J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
13 DECEMBER 2013. - Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Overheid, de Gemeenschappen, de Gewesten en de Gemeenschapscommissies betreffende de uitvoering van artikel 3, ß 1, van het Verdrag inzake stabiliteit, coŲrdinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie

Bron :
KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER.BEGROTING EN BEHEERSCONTROLE.FINANCIEN
Publicatie : 18-12-2013 nummer :   2013206878 bladzijde : 99664       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2013-12-13/02
Inwerkingtreding : 01-01-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-6

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1.
  ß 1. Met het oog op de uitvoering van dit samenwerkingsakkoord, zijn de definities vervat in artikel 2 van het Protocol nr. 12 betreffende de procedure voor buitensporige tekorten, gehecht aan de Verdragen betreffende de Europese Unie, van toepassing.
  ß 2. Voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord moet bovendien worden verstaan onder :
  a) "Verdrag" : Verdrag inzake stabiliteit, coŲrdinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie tussen het Koninkrijk BelgiŽ, de Republiek Bulgarije, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, RoemeniŽ, de Republiek SloveniŽ, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, gedaan te Brussel, op 2 maart 2012;
  b) "middellangetermijndoelstelling" : de middellangetermijndoelstelling van BelgiŽ zoals bepaald in artikel 2bis van de Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coŲrdinatie van het economisch beleid;
  c) "Stabiliteitsprogramma" : het Stabiliteitsprogramma van BelgiŽ, zoals vastgelegd in artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coŲrdinatie van het economisch beleid;
  d) "uitzonderlijke omstandigheden" : een buiten de macht van de betrokken akkoord-sluitende partij vallende ongewone gebeurtenis die een aanzienlijke invloed heeft op de financiŽle positie van de overheid of perioden van ernstige economische neergang, zoals bepaald in het herziene Stabiliteits- en groeipact, mits de budgettaire houdbaarheid op middellange termijn door de tijdelijke afwijking door de akkoord-sluitende partij niet in gevaar komt;
  e) "Stabiliteits- en groeipact" : het Stabiliteits- en groeipact van de Europese Unie berust op de resolutie van de Europese Raad van 17 juni 1997 betreffende het Stabiliteits- en groeipact, de Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coŲrdinatie van het economisch beleid, en de Verordening (EG) nr. 1467/97 van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten.

  Art. 2. ß 1. De begrotingen van de akkoord-sluitende partijen moeten in de lijn liggen van de evenwichtsdoelstelling van de rekeningen van de overheid zoals bepaald in artikel 3 van het Verdrag.
  ß 2. Aan deze regel wordt geacht voor BelgiŽ voldaan te zijn indien het jaarlijks structureel saldo van de gezamenlijke overheid voldoet aan de middellangetermijndoelstelling, of het aanpassingstraject naar deze doelstelling zoals bepaald in het Stabiliteitsprogramma respecteert, met als benedengrens een structureel tekort van 0,5 % van het BBP.
  Deze benedengrens kan echter verlaagd worden tot een structureel tekort van maximum 1 % wanneer de verhouding tussen de algemene overheidsschuld en het BBP aanzienlijk kleiner is dan 60 % en wanneer de risico's wat betreft de houdbaarheid op lange termijn van de overheidsfinanciŽn laag zijn.
  ß 3. Een tijdelijke afwijking van de middellangetermijndoelstelling of van het aanpassingstraject wordt enkel toegestaan in uitzonderlijke omstandigheden.
  ß 4. In het raam van de actualisering van het Stabiliteitsprogramma worden de jaarlijkse begrotingsdoelstellingen van de gezamenlijke overheid, bepaald in structurele termen overeenkomstig de methodes van de Commissie van de Europese Unie, verdeeld in nominale en structurele termen onder de diverse geledingen van de gezamenlijke overheid, op basis van een advies van de Afdeling Financieringsbehoeften van de overheid van de Hoge Raad van FinanciŽn. De Afdeling Financieringsbehoeften van de overheid van de Hoge Raad van FinanciŽn zal, bij die gelegenheid, het gedrag van de lokale overheden inzake investeringen onderzoeken en rekening houden met de eventuele update van de middellangetermijndoelstelling.
  Over de algemene begrotingsdoelstelling van de overheden wordt vooraf overlegd in het Overlegcomitť. De akkoord-sluitende partijen verbinden zich ertoe een maximale inspanning te leveren om tot een consensus te komen. De vaststelling van de individuele budgettaire doelstellingen van de akkoord-sluitende partijen en van de lokale overheden in nominale en structurele termen moet worden goedgekeurd door een beslissing van het Overlegcomitť.

  Art. 3. Elke akkoord-sluitende partij verbindt zich ertoe om, in de uitoefening van haar bevoegdheden en/of van haar voogdij, alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn opdat de lokale overheden de begrotingsdoelstellingen bepaald in artikel 2 naleven.

  Art. 4. ß 1. De Afdeling Financieringsbehoeften van de overheid van de Hoge Raad van FinanciŽn wordt ermee belast jaarlijks de naleving te evalueren van de verbintenissen van de akkoord-sluitende partijen in het raam van dit samenwerkingsakkoord en van de beslissingen van het Overlegcomitť bedoeld in artikel 2, ß 4.
  Bij deze gelegenheid identificeert zij, in geval van vastgestelde afwijking in het resultaat van de lokale overheden, het aandeel van deze afwijking voortvloeiend uit de nieuwe impact van de maatregelen genomen door de Federale Overheid en waarvoor de Gewesten en Gemeenschappen niet verantwoordelijk zijn. Zij formuleert eveneens een advies met betrekking tot het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden bedoeld in artikel 2, ß 3.
  ß 2. Indien de Afdeling Financieringsbehoeften van de overheid van de Hoge Raad van FinanciŽn een significante afwijking van een akkoord-sluitende partij vaststelt in verband met haar verbintenissen in het raam van de in ß 1 vermelde evaluatie, moet de betrokken akkoord-sluitende partij deze afwijking onmiddellijk rechtvaardigen en correctiemaatregelen treffen. De correctiemaatregelen moeten een einde maken aan de afwijking binnen een termijn van 18 maanden, tenzij volgens het advies van de Afdeling Financieringsbehoeften van de overheid van de Hoge Raad van FinanciŽn de economische of institutionele realiteit een langere termijn rechtvaardigt. In elk geval mag de voormelde termijn niet in tegenspraak zijn met een eventuele termijn die door de Europese Unie aan BelgiŽ wordt opgelegd.
  De Afdeling Financieringsbehoeften van de overheid van de Hoge Raad van FinanciŽn wordt ermee belast advies uit te brengen over de omvang van de te treffen correctiemaatregelen.
  ß 3. De Afdeling Financieringsbehoeften van de overheid van de Hoge Raad van FinanciŽn wordt belast met het toezicht op de implementatie van de correctiemaatregelen, zoals bedoeld in ß 2, en met het jaarlijks uitbrengen van advies daarover. Te dien einde zullen alle gegevens die vereist zijn voor het uitoefenen van deze opdracht aan de Hoge Raad van FinanciŽn door de betrokken Regeringen bezorgd worden.
  ß 4. De Afdeling Financieringsbehoeften van de overheid van de Hoge Raad van FinanciŽn wordt belast met een globale evaluatie van de toepassing van het Verdrag en van de samenwerkingsakkoorden door de diverse geledingen van de gezamenlijke Belgische overheid tegen uiterlijk 31 december 2017.

  Art. 5. In voorkomend geval zal een door de Raad van de Europese Unie opgelegde financiŽle sanctie wegens het niet nakomen van aangegane begrotingsverbintenissen worden verdeeld tussen de akkoord-sluitende partijen a rato van de door de Afdeling Financieringsbehoeften van de overheid van de Hoge Raad van FinanciŽn geÔdentificeerde tekortkomingen.

  Art. 6. ß 1. Dit samenwerkingsakkoord wordt afgesloten voor onbepaalde duur.
  ß 2. De Centrale Secretarie van het Overlegcomitť wordt belast met de bekendmaking van dit samenwerkingsakkoord in het Belgisch Staatsblad.
  ß 3. Dit samenwerkingsakkoord zal worden goedgekeurd door alle Parlementen van de akkoord-sluitende partijen.
  ß 4. Dit samenwerkingsakkoord treedt in werking op 1 januari 2014.
  
  Gedaan te Brussel, op 13 december 2013, in ťťn origineel exemplaar in de Nederlandse, Franse en Duitse taal.
  Voor de Federale Staat :
  De Eerste Minister,
  E. Di Rupo
  De Minister van FinanciŽn, belast met Ambtenarenzaken,
  K. Geens
  De Minister van Begroting en Administratieve vereenvoudiging,
  O. Chastel
  Voor de Vlaamse Gemeenschap :
  De Minister-President van de Vlaamse Regering,
  K. Peeters
  De Minister van FinanciŽn, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport,
  Ph. Muyters
  Voor de Franse Gemeenschap :
  De Minister-President van de Franse Gemeenschapsregering,
  R. Demotte
  De Minister van Begroting, FinanciŽn en Sport,
  A. Antoine
  Voor de Duitstalige Gemeenschap :
  De Minister-President van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap,
  K.-H. Lambertz
  Voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie :
  De Voorzitter van het Verenigd College,
  R. Vervoort
  De Minister van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, bevoegd voor het Gezondheidsbeleid, de FinanciŽn, de Begroting en de Externe Betrekkingen,
  G. Vanhengel
  De Minister van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, bevoegd voor het beleid inzake Bijstand aan personen, de FinanciŽn, de Begroting en de Externe Betrekkingen,
  Mevr. E. Huytebroeck
  Voor het Vlaamse Gewest :
  De Minister-President van de Vlaamse Regering,
  K. Peeters
  De Minister van FinanciŽn, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport,
  Ph. Muyters
  Voor het Waalse Gewest :
  De Minister-President van de Waalse Regering,
  R. Demotte
  De Minister van Begroting, FinanciŽn, Werk, Vorming en Sport,
  A. Antoine
  Voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest :
  De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
  R. Vervoort
  De Minister van FinanciŽn, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
  G. Vanhengel
  Voor de Franse Gemeenschapscommissie :
  De Voorzitter van het College,
  Chr. Doulkeridis

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Gelet op de artikelen 1, 2, 3 en 34 van de Grondwet;
   Gelet op artikel 92bis, ß 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
   Gelet op artikel 42 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen;
   Gelet op artikel 49 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten;
   Gelet op artikel 55bis van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap;
   Gelet op het samenwerkingsakkoord van 8 maart 1994 tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten over de nadere regelen voor het sluiten van gemengde Verdragen;
   Gelet op de beslissing van het Overlegcomitť van 29 november 2013 houdende goedkeuring van voorliggend samenwerkingsakkoord;
   Overwegende dat het Koninkrijk BelgiŽ, vertegenwoordigd door de Federale Regering die hiertoe werd gemachtigd door de Deelstaten, het Verdrag inzake stabiliteit, coŲrdinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie op 2 maart 2012 ondertekend heeft;
   Overwegende dat het Verdrag op 1 januari 2013 in werking is getreden;
   Overwegende dat de in artikel 3 van het Verdrag vermelde regels uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag, zijnde op 1 januari 2014, van kracht moeten worden in het nationaal recht van de akkoord-sluitende partijen, middels bindende en permanente bepalingen;
   Overwegende dat de akkoord-sluitende partijen zich ertoe verbinden om samen te werken om de economische, sociale en milieudoelstellingen te bereiken die door de Europese Unie in haar Strategie Europa 2020 vastgelegd werden;
   Overwegende de begrotingsdoelstelling op middellange termijn (MTO) die voor BelgiŽ werd vastgelegd;
   Overwegende dat de regels van het Verdrag van toepassing zijn op de gezamenlijke overheid, met inbegrip van de lokale overheden;
   Overwegende dat de Afdeling Wetgeving van de Raad van State, in punt 8.4.3 van zijn advies nr. 51.725/VR over het voorontwerp van wet houdende instemming met het Verdrag, stelt dat de verschillende bevoegdheidsniveaus die het federale BelgiŽ vormen een samenwerkingsakkoord zouden kunnen sluiten voor de uitvoering van de regels die vervat zijn in artikel 3 van het Verdrag;
   Overwegende dat een in het Overlegcomitť afgesloten samenwerkingsakkoord voor elke ondertekenende partij bindende en permanente bepalingen kan voorzien en een permanent karakter biedt waarvan de volledige inachtneming en naleving gedurende de nationale begrotingsprocessen gewaarborgd kunnen worden;
   Overwegende dat de akkoord-sluitende partijen uitvoering moeten geven aan Richtlijn 2011/85/EU;
   Overwegende de begrotingsverplichtingen die al op grond van de verordeningen Six-Pack en Two-Pack aan het Koninkrijk BelgiŽ opgelegd worden,
   Tussen :
   De Federale Staat, vertegenwoordigd door de Federale Regering, in de persoon van de Eerste Minister, de Minister van FinanciŽn en de Minister van Begroting;
   De Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering, in de persoon van de Minister-President en de Minister van FinanciŽn en Begroting;
   De Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering, in de persoon van de Minister-President en de Minister van FinanciŽn en Begroting;
   De Duitstalige Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering, in de persoon van de Minister-President, bevoegd voor FinanciŽn en Begroting;
   Het Waalse Gewest, vertegenwoordigd door haar Regering, in de persoon van de Minister-President en de Minister van FinanciŽn en Begroting;
   Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door haar Regering, in de persoon van de Minister-President en de Minister van FinanciŽn en Begroting;
   De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, vertegenwoordigd door haar Verenigd College, in de persoon van de Voorzitter en van de leden bevoegd voor FinanciŽn en Begroting;
   De Franse Gemeenschapscommissie, vertegenwoordigd door haar College, in de persoon van de Minister-President, bevoegd voor FinanciŽn en Begroting,
   Wordt overeengekomen hetgeen volgt :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie