J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord
Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
23 DECEMBER 2016. - Omzendbrief inzake de invoering van een multidisciplinaire samenwerking met betrekking tot de slachtoffers van mensenhandel en/of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel

Bron :
JUSTITIE
Publicatie : 10-03-2017 nummer :   2017030090 bladzijde : 35368       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2016-12-23/80
Inwerkingtreding : 10-03-2017

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :2008009871       

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. M1-M7
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel M1. 1. Inleiding
  1.1 Context
  De huidige omzendbrief vervangt de omzendbrief van 26 september 2008 inzake de invoering van een multidisciplinaire samenwerking met betrekking tot de slachtoffers van mensenhandel en/of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel.
  Via deze omzendbrief wordt het Belgisch nationaal verwijzingsmechanisme voor slachtoffers van mensenhandel en/of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel geregeld.
  De strijd tegen de mensenhandel en de mensensmokkel maakt deel uit van het Nationaal Veiligheidsplan. Daarnaast kan ook worden gerefereerd aan actiepunt 5.4. van het Nationaal Actieplan "Strijd tegen mensenhandel - 2015-2019" (1) waarin wordt verwezen naar de evaluatie van deze omzendbrief die beŽindigd werd in 2014. Deze evaluatie en de wetswijzigingen (bv. voogdijstelsel voor Europese minderjarigen (2)) noopten tot een actualisering van de omzendbrief.
  1.2 Doel van de omzendbrief
  Het doel van de omzendbrief is het bepalen van de manier waarop de vermoedelijke slachtoffers (3) van mensenhandel en van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel gedetecteerd, doorverwezen en begeleid worden, alsook van de modaliteiten die moeten worden nageleefd voor het verkrijgen van het beschermingsstatuut.
  Deze doelstelling wordt verwezenlijkt door :
  -de toelichting van de rol van alle bevoegde partners;
  - de verwijzing naar bepaalde wettelijke verplichtingen van de verschillende partners;
  - de sensibilisering van alle bevoegde partners, alsook van andere eerstelijnsactoren via vormingsessies met betrekking tot de detectie en de bescherming van de slachtoffers.
  Deze omzendbrief organiseert de multidisciplinaire samenwerking tussen de verschillende betrokken partners met het oog op het toepassen van het beschermingsstatuut van slachtoffer van mensenhandel of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel (zoals bepaald in de artikelen 61/2 tot 61/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (4) (hierna : Vreemdelingenwet) en in de artikelen 110bis en 110ter van zijn uitvoeringsbesluit (5)).
  Deze partners zijn :
  - politiediensten;
  - sociale inspectiediensten;
  - dienst Vreemdelingenzaken (hierna : DVZ);
  - magistraten van het openbaar ministerie (hierna : magistraten);
  - erkende centra gespecialiseerd in de opvang van en begeleiding van slachtoffers van mensenhandel en van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel (hierna : de erkende gespecialiseerde opvangcentra).
  Er bestaat ook een brochure voor de politiediensten en de sociale inspectiediensten met basisinformatie en indicatoren, die bij de federale politie en bij de bevoegde FOD's kan worden opgevraagd.
  De omzendbrief bepaalt een kader dat als basis kan dienen voor de sensibilisering en de opleiding van andere eerstelijnsdiensten.
  1.3 Belgisch beleid
  Het Belgisch beleid tegen de vernoemde fenomenen is gericht op :
  1) het bijstaan van de slachtoffers van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel;
  2) het versterken van de mogelijkheden om tegen de daders en mededaders van mensenhandel en/of mensensmokkel te strijden.
  Het beleid inzake bijstand aan de slachtoffers is net zo goed gericht op de hulp en de begeleiding in BelgiŽ als bij een vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst of een ander land waar het slachtoffer mag verblijven.
  1.4 Bijzondere beschermingsprocedure voor slachtoffers van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel
  Om toegang te krijgen tot deze procedure, moeten drie cumulatieve voorwaarden worden vervuld :
  - het verbreken van de contacten met de vermoedelijke dader(s);
  - de verplichte begeleiding door een erkend gespecialiseerd opvangcentrum;
  - de samenwerking met de gerechtelijke overheden, door verklaringen af te leggen of een klacht in te dienen (behalve gedurende de eerste fase : reflectieperiode). Het afleggen van verklaringen moet hierbij ruim worden geÔnterpreteerd (dit kan bijvoorbeeld ook het geven van informatie door het slachtoffer inhouden).

  Art. M2. 2. Wie zijn de door de omzendbrief bedoelde slachtoffers ?
  2.1 De slachtoffers van mensenhandel
  Artikel 433quinquies van het Strafwetboek definieert mensenhandel als de werving, het vervoer, de overbrenging, de huisvesting, de opvang van een persoon, het nemen of de overdracht van de controle over hem met als doel :
  1į de uitbuiting van prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting;
  2į de uitbuiting van bedelarij;
  3į het verrichten van werk of het verlenen van diensten, in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid;
  4į het wegnemen van organen in strijd met de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen, of van menselijk lichaamsmateriaal in strijd met de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek;
  5į of deze persoon tegen zijn wil een misdaad of een wanbedrijf te doen plegen.
  Iedereen kan slachtoffer zijn van mensenhandel :
  - ongeacht het geslacht : vrouwen en mannen;
  - ongeacht de leeftijd : volwassenen en minderjarigen;
  - ongeacht de nationaliteit : Belgen, EU-onderdanen en onderdanen van derde landen.
  Het al dan niet beschikken over een verblijfsdocument is van geen belang.
  Ook slachtoffers van zogenaamde loverboys zijn slachtoffers van mensenhandel. De bijzondere beschermingsprocedure, zoals beschreven in deze omzendbrief, geldt dus ook voor deze slachtoffers - minderjarig of meerderjarig, Belg of niet-Belg.
  2.2 De slachtoffers van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel
  Mensensmokkel (art. 77bis Vreemdelingenwet) bestaat erin bij te dragen tot het illegaal binnenkomen, doorreizen of verblijven op het grondgebied van een persoon die geen burger is van de Europese Unie in ruil voor een vermogensvoordeel. Het gaat niet om een problematiek die verband houdt met uitbuiting, maar met een fenomeen dat verband houdt met het verblijf en met de overschrijding van de grenzen.
  Wanneer er bepaalde verzwarende omstandigheden zijn, kan de persoon ook genieten van het bijzonder beschermingsstatuut voor slachtoffers.
  Die verzwarende omstandigheden zijn limitatief opgesomd in art. 77quater, 1į tot en met 5į :
  1į ingeval het misdrijf is gepleegd ten opzichte van een minderjarige;
  2į ingeval het is gepleegd door misbruik te maken van de kwetsbare toestand waarin een persoon verkeert ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand, zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid, zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze heeft dan zich te laten misbruiken;
  3į ingeval het is gepleegd door direct of indirect gebruik te maken van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige vorm van dwang, of door ontvoering, machtsmisbruik of bedrog;
  3bisį ingeval het is gepleegd door het aanbieden of aanvaarden van betalingen of om het even welke voordelen om de toestemming te verkrijgen van een persoon die gezag heeft over het slachtoffer;
  4į ingeval het leven van het slachtoffer opzettelijk of door grove nalatigheid in gevaar is gebracht;
  5į ingeval het misdrijf een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden, hetzij het volledig verlies van een orgaan of van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking heeft veroorzaakt;
  Iedere persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen die BelgiŽ bindt, kan slachtoffer van mensensmokkel zijn.
  Een Belg of een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie kan daarentegen nooit een slachtoffer zijn van mensensmokkel (op het Belgische grondgebied of op het grondgebied van de EU)

  Art. M3. 3. Hoe te reageren op een mogelijk slachtoffer van mensenhandel en/of een slachtoffer van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel ?
  3.1 Detectie en identificatie van een slachtoffer
  "Detectie" van een vermoedelijk slachtoffer duidt op het herkennen van indicaties die mogelijk wijzen op een situatie van mensenhandel/bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel. Voor politiediensten en sociale inspectiediensten gebeurt dat hetzij via vaststellingen op het terrein hetzij via afgelegde verklaringen.
  De betrokken persoon moet niet onmiddellijk verklaringen afleggen om als slachtoffer te kunnen worden beschouwd. De vaststelling van aanwijzingen volstaat.
  Om het bestaan van aanwijzingen van mensenhandel te beoordelen, maken de politie- en inspectiediensten gebruik van de indicatorenlijst in bijlage 2 van de omzendbrief COL 01/2015 over het opsporings- en vervolgingsbeleid betreffende mensenhandel. Die indicatoren staan ook in een brochure die kan aangevraagd worden bij de federale politie of de bevoegde FOD's.
  Om het bestaan van aanwijzingen van mensensmokkel te beoordelen moet worden verwezen naar bijlage 3 van de gemeenschappelijke omzendbrief COL 4/2011 van de minister van Justitie, de minister van Binnenlandse zaken, de Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid en het College van procureurs-generaal houdende bepalingen tot bestrijding van mensensmokkel.
  Naast politiediensten en sociale inspectiediensten kunnen ook de erkende gespecialiseerde opvangcentra alsook andere eerstelijnsdiensten een rol spelen bij de detectie van slachtoffers, bijvoorbeeld sociale diensten, juridische diensten, urgentiediensten in ziekenhuizen en andere.
  Het komt vaak voor dat slachtoffers zichzelf niet als slachtoffer beschouwen. Bijvoorbeeld omdat ze vinden dat de omstandigheden waarin ze worden uitgebuit en hun loon beter zijn dan wat ze zouden kunnen verkrijgen in hun land van herkomst. De Belgische wetgever heeft echter geoordeeld dat de situatie van de slachtoffers moet worden onderzocht op grond van de Belgische arbeidsomstandigheden, en niet op grond van de criteria in het land van herkomst van het slachtoffer. Zelfs als iemand zich niet als slachtoffer beschouwt, betekent dat dus niet dat hij geen vermoedelijk slachtoffer is zoals bedoeld door de huidige omzendbrief. Ook een slachtoffer dat zichzelf niet als slachtoffer beschouwt, dient dus geÔnformeerd en doorverwezen te worden (zoals hieronder beschreven).
  Na detectie volgt de identificatie. "Identificatie" van een vermoedelijk slachtoffer duidt op het formeel identificeren en "erkennen" als slachtoffer door het toekennen van een (voorlopig) statuut door de magistraat.
  3.2 Informatie voor het slachtoffer
  Zodra iemand op basis van aanwijzingen als een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel zou kunnen worden beschouwd, moet de betrokken politiedienst of sociale inspectiedienst die persoon op de hoogte brengen van de procedure. Die plicht geldt ook voor elke andere dienst die in contact komt met vermoedelijke slachtoffers zoals DVZ, het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, enz.
  In dit verband wordt het slachtoffer geÔnformeerd aan de hand van de "meertalige brochure voor slachtoffers van mensenhandel".
  U vindt deze informatiebrochure op volgende websites :
  * de site van Myria (6) : www.myria.be, rubriek "Publicaties", zoeken naar "brochure mensenhandel" of http ://www.myria.be/nl/publicaties/slachtoffers-van-mensenhandel-brochure-in-28-talen;
  * de site van de Dienst Vreemdelingenzaken : www.dofi.fgov.be, ga naar volgende rubrieken : onthaal - thema's - onderdanen van een derde land - mensenhandel en mensensmokkel of https ://dofi.ibz.be/sites/dvzoe/NL/Gidsvandeprocedures/
  Pages/Slachtoffer%20mensenhandel%20en%20mensensmokkel.
  aspx
  * de site van het documentatiecentrum van de federale politie - DSED, www.poldoc.be, ga naar volgende rubrieken : Opzoeken - Criminele fenomenen - Criminaliteit tegen personen - Mensenhandel & mensensmokkel - Praktische werkmiddelen.
  De informatiebrochure bevat ook de gegevens van de drie erkende gespecialiseerde opvangcentra (zie 3.3.).
  3.3 Doorverwijzing van de slachtoffers
  De politiediensten en sociale inspectiediensten, de sociale diensten, de magistraat, de ambtenaren van douane en accijnzen, enz., verwijzen het slachtoffer, ongeacht de nationaliteit, zo snel mogelijk door naar een erkend gespecialiseerd opvangcentrum.
  Dat kan ook gebeuren via andere eerstelijnsdiensten zoals een sociale dienst, een voogd, de medische sector, enz. Deze erkende gespecialiseerde opvangcentra zijn het best geplaatst om een vertrouwelijk klimaat te creŽren voor het vermoedelijke slachtoffer.
  Indien de politie- of inspectiedienst een slachtoffer van mensenhandel of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel detecteert, voert hij op dat ogenblik de volgende taken uit :
  1) De magistraat op de hoogte brengen;
  2) Een van de erkende gespecialiseerde opvangcentra contacteren (24 u./24 u.) :
  - PAG-ASA : Cellebroersstraat 16b, 1000 Brussel, tel. 02-511.64.64, fax : 02/511 58 68, e-mail : info@pag-asa.be, website : www.pag-asa.be;
  - S‹RYA : Rue Rouveroy, 2, 4000 Luik, tel. 04-232.40.30, fax : 04-232.40.39, e-mail : info@asblsurya.be, website : www.asblsurya.org;
  - PAYOKE : Leguit 4, 2000 Antwerpen, tel. 03-201.16.90, fax : 03- 233.23.24, e-mail : admin@payoke.be, website : www.payoke.be.
  3) Indien het een vreemdeling betreft, de DVZ op de hoogte brengen door het opsturen van het administratief verslag vreemdelingencontrole. De daartoe voorziene rubriek "mensenhandel en bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel" in dit verslag moet naar behoren worden aangekruist door de politiediensten (zie bijlage 1 voor een exemplaar van dit verslag).
  Het nummer van het proces-verbaal wordt zo snel mogelijk doorgegeven aan het Bureau niet-begeleide minderjarigen en slachtoffer van mensenhandel (hierna : Bureau MINTEH) van de DVZ, het erkend gespecialiseerd opvangcentrum en aan de magistraat.
  Wanneer er bij het erkend gespecialiseerd opvangcentrum twijfel bestaat over de hoedanigheid van slachtoffer van de persoon, neemt het centrum contact op met de magistraat, om te bepalen of de persoon al dan niet als slachtoffer kan worden beschouwd.
  Indien de magistraat in dit stadium van mening is dat hij er voldoende zeker van is dat de persoon geen slachtoffer van mensenhandel of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel is, brengt hij het erkend gespecialiseerd opvangcentrum en de DVZ daarvan onmiddellijk op de hoogte.
  Het is mogelijk dat een vreemdeling rechtstreeks of via de sociale diensten in contact wordt gebracht met een erkend gespecialiseerd opvangcentrum. In dat geval licht dat centrum de magistraat zo vlug mogelijk in rekening houdend met de wil van het slachtoffer. Het opvangcentrum informeert trouwens het slachtoffer dat het in zijn eigen belang en in het belang van het onderzoek is dat de magistraat onmiddellijk wordt verwittigd.

  Art. M4. 4. Begeleiding van het slachtoffer door een erkend gespecialiseerd opvangcentrum
  Krachtens artikel 61/2, ß 2 van de Vreemdelingenwet brengen de politie en sociale inspectiediensnten het vermoedelijke slachtoffer in contact met een erkend gespecialiseerd opvangcentrum.
  Enkel deze erkende gespecialiseerde opvangcentra zijn bevoegd om een aanvraag voor de afgifte van een verblijfsdocument in te dienen bij het Bureau MINTEH van DVZ.
  Het erkend gespecialiseerd opvangcentrum geeft aan elk vermoedelijk slachtoffer gedetailleerde informatie over de procedure voor het bekomen van het statuut en over de opdrachten van het opvangcentrum. Op die manier kan het slachtoffer met kennis van zaken beslissen of hij al dan niet verklaringen wenst af te leggen dan wel een klacht wenst in te dienen.
  Het is belangrijk dat het slachtoffer tot rust kan komen. Met de steun van het erkend gespecialiseerd opvangcentrum, zal hij meer inzicht in zijn situatie kunnen krijgen, los van het feit of hij al dan niet verklaringen aflegt.
  Tijdens de begeleiding van het slachtoffer moedigen de erkende gespecialiseerde opvangcentra het slachtoffer, dat bereid is om mee te werken aan de procedure, aan om elk element dat nuttig is voor het voortzetten van de procedure door te geven aan de betrokken politiedienst en sociale inspectiedienst en de magistraat.
  Deze begeleiding omvat :
  1. ResidentiŽle opvang (indien nodig)
  De erkende gespecialiseerde opvangcentra beschikken elk over een opvanghuis (op een discreet adres) waar deze slachtoffers voor beperkte tijd kunnen verblijven. Daar krijgen ze ook begeleiding. Slachtoffers die geen opvang nodig hebben, of slachtoffers die het opvangtehuis verlaten en in een andere locatie verblijven, krijgen een ambulante begeleiding.
  2. Psychosociale en medische hulp
  Het doel is de slachtoffers bij te staan om de situaties en de trauma's te boven te komen en hen te helpen hun leven weer in eigen handen te nemen en eigen toekomstprojecten uit te werken. Hierbij kan elk aspect van het leven van de persoon aan bod komen : taal, opleiding, inburgering, huisvesting, opleiding, werk, familie, gezondheid, integratie en andere.
  3. Administratieve begeleiding
  De erkende gespecialiseerde opvangcentra nemen de nodige stappen wat betreft de afgifte van de verblijfsdocumenten die verband houden met het statuut van slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel, en andere administratieve aangelegenheden.
  4. Juridische begeleiding
  Deze begeleiding heeft betrekking op het onderzoek en de gerechtelijke procedure : o.a. het slachtoffer bijstaan bij het afleggen van verklaringen of het neerleggen van een klacht, informeren over de stand van zaken van het onderzoek en de procedure, alsook informeren over de beslissingen van de rechtbank. Dit betekent ook samenwerking en overleg met de betrokken politiediensten en sociale inspectiediensten en bevoegde magistraten. De centra werken samen met advocaten om de belangen van de slachtoffers te verdedigen op de rechtbank. De erkende gespecialiseerde opvangcentra kunnen zich ook burgerlijke partij stellen, in eigen naam. Ook Myria heeft die bevoegdheid.
  5. Bijstand van een tolk
  Tijdens de begeleiding, en zolang dit nodig is, wordt er voor de slachtoffers die geen Duits, Nederlands of Frans spreken, een beroep gedaan op de diensten van sociale tolken.

  Art. M5. 5. Hoe verloopt de procedure ?
  Op ieder tijdstip is het overleg tussen de verschillende partijen van fundamenteel belang.
  5.1 Ten aanzien van slachtoffers van Belgische nationaliteit
  Er moet benadrukt worden dat ook een Belg slachtoffer van mensenhandel kan zijn, zowel volwassenen als minderjarigen.
  Ook hier geldt het basisprincipe dat het slachtoffer moet worden verwezen naar een erkend gespecialiseerd opvangcentrum voor een verdere specifieke begeleiding. Dit centrum onderzoekt welk het passend gevolg is dat moet gegeven worden, in functie van de persoonlijke situatie en behoeften van deze Belgische onderdaan.
  5.2 Ten aanzien van niet-Belgische slachtoffers
  Voor sommige aspecten van de procedure dient hierbij een onderscheid gemaakt te worden tussen :
  - slachtoffers "met" geldige verblijfstitel (bv. mensen voor wie asielprocedure lopende is, studenten, EU-burgers in de eerste 3 maanden, en andere);
  - slachtoffers "zonder" geldige verblijfstitel.
  5.2.1 Principes
  Wanneer het slachtoffer niet beschikt over een geldige verblijfstitel, dient het erkend gespecialiseerd opvangcentrum een aanvraag in voor de afgifte van een document bij het Bureau MINTEH van de DVZ.
  Dat bureau is als enige bevoegd voor het onderzoeken van de afgifte van passende verblijfsdocumenten met toepassing van de procedure bedoeld in de artikelen 61/2 tot 61/5 van de Vreemdelingenwet.
  Het is als enige overheid bevoegd om op basis van het advies van de magistraat instructies te geven aan de gemeentebesturen met betrekking tot de afgifte van de documenten.
  Het slachtoffer wordt aangemoedigd om zo snel mogelijk het bewijs van zijn identiteit te leveren door middel van een paspoort, een reistitel die zijn paspoort vervangt of zijn nationale identiteitskaart
  Wanneer het slachtoffer wel beschikt over een geldige verblijfstitel, dient het erkend gespecialiseerd opvangcentrum het Bureau MINTEH van de DVZ op de hoogte te brengen van het feit dat voor deze persoon een begeleiding wordt opgestart. Deze informatie is belangrijk met oog op een duurzame opvolging van de administratieve situatie en een eventuele overschakeling naar een verblijfstitel binnen de bijzondere procedure mensenhandel/mensensmokkel.
  Het slachtoffer heeft gedurende de hele procedure recht op een financiŽle bijstand die overeenstemt met een leefloon van het OCMW.
  5.2.2 1ste fase : toekenning van een reflectieperiode van 45 dagen (artikel 61/2)
  De eerste fase wordt toegestaan om het slachtoffer de kans te geven om te herstellen, en na te denken over de volgende opties :
  - beslissen om al dan niet verklaringen af te leggen over de vermoedelijke daders of een klacht tegen hen in te dienen.
  - zich voorbereiden op een vrijwillige terugkeer naar zijn land van herkomst of andere alternatieve pistes.
  Het vermoedelijke slachtoffer mag niet worden verwijderd tijdens die eerste fase en moet worden begeleid door een erkend gespecialiseerd opvangcentrum.
  Indien het slachtoffer onmiddellijk een klacht heeft ingediend of verklaringen heeft afgelegd tegen de daders, is deze eerste fase overbodig en wordt meteen tot de tweede fase overgegaan.
  In de andere gevallen stopt de eerste fase en begint de tweede fase zodra het slachtoffer klacht indient of verklaringen aflegt.
  5.2.3 2de fase : toekenning van een verblijfsdocument geldig gedurende 3 maanden (artikel 61/3)
  Dit document maakt geen onderscheid tussen de onderdanen van derde landen en onderdanen van de EU.
  Gedurende de 2de fase kan het slachtoffer dat onderdaan is van een derde land voorlopig worden tewerkgesteld, op voorwaarde dat deze persoon een arbeidskaart C heeft bekomen waarvan de geldigheidsduur minstens overeenstemt met die van het document.
  Dit document kan voor ťťn enkele nieuwe periode van maximum drie maanden worden verlengd op aanvraag van het erkend gespecialiseerd opvangcentrum, indien dit noodzakelijk is voor het onderzoek of indien de minister of zijn gemachtigde dit opportuun acht, rekening houdend met de elementen van het dossier.
