J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2013/11/27/2013003449/justel

Titel
27 NOVEMBER 2013. - Wet met betrekking tot de dotaties en de vergoedingen die worden toegekend aan leden van de Koninklijke Familie alsook de transparantie van de financiering van de monarchie

Bron :
FINANCIEN
Publicatie : 30-12-2013 nummer :   2013003449 bladzijde : 103424       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2013-11-27/06
Inwerkingtreding : 01-01-2014

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1994003195        2000003354       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Algemene beginselen inzake de dotaties en vergoedingen die worden toegekend aan leden van de Koninklijke Familie
Art. 2-11
HOOFDSTUK 3. - Transparantie en controle
Art. 12-15
HOOFDSTUK 4. - Gedragsregels
Art. 16-20
HOOFDSTUK 5. - De aan de in artikel 2 bedoelde leden van de Koninklijke Familie toegekende dotaties
Art. 21
HOOFDSTUK 6. - Overgangsbepalingen
Art. 22-23
HOOFDSTUK 7. - Opheffingsbepalingen
Art. 24-25
HOOFDSTUK 8. - Inwerkingtreding
Art. 26

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Algemene beginselen inzake de dotaties en vergoedingen die worden toegekend aan leden van de Koninklijke Familie

  Art. 2. Er kan een dotatie worden toegekend aan :
  - de vermoedelijke troonopvolger,
  - de Koning of Koningin die troonsafstand heeft gedaan,
  - de overlevende echtgenoot of echtgenote van de Koning of Koningin,
  - de overlevende echtgenoot of echtgenote van de afgetreden Koning of Koningin, en
  - de overlevende echtgenoot of echtgenote van de vermoedelijke troonopvolger.
  Elke dotatie wordt bij wet vastgesteld op voorstel van de regering.

  Art. 3. De in artikel 2 bedoelde dotaties bestaan uit :
  1° een aan de inkomstenbelasting onderworpen deel, dat overeenstemt met een bezoldiging, en dat wordt vastgesteld op basis van de bezoldiging van een topfunctie in de magistratuur of in het openbaar ambt, hierna genoemd "bezoldigingsbestanddeel";
  2° een deel dat overeenstemt met de werkings- en personeelsuitgaven, hierna genoemd "deel werking en personeel".

  Art. 4. Het in artikel 3, 1°, bedoelde bezoldigingsbestanddeel evolueert op dezelfde wijze als de bezoldiging van de topfunctie waarop deze is gebaseerd.
  Het in artikel 3, 2°, bedoelde deel werking en personeel evolueert op dezelfde wijze als deze bepaald in de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

  Art. 5. Het in artikel 3, 1°, bedoelde bezoldigingsbestanddeel wordt maandelijks betaald, binnen de zeven dagen na het vervallen van de termijn waarop de vergoeding betrekking heeft.
  Het in artikel 3, 2°, bedoelde deel werking en personeel wordt driemaandelijks betaald, voor het vervallen van de termijn waarop de vergoeding betrekking heeft.

  Art. 6. Het ontvangen van een dotatie zoals bedoeld in artikel 3 is niet verenigbaar met het ontvangen van een ander belastbaar inkomen uit een beroepswerkzaamheid.

  Art. 7. De wet bepaalt het maximum aantal ambtenaren dat ter beschikking wordt gesteld aan de dotatiegerechtigde.
  Indien het in het eerste lid bedoelde maximum wordt overschreden, vallen alle personeelsuitgaven boven dat maximum, ten laste van de dotatie voor werkings- en personeelsuitgaven.

  Art. 8. De gebouwen die behoren tot de Koninklijke Schenking kunnen slechts ter beschikking worden gesteld aan leden van de Koninklijke Familie na akkoord van de minister van Financiën.

  Art. 9. Aan de leden van de Koninklijke Familie die geen dotatie ontvangen krachtens artikel 2 kan bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een vergoeding worden toegekend voor de uitoefening van prestaties van algemeen belang.
  Het koninklijk besluit bepaalt de omvang van de prestaties, de duur gedurende dewelke deze worden uitgeoefend alsook de omvang van de vergoeding die ervoor wordt toegekend.

  Art. 10. Het equivalent van twee diplomaten wordt ter beschikking gesteld van het lid van de Koninklijke Familie dat de handelsmissies begeleidt.

  Art. 11. De leden van de Koninklijke Familie die een in artikel 3 bedoelde dotatie genieten, houden zich aan de in hoofdstuk 4 bedoelde regels.
  Indien deze bepalingen niet worden nageleefd, kan de regering nadat ze de betrokkene heeft gehoord, aan de Kamer van volksvertegenwoordigers voorstellen om over te gaan tot een inhouding op de in artikel 3 bedoelde dotatie die hem of haar is toegekend.

  HOOFDSTUK 3. - Transparantie en controle

  Art. 12. De dotaties worden jaarlijks ingeschreven op de algemene uitgavenbegroting van het Rijk.
  Alle uitgaven die verband houden met de Koninklijke Familie worden vermeld in een gemeenschappelijk begrotingsprogramma.

  Art. 13. Alle gemaakte uitgaven op basis van artikel 3, 2°, worden geregistreerd. Jaarlijks worden de voornaamste rubrieken van de rekeningen betreffende de in artikel 3, 2°, bedoelde werkings- en personeelsuitgaven bekendgemaakt.

  Art. 14. De eerste voorzitter en de voorzitter van het Rekenhof onderzoeken de wettigheid en de regelmatigheid van de op het deel werking en personeel aangerekende uitgaven.

  Art. 15. Jaarlijks bezorgen de leden van de Koninklijke Familie die een in artikel 3 bedoelde dotatie genieten of die, in voorkomend geval, een in artikel 9 bedoelde vergoeding ontvangen, aan de eerste minister een verslag over hun activiteiten van algemeen belang tijdens het afgelopen jaar. De eerste minister zendt dit verslag over aan de Federale Kamers.

  HOOFDSTUK 4. - Gedragsregels

  Art. 16. In het kader van hun activiteiten nemen de leden van de Koninklijke Familie deel aan de vergaderingen of openbare bijeenkomsten waarvoor hun aanwezigheid of hun medewerking wordt gevraagd, voor zover deze deelname geen afbreuk doet aan de waardigheid en de eerbaarheid van hun functies, en hun neutraliteit niet in het gedrang dreigt te brengen.
  Ze verplaatsen zich in die hoedanigheid zowel in België als in het buitenland.

  Art. 17. Om rekening te houden met de eventuele politieke implicaties die reizen van de leden van de Koninklijke Familie in het buitenland kunnen hebben, wordt elk plan om in privéverband of openbaar verband te reizen buiten de Europese Economische Ruimte meegedeeld aan de minister van Buitenlandse Zaken.
  Elke reis naar het buitenland die een politieke betekenis kan hebben, en met name indien deze contact met de hoge autoriteiten van de Staat in kwestie omvat, wordt meegedeeld aan de minister van Buitenlandse Zaken. De minister brengt binnen een termijn van acht dagen een advies uit over de opportuniteit van een dergelijke reis en, in voorkomend geval, over de voorwaarden waaronder de reis kan plaatsvinden. Deze reis kan in elk geval slechts plaatsvinden na eensluidend advies van de minister.

  Art. 18. Op de contacten van de leden van de Koninklijke Familie in België met de autoriteiten van buitenlandse Staten, internationale organisaties of de vertegenwoordigers ervan zijn de in artikel 17 bepaalde regels van toepassing, tenzij het gaat om contacten die hun plaats kunnen hebben in het kader van vertegenwoordigingsactiviteiten.

  Art. 19. Te allen tijde waken de leden van de Koninklijke Familie erover de waardigheid en de eerbaarheid van hun functies niet in gevaar te brengen door hun woorden, hun houdingen of hun gedragingen.

  Art. 20. In de uitoefening van hun functies stellen de leden van de Koninklijke Familie zich gereserveerd op bij het openbaar uiten van hun mening, ongeacht de aangelegenheid of het gebruikte medium.
  De leden van de Koninklijke Familie getuigen van respect voor de politieke, filosofische, ideologische of religieuze opvattingen die in een democratische samenleving tot uiting worden gebracht.

  HOOFDSTUK 5. - De aan de in artikel 2 bedoelde leden van de Koninklijke Familie toegekende dotaties

  Art. 21. Aan Hare Majesteit Koningin Fabiola wordt er ten laste van de Openbare Schatkist een jaarlijkse levenslange dotatie toegekend van 461 500 euro.
  Het in artikel 3, 1°, bedoelde bezoldigingsbestanddeel bedraagt met de brutoaanvangswedde van een staatsraad.

  HOOFDSTUK 6. - Overgangsbepalingen

  Art. 22. § 1. Aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid wordt er ten laste van de Openbare Schatkist een jaarlijkse dotatie toegekend van 320.000 euro.
  De bepalingen van de hoofdstukken 2 tot 4 zijn van toepassing op deze dotatie.
  Het in artikel 3, 1°, bedoelde bezoldigingsbestanddeel bedraagt de brutoaanvangswedde van een staatsraad.
  § 2. Maximum een onderofficier en een lagere officier worden ter beschikking gesteld van Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid.

  Art. 23. § 1. Aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent wordt er ten laste van de Openbare Schatkist een jaarlijkse dotatie toegekend van 307 000 euro.
  De bepalingen van de hoofdstukken 2 tot 4 zijn van toepassing op deze dotatie.
  Het in artikel 3, 1°, bedoelde bezoldigingsbestanddeel bedraagt de brutoaanvangswedde van een staatsraad.
  § 2. Maximum een onderofficier wordt ter beschikking gesteld van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent.

  HOOFDSTUK 7. - Opheffingsbepalingen

  Art. 24. De wet van 16 november 1993 houdende vaststelling van de Civiele Lijst voor de duur van de regering van Koning Albert II, tot toekenning van een jaarlijkse en levenslange dotatie aan Hare Majesteit Koningin Fabiola en van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip wordt opgeheven.

  Art. 25. De wet van 7 mei 2000 houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip, een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid en een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK 8. - Inwerkingtreding

  Art. 26. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2014.
  
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 27 november 2013.
  FILIP
  Van Koningswege :
  De Eerste Minister,
  E. DI RUPO
  De Minister van Financiën, belast met Ambtenarenzaken,
  K.GEENS
  De Staatssecretaris voor Staatshervorming,
  S.VERHERSTRAETEN
  De Staatssecretaris voor Staatshervorming,
  M. WATHELET
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  Mevr. A. TURTELBOOM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers : 53-2960 -2012/2013 : Nr. 1 : Wetsvoorstel. Nr. 2 : Amendementen. Nr. 3 : Verslag. Nr. 4 : Tekst verbeterd door de commissie. 53-2960 -2013/2014 : Nr. 5 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat. Integraal Verslag : 10 oktober 2013. Stukken van de Senaat : 5-2283 -2013/2014 : Nr. 1 : Ontwerp geëvoceerd door de Senaat. Nr. 2 : Amendementen. Nr. 3 : Verslag. Nr. 4 : Beslissing om niet te amenderen. Handelingen van de Senaat : 24 oktober 2013.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie