedingen worden evenwel geregeld in de hoofdstukken II en IV.
       Artikel 12
       De verwijzing naar de "wet van 27 november 1969" dient te worden vervangen door een verwijzing naar de "wet van 27 juni 1969".
       Artikel 14
       In het eerste lid van paragraaf 1 zou het begrip premie voor competentieontwikkeling moeten worden gedefinieerd of zou ten minste moeten worden verwezen naar de bepalingen waarbij die premie wordt ingevoerd, te weten artikel 36ter, § 1 tot § 3 en § 5 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 `tot vaststelling van de weddeschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden' alsook artikel 36, § 1, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 `betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt'.
       Dezelfde opmerking geldt voor artikel 17, § 2, derde lid.
       Artikel 19
       In het tweede lid kunnen de woorden "van hetzelfde of van een ander geslacht" worden weggelaten.
       Artikel 23
       Het verdient aanbeveling de bepaling aldus te stellen dat daarin wordt voorzien in de nadere regels voor de aanvraag en de toekenning van de directietoelage, die niet automatisch wordt verleend.
       Dezelfde opmerking geldt voor artikel 37, dat betrekking heeft op de toekenning van de toelage voor een opleidingsactiviteit.
       Artikel 26
       In paragraaf 1 is sprake van "kalenderdagen". Aangezien dat begrip in juridisch opzicht nergens duidelijk omschreven wordt en gelet op de definities die worden gegeven in artikel 2, 15°, 16° en 17°, schrijve men hier eenvoudigweg "dagen".
       Artikel 46
       In het verslag aan de Koning moet worden gepreciseerd welke categorieën van personeelsleden worden bedoeld : de bepaling is immers dermate ruim opgevat dat ze de strekking van de afdeling (en niet het hoofdstuk) tot invoering van de wachtvergoeding volledig teniet zou kunnen doen.
       Artikel 47
       Het is verkieselijk in de Franse tekst het woord "normal" te hanteren in plaats van "ordinaire" als het gaat om een werkrooster.
       Hetzelfde geldt voor de artikelen 48 tot 50 van het ontwerp.
       De verwijzing in artikel 47, vijfde lid, 1°, naar de artikelen 45 en 46 lijkt foutief. Gaat het er in werkelijkheid niet om de personeelsleden met een actieve of passieve wachtdienst uit te sluiten, en zou bijgevolg niet moeten worden verwezen naar de artikelen 42 en 43?
       Artikel 48
       De woorden "behoudens uitdrukkelijk andersluidende beslissing" kunnen beter worden vervangen door de woorden "behoudens een beslissing in omgekeerde zin", aangezien die beslissing moet worden gemotiveerd en, uit dat oogpunt, uitdrukkelijk de toegekende afwijking moet bevatten, die overigens moet stroken met het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie.
       Artikel 51
       De afdeling Wetgeving begrijpt niet waarom wordt gepreciseerd "ook bij toerbeurt". In het verslag aan de Koning moet dat begrip concreter worden toegelicht, in voorkomend geval aan de hand van een voorbeeld.
       Artikel 53
       Er is geen reden om in het tweede lid het cursief te gebruiken.
       Artikel 63
       De vraag rijst ook waarom het begrip "werkplaats" wordt gebruikt, dat niet wordt gedefinieerd in het ontwerp, in plaats van "administratieve standplaats", dat wél wordt gedefinieerd, namelijk in artikel 2, eerste lid, 24°, van het ontwerp.
       Hoewel het er in casu op lijkt dat de occasionele "werkplaats" (een werkvergadering op een andere plaats dan de administratieve standplaats of de "plaats van de dienstprestaties", zoals gepreciseerd in artikel 73, zesde lid) het gebruik van dat woord kan rechtvaardigen, zou het, ter wille van de volledigheid, verkieselijk zijn het te definiëren in artikel 2 van het ontwerp. In artikel 11, § 2, van het ontwerp is er overigens sprake van een geval dat aanleunt bij wat wordt beoogd in de artikelen 63 en 73, zesde lid, van het ontwerp, maar er wordt nergens voorzien in enige samenhang tussen die verschillende bepalingen.
       Dezelfde opmerking geldt voor het vervolg van het ontwerp, telkens wanneer het woord "werkplaats" wordt gebruikt zonder dat daarmee een relevant onderscheid lijkt te worden gemaakt met het begrip "administratieve standplaats".
       Voorts wordt het begrip "woonplaats", in de zin van privéverblijfplaats of persoonlijke verblijfplaats, te weten de verblijfplaats van het personeelslid, gebruikt om het vertrek- en het eindpunt van dat personeelslid te bepalen voor de toekenning van de vergoeding voor verplaatsingskosten. In ieder geval moet in de Nederlandse tekst het woord "woonplaats" vervangen worden door het woord "verblijfplaats". Hetzelfde begrip wordt in artikel 73 eveneens gehanteerd voor de toekenning van de reiskosten. Zou het niet verkieselijk zijn dat het personeelslid, in verband met alle bepalingen met betrekking tot de verplaatsings- en reiskosten, de keuze van die verblijfplaats maakt?
       Artikel 65
       Deze bepaling voorziet in de gevallen waarin het gratis gebruik van het openbaar vervoer (artikel 63) kan worden gecumuleerd met "een tussenkomst [...] voor het gebruik van een persoonlijk vervoermiddel". Dat laatste begrip is overgenomen uit het koninklijk besluit van 3 mei 2007 (7), terwijl in artikel 64 van het ontwerp de voorkeur wordt gegeven aan de term "compenserende vergoeding", waarvan in dat artikel het bedrag wordt vastgesteld.
       Om verwarring te voorkomen en duidelijk te maken dat het gaat om dezelfde vergoeding als die bedoeld in artikel 64, zou in artikel 65 de term "compenserende vergoeding" moeten worden gebruikt en moeten worden verwezen naar artikel 64, dat het bedrag van die vergoeding vaststelt.
       Artikel 66
       1. In de eerste zin van het eerste lid behoren de woorden "het betrokken personeelslid" te worden vervangen door "het personeelslid".
       2. Ter wille van de begrijpelijkheid schrijve men in de laatste zin van het eerste lid :
       "Onverminderd artikel 6 vermeldt de aanvraag de reisweg tussen de woonplaats en de werkplaats, de redenen waarom het openbaar vervoer niet kan worden gebruikt en de data van de verplaatsingen."
       De afdeling Wetgeving vraagt zich eveneens af of in de bepaling ook niet het begrip "verplaatsingstijd" moet worden ingevoegd.
       Artikel 67
       De afdeling Wetgeving heeft vragen bij het gebruik van de woorden "eigen vervoermiddel" in artikel 67, "eigen motorvoertuig" in artikel 69, "eigen voertuig" in de artikelen 71, 73, 76 en 78 en in de Nederlandse tekst "persoonlijk voertuig" in het opschrift van afdeling 3. Als het slaat op hetzelfde geval, moet een eenvormige terminologie worden gebruikt, waarbij de voorkeur uitgaat naar "eigen voertuig"; daarbij moet de eerste keer dat dit begrip in die zin wordt gebruikt, de definitie worden gegeven die thans in artikel 73, tweede lid staat.
       Voorts wordt de aandacht van de steller gevestigd op het feit dat er meer en meer formules voor autodelen bestaan. In ieder geval moet de steller van het ontwerp een eenvormige terminologie hanteren.
       Artikel 68
       Ter wille van de samenhang moeten de woorden "tijdens de uitoefening van zijn functie" worden vervangen door de woorden "naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie", welke de formulering is die wordt gebruikt in artikel 5 (algemene principes) om het begrip "vergoeding" te definiëren.
       Dezelfde opmerking geldt voor het vervolg van het ontwerp.
       Artikel 69
       In de bepaling onder 2° moet, naar het voorbeeld van wat in artikel 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 `houdende algemene regeling inzake reiskosten' staat (8), worden gepreciseerd dat de toelating voor een verplaatsing algemeen kan zijn wanneer de aard zelf van de functie van het personeelslid regelmatige verplaatsingen impliceert. Er is overigens in het ontworpen besluit uitdrukkelijk voorzien in het geval van "regelmatige verplaatsingen" :
       - artikel 72, tweede lid, bepaalt dat de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde een abonnement kan toekennen aan het personeelslid dat meerdere keren per week verplaatsingen moet doen voor de behoeften van de dienst;
       - artikel 73, derde lid, bepaalt dat de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde een vergoeding kan toekennen voor het gebruik van het eigen voertuig, zelfs als die verplaatsingen plaatsvinden binnen de agglomeratie/gemeente van de administratieve standplaats, wanneer het personeelslid zich regelmatig moet verplaatsen.
       Artikel 70
       Ter wille van de samenhang en de vereenvoudiging moeten de woorden "kosten verbonden aan de verplaatsingen voor de behoeften van de dienst" worden vervangen door de uitdrukking "reiskosten". In de artikelen 68 en 69 wordt reeds verduidelijkt dat het gaat om de kosten verbonden aan de verplaatsingen voor de behoeften van de dienst.
       Dezelfde opmerking geldt voor het vervolg van het ontwerp.
       Bovendien rijst de vraag hoe de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde tegemoet moet komen aan de in de bepaling opgenomen verplichting; de steller van het ontwerp dient zijn bedoeling dienaangaande toe te lichten in het verslag aan de koning.
       Artikel 71
       1. Het tweede lid bepaalt "Onverminderd artikel 6 vermeldt de aanvraag voor het verkrijgen van de vergoeding de datum van de verplaatsing, de reden van de verplaatsing en de reisweg.".
       Die bepaling lijkt weinig afgestemd op het geval van het personeelslid dat regelmatig verplaatsingen doet voor de behoeften van de dienst (geval waarmee rekening is gehouden in de artikelen 72, tweede lid, en 73, derde lid, van het ontwerp).
       Dezelfde opmerking geldt voor het vervolg van het ontwerp.
       2. Het vierde lid is een herhaling van de inhoud van het eerste lid en dient te worden weggelaten.
       Artikel 72
       1. Ter wille van de samenhang dienen in het eerste en het derde lid respectievelijk de woorden "vervoerskosten" en "verplaatsingskosten" te worden vervangen door de term "reiskosten".
       Dezelfde opmerking geldt voor het artikel 73, eerste lid.
       2. In het derde lid van de Franse tekst dienen de woorden "personne avec un handicap" te worden vervangen door de woorden "personne handicapée", wat het begrip is dat wordt gedefinieerd in artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 (9) waarnaar wordt verwezen in de bepaling in kwestie.
       Artikel 75
       De steller van het ontwerp dient er op toe te zien dat hij in het verslag aan de Koning rechtvaardigt dat de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde de terugbetaling kan weigeren van onkosten verbonden aan het gebruik van het eigen voertuig "als het openbaar vervoer volstaat om de aan het personeelslid toevertrouwde opdrachten doeltreffend uit te voeren", terwijl voor dat gebruik uitdrukkelijk voorafgaandelijk toestemming is verleend (artikel 73, vijfde lid).
       De verwijzing naar artikel 11, § 2, is onbegrijpelijk.
       Artikel 87
       1. Gelet op de uitleg die de gemachtigde over de strekking van het betreffende dispositief gegeven heeft, moet paragraaf 2 herschreven worden :
       "a) [L'indemnité forfaitaire pour les coûts liés aux frais d'accès à internet et les frais liés à l'usage du téléphone] est accordée indépendamment de l'octroi d'une indemnité forfaitaire mensuelle de séjour accordée en vertu du paragraphe 1er. Si la version FR nous semble claire (`Dans les cas visés au paragraphe 1er, ainsi que lorsque la résidence administrative a été fixée à la résidence du membre du personnel...'), la version NL prête effectivement à confusion puisqu'elle donne l'impression de devoir cumuler les 2 hypothèses. Nous allons revoir la traduction afin de supprimer toute ambiguïté.
       b) Le montant ne peut pas se cumuler avec le montant prévu avec l'article 96. Dans tous les cas, l'article 10 du projet doit pouvoir s'appliquer (Art. 10. Le bénéfice des allocations et indemnités du présent arrêté n'est pas cumulable avec le bénéfice de tout autre avantage ou indemnité pour les mêmes prestations).
       c) Le montant supérieur à celui fixé à l'article 96 se justifie par le fait qu'en exerçant une fonction itinérante ou en ayant sa résidence administrative fixée à sa résidence, le membre du personnel est amené à devoir utiliser beaucoup plus fréquemment son téléphone et sa connexion internet à des fins professionnelles. Nous ne pouvons fournir aucune explication technique sur le montant 3 fois supérieur à celui fixé à l'article 96, la fixation de ce montant résultant d'une décision du cabinet. Nous lirons attentivement la remarque du Conseil d'Etat sur ce point."
       In tegenstelling tot wat de gemachtigde beweert, moet ook de Franse versie van de tekst gewijzigd worden, in zoverre daarin sprake is van een vergoeding die een `aanvulling' is op de maandelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten waarin artikel 87, § 1, voorziet.
       Om duidelijk te maken dat de forfaitaire vergoeding voor de kosten verbonden aan de kosten voor internettoegang en de kosten verbonden aan het telefoongebruik, zoals door de gemachtigde gesteld wordt, een vergoeding is die losstaat van de vergoeding toegekend krachtens artikel 87, § 1, moet de inhoud van paragraaf 2 overgenomen worden in een afzonderlijk artikel dat als volgt zou kunnen worden gesteld :
       "In het geval bedoeld in artikel 87 of indien met toepassing van artikel 11, § 1, bepaald is dat de verblijfplaats van het personeelslid geldt als administratieve standplaats, kan de leidinggevend ambtenaar beslissen om een maandelijkse forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de kosten verbonden aan de kosten voor internettoegang en de kosten verbonden aan het telefoongebruik.
       Het bedrag van die vergoeding, dat wordt vastgesteld door de leidend ambtenaar, mag niet meer bedragen dan drie keer het bedrag bepaald in artikel 96, tweede lid."
       2. Ter wille van de transparantie en opdat het dispositief correct wordt begrepen door de adressaten van het besluit moet in het verslag aan de Koning voorts uitgelegd worden welke gegevens de steller van het ontwerp ertoe gebracht hebben om te bepalen dat de forfaitaire vergoeding maximaal "3 keer het bedrag bepaald in artikel 96, tweede lid" mag bedragen.
       Een soortgelijke opmerking geldt voor het bedrag van 20 euro per maand dat luidens artikel 96 van het ontwerp het maximumbedrag is van de vergoeding voor telewerkkosten.
       Artikel 88
       In paragraaf 2, 2°, moeten de woorden "federale overheidsdienst" vervangen worden door de uitdrukking "federale dienst" die gedefinieerd wordt in artikel 2, 1°, van het ontwerp.
       Artikel 89
       Wat de forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten in het buitenland betreft, verwijst het ontwerp naar "de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de afgevaardigden en ambtenaren die afhangen van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking." Die reglementaire bepalingen staan thans in het ministerieel besluit van 29 maart 2016 (10) dat genomen is ter uitvoering van een besluit van de Regent van 29 april 1948 `waarbij aan de Minister van Buitenlandse Zaken volmacht werd verleend, vergoedingen toe te kennen aan de agenten die hun functies in België of in het buitenland uitoefenen, als vereffening voor de buitengewone lasten die zij dragen in het belang van de dienst of van de nationale handel'.
       Indien het in de bedoeling van de steller van het ontwerp ligt om de vergoeding voor verblijfkosten in het buitenland uit te werken naar het voorbeeld van de vergoeding waarin het ministerieel besluit van 29 maart 2016 voorziet, zou moeten worden vermeld dat de forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten in het buitenland ook toegekend wordt aan het personeelslid dat zitting heeft in internationale commissies. Van dat geval is alleen sprake in artikel 91, eerste lid, van het ontwerp, dat betrekking heeft op de aanvullende vergoeding om de huisvestingskosten te dekken.
       Artikel 89 zou dan ook als volgt kunnen worden gesteld :
       "Art. 89. Er wordt een forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten toegekend aan het personeelslid dat door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde belast is met een dienstopdracht in het buitenland of dat zitting heeft in internationale commissies."
       Artikel 90
       1. Ter wille van de duidelijkheid en de samenhang zou het beter zijn om in de Franse tekst van het eerste en het derde lid te schrijven "aux représentants et aux fonctionnaires dépendant du Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement". Dat zijn immers de exacte bewoordingen die gebruikt zijn in het ministerieel besluit van 29 maart 2016 en in de eerdere regelingen die over hetzelfde onderwerp handelen (11). De Nederlandse versie van de tekst neemt wel de exacte bewoordingen van het voornoemde ministerieel besluit over.
       2. Voorts verdient het aanbeveling om in de Franse tekst van het derde lid, overeenkomstig de Nederlandse tekst, het woord "révision" te gebruiken in plaats van het woord "réactualisation".
       Dezelfde opmerking geldt voor artikel 91, vierde lid, van het ontwerp.
       3. In het vierde lid moeten de woorden "federale overheidsdienst" vervangen worden door de uitdrukking "federale dienst" die gedefinieerd wordt in artikel 2, 1°, van het ontwerp.
       Artikel 91
       In de Franse tekst van het tweede en het vierde lid moeten de woorden "délégué" en "délégués et agents" om de reeds eerder uiteengezette redenen vervangen worden door de woorden "représentants et fonctionnaires" (zie de opmerking die hierboven is gemaakt bij artikel 90).
       Artikelen 102 tot 104
       De prestaties tot regeling waarvan de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 oktober 1964 `tot vaststelling van de bezoldiging van hen die hun medewerking verlenen voor de opleiding en de voortgezette opleiding van het Rijkspersoneel' strekken, zijn opdrachten voor diensten die vallen onder de wet- en regelgeving inzake overheidsopdrachten (12).
       Artikel 106
       De federale regering is niet bevoegd om het statuut vast te stellen van de provinciegouverneurs, de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, de gouverneur of de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. Krachtens artikel 6, § 1, VIII, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 `tot hervorming der instellingen' zijn alleen de gewesten bevoegd inzake de organieke wetgeving betreffende de plaatselijke besturen (13).
       Het ministerie van Landsverdediging staat niet meer onder leiding van een "secretaris-generaal".
       Het toegestane maximum waarvan sprake is in het ontworpen artikel 16, derde lid, wordt niet vastgesteld bij het ontworpen besluit.
       Artikel 109
       Wat de bepaling onder 1° betreft, moet de steller van het ontwerp nagaan of de te vervangen woorden correct aangehaald worden.
       Artikel 113
       Het koninklijk besluit van 22 november 2006 moet worden vermeld met het correcte opschrift, d.i. `betreffende het telewerk en satellietwerk in het federaal administratief openbaar ambt'.
       Artikel 114
       Er moet worden gepreciseerd dat de wijzigingen aangebracht worden in het eerste lid van artikel 1.
       Artikel 115
       Wat de uitdrukking "personeelslid" betreft, hoeft alleen verwezen te worden naar de punten 6°, 7° en 9°, van het eerste lid van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 `betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt', aangezien dat de enige punten zijn waarin die uitdrukking voorkomt.
       Artikel 116
       In het ontworpen artikel 36 moet verwezen worden naar de bepalingen van het koninklijk besluit `tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt' op grond waarvan de toelage wegens ontslag berekend kan worden.
       Artikel 117
       Voor de uitdrukking "personeelslid" hoeft alleen verwezen te worden naar de punten 5°, 6° en 8°, van het eerste lid van artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 `betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt', aangezien dat de enige punten zijn waarin die uitdrukking voorkomt.
       Artikel 120
       De steller van het ontwerp moet nagaan of met het ontwerp gezorgd wordt voor de noodzakelijke samenhang met de overige geldende regelingen, inzonderheid wat het grote aantal bepalingen betreft dat opgeheven wordt. Er dient meer bepaald geregeld te worden welk gevolg gegeven moet worden aan de bepalingen van nog steeds geldende regelingen die zouden verwijzen naar de koninklijke en ministeriële besluiten die bij het voorliggende ontwerp opgeheven worden.
       Artikel 121
       In het verslag aan de Koning staat het volgende te lezen :
       `Er is voorzien in een overgangsbepaling voor de personeelsleden die een directiepremie kregen voor de inwerkingtreding van dit ontwerpbesluit, waardoor ze hun premie kunnen behouden onder de vroegere reglementaire voorwaarden. Het bedrag van de toelage van de personeelsleden [van niveau D] wordt echter eveneens op 1.000 EUR vastgelegd.'
       Het gaat er niet zozeer om dat de toepassing van de vroegere regels voor die personeelsleden gehandhaafd wordt, maar wel dat ze het bedrag van de toelage die ze thans genieten, kunnen blijven ontvangen.
       Dat soort bepaling heeft bijgevolg meer weg van een vrijwaringsclausule dan van een overgangsbepaling.
       Ter wille van de duidelijkheid zou gepreciseerd moeten worden dat de betrokken personeelsleden het `bedrag' van hun toelage blijven genieten. Er zou ook vermeld moeten worden of die toelage onder een indexeringsregeling valt, ongeacht of dat zo is volgens de vroegere regeling dan wel volgens de nieuwe regeling.
       Artikel 122
       In het verslag aan de Koning staat het volgende te lezen :
       "Tot slot wordt de projecttoelage gedefinieerd in het koninklijk besluit van 2 augustus 2007 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden belast met het ontwikkelen van projecten in sommige overheidsdiensten opgeheven. Er is echter voorzien in een overgangsbepaling voor de personeelsleden die deze toelage kregen bij de inwerkingtreding van dit ontwerp van koninklijk besluit, zodat zij de toelage kunnen behouden tot het project is afgelopen."
       Het gaat er niet zozeer om dat de toepassing van de vroegere regels voor die personeelsleden gehandhaafd wordt, maar wel dat ze het bedrag van de toelage die ze thans genieten, kunnen blijven ontvangen.
       Dat soort bepaling heeft bijgevolg meer weg van een vrijwaringsclausule dan van een overgangsbepaling.
       Ter wille van de duidelijkheid zou gepreciseerd moeten worden dat de betrokken personeelsleden hun toelage blijven genieten. Er zou ook vermeld moeten worden of die toelage onder een indexeringsregeling valt.
       Artikel 124
       De koninklijke en ministeriële besluiten die in deze bepaling vermeld worden, hebben niet allemaal betrekking op personeelsleden die reizende functies uitoefenen en een maandelijkse forfaitaire vergoeding genieten (14).
       Indien het de bedoeling van de steller van het ontwerp is om de werkingssfeer van de overgangsbepaling te beperken tot de personeelsleden die reizende functies uitoefenen, zou dat begrip gedefinieerd moeten worden.
       In het verslag aan de Koning staat het volgende te lezen :
       "Deze gemeenschappelijke reglementaire sokkel (15) houdt in dat alle specifieke reglementeringen aangenomen door de departementen en die hetzelfde doel beogen opgeheven worden. De personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit reizende ambtsbetrekkingen uitoefenen en een maandelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten of voor kosten wegens rondreizen genieten, op basis van een opgeheven reglementering, blijven echter het bedrag van deze vergoeding genieten als het bedrag van [de] maandelijkse forfaitaire vergoeding, die door de leidend ambtenaar wordt vastgelegd, minder voordelig is."
       Het gaat er niet zozeer om dat de toepassing van de vroegere regels voor die personeelsleden gehandhaafd wordt, maar wel dat ze het bedrag van de vergoeding die ze thans genieten, kunnen blijven ontvangen.
       Dat soort bepaling heeft bijgevolg meer weg van een vrijwaringsclausule dan van een overgangsbepaling.
       Ter wille van de duidelijkheid zou gepreciseerd moeten worden dat de betrokken personeelsleden het "bedrag" van hun vergoeding blijven genieten. Er zou ook vermeld moeten worden of die vergoeding valt onder een indexeringsregeling, ongeacht of dat zo is volgens de vroegere regeling dan wel volgens de nieuwe regeling.
       Artikel 126
       De steller van het ontwerp wordt verzocht om een verantwoording te geven voor de afwijkende regeling die hij met deze bepaling invoert.
       Artikel 127
       Deze bepaling kan niet gekwalificeerd worden als overgangsbepaling, maar vormt een wijzigingsbepaling. Ze wijzigt andere verordeningen om de personeelsleden bedoeld in artikel 1 van het ontwerp uit te sluiten van de werkingssfeer daarvan. Ter wille van de rechtszekerheid moet elk van die koninklijke en ministeriële besluiten rechtstreeks gewijzigd worden.
       De woorden "in dit besluit bedoelde" in de inleidende zin zijn bovendien overbodig, aangezien het begrip "personeelslid" gedefinieerd wordt in artikel 2.
       Wetgevingstechnische slotopmerkingen
       1. De tekst moet grondig nagelezen worden op fouten tegen de spelling en de zinsbouw. Bij wijze van voorbeeld wijst de afdeling Wetgeving onder meer op het volgende :
       - in de Franse tekst van artikel 4, vierde lid, schrijve men "pris" in plaats van "prises";
       - in de Franse tekst van artikel 5 schrijve men "considérés" in plaats van "considérées";
       - in de Franse tekst van artikel 22, tweede lid, is het woord "nombre" verkeerd gespeld;
       - in artikel 25 moet "directietoelage" geschreven worden;
       - in artikel 58 moeten de woorden "het examen bedoeld in" ingevoegd worden tussen het woord "voor" en de woorden "artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende de taalexamens geslaagd is";
       - in artikel 66, moeten in het tweede lid, a), de woorden "artikelen 64 en 65" vervangen worden door de woorden "artikelen 64, eerste lid, 10°, en 65", en moeten in het tweede lid, b), eerste zin, de woorden "paragraaf 1" vervangen worden door de woorden "eerste lid";
       - in artikel 85, § 2, tweede lid, moet de woordschikking "voor zover aan de afstand- en duurvoorwaarden bepaald in § 1, 1° en 2° is voldaan en dat ze daarenboven ook voldaan zou zijn indien" vervangen worden door de constructie "voor zover aan de afstand- en duurvoorwaarden bepaald in § 1, 1° en 2°, voldaan is, en er daarnaast ook aan voldaan zou zijn indien";
       - in de Franse tekst van artikel 87, § 1, vijfde lid, moet het woord "jour", waar het voor de eerste keer voorkomt, in het meervoud geschreven worden en, waar het voor de tweede keer voorkomt, gecorrigeerd worden door de ontbrekende `r' toe te voegen;
       - de Nederlandse tekst van hetzelfde lid moet eveneens herzien worden en het woord "vankantieverlof" moet worden vervangen door "vakantieverlof".
       2. Er moet steeds nauwkeurig worden vermeld welke handeling, opgeheven of gewijzigd wordt, waarbij ook de nog geldende wijzigingen die er reeds in aangebracht zijn moeten worden opgegeven. Wat de artikelen betreft, moet in voorkomend geval ook melding gemaakt worden van de handeling waarbij ze ingevoegd of hersteld zijn (16)(17). Het ontwerp bevat in dat opzicht tal van fouten en moet herzien worden (artikelen 102 tot 120).
       3. Als gevolg van de gemaakte opmerkingen moet de steller van de tekst zich vergewissen van de samenhang van de interne verwijzingen. Bij die gelegenheid moet hij de uitdrukking "van dit besluit" weglaten wanneer ze overbodig is, zoals het geval is in de artikelen 125 en 126.
       4. Zoals de afdeling Wetgeving al dikwijls opgemerkt heeft, dienen de titels en de hoofdstukken genummerd te worden met Arabische cijfers (18).
       De griffier,
       A.-C. Van Geersdaele.
       De voorzitter,
       P. Liénardy.
       __________
       (1) Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab "Wetgevingstechniek".
       (2) De afdeling Wetgeving heeft zich in dezelfde zin uitgesproken in advies 59.933/1/V, dat op 7 september 2016 gegeven is over een ontwerp dat ontstaan gegeven heeft aan het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 september 2016 `tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 2012 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels ervan'.
       (3) Artikel 8, § 3, tweede lid, van de wet van 14 december 2000 `tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector' luidt als volgt : "In geval van onvoorziene omstandigheden die dringende maatregelen vragen, kan het [....] inhaalverlof vervangen worden door een financiële compensatie mits het akkoord van de werknemer."
       (4) en niet als gewijzigde tekst, zoals in het ontworpen besluit.
       (5) In advies nr. 52.616/2 van 14 januari 2013 over een ontwerp dat ontstaan gegeven heeft aan het koninklijk besluit van 11 februari 2013 `tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt die bepaalde prestaties verrichten', heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State reeds een gelijkaardige opmerking gemaakt in verband met dezelfde soorten van personeelscategorieën die volgens dat ontwerp niet in aanmerking kwamen voor die drie types van toelagen http://www.raadvst-consetat.be/dbx/avis/52616.pdf.
       (6) Koninklijk besluit van 19 juli 2001 `betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een Regering of van een College van een Gemeenschap of een Gewest'.
       (7) Koninklijk besluit van 3 mei 2007 `betreffende de ten laste neming van de kosten inzake openbaar vervoer in woonwerkverkeer van de federale personeelsleden door de Staat en sommige federale openbare instellingen'. Bij artikel 114 van het ontwerp wordt het koninklijk besluit van 3 mei 2007 aldus gewijzigd dat de personeelsleden bedoeld in artikel 1 van het ontwerp worden uitgesloten van het toepassingsgebied ervan.
       (8) Gewijzigd bij dit ontwerp. Bij artikel 105 van het ontwerp wordt het koninklijk besluit van 18 januari 1965 aldus gewijzigd dat de personeelsleden bedoeld in artikel 1 van het ontwerp worden uitgesloten van het toepassingsgebied ervan.
       (9) Koninklijk besluit van 6 oktober 2005 `houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage'.
       (10) Ministerieel besluit van 29 maart 2016 `houdende vaststelling van verblijfsvergoedingen toegekend aan afgevaardigden en ambtenaren afhangend van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking die zich in officiële opdracht naar het buitenland begeven of zetelen in internationale commissies'.
       (11) Zie bijvoorbeeld : het ministerieel besluit van 23 maart 2015 `houdende vaststelling van verblijfsvergoedingen toegekend aan afgevaardigden en ambtenaren afhangend van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking die zich in officiële opdracht naar het buitenland begeven of zetelen in internationale commissies', Belgisch Staatsblad, 30 maart 2015; het ministerieel besluit van 13 maart 2014 ' houdende vaststelling van verblijfsvergoedingen toegekend aan afgevaardigden en ambtenaren afhangend van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking die zich in officiële opdracht naar het buitenland begeven of zetelen in internationale commissies', Belgisch Staatsblad, 27 maart 2014.
       (12) Zie inzonderheid de `wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten' van 15 juni 2006 en de wet van 17 juni 2017 `inzake overheidsopdrachten' die grotendeels in werking treedt op 30 juni 2017.
       (13) Zie in die zin advies 44.148/4, gegeven op 17 maart 2008 over een ontwerp dat geleid heeft tot het besluit van de Waalse Regering van 18 september 2008 `tot bepaling van het statuut van de provinciegouverneurs' (http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/44148.pdf) en advies 36.444/3, gegeven op 10 februari 2004 over een ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 `tot vaststelling van het statuut van de provinciegouverneurs en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant' (http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/36444.pdf).
       (14) Zie bijvoorbeeld de ministeriële besluiten bedoeld in artikel 120, 31° en 32°.
       (15) Het betreft de bepalingen van het ontwerp die betrekking hebben op de vergoeding voor verblijfskosten.
       (16) Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab "Wetgevingstechniek", aanbevelingen 113 en 137.
       (17) Wat dat betreft, wordt verwezen naar de voorafgaande opmerkingen.
       (18) Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab "Wetgevingstechniek", aanbeveling 64.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 18 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie