J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2014/03/26/2014014243/justel

Titel
26 MAART 2014. - Wet betreffende de exploitatieveiligheid van de museumspoorlijnen

Bron :
MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 03-06-2014 nummer :   2014014243 bladzijde : 42430       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2014-03-26/35
Inwerkingtreding : 13-06-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - Algemene bepalingen
Art. 1-3
TITEL 2. - Uitbating van de museumspoorlijnen
HOOFDSTUK 1. - Uitbatingsmachtiging
Art. 4-13
HOOFDSTUK 2. - Veiligheidsvoorschriften
Afdeling 1. - Veiligheidsbeheersysteem
Art. 14-15
Afdeling 2. - Verplichtingen inzake de uitbating van museumspoorlijnen
Art. 16-19
TITEL 3. - Aansprakelijkheid en verzekering
Art. 20-21
TITEL 4. - Opdrachten en bevoegdheden van de veiligheidsinstantie
Art. 22-25
TITEL 5. - Onderzoeken naar spoorwegongevallen
Art. 26-38
TITEL 6. - Slotbepalingen en inwerkingtreding
Art. 39
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  Art. 2. Deze wet regelt het geheel van de voorschriften betreffende de exploitatieveiligheid van de museumspoorlijnen.
  Deze wet is niet van toepassing op het rollend materieel :
  1° dat uitsluitend gebruikt wordt op de baanvakken van de museumspoorlijn die tijdelijk gesloten zijn voor het normale verkeer ten behoeve van het onderhoud, de vernieuwing of de herinrichting van de museumspoorlijn;
  2° dat gebruikt wordt voor de rangeringen op de pleinen van een stelplaats of van een werkplaats.

  Art. 3. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° "materieel" : het rollend materieel dat gebruikt wordt op de museumspoorlijninfrastructuur;
  2° "Minister" : de minister die bevoegd is voor de regulering van het spoorvervoer;
  3° "museumspoorlijn" : de buiten dienst gestelde maar niet-ontmantelde spoorlijn van de spoorweginfrastructuur waarvan de eigenaar of titularis van een zakelijk recht op die spoorlijn akkoord is om ze te bestemmen voor een toeristisch, patrimoniaal of museaal karakter;
  4° "museumspoorlijnuitbater" : de rechtspersoon of natuurlijke persoon die een museumspoorlijn uitbaat;
  5° "kandidaat-uitbater" : de rechtspersoon of natuurlijke persoon die een museumspoorlijn wil uitbaten;
  6° "uitbating" : het beheer en het gebruik van de museumspoorlijn voor het toeristisch treinverkeer;
  7° "expert materieel" : de natuurlijke persoon of rechtspersoon beschikkende over een beroepservaring van minstens vijf jaar op het vlak van de techniek van rollend spoormaterieel. Natuurlijke personen hebben deze beroepservaring verworven bij een spoorwegonderneming, een constructeur van spoormaterieel of een onderhoudsbedrijf van spoormaterieel;
  8° "expert infrastructuur" : de spoorweginfrastructuurbeheerder, bedoeld in de Spoorcodex;
  9° "museumspoorlijninfrastructuur" : de museumspoorlijn en de installaties, de kunstwerken en aanhorigheden ten dienste van de uitbating van een museumspoorlijn.
  De kunstwerken omvatten onder meer alle bruggen evenals de ondergrondse bouwwerken vanaf 1,5 meter doorsnede;
  10° "veiligheidsinstantie" : de overheid belast met de taken betreffende de veiligheid op het spoor, bedoeld in de Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten;
  11° "onderzoeksorgaan" : het orgaan aangewezen om onderzoeken uit te voeren naar ongevallen en incidenten, bedoeld in de Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten;
  12° "ernstig ongeval" : ernstig ongeval, bedoeld in de Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten;
  13° "referentiesnelheid" : de maximale snelheid die is toegelaten op de baanvakken van de museumspoorlijn.

  TITEL 2. - Uitbating van de museumspoorlijnen

  HOOFDSTUK 1. - Uitbatingsmachtiging

  Art. 4. Om een museumspoorlijn uit te baten, beschikt de museumspoorlijnuitbater over een uitbatingsmachtiging, afgeleverd door de veiligheidsinstantie.
  Het eerste lid is niet van toepassing op :
  1° de uitvoering van proefritten met het materieel op de museumspoorlijninfrastructuur;
  2° de testen van procedures in verband met het veiligheidsbeheersysteem;
  3° de uitvoering van ritten met het oog op het onderhoud, het beheer of de vernieuwing van de museumspoorlijninfrastructuur.
  Het is verboden om tijdens het verkeer, bedoeld in het tweede lid, reizigers te vervoeren.

  Art. 5. Voorafgaand aan de indiening van de schriftelijke aanvraag tot het bekomen van een uitbatingsmachtiging, hierna bepaald in artikel 6, belast de kandidaat-uitbater :
  1° een expert infrastructuur met de uitvoering van een technische inspectie van de sporen en overwegen, alsmede van de kunstwerken;
  2° een expert materieel met de uitvoering van een technische inspectie van het materieel.
  De expert infrastructuur en de expert materieel stellen de bevindingen van de technische inspectie, bedoeld in het eerste lid, vast in een schriftelijk verslag.
  De Koning bepaalt de retributie voor de tussenkomst van de expert infrastructuur.

  Art. 6. De kandidaat-uitbater richt zijn aanvraag voor een uitbatingsmachtiging schriftelijk aan de veiligheidsinstantie, uiterlijk drie maanden vóór de geplande uitbating van de museumspoorlijn.

  Art. 7. De aanvraag, bedoeld in artikel 6, is vergezeld van het technisch dossier, dat tenminste de volgende inlichtingen bevat :
  1° de volledige identificatie- en contactgegevens van de kandidaat-uitbater, vergezeld van elk relevant stuk betreffende de aard van zijn organisatie, zoals bijvoorbeeld, de statuten en het organigram;
  2° de gegevens met betrekking tot de juiste geografische ligging van de museumspoorlijn;
  3° de indicatieve beschrijving van de voorgenomen activiteit, waaronder de periodes en de frequentie van gebruik;
  4° de beschrijving van het materieel van de kandidaat-uitbater, met inbegrip van het bewijs van de verenigbaarheid van het materieel met de museumspoorlijninfrastructuur;
  5° de verslagen van de expert infrastructuur en de expert materieel, bedoeld in artikel 5, tweede lid;
  6° de beschrijving van het veiligheidsbeheersysteem, dat de in de Bijlage bedoelde elementen bevat.

  Art. 8. De veiligheidsinstantie onderzoekt en deelt zo vlug mogelijk, en uiterlijk twee maanden na ontvangst van de aanvraag en het bijbehorende dossier, aan de kandidaat-uitbater mede of het dossier beantwoordt aan de veiligheidsvoorschriften, bedoeld in Hoofdstuk 2.
  Indien het dossier niet volledig is of indien nodig, vraagt de veiligheidsinstantie aan de kandidaat-uitbater de ontbrekende stukken of bijkomende inlichtingen. De termijn van twee maanden, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort tot de datum van ontvangst van de gevraagde inlichtingen.

  Art. 9. Wanneer het dossier beantwoordt aan de veiligheidsvoorschriften, bedoeld in Hoofdstuk 2, levert de veiligheidsinstantie de uitbatingsmachtiging af.

  Art. 10. De kandidaat-uitbater of de titularis van de uitbatingsmachtiging informeert onverwijld de veiligheidsinstantie van elke substantiële wijziging, die zich heeft voorgedaan na indiening van de aanvraag voor een uitbatingsmachtiging of tijdens de uitbating van de museumspoorlijn, met betrekking tot :
  1° de veiligheidsvoorschriften, bedoeld in Hoofdstuk 2;
  2° de museumspoorlijninfrastructuur, het materieel of de uitbatingsmodaliteiten.
  Met "substantiële wijziging" wordt bedoeld, gelijk welke belangrijke verbetering, vernieuwing of wijziging die de technische of functionele eigenschappen van de uitbatingsmogelijkheden verandert.

  Art. 11. De uitbatingsmachtiging is tien jaar geldig en kan op verzoek van de museumspoorlijnuitbater worden hernieuwd.
  Ingeval van hernieuwing legt de titularis van de uitbatingsmachtiging, drie maanden vóór de vervaldag van de geldigheidstermijn bedoeld in het eerste lid, de documenten bedoeld in artikel 7, aan de veiligheidsinstantie voor, met het oog op een nieuwe analyse en onderzoek.
  De veiligheidsinstantie kan iedere bijkomende inlichting die zij nuttig acht, opvragen.

  Art. 12. De veiligheidsinstantie kan eisen dat de uitbatingsmachtiging geheel of gedeeltelijk wordt herzien, wanneer :
  1° een situatie ontstaan is of dreigt te ontstaan die de exploitatieveiligheid van de museumspoorlijn in het gedrang brengt;
  2° de veiligheidsvoorschriften, bedoeld in Hoofdstuk 2, ingrijpend wijzigen;
  3° de museumspoorlijninfrastructuur, het materieel of de uitbatingsmodaliteiten ingrijpend wijzigen.

  Art. 13. De uitbatingsmachtiging kan geheel of gedeeltelijk geschorst of ingetrokken worden door de veiligheidsinstantie, wanneer :
  1° een situatie ontstaan is die de exploitatieveiligheid van de museumspoorlijn in het gedrang brengt;
  2° de titularis niet meer aan de voorwaarden voor het bekomen van de uitbatingsmachtiging voldoet of ze niet naleeft;
  3° de titularis van de uitbatingsmachtiging gedurende het jaar, dat volgde op de aflevering, of gedurende twee opeenvolgende toeristische seizoenen er geen gebruik van heeft gemaakt.

  HOOFDSTUK 2. - Veiligheidsvoorschriften

  Afdeling 1. - Veiligheidsbeheersysteem

  Art. 14. Het veiligheidsbeheersysteem waarborgt de beheersing van alle risico's die de uitbating van de museumspoorlijn met zich meebrengt en beschrijft eveneens de maatregelen die zullen genomen worden ingeval van gestoorde situatie of gestoord treinverkeer.
  Het veiligheidsbeheersysteem bevat de elementen beschreven in de Bijlage.

  Art. 15. De museumspoorlijnuitbater stuurt aan de veiligheidsinstantie, vóór 1 februari van elk jaar, een verslag over de toestand van de exploitatieveiligheid tijdens het vorige kalenderjaar. Dit veiligheidsverslag bevat de inlichtingen over de werking en de opvolging van het veiligheidsbeheersysteem.
  De Koning kan een model voor het veiligheidsverslag, bedoeld in het eerste lid, bepalen en bijkomende inhoudelijke elementen voorschrijven.

  Afdeling 2. - Verplichtingen inzake de uitbating van museumspoorlijnen

  Art. 16. De museumspoorlijnuitbater stelt de regels van uitbating op en baat de museumspoorlijn dienovereenkomstig uit, alsmede in overeenstemming met het veiligheidsbeheersysteem en met de door de Koning bepaalde veiligheidsvoorschriften met betrekking tot de infrastructuur, het materieel en het veiligheidspersoneel.

  Art. 17. De referentiesnelheid van het spoorverkeer op een museumspoorlijn bedraagt 50 kilometer per uur.

  Art. 18. De museumspoorlijnuitbater licht onmiddellijk het onderzoeksorgaan in van het zich voordoen van een ernstig ongeval volgens de door deze laatste bepaalde modaliteiten.
  De museumspoorlijnuitbater licht eveneens onmiddellijk de minister, de veiligheidsinstantie en de gerechtelijke instanties in van het zich voordoen van een ernstig ongeval.

  Art. 19. § 1. Elk ernstig ongeval maakt het voorwerp uit van een verslag, waarvan een afschrift binnen drie werkdagen door de museumspoorlijnuitbater naar het onderzoeksorgaan verstuurd wordt, overeenkomstig de door deze laatste bepaalde modaliteiten.
  De verbeteringen, herzieningen en/of bijkomende inlichtingen, die niet binnen de drie werkdagen beschikbaar zijn, zullen aan het onderzoeksorgaan worden bezorgd, overeenkomstig de door deze laatste bepaalde modaliteiten, van zodra ze beschikbaar zijn.
  De Koning kan de inlichtingen die het verslag bevat, bepalen.
  § 2. Na het zich voordoen van een ernstig ongeval bezorgt de museumspoorlijnuitbater zo spoedig mogelijk zijn volledig onderzoeksverslag aan het onderzoeksorgaan.

  TITEL 3. - Aansprakelijkheid en verzekering

  Art. 20. De aansprakelijkheid van de museumspoorlijnuitbater wordt geregeld door het gemene recht en de bijzondere regelingen inzake het vervoer van personen.

  Art. 21. De museumspoorlijnuitbater verzekert zich afdoende tegen alle risico's die voortvloeien uit de uitbating van de museumspoorlijn.

  TITEL 4. - Opdrachten en bevoegdheden van de veiligheidsinstantie

  Art. 22. De opdrachten van de veiligheidsinstantie zijn, onder andere, de volgende :
  1° de afgifte, de vernieuwing, de wijziging, de schorsing en de intrekking van de uitbatingsmachtiging;
  2° de controle van de conformiteit van de uitbating van de museumspoorlijn met de veiligheidsvoorschriften, bedoeld in Titel 2.

  Art. 23. De veiligheidsinstantie kan, in uitvoering van haar taken bedoeld in artikel 22, al de noodzakelijke maatregelen nemen om de veiligheidsvoorschriften te doen naleven, met inbegrip van het verbod voor het personeel om te rijden of om het materieel of de museumspoorlijninfrastructuur te gebruiken.
  De agenten van de veiligheidsinstantie beschikken, in het kader van het toezicht op de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, over dezelfde bevoegdheden als deze bepaald in artikel 213 van de Spoorcodex.

  Art. 24. De veiligheidsinstantie verricht haar taken op een open, niet-discriminerende en transparante wijze. Zij geeft alle partijen de gelegenheid te worden gehoord en zij motiveert haar beslissingen.

  Art. 25. Het bezit van de hoedanigheid van agent van de veiligheidsinstantie wordt ter kennis gebracht van derden aan de hand van een legitimatiebewijs, waarvan de Koning het model bepaalt.

  TITEL 5. - Onderzoeken naar spoorwegongevallen

  Art. 26. Het onderzoeksorgaan stelt een onderzoek in na elk ernstig ongeval, dat zich op de museumspoorlijn heeft voorgedaan.

  Art. 27. Zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de politiediensten en de gerechtelijke overheden en, in voorkomend geval, in samenwerking met deze instanties, krijgt het onderzoeksorgaan zo snel mogelijk :
  1° toegang tot de plaats van het ernstig ongeval, het betrokken materieel en de museumspoorlijninfrastructuur;
  2° het recht om onmiddellijk een inventaris van het bewijsmateriaal te krijgen en de verwijdering van wrakstukken, installaties of infrastructuuronderdelen onder toezicht te verrichten met het oog op onderzoek of analyse;
  3° toegang tot de inhoud van bandopnemers van mondelinge berichten en van opnames van de boordapparatuur, en tot de opname van de werking van het sein- en verkeersregelingssysteem, evenals de mogelijkheid om deze te gebruiken;
  4° toegang tot de resultaten van het onderzoek van het lichaam van de slachtoffers;
  5° toegang tot de resultaten van de onderzoeken onder het treinpersoneel en ander spoorwegpersoneel dat bij het ongeval betrokken is;
  6° de mogelijkheid om het betrokken spoorpersoneel en andere getuigen te ondervragen, en het recht om kopieën te verkrijgen van de verklaringen die deze personen bij andere instanties hebben afgelegd;
  7° toegang tot gelijk welke relevante informatie of document in het bezit van de museumspoorlijnuitbater.

  Art. 28. Het bezit van de hoedanigheid van hoofdonderzoeker, van toegevoegd onderzoeker, van lid van het onderzoeksorgaan of van de door het onderzoeksorgaan gelaste expert, wordt ter kennis gebracht van derden aan de hand van een legitimatiebewijs, waarvan de Koning het model bepaalt.

  Art. 29. Tijdens hun verplaatsingen op het terrein :
  1° zijn de onderzoekers gehouden zich onmiddellijk te identificeren bij de plaatselijke verantwoordelijke;
  2° schikken de onderzoekers zich naar de regels met betrekking tot de arbeidsveiligheid, die in het intern reglement van de museumspoorlijnuitbater opgenomen zijn, en die hen werden medegedeeld.

  Art. 30. De voorwerpen, die bepalend zijn voor het onderzoek, en die door de onderzoekers bewaard worden :
  1° worden gemerkt, van een etiket voorzien en opgeborgen in een verzegeld pakket, op zodanige wijze dat de personen, die ze bijeen gebracht hebben, ze later met zekerheid zouden kunnen herkennen;
  2° worden ter beschikking gehouden van de personen die overgaan tot het vooronderzoek, het gerechtelijk onderzoek of het verhoor.

  Art. 31. Zodra het onderzoek beëindigd is, worden de voorwerpen bewaard op de plaats aangeduid door het onderzoeksorgaan.
  De duur van de bewaring bedraagt drie jaar indien de voorwerpen betrekking hebben op een persoonsongeval en drie maanden in de andere gevallen. Deze termijn vangt aan op het einde van het onderzoek.
  Bij het verstrijken van de termijn, bedoeld in het tweede lid, beslist de instantie die de plaats van bewaring aangeduid heeft, of de houder de voorwerpen kan vrijgeven, behoudens andersluidende beslissing van de gerechtelijke overheden.

  Art. 32. Wanneer uit de door het onderzoeksorgaan verzamelde indiciën blijkt dat de oorzaak van het ernstig ongeval een inbreuk zou kunnen zijn, waarschuwt het onderzoeksorgaan onmiddellijk de politiediensten en de gerechtelijke overheden.

  Art. 33. Het onderzoek wordt op een dusdanige wijze gevoerd dat alle partijen kunnen worden gehoord en met eerbiediging van de rechten van de betrokkenen.

  Art. 34. Voor elk ongeval bedoeld in artikel 26, treft het onderzoeksorgaan de vereiste schikkingen. Zij doet meer bepaald beroep op de operationele en technische competenties, noodzakelijk om het onderzoek te leiden. Deze competenties kunnen binnen of buiten het onderzoeksorgaan betrokken worden, in functie van de aard van het ongeval of incident.

  Art. 35. Het onderzoeksorgaan beëindigt zijn onderzoeken op de plaats van het ongeval zo spoedig mogelijk, teneinde de museumspoorlijnuitbater toe te laten de lijn te herstellen en zo snel mogelijk te heropenen.

  Art. 36. Het onderzoek wordt uitgevoerd onafhankelijk van gelijk welke gerechtelijke inlichting of aanwijzing, en kan in geen enkel geval de vaststelling van de schuld of van de aansprakelijkheid tot doel hebben.

  Art. 37. Elk onderzoek van een ernstig ongeval maakt het voorwerp uit van een verslag. Dit verslag wordt zo spoedig mogelijk gepubliceerd.
  Het verslag, bedoeld in het eerste lid, geeft de doelstelling van het onderzoek weer en bevat, in voorkomend geval, aanbevelingen op het vlak van veiligheid.
  De aanbevelingen houden in geen enkel geval een vermoeden van schuld of aansprakelijkheid in.

  Art. 38. De museumspoorlijnuitbater stelt al het mogelijke in het werk om uit eigen beweging ten volle mee te werken aan de vaststelling van de oorzaken van het ongeval.
  Hij onthoudt zich van gelijk welke maatregel, die niet vooraf met het onderzoeksorgaan werd afgesproken en die de vaststelling van de oorzaken van het ongeval kan vertragen of schaden.
  Het is verboden voor de museumspoorlijnuitbater om op zijn initiatief een onderdeel te verplaatsen dat in een ongeval betrokken is geweest, of dit veroorzaakt heeft, behoudens in geval van noodzakelijkheid bij, bijvoorbeeld, een berging en/of een verwijdering van hindernissen voor het verkeer.

  TITEL 6. - Slotbepalingen en inwerkingtreding

  Art. 39. Deze wet is uiterlijk twaalf maanden na haar datum van inwerkingtreding van toepassing op de reeds in uitbating zijnde museumspoorlijnen.

  BIJLAGE.

  Art. N. Bijlage bij de wet van 26 maart 2014 betreffende de exploitatieveiligheid van de museumspoorlijnen
  Veiligheidsbeheersysteem
  1. Eisen inzake het veiligheidsbeheersysteem
  Alle onderdelen van het veiligheidsbeheersysteem worden gedocumenteerd.
  Het systeem beschrijft in het bijzonder hoe de verantwoordelijkheden binnen de organisatie van de museumspoorlijnuitbater zijn verdeeld.
  Het geeft aan hoe de uitbating van de museumspoorlijn op de verschillende niveaus wordt gecontroleerd, hoe het personeel en de vertegenwoordigers ervan op alle niveaus bij de uitbating worden betrokken en hoe het veiligheidsbeheersysteem voortdurend wordt verbeterd.
  2. Elementen van het veiligheidsbeheersysteem
  De basiselementen van het veiligheidsbeheersysteem zijn :
  a) een veiligheidsbeleid, dat door de verantwoordelijke van de museumspoorlijnuitbater is goedgekeurd en aan het personeel is meegedeeld;
  b) een opsomming van alle veiligheidsfuncties die zullen uitgeoefend worden;
  c) een beschrijving van de door het veiligheidspersoneel uitgeoefende taken en de manier waarop het veiligheidspersoneel opgeleid en opgevolgd wordt;
  d) de plannen en procedures voor de handhaving en de verhoging van de veiligheid met, meer bepaald, de voorzieningen voor de periodieke interne opvolging;
  e) de veiligheidsdocumenten die ter beschikking worden gesteld van het personeel, gelast met de veiligheid;
  f) de uitrustingen die de museumspoorlijnuitbater ter beschikking stelt van de treinbestuurders en de treinbegeleiders, om de onderlinge communicatie in normale en abnormale toestand te verzekeren;
  g) indien de museumspoorlijn een sein- en verkeersregelingsysteem gebruikt, het reglement dat het gebruik, het onderhoud en de procedures van dit systeem beschrijft;
  h) de procedures om ervoor te zorgen dat de ongevallen en incidenten onderzocht worden en dat de nodige preventieve maatregelen getroffen worden;
  i) de plannen voor actie, alarmering en voorlichting in noodgevallen en, in voorkomend geval, de wijze waarop met de bevoegde overheidsinstanties samengewerkt wordt;
  j) de voorzieningen voor periodieke interne controles met betrekking tot het veiligheidsbeheersysteem;
  k) de voorzieningen om, in voorkomend geval, het occasioneel gebruik toe te staan van materieel, dat niet in het dossier van de aanvraag tot uitbatingsmachtiging vermeld is.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 26 maart 2014.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Mevr. J. MILQUET
De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
M. WATHELET
Met `s Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   Zitting 2012-2013.{BR}Kamer van de volksvertegenwoordigers.{BR}Stukken. - Wetsontwerp, 53-3037 - Nr. 1. - Amendement, 53-3037 - Nr. 2. - Verslag, 53-3037- Nr. 3. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, 53-3037 - Nr. 4.{BR}Integraal verslag. - 12 en 13 februari 2014.{BR}Senaat.{BR}Niet-geëvoceerd ontwerp.{BR}

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten
Franstalige versie