J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 8 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2016/12/22/2016022509/justel

Titel
22 DECEMBER 2016. - Wet houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-01-2017 en tekstbijwerking tot 31-08-2021)

Bron : SOCIALE ZEKERHEID
Publicatie : 06-01-2017 nummer :   2016022509 bladzijde : 446       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2016-12-22/14
Inwerkingtreding : 01-01-2017

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1996016245        1997016207        1997016208        1999016047        1999016111        2013022165        1996016244        1967072702       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
Art. 1-3
HOOFDSTUK 2. - Het toepassingsgebied
Art. 4
HOOFDSTUK 3. - De voorwaarden
Art. 5, 5/1, 6
HOOFDSTUK 4. - De toekenningsperiode
Art. 7
HOOFDSTUK 5. - Gemeenschappelijke bepalingen
Afdeling 1. - De aanvraagprocedure
Art. 8
Afdeling 2. - De beslissing
Art. 9
Afdeling 3. - Het maandelijks bedrag van de financiėle uitkering
Art. 10
Afdeling 4. - Wijzigingen
Art. 11
Afdeling 5. - Terugvordering
Art. 12-14
Afdeling 6. - Verjaring
Art. 15-16
Afdeling 7. - Delegatiebepaling
Art. 17
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingsbepalingen
Art. 18-22
HOOFDSTUK 7. - Opheffings-, overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen
Art. 23-25

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  Art. 2.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° "het koninklijk besluit nr. 38" : het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
  2° "de zelfstandige" : de zelfstandige bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 38;
  3° "de helper" : de helper bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 38, die geen meewerkende echtgenoot is;
  4° "de meewerkende echtgenoot" : de meewerkende echtgenoot bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38;
  5° "de aanvrager" : de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die een aanvraag indient tot het bekomen van het in deze wet bedoelde overbruggingsrecht;
  6° "de begunstigde" : de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die het in deze wet bedoelde overbruggingsrecht geniet;
  7° "het sociaal verzekeringsfonds" : de sociale verzekeringskas voor zelfstandigen bedoeld in artikel 20, § § 1 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38;
  8° "het Rijksinstituut" : het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen bedoeld in artikel 21 van het koninklijk besluit nr. 38;
  9° "de financiėle uitkering" : de krachtens deze wet toegekende uitkering;
  10° "de sociale rechten" : de krachtens deze wet toegekende rechten.
  [1 11° "de onderneming": de onderneming bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van Economisch Recht.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/47, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-07-2019>

  Art. 3. Deze wet voert een overbruggingsrecht in, bestaande uit :
  1° een financiėle uitkering en
  2° het behoud van de sociale rechten inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

  HOOFDSTUK 2. - Het toepassingsgebied

  Art. 4.Deze wet is van toepassing op :
  1° [1 de zelfstandigen, met inbegrip van de helpers, meewerkende echtgenoten, zaakvoerders, bestuurders en werkende vennoten, van wie de onderneming failliet verklaard is]1;
  2° de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die in het kader van een collectieve schuldenregeling van de rechter de homologatie van een minnelijke aanzuiveringsregeling verkregen hebben, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opgelegd geweest zijn of een aanpassing of herziening van de regeling verkregen hebben, in de zin van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, binnen een periode van drie jaar die voorafgaat aan de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de zelfstandige activiteit werd stopgezet;
  3° de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die, door omstandigheden onafhankelijk van hun wil, gedwongen worden elke zelfstandige activiteit te onderbreken;
  4° de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die zich in economische moeilijkheden bevinden en elke zelfstandige activiteit officieel stopzetten.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/47, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-07-2019>

  HOOFDSTUK 3. - De voorwaarden

  Art. 5.§ 1. Om het in artikel 3 bedoelde overbruggingsrecht te genieten, moeten de in artikel 4 bedoelde zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen :
  1° hun verzekeringsplicht bewijzen in het kader van het koninklijk besluit nr. 38 gedurende de vier kwartalen die onmiddellijk voorafgaan aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het feit zich voordoet;
  2° [1 voor de in 1° bedoelde periode, de in de artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, of 13bis, § 2, 1°, 1° bis of 2°, van het koninklijk besluit nr. 38 bedoelde bijdragen verschuldigd zijn;]1
  3° de in 2° bedoelde [2 wettelijk verschuldigde voorlopige]2 bijdragen voor minstens vier kwartalen tijdens het tijdvak van zestien kwartalen dat voorafgaat aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het feit zich voordoet effectief betaald hebben;
  4° geen beroepsactiviteit uitoefenen vanaf de eerste dag die volgt op de dag waarop het feit zich voordoet;
  5° geen recht kunnen laten gelden op een vervangingsinkomen vanaf de eerste dag die volgt op de dag waarop het feit zich voordoet;
  6° in Belgiė hun hoofdverblijfplaats hebben, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
  § 2. Onder feit, bedoeld in paragraaf 1, wordt verstaan :
  1° het vonnis van faillietverklaring in de gevallen bedoeld in artikel 4, 1° ;
  2° de stopzetting van de zelfstandige activiteit in de gevallen bedoeld in artikel 4, 2° en 4° ;
  3° het begin van de onderbreking van de zelfstandige activiteit in de gevallen bedoeld in artikel 4, 3°.
  ----------
  (1)<W 2018-02-18/06, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
  (2)<W 2019-05-02/47, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-07-2019>

  Art. 5/1. [1 § 1. Om het in artikel 3 bedoelde overbruggingsrecht te genieten, moeten de in artikel 4 bedoelde zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, in afwijking van artikel 5, aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen :
   1° hun verzekeringsplicht bewijzen in het kader van het koninklijk besluit nr. 38 gedurende de twee kwartalen die onmiddellijk voorafgaan aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het feit zich voordoet;
   2° voor de in 1° bedoelde periode, de in de artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, of 13bis, § 2, 1°, 1° bis of 2°, van het koninklijk besluit nr. 38 bedoelde bijdragen verschuldigd zijn;
   3° de in 2° bedoelde wettelijk verschuldigde voorlopige bijdragen voor minstens vier kwartalen tijdens het tijdvak van zestien kwartalen dat voorafgaat aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het feit zich voordoet effectief betaald hebben. Indien de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot hun verzekeringsplicht in het kader van het koninklijk besluit nr. 38 slechts kunnen bewijzen gedurende de twaalf kwartalen die onmiddellijk voorafgaan aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het feit zich voordoet of minder, volstaat het dat zij de voormelde wettelijk verschuldigde voorlopige bijdragen voor minstens twee kwartalen effectief betaald hebben.;
   4° geen beroepsactiviteit uitoefenen vanaf de eerste dag die volgt op de dag waarop het feit zich voordoet;
   5° geen recht kunnen laten gelden op een vervangingsinkomen vanaf de eerste dag die volgt op de dag waarop het feit zich voordoet.
   In afwijking op het voorgaande en op artikel 11, § 4, kan de financiėle uitkering bedoeld in artikel 3, 1°, gecumuleerd worden met een of meerdere andere vervangingsinkomens op voorwaarde dat:
   - de som van het maandelijks bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, en de andere vervangingsinkomens per maand niet meer bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid. Ingeval van overschrijding van dit plafond wordt het maandelijks bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, verminderd ten belope van deze overschrijding;
   - de som van het maandelijks bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, tweede lid, en de andere vervangingsinkomens per maand niet meer bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, tweede lid. Ingeval van overschrijding van dit plafond wordt het maandelijks bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, tweede lid verminderd ten belope van deze overschrijding;
   - de som van de bedragen bedoeld in artikel 10, § 3, en de andere vervangingsinkomens per maand niet meer bedraagt dan de bedragen bedoeld in artikel 10, § 3. Ingeval van overschrijding van dit plafond worden de bedragen bedoeld in artikel 10, § 3, verminderd ten belope van deze overschrijding.
   6° in Belgiė hun hoofdverblijfplaats hebben, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
   § 2. Onder feit, bedoeld in paragraaf 1, wordt verstaan :
   1° het vonnis van faillietverklaring in de gevallen bedoeld in artikel 4, 1° ;
   2° de stopzetting van de zelfstandige activiteit in de gevallen bedoeld in artikel 4, 2° en 4° ;
   3° het begin van de onderbreking van de zelfstandige activiteit in de gevallen bedoeld in artikel 4, 3°. Indien de onderbreking van de zelfstandige activiteit gevolgd wordt door een stopzetting van de zelfstandige activiteit, wordt deze stopzetting beschouwd als feit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2020-12-22/25, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  

  Art. 6.De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten kunnen het overbruggingsrecht slechts genieten op voorwaarde dat zij :
  1° niet zijn veroordeeld op grond van de artikelen 489, 489bis en 489ter van het Strafwetboek in de gevallen bedoeld in artikel 4, 1° ;
  2° hun onvermogen niet kennelijk hebben bewerkstelligd, in de zin van de voornoemde wet van 5 juli 1998, in de gevallen bedoeld in artikel 4, 2° ;
  3° het overbruggingsrecht niet hebben verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen in de gevallen bedoeld in artikel 4, 3° en 4°.
  [1 "4° het overbruggingsrecht niet hebben verkregen door, met het oog op het bekomen van het overbruggingsrecht of enig ander voordeel, opzettelijk de omstandigheden te hebben bewerkstelligd die tot de onderbreking leiden in de gevallen bedoeld in artikel 4, 3°. ]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/47, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-07-2019>

  HOOFDSTUK 4. - De toekenningsperiode

  Art. 7.§ 1. De toekenningsperiode van de financiėle uitkering vangt aan op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het in artikel 5, § 2, bedoelde feit zich voordoet.
  § 2. [2 De toekenningsperiode van de sociale rechten vangt aan op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het in artikel 5, § 2, bedoelde feit zich voordoet, tenzij dit feit geen aanleiding geeft tot de onderbreking van de beroepsactiviteit gedurende een volledige kalendermaand.]2
  § 3. [1 De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten kunnen meerdere keren het in artikel 3 bedoelde overbruggingsrecht genieten, zonder dat de totale duur ervan tijdens hun volledige beroepsloopbaan meer mag bedragen dan:
   1° twaalf maanden voor wat betreft de financiėle uitkering en
   2° vier kwartalen voor wat betreft de sociale rechten.
   In afwijking van het voorgaande, mag voor de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die, op het ogenblik van het in artikel 5, § 2, bedoelde feit, over hun volledige beroepsloopbaan, minstens zestig kwartalen kunnen bewijzen waarvoor pensioenrechten worden geopend overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de totale duur van het overbrug-gingsrecht tijdens hun volledige beroepsloopbaan niet meer bedragen dan:
   1° vierentwintig maanden voor wat betreft de financiėle uitkering en
   2° acht kwartalen voor wat betreft de sociale rechten.
   Voor elk in artikel 5, § 2, bedoeld feit dat aanleiding geeft tot het genot van het overbruggingsrecht, kunnen er slechts maximaal twaalf maanden financiėle uitkering en vier kwartalen sociale rechten toegekend worden.
   De totale duur wordt evenwel verminderd met de maanden en kwartalen die de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot reeds heeft genoten sinds 1 juli 1997 krachtens het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en haar uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van artikel 2bis van voornoemd koninklijk besluit en de uitvoeringsbesluiten van dat artikel]1.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/47, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 01-07-2019>
  (2)<W 2020-12-22/25, art. 18, 005; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  HOOFDSTUK 5. - Gemeenschappelijke bepalingen

  Afdeling 1. - De aanvraagprocedure

  Art. 8.§ 1. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten moeten hun aanvraag indienen bij het sociaal verzekeringsfonds waarbij zij het laatst waren aangesloten.
  Op straffe van verval moet de aanvraag ingediend worden ten laatste binnen het tweede kwartaal volgend op het kwartaal waarin het in artikel 5, § 2, bedoelde feit zich voordoet.
  [1 Indien het in artikel 5, § 2, bedoelde feit zich voordoet in de periode van 1 april 2020 tot en met 31 december 2020, wordt de aanvraagtermijn verlengd met twee kwartalen.]1
  § 2. De aanvraag moet worden ingediend met een aangetekend schrijven, door neerlegging van een verzoekschrift ter plaatse tegen ontvangstbewijs of, indien mogelijk, via elektronische weg, volgens de modaliteiten en voorwaarden vastgesteld in de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid.
  Het sociaal verzekeringsfonds registreert elke op bovenvermelde wijze ingediende aanvraag in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
  Wanneer de aanvraag wordt ingediend met een ter post aangetekend schrijven, geldt de datum van de poststempel als datum waarop de aanvraag is ingediend.
  Wanneer de aanvraag wordt ingediend door het neerleggen van een verzoekschrift ter plaatse, registreert het sociaal verzekeringsfonds de aanvraag onmiddellijk en overhandigt de aanvrager een ontvangstbewijs waarop de datum van registratie vermeld wordt. De datum van registratie geldt als datum waarop de aanvraag is ingediend.
  Wanneer de aanvraag wordt ingediend via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum waarop de aanvraag is ingediend.
  § 3. Het sociaal verzekeringsfonds nodigt de aanvrager onverwijld uit om binnen de dertig dagen een inlichtingenformulier behoorlijk in te vullen, te ondertekenen en terug te sturen.
  ----------
  (1)<W 2020-12-22/25, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Afdeling 2. - De beslissing

  Art. 9. Het sociaal verzekeringsfonds gaat na of aan de voorwaarden van deze wet en de uitvoeringsbesluiten is voldaan.
  Het sociaal verzekeringsfonds betekent de beslissing aan de aanvrager bij een aangetekend schrijven. Indien de aanvraag wordt verworpen, worden de reden alsook de beroepsmogelijkheden voor de arbeidsrechtbank er in vermeld.
  Het sociaal verzekeringsfonds registreert de beslissing in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
  Zodra het sociaal verzekeringsfonds een beslissing heeft genomen, gaat het, zo nodig, over tot de uitbetaling van de financiėle uitkering.

  Afdeling 3. - Het maandelijks bedrag van de financiėle uitkering

  Art. 10.[1 § 1. [3 Het maandelijks bedrag van de financiėle uitkering bedraagt [5 1.317, 52 euro]5.
   De begunstigde kan echter aanspraak maken op het bedrag van [5 1.646, 38 euro]5, [4 op voorwaarde dat hij een persoon ten laste heeft in de zin van 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994]4.
   [4 Het hebben van een persoon ten laste]4 wordt bewezen aan de hand van een attest van de verzekeringsinstelling.
   Zolang het sociaal verzekeringsfonds niet over het vereiste attest beschikt, kan er slechts aanspraak gemaakt worden op het maandelijks bedrag bedoeld in het eerste lid. Wanneer op grond van het vereiste attest blijkt [4 dat de begunstigde een persoon ten laste heeft]4, dient het sociaal verzekeringsfonds de vereiste regularisatie uit te voeren.
   Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 147,31 (basis 1996 = 100).]3
   § 2. Wanneer de begunstigde in de loop van de toekenningsperiode van het overbruggingsrecht een persoon ten laste in de zin van paragraaf 1 verkrijgt of ophoudt deze te hebben, wordt de wijziging in het maandelijks bedrag uitgevoerd vanaf de maand die op die gebeurtenis volgt.
   § 3. De begunstigden bedoeld in artikel 4, 3°, die in toepassing van de bepalingen in artikel 7, § 1, en artikel 11, § 4, voor een bepaalde kalendermaand geen aanspraak kunnen maken op het maandelijks bedrag bedoeld in § 1, hebben, voor zover ze geen aanspraak kunnen maken op een vervangingsinkomen, [2 (met uitzondering van hetgeen bepaald is in artikel 5/1, § 1, 5° )]2 recht op de volgende financiėle uitkering:
   1° 100 procent van het maandelijks bedrag bepaald in § 1, wanneer de onderbreking van de beroepsactiviteit minstens 28 opeenvolgende kalenderdagen duurt;
   2° 75 procent van het maandelijks bedrag bepaald in § 1, wanneer de onderbreking van de beroepsactiviteit minstens 21 opeenvolgende kalenderdagen duurt;
   3° 50 procent van het maandelijks bedrag bepaald in § 1, wanneer de onderbreking van de beroepsactiviteit minstens 14 opeenvolgende kalenderdagen duurt;
   4° 25 procent van het bedrag bepaald in § 1, wanneer de onderbreking van de beroepsactiviteit minstens 7 opeenvolgende kalenderdagen duurt.
   In geval van een onderbreking van de beroepsactiviteit die minder dan 7 opeenvolgende kalenderdagen duurt, heeft betrokken zelfstandige geen recht op een financiėle uitkering.]1
  ----------
  (1)<W 2020-12-22/25, art. 19, 005; Inwerkingtreding : 01-03-2020>
  (2)<W 2020-12-22/25, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  (3)<W 2020-12-20/09, art. 60, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  (4)<W 2021-02-28/07, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-03-2020>
  (5)<KB 2021-08-14/14, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  Afdeling 4. - Wijzigingen

  Art. 11. § 1. Zodra het sociaal verzekeringsfonds op de hoogte is van enig element dat een beletsel vormt voor het genot van het in artikel 3 bedoelde overbruggingsrecht, betekent het sociaal verzekeringsfonds, bij een aangetekend schrijven, een nieuwe gemotiveerde beslissing. Het sociaal verzekeringsfonds registreert elke nieuwe beslissing in het informaticanetwerk van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat beheerd wordt door het Rijksinstituut.
  § 2. De begunstigden zijn verplicht het sociaal verzekeringsfonds elke gebeurtenis die mogelijkerwijze een invloed heeft op de financiėle uitkering en de sociale rechten, mee te delen binnen de vijftien kalenderdagen.
  § 3. Elke wijziging in de in artikel 5 bedoelde voorwaarden heeft uitwerking :
  1° voor de in artikel 3, 1°, bedoelde financiėle uitkering, de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de wijziging;
  2° voor de in artikel 3, 2°, bedoelde sociale rechten, de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de wijziging.
  § 4. De financiėle uitkering wordt opgeschort gedurende de hele maand waarin een beroepsactiviteit wordt uitgeoefend of de hele maand waarin er aanspraak kan worden gemaakt op een vervangingsinkomen.

  Afdeling 5. - Terugvordering

  Art. 12. Het sociaal verzekeringsfonds moet overgaan tot de terugvordering van de onterecht uitbetaalde bedragen, zo nodig langs gerechtelijke weg. De teruggevorderde bedragen worden overgemaakt aan het Rijksinstituut.
  In het geval de begunstigde niet aan artikel 6 voldoet of, wetens en willens, niet elke gebeurtenis die mogelijkerwijze een invloed heeft op de financiėle uitkering en de sociale rechten heeft meegedeeld aan zijn sociaal verzekeringsfonds overeenkomstig artikel 11, § 2, wordt de financiėle uitkering die hij genoten heeft, bovendien integraal teruggevorderd door het sociaal verzekeringsfonds dat deze financiėle uitkering uitbetaald heeft.

  Art. 13. Het Rijksinstituut kan geheel of gedeeltelijk afzien van de terugvordering van de financiėle uitkering die ten onrechte werd uitbetaald.
  Dergelijke verzaking is slechts mogelijk :
  1° indien de schuldenaar zich in staat van behoefte bevindt of in een toestand die de staat van behoefte benadert;
  2° wanneer de geringheid van het terug te vorderen bedrag niet verantwoordt dat kosten worden gedaan;
  3° wanneer de terugvordering voortvloeit uit de rechtzetting van een fout begaan door het bevoegde sociaal verzekeringsfonds of een andere instelling van sociale zekerheid.

  Art. 14. Wanneer door nalatigheid van een sociaal verzekeringsfonds, de in artikel 3, 1°, bedoelde financiėle uitkering ten onrechte werd uitbetaald en de terugvordering van het niet-verschuldigde onmogelijk blijkt, wordt het sociaal verzekeringsfonds verantwoordelijk verklaard bij beslissing van de minister die bevoegd is voor het sociaal statuut der zelfstandigen, en worden de bedoelde bedragen ten laste gelegd van de opbrengst van de bijdragen bestemd om de beheerskosten van het betrokken sociaal verzekeringsfonds te dekken.

  Afdeling 6. - Verjaring

  Art. 15. Onverminderd de bepalingen van artikel 8, § 1, tweede lid, verjaart de vordering tot uitbetaling van de in artikel 3, 1°, bedoelde financiėle uitkering na verloop van drie jaar.
  De termijn van drie jaar neemt een aanvang de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het in artikel 5, § 2, bedoelde feit zich voordoet.
  Buiten de oorzaken vermeld in het Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door een verzoek tot betaling, bij een aangetekend schrijven, ingediend bij het bevoegde sociaal verzekeringsfonds. De stuiting is geldig voor drie jaar en mag worden hernieuwd.
  Het bevoegde sociaal verzekeringsfonds mag in geen geval aan het voordeel van de bij dit artikel bepaalde verjaring verzaken.

  Art. 16.De vordering tot terugbetaling van de in artikel 3, 1°, bedoelde financiėle uitkering die ten onrechte werd betaald, verjaart na verloop van drie jaar te rekenen van de datum waarop de uitbetaling werd gedaan.
  Buiten de oorzaken vermeld in het Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door een, bij een aangetekend schrijven, aan de schuldenaar betekende vordering tot terugbetaling van wat ten onrechte werd uitbetaald.
  De verjaringstermijn wordt op vijf jaar gebracht indien de ten onrechte uitbetaalde financiėle uitkering werd bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen of nog indien de begunstigde de verplichting bepaald in artikel 11, § 2, niet heeft nageleefd. [1 Die termijn gaat in op de dag waarop het sociaal verzekeringsfonds kennis heeft van de bedrieglijke handelingen, de valse of opzettelijk onvolledige verklaring, het opzettelijk bewerkstelligen van de omstandigheden met het oog op het verkrijgen van het overbruggingsrecht of enig ander voordeel of van het feit dat de begunstigde de verplichting bepaald in artikel 11, § 2, niet heeft nageleefd.]1
  
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/47, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-07-2019>

  Afdeling 7. - Delegatiebepaling

  Art. 17.De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de volgende modaliteiten bepalen :
  1° de situaties die in aanmerking kunnen worden genomen krachtens artikel 4, 3° en 4° ;
  2° de wijze waarop het bewijs van een situatie wordt geleverd krachtens artikel 4, 3° en 4° ;
  3° de elementen die door het sociaal verzekeringsfonds dienen te worden geverifieerd krachtens artikel 4, 3° en 4° ;
  4° het ogenblik waarop de onderbreking van de zelfstandige activiteit, in de gevallen bedoeld in artikel 4, 3°, geacht wordt aan te vangen;
  5° onverminderd de toepassing van artikel 5, § 1, en artikel 7, § 3, de koppeling van de duur van het overbruggingsrecht aan de periode tijdens dewelke de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot pensioenrechten heeft opgebouwd in het sociaal statuut der zelfstandigen;
  6° dat in afwijking van artikel 10, § 1, een lager bedrag van de financiėle uitkering toegekend zal worden aan de meewerkende echtgenoten;
  7° de voorwaarden om toe te laten af te wijken van artikel 5, § 1, 4°, en artikel 11, § 4;
  [1 8° het bedrag van de financiėle uitkering zoals bedoeld in artikel 10, § 1, verhogen;]1
  [2 9° de voorwaarden waarop het maandelijks bedrag zoals bedoeld in artikel 10, § 1, kan worden toegekend aan meerdere begunstigden binnen eenzelfde gezin.]2
  ----------
  (1)<W 2020-12-20/09, art. 61, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  (2)<W 2021-02-28/07, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  HOOFDSTUK 6. - Wijzigingsbepalingen

  Art. 18. In artikel 1, tweede lid, 4°, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 november 1996, worden de woorden "de sociale verzekering in geval van faillissement" vervangen door de woorden "het overbruggingsrecht.".

  Art. 19. In artikel 15, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 16 januari 2013, worden de woorden "of die zijn activiteit gedwongen heeft stopgezet in de zin van artikel 2, § 3, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, daarmee gelijkgestelde situaties of gedwongen stopzetting" vervangen door de woorden "of die zijn activiteit gedwongen heeft onderbroken in de zin van artikel 4, 3°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen".

  Art. 20. Artikel 18, § 3bis, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 november 1996 en gewijzigd bij de wet 16 januari 2013, wordt vervangen als volgt :
  " § 3bis. Het stelsel van het overbruggingsrecht wordt geregeld door de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen.".

  Art. 21. Artikel 32, eerste lid, 6° ter, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de wet van 17 juli 2015, wordt vervangen als volgt :
  "6° ter. de zelfstandigen die het behoud van de sociale rechten in het kader van het overbruggingsrecht genieten, bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, gedurende ten hoogste vier kwartalen.
  Wat de in artikel 4 van voornoemde wet bedoelde zelfstandigen, helpers of meewerkende echtgenoten betreft, vangt deze periode van vier kwartalen aan op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het feit bedoeld in artikel 5, § 2, van voornoemde wet zich voordoet;".

  Art. 22. In artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, laatst gewijzigd bij de Programmawet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder d) wordt vervangen als volgt :
  "d) het overbruggingsrecht;";
  2° de bepaling onder f) wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK 7. - Opheffings-, overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen

  Art. 23. Opgeheven worden :
  1° het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998, 24 januari 2002, 27 december 2004, 27 april 2007, 24 juli 2008, 19 juni 2009, 19 mei 2010, 16 januari 2013 en 16 december 2015;
  2° het koninklijk besluit van 6 juli 1997 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, daarmee gelijkgestelde situaties of gedwongen stopzetting, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 maart 2013;
  3° het koninklijk besluit van 14 januari 1999 tot uitvoering van artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, daarmee gelijkgestelde situaties of gedwongen stopzetting, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 september 2003, 26 april 2007 en 13 maart 2013;
  4° het koninklijk besluit van 13 maart 2013 tot uitvoering van artikel 2, § 3, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, daarmee gelijkgestelde situaties of gedwongen stopzetting en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
  5° het ministerieel besluit van 23 juli 1997 tot vaststelling van het model van inlichtingsformulier voor het verkrijgen van een sociale verzekering in geval van faillissement, in uitvoering van het koninklijk besluit van 6 juli 1997 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
  6° het ministerieel besluit van 7 april 1999 tot vaststelling van het model van inlichtingsformulier voor het verkrijgen van een sociale verzekering in geval van faillissement, in uitvoering van het koninklijk besluit van 6 juli 1997 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.

  Art. 24.§ 1. De in artikel 23 bedoelde besluiten blijven van toepassing op alle stopzettingen, bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, die hebben plaatsgevonden vóór de datum van de inwerkingtreding van deze wet.
  § 2. [1 Deze wet is van toepassing op alle in artikel 5, § 2, van deze wet bedoelde feiten, die plaatsvinden vanaf de datum van inwer-kingtreding ervan, met uitzondering van:
   1° artikel 5/1, ingevoegd bij de wet van 22 december 2020 tot instelling van verschillende maatregelen ten gunste van zelfstandigen in de context van de COVID-19-crisis, dat van toepassing is op de in artikel 5, § 2, van deze wet bedoelde feiten die zich voordoen in de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2021;
   2° de wijziging van artikel 10, § 3, eerste lid, zoals ingevoegd door artikel 7 van de wet van 22 december 2020 tot instelling van ver-schillende maatregelen ten gunste van zelfstandigen in de context van de COVID-19-crisis, die van toepassing is op de in artikel 5, § 2, van deze wet bedoelde feiten die zich voordoen in de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2021.
   De Koning kan voor de termijn bepaald in de bepalingen onder 1° en 2° van deze paragraaf, de uiterste vervaldag verlengen met hoogstens drie maanden bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]1
  ----------
  (1)<W 2021-07-18/03, art. 45, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  Art. 25. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2017.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 22 december 2016.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Sociale zaken,
Mevr M. DE BLOCK
De Minister van Zelfstandigen,
W. BORSUS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-08-2021 GEPUBL. OP 31-08-2021
    (GEWIJZIGD ART. : 10)
  • originele versie
  • WET VAN 18-07-2021 GEPUBL. OP 29-07-2021
    (GEWIJZIGD ART. : 24)
  • originele versie
  • WET VAN 28-02-2021 GEPUBL. OP 25-03-2021
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 17)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2020 GEPUBL. OP 31-12-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 5/1; 8; 10; 7)
  • originele versie
  • WET VAN 20-12-2020 GEPUBL. OP 30-12-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 17)
  • originele versie
  • WET VAN 23-03-2020 GEPUBL. OP 24-03-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 10)
  • originele versie
  • WET VAN 02-05-2019 GEPUBL. OP 28-06-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 4; 5; 6; 7; 16)
  • originele versie
  • WET VAN 18-02-2018 GEPUBL. OP 02-03-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 5)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54 2167 Integraal Verslag : 15 december 2016

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 8 gearchiveerde versies
    Franstalige versie