  5.2.4 3de fase : toekenning van een verblijfsdocument geldig gedurende 6 maanden (artikel 61/4) = het voorlopig statuut van slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel
  De magistraat is als enige bevoegd voor de toekenning van dit voorlopig statuut. Hij houdt rekening met de adviezen van de andere betrokken partners (erkende gespecialiseerde opvangcentra, de DVZ, de politie- en/of inspectiediensten), met het oog op het garanderen van de multidisciplinaire aanpak. Op basis van hun praktische kennis en ervaring geven de politie- en inspectiediensten en het Bureau MINTEH van de DVZ alle elementen waarover ze beschikken aan de magistraat door. Binnen de grenzen van het beroepsgeheim en de deontologie geeft het gespecialiseerd erkend opvangcentrum de relevante informatie waarover het beschikt door aan de magistraat.
  Om zijn beslissing te nemen geeft de magistraat een antwoord op de volgende vijf vragen, op aanvraag van het Bureau MINTEH van de DVZ :
  1. Loopt het onderzoek of de gerechtelijke procedure nog steeds ?
  2. Kan de betrokken persoon, in deze fase, beschouwd worden als een slachtoffer van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of, in de omstandigheden bedoeld in artikel 77quater, van de misdrijf in de zin van artikel 77bis ?
  3. Is de betrokken persoon duidelijk bereid om mee te werken ?
  4. Heeft de betrokken persoon alle banden met de vermoedelijke daders van het misdrijf verbroken ?
  5. Wordt de betrokken persoon als een potentieel gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid beschouwd ?
  De magistraat geeft uiterlijk 1 week vůůr het verstrijken van het 3 maand geldige document schriftelijk zijn beslissing door aan de DVZ en aan het gespecialiseerd opvangcentrum dat het slachtoffer begeleidt.
  Indien de magistraat bevestigend antwoordt op de voormelde eerste vier vragen en hij bovendien laat weten dat de betrokken persoon geen potentieel gevaar is voor de openbare orde of de nationale veiligheid, stuurt het Bureau MINTEH van de DVZ een instructie naar het gemeentebestuur om het document bedoeld in artikel 61/4 van de Vreemdelingenwet af te geven.
  Voornoemd document wordt verlengd, zolang de bovengenoemde voorwaarden vervuld zijn en tot op het moment waarop de rechtbank het vonnis in eerste aanleg velt.
  Vůůr elke vervaldag van de verblijfstitel consulteert het Bureau MINTEH van de DVZ de magistraat.
  Het slachtoffer die onderdaan is van een derde land en in het bezit is van dat document kan voorlopig worden tewerkgesteld indien hij in het bezit is van een arbeidskaart C.
  5.2.5 Hoe wordt de procedure afgesloten?
  De procedure kan op 4 verschillende manieren afgesloten worden :
  5.2.5.1 Afgifte van een verblijfstitel van onbepaalde duur (artikel 61/5)
  Het Bureau MINTEH van de DVZ kan een machtiging tot verblijf van onbepaalde duur verlenen aan het slachtoffer indien zijn verklaring of zijn klacht tot een veroordeling geleid heeft of indien de magistraat in zijn vordering de tenlastelegging van mensenhandel of van mensensmokkel, onder de verzwarende omstandigheden die in artikel 77quater van de Vreemdelingenwet voorzien worden, weerhouden heeft.
  Indien het slachtoffer in dat stadium zijn identiteitsdocument niet kan voorleggen, moet hij meedelen welke stappen hij ondernomen heeft om zijn identiteit te bewijzen.
  De aanvraag voor een machtiging van onbepaalde duur kan door het erkend gespecialiseerde opvangcentrum of door het slachtoffer of zijn raadgever worden ingediend.
  5.2.5.2 Stopzetten van de procedure
  * Bij beslissing door de magistraat
  De magistraat beslist zelfstandig en op elk moment tot de stopzetting van de procedure indien een persoon niet meer als slachtoffer van mensenhandel of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel kan worden beschouwd.
  Indien de magistraat van plan is een einde te stellen aan de procedure, neemt hij contact op met het erkende gespecialiseerd opvangcentrum, de politie- en/of inspectiediensten en het Bureau MINTEH van de DVZ, zodat de informatie kan worden uitgewisseld en een beslissing kan worden genomen waarbij men over alle noodzakelijke informatie beschikt.
  * Bij beslissing door het Bureau MINTEH van de DVZ
  Het Bureau MINTEH van de DVZ kan een einde maken aan het verblijf van het slachtoffer indien de magistraat het ervan in kennis stelt dat het slachtoffer ťťn van de voorwaarden van de procedure niet meer naleeft, met name indien het slachtoffer opnieuw banden heeft aangeknoopt met de vermoedelijke daders van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of in artikel 77bis van de Vreemdelingenwet, of indien het slachtoffer niet langer samenwerkt met de magistraat, of indien het slachtoffer de openbare orde of de nationale veiligheid in gevaar kan brengen. Indien het Bureau MINTEH van de DVZ beslist om een einde te maken aan het verblijf, geeft het Bureau het gemeentebestuur de instructie een bevel te laten afgeven om het grondgebied te verlaten.
  Het feit dat het slachtoffer opnieuw banden heeft aangeknoopt met de vermoedelijke daders van ťťn van de bovengenoemde misdrijven moet door de politie of de sociale inspectie vermeld worden in een proces-verbaal, dat moet worden overgemaakt aan de magistraat. Laatstgenoemde brengt het Bureau MINTEH van de DVZ op de hoogte van zijn beslissing, inclusief het nummer van het proces-verbaal.
  In dit geval kan er een einde gemaakt wordt aan de procedure maar met voorafgaandelijk overleg met de magistraat en het erkend gespecialiseerd opvangcentrum.
  Er kan ook een einde worden gemaakt aan het verblijf wanneer men, in samenspraak met de magistraat, van oordeel is dat de medewerking van de vreemdeling frauduleus is of dat zijn klacht frauduleus of ongegrond is. Die situatie moet vastgesteld zijn in een proces-verbaal door de politie- en/of inspectiediensten of door de magistraat, en voor zover de frauduleuze medewerking van het slachtoffer verband houdt met het desbetreffende dossier. Zodra er aanwijzingen van fraude zijn, brengt het Bureau MINTEH van de DVZ de magistraat daarvan op de hoogte.
  5.2.5.3 Einde van de begeleiding door de erkende gespecialiseerde opvangcentra
  a) Bij het niet respecteren van de begeleidingsovereenkomst :
  Elk slachtoffer in begeleiding bij een erkend gespecialiseerd opvangcentrum heeft bij het begin van de begeleiding een begeleidingsovereenkomst ondertekend. Deze begeleidingsovereenkomst is dezelfde bij de 3 opvangcentra. Wanneer het slachtoffer de voorwaarden van de begeleiding niet respecteert, kan het centrum op eigen initiatief de begeleiding beŽindigen. Dat betekent echter niet dat de procedure wordt afgesloten. Op dat moment wordt het voorstel gedaan aan het slachtoffer om de begeleiding verder te zetten bij een van de andere centra.
  Wanneer het erkend gespecialiseerd opvangcentrum de begeleiding van een slachtoffer stopzet, informeert het onmiddellijk de magistraat en pleegt met hem en het Bureau MINTEH overleg om de mogelijke oplossingen na te gaan.
  Wanneer het slachtoffer in dit geval begeleid wordt door een ander erkend gespecialiseerd opvangcentrum dan degene die de omkadering verzekerde in het begin van de procedure, blijft hij in het bezit van zijn verblijfsdocument, vermits deze persoon nog altijd begeleid wordt door een erkend gespecialiseerd opvangcentrum.
  b) Bij het niet meer voldoen aan de drie voorwaarden van de procedure :
  Wanneer de magistraat het centrum inlicht over het feit dat het slachtoffer niet meer aan de voorwaarden van de procedure voldoet, beŽindigt het erkend gespecialiseerd opvangcentrum de begeleiding van het slachtoffer.
  5.2.5.4 Organisatie van de vrijwillige terugkeer
  Het slachtoffer kan op ieder tijdstip vrijwillig terugkeren naar zijn land van herkomst.
  Na een risicoanalyse neemt het erkend gespecialiseerd opvangcentrum contact op met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) of een andere niet-gouvernementele organisatie voor de organisatie van zijn vrijwillige terugkeer. Het is ook mogelijk dat de persoon zijn/haar terugkeer op eigen initiatief en eigen kosten organiseert, zonder tussenkomst van een andere organisatie.
  Om te voorkomen dat andere personen slachtoffer worden, kan het erkend gespecialiseerd opvangcentrum in samenspraak met het slachtoffer aan de Directie voor de strijd tegen zware en georganiseerde criminaliteit van de federale gerechtelijke politie alle bruikbare informatie doorgeven, zulks binnen de grenzen van het beroepsgeheim en van de deontologie. Die dienst zal dan contact opnemen met de collega's in het buitenland, zodat zij de informatie kunnen gebruiken.
  o Bijzondere bescherming
  Indien voor de terugkeer van het slachtoffer politiebescherming vereist is, richt het erkend gespecialiseerd opvangcentrum zich uitsluitend tot de Directie voor de strijd ten zware en georganiseerde criminaliteit van de federale gerechtelijke politie voor de organisatie van deze politiebescherming.

  Art. M6. 6. Specifieke gevallen van slachtoffers van mensenhandel
  Alle slachtoffers van mensenhandel zijn kwetsbaar en moeten met de nodige zorg worden behandeld. Er bestaan echter een aantal categorieŽn van slachtoffers die bijzonder kwetsbaar zijn. Twee specifieke categorieŽn worden in deze omzendbrief toegelicht omdat voor hen de procedure licht kan afwijken.
  6.1 De slachtoffers van mensenhandel in dienst van diplomatiek personeel
  Om in BelgiŽ als lid van het diplomatieke huispersoneel te kunnen werken moet de vreemdeling beschikken over een speciale identiteitskaart (model IV). Te dien einde moeten de kandidaat-dienstbode en de werkgever aan verschillende voorwaarden voldoen en een arbeidsovereenkomst opstellen die in overeenstemming is met de Belgische wetgeving. De dienstbode moet bovendien de identiteitskaart zelf gaan afhalen bij de Directie Protocol en Veiligheid van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, die belast is met de controle van de arbeidssituatie van het buitenlands huispersoneel dat bij de geaccrediteerde diplomaten in BelgiŽ werkt. Aangezien de dienstbode de identiteitskaart zelf moet gaan afhalen kan de bevoegde ambtenaar van de Directie Protocol en Veiligheid een persoonlijk gesprek over de arbeidssituatie met de dienstbode voeren. De ambtenaar kan de dienstbode adviseren en informeren, indien er problemen zijn in het kader van de tewerkstelling.
  Dit onderhoud vindt elk jaar plaats, wanneer de identiteitskaart vernieuwd wordt. Zo kan de dienstbode eventuele gevallen van exploitatie of misbruik aan het licht brengen.
  Indien een dienstbode een slachtoffer van mensenhandel is, begeleid wordt door een erkend gespecialiseerd opvangcentrum en verklaringen aflegt of een klacht indient, moet hij afstand doen van het statuut van dienstbode en de speciale identiteitskaart teruggeven, zodat het erkend gespecialiseerd opvangcentrum de aanvraag voor een verblijfsdocument kan indienen.
  In dit geval is een gerechtelijke strafprocedure uitgesloten, aangezien diplomaten onschendbaar zijn. Om de dienstbode echter in staat te stellen om het statuut van slachtoffer van mensenhandel te kunnen genieten, kan de magistraat een positief advies in verband met de werkelijkheid van de situatie van exploitatie en mensenhandel uitbrengen, met als doel om alsnog een definitieve verblijfstitel om humanitaire redenen te kunnen krijgen. In dit geval toetst de magistraat de verklaringen van het slachtoffer met andere specifieke elementen van het dossier. Hij beperkt zich niet tot het verifiŽren van het feit of de arbeidsovereenkomst al dan niet werd gerespecteerd.
  In samenwerking met de Directie Protocol en Veiligheid kan de magistraat alle nuttige initiatieven nemen om het bestaan van de overtreding van mensenhandel te bewijzen, waarbij de regels op het gebied van de diplomatieke onschendbaarheid gerespecteerd worden. Om dit te doen brengt hij de procureur-generaal op de hoogte van de opening van een dossier en van de stappen en het gevolg dat aan dit dossier zal worden gegeven.
  Om van het statuut te genieten moet het slachtoffer ook begeleid worden door het erkend gespecialiseerd opvangcentrum en mag hij geen banden meer hebben met de veronderstelde dader. Het slachtoffer moet ook samenwerken met de magistraat.
  6.2 Minderjarige slachtoffers
  6.2.1 Algemeen
  6.2.1.1 Definitie
  Alle minderjarigen, zowel vreemdelingen als Belgen, al dan niet begeleid, kunnen slachtoffer zijn van mensenhandel. Iedere minderjarige persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen die BelgiŽ bindt, kan slachtoffer van mensensmokkel zijn.
  6.2.1.2 Detectie en doorverwijzing van minderjarige slachtoffers
  Bij het vaststellen van de aanwezigheid van een minderjarige dient op basis van de indicatoren zoals vastgelegd in bijlage 2 van de bovenvermelde COL 01/2015 en/of bijlage 3 van de COL 04/2011 nagegaan te worden of de betrokkene een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel is.
  In dit geval houdt de politie- of inspectiedienst rekening met de specificiteit van de kwetsbaarheid van de minderjarige wanneer hij overgaat tot de onderzoeken die onder punt 3.1. van de omzendbrief uiteengezet worden.
  Onverminderd de specifieke richtlijnen voor NBMV's, zullen de bevoegde diensten de minderjarige slachtoffers, overeenkomstig 3.3., doorverwijzen naar ťťn van de drie erkende gespecialiseerde opvangcentra.
  Aangezien de structuren van de erkende gespecialiseerde opvangcentra niet zijn aangepast om specifieke huisvesting en begeleiding voor minderjarigen aan te bieden, verwijzen die centra minderjarigen door naar een centrum dat huisvesting en begeleiding op maat van minderjarigen biedt, zoals Esperanto of Minor-Ndako. De juridische en administratieve begeleiding gebeurt nog steeds in samenwerking met een van de drie erkende gespecialiseerde opvangcentra.
  6.2.1.3 Rol van de magistraten en de politiediensten
  Indien het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel en/of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel een minderjarige is, neemt de magistraat contact op met de jeugdmagistraat die belast is met de follow-up van de minderjarige. Hierbij wordt uitdrukkelijk verwezen naar de rol- en taakverdeling tussen de magistraat mensenhandel en de jeugdmagistraat zoals beschreven in de COL 1/2015 inzake het opsporings- en vervolgingsbeleid betreffende mensenhandel.
  Voor de identificatie van het vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel en/of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel en voor het desbetreffende onderzoek, doet de magistraat ook een beroep op politieagenten van de federale politie of van de lokale politie, gespecialiseerd in mensenhandel en verhoor van minderjarigen. De magistraat baseert zich op de indicatoren, het profiel van de onderschepte persoon en de vergaarde aanwijzingen om te beslissen over de tijdelijke toekenning van het statuut van slachtoffer van mensenhandel en/of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel. In dat verband wordt rekening gehouden met de bijzondere kwetsbaarheid van de minderjarigen, die minder geneigd zijn om mee te werken.
  In het kader van de toekenning van het voorlopige statuut van slachtoffer van mensenhandel en/of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel houdt de magistraat rekening met de specifieke kwetsbaarheid van de minderjarige, wanneer hij een antwoord geeft op de vijf vragen onder punt 4.3. van de omzendbrief.
  6.2.2 NBMV's
  6.2.2.1 Definitie
  Een NBMV is :
  1. elke persoon die jonger dan 18 jaar is;
  2. en die niet begeleid is door een persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent krachtens zijn nationale wet
  3. en die
  a) onderdaan is van een land dat geen lid is van de Europese Economische Ruimte (E.E.R.) en een asielaanvraag heeft ingediend of niet voldoet aan de voorwaarden voor de toegang tot het grondgebied en het verblijf die vastgelegd zijn door de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  b) onderdaan is van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland, die niet in het bezit is van een gelegaliseerd document waaruit blijkt dat de persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent de toestemming heeft gegeven om te reizen en te verblijven in BelgiŽ, die niet is ingeschreven in het bevolkingsregister en die een voorlopige verblijfsvergunning heeft gevraagd in de hoedanigheid van slachtoffer van mensenhandel of verzwarende vorm van mensensmokkel of zich in een kwetsbare toestand bevindt.
  6.2.2.2 Specifieke maatregelen inzake het signalement en de identificatie van NMBV's
  Voor het signaleren van een NBMV moet de procedure zoals vermeld in de omzendbrief van 8 mei 2015 betreffende de signalementfiche van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en diens tenlasteneming gevolgd worden.
  Hierbij moet worden benadrukt dat naast de DVZ ook direct de dienst Voogdij (7) moet worden verwittigd. De Dienst Voogdij moet, gelet op de kwetsbaarheid van de minderjarigen, prioritair aan hen een voogd toewijzen.
  Indien de betrokkene een (vermoedelijk) slachtoffer van mensenhandel of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel is, geeft de politie in de signalementsfiche van NBMV's een antwoord op de vragen gesteld in de rubriek "kwetsbaarheid".
  6.2.2.3 Specifieke maatregelen inzake opvang en vertegenwoordiging van NBMV's.
  De voogd moet zijn pupil in het kader van alle procedures vertegenwoordigen.
  Het erkend gespecialiseerd opvangcentrum en de voogd zullen erover waken dat de minderjarige een gepaste omkadering krijgt.
  Met inachtneming van het beroepsgeheim en de deontologie in het belang van de minderjarige houdt het erkend gespecialiseerd opvangcentrum, in samenwerking met de voogd, de magistraat en de Bureau MINTEH van de DVZ op de hoogte van alle elementen die door de NBMV worden meegedeeld om het statuut van slachtoffer te genieten.
  In een streven naar een goede coŲrdinatie in het kader van het onderzoek dat gericht is op de identificatie van een NBMV als vermoedelijk slachtoffer, zullen de politiediensten en de magistraat die het dossier " mensenhandel/mensensmokkel " beheren eveneens de voogd kunnen raadplegen indien nodig en in het hoger belang van het kind. Zie hiervoor COL 15/2016 - Vademecum met betrekking tot de interdisciplinaire tenlasteneming van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (NMBV's).
  6.2.2.4 Afgifte van verblijfsdocumenten
  Voor de NBMV start de reflectieperiode meteen met de toekenning van een document bedoeld in artikel 61/3 van de Vreemdelingenwet.
  Het erkend gespecialiseerd opvangcentrum dient, in samenspraak met de voogd (8), de aanvragen voor verblijfsdocumenten in bij het Bureau MINTEH van de DVZ. Dat Bureau zendt vervolgens instructies over aan het gemeentebestuur van de verblijfplaats van de NMBV voor de afgifte van de verblijfsdocumenten. Het Bureau MINTEH brengt de voogd en het erkend gespecialiseerd opvangcentrum hiervan op de hoogte.
  De regels voor de afgifte van de verblijfsdocumenten voor de NBMV zijn identiek aan die voor de meerderjarige potentiŽle slachtoffers.
  De voogd moet bij alle stappen betrokken zijn.
  6.2.2.5 Stopzetting van de procedure.
  Wanneer het vermoedelijke slachtoffer een NBMV is, wordt rekening gehouden met de specificiteit van de kwetsbaarheid van de minderjarige.
  Indien de NBMV niet meer voldoet aan de voorwaarden van het statuut, moet de voogd op de hoogte worden gebracht van de stopzetting van de procedure.
  Indien de voorwaarden in art. 74/16 van de Vreemdelingenwet vervuld zijn, wordt een bevel tot terugbrenging (bijlage 38) afgegeven aan de voogd, opdat hij de nodige maatregelen zou nemen om zijn pupil terug te laten brengen.
  6.2.2.6 Vrijwillige terugkeer
  Indien het vermoedelijk slachtoffer een minderjarige is die naar zijn land van herkomst wenst terug te keren, neemt het gespecialiseerde opvangcentrum, in overleg met zijn voogd contact op met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) of een andere niet-gouvernementele organisatie, met het oog op de organisatie van de begeleide vrijwillige terugkeer.

  Art. M7. 7. Evaluatie van de omzendbrief
  Binnen een termijn van 24 maanden na de publicatie in het Belgisch Staatsblad zal de huidige omzendbrief worden geŽvalueerd door de Interdepartementale CoŲrdinatiecel ter bestrijding van de mensensmokkel en de mensenhandel.
  
  ----------
  1. http ://www.dsb-spc.be/web/index.php?option=com_content&task=view&id=41&Itemid=65〈=dutch
  2. Wet van 12 mei 2014 tot wijziging van Titel XIII, Hoofdstuk VI, van de programmawet (I) van 24 december 2002 wat de voogdij over minderjarigen betreft.
  3. Vermoedelijk slachtoffer : persoon waarvoor er aanwijzingen zijn dat het om een slachtoffer gaat.
  4. Wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad van 6 oktober 2006).
  5. Koninklijk besluit van 27 april 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. van 21 mei 2007).
  6. Myria, het Federaal Migratiecentrum, is een van de twee instellingen die in maart 2014 de bevoegdheden erfden van het voormalig Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding.
  7. Permanentie van de dienst Voogdij van 6.00 uur tot 22.00 uur - Tel. : 078 15 43 24 - Fax : 05 542 70 83 - E-mail : voogdij@just.fgov.be.
  8. Artikel 9, ß 1, 1į, van Titel X III, Hoofdstuk 6, "Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen" van de programmawet van 24 december 2002, gewijzigd door de programmawetten van 22 december 2003 en 27 december 2004.

  BIJLAGE.

  Art. N. Administratief verslag vreemdelingencontrole.
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-03-2017, p. 35382 )

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 23 december 2016.
Minister van Justitie,
K. GEENS
Vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Europese Zaken, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen,
D. REYNDERS
Vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel,
K. PEETERS
Vice-eersteminister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der gebouwen,
J. JAMBON
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
M. DE BLOCK
Minister van FinanciŽn, belast met bestrijding van de fiscale fraude,
J. VAN OVERTVELDT
Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,
T. FRANCKEN
Staatssecretaris voor Bestrijding van de sociale fraude, Privacy en Noordzee, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
P. DE BACKER
Voor het College van Procureurs-generaal :
Voorzitter van het College, Procureur-generaal bij het hof van beroep te Bergen,
I. DE LA SERNA
Procureur-generaal bij het hof van beroep te Luik,
C. DE VALKENEER
Procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen,
P. VANDENBRUWAENE
Procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent,
E. DERNICOURT
Procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel,
J. DELMULLE

Begin Eerste woord Laatste woord
Inhoudstafel
Franstalige versie