J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 5 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2013/09/24/2013002046/justel

Titel
24 SEPTEMBER 2013. - Koninklijk besluit betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 04-10-2013 en tekstbijwerking tot 19-07-2017)

Bron : PERSONEEL EN ORGANISATIE
Publicatie : 04-10-2013 nummer :   2013002046 bladzijde : 69415       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2013-09-24/04
Inwerkingtreding : 01-11-2013

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1975040205        1993000483        2002002233        2009002033        1939080750        1973010803        1998002123       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - Grondslagen en actoren van de evaluatie
Art. 3-4
HOOFDSTUK III. - Evaluatieperiode, toegekende vermeldingen, verslagen en procedures
Afdeling 1. [1 - Specifieke bepalingen voor de evaluatieperiode van het personeelslid dat geen stagiair is]1
Art. 5-10
Afdeling 2. - [1 Specifieke bepalingen voor de stage]1
Art. 10/1, 10/2, 10/3, 10/4, 10/5, 10/6, 10/7, 10/8, 10/9, 10/10
Afdeling 3. [1 - Gemeenschappelijke bepalingen voor de verslagen, de vermeldingen en de evaluatieprocedure]1
Art. 11-18, 18/1, 19-20
HOOFDSTUK IV. - Het evaluatiedossier
Art. 21-22
HOOFDSTUK V. - Beroep van een personeelslid tegen een evaluatieverslag en een eindvermelding [1 en aanhangigmaking bij de bevoegde commissie in het kader van een stage]1
Art. 23
Afdeling 1. [1 - De commissie]1
Art. 24-30
Afdeling 2. [1 - Beroep tegen een evaluatieverslag en de eindvermelding van een personeelslid dat geen stagiair is]1
Art. 30/1, 31-32
Afdeling 3. - [1 Bevoegdheden van de beroepscommissie inzake stage]1
Art. 32/1, 32/2, 32/3
HOOFDSTUK VI. - Gevolgen voor de loopbaan van de personeelsleden
Art. 33-36, 36/1
HOOFDSTUK VII.
Art. 37
HOOFDSTUK VIII.
Art. 38
HOOFDSTUK IX. - Jaarlijks verslag
Art. 39
HOOFDSTUK X. - Opheffings-, wijzigings-, overgangs- en slotbepalingen
Art. 40-49

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities

  Artikel 1.§ 1. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. Het is echter niet van toepassing op het wetenschappelijk personeel van de wetenschappelijke instellingen.
  § 2. [1 ...]1
  Dit besluit is niet van toepassing op de mandaathouders.
  § 3. Het gebruik van de mannelijke vorm in dit koninklijk besluit is gemeenslachtig.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 17, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 2.In dit besluit verstaat men onder :
  1° federale dienst : een federale overheidsdienst of een programmatorische federale overheidsdienst, alsook de diensten die ervan afhangen, het Ministerie van Landsverdediging alsook de diensten die ervan afhangen of een van de rechtspersonen bedoeld in artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;
  2° federaal openbaar ambt : het geheel van de federale diensten;
  3° federale overheidsdiensten : de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten, alsook de diensten die ervan afhangen;
  4° openbare instellingen van sociale zekerheid : de instellingen die vallen onder het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, in toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
  5° instellingen van openbaar nut : de rechtspersonen bedoeld in artikel 1, 3°, van de voormelde wet van 22 juli 1993 die geen openbare instellingen van sociale zekerheid zijn;
  [6° personeelslid] : elke werknemer te werk gesteld door een federale dienst; <Erratum, B. St. 29-10-2013, ED. 2, p. 82830>
  [7° ambtenaar] : elk personeelslid van een federale dienst van wie de arbeidsrelatie met de overheid eenzijdig door deze overheid wordt bepaald; <Erratum, B. St. 29-10-2013, ED. 2, p. 82830>
  [8° stagiair] : de ambtenaar die een stage vervult, niet vastbenoemd is en de eed niet heeft afgelegd in deze functie; <Erratum, B. St. 29-10-2013, ED. 2, p. 82830>
  9° contractueel : elk personeelslid dat met een arbeidsovereenkomst in dienst wordt genomen in een federale dienst;
  10° mandaathouder : de ambtenaar die een management- of een staffunctie uitoefent in het kader van een mandaat van bepaalde duur;
  11° leidend ambtenaar : de voorzitter van het directiecomité van een federale overheidsdienst, de voorzitter van een programmatorische federale overheidsdienst, de leidend ambtenaar of de ambtenaar belast met het dagelijks beheer van een openbare instelling van sociale zekerheid of van een instelling van openbaar nut, de ambtenaar die de directieraad van het Ministerie van Landsverdediging voorzit;
  12° P&O-directeur : de directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie of, in de federale diensten waar deze functie niet is toegekend, de ambtenaar die verantwoordelijk is voor de dienst belast met het humanresourcesmanagement of, bij gebrek hieraan, de ambtenaar die verantwoordelijk is voor de personeelsdienst;
  13° directeur-generaal : met uitzondering van de leidend ambtenaar, de mandaathouder die hiërarchisch het dichtst bij een personeelslid staat;
  14° directeur : met uitzondering van de leidend ambtenaar, de hiërarchische meerdere die geen mandaathouder is en hiërarchisch het dichtst bij een ambtenaar staat die zelf de hiërarchische meerdere is van andere personeelsleden;
  15° hiërarchische meerdere : de ambtenaar aan wie de directeur-generaal of, bij afwezigheid, de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde de verantwoordelijkheid over een dienst of over een team heeft toegekend en die dientengevolge rechtstreeks gezag uitoefent over de personeelsleden van die dienst of van dat team;
  16° functionele chef : de ambtenaar, de contractueel of de statutair die onder een andere rechtstoestand ressorteert die, onder de verantwoordelijkheid van de hiërarchische meerdere van een personeelslid, een rechtstreekse gezagsrelatie heeft ten aanzien van deze laatste bij het dagelijks uitoefenen van zijn ambt;
  17° evaluator : de hiërarchische meerdere van het personeelslid of de functionele chef aan wie de hiërarchische meerdere de evaluatietaak heeft gedelegeerd;
  18° functiebeschrijving : de beschrijving van het doel van de functie, de resultaatsgebieden, de functievereisten en de functiecontext waarin het personeelslid functioneert;
  19° werkdag : alle dagen van de week, met uitzondering van zaterdagen, zondagen en feestdagen;
  20° arbeidsregeling : gemiddeld aantal prestatie-uren per week;
  21° ouderschapsverlof : het onbezoldigd ouderschapsverlof toegekend door het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen evenals het ouderschapsverlof toegekend in het kader van de loopbaanonderbreking;
  22° verlof gekoppeld aan de bescherming van het moederschap : het moederschapverlof of de arbeidsonderbreking bedoeld in de artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 18, tweede lid, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd;
  23° gebruiker van de dienst : de personen en organisaties die gebruikmaken van de diensten van een federale dienst, ongeacht of ze extern zijn aan het federaal openbaar ambt of er deel van uitmaken;
  24° federale mobiliteit, interfederale mobiliteit, ambtshalve mobiliteit, terbeschikkingstelling : de federale mobiliteit, de interfederale mobiliteit, de ambtshalve mobiliteit, de terbeschikkingstelling bedoeld in het koninklijk besluit van 15 januari 2007 betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt.
  [1 25° stage : evaluatieperiode van een stagiair.]1
  [2 De uitdrukking "personeelslid" bedoeld in de definities in 6°, 7° en 9° van het eerste lid moet worden begrepen als "lid van het burgerpersoneel" als ze betrekking heeft op het Ministerie van Landsverdediging.]2
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 18, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2017-07-13/08, art. 112, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2017>

  HOOFDSTUK II. - Grondslagen en actoren van de evaluatie

  Art. 3.De evaluatie is hoofdzakelijk gebaseerd op de volgende elementen :
  1° het bereiken van de prestatiedoelstellingen vastgelegd tijdens het planningsgesprek en eventueel aangepast tijdens de functioneringsgesprekken;
  2° de ontwikkeling van de competenties van het personeelslid die nuttig zijn voor zijn functie;
  3° in voorkomend geval, de kwaliteit van de evaluaties die het personeelslid heeft uitgevoerd, als hij daarmee belast is.
  De evaluatie berust eveneens op de volgende elementen :
  1° de bijdrage van het personeelslid aan de prestaties van het team waarin hij werkt;
  2° de beschikbaarheid van het personeelslid voor de gebruikers van de dienst, zowel interne als externe.
  [1 Wanneer ze betrekking hebben op de stage worden de in het eerste lid bedoelde elementen bepaald om :
   1° de optimale integratie van de stagiair binnen zijn federale dienst en binnen het federaal openbaar ambt in het algemeen mogelijk te maken;
   2° aan te tonen of de stagiair over de vereiste bekwaamheden beschikt om de zaken uit te voeren die verbonden zijn aan de betrekking waarvoor hij aangewezen is.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 19, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 4. De Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie staat voor de opleiding van de evaluatoren in, op vraag van deze. Ze stelt ook opleidingen ter beschikking van de geëvalueerden, ondermeer onder de vorm van modules on line.

  HOOFDSTUK III. - Evaluatieperiode, toegekende vermeldingen, verslagen en procedures

  Afdeling 1. [1 - Specifieke bepalingen voor de evaluatieperiode van het personeelslid dat geen stagiair is]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 20, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 5.De evaluatieperiode bedraagt één jaar, vanaf 1 januari tot 31 december.
  De evaluatieperiode begint echter :
  1° bij de benoeming van de ambtenaar na afloop van een stage [1 ...]1 of na een federale mobiliteit, een interfederale mobiliteit, een ambtshalve mobiliteit of een terbeschikkingstelling;
  2° op de eerste dag van de uitvoering van de overeenkomst voor een contractueel;
  3° op de dag zelf waarop het personeelslid van functie verandert.
  Als de evaluatieperiode vóór 1 juli begint, eindigt ze op 31 december.
  Als de evaluatieperiode na 30 juni begint, eindigt ze zes maanden later. De volgende periode begint de dag daarna en eindigt op 31 december.
  Wanneer de behoeften van de dienst een verandering van functie tijdens een evaluatieperiode voorschrijven, vangt er een nieuwe evaluatieperiode aan.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 21, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 6.[1 Het personeelslid dat meer dan de helft van de evaluatieperiode afwezig is, krijgt geen evaluatie, maar krijgt ambtshalve de vermelding "voldoet aan de verwachtingen".
  [2 Het eerste lid is enkel van toepassing voor de maanden waarin het personeelslid geldelijke anciënniteit verwerft.]2. Het feit dat het personeelslid de laatste trap van zijn weddeschaal heeft bereikt, verhindert zijn vooruitgang binnen de schaalanciënniteit niet.
   De niet gepresteerde periodes tengevolge van een deeltijdse arbeidsregeling worden niet als afwezigheden beschouwd in de zin van dit artikel.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 22, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>
  (2)<KB 2016-08-03/21, art. 39, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 7.[1 Er vindt een functiegesprek plaats in het begin van de evaluatieperiode]1 wanneer het personeelslid vastbenoemd wordt, in dienst genomen wordt of van functie verandert. Er wordt ook een functiegesprek gehouden wanneer de functie belangrijke veranderingen ondergaat.
  Tijdens het functiegesprek worden de evaluator en het personeelslid het eens over de functiebeschrijving. Indien er geen consensus kan worden bereikt, organiseert de P & O-directeur of zijn afgevaardigde een bemiddeling. Als de bemiddeling mislukt, legt de directeur en, bij afwezigheid, de directeur-generaal de functiebeschrijving bij een met redenen omklede beslissing vast.
  Vanaf het begin van de [1 ...]1 evaluatieperiode, in voorkomend geval onmiddellijk na het functiegesprek, vindt een planningsgesprek plaats. Tijdens dit planningsgesprek stellen de evaluator en het personeelslid zowel kwalitatieve als kwantitatieve prestatiedoelstellingen en, eventueel, persoonlijke ontwikkelingsdoelstellingen vast. Indien er geen consensus kan worden bereikt, organiseert de P & O-directeur of zijn afgevaardigde een bemiddeling. Als de bemiddeling mislukt, legt de directeur en, bij afwezigheid, de directeur-generaal de prestatie- en ontwikkelingsdoelstellingen bij een met redenen omklede beslissing vast.
  Indien de prestatiedoelstellingen voor het geheel van alle personeelsleden van een dienst of team zijn bepaald, zijn de in het derde lid bepaalde prestatiedoelstellingen conform die doelstellingen.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 23, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 8.Tijdens de evaluatieperiode wordt, telkens dat nodig is, een functioneringsgesprek gehouden tussen de evaluator en het personeelslid.
  Tijdens het functioneringsgesprek kunnen onder meer aan bod komen :
  1° oplossingen voor knelpunten in verband met het functioneren van het personeelslid;
  2° oplossingen voor knelpunten die het bereiken van de afgesproken doelstellingen bemoeilijken; deze kunnen zowel betrekking hebben op de organisatie en de werking van de dienst, de begeleiding door de evaluator als op externe factoren;
  3° de ontwikkeling van het personeelslid binnen de huidige functie;
  4° de loopbaanperspectieven en -verwachtingen van het personeelslid en de ontwikkeling van competenties die hiervoor wenselijk zijn.
  De prestatie- en ontwikkelingsdoelstellingen kunnen in onderling akkoord worden aangepast tijdens het functioneringsgesprek.
  In het voorkomend geval, moeten de prestatiedoelstellingen verenigbaar zijn met de syndicale voorrechten bepaald in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en het koninklijk besluit van 28 septembrer 1984 tot uitvoering van de wet.
  De prestatie- en ontwikkelingsdoelstellingen worden aangepast in geval van wijziging van de arbeidsregeling.
  Het personeelslid kan een functioneringsgesprek vragen. De evaluator doet hem hiervan een ontvangstmelding bij voorkeur per e-mail.
  Indien een personeelslid gedurende meer dan vijftig werkdagen ononderbroken afwezig is, nodigt de evaluator hem uit voor een functioneringsgesprek bij zijn werkhervatting [1 behalve als op dat ogenblik een evaluatiegesprek moet plaatsvinden, overeenkomstig artikel 9, vierde lid]1.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 24, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 9. Op het einde van de evaluatieperiode nodigt de evaluator het personeelslid uit voor een evaluatiegesprek.
  Het evaluatiegesprek vindt plaats in de laatste maand van de evaluatieperiode of in de maand die volgt op het einde van de evaluatieperiode.
  Als de evaluatie een personeelslid betreft dat evaluator is, wordt de in het tweede lid bedoelde termijn met een maand verlengd.
  Als het personeelslid op het tijdstip van het gesprek afwezig is, wordt het gesprek verschoven naar de maand die volgt op de werkhervatting.

  Art. 10. In geval van vertrek uit een federale dienst of van verandering van functie binnen een federale dienst, wordt de periode afgesloten met een evaluatie indien deze ten minste zes maanden heeft geduurd.

  Afdeling 2. - [1 Specifieke bepalingen voor de stage]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 10/1. [1 De stage duurt één jaar. Zij begint op de eerste dag of op de vijftiende dag van een maand.
  Onverminderd artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen wordt de stage voltijds verricht. Op vraag van de betrokken stagiair kan ze halftijds of voor vier vijfden plaatsvinden wanneer de betrokken stagiair een persoon met een handicap is, zoals bepaald in artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage. In dat geval wordt de stageduur op evenredige wijze verlengd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 10/2. [1 § 1. Om de duur van de verrichte stage te berekenen worden alle perioden waarin de stagiair in de stand van dienstactiviteit is in aanmerking genomen.
  § 2. Periodes van afwezigheid gedurende de stage hebben een verlenging van deze stage tot gevolg, vanaf het moment dat ze, in één of verschillende malen, dertig werkdagen overschrijden, zelfs als de stagiair in de stand van dienstactiviteit is.
  Komen niet in aanmerking voor de berekening van de dertig werkdagen : afwezigheden als gevolg van :
  1° het jaarlijks vakantieverlof;
  2° de artikelen 14, 15, en 20 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen;
  3° de artikelen 81, §§ 1 en 2, en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
  4° het verlof voor de uitoefening van een functie binnen een secretariaat, een beleidscel, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid van een lid van de federale regering.
  De eventuele verlenging neemt de in het eerste lid bedoelde dertig dagen prestaties niet in aanmerking.
  § 3. Tijdens zijn afwezigheden behoudt de stagiair zijn hoedanigheid van stagiair en zijn administratieve stand wordt vastgesteld overeenkomstig de reglementaire bepalingen die op hem van toepassing zijn.
  § 4. Gedurende de periode van verlenging van de stage beslist de evaluator in overleg met de P&O-directeur of zijn gemachtigde of er voor de stagiair reden bestaat hetzij om zijn opleiding voort te zetten, hetzij voor enig andere maatregel tot perfectionering.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 10/3. [1 Onverminderd de oorzaken van verlenging bedoeld in artikel 10/2 kan de stage maximaal met één derde van haar duur worden verlengd in de gevallen bepaald in de artikelen 32/2, § 2, 2° en 32/2, § 3, 1°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 10/4. [1 Gedurende de periode van verlenging van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 10/5. [1 In elke federale dienst wordt de stage geleid door de evaluator.
  Het akkoord van de P&O-directeur of zijn gemachtigde is vereist wanneer dit uitdrukkelijk vermeld is in de bepalingen van dit besluit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 10/6.[1 De stagiair kan worden afgedankt wegens beroepsongeschiktheid.
  Voor elke zware fout begaan gedurende of ter gelegenheid van de stage kan de stagiair die er zich schuldig aan maakt zonder opzegging worden afgedankt. De betrokkene moet vooraf gehoord of aangemaand worden.
  Het ontslag bedoeld in het eerste en het tweede lid wordt uitgesproken op voorstel van de bevoegde beroepscommissie inzake evaluatie, [2 door de leidend ambtenaar]2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<KB 2016-08-03/21, art. 40, 003; Inwerkingtreding : 01-10-2016>

  Art. 10/7. [1 § 1. De stage bestaat minstens uit :
  1° een functiegesprek;
  2° een planningsgesprek;
  3° drie functioneringsgesprekken zoals bepaald in artikel 10/8;
  4° een evaluatiegesprek.
  § 2. Zodra de stage begint, wordt er een functiegesprek gehouden. Er wordt ook een functiegesprek gehouden wanneer de functie in belangrijke mate is gewijzigd.
  Tijdens het functiegesprek kent de evaluator de functiebeschrijving toe aan de stagiair.
  § 3. Onmiddellijk na het functiegesprek vindt er een planningsgesprek plaats. Tijdens dit planningsgesprek bepaalt de evaluator zowel kwalitatieve als kwantitatieve prestatiedoelstellingen en ten minste twee persoonlijke ontwikkelingsdoelstellingen.
  Het planningsgesprek van de stagiair bepaalt in welke mate aan elke in het eerste lid bepaalde doelstelling moet voldaan worden om de beoordeling van de evolutie van de stagiair tijdens elk verplicht functioneringsgesprek bepaald in artikel 10/8 mogelijk te maken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 10/8. [1 § 1. In geval van een stage moeten er drie functioneringsgesprekken worden gehouden tussen de evaluator en de stagiair. Ze worden evenwichtig gespreid over de hele evaluatieperiode.
  Het doel van deze gesprekken is om de balans op te maken van de functionering van de stagiair, de behaalde resultaten, de eventuele moeilijkheden en de middelen die moeten worden ingezet om die te verhelpen. Op vraag van de stagiair neemt de P&O-directeur of zijn gemachtigde deel aan de gesprekken.
  Om de evolutie van de stagiair in de loop van de stage te kunnen beoordelen, worden de doelstellingen die tijdens het planningsgesprek zijn vastgelegd of tijdens een vorig functioneringsgesprek zijn aangepast, aangevuld, aangepast of verduidelijkt tijdens elk verplicht functioneringsgesprek.
  Elk verplicht functioneringsgesprek wordt afgesloten met een verslag en er wordt één van de vermeldingen bedoeld in artikel 12 toegekend op basis van de criteria bepaald in artikelen 13 tot 16.
  Als deze verplichting niet wordt nageleefd, houdt de P&O-directeur of zijn gemachtigde zelf het verplichte functioneringsgesprek.
  § 2. De evaluator bezorgt de stagiair het verslag van het verplichte functioneringsgesprek binnen de twintig werkdagen na het gesprek. Er wordt onverwijld een kopie daarvan bezorgd aan de P&O-directeur, behalve als deze reeds ingelicht werd overeenkomstig artikel 18/1, § 1.
  § 3. De functioneringsvermelding verkregen tijdens de verplichte functioneringsgesprekken van de stage heeft geen enkele invloed op de loopbaan van de ambtenaar. Het enige gevolg ervan is dat :
  1° ze, in geval van een vermelding "uitzonderlijk", "voldoet aan de verwachtingen" of "te verbeteren" de voortzetting van de stage met zich meebrengt;
  2° ze, in geval van een vermelding "onvoldoende", behoudens het akkoord bedoeld in artikel 32/1, tweede lid, de aanhangigmaking bij de bevoegde beroepscommissie inzake evaluatie zoals bepaald in artikel 24 met zich meebrengt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 10/9. [1 Op het einde van de stage nodigt de evaluator de stagiair uit voor een evaluatiegesprek.
  Het evaluatiegesprek vindt plaats in de laatste maand van de stage, die eventueel werd verlengd.
  Als het personeelslid op het tijdstip van het gesprek afwezig is, wordt het gesprek verschoven naar de maand die volgt op de werkhervatting.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 10/10. [1 De verandering van aanwijzing van een stagiair leidt ertoe dat er een verplicht stagefunctioneringsgesprek wordt gehouden en, in voorkomend geval, een functiegesprek in geval van verandering van functie.
  Op zijn schriftelijk verzoek of op voorstel van de bevoegde beroepscommissie inzake evaluatie kan de stagiair gedurende de stage benoemd worden bij een andere federale dienst, voor zover enerzijds de leidend ambtenaar van de federale dienst waar de stagiair in het begin van zijn stage benoemd werd of zijn gemachtigde en anderzijds de leidend ambtenaar van de andere federale dienst of zijn gemachtigde hun toestemming hebben gegeven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Afdeling 3. [1 - Gemeenschappelijke bepalingen voor de verslagen, de vermeldingen en de evaluatieprocedure]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 26, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 11.Na afloop van het functiegesprek, het planningsgesprek, de functioneringsgesprekken en het evaluatiegesprek stelt de evaluator een verslag op.
  Onverminderd [1 het artikel 30/1]1, heeft het personeelslid het recht om zijn aanmerkingen en opmerkingen te laten opnemen in elk verslag. De evaluator doet hem hiervan een ontvangstmelding bij voorkeur, per e-mail.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 27, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 12. Het evaluatieverslag wordt afgesloten met één van de volgende vermeldingen : uitzonderlijk, voldoet aan de verwachtingen, te verbeteren en onvoldoende.
  Het heeft uitwerking op het einde van de evaluatieperiode.

  Art. 13.§ 1. De vermelding "voldoet aan de verwachtingen" wordt toegekend aan het personeelslid dat aan de volgende vier criteria voldoet :
  1° het overgrote gedeelte van zijn prestatiedoelstellingen hebben gerealiseerd;
  2° over de competenties beschikken die noodzakelijk zijn om zijn functie op een bevredigende wijze uit te oefenen of die competenties hebben ontwikkeld als een dergelijke doelstelling tijdens het planningsgesprek was vastgesteld;
  3° beschikbaar zijn geweest voor de gebruikers van de dienst;
  4° op een behoorlijke manier hebben bijgedragen tot de teamprestaties.
  Als het personeelslid aan de eerste drie criteria voldoet, heeft het recht op de vermelding "voldoet aan de verwachtingen", behalve als het niet-nakomen van het laatste criterium van dien aard is dat het de goede werking of het imago van de dienst ernstig schaadt zonder het voorwerp van een tuchtprocedure uit te maken.
  § 2. Als het een personeelslid betreft die belast is met de evaluatie van andere personeelsleden wordt de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" pas toegekend als bovendien ten minste 90 % van [1 de]1 evaluaties [1 , en, in voorkomend geval, van de verplichte stagefunctioneringsgesprekken,]1 zijn uitgevoerd binnen de vastgestelde termijnen en overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 28, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 14.§ 1. De vermelding "te verbeteren" wordt toegekend aan het personeelslid dat :
  1° ofwel maar tussen de 50 en 70 % van zijn prestatiedoelstellingen heeft gerealiseerd;
  2° ofwel de competenties die noodzakelijk zijn om zijn functie op een bevredigende wijze te kunnen blijven uitoefenen niet heeft ontwikkeld terwijl het die doelstelling kreeg toegewezen tijdens het planningsgesprek;
  3° ofwel weinig beschikbaar was voor de gebruikers van de dienst.
  De bijdrage tot de teamprestaties wordt beoordeeld als een verzwarend of verzachtend element. Ze kan echter op zich de vermelding "te verbeteren" rechtvaardigen als het niet-nakomen van dat criterium van dien aard is dat het de goede werking of het imago van de dienst ernstig schaadt. Als het personeelslid echter het voorwerp is van een tuchtprocedure voor feiten die dat domein betreffen, mag hier met die feiten geen rekening worden gehouden.
  § 2. Als het een personeelslid betreft dat belast is met de evaluatie van andere personeelsleden wordt, behalve als de vermelding "onvoldoende" zich opdringt, de vermelding "te verbeteren" ambtshalve toegekend als minder dan 90 % van de evaluaties [1 , en, in voorkomend geval, van de verplichte stagefunctioneringsgesprekken,]1 zijn uitgevoerd, of als de evaluaties buiten de vastgestelde termijnen of niet overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk zijn uitgevoerd.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 29, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 15.[§1] De vermelding "onvoldoende" wordt toegekend aan het personeelslid dat : <Erratum, B. St. 29-10-2013, ED. 2, p. 82830>
  1° ofwel minder dan 50 % van zijn prestatiedoelstellingen heeft gerealiseerd;
  2° ofwel niet de competenties heeft ontwikkeld die noodzakelijk zijn om zijn functie uit te oefenen en die niet meer op een bevredigende wijze kan uitoefenen, terwijl het die ontwikkelingsdoelstelling kreeg toegewezen tijdens het planningsgesprek;
  3° ofwel niet beschikbaar was voor de gebruikers van de dienst, ondanks de vermaningen die het gedurende de hele periode kreeg en onder voorbehoud dat die feiten geen voorwerp van een tuchtprocedure uitmaken.
  De bijdrage tot de teamprestaties wordt beoordeeld als een verzwarend of verzachtend element. Als het personeelslid echter het voorwerp is van een tuchtprocedure voor feiten die dat domein betreffen, mag hier met die feiten geen rekening worden gehouden.
  § 2. Als het een personeelslid betreft die belast is met de evaluatie van andere personeelsleden wordt de vermelding "onvoldoende" toegekend als minder dan 70% van de evaluaties [1 , en, in voorkomend geval, van de verplichte stagefunctioneringsgesprekken,]1 zijn uitgevoerd binnen de vastgestelde termijnen en overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 29, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 16.[§ 1.] De vermelding "uitzonderlijk" wordt toegekend aan het personeelslid dat aan de volgende vier criteria voldoet : <Erratum, B. St. 29-10-2013, ED. 2, p. 82830>
  1° niet alleen al zijn prestatiedoelstellingen heeft gerealiseerd maar die in meerdere domeinen ook heeft overtroffen;
  2° zijn competenties heeft ontwikkeld ver boven de gewone eisen die noodzakelijk zijn om zijn functie op een bevredigende wijze uit te oefenen;
  3° meer dan gemiddeld heeft bijgedragen tot de teamprestaties;
  4° uitermate beschikbaar was voor de gebruikers van de dienst.
  § 2. Als het een personeelslid betreft die belast is met de evaluatie van andere personeelsleden eist de toekenning van de vermelding "uitzonderlijk" bovendien dat alle evaluaties [1 , en, in voorkomend geval, van de verplichte stagefunctioneringsgesprekken,]1 wel degelijk zijn uitgevoerd binnen de vastgestelde termijnen en overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, en dat de ambtenaar een echte leader van zijn team is gebleken, die het team ertoe kan brengen zijn doelstellingen te overtreffen.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 30, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 17.Tijdens de evaluatieperiode brengt de functionele chef de hiërarchische meerdere van het personeelslid onmiddellijk op de hoogte als hij vreest dat de evaluatie met de vermelding "te verbeteren" of de vermelding "onvoldoende" [1 , of, in voorkomend geval, het verplichte stagefunctioneringsgesprek,]1 moet worden afgesloten.
  [1 De functionele chef die het tijdens een verplicht stagefunctioneringsgesprek nodig acht om een stagiair de vermelding "onvoldoende" te geven, brengt de hiërarchische meerdere van de stagiair daarvan op de hoogte. In dat geval voert de hiërarchische meerdere zelf het verplichte functioneringsgesprek en beslist hij over de toe te kennen functioneringsvermelding.]1
  De functionele chef die, na afloop van het evaluatiegesprek, het nodig acht om een personeelslid de vermelding "onvoldoende", "te verbeteren" of "uitzonderlijk" te geven, brengt de hiërarchische meerdere van het personeelslid daarvan op de hoogte. De hiërarchische meerdere neemt zelf de evaluatie van het personeelslid over, met wie hij verplicht het in artikel 9 bedoelde evaluatiegesprek heeft. De delegatie van de evaluatietaak aan de functionele chef wordt ambtshalve ingetrokken op de datum van de kennisgeving van de informatie aan de hiërarchische meerdere. Die brengt het personeelslid daarvan op de hoogte.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 31, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 18.De hiërarchische meerdere die een vermelding "onvoldoende", "te verbeteren" of "uitzonderlijk" wilt toekennen, brengt de directeur-generaal of de directeur onder wie hij rechtstreeks ressorteert daarvan op de hoogte.
  Geen enkele van die drie vermeldingen kan worden toegekend zonder het akkoord en de medeondertekening van de directeur-generaal of van de directeur, behalve als de hiërarchische meerdere rechtstreeks onder de leidend ambtenaar ressorteert.
  Bij gebrek aan een akkoord tussen de evaluator en de directeur-generaal of de directeur wordt de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" ambtshalve toegekend. Dat feit betekent niet dat de evaluator de verplichting om alle evaluaties uit te voeren niet is nagekomen. [1 Dit artikel is niet van toepassing op de stagiair.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 32, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 18/1. [1 § 1. In afwijking van artikel 18 brengt de hiërarchische meerdere die tijdens een verplicht functioneringsgesprek tijdens de stage overweegt een functioneringsvermelding "onvoldoende" toe te kennen de P&O-directeur of zijn gemachtigde daarvan op de hoogte.
   Deze vermelding kan niet worden toegekend zonder het akkoord en de medeondertekening van de P&O-directeur of zijn gemachtigde.
   Bij gebrek aan een akkoord tussen de evaluator en de P&O-directeur of zijn gemachtigde beslist deze laatste over de toe te kennen vermelding na de stagiair en de evaluator gehoord te hebben. Het niet toekennen van een vermelding door de evaluator betekent in dit geval niet dat de criteria bepaald in paragraaf 2 van artikelen 13 tot 16 niet zijn nagekomen.
   § 2. In afwijking van artikel 18 brengt de hiërarchische meerdere die overweegt tijdens een evaluatiegesprek na afloop van de stage een vermelding "onvoldoende", "te verbeteren" of "uitzonderlijk" toe te kennen de P&O-directeur of zijn gemachtigde daarvan op de hoogte.
   Geen van deze drie vermeldingen kan worden toegekend zonder het akkoord en de medeondertekening van de P&O-directeur of zijn gemachtigde.
   Bij gebrek aan een akkoord tussen de evaluator en de P&O-directeur of zijn gemachtigde beslist deze laatste over de toe te kennen vermelding na de stagiair en de evaluator gehoord te hebben. Dat feit betekent niet dat de evaluator de verplichting om alle evaluaties uit te voeren niet is nagekomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 33, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 19.Het evaluatieverslag wordt door de evaluator aan het personeelslid [1 betekend]1 binnen de twintig werkdagen na het evaluatiegesprek. Een kopie daarvan wordt aan de P & O-directeur bezorgd.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 34, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 20.De P & O-directeur of zijn afgevaardigde gaat na of elk personeelslid zijn evaluatie krijgt [1 na afloop van de periode]1 binnen de [1 in de bepalingen van dit besluit bepaalde]1 termijnen. Als hij een gebrek vaststelt, verwittigt hij de evaluator, de hiërarchische meerdere van het personeelslid, de directeur en de directeur-generaal van de hiërarchische meerdere, alsook de leidend ambtenaar daarvan.
  De hiërarchische meerdere, als die niet de evaluator is, maant de functionele chef aan om de evaluatie uit te voeren of trekt, bij gebrek daaraan, de delegatie met betrekking tot die taak in.
  De directeur of, bij afwezigheid, de directeur-generaal of, bij afwezigheid, de leidend ambtenaar maant in een interne nota, brief of e-mail de evaluator aan om de evaluatie uit te voeren binnen de termijn die hij bepaalt . Bij gebrek aan evaluatie binnen deze termijn, voert hij ze zelf uit of kent hij de rol van hiërarchische meerdere van het betrokken personeelslid aan een andere ambtenaar toe [1 behalve wanneer de evaluatie betrekking heeft op een stagiair, in welk geval het de P&O-directeur of zijn gemachtigde, of, bij afwezigheid, de leidend ambtenaar is die de evaluatie zelf uitvoert]1.
  Een kopie van de evaluatie die overeenkomstig het tweede en derde lid is opgesteld, wordt aan de P & O-directeur bezorgd, die de leidend ambtenaar ervan op de hoogte brengt.
  De evaluatie die overeenkomstig het tweede en derde lid is opgesteld, geldt met terugwerkende kracht op het einde van de betrokken evaluatieperiode.
  Als er een termijn van zes maanden is verstreken, te rekenen vanaf het einde van de evaluatieperiode, kent de leidend ambtenaar ambtshalve de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" toe aan het personeelslid [1 behalve wanneer het gaat om een stagiair]1. Die vermelding geldt met terugwerkende kracht op het einde van de betrokken evaluatieperiode.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 35, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  HOOFDSTUK IV. - Het evaluatiedossier

  Art. 21.Het individueel evaluatiedossier omvat :
  1° een identificatiefiche met identiteitsgegevens, graad, klasse en aanwijzing;
  2° de functiebeschrijving en het verslag van het functiegesprek;
  3° de overeengekomen prestatie- en ontwikkelingsdoelstellingen, alsook het verslag van het planningsgesprek;
  4° de verslagen van de eventuele functioneringsgesprekken;
  5° eventuele verzoeken voor een functioneringsgesprek die niet zijn uitgemond in een gesprek;
  6° de door het personeelslid op zijn verzoek toegevoegde documenten;
  7° in voorkomend geval de opmerkingen van het personeelslid gemaakt overeenkomstig artikel 11, tweede lid, de stukken bedoeld in artikel 20;
  8° de evaluatieverslagen;
  9° in het voorkomend geval, de beroepsdossiers bestaande uit de beroepen, de adviezen van de beroepscommissie en de beslissingen van de leidend ambtenaar;
  [1 10° in voorkomend geval, de verslagen van de verplichte stagefunctioneringsgesprekken;
   11° in voorkomend geval de dossiers, voorstellen of beslissingen van de bevoegde beroepscommissie inzake evaluatie.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 36, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 22. Het individueel evaluatiedossier is ter beschikking van het personeelslid, van zijn evaluator, van de hiërarchische lijn tot en met de leidend ambtenaar en van de stafdienst Personeel en Organisatie van de betrokken federale dienst.
  In geval van mobiliteit naar een andere federale dienst of van aanwerving door een andere federale dienst wordt het evaluatiedossier aan de nieuwe federale dienst bezorgd.

  HOOFDSTUK V. - Beroep van een personeelslid tegen een evaluatieverslag en een eindvermelding [1 en aanhangigmaking bij de bevoegde commissie in het kader van een stage]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 37, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 23.
  <Opgeheven bij KB 2015-11-23/03, art. 38, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Afdeling 1. [1 - De commissie]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 39, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 24.[1 Er worden drie beroepscommissies inzake evaluatie opgericht :
   1° de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie, die bevoegd is voor de beroepen inzake evaluatie en voor de stages in de federale overheidsdiensten en het Ministerie van Defensie;
   2° de interparastatale beroepscommissie inzake evaluatie, die bevoegd is voor de beroepen inzake evaluatie en voor de stages in de openbare instellingen van sociale zekerheid;
   3° de gemeenschappelijke beroepscommissie inzake evaluatie, die bevoegd is voor de beroepen inzake evaluatie en voor de stages in de instellingen van openbaar nut.
   Elke commissie bestaat uit een Nederlandstalige afdeling en een Franstalige afdeling.
   De taalrol of het taalstelsel van het personeelslid, overeenkomstig artikel 15, § 1, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, bepaalt voor welke afdeling hij verschijnt.
   Het personeelslid van het Duitse taalstelsel verschijnt voor de afdeling voorgezeten door de plaatsvervangende voorzitter die zijn kennis van het Duits bewijst overeenkomstig artikel 25, derde lid.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 40, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 25.[1 De beroepscommissies zijn samengesteld uit :
   1° twee voorzitters aangewezen door de overheid : de Franstalige voorzitter zit de Franstalige afdeling voor, de Nederlandstalige voorzitter zit de Nederlandstalige afdeling voor;
   2° per afdeling, vijf leden, van wie er twee zijn aangewezen door de overheid en drie zijn aangewezen door de representatieve vakorganisaties, in de zin van artikel 7 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, naar rato van één per organisatie;
   3° plaatsvervangers, namelijk : drie voorzitters en, per afdeling, vijf leden, van wie er twee zijn aangewezen door de overheid en drie zijn aangewezen door de representatieve vakorganisaties in de zin van artikel 7 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, naar rato van één per organisatie;
   Twee van de plaatsvervangende voorzitters nemen respectievelijk het voorzitterschap waar van de Franstalige afdeling voor de Franstalige voorzitter en van de Nederlandstalige afdeling voor de Nederlandstalige voorzitter.
   De derde plaatsvervangende voorzitter moet zijn kennis van het Duits bewijzen, evenals van het Frans of het Nederlands. Hij neemt met name het voorzitterschap waar van de afdeling die instaat voor de dossiers van personeelsleden van het Duitse taalstelsel.
   De plaatsvervangend voorzitter die de Duitse taal machtig is, zal voor de dossiers van personeelsleden van het Duitse taalstelsel het voorzitterschap waarnemen van de Franstalige afdeling of de Nederlandstalige afdeling, naargelang hij de Franse of de Nederlandse taal beheerst.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 41, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 26.[1 De representatieve vakorganisaties wijzen hun vertegenwoordigers voor de beroepscommissies aan uit de ambtenaren die behoren tot de groep van betrokken federale diensten overeenkomstig artikel 24.
   De Minister van Ambtenarenzaken erkent de leden die zijn aangewezen door de representatieve vakorganisaties.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 42, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 27.[1 De Minister van Ambtenarenzaken wijst de voorzitters, twee effectieve leden en twee plaatsvervangende leden van de beroepscommissies aan op voorstel van :
   1° de in college vergaderde voorzitters van het directiecomité van de federale overheidsdiensten en voorzitters van de programmatorische federale overheidsdiensten, voor de interdepartementale beroepscommissie;
   2° het college van de leidend ambtenaren van de openbare instellingen van sociale zekerheid, voor de interparastatale beroepscommissie;
   3° de in college vergaderde leidend ambtenaren van de instellingen van openbaar nut, voor de gemeenschappelijke beroepscommissie.
   De voorzitters en de leden, aangewezen door de overheid, worden gekozen uit de houders van een management- of een staffunctie, de houders van een directiefunctie en de ambtenaren van de klassen A3, A4 en A5 die behoren tot een dienst of een instelling afhangend van de betrokken beroepscommissie.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 28.[1 Elke beroepscommissie beraadslaagt geldig als minstens vier van haar leden aanwezig zijn, ten belope van twee leden aangewezen door de overheid, bij wie de voorzitter gerekend wordt, en twee leden aangewezen door de representatieve vakorganisaties.
   Wanneer de voorzitter afwezig of verhinderd is, wijzen de door de overheid aangewezen leden onderling een voorzitter van de zitting aan.
   Wanneer er meer dan vier leden aanwezig zijn en op het tijdstip van de stemming het aantal door de overheid aangewezen leden en het aantal door de representatieve vakorganisaties aangewezen leden niet gelijk is, wordt de pariteit hersteld door loting. De voorzitter neemt niet deel aan de loting.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 44, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 29.Een beroepscommissielid kan enkel zetelen indien het op geen enkele wijze heeft deelgenomen aan de toekenning van de vermelding [1 of aan het verloop van de stage]1.
  De leidend ambtenaar van de federale dienst waartoe het personeelslid in beroep behoort, zetelt niet.
  Het personeelslid [1 ...]1 en de evaluator worden ambtshalve opgeroepen om gehoord te worden.
  De stemming is geheim. Bij staking van stemmen bepaalt de voorzitter de strekking van het advies [1 of in geval van een stage, van de beslissing of van het voorstel]1.
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 45, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 30.§ 1. Het personeelslid [1 ...]1 verschijnt in eigen persoon; hij kan zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze; hij mag zich niet laten vertegenwoordigen.
  De verdediger mag op geen enkele manier deel uitmaken van de beroepscommissie.
  § 2. De beroepscommissie beraadslaagt zonder het personeelslid [1 ...]1 te horen, op basis van alleen het [1 evaluatiedossier]1, wanneer het personeelslid niet geantwoord heeft op de eerste en de tweede oproeping.
  § 3. De afwezigheid van de evaluator belet de beroepscommissie niet te beraadslagen.
  [1 § 4. De Minister van Ambtenarenzaken stelt een gemeenschappelijk huishoudelijk reglement voor alle commissies op.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 46, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Afdeling 2. [1 - Beroep tegen een evaluatieverslag en de eindvermelding van een personeelslid dat geen stagiair is]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 47, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 30/1. [1 Binnen de twintig werkdagen na de kennisgeving van het verslag kan het personeelslid een schriftelijk beroep instellen tegen dit verslag en de vermelding die hem toegekend is.
   Het beroep wordt ingesteld bij de leidend ambtenaar, die onmiddellijk, bij voorkeur per e-mail, een ontvangstbericht stuurt en het beroep onverwijld doorgeeft aan de bevoegde beroepscommissie. De leidend ambtenaar bezorgt deze ook een afschrift van het in artikel 21 bedoelde individuele evaluatiedossier.
   Het beroep is opschortend. In voorkomend geval vangt de in artikel 33 bepaalde periode van zes maanden slechts aan op de dag na die waarop de leidend ambtenaar het personeelslid het advies van de bevoegde commissie meedeelde samen met de beslissing die hij eventueel genomen heeft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 48, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 31.[1 Het met redenen omkleed advies van de commissie bestaat hetzij uit een voorstel van behoud van de toegekende vermelding, hetzij uit een voorstel van een gunstigere vermelding.
   De voorzitter van de commissie deelt het advies mee aan de leidend ambtenaar en aan het personeelslid in beroep binnen de vijftien werkdagen en bezorgt er een kopie van aan de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 49, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 32.[1 Indien de commissie heeft voorgesteld de vermelding te wijzigen, neemt de leidend ambtenaar de beslissing hetzij de vermelding te wijzigen overeenkomstig het advies van de commissie, hetzij de oorspronkelijke vermelding te bevestigen. Hij deelt zijn beslissing aan het personeelslid in beroep mee binnen de twintig werkdagen na de ontvangst van het advies.]1
  [1 Indien de beroepscommissie heeft voorgesteld de vermelding te behouden, wordt deze definitief. De leidend ambtenaar brengt er het personeelslid in beroep onmiddellijk van op de hoogte en deelt hem het advies mee.]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 50, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Afdeling 3. - [1 Bevoegdheden van de beroepscommissie inzake stage]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 51, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 32/1. [1 Gedurende de stage bezorgt de P&O-directeur zodra er een functioneringsvermelding "onvoldoende" aan de stagiair wordt toegekend na afloop van een verplicht stagefunctioneringsgesprek onverwijld het evaluatiedossier van de stagiair aan de commissie, die, naargelang van het geval :
  1° een met redenen omkleed ontslagvoorstel voorlegt aan de overheid bepaald in artikel 10/6, derde lid;
  2° beslist of de stage mag worden voortgezet; in voorkomend geval gaat de beslissing gepaard met een voorstel tot verandering van aanwijzing van de stagiair binnen zijn federale dienst aan de leidend ambtenaar of met een voorstel tot benoeming van de stagiair in een andere federale dienst, overeenkomstig artikel 10/10, tweede lid.
  In afwijking van het eerste lid leidt de aan de stagiair toegekende functioneringsvermelding "onvoldoende" niet tot de aanhangigmaking van de commissie in geval van akkoord van de stagiair, de evaluator en de P&O-directeur wat betreft het voortzetten van de stage.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 51, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 32/2. [1 § 1. Na afloop van de stage bezorgt de P&O-directeur de commissie onverwijld het evaluatiedossier van de stagiair aan wie de evaluatievermelding "te verbeteren" of "onvoldoende" werd toegekend.
  Bij het dossier voegt hij een met redenen omkleed verlengings- of ontslagvoorstel.
  § 2. In geval van vermelding "onvoldoende", naargelang van het geval :
  1° legt de commissie een met redenen omkleed ontslagvoorstel voor aan de overheid bepaald in artikel 10/6, derde lid;
  2° beslist de commissie of de stage moet worden verlengd; in dat geval loopt de in artikel 10/3 bepaalde duur pas vanaf die datum; in voorkomend geval gaat de beslissing gepaard met een voorstel tot verandering van aanwijzing van de stagiair binnen zijn federale dienst aan de leidend ambtenaar of met een voorstel tot benoeming van de stagiair in een andere federale dienst, overeenkomstig artikel 10/10, tweede lid.
  § 3. In geval van vermelding "te verbeteren", naargelang van het geval :
  1° beslist de commissie of de stage moet worden verlengd; in dat geval loopt de in artikel 10/3 bepaalde duur pas vanaf die datum; in voorkomend geval gaat de beslissing gepaard met een voorstel tot verandering van aanwijzing van de stagiair binnen zijn federale dienst aan de leidend ambtenaar of met een voorstel tot benoeming van de stagiair in een andere federale dienst, overeenkomstig artikel 10/10, tweede lid;
  2° legt de commissie een met redenen omkleed benoemingsvoorstel voor aan de overheid bepaald in artikel 10/6, derde lid, overeenkomstig artikelen 33 of 37 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel; in dat geval wordt de stageperiode beschouwd als een stageperiode die afgesloten wordt met de vermelding "voldoet aan de verwachtingen".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 51, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 32/3. [1 Na afloop van de stage die werd verlengd overeenkomstig de artikelen 32/2, § 2, 2°, en § 3, 1°, bezorgt de P&O-directeur de commissie onverwijld het evaluatiedossier van de stagiair aan wie de evaluatievermelding "te verbeteren" of "onvoldoende" werd toegekend.
  De commissie legt, naargelang van het geval :
  1° een met redenen omkleed benoemingsvoorstel voor aan de overheid bepaald in artikel 10/6, derde lid, overeenkomstig de artikelen 33 of 37 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel; in dat geval wordt de stageperiode beschouwd als een stageperiode die wordt afgesloten met de vermelding "voldoet aan de verwachtingen";
  2° een met redenen omkleed ontslagvoorstel voor aan de overheid bepaald in artikel 10/6, derde lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 51, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  HOOFDSTUK VI. - Gevolgen voor de loopbaan van de personeelsleden

  Art. 33.In afwijking van artikel 5 bedraagt de evaluatieperiode die onmiddellijk volgt op de toekenning van de vermelding "onvoldoende" aan een personeelslid zes maanden. Deze periode wordt verlengd pro rata van de dagen verlof of afwezigheid die om welke reden dan ook zijn toegekend. Ze wordt eveneens pro rata verlengd wanneer het personeelslid deeltijds werkt.

  Art. 34.Indien in de drie jaren na de toekenning van de eerste vermelding "onvoldoende" een tweede vermelding "onvoldoende" wordt gegeven, [1 zelfs als ze niet opeenvolgend zijn]1, ontslaat de leidend ambtenaar het personeelslid omwille van beroepsongeschiktheid of stelt hij dit voor aan de overheid die de benoemingsbevoegdheid heeft of waaraan de benoemingsbevoegdheid overgedragen werd.
  De periode van drie jaar wordt verlengd met de som van de verlofdagen of afwezigheiddagen die het personeelslid tijdens die periode heeft genoten, als die meer dan 90 dagen bedragen.
  [1 Als artikel 6 werd toegepast, wordt, in afwijking van het tweede lid, deze periode van drie jaar echter verlengd met de duur van de evaluatieperiode die werd afgesloten met de ambtshalve vermelding "voldoet aan de verwachtingen".]1
  ----------
  (1)<KB 2015-11-23/03, art. 52, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 35.De artikelen 33 en 34 zijn niet van toepassing wanneer de vermelding "onvoldoende" wordt toegekend in het kader van de uitoefening van een hogere functie.
  Deze vermelding en de vermelding "te verbeteren" stellen ambtshalve een einde aan de aanwijzing in een hogere functie.
  Voor de beschouwde evaluatieperiode, bekomt de ambtenaar ambtshalve de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" voor de functie, de klasse of het niveau waarin hij is benoemd.
  [1 In afwijking van het derde lid krijgt de ambtenaar de vermelding "uitzonderlijk" in de functie van de klasse of het niveau waarin hij benoemd is, als hij de vermelding "uitzonderlijk" krijgt in de functie verbonden aan de uitoefening van de hogere functie.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-08-03/21, art. 41, 003; Inwerkingtreding : 01-10-2016>

  Art. 36.[1 Er wordt een toelage wegens ontslag toegekend aan het personeelslid dat wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid.
   Het bedrag van de toelage wordt vastgelegd in het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen in het federaal openbaar ambt.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-07-13/08, art. 113, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2017>

  Art. 36/1. [1 Artikelen 33 tot 36 zijn niet van toepassing op de stagiair.
   Het ontslag van een stagiair wegens beroepsongeschiktheid wordt uitgesproken mits een opzeggingstermijn van drie maanden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2015-11-23/03, art. 53, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  HOOFDSTUK VII.
  <Opgeheven bij KB 2015-11-23/03, art. 54, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 37.
  <Opgeheven bij KB 2015-11-23/03, art. 54, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  HOOFDSTUK VIII.
  <Opgeheven bij KB 2015-11-23/03, art. 55, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 38.
  <Opgeheven bij KB 2015-11-23/03, art. 55, 002; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  HOOFDSTUK IX. - Jaarlijks verslag

  Art. 39. Elke federale dienst verschaft jaarlijks een volledig verslag, vóór 1 mei, aan de federale overheidsdienst Personeel en Organisatie over de evaluaties van het jaar daarvoor.

  HOOFDSTUK X. - Opheffings-, wijzigings-, overgangs- en slotbepalingen

  Art. 40. In het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, wordt de titel I, die de artikelen 1 tot 20 bevat, opgeheven.

  Art. 41. Hoofdstuk VII van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, dat de artikelen 32 tot 33octies bevat, wordt opgeheven.

  Art. 42. Artikel 3, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van de groepen wordt opgeheven.

  Art. 43. Artikel 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de rijksdiensten wordt opgeheven.

  Art. 44. Artikel 97 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen wordt opgeheven.

  Art. 45. Het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten en in het Ministerie van Defensie wordt opgeheven.

  Art. 46. Het koninklijk besluit van 15 mei 2009 tot bepaling van de nadere regelen voor de toepassing van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten, op het administratief en technisch personeel van de federale wetenschappelijke instellingen wordt opgeheven.

  Art. 47. De beroepsprocedures die lopen op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit worden voortgezet volgens de bepalingen die toen van kracht waren.

  Art. 48. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 49. Onze Ministers zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 24 september 2013.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister belast met Ambtenarenzaken,
K. GEENS
De Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken,
H. BOGAERT

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet;
   Gelet op de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, artikel 4, § 2, 1° ;
   Gelet op het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel;
   Gelet op het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut;
   Gelet op het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van de groepen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten;
   Gelet op het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten en in het Ministerie van Defensie;
   Gelet op het koninklijk besluit van 15 mei 2009 tot bepaling van de nadere regelen voor de toepassing van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten, op het administratief en technisch personeel van de federale wetenschappelijke instellingen;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 21 mei 2013;
   Gelet op het akkoord van de Minister van begroting van 13 juni 2013;
   Gelet op het protocol nr. 684 van 10 juli 2013 van het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten;
   Gelet op het advies van het College van de Openbare Instellingen van Sociale Zekerheid, gegeven op 11 juni 2013;
   Gelet op het advies nr. 53.562/2 van de Raad van State, gegeven op 10 juli 2013, in toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op voordracht van de Minister belast met Ambtenarenzaken en van de Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken, en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Erratum Tekst Begin

originele versie
2013002053
PUBLICATIE :
2013-10-29
bladzijde : 82830

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-07-2017 GEPUBL. OP 19-07-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 36)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-08-2016 GEPUBL. OP 24-08-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 10/6; 35)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-11-2015 GEPUBL. OP 02-12-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 3; 5; 6; 7; 8; 10/1-10/10; 11; 13; 14; 15; 16; 17; 18; 18/1; 19; 20; 21; 23; 24; 25; 26; 27; 28; 29; 30; 30/1-32; 32/1-32/3; 34; 36/1; 37; 38)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij ter ondertekening aan Uwe Majesteit voorleggen beoogt de invoering van een nieuw stelsel waarin de evolutie van de geldelijke loopbaan nauw verbonden is aan het evaluatieproces.
       Het doel van het ontwerp van besluit is het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten en in het Ministerie van Defensie te vervangen, alsook verschillende reglementaire bepalingen van het personeelsstatuut die naar de evaluatie verwijzen.
       Het ontwerp van besluit past in een dynamisch perspectief inzake personeelsmanagement met als doel de personeelsleden in de ontwikkeling van hun loopbaan te stimuleren.
       Het ontwerp van besluit beoogt alle statutaire en contractuele personeelsleden van het federaal openbaar ambt (de federale overheidsdiensten, de programmatorische federale overheidsdiensten, alsook de diensten die ervan afhangen, het Ministerie van Landsverdediging alsook de diensten die ervan afhangen of een van de rechtspersonen bedoeld in artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken).
       Na een definitie van de begrippen die noodzakelijk zijn voor een goed inzicht in het evaluatieproces (artikel 2 van het ontwerp van besluit) wijst het ontwerp van besluit nogmaals op het basisprincipe van de evaluatie : bij het begin van het proces komen de evaluator en de geëvalueerde tot een akkoord over de functiebeschrijving, de vastgestelde doelstellingen en de daaraan verbonden resultaten. De evaluatie heeft in de eerste plaats betrekking op de prestatiedoelstellingen en de ontwikkeling van de competenties die noodzakelijk zijn voor de functie. Voor wie ermee belast is, komt daarbij nog de kwaliteit van de evaluaties, waaraan evenveel belang wordt gehecht. In tweede instantie houdt de evaluator natuurlijk ook rekening met de bijdrage van het personeelslid aan de prestaties van het team en zijn beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst : die twee elementen zijn meestal inherent aan de eerste twee (artikel 3 van het ontwerp).
       Het ontwerp van besluit bepaalt vier vermeldingen die in het evaluatieverslag kunnen voorkomen : "uitzonderlijk", "voldoet aan de verwachtingen", "te verbeteren" en "onvoldoende" (artikel 12 van het ontwerp). Elke vermelding voldoet aan criteria die zijn bepaald in de artikelen 13 tot 16 van het ontwerp van besluit. Voor de personeelsleden die evaluaties moeten uitvoeren is in die artikelen een tweede paragraaf geïntegreerd om de criteria op basis waarvan de evaluatoren in hun rol van evaluator zelf zullen worden geëvalueerd, vast te stellen.
       Bij de bestudering van die artikelen kan de gradatie binnen de verschillende vermeldingen, waarmee een objectieve beoordeling mogelijk moet zijn, worden vastgesteld.
       Om zo goed mogelijk bij de realiteiten op het terrein aan te sluiten, is het belangrijk om te benadrukken dat het personeelslid geëvalueerd kan worden door "zijn" functionele chef, met andere woorden een statutair personeelslid, een contractueel personeelslid of een statutair personeelslid dat onder een andere rechtstoestand ressorteert en, onder de verantwoordelijkheid van de hiërarchische meerdere, een rechtstreekse gezagsrelatie met hem heeft bij de dagelijkse uitoefening van zijn werk. Op die manier wordt het personeelslid geëvalueerd door iemand die hem kent, die dagelijks in dezelfde dienst werkt.
       Met de invoering van die optie willen we inspelen op verschillende (niet exhaustieve) mogelijke situaties die men al aantrof op het terrein en een betere verdeling van de evaluatielast waarborgen.
       Er kunnen verschillende voorbeelden worden aangehaald :
       - veel diensten in het federaal openbaar ambt worden dagelijks geleid door contractuele personeelsleden die, tot nu toe, hun medewerkers niet konden evalueren;
       - in de 100/112-alarmcentrales werken de personeelsleden dagelijks onder het gezag van gemeentelijke politieagenten;
       - bepaalde leden van het burgerpersoneel van het Ministerie van Landsverdediging werken onder het gezag van militairen.
       Rekening houdend met de gevolgen van de evaluatie op de loopbaan werden er echter verschillende specifieke maatregelen genomen om het rechtszekerheidsbeginsel te waarborgen. Niet exhaustieve voorbeelden daarvan zijn de maatregelen bepaald in de artikelen 17 en 18 van het ontwerp en de maatregelen bepaald in de artikelen 9, 10 en 19 van het ontwerp.
       Als tijdens de cyclus wordt overwogen om de vermelding " onvoldoende " of " te verbeteren " toe te kennen, moet de functionele chef de hiërarchische meerdere onmiddellijk op de hoogte brengen. Als na afloop van het evaluatiegesprek de vermelding " onvoldoende ", " te verbeteren " of " uitzonderlijk " wordt overwogen, wordt het evaluatiegesprek gevoerd door de hiërarchische meerdere van het personeelslid en zijn het akkoord en de medeondertekening van de directeur-generaal of van de directeur vereist (artikelen 17 en 18).
       Artikel 5 van het ontwerp van besluit stelt de duur van de evaluatiecyclus vast op één jaar. De individuele evaluatiecyclus kan korter zijn, maar moet minstens 6 maanden duren.
       In geval van verandering van functie binnen een federale dienst of van vertrek uit een federale dienst wordt de periode afgesloten met een evaluatie, als het om een periode van minstens zes maanden gaat (artikel 10 van het ontwerp).
       Voor verschillende situaties van afwezigheid van meer dan zes maanden bepaalt artikel 6 van het ontwerp van besluit de toekenning van de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" voor het personeelslid dat bij zijn laatste evaluatie de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of de vermelding "uitzonderlijk" kreeg. Bovendien voorziet artikel 38 in dezelfde ambtshalve toekenning voor bepaalde afwezigheden, zoals de afwezigheden wegens een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, een beroepsziekte of een voltijds ouderschapsverlof.
       Er zijn ook specifieke termijnen vastgesteld om het evaluatiegesprek te voeren op het einde van de evaluatieperiode in geval van verandering van functie binnen de federale dienst of van vertrek uit de federale dienst alsook voor het bezorgen van het evaluatieverslag aan het personeelslid (artikelen 9, 10 en 19 van het ontwerp).
       Meer in het algemeen zijn er specifieke stappen ingevoerd om te waarborgen dat alle actoren van het evaluatieproces (geëvalueerde, evaluator, hiërarchische lijn) bij het evaluatieproces worden betrokken en geresponsabiliseerd (artikelen 4 en 20). Ze krijgen een gepaste ondersteuning inzake opleiding en informatie over het nieuwe evaluatiesysteem. Het ontwerp voorziet niet in een verplichting wat opleiding betreft voor de evaluatoren, aangezien talrijke evaluatoren op dat vlak al een zekere ervaring hebben verworven.
       De artikelen 21 en 22 van het ontwerp van besluit hebben betrekking op het evaluatiedossier en hoeven niet specifiek te worden toegelicht.
       De artikelen 23 tot 32 van het ontwerp van besluit betreffen de beroepsprocedure en de organisatie daarvan.
       De artikelen 33 tot 36 van het ontwerp van besluit preciseren de impact van de toekenning van de vermelding " onvoldoende " op de loopbaan van het personeelslid. De overheid die het personeelslid heeft benoemd of in dienst genomen ontslaat wegens beroepsongeschiktheid het personeelslid dat een tweede vermelding " onvoldoende " kreeg in de drie jaar na de toekenning van de eerste vermelding. Die regel is niet van toepassing als de vermelding " onvoldoende " is toegekend tijdens de uitoefening van een hogere functie.
       Artikel 39 van het ontwerp van besluit bepaalt de verplichting om jaarlijks een verslag te bezorgen aan de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie, om toe te zien op het goede verloop van de evaluatieprocedure in het hele federaal openbaar ambt.
       Er werd rekening gehouden met alle opmerkingen van de Raad van State, met uitzondering van de volgende opmerkingen :
       - "De ontworpen tekst dient aldus te worden aangepast dat bepaald wordt dat de beroepscommissie of de leidend ambtenaar geen andere, minder goede vermelding kunnen voorstellen of toekennen, althans niet de vermelding `onvoldoende', zonder dat een nieuwe procedure aangevat wordt" : aan die opmerking werd geen gevolg gegeven, want de evaluatieprocedure is helemaal niet te vergelijken met de tuchtprocedure waarnaar de Raad van State verwijst. Ook al zal dat waarschijnlijk meestal het geval zijn, we zien niet waarom, noch op basis van welke regel we dat principieel zouden moeten opleggen;
       - "de prestatiedoelstellingen en de persoonlijke ontwikkelingsdoelstellingen" moet worden geschreven". We zien geen grond voor de toevoeging van de kwalificatie "persoonlijke". Die vloeit per definitie voort uit artikel 3, 2° ;
       - "in het ontwerp zou moeten worden bepaald dat "ieder lid van een commissie inzake evaluatie bekleed moet zijn met een graad die gelijk is aan of hoger is dan die van de geëvalueerde" : aan die opmerking werd geen gevolg gegeven om verschillende, fundamentele redenen :
       1° geen enkele regel legt die beperking op; het klopt dat dat, tot nu toe, de praktijk is in de tuchtdossiers, maar de evaluatiedossiers zijn van een totaal andere aard;
       2° als we op die manier te werk zouden gaan, zouden we, op zijn minst wat de leden betreft die door de vakorganisaties worden aangesteld, verplicht zijn om ofwel de samenstelling van de commissie volledig te wijzigen naargelang van de dossiers, wat volledig in tegenspraak is met het ontwerp, dat, integendeel, de coherentie en de eenheid van rechtspraak wil privilegiëren, ofwel de vakorganisaties op te leggen om uitsluitend adviseurs-generaal bekleed met de klasse A5 aan te stellen. Als dat mogelijk zou zijn, wat we betwijfelen, zou dat in flagrante tegenspraak zijn met de beginselen die zijn vastgesteld in de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie, in het bijzonder de naleving van de syndicale vrijheden;
       3° momenteel moeten de beroepscommissies inzake stage ook de stages die in de klassen A2, A3 en zelfs A4 zijn vervuld, behandelen : de samenstelling van de commissies varieert niet in functie van de klasse van de stagiairs; daar was geen enkel bezwaar tegen.
       Wij hebben de eer te zijn,
       Sire,
       Van Uwe Majesteit,
       De zeer eerbiedvolle
       En getrouwe dienaars,
       De Minister belast met Ambtenarenzaken,
       K.GEENS
       De Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken,
       H. BOGAERT
       
       RAAD VAN STATE
       AFDELING WETGEVING
       ADVIES 53.562/2 VAN 10 JULI 2013
       over
       een koninklijk besluit `betreffende de evaluatie in de federale overheidsdiensten'
       Op 14 juni 2013 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken toegevoegd aan de Minister van Financïen verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een koninklijk besluit `betreffende de evaluatie in de federale overheidsdiensten'.
       Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 10 juli 2013. De kamer was samengesteld uit Yves Kreins, kamervoorzitter, Pierre Vandernoot en Martine Baguet, staatsraden, Sébastien Van Drooghenbroeck, assessor, en Bernadette Vigneron, griffier.
       Het verslag is uitgebracht door Alain Lefebvre, eerste auditeur.
       De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Martine Baguet.
       Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 10 juli 2013.
       *
       Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
       Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
       Voorafgaand vormvereiste
       De onderhandelingsprotocollen zijn niet bij de adviesaanvraag gevoegd.
       De steller van het ontwerp moet ervoor zorgen dat aan dat vormvereiste wordt voldaan.
       Opschrift en werkingssfeer
       Krachtens artikel 1, § 1, is het ontwerp van toepassing "op de personeelsleden van het federaal openbaar ambt", dat wil zeggen, luidens de definities van artikel 2 van het ontwerp, op de personeelsleden van het geheel van de federale diensten (artikel 2, 2° ), en dus op de personeelsleden van de federale overheidsdiensten, van de programmatorische federale overheidsdiensten en van de diensten die daarvan afhangen, van het Ministerie van Landsverdediging en van de diensten die daarvan afhangen, of van één van de rechtspersonen genoemd in artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 `houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken' (artikel 2, 1° ).
       Het opschrift van het ontwerp luidt daarentegen als volgt : koninklijk besluit `betreffende de evaluatie in de federale overheidsdiensten'. Krachtens artikel 2, 3°, van het ontwerp zijn federale overheidsdiensten "de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten, alsook de diensten die ervan afhangen", wat niet het ministerie van Landsverdediging, noch de diensten die daarvan afhangen omvat, noch de rechtspersonen genoemd in artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 `houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken' (artikel 2, 1° ).
       De gemachtigde ambtenaar is het ermee eens dat die discrepantie tussen het opschrift van het ontwerp en de werkingssfeer ervan moet worden weggewerkt.
       Voorafgaande opmerking
       Het ontworpen besluit strekt ertoe een nieuwe regeling in te voeren inzake de evaluatie van het personeel op wie het van toepassing is. Die regeling komt in de plaats van de huidige regeling (1) vastgelegd in :
       - het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 `tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten en in het Ministerie van Defensie'(2);
       - het koninklijk besluit van 15 mei 2009 `tot bepaling van de nadere regelen voor de toepassing van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten, op het administratief en technisch personeel van de federale wetenschappelijke instellingen'.
       Zoals de gemachtigde ambtenaar heeft opgemerkt in een antwoord op een vraag die hem was gesteld, komen in heel wat bepalingen van het ontwerp HR-concepten samen met rechtsregels en proberen de stellers van het ontwerp die met elkaar in overeenstemming te brengen.
       De afdeling Wetgeving van de Raad van State is zich ervan bewust dat het met het oog op de modernisering van de overheidsdiensten geraden is een logica inzake personeelsbeleid te volgen waarbij gebruik wordt gemaakt van de technieken en dus ook van de terminologie van personeelsmanagementstrategieën. Dat neemt niet weg dat de regels vervat in het voorliggende ontwerp normatieve bepalingen zijn, bronnen van rechten en verplichtingen voor diegenen voor wie ze bestemd zijn, namelijk de overheidsinstanties en het personeel daarvan.
       Het voorliggende ontwerp is echter niet altijd even duidelijk wat betreft de beginselen die het toepast, de doelstellingen die het voor ogen heeft en het evaluatiesysteem dat het instelt. Ook de wijze waarop de bepalingen zich onderling en ten opzichte van andere regelgeving verhouden ligt niet altijd voor de hand. Voor een correct begrip van het evaluatiesysteem en van de beroepen die daarmee samenhangen, en om de toepassing ervan te vergemakkelijken, zou het besluit dan ook aangevuld moeten worden met een verslag aan de Koning.
       De volgende voorbeelden maken de zonet genoemde problemen duidelijk.
       De opzet zelf van de nieuwe regeling, zoals die weergegeven wordt in artikel 3 van het ontwerp, doet vragen rijzen. In deze bepaling worden immers de gegevens genoemd waarop de evaluatie steunt, waarbij in een eerste lid de gegevens worden genoemd waarop de evaluatie "hoofdzakelijk" gebaseerd is, en in een tweede lid de gegevens waarop ze "eveneens" berust. Hoe moet de term "hoofdzakelijk" bovenaan de opsomming van de drie criteria genoemd in het eerste lid begrepen worden ten aanzien van de twee criteria genoemd in het tweede lid ? Zijn deze laatste criteria accessoire criteria ten opzichte van de eerste ? Verondersteld wordt dat de achterliggende gedachte erin bestaat in twee fasen te werk te gaan : aan de hand van de eerste drie criteria kunnen de capaciteiten en kwaliteiten van het personeelslid worden geëvalueerd ten aanzien van de betrekking die hij vervult. De beoordeling op basis van de tweede reeks criteria vindt pas plaats in een tweede fase. Indien dat inderdaad de bedoeling is, is het evenwel die werkwijze die vermeld moet worden in het dispositief. Het is voorts bijzonder raadzaam die regel toe te lichten in het verslag aan de Koning door de concrete toepassing die daarvan wordt verwacht te verduidelijken.
       In het ontwerp wordt ook gebruik gemaakt van begrippen waarvan de juridische, maar ook de praktische strekking niet duidelijk is. Dat is het geval met de definities gegeven in artikel 2, 12° tot 18°, van het ontwerp : de feitelijke toestanden die erin worden genoemd en derhalve het nut om daarvan gebruik te maken, de wijze waarop ze zich tot elkaar verhouden in het evaluatieproces en dus ook de vraag of ze zin hebben, liggen helemaal niet voor de hand. Ook hier biedt het verslag aan de Koning de mogelijkheid duidelijk weer te geven wie een rol speelt in de evaluatieregeling en welke taak hem is toebedeeld. Er kan immers niet mee worden volstaan concepten te definiëren opdat ze juridisch en feitelijk toepassing vinden. Die concepten moeten ook zin hebben binnen het evaluatiesysteem en de adressaten van de rechtsregels moeten een correct inzicht hebben in dat systeem opdat ze het daadwerkelijk kunnen toepassen.
       Men kan zich bovendien terecht afvragen hoe de complexe regeling die in detail uiteengezet wordt in de artikelen 12 tot 20 van het ontwerp met de nodige doeltreffendheid kan worden toegepast indien de evaluatoren er niet toe gehouden zijn passende opleidingen te volgen. In het verslag aan de Koning moet duidelijk worden weergegeven in welk opzicht artikel 4 van het ontwerp, luidens hetwelk het aan de evaluator wordt overgelaten te beslissen of hij al dan niet zo een opleiding volgt, thuishoort in de stap naar professionalisering van de evaluatie die de grondslag is van het ontworpen besluit, gelet a fortiori op het feit dat de evaluatie verplicht ieder jaar moet plaatsvinden. De steller van het ontwerp moet in het verslag aan de Koning ook aangeven wat hij verstaat onder de in datzelfde artikel 4 genoemde verplichting die hij oplegt aan de federale overheidsdienst Personeel en Organisatie om "opleidingen ter beschikking [te stellen] van de geëvalueerden, onder meer [in] de vorm van [onlinemodules]".
       De beoordelingscriteria, ten slotte, en de precieze wijze waarop ze een invloed uitoefenen op de vermelding die de geëvalueerde krijgt, vallen moeilijk in te schatten. Het is de afdeling Wetgeving van de Raad van State bijvoorbeeld niet meteen duidelijk welk onderscheid gemaakt moet worden tussen de artikelen 14 en 15 van het ontwerp, meer in het bijzonder tussen de respectieve inhoud van het eerste en het tweede lid van paragraaf 1 van die artikelen. Die bepalingen zijn echter belangrijk, aangezien ze bepalend zijn voor de vermelding "te verbeteren" en de vermelding "onvoldoende", die beide gevolgen hebben voor de loopbaan, gevolgen die grondig van elkaar verschillen naargelang de geëvalueerde zich in het eerste of het tweede geval bevindt.
       Deze voorbeelden zijn een afdoend pleidooi voor het opstellen van een verslag aan de Koning, waarin de doelstellingen van het nieuwe evaluatiesysteem worden vermeld, en de organisatie en de werkwijze ervan worden aangegeven, eventueel door gebruik te maken van meer praktijkgerichte voorbeelden. Een brochure met meer uitleg, die er volgens de gemachtigde ambtenaar komt, is niet voldoende om tegemoet te komen aan de vereisten van rechtszekerheid die het uitgangspunt moeten vormen bij het uitwerken en vervolgens het toepassen van een regelgevende tekst.
       Onderzoek van het ontwerp
       dispositief
       Artikel 2
       1. In onderdeel 6° wordt een definitie gegeven van de term "overheidsdienst". De gemachtigde ambtenaar heeft echter beaamd dat die term niet als dusdanig voorkomt in het ontwerp. Onderdeel 6° is dus overbodig en moet vervallen.
       2. De onderdelen 16°, 17° en 18° horen veeleer thuis in een artikel van hoofdstuk II met als opschrift "Actoren en [grondslag] van de evaluatie", waardoor daarin gepreciseerd zou worden wie de evaluatie verricht.
       3. Onderdeel 21° is overbodig en moet vervallen.
       4. In onderdeel 24° schrijve men : "...het moederschapsverlof of de arbeidsonderbreking bedoeld in de artikelen 39, 42 en 43...".
       Artikel 3
       1.In onderdeel 1° staat
       "de prestaties van het personeelslid met betrekking tot zijn functie en de planning van de prestatiedoelstellingen".
       De gemachtigde ambtenaar is het ermee eens dat geschreven behoort te worden :
       "het bereiken van de prestatiedoelstellingen vastgelegd tijdens het planningsgesprek en eventueel aangepast tijdens de functioneringsgesprekken".
       In de artikelen 14 tot 16 is er overigens sprake van het percentage ten belope waarvan de "prestatiedoelstellingen" zijn bereikt.
       2. De evaluatoren zullen eveneens geëvalueerd worden op de "kwaliteit" van hun evaluatie. Artikel 13, § 2, bepaalt dat aan een evaluator de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" alleen wordt toegekend indien bovendien "ten minste 95 % van alle evaluaties wel degelijk zijn uitgevoerd binnen de vastgestelde termijnen en overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk".
       De woorden "wel degelijk" zijn overbodig en moeten vervallen.
       Hoofdstuk III
       Hoofdstuk III heeft als opschrift "Evaluatieperiode en toegekende vermeldingen". Dat opschrift is te beperkt. De kwestie hoe vaak geëvalueerd wordt, komt aan bod in de artikelen 5 en 6 en de vermeldingen komen aan bod in de artikelen 13 tot 16. De overige artikelen van het hoofdstuk hebben betrekking op het hele evaluatieproces, met uitzondering van de beroepsmogelijkheden.
       De gemachtigde ambtenaar is het ermee eens dat het opschrift van hoofdstuk III dienovereenkomstig moet worden aangepast.
       Artikel 5
       De gemachtigde ambtenaar is het ermee eens dat in onderdeel 3° "op de dag zelf waarop het personeelslid van functie verandert" moet worden geschreven.
       Artikelen 6 en 38
       1. Artikel 38 heeft betrekking op afwezigheden van meer dan zes maanden als gevolg van een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar of van het werk, een beroepsziekte, en op een reeks verloven die worden opgesomd. In artikel 6 worden de afwezigheden van meer dan zes maanden daarentegen niet aangeduid door vermelding van de oorzaak daarvan.
       De vraag rijst wat de strekking is van artikel 6. Slaat het op andere gevallen van afwezigheid wegens "ziekte" of van verlof dan die welke genoemd worden in artikel 38 ? Zo ja, welke en waarom worden ze, wat betreft de gevolgen daarvan voor de evaluatievermelding, a priori anders behandeld : in het geval genoemd in artikel 6 wordt de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" van de laatste evaluatie naargelang van het geval behouden of omgezet in een vermelding "voldoet aan de verwachtingen", met dien verstande dat in het derde lid van artikel 6 gepreciseerd wordt dat die bepaling slechts van toepassing is gedurende de maanden dat het personeelslid geldelijke anciënniteit verwerft. In het geval genoemd in artikel 38 echter, krijgen alle personeelsleden op wie het van toepassing is zonder onderscheid de vermelding "voldoet aan de verwachtingen", waarbij bovendien geen duidelijk verband wordt gelegd met de geldelijke loopbaan van het personeelslid.
       De stellers van het ontwerp moeten daarover uitleg verschaffen in het verslag aan de Koning en ervoor zorgen dat, zo er sprake is van een daadwerkelijk verschillende behandeling, deze naar behoren kan worden gewettigd. Zo niet kan ze discriminerend worden bevonden in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
       2. Van het verslag aan de Koning moet ook gebruik worden gemaakt om de hervorming in een bredere context te plaatsen en duidelijk te maken hoe ze zich eventueel verhoudt tot andere regelgeving die nog in ontwerpfase verkeert. Artikel 6, tweede en derde lid, wekt immers de indruk dat de stellers van het ontwerp van plan zijn geldelijke gevolgen te verbinden aan de evaluatievermeldingen.
       Aangezien de afdeling Wetgeving van de Raad van State niet over gegevens daarover beschikt, is ze niet in staat na te gaan of de gezamenlijke lezing van het voorliggende besluit en andere regelingen die in de maak zijn, problemen kan opleveren.
       Artikel 7
       De aandacht van de steller van het ontwerp wordt erop gevestigd dat "prestatiedoelstellingen" niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief moeten zijn. De gemachtigde ambtenaar is het ermee eens dat het nuttig kan zijn zulks te preciseren.
       Artikel 8
       1. De gemachtigde ambtenaar is het ermee eens dat in het derde lid, overeenkomstig artikel 7, derde lid, "de prestatiedoelstellingen en de persoonlijke ontwikkelingsdoelstellingen" moet worden geschreven.
       Dezelfde opmerking geldt voor het zesde lid en voor de artikelen 3, eerste lid, 2°, 15, § 1, eerste lid, 2° en 21, 3°.
       2. Het vijfde lid, dat artikel 7, eerste lid, gedeeltelijk overlapt, bepaalt het volgende :
       "Wanneer de behoeften van de dienst een verandering van functie tijdens een evaluatieperiode voorschrijven, vangt er een nieuwe evaluatieperiode aan."
       De gemachtigde ambtenaar is het ermee eens dat dit lid veeleer thuishoort in artikel 5.
       Artikel 10
       1. Artikel 10 hoort veeleer thuis in artikel 5.
       2. In de Franse versie schrijve men : "En cas de départ d'un service fédéral...".
       Artikel 13
       Deze bepaling, waarin eerst gesteld wordt dat de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" wordt toegekend aan het personeelslid dat voldoet aan de vier vermelde criteria, waaronder het criterium "op een behoorlijke manier hebben bijgedragen tot de teamprestaties", en daarna gepreciseerd wordt dat het criterium betreffende het bijdragen tot de teamprestaties eigenlijk alleen een beletsel voor een evaluatie "voldoet aan de verwachtingen" is indien de tekortkomingen op dat vlak de goede werking of het imago van de dienst ernstig schaden, is, zoals de inspecteur van financiën heeft opgemerkt, vrij ongelukkig geformuleerd.
       Artikel 14
       Paragraaf 1, tweede lid, eerste zin, bepaalt het volgende :
       "De bijdrage tot de teamprestaties wordt beoordeeld als een verzwarend of verzachtend element."
       De precieze strekking van deze bepaling is de Raad van State niet duidelijk. Ofwel voldoet de geëvalueerde aan de eerste drie criteria en kan het vierde criterium, zoals bepaald in het tweede lid, tweede zin, de vermelding "te verbeteren" alleen rechtvaardigen indien de tekortkomingen op dat stuk de goede werking of het imago van de dienst ernstig schaden. Ofwel voldoet de geëvalueerde niet aan één van de eerste drie criteria en krijgt hij in dat geval de vermelding "te verbeteren", ongeacht de mate waarin hij heeft bijgedragen tot de teamprestaties.
       Artikel 15
       Wat betreft paragraaf 1, tweede lid, wordt verwezen naar de opmerking gemaakt bij artikel 14. Dat in artikel 15, in tegenstelling tot in artikel 14, niet staat in welk geval het niet-voldoen aan het criterium betreffende het bijdragen tot de teamprestaties op zich zou kunnen leiden tot de vermelding "onvoldoende", maakt het nog moeilijker de strekking van het tweede lid te begrijpen. Bedoelt de steller bijvoorbeeld dat indien het personeelslid minder dan 50 % van zijn prestatiedoelstellingen heeft bereikt, hij toch kan ontsnappen aan de vermelding "onvoldoende" indien hij goed heeft bijgedragen tot de prestaties van het team waarin hij werkt (verzachtende werking van het criterium) en, omgekeerd, dat een personeelslid dat voldoet aan de eerste drie criteria toch een vermelding onvoldoende zou kunnen krijgen indien zijn bijdrage tot de teamprestaties ondermaats wordt bevonden (verzwarende werking van het criterium) ?
       Artikel 18
       Het is de afdeling Wetgeving van de Raad van State niet duidelijk in welk opzicht het logisch zou zijn om in het derde lid ambtshalve de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" toe te kennen wanneer de ontstentenis van overeenstemming tussen de evaluator en de directeur-generaal betrekking heeft op de vraag of de persoon die geëvalueerd wordt de vermelding "onvoldoende" of "te verbeteren" moet krijgen.
       Artikel 21
       De gemachtigde ambtenaar is het ermee eens dat in de lijst met stukken waaruit het individueel evaluatiedossier bestaat ook het volgende moet worden vermeld : "in voorkomend geval de opmerkingen van het personeelslid gemaakt overeenkomstig artikel 11, tweede lid".
       Hoofdstuk V
       Zoals reeds gezegd is in advies 52.495/2, dat op 19 december 2012 is verstrekt over een ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 11 februari 2013 `houdende wijziging van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten en in het Ministerie van Defensie en andere bepalingen betreffende de evaluatie', zou in het ontwerp moeten worden bepaald dat ieder lid van de beroepscommissie inzake evaluatie bekleed moet zijn met een graad die gelijk is aan of hoger is dan die van de geëvalueerde.
       Die leemte moet worden verholpen.
       Artikel 27
       In het eerste lid, 1°, moet ook de instantie worden vermeld die optreedt voor het ministerie van Landsverdediging.
       Artikelen 31 en 32
       In het voornoemde advies 52.495/2 heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State de volgende opmerking gemaakt :
       "Er wordt bepaald dat de beroepscommissie of de leidend ambtenaar een andere vermelding kan toekennen of voorstellen.
       Zoals de tekst gesteld is, maakt hij het mogelijk dat de vermelding `onvoldoende' wordt toegekend zelfs als in het beschrijvend evaluatieverslag tot een andere vermelding wordt besloten. Gelet op de gevolgen van een vermelding `onvoldoende' mag die vermelding niet toegekend worden zonder dat het personeelslid in dat verband gehoord is.
       De ontworpen tekst dient dan ook aldus te worden aangepast dat bepaald wordt dat de beroepscommissie of de leidend ambtenaar geen andere, minder goede vermelding kunnen voorstellen of toekennen, althans niet de vermelding `onvoldoende', zonder dat een nieuwe procedure aangevat wordt (3)".
       Eenzelfde opmerking geldt voor de voorliggende artikelen.
       Hoofdstuk VI
       Het ontwerp noemt enkel de negatieve gevolgen van een vermelding "onvoldoende".
       De positieve gevolgen die de vermeldingen "voldoet aan de verwachtingen" en "uitzonderlijk" hebben voor de voortgang in de loopbaan van het personeelslid en voor zijn geldelijke loopbaan moeten ook worden vermeld. (4)
       Volgens de gemachtigde ambtenaar hoort dat thuis in een ander ontwerp dat betrekking heeft op de hervorming van de loopbanen.
       Artikel 34
       Wanneer de bevoegdheid om het personeelslid te ontslaan in handen ligt van de leidend ambtenaar, heeft deze geen keuze : hij moet het personeelslid ontslaan indien het binnen een periode van drie jaar die volgt op de toekenning van de eerste vermelding "onvoldoende" een tweede keer de vermelding "onvoldoende" krijgt.
       Wanneer de bevoegdheid om het personeelslid te ontslaan evenwel bij een andere overheid ligt, voorziet de ontworpen regeling niet in een dergelijke verplichting, maar bepaalt het dat de leidend ambtenaar het ontslag "voorstelt" aan die overheid.
       De redenen voor dat verschil zijn de Raad van State niet duidelijk. Indien de leidend ambtenaar het personeelslid dat twee keer een negatieve evaluatie heeft gekregen, moet ontslaan, moet dat ook gelden voor de andere overheden die benoemingsgerechtigd zijn en dus ook bevoegd zijn om personeel te ontslaan.
       Voorgesteld wordt te schrijven :
       "Indien, binnen drie jaar na de toekenning van de eerste vermelding `onvoldoende', een tweede vermelding `onvoldoende' wordt gegeven, ook al volgt deze niet meteen op de eerste vermelding `onvoldoende', wordt het personeelslid wegens beroepsongeschiktheid ontslagen door de overheid die hem heeft benoemd of aangeworven".
       Hoofdstuk IX
       Voorgesteld wordt een afzonderlijk hoofdstuk te wijden aan de opheffingsbepalingen en in voorkomend geval aan de wijzigingsbepalingen.
       Artikel 39
       Artikel 29, 2°, van het voornoemde koninklijk besluit van 2 augustus 2002 bepaalt het volgende :
       "Word[t] opgeheven :
       [...]
       2° de titel I van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, vervangen bij het koninklijk besluit van 6 februari 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 september 2000 en de bijlagen I tot IV, vervangen bij het koninklijk besluit van 6 februari 1997;"
       Artikel 30 van hetzelfde besluit bepaalt het volgende :
       "Dit besluit treedt in werking, voor elke federale overheidsdienst, op een door Ons vastgestelde datum; deze datum mag achttien maanden na de indiensttreding van de betrokken voorzitter van het directiecomité niet overschrijden."
       Daaruit volgt dat titel 1 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 reeds is opgeheven.
       Artikel 40
       Er moet melding worden gemaakt van de nog geldende wijzigingen die aangebracht zijn in het hoofdstuk dat opgeheven wordt.
       Artikel 41
       In de voorliggende bepaling staat dat artikel 3, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 2 april 1975 opgeheven wordt "voor alle ambtenaren van het federaal openbaar ambt".
       Indien de steller van het ontwerp daarmee wil zeggen dat de opheffing niet geldt voor de ambtenaren van de overheidsdiensten van de gewesten en de gemeenschappen, is de precisering overbodig : de federale overheid is niet bevoegd om het voornoemde besluit op te heffen voor zover het ook van toepassing is op de overheidsdiensten van de gewesten en de gemeenschappen.
       Indien het de bedoeling is van de steller van het ontwerp de "ambtenaren van het federaal openbaar ambt" tegenover andere categorieën ambtenaren die onder de federale overheid ressorteren te plaatsen, moet zulks worden gepreciseerd.
       Dezelfde opmerking geldt voor artikel 42.
       Artikelen 44 en 45
       Er moet melding worden gemaakt van de nog geldende wijzigingen die aangebracht zijn in de besluiten die opgeheven worden.
       Artikel 47
       In het voornoemde advies 52.495/2 heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State het volgende opgemerkt :
       "Volgens artikel 5 treedt dit besluit in werking op de eerste dag van de maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
       Een zodanige datum van inwerkingtreding vertoont het nadeel dat indien het ontwerpbesluit aan het eind van de maand wordt bekendgemaakt, de adressaten ervan niet beschikken over de normale termijn van tien dagen om kennis ervan te kunnen nemen, een termijn die in de regel wordt voorgeschreven bij artikel 6, eerste lid, van de wet van 31 mei 1961 `betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen'.
       Derhalve moet worden nagegaan of het wel nodig is in een bijzondere bepaling inzake de inwerkingtreding te voorzien."
       Eenzelfde opmerking geldt voor het voorliggende ontwerp.
       
       De griffier
       Bernadette Vigneron
       De voorzitter
       Yves Kreins
       
       ----------
       
       (1) Wat betreft de artikelen 1 tot 20 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 `betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel", wordt verwezen naar de bijzondere opmerking gemaakt bij artikel 39 van het ontwerp.
       (2) En in de artikelen 32 tot 33octies van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 `tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut', waarbij het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 ten uitvoer wordt gelegd in deze zin dat de terminologie daarvan wordt afgestemd op het laatstgenoemde personeel.
       (3) Voetnoot 2 van het geciteerde advies : vergelijk met artikel 79, § 1, laatste lid, van het voornoemde besluit van 2 oktober 1937, dat als volgt luidt : "Indien (...) het directiecomité een definitief voorstel van tuchtstraf doet dat strenger is dan het voorlopige voorstel, roept ze opnieuw de ambtenaar op voor een verhoor".
       (4) Wat dat betreft wordt verwezen naar opmerking 2 bij de artikelen 6 en 38.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 5 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie