J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 9 uitvoeringbesluiten 9 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2012/01/23/2011021114/justel

Titel
23 JANUARI 2012. - Koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-02-2012 en tekstbijwerking tot 24-12-2019)

Bron : KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER
Publicatie : 01-02-2012 nummer :   2011021114 bladzijde : 7615       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2012-01-23/02
Inwerkingtreding : 06-02-2012

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 1. - Inleidende bepaling
Art. 1
Afdeling 2. - Definities en toepassing belasting over de toegevoegde waarde
Art. 2-3
Afdeling 3. - Toepassingsgebied
Art. 4
Afdeling 4. - Marktverkenning
Art. 5
Afdeling 5. - Communicatiemiddelen
Art. 6
Afdeling 6. - Technische specificaties en normen
Art. 7-8
Afdeling 7. - Gegevensbeveiliging en bevoorradingszekerheid
Art. 9-10
Afdeling 8. - Varianten, opties en percelen
Art. 11-13
Afdeling 9. - Prijsvaststelling, prijsbestanddelen en prijsherziening
Art. 14-21
Afdeling 10. - Prijsonderzoek
Art. 22
Afdeling 11. - Belangenvermenging en afspraken
Art. 23-24
HOOFDSTUK 2. - Raming opdrachtbedrag
Art. 25-29
HOOFDSTUK 3. - Bekendmaking
Afdeling 1. - Algemene bekendmakingsregels
Art. 30-32
Afdeling 2. - Europese drempels
Art. 33-34
Afdeling 3. - Europese bekendmaking
Art. 35-39
Afdeling 4. - Belgische bekendmaking
Art. 40-42
HOOFDSTUK 4. - Indiening aanvragen tot deelneming en offertes
Afdeling 1. - Termijnen. - Algemene bepalingen
Art. 43-46
Afdeling 2. - Termijnen bij Europese bekendmaking
Art. 47-48
Afdeling 3. - Termijnen bij Belgische bekendmaking
Art. 49-51
Afdeling 4. - Uitnodiging geselecteerden tot indiening offerte
Art. 52
Afdeling 5. - Indieningsrecht en -wijze aanvragen tot deelneming en offertes
Art. 53-58
Afdeling 6. - Verbintenistermijn
Art. 59
HOOFDSTUK 5. - Selectie kandidaten en inschrijvers Toegangsrecht en kwalitatieve selectie
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 60-62
Afdeling 2. - Toegangsrecht
Art. 63-68
Afdeling 3. - Kwalitatieve selectie
Art. 69-84
HOOFDSTUK 6. - Gunning bij aanbesteding en offerteaanvraag
Afdeling 1. - Vorm, inhoud en ondertekening offerte
Art. 85-87
Afdeling 2. - Samenvattende opmeting en inventaris
Art. 88-89
Afdeling 3. - Interpretatie, fouten en leemten
Art. 90-92
Afdeling 4. - Prijsopgave en percelen
Art. 93-94
Afdeling 5. - Indiening offertes
Art. 95-96
Afdeling 6. - Opening offertes
Art. 97-99
Afdeling 7. - Onderzoek en regelmatigheid offertes
Art. 100-104
Afdeling 8. - Gunning opdracht
Art. 105-106
Afdeling 9. - Sluiting opdracht
Art. 107-109
HOOFDSTUK 7. - Gunning bij onderhandelingsprocedure
Afdeling 1. - Specifieke drempels
Art. 110
Afdeling 2. - Verloop en sluiting
Art. 111-115
HOOFDSTUK 8. - Gunning bij concurrentiedialoog
Art. 116-119
HOOFDSTUK 9. - Specifieke en aanvullende opdrachten en procedures
Afdeling 1. - Promotieopdracht van werken
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 120-122
Onderafdeling 2. - Opdrachtdocumenten
Art. 123-129
Afdeling 2. - Elektronische veiling
Art. 130-135
Afdeling 3. - Raamovereenkomst
Art. 136-138
Afdeling 4. - Werkenwedstrijd
Art. 139
HOOFDSTUK 10. - Regels toepasselijk op de opdrachten in onderaanneming
Afdeling 1. - Opdrachten in onderaanneming gegund door inschrijvers en opdrachtnemers die geen aanbestedende overheden zijn
Art. 140-147
Afdeling 2. - Opdrachten in onderaanneming die worden gegund door inschrijvers en opdrachtnemers die aanbestedende overheden zijn
Art. 148
Afdeling 3. - Aansprakelijkheid van de inschrijver en van de opdrachtnemer
Art. 149
HOOFDSTUK 11. - Algemene uitvoeringsregels
Art. 150
HOOFDSTUK 12. - Opdrachten geplaatst door aanbestedende entiteiten
Art. 151-152
HOOFDSTUK 13. - Slotbepalingen
Art. 153-156
BIJLAGEN.
Art. N1-N6

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

  Afdeling 1. - Inleidende bepaling

  Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van sommige bepalingen van Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG.

  Afdeling 2. - Definities en toepassing belasting over de toegevoegde waarde

  Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° de wet : de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied;
  2° aanbestedende overheid : de aanbestedende overheid of het overheidsbedrijf als bedoeld in artikel 2, 1° en 2°, van de wet;
  3° opdracht : de overheidsopdracht en elke overeenkomst en raamovereenkomst omschreven in de artikelen 3 en 4 van de wet;
  4° vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking : de onderhandelingsprocedure met bekendmaking waarvoor elke belangstellende aannemer, leverancier of dienstverlener een offerte mag indienen. Deze vorm van onderhandelingsprocedure mag uitsluitend worden aangewend voor de opdrachten die de drempels vermeld in artikel 33 niet bereiken;
  5° opdracht tegen globale prijs : de opdracht waarbij een forfaitaire prijs het geheel van de prestaties van de opdracht of van elke post dekt;
  6° opdracht tegen prijslijst : de opdracht waarbij de eenheidsprijzen voor de verschillende posten forfaitair zijn en de hoeveelheden, voor zover er hoeveelheden voor de posten worden bepaald, vermoedelijk zijn of worden uitgedrukt binnen een vork. De posten worden verrekend op basis van de werkelijk bestelde en gepresteerde hoeveelheden;
  7° opdracht tegen terugbetaling : de opdracht waarbij de prijs van de uitgevoerde prestaties wordt vastgesteld na onderzoek van de gevorderde prijzen op basis van wat de opdrachtdocumenten bepalen over de kostenbestanddelen die mogen worden aangerekend, de berekeningswijze van de kosten en de omvang van de daarop toe te passen verhogingen;
  8° gemengde opdracht : de opdracht waarbij de prijsvaststelling gebeurt volgens meerdere soorten bedoeld in de punten 5° tot 7° ;
  9° samenvattende opmeting : het opdrachtdocument waarin de prestaties van een opdracht voor werken over verschillende posten worden gefractioneerd en waarbij voor iedere post de hoeveelheid of de prijsvaststelling wordt vermeld;
  10° inventaris : het opdrachtdocument waarin de prestaties van een opdracht voor leveringen of diensten over verschillende posten worden gefractioneerd en waarbij voor iedere post de hoeveelheid of de prijsvaststelling wordt vermeld;
  11° variante : een alternatieve conceptie- of uitvoeringswijze die hetzij op vraag van de aanbestedende overheid, hetzij op initiatief van de inschrijver wordt ingediend;
  12° optie : een bijkomend element dat niet strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de opdracht, dat hetzij op vraag van de aanbestedende overheid, hetzij op initiatief van de inschrijver wordt ingediend;
  13° technische specificaties :
  a) in geval van een opdracht voor werken : alle technische voorschriften, met name die welke zijn opgenomen in de opdrachtdocumenten, die een omschrijving geven van de vereiste kenmerken van een materiaal, een product of een levering en aan de hand waarvan op objectieve wijze een materiaal, een product of een levering zodanig kan worden omschreven dat dit beantwoordt aan het gebruik waarvoor het door de aanbestedende overheid is bestemd. Tot deze kenmerken behoren ook het niveau van milieuvriendelijkheid, een ontwerp dat voldoet voor alle gebruik met inbegrip van de toegankelijkheid voor personen met een handicap, en de conformiteitsbeoordeling, gebruiksgeschiktheid, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van kwaliteitswaarborgingsprocedures, terminologie, symbolen, proefnemingen en proefnemingsmethoden, verpakking, markering en etikettering en productieprocessen en -methoden. Zij omvatten eveneens de voorschriften voor het ontwerpen en het berekenen van het werk, de voorwaarden voor proefnemingen, controle en oplevering van de werken, alsmede de bouwtechnieken of bouwwijzen en alle andere technische voorwaarden die de aanbestedende overheid bij algemene dan wel bijzondere maatregel kan voorschrijven met betrekking tot de voltooide werken en tot de materialen of bestanddelen waaruit deze werken zijn samengesteld;
  b) in geval van een opdracht voor leveringen of diensten : een specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product of dienst, zoals het niveau van kwaliteit, het niveau van milieuvriendelijkheid, een ontwerp dat voldoet voor alle gebruik met inbegrip van de toegankelijkheid voor personen met een handicap, en de conformiteitsbeoordeling, gebruiksgeschiktheid, gebruik, veiligheid of afmetingen van het product, met inbegrip van de voor het product geldende voorschriften inzake handelsbenaming, terminologie, symbolen, proefnemingen en proefnemingsmethoden, verpakking, markering en etikettering, gebruiksaanwijzingen, productieprocessen en -methoden, en de procedures voor de conformiteitsbeoordeling;
  14° norm : een technische specificatie die door een erkende normalisatie-instelling voor herhaalde of voortdurende toepassing is goedgekeurd, waarvan de inachtneming niet verplicht is en die tot een van de volgende categorieën behoort :
  a) internationale norm : een norm die door een internationale normalisatie-instelling wordt aangenomen en ter beschikking van het publiek wordt gesteld;
  b) Europese norm : een norm die door een Europese normalisatie-instelling wordt aangenomen en ter beschikking van het publiek wordt gesteld;
  c) nationale norm : een norm die door een nationale normalisatie-instelling wordt aangenomen en ter beschikking van het publiek wordt gesteld;
  15° defensienorm : een technische specificatie waarvan de inachtneming niet verplicht is en die is goedgekeurd door een normalisatie-instelling die gespecialiseerd is in de opstelling van technische specificaties voor herhaalde of voortdurende toepassing op defensiegebied;
  16° Europese technische goedkeuring : een gunstige technische beoordeling gesteund op de bevinding dat aan de essentiële eisen wordt voldaan waarbij een product, gezien zijn intrinsieke eigenschappen en de voor de toepassing en het gebruik ervan vastgestelde voorwaarden, geschikt wordt verklaard voor het gebruik voor bouwdoeleinden. De Europese technische goedkeuring wordt verleend door een daartoe door de lidstaat erkende instelling;
  17° gemeenschappelijke technische specificaties : technische specificaties die zijn opgesteld volgens een door de lidstaten erkende procedure die in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt;
  18° technisch referentiekader : ieder ander product dan de officiële normen, dat door de Europese normalisatie-instellingen is opgesteld volgens procedures die aan de ontwikkeling van de marktbehoeften zijn aangepast;
  19° uitvoeringverordening (EU) nr 842/2011 : de Uitvoeringsverordening (EU) nr 842/2011 van de Commissie van 19 augustus 2011 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1564/2005.

  Art. 3. Elk bedrag vermeld in dit besluit is een bedrag zonder belasting over de toegevoegde waarde.

  Afdeling 3. - Toepassingsgebied

  Art. 4. Dit besluit is toepasselijk op de overheidsopdrachten die onder het toepassingsgebied van titel 2 van de wet vallen en volgens de bepalingen van artikel 151 van dit besluit, op de opdrachten die onder het toepassingsgebied van titel 3 van dezelfde wet vallen.

  Afdeling 4. - Marktverkenning

  Art. 5. De aanbestedende overheid mag vóór het aanvatten van een gunningsprocedure de markt verkennen met het oog op het opstellen van de opdrachtdocumenten en -specificaties, op voorwaarde dat die marktverkenning niet tot een verhindering of een vertekening van de mededinging leidt.

  Afdeling 5. - Communicatiemiddelen

  Art. 6. § 1. Ongeacht of elektronische middelen worden gebruikt of niet, vindt de mededeling, uitwisseling en opslag van informatie op zodanige wijze plaats dat :
  1° de integriteit van de gegevens wordt gewaarborgd;
  2° de vertrouwelijkheid van de aanvragen tot deelneming en van de offertes wordt gewaarborgd, en dat de aanbestedende overheid pas bij het verstrijken van de uiterste termijn kennisneemt van de inhoud ervan.
  § 2. Elk schriftelijk stuk dat met elektronische middelen werd opgesteld en dat in de ontvangen versie een macro, computervirus of andere schadelijke instructie vertoont, kan in een veiligheidsarchief worden opgenomen en, voor zover dit technische noodzakelijk is, als niet ontvangen worden beschouwd. Indien het stuk geen aanvraag tot deelneming of offerte betreft en onverminderd artikel 54, § 1, 2°, wordt de afzender daarvan onmiddellijk op de hoogte gebracht.
  § 3. De aanbestedende overheid kan het gebruik van elektronische middelen toestaan voor het uitwisselen, in de loop van de procedure, van schriftelijke stukken, andere dan aanvragen tot deelneming en offertes. De kandidaat of de inschrijver kunnen dit gebruik eveneens toestaan.
  In geval van toepassing van het eerste lid en wanneer een bepaling van dit besluit voorschrijft dat een verzending plaatsvindt of wordt bevestigd per aangetekende brief, gebeurt dit met ontvangstmelding.

  Afdeling 6. - Technische specificaties en normen

  Art. 7.§ 1. Overeenkomstig artikel 40, eerste lid, van de wet, neemt de aanbestedende overheid de technische specificaties op in de opdrachtdocumenten.
  Onverminderd de verplichte nationale technische voorschriften, inclusief degene die betrekking hebben op productveiligheid, en de technische eisen waaraan België uit hoofde van internationale normalisatieovereenkomsten moet voldoen om de krachtens deze overeenkomsten vereiste interoperabiliteit te garanderen, en op voorwaarde dat zij verenigbaar zijn met het recht van de Europese Unie, worden de technische specificaties aangegeven :
  a) hetzij door verwijzing naar de technische specificaties als bedoeld in artikel 2, 13°, en in volgorde van voorkeur naar :
  - civiele nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet,
  - Europese technische goedkeuringen,
  - gemeenschappelijke civiele technische specificaties,
  - civiele nationale normen waarin internationale normen zijn omgezet,
  - andere internationale civiele normen,
  - andere door de Europese normalisatie-instellingen opgestelde technische referentiesystemen, of, bij ontstentenis daarvan, andere nationale civiele normen, nationale technische goedkeuringen dan wel nationale technische specificaties inzake het ontwerpen, het berekenen en het uitvoeren van werken en het gebruik van producten,
  - civiele technische specificaties die afkomstig zijn van de sector en in de sector algemeen worden erkend, of
  - nationale "defensienormen" als omschreven in artikel 2, 15°, en soortgelijke specificaties voor militair materiaal.
  Iedere verwijzing gaat vergezeld van de woorden "of gelijkwaardig";
  b) hetzij in termen van prestatie-eisen of functionele eisen. Deze kunnen milieukenmerken omvatten. Zij moeten echter zo nauwkeurig zijn dat de inschrijvers in staat zijn het voorwerp van de opdracht te bepalen en de aanbestedende overheid in staat is de opdracht te gunnen;
  c) hetzij in de onder b) bedoelde termen van prestatie-eisen of functionele eisen, waarbij onder vermoeden van overeenstemming met deze prestatie-eisen of functionele eisen wordt verwezen naar de onder a) bedoelde specificaties;
  d) hetzij door verwijzing naar de onder a) bedoelde specificaties voor bepaalde kenmerken, en naar de onder b) bedoelde prestatie-eisen of functionele eisen voor andere kenmerken.
  § 2. Wanneer de aanbestedende overheid gebruik maakt van de mogelijkheid te verwijzen naar de in § 1, a), bedoelde specificaties, kan ze echter geen offerte weren met als reden dat de aangeboden producten en diensten niet beantwoorden aan de specificaties waarnaar zij heeft verwezen, indien de inschrijver, tot voldoening van de aanbestedende overheid, in zijn offerte met elk passend middel aantoont dat de door hem voorgestelde oplossingen op gelijkwaardige wijze voldoen aan de eisen van de technische specificaties.
  Een passend middel kan een technisch dossier van de fabrikant zijn of een testverslag van een erkende organisatie.
  § 3. Wanneer de aanbestedende overheid gebruik maakt van de in § 1, b), geboden mogelijkheid prestatie-eisen of functionele eisen te stellen, mag ze geen aanbod van werken, producten of diensten afwijzen die beantwoorden aan een nationale norm waarin een Europese norm is omgezet, aan een Europese technische goedkeuring, aan een gemeenschappelijke technische specificatie, aan een internationale norm, of aan een door een Europese normalisatie-instelling opgesteld technisch referentiesysteem, wanneer deze specificaties betrekking hebben op de prestaties of functionele eisen die ze heeft voorgeschreven.
  De inschrijver toont, tot voldoening van de aanbestedende overheid, in zijn offerte met elk passend middel aan dat de aan de norm beantwoordende werken, producten of diensten aan de prestatie-eisen of functionele eisen van de aanbestedende overheid voldoen.
  Een passend middel kan een technisch dossier van de fabrikant zijn of een testverslag van een erkende organisatie.
  § 4. Een aanbestedende overheid die milieukenmerken voorschrijft door verwijzing naar prestatie-eisen of functionele eisen, zoals bepaald in § 1, b), kan gebruik maken van de gedetailleerde specificaties of, zo nodig, van gedeelten daarvan, zoals vastgesteld in Europese, (pluri)nationale milieukeuren of in een andere milieukeur, voor zover :
  a) deze geschikt zijn voor de omschrijving van de kenmerken van de leveringen of diensten waarop de opdracht betrekking heeft;
  b) de vereisten voor de keur zijn ontwikkeld op grond van wetenschappelijke gegevens;
  c) de milieukeuren aangenomen zijn via een proces waaraan alle betrokkenen, zoals regeringsinstanties, consumenten, fabrikanten, kleinhandel en milieuorganisaties hebben kunnen deelnemen;
  d) de milieukeuren toegankelijk zijn voor alle betrokken partijen.
  De aanbestedende overheid kan aangeven dat de van een milieukeur voorziene producten of diensten worden geacht te voldoen aan de technische specificaties van het bestek; ze dient elk ander passend bewijsmiddel te aanvaarden, zoals een technisch dossier van de fabrikant of een testverslag van een erkende organisatie.
  § 5. "Erkende organisaties" in de zin van dit artikel zijn testlaboratoria, ijklaboratoria en inspectie- en certificatieorganisaties die voldoen aan de toepasselijke Europese normen.
  De aanbestedende overheid aanvaardt certificaten van in de andere lidstaten erkende organisaties.
  [1 § 6. De technische specificaties die op de opdracht van toepassing zijn, kunnen worden aangevuld met mallen, stalen, modellen, types en dergelijke meer, die door de aanbestedende overheid worden gemerkt.
   Indien de werken, leveringen of diensten tegelijkertijd omschreven worden door plannen, modellen en stalen, en behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten, bepalen de plannen de vorm, de afmetingen en de aard van het materiaal waaruit het product is vervaardigd. De modellen dienen slechts voor het onderzoek van de afwerking en de stalen om de kwaliteit na te gaan.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 28, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 8. § 1. De technische specificaties bieden de inschrijvers gelijke toegang en mogen niet tot gevolg hebben dat ongerechtvaardigde belemmeringen voor de mededinging worden gecreëerd.
  § 2. In de technische specificaties mag geen melding worden gemaakt van een bepaald fabrikaat of een bepaalde herkomst of van een bijzondere werkwijze, noch mogen deze een verwijzing bevatten naar een merk, een octrooi of een type, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie, waardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde producten worden bevoordeeld of geëlimineerd.
  Deze vermelding of verwijzing is bij wijze van uitzondering alleen toegestaan :
  1° wanneer het niet mogelijk is door middel van voldoende nauwkeurige en voor alle betrokkenen volstrekt begrijpelijke specificaties een beschrijving van het voorwerp van de opdracht te geven door toepassing van artikel 7. Deze vermelding of verwijzing moet vergezeld gaan van de woorden "of gelijkwaardig", of
  2° indien dit door het voorwerp van de opdracht is gerechtvaardigd.

  Afdeling 7. - Gegevensbeveiliging en bevoorradingszekerheid

  Art. 9. Wanneer een opdracht geclassificeerde informatie vereist of bevat, vermeldt de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten, overeenkomstig artikel 38, eerste lid, van de wet, de maatregelen en eisen die noodzakelijk zijn om het vereiste beveiligingsniveau van deze informatie te waarborgen.
  Te dien einde kan de aanbestedende overheid eisen dat de offerte onder meer de volgende elementen bevat :
  1° de verbintenis van de inschrijver en de reeds geïdentificeerde onderaannemers dat zij naar behoren de vertrouwelijkheid zullen beschermen van alle geclassificeerde informatie die in hun bezit is of die hun ter kennis komt tijdens de hele looptijd van de opdracht en na het verbreken of het vervallen van de opdracht, overeenkomstig de desbetreffende wettelijke, reglementaire en bestuursrechtelijke bepalingen;
  2° de verbintenis van de inschrijver dat hij de onder punt 1° vermelde verbintenis zal verkrijgen van andere onderaannemers die hij tijdens de uitvoering van de opdracht middels opdrachten in onderaanneming zal gunnen;
  3° toereikende gegevens over de reeds geïdentificeerde onderaannemers, waaruit de aanbestedende overheid kan opmaken dat elk van hen over de vereiste bekwaamheden beschikt om naar behoren de vertrouwelijkheid te beschermen van de geclassificeerde informatie waartoe zij toegang hebben of die zij in het kader van hun onderaannemingsactiviteiten dienen te verstrekken;
  4° de verbintenis van de inschrijver om de onder punt 3° vereiste informatie te verstrekken voor nieuwe onderaannemers alvorens deze een opdracht in onderaanneming te gunnen.
  Bij gebrek aan harmonisatie op het niveau van de Europese Unie van de nationale systemen voor veiligheidsmachtigingen, moeten de in het tweede lid vermelde maatregelen en vereisten stroken met de bepalingen die in België van toepassing zijn inzake veiligheidsmachtigingen. De veiligheidsmachtiging die de bevoegde nationale veiligheidsoverheid als gelijkwaardig beschouwt met degene die zijn toegekend overeenkomstig de nationale wetgeving worden erkend, onverminderd de mogelijkheid voor deze overheid om zelf onderzoek te verrichten en hier rekening mee te houden, als dit nodig geacht wordt.

  Art. 10. De aanbestedende overheid specificeert in de opdrachtdocumenten haar eisen op het gebied van bevoorradingszekerheid.
  Te dien einde kan de aanbestedende overheid eisen dat de offerte onder andere de volgende elementen bevat :
  1° de certificering of documenten die tot tevredenheid van de aanbestedende overheid aantonen dat de inschrijver in staat zal zijn de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen inzake de uitvoer, overbrenging en doorvoer van goederen na te komen, onder meer aanvullende documenten ontvangen van de betrokken lidstaat of lidstaten;
  2° de opgave van elke beperking voor de aanbestedende overheid inzake openbaarmaking, overdracht of gebruik van de producten en diensten of van elk resultaat van deze producten en diensten, als gevolg van uitvoercontrole of veiligheidsbepalingen;
  3° de certificering of documenten die aantonen dat de organisatie en locatie van de bevoorradingsketen van de inschrijver hem in staat zullen stellen te voldoen aan de eisen van de aanbestedende overheid op het gebied van de bevoorradingszekerheid die in de opdrachtdocumenten zijn opgenomen, en een verbintenis ervoor te zorgen dat mogelijke veranderingen in zijn bevoorradingsketen tijdens de uitvoering van de opdracht geen negatieve gevolgen voor de naleving van deze vereisten zullen hebben;
  4° de verbintenis van de inschrijver om de capaciteit te creëren en/of te handhaven die vereist is om eventuele aanvullende behoeften van de aanbestedende overheid als gevolg van een crisis op te vangen, onder overeen te komen voorwaarden;
  5° elk aanvullend document dat de inschrijver heeft ontvangen van zijn nationale instanties over het vervullen van bijkomende behoeften van de aanbestedende overheid als gevolg van een crisis;
  6° de verbintenis van de inschrijver om het onderhoud, de modernisering of de aanpassingen van de leveringen die het voorwerp van de opdracht uitmaken, uit te voeren;
  7° de verbintenis van de inschrijver om de aanbestedende overheid tijdig kennis te geven van iedere verandering in zijn organisatie, bevoorradingsketen of bedrijfsstrategie die van invloed kan zijn op zijn verplichtingen jegens de aanbestedende overheid;
  8° de verbintenis van de inschrijver om de aanbestedende overheid onder overeen te komen voorwaarden alle specifieke middelen te verstrekken die nodig zijn voor de vervaardiging van reserveonderdelen, componenten, assemblagedelen en speciale testapparatuur, inclusief technische tekeningen, licenties of machtigingen en gebruiksaanwijzingen, voor het geval dat hij deze benodigdheden niet langer kan leveren.
  Een inschrijver kan niet worden verplicht om van een lidstaat een verbintenis te verkrijgen die de vrijheid van die lidstaat zou inperken om in overeenstemming met het desbetreffende internationaal recht of het recht van de Europese Unie zijn nationale licentiecriteria voor uitvoer, overbrenging of doorvoer toe te passen in de omstandigheden die op het moment van het licentiebesluit gelden.

  Afdeling 8. - Varianten, opties en percelen

  Art. 11. § 1. Er bestaan drie soorten varianten :
  1° verplichte variante : in dit geval omschrijft de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten het voorwerp, de aard en de draagwijdte van een basisontwerp en één of meer varianten en zijn de inschrijvers verplicht om zowel voor het basisontwerp als voor elke variante een offerte in te dienen;
  2° facultatieve variante : in dit geval omschrijft de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten het voorwerp, de aard en de draagwijdte van meerdere varianten, waarvan ze er één als basisoplossing kan aanduiden. De inschrijvers kunnen voor één of meerdere varianten een offerte indienen. De aanbestedende overheid kan in de opdrachtdocumenten verplichten om voor de basisoplossing een offerte in te dienen;
  3° vrije variante : deze kan vrijelijk door de inschrijvers worden ingediend. Voor de opdrachten waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is, vermeldt de aanbestedende overheid in de aankondiging van opdracht of ze de indiening ervan toestaat en, zo ja, in de opdrachtdocumenten de minimale vereisten waaraan ze moet beantwoorden.
  § 2. Verplichte of facultatieve varianten kunnen bij alle gunningsprocedures worden aangewend. Vrije varianten zijn niet toegestaan bij aanbesteding.
  De opdrachtdocumenten preciseren of de varianten worden ingediend met een afzonderlijke offerte of in een afzonderlijke gedeelte van de offerte.
  § 3. De aanbestedende overheid mag een vrije variante niet weren om de enkele reden dat een opdracht voor diensten daardoor een opdracht voor leveringen zou worden of omgekeerd.

  Art. 12. § 1. Er bestaan twee soorten opties :
  1° verplichte optie : in dit geval omschrijft de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten het voorwerp, de aard en de draagwijdte van de optie en zijn de inschrijvers verplicht om voor deze optie een bod te doen;
  2° vrije optie : deze kan vrijelijk door de inschrijvers worden ingediend.
  § 2. Het bod voor de opties wordt in een afzonderlijk gedeelte van de offerte vermeld in de offerte.
  Bij aanbesteding mogen de inschrijvers aan de vrije opties geen meerprijs of een andere tegenprestatie verbinden.
  § 3. De aanbestedende overheid is nooit verplicht om een optie te bestellen, noch bij de sluiting, noch tijdens de uitvoering van de opdracht.

  Art. 13. Wanneer in percelen wordt voorzien, bepalen de opdrachtdocumenten de aard en het voorwerp, de verdeling en de kenmerken ervan.
  De gunningswijze kan verschillen per perceel.

  Afdeling 9. - Prijsvaststelling, prijsbestanddelen en prijsherziening

  Art. 14. § 1. Behoudens bijzondere bepaling in dit besluit kiest de aanbestedende overheid inzake de prijs van de opdracht voor één van de prijsvaststellingen vermeld in artikel 2, 5° tot 8°.
  In de gevallen waarin artikel 7, § 2, van de wet de plaatsing van de opdracht zonder forfaitaire prijsvaststelling toestaat, wordt de opdracht gegund :
  1° hetzij tegen terugbetaling;
  2° hetzij eerst tegen voorlopige prijzen en vervolgens tegen forfaitaire prijzen, zodra de voorwaarden van de opdracht goed gekend zijn;
  3° hetzij deels tegen terugbetaling, deels tegen forfaitaire prijzen.
  § 2 - Bij een opdracht tegen globale prijs, wordt de inschrijver geacht zijn offertebedrag te hebben vastgesteld volgens zijn eigen bewerkingen, berekeningen en ramingen, rekening houdend met de inhoud en de omvang van de opdracht. Hetzelfde geldt voor de forfaitaire posten van de gemengde opdracht.

  Art. 15. De aanbestedende overheid kan in de opdrachtdocumenten vermelden bij welke instanties de inschrijvers de ter zake dienende informatie kunnen verkrijgen over de verplichtingen inzake belastingen, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden die gelden op de plaats waar de prestaties worden uitgevoerd en die tijdens de uitvoering van de opdracht op die prestaties van toepassing zijn.
  Wanneer de aanbestedende overheid de in het eerste lid bedoelde vermelding opneemt, dienen de inschrijvers in hun offerte te verklaren dat zij bij het opstellen ervan rekening hebben gehouden met de verplichtingen inzake arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden die gelden op de plaats waar de prestaties worden uitgevoerd.
  Het tweede lid geldt onverminderd de toepassing van artikel 22, § 3.

  Art. 16. De eenheidsprijzen en de globale prijzen voor iedere post van de samenvattende opmeting of van de inventaris worden opgegeven met inachtneming van de betrekkelijke waarde van die posten ten opzichte van het totale offertebedrag. Al de algemene en financiële kosten alsmede de winst worden over de onderscheiden posten, in verhouding tot hun belangrijkheid, verdeeld.

  Art. 17. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten zijn inbegrepen in de eenheidsprijzen en de globale prijzen van de opdracht alle heffingen welke de opdracht belasten, met uitzondering van de belasting over de toegevoegde waarde.
  Wat de belasting over de toegevoegde waarde betreft, schrijft de aanbestedende overheid voor :
  a) hetzij dat zij in een afzonderlijke post van de samenvattende opmeting of van de inventaris wordt vermeld om bij de prijs van de offerte te worden gevoegd. Indien de inschrijver verzuimt deze post in te vullen, wordt de geboden prijs door de aanbestedende overheid met deze belasting verhoogd;
  b) hetzij dat de inschrijver in de offerte de aanslagvoet van de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt. Indien verschillende aanslagvoeten toepasselijk zijn, dient de inschrijver voor elke aanslagvoet de desbetreffende posten van de samenvattende opmeting of van de inventaris op te geven.

  Art. 18. § 1. Indien de aanbestedende overheid zelf een volledige beschrijving van het geheel of een deel van de opdracht geeft, zijn de aankoopprijs en de verschuldigde vergoedingen voor de gebruikslicenties van de bestaande intellectuele eigendomsrechten die nodig zijn voor de uitvoering van de opdracht en door de aanbestedende overheid kenbaar worden gemaakt, inbegrepen in de eenheidsprijzen of de globale prijzen van de opdracht.
  Indien de aanbestedende overheid geen melding maakt van het bestaan van een intellectueel eigendomsrecht of van een gebruikslicentie, vallen de aankoopprijs en de vergoedingen te haren laste. In dat geval is ze ook aansprakelijk voor eventuele schadevergoedingen gevorderd door de titularis van het intellectuele eigendomsrecht of de licentiehouder.
  § 2. Wanneer de opdrachtdocumenten de inschrijvers verplichten om zelf de beschrijving van het geheel of een deel van de opdrachtprestaties te geven, zijn de vergoedingen verschuldigd aan de inschrijvers voor het gebruik, in dit kader, van een intellectueel eigendomsrecht waarvan ze titularis zijn of waarvoor ze van een derde een gebruikslicentie moeten verkrijgen voor het geheel of een deel van die prestaties, inbegrepen in de eenheidsprijzen en de globale prijzen van de opdracht. In voorkomend geval vermelden zij in hun offerte het nummer en de datum van de registratie van de eventuele gebruikslicentie. In geen geval zijn zij gerechtigd om van de aanbestedende overheid schadevergoeding te eisen op grond van de schending van de intellectuele eigendomsrechten in kwestie.

  Art. 19. De keurings- en opleveringskosten zijn inbegrepen in de eenheidsprijzen en globale prijzen van de opdracht op voorwaarde dat de opdrachtdocumenten de wijze bepalen waarop deze kosten zullen worden berekend.
  De keurings- en opleveringskosten omvatten onder meer de reis- en verblijfskosten en de vergoeding van het met de keuring of oplevering belaste personeel.

  Art. 20. § 1. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten zijn inbegrepen in de eenheidsprijzen en globale prijzen van de opdracht voor werken, alle kosten, maatregelen en lasten die inherent zijn aan de uitvoering van de opdracht, met name :
  1° in voorkomend geval, de maatregelen opgelegd door de regelgeving inzake veiligheid en gezondheid van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  2° alle werken en leveringen die nodig zijn om de grondafkalvingen en andere beschadigingen te voorkomen en eventueel te verhelpen zoals stempelingen, beschoeiingen en bemalingen;
  3° het ongeschonden bewaren en het eventueel verplaatsen en terugplaatsen van kabels en leidingen waarop bij grond-, graaf- of baggerwerken kan worden gestuit, voor zover de wettelijke last hiervoor niet op de eigenaars van die kabels en leidingen rust;
  4° het verwijderen binnen de grenzen van de grond-, graaf- of baggerwerken die eventueel noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het werk :
  a) van grond, slijk en kiezel, stenen, breukstenen, allerlei gesteente, overblijfselen van metselwerk, zoden, beplantingen, struiken, stronken, wortels, kreupelhout, puin en afval;
  b) van ieder rotsblok, ongeacht zijn volume, wanneer de opdrachtdocumenten vermelden dat de grond-, graaf-, of baggerwerken worden uitgevoerd in rotsachtig terrein en, bij gebrek aan deze vermelding, van ieder uit één stuk bestaand rotsblok, metselwerk of betonblok waarvan het volume een halve kubieke meter niet overschrijdt;
  5° het vervoeren en wegbrengen van graafspecie hetzij buiten het domein van de aanbestedende overheid, hetzij naar de plaatsen voor hergebruik binnen de grenzen van de bouwplaatsen, hetzij naar de stortplaatsen waarin de opdrachtdocumenten voorzien;
  6° alle algemene, bijkomende en onderhoudskosten gedurende de uitvoerings- en waarborgtermijn.
  Zijn eveneens inbegrepen in de opdracht, alle werkzaamheden die uit hun aard afhangen van of samenhangen met deze die in de opdrachtdocumenten zijn beschreven.
  § 2. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten zijn inbegrepen in de eenheidsprijzen en globale prijzen van de opdracht voor leveringen, alle kosten, metingen en prestaties die inherent zijn aan de uitvoering van de opdracht, met name :
  1° de verpakkingen, behalve wanneer ze eigendom blijven van de inschrijver en het laden, de overslag, het overladen, het vervoer, de verzekering en het inklaren;
  2° het lossen, uitpakken en stapelen op de plaats van levering, op voorwaarde dat de opdrachtdocumenten de juiste plaats van levering en de toegangsmogelijkheden vermelden;
  3° de documentatie die met de levering verband houdt;
  4° het monteren en het bedrijfsklaar maken;
  5° de voor het gebruik noodzakelijke vorming.
  § 3. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten zijn inbegrepen in de eenheidsprijzen en globale prijzen van de opdracht voor diensten, alle kosten, metingen en prestaties die inherent zijn aan de uitvoering van de opdracht, met name :
  1° de administratie en het secretariaat;
  2° de verplaatsing, het vervoer en de verzekering;
  3° de documentatie die met de diensten verband houdt;
  4° de levering van documenten of stukken die inherent zijn aan de uitvoering;
  5° de verpakkingen;
  6° de voor het gebruik noodzakelijke vorming;
  7° in voorkomend geval, de maatregelen die door de wetgeving inzake de veiligheid en de gezondheid van de werknemers worden opgelegd voor de uitvoering van hun werk.

  Art. 21.
  <Opgeheven bij KB 2017-06-22/01, art. 47, 006; Inwerkingtreding : 30-06-2017>

  Afdeling 10. - Prijsonderzoek

  Art. 22.§ 1. De aanbestedende overheid onderwerpt de ingediende offertes aan een prijsonderzoek. Op haar verzoek verstrekken de inschrijvers tijdens de procedure alle nodige inlichtingen om dit onderzoek mogelijk te maken.
  § 2. Wanneer de opdrachtdocumenten dat bepalen, kan de aanbestedende overheid personen aanwijzen voor het uitvoeren van alle verificaties van de boekhoudkundige stukken en alle onderzoeken ter plaatse, teneinde de juistheid na te gaan van de gegevens die in het raam van het prijsonderzoek zijn verstrekt.
  De aanbestedende overheid mag de bij toepassing van dit artikel ingewonnen inlichtingen niet voor andere doeleinden gebruiken dan voor het prijsonderzoek.
  § 3. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten is deze paragraaf niet toepasselijk op de onderhandelingsprocedure.
  Als de aanbestedende overheid bij het prijsonderzoek vaststelt dat in een offerte een prijs wordt geboden die abnormaal laag of abnormaal hoog lijkt in verhouding tot de [1 ...]1 uit te voeren prestaties en alvorens die offerte om die reden te weren, verzoekt ze de inschrijver in kwestie per aangetekende brief om de nodige schriftelijke verantwoording over de samenstelling van de prijs in kwestie te verstrekken binnen een termijn van twaalf kalenderdagen, tenzij de uitnodiging een langere termijn bepaalt.
  De inschrijver draagt de bewijslast van de verzending van de verantwoording.
  De verantwoording houdt met name verband met :
  1° de doelmatigheid van het bouwproces, van het productieproces van de producten of van de dienstverlening;
  2° de gekozen technische oplossingen of de uitzonderlijk gunstige omstandigheden waarvan de inschrijver kan profiteren bij de uitvoering van de werken, de levering van de producten of het verlenen van de diensten;
  3° de originaliteit van de door de inschrijver aangeboden werken, producten of diensten;
  4° de naleving van de bepalingen inzake arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden die gelden op de plaats waar de prestaties worden uitgevoerd;
  5° de eventuele ontvangst van rechtmatig toegekende overheidssteun door de inschrijver.
  De aanbestedende overheid onderzoekt de ontvangen verantwoording en herbevraagt indien nodig de inschrijver.
  Wanneer de opdracht voor werken, leveringen of diensten van de bijlage 1 van de wet de drempel vermeld in artikel 33 bereikt en de aanbestedende overheid vaststelt dat een offerte abnormaal laag is doordat de inschrijver overheidssteun heeft ontvangen, kan de offerte alleen op uitsluitend die grond worden geweerd indien de inschrijver desgevraagd niet binnen een door de aanbestedende overheid bepaalde voldoende lange termijn kan aantonen dat de betrokken steun rechtmatig is toegekend. Wanneer de aanbestedende overheid in een dergelijke situatie een offerte weert, stelt zij de Europese Commissie daarvan in kennis.
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 29, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Afdeling 11. - Belangenvermenging en afspraken

  Art. 23. De ambtenaar, openbare gezagsdrager of natuurlijke persoon die volgens artikel 9, § 2, tweede lid, van de wet verplicht is zichzelf te wraken, meldt dit schriftelijk en onverwijld aan het bevoegde orgaan van de aanbestedende overheid.

  Art. 24. Door deel te nemen aan een gunningsprocedure verklaart de kandidaat of inschrijver niet te hebben gehandeld in strijd met artikel 10 van de wet.

  HOOFDSTUK 2. - Raming opdrachtbedrag

  Art. 25. De raming van het opdrachtbedrag moet steunen op de totale duur en waarde van de opdracht zoals berekend door de aanbestedende overheid, met inbegrip van :
  1° alle verplichte opties;
  2° alle percelen;
  3° alle herhalingen in de zin van artikel 25, 4°, b), van de wet;
  4° alle gedeelten in de zin van artikel 33, § 1, van de wet;
  5° alle verlengingen in de zin van artikel 33, § 2, van de wet;
  6° alle voor de duur van een raamovereenkomst overwogen opdrachten;
  7° al het prijzengeld en de vergoedingen aan de deelnemers.
  De berekening wordt gemaakt op het tijdstip van de verzending van de aankondiging of, wanneer geen aankondiging verplicht is, op het tijdstip waarop de procedure wordt aangevat.
  Geen enkel project mag worden gesplitst in wezenlijke indentieke afzonderlijke deelopdrachten met de bedoeling ze aan de bekendmakingsregels te onttrekken.

  Art. 26. De raming van een opdracht voor werken omvat niet alleen de waarde van alle voorziene werken, maar ook de waarde van de leveringen die nodig zijn voor de uitvoering van de werken en die door de aanbestedende overheid ter beschikking zijn gesteld van de aannemer.

  Art. 27.[1 Bij opdrachten voor leveringen die een zekere regelmaat vertonen of die bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd, wordt de raming bepaald op grond van de totale waarde van de opeenvolgende soortgelijke opdrachten die zullen worden geplaatst over twaalf maanden volgend op de eerste levering of, indien deze meer bedraagt dan twaalf maanden, over de volledige looptijd van de opdracht.]1
  De raming van de opdrachten voor leveringen die geplaatst worden in de vorm van huur, huurkoop of leasing wordt als volgt bepaald :
  1° bij een opdracht met een bepaalde duur, op grond van de geraamde totale waarde van de opdracht voor de gehele looptijd, wanneer deze twaalf maanden of minder bedraagt, of op grond van het totaalbedrag met inbegrip van de geraamde restwaarde wanneer de looptijd meer dan twaalf maanden bedraagt;
  2° bij een opdracht van onbepaalde duur of waarvan de looptijd niet kan worden bepaald, op grond van de geraamde maandelijkse waarde vermenigvuldigd met achtenveertig.
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 28.§ 1. De raming van opdrachten voor diensten omvat de totale vergoeding van de dienstverlener.
  Voor de berekening van deze waarde worden in aanmerking genomen :
  1° voor de verzekeringsdiensten, de te betalen premie en alle andere vormen van vergoeding;
  2° voor de diensten die betrekking hebben op ontwerpen, het te betalen honorarium, de commissielonen en alle andere vormen van vergoeding.
  § 2. De raming van de opdrachten voor diensten die geen totale prijs vermelden, wordt als volgt bepaald :
  1° bij een opdracht met een bepaalde duur die gelijk is aan of korter is dan achtenveertig maanden, op grond van de totale geraamde waarde van de opdracht voor de gehele looptijd;
  2° bij een opdracht van onbepaalde duur of waarvan de duur langer is dan achtenveertig maanden, op grond van de geraamde maandelijkse waarde vermenigvuldigd met achtenveertig.
  § 3. [1 Bij opdrachten voor diensten die een zekere regelmaat vertonen of die bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd, wordt de raming bepaald op grond van de geraamde totale waarde van de opeenvolgende opdrachten van dezelfde categorie die zullen worden geplaatst over twaalf maanden volgend op de eerste prestatie of, indien deze meer bedraagt dan twaalf maanden, over de volledige looptijd van de opdracht.]1
  § 4. Een opdracht die tegelijk betrekking heeft op diensten bedoeld in bijlage 1 en in bijlage 2 van de wet, wordt geplaatst overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het gedeelte van de opdracht met de grootste geraamde waarde.
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 31, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 29. De raming van de opdracht bij het opstarten van de procedure bepaalt de regels die gedurende het hele verloop ervan toepasselijk zijn, voor zover de toepassing van deze regels afhankelijk is van het geraamde opdrachtbedrag of van de verplichte voorafgaande Europese bekendmaking.

  HOOFDSTUK 3. - Bekendmaking

  Afdeling 1. - Algemene bekendmakingsregels

  Art. 30. § 1. Een opdracht onderworpen aan de Europese bekendmaking wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen.
  De aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen mag geen andere inhoud hebben dan die bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Ze mag niet worden bekendgemaakt vóór de datum van verzending van de aankondiging naar het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie. De Europese bekendmaking vermeldt deze datum.
  Een opdracht die enkel onderworpen is aan de Belgische bekendmaking wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen.
  § 2. Voor de opdrachten die overeenkomstig dit besluit aan de bekendmaking onderworpen zijn, geldt enkel de aankondiging bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen als officiële bekendmaking.
  De inlichtingen vermeld op het internetadres waarvan sprake in artikel 41, § 2, laatste lid, gelden eveneens als een officiële bekendmaking in de zin van het vorige lid.
  Geen andere bekendmaking of verspreiding mag plaatsvinden vóór de datum van verzending van de aankondiging voor bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen. De bekendmaking of verspreiding mag geen andere inhoud hebben dan deze van de officiële bekendmaking.
  § 3. Zolang de bekendmaking van de in afdeling 3 bedoelde aankondigingen van opdracht niet tegelijk kosteloos kan gebeuren in het Publicatieblad van de Europese Unie en het Bulletin der Aanbestedingen door een online invoering door elektronische gegevensopvang of door gegevensoverdracht tussen systemen die een automatische en gestructureerde bekendmaking mogelijk maken conform de modellen opgenomen in de uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011, kan de bekendmaking van de bedoelde aankondigingen geldig als volgt gebeuren :
  1° in het Publicatieblad van de Europese Unie : door gebruik te maken van de modellen die op de webapplicatie eNotices van de Europese Unie beschikbaar zijn voor een online bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie;
  2° in het Bulletin der Aanbestedingen : door gebruik te maken van de passende modellen die op de webapplicatie e-Notification van de federale overheid of een andere, door het Bulletin der Aanbestedingen erkende webapplicatie beschikbaar zijn voor een online bekendmaking in het Bulletin der Aanbestedingen van de aankondigingen voor de opdrachten die worden geplaatst krachtens de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten of de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006, al naargelang.
  § 4. Zolang de bekendmaking van de in afdeling 4 bedoelde aankondigingen van opdracht niet kosteloos kan gebeuren door een online invoering door elektronische gegevensopvang of door gegevensoverdracht tussen systemen die een automatische en gestructureerde bekendmaking mogelijk maken in het Bulletin der Aanbestedingen conform de in bijlagen 4 tot 6 van dit besluit opgenomen bekendmakingsmodellen, kan de bekendmaking van de bedoelde aankondigingen geldig gebeuren door gebruik te maken van de passende modellen die op de webapplicatie e-Notification van de federale overheid of een andere, door het Bulletin der Aanbestedingen erkende webapplicatie beschikbaar zijn voor een online bekendmaking in het Bulletin der Aanbestedingen van de aankondigingen voor de opdrachten die worden geplaatst krachtens de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten of de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006, al naargelang.

  Art. 31. Wanneer de aanbestedende overheid een officiële bekendmaking wenst te verbeteren of aan te vullen, gaat zij, conform deze afdeling, over tot de bekendmaking van hetzij een volledig nieuwe aankondiging, hetzij een rechtzettingsbericht volgens het model van aankondiging opgenomen in de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011.

  Art. 32. De aanbestedende overheid wordt geacht het bewijs van de verzending van de aankondiging te kunnen leveren.
  De door het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie en de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie verstrekte bevestiging van de bekendmaking van de verzonden informatie, met vermelding van de datum van de bekendmaking, geldt als bewijs van de bekendmaking van de aankondiging.

  Afdeling 2. - Europese drempels

  Art. 33.De Europese drempelbedragen zijn :
  1° [3 5.350.000 euro]3 voor de opdrachten voor werken;
  2° [3 428.000 euro]3 voor de opdrachten voor leveringen en voor diensten.
  Deze drempels worden door de Eerste Minister aangepast op basis van de herzieningen bepaald in artikel 68 van de Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG.
  NOTA: Voor een opdracht of een concessie waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger is dan de drempels voor de Europese bekendmaking, moet rekening worden gehouden, wat de datum van bekendmaking betreft, met de datum van bekendmaking in het Bulletin der Aanbestedingen.
  ----------
  (1)<MB 2015-12-22/08, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2016. Zie ook art. 5>
  (2)<MB 2017-12-21/02, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (3)<MB 2019-12-20/03, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. 34. Wanneer werken, homogene leveringen of diensten in percelen worden verdeeld, mag de aanbestedende overheid van de toepassing van afdeling 3 van dit hoofdstuk afwijken voor percelen waarvan het individuele geraamde bedrag kleiner is dan 1.000.000 euro voor werken, respectievelijk 80.000 euro voor leveringen en diensten, maar voor zover hun samengevoegde geraamde waarde twintig percent van de geraamde waarde van het geheel van de percelen niet overschrijdt.
  In geval van toepassing van het eerste lid zijn de bepalingen van afdeling 4 van dit hoofdstuk van toepassing op de percelen in kwestie.

  Afdeling 3. - Europese bekendmaking

  Art. 35. Deze afdeling is van toepassing op de opdrachten waarvan de geraamde waarde de drempels vermeld in artikel 33 bereikt en die onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking.

  Art. 36. De Europese bekendmaking bestaat uit een vooraankondiging, een aankondiging van opdracht en een aankondiging van gegunde opdracht.

  Art. 37. § 1. De bekendmaking van een vooraankondiging is slechts verplicht wanneer de aanbestedende overheid gebruik wil maken van de mogelijkheid om de termijn voor de ontvangst van offertes overeenkomstig artikel 48, § 2, in te korten.
  De vooraankondiging bepaalt :
  a) voor opdrachten voor werken, de hoofdkenmerken van de opdrachten voor werken die de aanbestedende overheid voornemens is te plaatsen en waarvan de geraamde waarde de drempel bepaald in artikel 33, eerste lid, 1°, bereikt;
  b) voor opdrachten voor leveringen, de geraamde totale waarde van de opdrachten per productgroep die de aanbestedende overheid voornemens is in de loop van de komende twaalf maanden te plaatsen.
  De aanbestedende overheid stelt de productgroepen vast volgens de posten van de CPV-nomenclatuur;
  c) voor opdrachten voor diensten, de totale geraamde waarde van de opdrachten voor diensten voor elk van de in bijlage 1 van de wet vermelde dienstencategorieën die de aanbestedende overheid voornemens is in de loop van de komende twaalf maanden te plaatsen.
  De vooraankondiging wordt opgesteld overeenkomstig het model van aankondiging opgenomen in de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011.
  § 2. De vooraankondiging wordt zo spoedig mogelijk bekendgemaakt nadat de beslissing is genomen tot goedkeuring van het project voor de opdrachten voor werken, leveringen of diensten die de aanbestedende overheid voornemens is te plaatsen.
  § 3. De verplichting om een vooraankondiging bekend te maken is niet van toepassing op de opdrachten te plaatsen bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, noch op de opdrachten voor diensten bedoeld in bijlage 2 van de wet.

  Art. 38.Iedere opdracht die zal worden geplaatst bij beperkte aanbesteding, beperkte offerteaanvraag, onderhandelingsprocedure met bekendmaking of concurrentiedialoog maakt het voorwerp uit van een aankondiging van opdracht bekendgemaakt overeenkomstig het model opgenomen in de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011.
  Dit artikel is niet van toepassing op de opdrachten voor diensten bedoeld in bijlage 2 van de wet [1 , noch op de opdrachten die gebaseerd zijn op een raamovereenkomst]1 .
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 32, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 39. § 1. Iedere opdracht die is gesloten, ook na een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, maakt het voorwerp uit van een aankondiging van gegunde opdracht.
  Deze aankondiging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011 en wordt verstuurd binnen achtenveertig dagen na de sluiting van de opdracht.
  Deze regel is niet van toepassing op de opdrachten die worden geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking wanneer artikel 25, 1°, b, van de wet wordt ingeroepen, noch op de opdrachten die zijn gebaseerd op een raamovereenkomst.
  § 2. Bepaalde gegevens betreffende de opdracht mogen niet worden bekendgemaakt indien de openbaarmaking ervan de toepassing van een wet zou belemmeren, in strijd zou zijn met het algemeen belang, met name defensie- en veiligheidsbelangen zou schaden, nadelig zou zijn voor de rechtmatige commerciële belangen van de overheidsbedrijven of particuliere ondernemingen of de eerlijke mededinging tussen ondernemingen zou kunnen schaden.

  Afdeling 4. - Belgische bekendmaking

  Art. 40. Deze afdeling is van toepassing op de opdrachten waarvan de geraamde waarde lager ligt dan de Europese drempels vermeld in artikel 33 en die onderworpen zijn aan de Belgische bekendmaking.
  Onverminderd de toepassing van artikel 39 van dit besluit, is deze afdeling eveneens van toepassing voor diensten die vallen onder bijlage 2 van de wet, indien hun geraamde waarde de drempel vermeld in artikel 33, eerste lid, 2°, bereikt.

  Art. 41. § 1. Iedere opdracht die zal worden geplaatst bij beperkte aanbesteding, beperkte offerteaanvraag, onderhandelingsprocedure met bekendmaking, vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking of concurrentiedialoog maakt het voorwerp uit van een aankondiging van opdracht bekendgemaakt overeenkomstig het model opgenomen in de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011 of, voor de open aanbesteding en open offerteaanvraag, het model opgenomen in bijlage 4 van dit besluit.
  § 2. In de aankondiging van opdracht worden ten minste de volgende inlichtingen verstrekt :
  1° de naam, het adres en het type van de aanbestedende overheid;
  2° het soort opdracht, het voorwerp en de beschrijving ervan; de NUTS-code en de hoofdcategorieën van de hoofdopdracht volgens de CPV-code;
  3° de op grond van de artikelen 63 tot 68 vereiste inlichtingen en documenten betreffende het toegangsrecht tot de opdracht; de op grond van de artikelen 69 tot 84 vastgestelde kwalitatieve selectiecriteria en de daarvoor vereiste inlichtingen en documenten; desgevallend de inlichtingen en documenten die de aanbestedende overheid via elektronische middelen kan raadplegen volgens artikel 62, § 1;
  4° desgevallend, de kostprijs van de opdrachtdocumenten en de betalingswijze daarvan;
  5° de gunningswijze;
  6° de uiterste datum en desgevallend het uiterste uur voor ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes.
  Wanneer via het in de aankondiging aangeduid internetadres een vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang bestaat tot de inlichtingen van de punten 3° tot 5°, worden enkel de inlichtingen van de punten 1°, 2° en 6° in de aankondiging verstrekt.

  Art. 42. § 1. Bij beperkte procedure of onderhandelingsprocedure met bekendmaking kan de aankondiging eveneens betrekking hebben op hetzij de opstelling van een lijst van geselecteerden volgens § 2, hetzij de instelling van een kwalificatiesysteem volgens § 3.
  Beide systemen zijn uitsluitend bestemd voor de plaatsing van gelijkaardige opdrachten. Evenwel staan ze het plaatsen van een afzonderlijke opdracht via de bekendmaking van een aankondiging van opdracht niet in de weg.
  In beide gevallen wordt de gunningswijze uiterlijk gekozen bij de uitnodiging van de geselecteerden tot het indienen van een offerte.
  § 2. Voor de opstelling van een lijst van geselecteerden maakt de aanbestedende overheid de aankondiging bekend volgens het model opgenomen in bijlage 5 van dit besluit, dat ten minste de in artikel 41, § 2, 1° tot 3° en 6° vermelde inlichtingen bevat.
  De lijst van geselecteerden is maximaal drie jaar geldig vanaf de datum van de selectiebeslissing.
  Tijdens haar geldigheidsduur blijft de lijst gesloten voor nieuwe kandidaten en nodigt de aanbestedende overheid, voor elke te plaatsen opdracht, alle kandidaten op de lijst uit tot het indienen van een offerte.
  § 3. Voor de instelling van een kwalificatiesysteem maakt de aanbestedende overheid een aankondiging bekend volgens het model opgenomen in bijlage 6 van dit besluit, dat ten minste de in artikel 41, § 2, 1° en 2°, vermelde inlichtingen bevat.
  De aankondiging wordt jaarlijks bekendgemaakt, alsook na iedere actualisering bedoeld in het volgende lid.
  De belangstellende aannemers, leveranciers of dienstverleners kunnen op ieder ogenblik vragen om te worden opgenomen in elk door een aanbestedende overheid ingesteld kwalificatiesysteem. De aanbestedende overheid beheert ieder kwalificatiesysteem op basis van regels en criteria, die ze vastlegt overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 5 en meedeelt aan de aannemers, leveranciers of dienstverleners die erom verzoeken. Zo nodig zorgt ze regelmatig voor een actualisering van deze regels en criteria.
  Het beheer van het kwalificatiesysteem voldoet aan de volgende voorwaarden :
  1° de aanbestedende overheid kan aan bepaalde aanvragers geen administratieve, technische of financiële voorwaarden opleggen die ze niet aan anderen zou opleggen, noch een beproeving of verantwoording eisen indien daarvoor al objectieve bewijzen voorhanden zijn;
  2° de regels en criteria betreffende het toegangsrecht bedoeld in de artikelen 63 tot 68 en de kwalitatieve selectiecriteria op grond van de artikelen 69 tot 84 en de daartoe gevraagde inlichtingen en documenten worden aan de belangstellende aannemers, leveranciers of dienstverleners meegedeeld, ook na een eventuele actualisering van deze gegevens;
  3° de aanbestedende overheid neemt haar beslissing over de kwalificatie binnen een termijn van vier maanden vanaf de indiening van de aanvraag.
  Vóór het uitnodigen tot het indienen van een offerte en rekening houdend met het voorwerp en de specifieke kenmerken van een bepaalde opdracht en met het aantal gekwalificeerde kandidaten, kan de aanbestedende overheid overgaan tot een selectie onder de gekwalificeerde kandidaten op grond van de artikelen 63 tot 84.

  HOOFDSTUK 4. - Indiening aanvragen tot deelneming en offertes

  Afdeling 1. - Termijnen. - Algemene bepalingen

  Art. 43. De termijnen bepaald in de artikelen 48 tot 51 zijn minimumtermijnen.
  Bij de vaststelling van deze termijnen houdt de aanbestedende overheid inzonderheid rekening met de complexiteit van de opdracht en met de nodige voorbereidingstijd van de offertes.
  De termijnen voor de ontvangst van de offertes worden zodanig verlengd dat alle betrokken deelnemers van alle nodige informatie voor de opstelling van de offertes kennis kunnen nemen :
  1° wanneer de offertes slechts kunnen worden opgesteld na raadpleging van een omvangrijke documentatie, plaatsbezoek of inzage ter plaatse van bepaalde opdrachtdocumenten;
  2° wanneer de opdrachtdocumenten, het beschrijvend document of de aanvullende inlichtingen tijdig zijn aangevraagd, maar om enigerlei redenen niet binnen de termijnen bepaald in de artikelen 44 en 45 zijn verstrekt.
  Indien de artikelen 48 tot 51 geen termijnen vaststellen, bepaalt de aanbestedende overheid een passende termijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes.

  Art. 44. Wanneer de aanbestedende overheid bij open procedure en vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking niet via een aangeduid internetadres vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang biedt tot de opdrachtdocumenten, worden deze verstrekt binnen zes dagen na ontvangst van het verzoek, mits dit verzoek tijdig is gebeurd.

  Art. 45. De aanvullende inlichtingen over de opdrachtdocumenten of het beschrijvend document worden, voor zover daarom tijdig is verzocht, door de aanbestedende overheid meegedeeld uiterlijk zes dagen vóór de uiterste datum vastgelegd voor de ontvangst van de offertes. De termijn is vier dagen indien de aanbestedende overheid om een versnelde bekendmaking overeenkomstig de artikelen 48, § 1, derde lid en § 2, vierde lid, 50, derde lid, en 51, § 2 heeft verzocht.

  Art. 46. Wanneer de gunningsprocedure verplicht een openingszitting omvat of wanneer de opdrachtdocumenten in een dergelijke zitting voorzien voor de opening van de aanvragen tot deelneming of de offertes, wordt het uiterste ogenblik voor hun ontvangst bepaald door de datum en het uur van deze zitting.

  Afdeling 2. - Termijnen bij Europese bekendmaking

  Art. 47. Deze afdeling is van toepassing op de opdrachten waarvan de geraamde waarde de drempels vermeld in artikel 33 bereikt en die onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking. Deze opdrachten kunnen worden geplaatst bij beperkte procedure, onderhandelingsprocedure met bekendmaking of concurrentiedialoog.

  Art. 48. § 1. Bij beperkte procedure, onderhandelingsprocedure met bekendmaking en concurrentiedialoog is de minimumtermijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming zevenendertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging van opdracht naar het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie.
  Deze termijn mag met zeven dagen worden ingekort wanneer de aankondiging van opdracht via elektronische middelen in het formaat en op de wijze bepaald door het Bureau voor publicaties van de Europese Unie en de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie online wordt opgesteld en verzonden.
  Wanneer het bij beperkte procedure en onderhandelingsprocedure met bekendmaking om dringende redenen onmogelijk is de minimumtermijn in acht te nemen en de aanbestedende overheid tot een versnelde procedure overgaat, mag deze termijn worden ingekort tot minimum vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging van opdracht of tot tien dagen wanneer de aankondiging overeenkomstig het tweede lid wordt verzonden via elektronische middelen.
  § 2. Bij beperkte procedure is de minimumtermijn voor de ontvangst van de offertes veertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitnodiging om een offerte in te dienen.
  Deze termijn mag evenwel worden ingekort tot een termijn die lang genoeg is om de indiening van valabele offertes toe te laten en die in principe niet korter zal zijn dan zesendertig dagen maar die in geen geval korter zal zijn dan tweeëntwintig dagen, mits cumulatief is voldaan aan de volgende voorwaarden :
  1° de opdracht gaf aanleiding, tot de verzending van een vooraankondiging niet minder dan tweeënvijftig dagen en niet meer dan twaalf maanden vóór de verzendingsdatum van de aankondiging van opdracht bepaald in artikel 38;
  2° deze vooraankondiging bevatte ten minste de in het model van aankondiging van opdracht bedoelde gegevens, voor zover deze op het ogenblik van de publicatie van deze vooraankondiging beschikbaar waren.
  Een bijkomende inkorting met vijf dagen is mogelijk indien de aanbestedende overheid via elektronische middelen als bedoeld in § 1, tweede lid, en vanaf de bekendmaking van de aankondiging vrije, rechtstreekse, onmiddelijke en volledige toegang biedt tot alle opdrachtdocumenten en in de aankondiging het internetadres vermeldt dat toegang biedt tot deze documenten.
  Wanneer het om dringende redenen onmogelijk is de minimumtermijn in acht te nemen en de aanbestedende overheid tot een versnelde procedure overgaat, mag de termijn worden ingekort tot tien dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitnodiging om een offerte in te dienen, op voorwaarde dat deze uitnodiging wordt verzonden per telefax of via elektronische middelen. De mogelijke inkorting van het vorige lid is in dat geval niet van toepassing.

  Afdeling 3. - Termijnen bij Belgische bekendmaking

  Art. 49. Deze afdeling is van toepassing op de opdrachten die onderworpen zijn aan de Belgische bekendmaking overeenkomstig artikel 40.

  Art. 50. Bij open procedure is de minimumtermijn voor de ontvangst van de offertes zesendertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging van opdracht.
  De minimumtermijn is tweeëntwintig dagen voor de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking.
  De aanbestedende overheid kan enkel een beroep doen op de versnelde procedure met inkorting van de bovenvermelde termijnen tot minimum tien dagen, wanneer cumulatief is voldaan aan de volgende voorwaarden :
  1° het spoedeisend karakter maakt de bedoelde termijnen niet haalbaar;
  2° de aankondiging van opdracht wordt via elektronische middelen in het formaat en op de wijze bepaald door de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie online opgesteld en verzonden.

  Art. 51.§ 1 - Bij beperkte procedure en onderhandelingsprocedure met bekendmaking is de minimumtermijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aankondiging.
  De aanbestedende overheid kan enkel een beroep doen op de versnelde procedure met inkorting van deze termijn tot minimum tien dagen, wanneer cumulatief is voldaan aan de volgende voorwaarden :
  1° het spoedeisend karakter maakt de bedoelde termijn niet haalbaar;
  2° de aankondiging van opdracht wordt via elektronische middelen in het formaat en op de wijze bepaald door de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie online opgesteld en verzonden.
  § 2 - [1 Bij beperkte procedure is de minimumtermijn voor de ontvangst van de offertes vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitnodiging om een offerte in te dienen.
   Deze termijn kan tot tien dagen worden ingekort wanneer cumulatief is voldaan aan de volgende voorwaarden :
   1° het spoedeisend karakter maakt de termijn bedoeld in het vorige lid niet haalbaar;
   2° de uitnodiging om een offerte in te dienen wordt per telefax of via elektronische middelen verzonden.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Afdeling 4. - Uitnodiging geselecteerden tot indiening offerte

  Art. 52. Bij beperkte procedure en onderhandelingsprocedure met bekendmaking worden de geselecteerden gelijktijdig en schriftelijk uitgenodigd om een offerte in te dienen.
  Deze uitnodiging bevat minstens :
  1° a) hetzij de opdrachtdocumenten hetzij het adres van de dienst waar die documenten kunnen worden opgevraagd en de uiterste datum voor deze aanvraag.
  Deze verplichting is niet van toepassing indien de aanbestedende overheid met elektronische middelen vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang biedt tot die documenten. Zij vermeldt in dat geval het internetadres dat toegang biedt tot deze documenten;
  b) wanneer de afgifte van bepaalde opdrachtdocumenten betalend is, de kostprijs en de betalingswijze ervan;
  2° een verwijzing naar de bekendgemaakte aankondiging;
  3° a) de uiterste datum en uur voor ontvangst van de offertes en de plaats van opening van de offertes, indien de gunningsprocedure of de opdrachtdocumenten in een openingszitting voorzien;
  b) het adres waarnaar ze moeten worden verstuurd;
  c) de taal of talen waarin ze mogen worden opgesteld;
  4° de aanduiding van de eventueel toe te voegen documenten;
  5° het gunningscriterium of de gunningscriteria voor zover ze niet zijn opgenomen in de opdrachtdocumenten en, al naargelang, een aanduiding van de weging van de criteria, van hun dalende volgorde van belangrijkheid of van hun gelijke waarde.
  Het bewijs van de datum van verzending van de uitnodiging tot het indienen van een offerte wordt door de aanbestedende overheid geleverd.

  Afdeling 5. - Indieningsrecht en -wijze aanvragen tot deelneming en offertes

  Art. 53. § 1. Elke aanvraag tot deelneming wordt individueel en schriftelijk of telefonisch ingediend.
  Wanneer de aanvraag wordt ingediend per telefax of via een elektronisch middel dat niet in overeenstemming is met artikel 54, § 1, kan de aanbestedende overheid met het oog op een juridisch bewijs verzoeken dat deze aanvraag per brief of via elektronische middelen die in overeenstemming zijn met artikel 54, § 1, wordt bevestigd. In dat geval worden dit verzoek, alsook de termijn binnen dewelke de bevestiging moet gebeuren, vermeld in de aankondiging van opdracht.
  Wanneer de aanvraag per telefoon wordt ingediend, wordt deze per brief of via elektronisch middel dat in overeenstemming is met artikel 54, § 1, bevestigd vóór het verstrijken van de termijn bepaald voor haar ontvangst.
  § 2. Elke offerte wordt schriftelijk ingediend.
  De offerte wordt ondertekend door de persoon of personen die bevoegd of gemachtigd zijn om de inschrijver te verbinden. Dit voorschrift geldt voor alle deelnemers als de offerte wordt ingediend door een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid. De deelnemers zijn dan hoofdelijk verbonden en zijn verplicht de deelnemer aan te duiden die de combinatie zal vertegenwoordigen tegenover de aanbestedende overheid.

  Art. 54.§ 1. Wanneer elektronische middelen worden gebruikt voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes, bieden ze ten minste de waarborg :
  1° [1 [2 dat de elektronische handtekening een gekwalificeerde elektronische handtekening is in de zin van artikel 3.12. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG]2. Voor de aanvragen tot deelneming geldt deze eis enkel voor zover de aanbestedende overheid de ondertekening ervan oplegt;]1
  2° dat elke aanvraag tot deelneming of offerte die met elektronische middelen werd opgesteld en die in de ontvangen versie een macro, een computervirus of andere schadelijke instructie vertoont, in een veiligheidsarchief kan worden opgenomen. Voor zover dit technisch noodzakelijk is kan dit document als niet ontvangen worden beschouwd. De aanvraag tot deelneming of de offerte wordt in dat geval geweerd, maar de kandidaat of inschrijver mag hiervan slechts op de hoogte worden gebracht volgens de bepalingen die van toepassing zijn op de informatie aan de kandidaten en inschrijvers;
  3° dat het precieze tijdstip van ontvangst door de bestemmeling automatisch vastgesteld wordt door een ontvangstbewijs dat via elektronische middelen wordt verzonden;
  4° dat redelijkerwijs kan worden verzekerd dat niemand vóór de vastgelegde uiterste datum en uur toegang kan hebben tot de overgelegde aanvragen tot deelneming of offertes;
  5° dat in geval van een inbreuk op dat toegangsverbod redelijkerwijs kan worden verzekerd dat de inbreuk duidelijk opspoorbaar is;
  6° dat enkel de daartoe aangestelde personen het precieze tijdstip van opening van de overgelegde gegevens mogen vastleggen of wijzigen;
  7° dat tijdens de procedure, op de vastgelegde uiterste datum en uur, de toegang tot de overgelegde gegevens slechts mogelijk is wanneer de daartoe aangestelde personen gelijktijdig optreden;
  8° dat de gegevens betreffende de overgelegde aanvragen tot deelneming of offertes, die geopend worden overeenkomstig de vereisten van dit artikel, alleen maar toegankelijk mogen zijn voor de daartoe aangestelde personen;
  9° dat de te gebruiken hulpmiddelen en de technische eigenschappen ervan, met inbegrip van de eventuele versleuteling, niet discriminerend en algemeen voor het publiek beschikbaar zijn en verenigbaar met algemeen gebruikte informatie- en communicatiemiddelen. Ze worden beschreven in de opdrachtdocumenten.
  De voorwaarden vermeld in 1° tot 3° zijn van toepassing op de kandidaten, de inschrijvers en de aanbestedende overheid en die vermeld in 4° tot 9° zijn van toepassing op de aanbestedende overheid.
  De voorwaarden vermeld in 3° tot 8° zijn niet toepasselijk op de met elektronische middelen opgestelde offertes die niet via deze middelen worden overgelegd.
  § 2. Onverminderd de bepalingen inzake de elektronische veiling beslist de aanbestedende overheid voor elke opdracht afzonderlijk of ze het gebruik van elektronische middelen oplegt, toestaat of verbiedt voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes. Ze vermeldt deze beslissing in de opdrachtdocumenten, desgevallend samen met de door de kandidaten of inschrijvers te gebruiken elektronische hulpmiddelen en het elektronisch adres. Bij gebrek aan deze vermeldingen is het gebruik van elektronische middelen verboden.
  Indien het gebruik van elektronische middelen wordt opgelegd voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes, kunnen bepaalde bij te voegen documenten, die niet of uiterst moeilijk via elektronische middelen kunnen worden aangemaakt, op papier worden bezorgd vóór de uiterste ontvangstdatum, op voorwaarde dat de aanbestedende overheid hiermee vooraf akkoord gaat.
  Indien het gebruik van elektronische middelen wordt toegestaan voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes, kunnen bepaalde bij te voegen documenten op papier worden bezorgd vóór de uiterste ontvangstdatum.
  Door zijn aanvraag tot deelneming of offerte geheel of gedeeltelijk via elektronische middelen over te leggen, aanvaardt de kandidaat of inschrijver dat bepaalde gegevens van zijn aanvraag tot deelneming of offerte worden geregistreerd door het ontvangstsysteem.
  § 3. Om te verhelpen aan sommige problemen die zich kunnen voordoen bij de overlegging, de ontvangst of de opening van met elektronische middelen ingediende aanvragen tot deelneming of offertes, kan de aanbestedende overheid aan de kandidaten of inschrijvers de toestemming geven om :
  1° ingeval een aanvraag tot deelneming of offerte de overlegging kan meebrengen van omvangrijke documenten en teneinde elke mogelijke vertraging door de elektronische overlegging ervan te vermijden, hun aanvraag tot deelneming of offerte over te leggen via een dubbele elektronische zending.
  Een eerste stap bestaat uit de overlegging van een vereenvoudigde zending die hun identiteit, de elektronische handtekening van hun volledige aanvraag tot deelneming of offerte en, in voorkomend geval, het bedrag van hun offerte omvat. Deze vereenvoudigde zending wordt elektronisch ondertekend. Haar ontvangst geldt als ontvangsttijdstip van de aanvraag tot deelneming of offerte.
  Een tweede stap omvat de overlegging van de eigenlijke aanvraag tot deelneming of offerte, die elektronisch ondertekend is om de integriteit van de gegevens van de aanvraag tot deelneming of offerte te certificeren.
  De ontvangst van de eigenlijke aanvraag tot deelneming of offerte gebeurt binnen een termijn die geen vierentwintig uur mag overschrijden na het uiterste ontvangsttijdstip van de aanvragen tot deelneming of de offertes, op straf van wering van de aanvraag tot deelneming of offerte;
  2° zowel een aanvraag tot deelneming of een offerte, overgelegd met elektronische middelen, in te dienen, als een veiligheidskopie, opgesteld met elektronische middelen of op papier. Deze veiligheidskopie wordt in een definitief gesloten envelop gestoken waarop duidelijk "veiligheidskopie" wordt vermeld en wordt binnen de opgelegde ontvangsttermijn ingediend. Deze kopie mag enkel worden geopend ingeval van een tekortkoming bij de overlegging, de ontvangst of de opening van de met elektronische middelen overgelegde aanvraag tot deelneming of offerte. Ze vervangt in dat geval definitief het met elektronische middelen overgelegd stuk. De veiligheidkopie van een offerte is voor het overige onderworpen aan de op offertes toepasselijke regels van dit besluit.
  De aanbestedende overheid geeft in voorkomend geval in de aankondiging van opdracht of in de andere opdrachtdocumenten aan of ze de werkwijze sub 1°, de werkwijze sub 2° of beide toestaat.
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 34, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>
  (2)<KB 2018-09-25/05, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 20-10-2018>

  Art. 55. § 1. Onverminderd de toepassing van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken geeft de aanbestedende overheid in de aankondiging van opdracht of, bij ontstentenis daarvan, in de andere opdrachtdocumenten aan in welke taal of talen de kandidaten of inschrijvers hun aanvraag tot deelneming of hun offerte mogen indienen.
  De aanbestedende overheid kan een vertaling vragen van de bijlagen die in een andere taal gesteld zijn dan die van de aankondiging van opdracht of, bij ontstentenis daarvan, van de andere opdrachtdocumenten.
  § 2. Zo de opdrachtdocumenten in meer dan één taal zijn gesteld, gebeurt de interpretatie van de stukken in de taal van de aanvraag tot deelneming of de offerte, voor zover de opdrachtdocumenten in die taal zijn gesteld.

  Art. 56.§ 1. Een kandidaat mag slechts één aanvraag tot deelneming per opdracht of per lijst van geselecteerden indienen.
  § 2. [1 Een inschrijver mag slechts één offerte per opdracht indienen behalve in geval van eventuele varianten en bij concurrentiedialoog. Voor de toepassing van deze bepaling wordt elke deelnemer aan een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid beschouwd als een inschrijver.]1
  In geval van percelen kan de inschrijver een offerte indienen voor één, voor meerdere of voor alle percelen. Indien de aard van een welbepaalde opdracht het noodzakelijk maakt, en in de voorwaarden bepaald door de Koning, kunnen de opdrachtdocumenten het aantal percelen beperken waarvoor de inschrijver een offerte mag indienen. Voor elk gekozen perceel dient hij een afzonderlijke offerte in, tenzij de opdrachtdocumenten toestaan dat meerdere offertes in één document worden opgenomen.
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 35, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 57. Bij beperkte procedure, onderhandelingsprocedure met bekendmaking en concurrentiedialoog, mogen enkel de geselecteerden een offerte indienen.
  Nochtans kunnen de opdrachtdocumenten toestaan dat de offerte wordt ingediend door een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid bestaande uit een geselecteerde en één of meer niet-geselecteerde personen.
  Anderzijds kunnen de opdrachtdocumenten het gezamenlijk indienen van één enkele offerte door meerdere geselecteerden beperken of verbieden, teneinde een voldoende mededinging te waarborgen.

  Art. 58. Een inschrijver natuurlijk persoon die in de loop van de gunningsprocedure zijn beroepsactiviteit onderbrengt in een rechtspersoon, blijft, samen met die rechtspersoon, hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen die hij in zijn offerte heeft aangegaan.

  Afdeling 6. - Verbintenistermijn

  Art. 59. De inschrijvers blijven verbonden door hun offerte, zoals eventueel verbeterd door de aanbestedende overheid, gedurende negentig dagen te rekenen vanaf de uiterste datum voor ontvangst. De opdrachtdocumenten kunnen een afwijkende termijn voorschrijven.
  Vóór het verstrijken van de verbintenistermijn kan de aanbestedende overheid aan de inschrijvers een vrijwillige verlenging van deze termijn vragen, onverminderd de toepassing van de artikelen 108 of 109 in geval ze niet op dat verzoek ingaan bij aanbesteding of offerteaanvraag.

  HOOFDSTUK 5. - Selectie kandidaten en inschrijvers Toegangsrecht en kwalitatieve selectie

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 60.§ 1. De aanbestedende overheid gaat over tot de selectie van de kandidaten of inschrijvers in de mate dat de noodzakelijke inlichtingen en documenten aantonen dat ze cumulatief voldoen aan :
  1° de bepalingen betreffende het toegangsrecht tot de opdracht zoals omschreven in de artikelen 63 tot 68;
  2° de kwalitatieve selectiecriteria van financiële, economische of technische aard of inzake beroepsbekwaamheid die de aanbestedende overheid heeft vastgesteld op grond van de artikelen 69 tot 84. Zij preciseert deze criteria en het vereiste niveau ervan op zodanige wijze dat ze verband houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht. Bij open procedure en vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking is het opleggen van een minimaal niveau verplicht.
  De aanbestedende overheid geeft in de aankondiging van opdracht of [1 , bij gebrek aan een dergelijke aankondiging,]1 in de uitnodiging tot het indienen van een offerte aan welke de vastgestelde kwalitatieve selectiecriteria zijn en welke de te verstrekken noodzakelijke inlichtingen en documenten zijn.
  § 2. Het minimum aantal geselecteerden mag niet kleiner zijn dan vijf bij beperkte procedure en niet kleiner dan drie bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking of concurrentiedialoog. Het aantal geslecteerden moet in elk geval voldoende zijn om een daadwerkelijke mededinging te waarborgen, voor zover er voldoende geschikte kandidaten zijn.
  Indien het een opdracht betreft waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is, geeft de aanbestedende overheid in de aankondiging van opdracht het minimum en eventueel het maximum aantal geselecteerden aan dat hij vooropstelt.
  Als de aanbestedende overheid van mening is dat het aantal geselecteerden te laag is om een echte mededinging te garanderen, mag zij de procedure opschorten en de oorspronkelijke aankondiging van de opdracht opnieuw publiceren, met vaststelling van een nieuwe termijn voor de indiening van aanvragen tot deelneming. In dat geval worden de geselecteerden na de twee bekendmakingen uitgenodigd om een offerte in te dienen of om deel te nemen aan de dialoog overeenkomstig artikel 52.
  § 3. Bij opdrachten verdeeld in percelen kan de aanbestedende overheid het minimale niveau bedoeld in § 1, 2°, bepalen, dat vereist is :
  1° voor elk perceel afzonderlijk;
  2° in geval van gunning van meerdere percelen aan dezelfde inschrijver.
  Wanneer de aanbestedende overheid toepassing maakt van het eerste lid, 2°, onderzoekt ze bij de gunning van de percelen in kwestie, of er is voldaan aan het vereiste minimale niveau.
  § 4. Bij de gunningsbeslissing kan de aanbestedende overheid de selectie van een reeds geselecteerde herzien, indien zijn persoonlijke situatie of bekwaamheid alsdan niet meer beantwoorden aan de op grond van § 1 bepaalde selectievoorwaarden.
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 36, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 61.De aanbestedende overheid kan :
  1° verlangen dat de kandidaten of inschrijvers [1 de in de artikelen 63 tot 84 bedoelde inlichtingen en documenten]1 en documenten aanvullen of nader toelichten. Zij kan ook, indien zij dit nodig acht, een vertaling van de documenten aan hen vragen, behalve indien het gaat om een document uitgaande van een overheidsinstantie dat in een van de officiële Belgische talen is opgesteld;
  2° in eender welk stadium van de gunningsprocedure en met alle middelen die zij dienstig acht inlichtingen inwinnen over de in artikel 60, § 1, bedoelde situatie van om het even welke kandidaat of inschrijver;
  3° in eender welk stadium van de gunningsprocedure van elke rechtspersoon de voorlegging eisen van zijn statuten of vennootschapsakten, eventueel vergezeld van een vertaling ervan indien die documenten niet opgesteld zijn in de taal of talen van de aanbestedende overheid, evenals van elke wijziging van de inlichtingen betreffende zijn bestuurders of zaakvoerders.
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 62. § 1. De aanbestedende overheid die via elektronische middelen kosteloos toegang heeft tot de inlichtingen of documenten uitgaande van overheidsinstanties die haar in staat stellen de in artikel 60, § 1, bedoelde situatie van de betrokken kandidaten of inschrijvers na te gaan, stelt laatstgenoemden ervan vrij de in die artikelen bedoelde inlichtingen mee te delen of documenten voor te leggen.
  De aanbestedende overheid vermeldt in de opdrachtdocumenten de inlichtingen of documenten welke ze via elektronische weg zal opvragen. Zij vraagt zelf deze inlichtingen of documenten op en bewaart de resultaten ervan in het administratief dossier.
  § 2. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten, dient de kandidaat of de inschrijver de gevraagde inlichtingen en documenten niet voor te leggen indien hij dit reeds gedaan heeft voor een andere procedure, uitgeschreven door dezelfde aanbestedende overheid, op voorwaarde dat hij die procedure precies vermeldt in zijn aanvraag tot deelneming of offerte en mits de bedoelde inlichtingen en documenten aan de gestelde vereisten beantwoorden.

  Afdeling 2. - Toegangsrecht

  Art. 63.[1 § 1. Overeenkomstig artikel 20 van de wet wordt in elk stadium van de gunningsprocedure uitgesloten van de toegang ertoe, de kandidaat of inschrijver die bij rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan en waarvan de aanbestedende overheid kennis heeft, veroordeeld is voor :
   1° deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek;
   2° omkoping als bedoeld in artikelen 246 en 250 van het Strafwetboek;
   3° fraude als bedoeld in artikel 1 van de overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap, goedgekeurd door de wet van 17 februari 2002;
   4° terroristisch misdrijf of strafbaar feit in verband met terroristische activiteiten, uitlokking van, medeplichtigheid aan of poging tot het plegen van een dergelijk misdrijf of strafbaar feit, als bedoeld in de artikelen 137 en volgende van het Strafwetboek;
   5° witwassen van geld als bedoeld in artikel 5 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financieel stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme.
   Onder voorbehoud van de toepassing van 62, § 1, vraagt de aanbestedende overheid, met het oog op de toepassing van deze paragraaf, aan de kandidaten of inschrijvers, om de noodzakelijke inlichtingen of documenten over te leggen. Indien zij twijfels heeft over de persoonlijke situatie van die kandidaten of inschrijvers, kan zij de bevoegde binnenlandse of buitenlandse autoriteiten verzoeken om de inlichtingen die ze ter zake nodig acht.
   De aanbestedende overheid kan om dwingende redenen van algemeen belang afwijken van de in deze paragraaf bedoelde verplichting tot uitsluiting van de toegang tot de gunningsprocedure.
   § 2. Overeenkomstig artikel 20 van de wet kan in elk stadium van de gunningsprocedure worden uitgesloten van de toegang ertoe, de kandidaat of inschrijver die :
   1° in staat van faillissement of van vereffening verkeert, die zijn werkzaamheden heeft gestaakt, die een gerechtelijke reorganisatie ondergaat, of die in een vergelijkbare toestand verkeert als gevolg van een gelijkaardige procedure die bestaat in andere nationale reglementeringen;
   2° aangifte heeft gedaan van zijn faillissement, voor wie een procedure van vereffening of gerechtelijke reorganisatie aanhangig is, of die het voorwerp is van een gelijkaardige procedure bestaande in andere nationale reglementeringen;
   3° jegens wie een rechterlijke uitspraak met kracht van gewijsde is gedaan, waarbij een delict is vastgesteld dat in strijd is met zijn beroepsgedragsregels, zoals bijvoorbeeld de schending van de bestaande wetgeving inzake de uitvoer van defensie- en/of veiligheidsmateriaal;
   4° bij zijn beroepsuitoefening een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op elke grond die de aanbestedende overheden aannemelijk kunnen maken, zoals een niet-nakoming van zijn verplichtingen inzake gegevensbeveiliging of bevoorradingszekerheid bij een vorige opdracht;
   5° waarvan is vastgesteld, op basis van welk bewijsmiddel ook, inclusief beschermde gegevensbronnen, dat hij niet de betrouwbaarheid vertoont die nodig is om risico's voor de veiligheid van de staat uit te sluiten;
   6° niet voldaan heeft aan zijn verplichtingen inzake betaling van zijn socialezekerheidsbijdragen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 64;
   7° niet in orde is met de betaling van zijn belastingen volgens de Belgische wetgeving of die van het land waar hij gevestigd is, overeenkomstig de bepalingen van artikel 65;
   8° zich in ernstige mate heeft schuldig gemaakt aan het afleggen van valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen, opeisbaar bij toepassing van dit hoofdstuk, of die deze inlichtingen niet heeft verstrekt.
   § 3. Het bewijs dat de kandidaat of inschrijver zich niet in één van de gevallen vermeld in de §§ 1 en 2 bevindt, kan geleverd worden door :
   1° voor § 1 en § 2, 1°, 2° of 3° : een uittreksel uit het strafregister of een evenwaardig document uitgereikt door een gerechtelijke of overheidsinstantie van het land van oorsprong of herkomst en waaruit blijkt dat aan de gestelde eisen is voldaan;
   2° voor § 2, 6° en 7° : een attest uitgereikt door de bevoegde overheid van het betrokken land;
   3° voor § 2, 4°, 5° en 8° : elk middel dat de aanbestedende overheid aannemelijk kan maken.
   Wanneer een document of attest als bedoeld in 1° en 2° van het eerste lid, is vereist, niet wordt uitgereikt in het betrokken land of daarin niet alle in § 1 en in § 2, 1°, 2° of 3°, bedoelde gevallen worden vermeld, kan het worden vervangen door een verklaring onder eed of, in landen waar niet in een eed is voorzien, door een plechtige verklaring van de betrokkene voor een gerechtelijke of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst.
   § 4. Bij open procedure, vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking en onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, wanneer die laatste procedure in één fase verloopt, vormt het loutere feit van de indiening van de offerte vanwege de inschrijver zijn impliciete verklaring op erewoord dat hij zich niet in één van de uitsluitingsgevallen bevindt als bedoeld in de eerste en de tweede paragraaf.
   De verplichte toepassing van de impliciete verklaring op erewoord geldt enkel in zoverre de inlichtingen of documenten betreffende de uitsluitingsgevallen waarop de verklaring slaat, voor de aanbestedende overheid kosteloos toegankelijk zijn via elektronische middelen als bedoeld in artikel 62, § 1.
   Bij de procedures vermeld in het eerste lid, wanneer de voorwaarde van het tweede lid niet is vervuld, alsook bij beperkte procedure, concurrentiedialoog, onderhandelingsprocedure met bekendmaking en onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, wanneer die laatste procedure in meerdere fases verloopt, kan de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten bepalen dat het loutere feit van de indiening van de aanvraag tot deelneming of van de offerte, de impliciete verklaring op erewoord van de kandidaat respectievelijk de inschrijver vormt dat hij zich niet in één van de uitsluitingsgevallen bedoeld in §§ 1 en 2 bevindt.
   Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 65, § 2, laatste lid, wat betreft de verificatie van de naleving van de fiscale verplichtingen als bedoeld in § 2, 7°, gaat de aanbestedende overheid bij toepassing van de in de vorige leden bedoelde verklaring de toestand na van, al naargelang :
   1° de voor selectie in aanmerking komende kandidaten, alvorens de selectiebeslissing te nemen;
   2° de als opdrachtnemer in aanmerking komende inschrijver, alvorens de gunningsbeslissing te nemen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 38, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 64.§ 1. [1 Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 62, § 1, voegt de kandidaat of de inschrijver die personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders, bij zijn aanvraag tot deelneming of zijn offerte, al naargelang, een attest van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid waaruit blijkt dat hij voldaan heeft aan de vereisten inzake de betaling van zijn bijdragen voor de sociale zekerheid.]1
  Het attest heeft betrekking op het voorlaatste afgelopen kalenderkwartaal vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of offertes, al naargelang.
  De kandidaat of inschrijver heeft aan bovenvermelde vereisten voldaan, indien hij :
  1° aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid al de vereiste aangiften heeft toegezonden, tot en met diegene die slaan op het kalenderkwartaal bedoeld in het vorige lid, en
  2° op deze aangiften geen bijdrageschuld heeft van meer dan 3.000 euro of voor die schuld uitstel van betaling heeft verkregen en de afbetalingen daarvan strikt in acht neemt.
  Evenwel, zelfs wanneer de bijdrageschuld groter is dan 3.000 euro, zal de kandidaat of inschrijver in orde bevonden worden indien hij, alvorens de beslissing over de selectie van de kandidaten of tot de gunning van de opdracht wordt genomen, al naargelang, aantoont dat hij, op het einde van het kalenderkwartaal bedoeld in het tweede lid, op een aanbestedende overheid in de zin van artikel 2, 1°, van de wet of op een overheidsbedrijf in de zin van artikel 2, 2°, van de wet, één of meer schuldvorderingen bezit die zeker, opeisbaar en vrij van elke verbintenis tegenover derden zijn en waarvan het bedrag op 3.000 euro na, ten minste gelijk is aan de achterstallige bijdrageschulden.
  § 2. De kandidaat of inschrijver die personeel uit een andere lidstaat van de Europese Unie tewerkstelt en dat niet beoogd is door § 1, voegt bij zijn aanvraag tot deelneming of zijn offerte, al naargelang, een attest dat uitgereikt werd door de bevoegde overheid en waarin bevestigd wordt dat hij, volgens de rekening die ten laatste de uiterste dag bepaald voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of offertes, al naargelang, is opgemaakt, op die datum voldaan heeft aan de voorschriften inzake betaling van de bijdragen voor sociale zekerheid overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is.
  § 3. Indien de kandidaat of inschrijver personeel tewerkstelt dat zowel door paragraaf 1 als paragraaf 2 wordt beoogd, zijn de bepalingen van beide paragrafen toepasselijk.
  § 4. De in paragrafen 1 en 2 bedoelde attesten moeten niet worden voorgelegd wanneer het geraamde opdrachtbedrag niet hoger is dan 30.000 euro. In dat geval wint de aanbestedende overheid zelf inlichtingen in over de toestand van de kandidaat of inschrijver om na te gaan of hij aan de vereisten van dit artikel heeft voldaan.
  § 5. De aanbestedende overheid kan inlichtingen inwinnen over de situatie van de kandidaat of de inschrijver die onderworpen is aan de sociale zekerheid van de zelfstandigen ten einde na te gaan of hij in orde is met de betaling van zijn bijdragen inzake sociale zekerheid.
  § 6. Het voorleggen bij de offerte van de attesten bepaald in de vorige paragrafen is niet vereist indien ze reeds bij de aanvraag tot deelneming waren gevoegd, mits ze op dezelfde periode slaan.
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 39, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 65.[1 § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 62, § 1, voegt de kandidaat of de inschrijver bij zijn aanvraag tot deelneming of zijn offerte, al naargelang, een attest waaruit blijkt dat hij heeft voldaan aan zijn fiscale verplichtingen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is.
   § 2. Voor een Belgische kandidaat of inschrijver verifieert de aanbestedende overheid de naleving van de fiscale verplichtingen ten opzichte van de FOD Financiën, op basis van het attest dat door die laatste wordt afgeleverd.
   De kandidaat of inschrijver heeft aan de in deze paragraaf bedoelde verplichtingen voldaan, indien hij voor die verplichtingen geen schuld heeft van meer dan 3.000 euro, of voor die schuld uitstel van betaling heeft verkregen en de afbetalingen daarvan strikt in acht neemt.
   Evenwel, zelfs wanneer de in deze paragraaf bedoelde schuld groter is dan 3.000 euro, zal de kandidaat of inschrijver in orde bevonden worden indien hij, alvorens de beslissing over de selectie van de kandidaten of de gunning van de opdracht wordt genomen, al naargelang, aantoont dat hij op een aanbestedende overheid in de zin van artikel 2, 1°, van de wet of op een overheidsbedrijf in de zin van artikel 2, 2°, van de wet, één of meer schuldvorderingen bezit die zeker, opeisbaar en vrij van elke verbintenis tegenover derden zijn en waarvan het bedrag op 3.000 euro na, ten minste gelijk is aan de achterstallige afbetaling van zijn fiscale schulden.
   Voor de in deze paragraaf bedoelde fiscale verplichtingen verifieert de aanbestedende overheid die via de in artikel 62, § 1, bedoelde elektronische middelen kosteloos toegang heeft tot het attest van de FOD Financiën, voor alle kandidaten of inschrijvers, al naargelang, de toestand binnen achtenveertig uur na de openingszitting, zo die plaatsvindt, dan wel binnen achtenveertig uur na het uiterste tijdstip voor het indienen van de aanvraag tot deelneming of de offerte, al naargelang.
   § 3. De aanbestedende overheid kan overgaan tot de verificatie van de naleving van de betaling van andere dan de in paragraaf 2 bedoelde fiscale schulden. In dat geval duidt zij in de opdrachtdocumenten precies aan welke andere fiscale schulden zij wenst te onderzoeken alsook aan de hand van welke documenten.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 40, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 66. § 1. De kandidaat of inschrijver wordt uitgesloten van de toegang tot de gunningsprocedure van een opdracht, indien hij belast werd met het onderzoek, de beproeving, de studie of de ontwikkeling van die opdracht indien hij door die prestaties een voordeel geniet dat de normale mededingingsvoorwaarden verhindert of vervalst.
  Niettemin vraagt de aanbestedende overheid, alvorens zijn aanvraag tot deelneming of offerte om die reden uit te sluiten, aan de kandidaat of inschrijver per aangetekende brief om schriftelijk de afdoende verantwoording te bezorgen waarmee hij kan aantonen geen voordeel als bedoeld in het vorige lid te genieten. Dit voorschrift geldt niet wanneer die verantwoording bij de aanvraag tot deelneming of de offerte werd gevoegd.
  De verantwoording is enkel ontvankelijk indien ze aan de aanbestedende overheid wordt overgelegd binnen twaalf kalenderdagen te rekenen vanaf de dag die volgt op de verzending van de aangetekende brief of binnen de daarin eventueel bepaalde langere termijn.
  De kandidaat of inschrijver in kwestie levert het bewijs van de verzending van de verantwoording.
  § 2. Wordt eveneens uitgesloten, de aanvraag tot deelneming of de offerte ingediend door een onderneming die verbonden is met een persoon die voordien werd belast met het onderzoek, de beproeving, de studie of de ontwikkeling van de opdracht, indien die onderneming, wegens die binding, door die prestaties een voordeel geniet dat de normale mededingingsvoorwaarden verhindert of vervalst.
  In de zin van deze paragraaf verstaat men onder "verbonden onderneming", elke onderneming waarop een persoon bedoeld in het eerste lid rechtstreeks of onrechtstreeks een overheersende invloed kan uitoefenen, of elke onderneming die een overheersende invloed kan uitoefenen op die persoon of die, zoals hij, onderworpen is aan de overheersende invloed van een andere onderneming omwille van eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften.
  De overheersende invloed wordt vermoed wanneer een onderneming, rechtstreeks of onrechtstreeks, ten opzichte van een andere onderneming :
  1° de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de onderneming bezit, of
  2° beschikt over de meerderheid van de stemmen die verbonden zijn aan de door de onderneming uitgegeven aandelen, of
  3° meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de onderneming kan aanwijzen.
  Niettemin vraagt de aanbestedende overheid, alvorens de aanvraag tot deelneming of de offerte van die verbonden onderneming uit te sluiten, aan deze laatste per aangetekende brief om schriftelijk de afdoende verantwoording te bezorgen waarmee ze kan aantonen geen dergelijk voordeel te genieten.
  De verantwoording steunt op de bindingen van de onderneming, haar graad van onafhankelijkheid en elke andere afdoende reden. Ze toont aan, hetzij dat er geen overheersende invloed is, hetzij, indien die er wel is, dat die geen enkele impact heeft op de opdracht in kwestie.
  De verantwoording is enkel ontvankelijk indien ze aan de aanbestedende overheid wordt overgelegd binnen twaalf kalenderdagen te rekenen vanaf de dag die volgt op de verzending van de aangetekende brief of binnen de daarin eventueel bepaalde langere termijn.
  De kandidaat of inschrijver in kwestie levert het bewijs van de verzending van de verantwoording.

  Art. 67. Kandidaten of inschrijvers die krachtens de wetgeving van de lidstaat van de Europese Unie waarin zij zijn gevestigd, gerechtigd zijn de opdracht in kwestie uit te voeren, mogen niet worden uitgesloten van de toegang tot de gunningsprocedure louter op grond van het feit dat zij krachtens de Belgische wet, hetzij een natuurlijke persoon, hetzij een rechtspersoon zouden moeten zijn.

  Art. 68. De bepalingen van deze afdeling zijn individueel toepasselijk op alle deelnemers die :
  1° zich samen kandidaat stellen en de intentie hebben om, ingeval van selectie, samen een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid op te richten;
  2° of samen een offerte indienen als combinatie zonder rechtspersoonlijkheid.

  Afdeling 3. - Kwalitatieve selectie

  Art. 69. § 1. De financiële en economische draagkracht van de kandidaat of de inschrijver kan over het algemeen worden aangetoond door één of meer van de volgende referenties :
  1° door een bankverklaring opgesteld overeenkomstig het model vervat in bijlage 2 of, in voorkomend geval, door het bewijs van een verzekering tegen beroepsrisico's;
  2° door de jaarrekeningen of de neergelegde jaarrekeningen, indien de wetgeving van het land van de kandidaat of inschrijver deze neerlegging voorschrijft;
  3° door een verklaring betreffende de totale omzet en, in voorkomend geval, de omzet van de bedrijfsactiviteit die het voorwerp van de opdracht is, over ten hoogste de laatste drie beschikbare boekjaren, afhankelijk van de oprichtingsdatum of van de datum waarop de kandidaat of de inschrijver met zijn activiteit is begonnen, voor zover de betrokken omzetcijfers beschikbaar zijn.
  § 2. De aanbestedende overheid geeft in de aankondiging van opdracht of in de uitnodiging tot het indienen van een offerte aan welke referentie(s) in § 1, 1°, 2° en 3° ze verlangt, evenals de andere relevante referenties die moeten worden overgelegd.
  Indien de kandidaat of inschrijver om redenen die hij moet verantwoorden, niet in staat is de gevraagde referenties over te leggen, kan hij zijn economische en financiële draagkracht aantonen met andere documenten die de aanbestedende overheid geschikt acht.

  Art. 70. In geval van een opdracht voor werken, een opdracht voor leveringen waarvoor plaatsings- of installatiewerkzaamheden nodig zijn of een opdracht voor diensten, kan de aanbestedende overheid :
  1° de technische of beroepsbekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers om de werken of de installatie uit te voeren of de diensten te verstrekken beoordelen aan de hand van met name hun knowhow, efficiëntie, ervaring en betrouwbaarheid;
  2° de rechtspersonen verplichten om in hun aanvraag tot deelneming of in hun offerte de namen en de beroepskwalificaties te vermelden van de personen die belast zijn met de uitvoering van de opdracht.

  Art. 71. In geval van een opdracht voor werken kan de technische bekwaamheid of de beroepsbekwaamheid van de kandidaat of de inschrijver op één of meer van de volgende manieren worden bewezen, afhankelijk van de aard, de hoeveelheid of belangrijkheid en het doel van de werken :
  1° door het bewijs dat de kandidaat of de inschrijver voldoet aan bepaalde kwaliteitsnormen overeenkomstig artikel 82;
  2° aan de hand van een opgave van de al dan niet tot de onderneming behorende technici of technische organen, in het bijzonder van die welke belast zijn met de kwaliteitscontrole, die de aannemer ter beschikking zullen staan om de werken uit te voeren;
  3° aan de hand van de studie- of beroepskwalificaties van de aannemer of het kaderpersoneel van de onderneming en in het bijzonder van degenen die met de leiding van de werken worden belast;
  4° enkel in passende gevallen, door de vermelding van de maatregelen inzake milieubeheer die de aannemer kan toepassen in het kader van de uitvoering van de opdracht overeenkomstig artikel 83;
  5° aan de hand van een verklaring betreffende de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting van de aannemer en de omvang van het kaderpersoneel gedurende de laatste drie jaar;
  6° aan de hand van een beschrijving van de technische uitrusting en de maatregelen die de aannemer gebruikt om de kwaliteit te waarborgen en van de mogelijkheden van de onderneming ten aanzien van ontwerpen en onderzoek, alsmede de interne regels inzake intellectuele eigendom;
  7° aan de hand van een lijst van de werken die de afgelopen vijf jaar werden verricht, welke lijst vergezeld gaat van attesten die bewijzen dat de belangrijkste werken naar behoren zijn uitgevoerd. Deze attesten vermelden het bedrag van de werken, de plaats en het tijdstip waarop ze werden uitgevoerd. Voorts wordt aangegeven of de werken volgens de regels van de kunst zijn uitgevoerd en regelmatig tot een goed einde zijn gebracht. In voorkomend geval worden de attesten door de bevoegde instantie rechtstreeks aan de aanbestedende overheid toegezonden;
  8° aan de hand van een controle door de aanbestedende overheid of, in diens naam, door een bevoegd officieel orgaan van het land waar de aannemer gevestigd is, onder voorbehoud van instemming door dit orgaan; deze controle heeft betrekking op de technische capaciteit van de aannemer en, zo nodig, op diens mogelijkheden inzake studie en onderzoek en de maatregelen die hij treft om de kwaliteit te waarborgen.

  Art. 72. In geval van een opdracht voor werken, wanneer de opdracht, overeenkomstig artikel 3, § 1, van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, enkel mag worden gegund aan personen die hetzij hiervoor erkend zijn, hetzij het bewijs hebben geleverd dat zij voldoen aan de bij of krachtens deze wet bepaalde voorwaarden om te worden erkend, vermeldt de aankondiging van opdracht de vereiste erkenning overeenkomstig genoemde wet en haar uitvoeringsbesluiten.
  De aanvraag tot deelneming of de offerte vermeldt :
  1° ofwel dat de kandidaat of inschrijver over de vereiste erkenning beschikt;
  2° ofwel dat de kandidaat of inschrijver in het bezit is van een certificaat of ingeschreven is op een officiële lijst van erkende aannemers in een andere lidstaat van de Europese Unie. In dat geval voegt de kandidaat of inschrijver bij zijn aanvraag tot deelneming of offerte het door de bevoegde certificeringsinstelling afgeleverde certificaat of het door de bevoegde instantie van de lidstaat bevestigde bewijs van inschrijving en elk document dat de gelijkwaardigheid tussen deze certificering of inschrijving en de vereiste erkenning als bedoeld in het eerste lid kan aantonen. Op dit certificaat of deze inschrijving worden de referenties vermeld op grond waarvan de certificering respectievelijk de inschrijving op de lijst mogelijk was;
  3° ofwel dat de kandidaat of inschrijver de toepassing inroept van artikel 3, § 1, 2°, van de voormelde wet van 20 maart 1991. In dat geval voegt de kandidaat of inschrijver de nodige bewijsstukken bij zijn aanvraag tot deelneming of bij zijn offerte.
  In geval van een open procedure of een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking kan de aanbestedende overheid, indien zij de voorwaarden vastgesteld door of krachtens de wet van 20 maart 1991 voldoende acht om de selectie van de inschrijvers uit te voeren, zich beperken tot de vermelding bedoeld in het eerste lid, zonder van de inschrijvers andere inlichtingen of documenten betreffende hun economischen en financiële draagkracht, alsook hun technische of beroepsbekwaamheid te eisen.

  Art. 73. In geval van een opdracht voor leveringen kan de technische bekwaamheid of de beroepsbekwaamheid van de kandidaat of de inschrijver op één of meer van de volgende manieren worden bewezen, afhankelijk van de aard, de hoeveelheid of belangrijkheid en het doel van de leveringen :
  1° door het bewijs dat de kandidaat of de inschrijver voldoet aan bepaalde kwaliteitsnormen overeenkomstig artikel 82;
  2° aan de hand van een opgave van de al dan niet tot de onderneming behorende technici of technische organen, in het bijzonder van die welke verantwoordelijk zijn voor de kwaliteitscontrole;
  3° aan de hand van een lijst van de voornaamste leveringen die gedurende de afgelopen vijf jaar werden verricht, met vermelding van het bedrag en de datum en van de publiek- of privaatrechtelijke instanties waarvoor zij bestemd waren. De leveringen worden aangetoond door attesten die de bevoegde autoriteit heeft afgegeven of medeondertekend of in geval van leveringen voor een particuliere afnemer door attesten van de afnemer of bij ontstentenis eenvoudigweg door een verklaring van de leverancier;
  4° aan de hand van een beschrijving van de technische uitrusting, van de door de leverancier getroffen maatregelen om de kwaliteit te waarborgen en van de door zijn onderneming geboden mogelijkheden op het vlak van studie en onderzoek alsook de interne regels inzake intellectuele eigendom;
  5° aan de hand van certificaten die door als bevoegd erkende officiële instituten of diensten voor kwaliteitscontrole zijn opgesteld en waarin wordt verklaard dat duidelijk door referenties geïdentificeerde producten aan bepaalde specificaties of normen beantwoorden;
  6° aan de hand van monsters, beschrijvingen of foto's, waarvan de echtheid wordt aangetoond op verzoek van de aanbestedende overheid;
  7° aan de hand van een controle door de aanbestedende overheid of, in diens naam, door een bevoegd officieel orgaan van het land waar de leverancier gevestigd is, onder voorbehoud van instemming door dit orgaan; deze controle heeft betrekking op de productiecapaciteit of op de technische bekwaamheid van de leverancier en, zo nodig, op diens mogelijkheden inzake studie en onderzoek en de maatregelen die hij treft om de kwaliteit te waarborgen;
  8° in geval van leveringen die bijkomend plaatsings- en installatiewerkzaamheden of diensten omvatten, aan de hand van de studie- en beroepskwalificaties van de leverancier of van het kaderpersoneel van de onderneming en in het bijzonder van degenen die met de dienstverlening of de leiding van de werken kunnen worden belast.

  Art. 74. In geval van een opdracht voor diensten kan de technische bekwaamheid of de beroepsbekwaamheid van de kandidaat of de inschrijver op één of meer van de volgende manieren worden bewezen, afhankelijk van de aard, de hoeveelheid of belangrijkheid en het doel van de diensten :
  1° door het bewijs dat de kandidaat of de inschrijver voldoet aan bepaalde kwaliteitsnormen overeenkomstig artikel 82;
  2° aan de hand van een opgave van de al dan niet tot de onderneming behorende technici of technische organen, in het bijzonder van die welke verantwoordelijk zijn voor de kwaliteitscontrole;
  3° aan de hand van de studie- of beroepskwalificaties van de dienstverlener of het kaderpersoneel van de onderneming en in het bijzonder van degenen die met de dienstverlening kunnen worden belast;
  4° enkel in passende gevallen, door de vermelding van de maatregelen inzake milieubeheer die de dienstverlener kan toepassen in het kader van de uitvoering van de opdracht overeenkomstig artikel 83;
  5° aan de hand van een verklaring betreffende de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting van de dienstverlener en de omvang van het kaderpersoneel gedurende de laatste drie jaar;
  6° aan de hand van een lijst van de voornaamste diensten die gedurende de afgelopen drie jaar werden verricht, met vermelding van het bedrag en de datum en van de publiek- of privaatrechtelijke instanties waarvoor zij bestemd waren. De diensten worden aangetoond door attesten die de bevoegde autoriteit afgeeft of medeondertekent of in het geval van diensten voor een particuliere afnemer, door attesten van de afnemer of, bij ontstentenis, eenvoudigweg door een verklaring van de dienstverlener;
  7° aan de hand van een beschrijving van de technische uitrusting van de dienstverlener, van de maatregelen die hij treft om de kwaliteit te waarborgen en de mogelijkheden die zijn onderneming biedt op het vlak van studie en onderzoek, alsook de interne regels inzake intellectuele eigendom;
  8° aan de hand van een controle door de aanbestedende overheid of, in diens naam, door een bevoegd officieel orgaan van het land waar de dienstverlener gevestigd is, onder voorbehoud van instemming door dit orgaan; deze controle heeft betrekking op de technische capaciteit van de dienstverlener en, zo nodig, op diens mogelijkheden inzake studie en onderzoek en de maatregelen die hij treft om de kwaliteit te waarborgen.

  Art. 75. In geval van een opdracht voor werken, leveringen of diensten kan de technische bekwaamheid of de beroepsbekwaamheid van de kandidaat of inschrijver ook worden bewezen aan de hand van een beschrijving van het gereedschap, het materieel, de technische uitrusting, het personeelsbestand en de kennis en/of de bevoorradingsbronnen - inclusief een beschrijving van de geografische ligging ervan wanneer die buiten de Europese Unie is - waarover hij beschikt
  1° om de opdracht uit te voeren;
  2° om eventuele toenames van de behoeften van de aanbestedende overheid als gevolg van een crisissituatie op te vangen, of;
  3° om het onderhoud, de modernisering of de aanpassingen van de leveringen die het voorwerp van de opdracht uitmaken, te verzekeren.

  Art. 76. Wanneer het een opdracht betreft die betrekking heeft op geclassificeerde informatie of die dergelijke gegevens noodzakelijk maakt of bevat, kan de aanbestedende overheid bewijzen vragen die aantonen dat deze gegevens met inachtneming van het door de aanbestedende overheid voorgeschreven beveiligingsniveau kunnen worden verwerkt, opgeslagen en verzonden.
  Bij gebrek aan harmonisatie van de nationale systemen voor veiligheidsonderzoeken voldoen deze bewijzen aan de desbetreffende bepalingen van de wetten inzake veiligheidsonderzoeken die in België van toepassing zijn. De veiligheidsmachtigingen van de andere Staten die als gelijkwaardig door de nationale Belgische veiligheidsoverheid worden beschouwd met degene die zijn afgegeven overeenkomstig de nationale wetgeving, worden eveneens erkend, onverminderd de mogelijkheid voor de bevoegde nationale overheid om zelf onderzoek te verrichten en hier rekening mee te houden, als dit nodig wordt geacht.
  De aanbestedende overheid kan, in voorkomend geval, kandidaten en inschrijvers die nog geen veiligheidsmachtiging hebben, extra tijd toekennen om deze verklaring te verkrijgen. In dit geval geeft ze het bestaan van deze mogelijkheid en de termijn aan in de aankondiging van opdracht.
  De aanbestedende overheid kan de nationale veiligheidsoverheid van de Staat van de kandidaat of inschrijver of de door die Staat aangewezen veiligheidsoverheid vragen te verifiëren of de ruimten en installaties die mogelijk zullen worden gebruikt, de industriële processen en de administratieve procedures die zullen worden toegepast, de regels voor het beheer van de gegevens en/of de situatie van het personeel waarvan vermoedelijk gebruik zal worden gemaakt voor de uitvoering van de opdracht, conform de veiligheidseisen zijn. Deze aanvraag gebeurt via de nationale Belgische veiligheidsoverheid.

  Art. 77. Voor de opdrachten waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking niet verplicht is, mag de aanbestedende overheid passende referenties vermelden zonder te zijn gebonden door de beperkingen van de artikelen 70, 71 en 73 tot 75.

  Art. 78. Wanneer de kandidaat of inschrijver om gegronde redenen niet in staat is de door de aanbestedende overheid gevraagde referenties inzake de technische bekwaamheid of de beroepsbekwaamheid over te leggen, kan hij zijn bekwaamheid aantonen met andere bescheiden die de aanbestedende overheid geschikt acht.

  Art. 79. Een kandidaat of een inschrijver kan zich voor welbepaalde opdrachten beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten. In dat geval toont hij de aanbestedende overheid aan dat hij zal beschikken over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen, door overlegging van de verbintenis van deze entiteiten om de kandidaat of inschrijver dergelijke middelen ter beschikking te stellen. Op deze entiteiten is artikel 63 toepasselijk.
  Onder dezelfde voorwaarden kan een combinatie van kandidaten of van inschrijvers zich beroepen op de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie of van andere entiteiten.
  De aanbestedende overheid kan in de opdrachtdocumenten voor een kandidaat of een inschrijver de mogelijkheid beperken om zich te beroepen op de draagkracht van andere entiteiten wanneer aan deze laatste het toegangsrecht is ontzegd op grond van artikel 20 van de wet.

  Art. 80. De aanbestedende overheid kan van de kandidaten of inschrijvers de overlegging eisen van het bewijs van hun inschrijving in het beroeps- of handelsregister overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar ze gevestigd zijn. Het bewijs wordt geleverd door een attest, of, bij ontstentenis, door een verklaring onder eed.
  De bedoelde registers, attesten en verklaringen voor elke Lidstaat zijn vermeld in bijlage 3.

  Art. 81. Wanneer de dienstverleners in hun land van herkomst een dienst slechts kunnen verrichten als ze over een bijzondere vergunning beschikken of lid zijn van een bepaalde organisatie, kan de aanbestedende overheid vragen dat zij aantonen over deze vergunning te beschikken of lid te zijn van de bedoelde organisatie.

  Art. 82. Ingeval de aanbestedende overheid de overlegging verlangt van door onafhankelijke instanties opgestelde verklaringen dat de kandidaat of inschrijver aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoet, dient ze te verwijzen naar kwaliteitsbewakingsregelingen die op de Europese normenreeksen op dit terrein zijn gebaseerd en die zijn gecertificeerd door instanties die voldoen aan de Europese normenreeks voor certificering. Ze erkent gelijkwaardige certificaten van in andere lidstaten gevestigde instanties. Ze aanvaardt eveneens andere bewijzen inzake gelijkwaardige maatregelen op het vlak van kwaliteitsbewaking.

  Art. 83. Wanneer de aanbestedende overheid in de in artikel 71, 4°, en 74, 4°, bedoelde passende gevallen de overlegging verlangt van een door onafhankelijke instanties opgestelde verklaring dat de kandidaat of inschrijver aan bepaalde normen inzake milieubeheer voldoet, verwijst ze naar het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) of naar normen inzake milieubeheer die gebaseerd zijn op de desbetreffende Europese of internationale normen die gecertificeerd zijn door instanties die beantwoorden aan het recht van de Europese Unie of aan de toepasselijke Europese of internationale normen voor certificering. Ze erkent gelijkwaardige certificaten van in andere lidstaten gevestigde instanties. Ze aanvaardt tevens andere bewijzen inzake gelijkwaardige maatregelen op het vlak van milieubeheer.

  Art. 84. De door de bevoegde instantie bevestigde inschrijving van een erkende aannemer, leverancier of dienstverlener op een officiële lijst in een andere lidstaat van de Europese Unie of het door de bevoegde certificeringsinstelling afgeleverde certificaat vormt enkel een vermoeden van geschiktheid wat betreft de bepalingen van de artikelen 63, §§ 1 en 2, 1° tot 4° en 8°, 69, § 1, 2° en 3°, 71, 2° tot 8°, 73, 2° tot 8°, 74, 2°, 3° en 5° tot 8°, 80 en, in voorkomend geval, 82. Het voordeel van de bepalingen van dit artikel komt enkel de aannemers, leveranciers en de dienstverleners ten goede die gevestigd zijn in het land waar de officiële lijst is opgesteld.
  De gegevens die uit de inschrijving op een officiële lijst kunnen worden afgeleid, kunnen niet zonder verantwoording ter discussie worden gesteld.

  HOOFDSTUK 6. - Gunning bij aanbesteding en offerteaanvraag

  Afdeling 1. - Vorm, inhoud en ondertekening offerte

  Art. 85. Als bij de opdrachtdocumenten een formulier is gevoegd voor het opmaken van de offerte en het invullen van de samenvattende opmeting of de inventaris, maakt de inschrijver daarvan gebruik. Doet hij dit niet, dan draagt hij de volle verantwoordelijkheid voor de volledige overeenstemming van de door hem aangewende documenten met het formulier.

  Art. 86. De offerte vermeldt :
  1° de naam, voornamen, hoedanigheid of beroep, nationaliteit en woonplaats van de inschrijver of voor een rechtspersoon, de handelsnaam of benaming, rechtsvorm, nationaliteit, maatschappelijke zetel en, desgevallend, het ondernemingsnummer;
  2° a) het totale offertebedrag, belasting over de toegevoegde waarde desgevallend inbegrepen, zoals in voorkomend geval gedetailleerd in de samenvattende opmeting of de inventaris;
  b) de prijstoeslag;
  c) in voorkomend geval, de prijskorting of verbetering voor het geheel of een deel van de offerte;
  d) de prijskorting of verbetering in geval van toepassing van artikel 94, eerste lid;
  e) elk ander prijsgegeven zoals voorgeschreven door de opdrachtdocumenten;
  3° het nummer en de benaming van de rekening bij een financiële instelling waarop de betaling van de opdracht moet gebeuren;
  4° voor zover de opdrachtdocumenten het opleggen, de identiteit van de eventuele onderaannemers.
  In geval van een beperkte procedure geldt de voormelde verplichting tot het vermelden van de identiteit van de onderaannemers als regelmatigheidsvereiste voor de offerte wanneer de draagkracht van de onderaannemers en de andere entiteiten als bedoeld in artikel 79 bepalend is geweest voor de selectie van de betrokken inschrijver;
  5° voor zover de opdrachtdocumenten zulks opleggen, de oorsprong van de te leveren producten en de te verwerken materialen die afkomstig zijn van buiten de Europese Unie, met vermelding per land van oorsprong van de waarde exclusief douanerechten die zij in de offerte vertegenwoordigen. Als de producten of materialen op het grondgebied van de Europese Unie worden afgewerkt of verwerkt, wordt enkel de waarde van deze grondstoffen vermeld;
  6° in geval van offertes voor meerdere percelen, overeenkomstig artikel 94, tweede lid, de voorkeurvolgorde van de percelen.
  Als de offerte wordt ingediend door een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid, zijn de bepalingen van het eerste lid, 1°, van toepassing op elke deelnemer aan de combinatie.
  De opdrachtdocumenten bepalen desgevallend de wijze van terbeschikkingstelling van de documenten, modellen, monsters en andere inlichtingen.

  Art. 87.§ 1. De inschrijver ondertekent de offerte en de eventuele samenvattende opmeting of inventaris en de andere bijlagen bij de offerte.
  Ook de eventueel geboden prijstoeslagen, prijskortingen of verbeteringen bedoeld in artikel 86, eerste lid, 2°, en de doorhalingen, overschrijvingen, aanvullingen of wijzigingen in de offerte en haar bijlagen, die de essentiële voorwaarden van de opdracht betreffende met name prijzen, termijnen en technische specificaties kunnen beïnvloeden, worden door de inschrijver ondertekend. De bepalingen van dit lid zijn niet van toepassing als de offerte en haar bijlagen elektronisch ondertekend zijn.
  § 2. Als de offerte wordt ingediend door een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid, wordt paragraaf 1 nageleefd door elke deelnemer aan de combinatie.
  § 3. Als de ondertekening gebeurt door een gemachtigde, vermeldt hij duidelijk zijn volmachtgever of volmachtgevers. De gemachtigde voegt bij de offerte de authentieke of onderhandse akte waaruit zijn bevoegdheid blijkt of een afschrift van zijn volmacht. Eventueel verwijst hij naar het nummer van de bijlage van het Belgisch Staatsblad waarin de akte bij uittreksel is bekendgemaakt.
  Een volmachtgever kan met het oog op latere opdrachten de volmacht deponeren die hij aan een of meer gemachtigden heeft gegeven. Deze volmacht geldt alleen voor de opdrachten van de aanbestedende overheid waarbij zij is gedeponeerd. De gemachtigde verwijst in iedere offerte naar die deponering.
  § 4. [1 De offerte die namens een rechtspersoon elektronisch wordt verzegeld door een gekwalificeerd elektronisch zegel in de zin van artikel 3.27. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG vereist geen bijkomende volmacht.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-09-25/05, art. 14, 009; Inwerkingtreding : 20-10-2018>

  Afdeling 2. - Samenvattende opmeting en inventaris

  Art. 88. § 1. Indien bij de opdrachtdocumenten van een opdracht voor werken een samenvattende opmeting is gevoegd, vult de inschrijver haar in en maakt hij de nodige berekeningen.
  § 2. De inschrijver voert, rekening houdende met de opdrachtdocumenten, zijn beroepskennis of persoonlijke vaststellingen, verbeteringen door voor :
  1° de fouten die hij ontdekt in de forfaitaire hoeveelheden;
  2° de fouten die hij ontdekt in de vermoedelijke hoeveelheden, op voorwaarde dat de voorgestelde verbetering minstens vijfentwintig percent in meer of in min van de hoeveelheid van de post in kwestie bedraagt;
  3° de leemten in de samenvattende opmeting.
  Hij voegt bij zijn offerte een nota ter verantwoording van deze verbeteringen.

  Art. 89. § 1. Indien bij de opdrachtdocumenten van een opdracht voor leveringen of diensten een inventaris is gevoegd, vult de inschrijver hem in en maakt hij de nodige berekeningen.
  § 2. De inschrijver voert, rekening houdende met de opdrachtdocumenten, zijn beroepskennis of persoonlijke vaststellingen, verbeteringen door voor :
  1° de fouten die hij ontdekt in de forfaitaire en vermoedelijke hoeveelheden, voor zover de opdrachtdocumenten hiertoe uitdrukkelijk de toestemming geven;
  2° de leemten in de inventaris.
  Hij voegt bij zijn offerte een nota ter verantwoording van deze verbeteringen.

  Afdeling 3. - Interpretatie, fouten en leemten

  Art. 90. § 1. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten is de volgende voorrangsorde bepalend voor de interpretatie in geval van tegenspraak tussen de opdrachtdocumenten :
  1° de plannen;
  2° het bestek;
  3° de samenvattende opmeting of de inventaris.
  Als de plannen tegenspraak vertonen, kan de inschrijver zich op de voor hem meest gunstige hypothese steunen, tenzij de andere opdrachtdocumenten daarover uitsluitsel geven.
  § 2. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten gelden de gegevens van de samenvattende opmeting zoals verstrekt door de aanbestedende overheid, enkel als eenvoudige inlichting en kunnen ze slechts worden aangewend als aanvulling, in voorkomend geval, van onvolkomenheden van de andere opdrachtdocumenten.
  De opdrachtdocumenten kunnen deze paragraaf toepasselijk maken op de opdrachten voor leveringen en diensten.

  Art. 91. Als een aannemer, leverancier of dienstverlener in de opdrachtdocumenten fouten of leemten ontdekt die van dien aard zijn dat ze de prijsberekening of de vergelijking van de offertes onmogelijk maken, meldt hij dit onmiddellijk en schriftelijk aan de aanbestedende overheid. Alleszins verwittigt hij haar ten laatste tien dagen vóór de datum van de openingszitting, tenzij zulks onmogelijk is door de inkorting van de termijn voor ontvangst van de offertes.
  De aanbestedende overheid oordeelt of de fouten of leemten voldoende belangrijk zijn om de openingszitting te verdagen en, indien nodig, tot een aangepaste bekendmaking over te gaan.

  Art. 92. Na de opening van de zitting heeft de inschrijver niet meer het recht om zich te beroepen op fouten of leemten die voorkomen in de samenvattende opmeting of de inventaris, zoals verstrekt door de aanbestedende overheid.
  Bovendien kan hij zich vanaf dat ogenblik niet meer beroepen op vormgebreken, fouten of leemten in zijn offerte.

  Afdeling 4. - Prijsopgave en percelen

  Art. 93. De prijzen worden in de offerte in euro uitgedrukt.
  Het totale offertebedrag wordt voluit geschreven. Hetzelfde geldt voor de eenheidsprijzen, wanneer de opdrachtdocumenten dit opleggen.

  Art. 94. De inschrijver mag in zijn offertes voor meerdere percelen, hetzij prijskortingen aanbieden bij aanbesteding, hetzij verbeteringsvoorstellen bij offerteaanvraag, indien die bepaalde percelen hem zouden worden gegund, op voorwaarde dat de opdrachtdocumenten het niet verbieden.
  Voor zover de opdrachtdocumenten het opleggen en de aanbestedende overheid toepassing maakt van artikel 60, § 3, eerste lid, 2°, vermeldt de inschrijver die offertes voor meerdere percelen indient, zijn voorkeurvolgorde voor de gunning van deze percelen.

  Afdeling 5. - Indiening offertes

  Art. 95.§ 1. De offerte op papier wordt in een definitief gesloten envelop gestoken waarop het volgende wordt vermeld : de datum van de openingszitting, het besteknummer of het opdrachtvoorwerp en eventueel de perceelnummers. Ze wordt via een postdienst verzonden of door een drager afgegeven.
  Bij verzending via een postdienst wordt die definitief gesloten envelop in een tweede gesloten envelop gestoken waarop duidelijk "offerte" wordt vermeld. Dit geheel wordt geadresseerd aan het adres vermeld in de opdrachtdocumenten.
  De drager overhandigt de offerte aan de persoon die daartoe aangewezen is door de aanbestedende overheid of deponeert ze in de daartoe bestemde offertebus.
  Deze paragraaf is toepasselijk op de met elektronische middelen opgestelde offerte die niet via deze middelen wordt overgelegd.
  § 2. Elke offerte moet bij de voorzitter van de zitting toekomen alvorens hij de zitting opent.
  Offertes die laattijdig bij de voorzitter toekomen, welke er ook de oorzaak van is, worden geweigerd of ongeopend behouden.
  Nochtans wordt een laattijdige offerte aanvaard voor zover de aanbestedende overheid de opdracht nog niet heeft gesloten en de offerte ten laatste vier kalenderdagen vóór de datum van de openingszitting als aangetekende brief is verzonden.
  [1 § 3. Wanneer de aanbestedende overheid het gebruik van elektronische middelen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 54, § 1, heeft toegestaan of opgelegd voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes, kan zij beslissen de opening ervan te verdagen wanneer zij vóór de opening :
   1° kennis heeft gekregen van een opgetreden onbeschikbaarheid van de e-procurementtoepassing en;
   2° door tenminste één kandidaat of inschrijver ervan op de hoogte is gebracht dat hij door die onbeschikbaarheid, zijn aanvraag tot deelneming of offerte, al naargelang, niet tijdig dreigt te kunnen indienen.
   In geval van een verdaging van de opening overeenkomstig het eerste lid gaat de aanbestedende overheid over tot een aangepaste bekendmaking tot mededeling van de nieuwe datum voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes, al naargelang.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 41, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 96. § 1. Om een reeds opgestuurde of ingediende offerte te wijzigen of in te trekken, is een schriftelijke ondertekende verklaring vanwege de inschrijver vereist.
  Het voorwerp en de draagwijdte van de wijzigingen moeten nauwkeurig worden vermeld.
  De intrekking moet onvoorwaardelijk zijn.
  De bepalingen van de artikelen 85 en 95 zijn toepasselijk op de wijzigingen en de intrekkingen.
  § 2. De intrekking kan ook per telefax of via een elektronisch middel dat niet in overeenstemming is met artikel 54, § 1, worden meegedeeld voor zover :
  1° zij bij de voorzitter van de openingszitting toekomt alvorens hij de zitting opent,
  2° en zij wordt bevestigd per aangetekende brief verzonden ten laatste de dag vóór de openingszitting.
  Een inschrijver kan in een nieuwe regelmatig ingediende offerte aanduiden welke niet elektronisch ingediende bijlagen van de ingetrokken offerte hij wenst te behouden.

  Afdeling 6. - Opening offertes

  Art. 97.De zitting voor de opening van de offertes vindt plaats in het lokaal en op de datum en het uur bepaald in de opdrachtdocumenten.
  Ze wordt geleid door de voorzitter, bijgestaan door een of meerdere bijzitters.
  De verrichtingen verlopen in volgende orde :
  1° alvorens de belanghebbenden tot het aangeduide lokaal toe te laten, plaatst de voorzitter van de zitting er de reeds ontvangen niet elektronisch overgelegde offertes;
  2° zodra het lokaal voor het publiek toegankelijk is, worden de meegebrachte offertes aan de voorzitter overhandigd. Bij beperkte procedure worden alleen de inschrijvers of hun vertegenwoordigers tot het lokaal toegelaten;
  3° de voorzitter opent de zitting. Vanaf dat ogenblik is artikel 95, § 2, toepasselijk;
  4° daarna wordt inzage genomen van alle ontvangen offertes;
  5° de voorzitter leest de naam of de handelsnaam van de inschrijvers, hun woonplaats of maatschappelijke zetel en de intrekkingen voor.
  Bij aanbesteding doet de voorzitter hetzelfde voor de totale offertebedragen, belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen, en voor de varianten, verplichte opties, kortingen en toeslagen. Indien de aanbesteding evenwel op een groot aantal percelen betrekking heeft, kan de voorlezing van de prijzen vervangen worden door een andere presentatiewijze ter zitting;
  6° de voorzitter of een bijzitter parafeert blad per blad de offertes, met inbegrip van de door hem belangrijkst geachte bijlagen, alsook de documenten tot wijziging en tot intrekking van de offerte. De paraaf kan worden vervangen door een ander authentificatiemiddel, zoals een stempel of een naamstempel.
  Wanneer de offertes via elektronische middelen die voldoen aan artikel 54, § 1, zijn opgesteld, zet de voorzitter of een bijzitter zijn [1 elektronische handtekening in de zin van artikel 3.10. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG of een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van dezelfde verordening]1 op de verschillende hierboven vermelde documenten, behalve indien de door de aanbestedende overheid aangewende elektronische middelen de integriteit van de documenten kunnen garanderen na de opening ervan.
  ----------
  (1)<KB 2018-09-25/05, art. 15, 009; Inwerkingtreding : 20-10-2018>

  Art. 98. De voorzitter stelt een proces-verbaal op van de gegevens die hij heeft voorgelezen volgens artikel 97, derde lid, 5°, van de incidenten die zich tijdens de zitting hebben voorgedaan en van de opmerkingen die elke aanwezige persoon wenst opgenomen te zien.
  Het wordt onmiddellijk ondertekend door de voorzitter.
  De inschrijvers die er schriftelijk om verzoeken, ontvangen zo spoedig mogelijk een afschrift van het proces-verbaal.

  Art. 99. Een extra openingszitting, waartoe alle op de oorspronkelijke zitting aanwezige of gekende inschrijvers gelijktijdig en schriftelijk worden uitgenodigd, vindt plaats in volgende gevallen :
  1° wanneer offertes, wijzigingen of intrekkingen te laat zijn binnengekomen, maar toch in aanmerking kunnen worden genomen overeenkomstig de artikelen 95, § 2, derde lid en 96, § 1, vierde lid;
  2° wanneer tijdens de oorspronkelijke openingszitting technische moeilijkheden zijn gerezen voor de opening en de inzage van met elektronische middelen opgestelde offertes, tenzij er een veiligheidskopie volgens de voorwaarden van artikel 54, § 3, 2°, is geopend tijdens de openingszitting en deze kopie niet de voormelde moeilijkheden oplevert.
  De artikelen 97, derde lid, 4° tot 6°, en 98 zijn toepasselijk op deze zitting.

  Afdeling 7. - Onderzoek en regelmatigheid offertes

  Art. 100.[1 § 1. De aanbestedende overheid gaat de regelmatigheid na van de offertes van de inschrijvers die aan de voorwaarden van het toegangsrecht en de kwalitatieve selectiecriteria voldoen. Ze onderzoekt de regelmatigheid, zowel op formeel als op materieel vlak.
   § 2. Op formeel vlak is een offerte substantieel onregelmatig als ze afwijkt van de vormvoorschriften van de artikelen 6, § 1, 53, § 2, 54, 56, § 2, 57, 85, 86, 87, 95 en 96 en van de opdrachtdocumenten, in de mate dat de vormvoorschriften van die artikelen of die documenten essentieel zijn.
   Als een offerte daarentegen afwijkt van de overige vormvoorschriften van de in het eerste lid vermelde artikelen of van de opdrachtdocumenten, is ze aangetast door een niet-substantiële onregelmatigheid.
   § 3. Op materieel vlak is een offerte substantieel onregelmatig als ze afwijkt van de bepalingen van dit besluit of van de opdrachtdocumenten betreffende met name de prijzen, termijnen en technische specificaties, in de mate dat die bepalingen essentieel zijn, of in geval van een abnormale prijs als bedoeld in de artikelen 22 en 104.
   Als een offerte daarentegen niet in overeenstemming is met de andere bepalingen van dit besluit, meer bepaald met hoofdstuk 1, afdelingen 7 en 8 tot 11, hoofdstuk 6, afdelingen 2 tot 4, en hoofdstuk 10, of van de opdrachtdocumenten, of nog enig voorbehoud inhoudt of elementen bevat die niet met de werkelijkheid overeenstemmen, is ze aangetast door een niet-substantiële onregelmatigheid.
   § 4. Een substantieel onregelmatige offerte is nietig.
   In geval van een niet-substantiële onregelmatigheid kan de aanbestedende overheid de offerte nietig verklaren. Als de aanbestedende overheid een offerte niet nietig verklaart, dan wordt deze offerte geacht regelmatig te zijn.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 42, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 101. § 1. De aanbestedende overheid verbetert de rekenfouten en de zuiver materiële fouten in de offertes, zonder dat zij voor niet ontdekte fouten aansprakelijk is.
  Om deze fouten te verbeteren gaat de aanbestedende overheid de werkelijke bedoeling na van de inschrijver, door de offerte te onderzoeken en te vergelijken met de andere offertes en met de marktprijzen en door desnoods paragraaf 4 toe te passen.
  Als er in dit laatste geval geen toelichting gegeven is of de toelichting niet aanvaardbaar is voor de aanbestedende overheid, verbetert ze de fouten naar eigen bevindingen. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan kan de aanbestedende overheid hetzij beslissen dat de opgegeven eenheidsprijzen van toepassing zijn, hetzij de offerte als onregelmatig weren.
  § 2. De aanbestedende overheid verbetert de offertes in functie van de door haar of een inschrijver vastgestelde rekenfouten en zuiver materiële fouten in de opdrachtdocumenten.
  § 3. Indien de aanbestedende overheid rechtstreeks fouten verbetert in via elektronische middelen opgestelde offertes, bewaart zij de oorspronkelijke versie van die offertes en ziet zij erop toe dat haar rechtzettingen duidelijk identificeerbaar zijn, terwijl ook de oorspronkelijke gegevens zichtbaar blijven. De aanbestedende overheid ondertekent haar verbeteringen of de aangepaste versie via elektronische middelen die voldoen aan artikel 54, § 1, eerste lid, 1°.
  § 4. De aanbestedende overheid kan aan de inschrijver vragen om binnen de door haar bepaalde termijn de draagwijdte van zijn offerte te verduidelijken of aan te vullen, zonder deze te wijzigen.

  Art. 102.§ 1. Dit artikel is toepasselijk bij aanbesteding
  § 2. Wanneer een inschrijver, met toepassing van artikel 88, § 2, of 89, § 2, de hoeveelheid van één of meer posten van de samenvattende opmeting of inventaris heeft verbeterd, ziet de aanbestedende overheid die wijzigingen na, verbetert ze zo nodig volgens eigen berekeningen en wijzigt desgevallend de opmetingen of inventarissen gevoegd bij de offertes.
  Voor de inschrijver die een vermindering heeft voorgesteld met toepassing van artikel 88, § 2, 2°, wordt de totale prijs die overeenstemt met de aldus verminderde hoeveelheid een forfaitaire prijs, op voorwaarde en in de mate dat de aanbestedende overheid deze verbetering aanvaardt.
  Wanneer de aanbestedende overheid de wijzigingen van een post met vermoedelijke hoeveelheden niet door eigen berekeningen kan nazien, brengt zij de voorgestelde verhoging of verlaging van de hoeveelheid terug tot de oorspronkelijke hoeveelheid van de opmeting of inventaris.
  § 3. Wanneer een inschrijver voor een willekeurige post van de samenvattende opmeting of de inventaris geen prijs heeft vermeld, kan de aanbestedende overheid hetzij de offerte als onregelmatig weren, hetzij ze behouden door de leemte aan te vullen met behulp van de volgende formule :
  P = (L x Y) / X
  waarbij dient te worden begrepen onder :
  - P : de prijs van de post waarvoor de inschrijver geen prijs heeft vermeld;
  - L : de verkregen waarde op basis van het rekenkundig gemiddelde van de prijs, eventueel verbeterd door de aanbestedende overheid volgens artikel 101 en paragraaf 2 van dit artikel, die voor die post werd aangegeven door de inschrijvers die de prijs in hun samenvattende opmeting of inventaris hebben vermeld;
  - X : de verkregen waarde op basis van het rekenkundig gemiddelde van het totale bedrag van de opmeting of inventaris van alle inschrijvers die de prijs voor de betrokken post hebben vermeld, eventueel verbeterd op grond van de juist bevonden hoeveelheden voor elke post van de opmeting of de inventaris en overeenkomstig artikel 101, zonder rekening te houden met de prijs die voor die post werd aangegeven;
  - Y : het totale bedrag van de opmeting of de inventaris van de inschrijver die voor de betrokken post geen prijs heeft vermeld, eventueel verbeterd op grond van de juist bevonden hoeveelheden voor elke post van de opmeting of de inventaris en overeenkomstig artikel 101.
  Indien de inschrijver voor verschillende posten geen prijs heeft vermeld, wordt voor de berekening van de waarde van X geen rekening gehouden met de prijs die de andere inschrijvers voor die posten hebben vermeld.
  Voor de berekening van de waarden van L en X, kan de aanbestedende overheid beslissen geen rekening te houden met de offertes die voor de betrokken post een abnormale prijs vermelden.
  § 4. Telkens er met toepassing van artikel 88, § 2, of artikel 89, § 2, een leemte in de samenvattende opmeting of in de inventaris is aangevuld, gaat de aanbestedende overheid als volgt te werk :
  1° ze onderzoekt de gegrondheid van die aanvulling en verbetert ze zo nodig volgens haar eigen bevindingen.
  Indien de andere inschrijvers geen prijzen voor de leemten hebben voorgesteld, worden deze prijzen, voor elke post, met het oog op de rangschikking van de offertes, volgens de onderstaande formule berekend en blijven ze behouden bij de definitieve verbetering van de offertes :
  S = (L x Y) / X
  waarbij dient te worden begrepen onder :
  - S : de prijs van de leemte;
  - L : het eventueel door de aanbestedende overheid verbeterde bedrag voor de leemte in de samenvattende opmeting of de inventaris van de inschrijver die op de leemte heeft gewezen;
  - X : het totale offertebedrag van dezelfde inschrijver, eventueel verbeterd op grond van de juist bevonden hoeveelheden voor elke post van de samenvattende opmeting of inventaris en overeenkomstig artikel 101, zonder met de leemte rekening te houden;
  - Y : het totale offertebedrag van de betrokken inschrijver die de leemte niet heeft vermeld, eventueel verbeterd op grond van de juist bevonden hoeveelheden voor elke post van de samenvattende opmeting of de inventaris en overeenkomstig artikel 101, zonder met de leemte rekening te houden;
  2° wanneer verscheidene inschrijvers dezelfde leemte hebben vermeld, worden L en X verkregen door het rekenkundig gemiddelde te nemen van de waarden L en X in de samenvattende opmeting of inventaris van die inschrijvers;
  3° in beide gevallen wordt de eenheidsprijs van de leemte verkregen door het bedrag S te delen door de overeenstemmende hoeveelheid, zoals die eventueel door de aanbestedende overheid is verbeterd;
  4° voor de berekening van de prijzen van een leemte overeenkomstig 1° en 2° kan de aanbestedende overheid geen rekening houden met de offerte waarin voor die leemtepost een abnormale prijs is geboden.
  Als geen enkele inschrijver een normale prijs heeft geboden voor die leemte, kan de aanbestedende overheid de opdracht gunnen zonder die post.
  § 5. Enkel voor de rangschikking van de offertes worden de hoeveelheden aanvaard door de aanbestedende overheid die groter zijn dan of gelijk zijn aan de hoeveelheden van de oorspronkelijke opmeting of inventaris, zonder onderscheid naar alle opmetingen of inventarissen gebracht.
  Daartegenover spelen de wijzigingen die door de aanbestedende overheid aanvaard worden en die een vermindering van de hoeveelheden tot gevolg hebben, enkel in het voordeel van de inschrijvers die ze gemeld hebben en enkel in de mate dat hun verantwoording is aanvaard. Aldus :
  1° wordt, indien de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver kleiner is dan de hoeveelheid aanvaard door de aanbestedende overheid, deze laatste hoeveelheid in de opmeting of inventaris gebracht;
  2° wordt, indien de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver ligt tussen de hoeveelheid aanvaard door de aanbestedende overheid en de hoeveelheid van de oorspronkelijke opmeting of inventaris, de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver in de opmeting of inventaris gebracht;
  3° wordt, indien de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver, groter is dan de hoeveelheid van de oorspronkelijke opmeting of inventaris, de door de inschrijver voorgestelde hoeveelheid teruggebracht tot de hoeveelheid van de oorspronkelijke opmeting of inventaris.
  § 6. Voor de toepassing van dit artikel houdt de aanbestedende overheid rekening met de verbeteringen die zijn voorgesteld in al dan niet regelmatige offertes die door geselecteerde inschrijvers zijn ingediend.

  Art. 103. § 1. Dit artikel is toepasselijk bij offerteaanvraag.
  § 2. Wanneer een inschrijver bij toepassing van artikel 88, § 2, of 89, § 2, de hoeveelheid van één of meer posten van de samenvattende opmeting of inventaris heeft verbeterd, ziet de aanbestedende overheid die wijzigingen na, verbetert ze zo nodig volgens haar eigen berekeningen en wijzigt desgevallend de bij de offertes gevoegde opmetingen of inventarissen overeenkomstig artikel 102, §§ 2 en 6, met inbegrip van het prijsgevolg bedoeld in artikel 102, § 2, tweede lid.
  § 3. Wanneer een inschrijver voor een willekeurige post van de samenvattende opmeting of inventaris geen prijs heeft vermeld, kan de aanbestedende overheid hetzij de offerte als onregelmatig weren, hetzij ze behouden door er artikel 102, §§ 3 en 6 op toe te passen.
  § 4. Telkens er in de samenvattende opmeting of inventaris een leemte is aangevuld overeenkomstig artikel 88, § 2, of 89, § 2, past de aanbestedende overheid artikel 102, §§ 4 en 6, toe.

  Art. 104. § 1. Na voorafgaand artikel 102 te hebben toegepast, gaat de aanbestedende overheid bij het prijsonderzoek over tot de controle op abnormaal lage of hoge prijzen overeenkomstig artikel 22, § 3.
  § 2. Als er bij een opdracht voor werken gegund bij aanbesteding minstens vier offertes door geselecteerde inschrijvers werden ingediend, wordt elke offerte waarvan het totale offertebedrag minstens vijftien percent ligt onder het gemiddelde bedrag van de door deze inschrijvers ingediende offertes, regelmatig of niet, beschouwd als een offerte waarvan het vermoedelijk abnormale totale offertebedrag noopt tot een onderzoek door de aanbestedende overheid.
  Het gemiddelde bedrag wordt als volgt berekend :
  1° indien het aantal offertes gelijk is aan of groter is dan zeven, door zowel de laagste offerte uit te sluiten als de hoogste offertes die samen een vierde van het aantal ingediende offertes vormen. Indien dit aantal niet deelbaar is door vier, wordt het vierde naar de hogere eenheid afgerond;
  2° indien het aantal offertes lager ligt dan zeven, door de laagste en de hoogste offerte uit te sluiten.
  In geval van een offerte waarvan het totale offertebedrag noopt tot een onderzoek, zal de aanbestedende overheid :
  1° ofwel in de gunningsbeslissing motiveren dat het totale offertebedrag geen abnormaal karakter vertoont;
  2° ofwel de inschrijver verzoeken de nodige verantwoording, zoals bepaald in artikel 22, § 3, te bezorgen. Indien na onderzoek van deze verantwoording blijkt dat het totale offertebedrag effectief abnormaal is of bij gebrek aan verantwoording binnen de opgelegde termijn, is de offerte onregelmatig.
  De opdrachtdocumenten kunnen deze paragraaf toepasselijk maken bij offerteaanvraag en bij opdrachten voor leveringen of diensten.
  § 3. Indien de offerte voor een opdracht voor werken wordt geweerd krachtens paragraaf 1 of 2, deelt de aanbestedende overheid dat binnen vijftien dagen na de sluiting van de opdracht mee aan de Commissie voor de erkenning van aannemers. Zij deelt haar bovendien de namen mee van de inschrijvers die de nodige verantwoording niet binnen de gestelde termijn hebben bezorgd.

  Afdeling 8. - Gunning opdracht

  Art. 105. § 1. Dit artikel is toepasselijk bij aanbesteding.
  § 2. In geval van verplichte of facultatieve varianten wordt de inschrijver met de laagste regelmatige offerte bepaald op grond van één enkele rangschikking van de basisoffertes en de variantenoffertes.
  In geval van verplichte opties wordt de inschrijver met de laagste regelmatige offerte bepaald op grond van de rangschikking van de offertes verhoogd met de erin geboden prijs voor het geheel van die opties.
  Indien een inschrijver in strijd met artikel 12, § 2, tweede lid, aan een vrije optie een meerprijs of een andere tegenprestatie heeft verbonden, wordt die vrije optie buiten beschouwing gelaten voor zover zulks mogelijk is. Zo niet is zijn offerte onregelmatig.
  Wanneer inschrijvers conform artikel 94, eerste lid, prijskortingen hebben aangeboden, wordt, voor om het even welk perceel, de inschrijver met de laagste regelmatige offerte bepaald rekening houdende met de kortingen die geboden zijn voor zekere gegroepeerde percelen en met de laagste prijs voor het geheel van alle percelen.
  Wanneer de aanbestedende overheid toepassing maakt van artikel 60, § 3, eerste lid, 2°, en de inschrijver met de laagste regelmatige offerte niet voldoet aan het vereiste minimale niveau voor meerdere percelen, wordt hem enkel dat aantal percelen gegund waarvoor hij wel voldoet aan dat vereiste minimale niveau, met inachtneming van de voorkeurvolgorde als bedoeld in artikel 94, tweede lid. Bij gebrek aan deze laatste houdt de aanbestedende overheid een loting tussen de percelen in kwestie.
  § 3. Wanneer verscheidene inschrijvers dezelfde laagste prijs hebben geboden, vraagt de aanbestedende overheid hen een schriftelijke prijskorting in te dienen. In dit geval zijn de artikelen 52, tweede lid, 3°, 53, § 2, 59 en 95 tot 99 toepasselijk.
  Zijn er daarna nog gelijke prijzen, dan houdt de aanbestedende overheid een loting waartoe de betrokkenen worden uitgenodigd. Van deze loting wordt een proces-verbaal opgesteld overeenkomstig artikel 98.

  Art. 106. § 1. Dit artikel is toepasselijk bij offerteaanvraag.
  § 2. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten wordt in geval van verplichte of facultatieve varianten de economisch voordeligste offerte bepaald op grond van één enkele rangschikking van de basisoffertes en de variantenoffertes volgens hun economische voordeligheid vanuit het oogpunt van de aanbestedende overheid.
  Indien vrije varianten mogen worden voorgesteld, beslist de aanbestedende overheid welke vrije varianten ze niet in aanmerking neemt. Op de andere is het vorige lid toepasselijk.
  De aanbestedende overheid neemt de verplichte opties in aanmerking en beslist welke vrije opties ze in aanmerking neemt voor de bepaling van de inschrijver met de economisch voordeligste offerte.
  Wanneer inschrijvers conform artikel 94, eerste lid, verbeteringsvoorstellen hebben gedaan, wordt, voor om het even welk perceel, de inschrijver met de economisch voordeligste regelmatige offerte bepaald, rekening houdende met de verbeteringsvoorstellen voor zekere gegroepeerde percelen en met het economisch voordeligste geheel van alle percelen.
  Wanneer de aanbestedende overheid toepassing maakt van artikel 60, § 3, eerste lid, 2°, en de inschrijver met de economisch voordeligste regelmatige offerte niet voldoet aan het vereiste minimale niveau voor meerdere percelen, wordt hem enkel dat aantal percelen gegund waarvoor hij wel voldoet aan dat vereiste minimale niveau, met inachtneming van de voorkeurvolgorde als bedoeld in artikel 94, tweede lid. Bij gebrek aan deze laatste houdt de aanbestedende overheid een loting tussen de percelen in kwestie.
  § 3. Wanneer verscheidene offertes in gelijke mate als economisch voordeligste worden beschouwd, vraagt de aanbestedende overheid de inschrijvers in kwestie een schriftelijk verbeteringsvoorstel voor hun offerte in te dienen. In dit geval zijn de artikelen 52, tweede lid, 3°, 53, § 2, 59 en 95 tot 99 toepasselijk.
  Zijn de offertes daarna nog gelijkwaardig, dan houdt de aanbestedende overheid een loting waartoe de betrokkenen worden uitgenodigd. Van deze loting wordt een proces-verbaal opgesteld overeenkomstig artikel 98.

  Afdeling 9. - Sluiting opdracht

  Art. 107. De sluiting van de opdracht gebeurt door de betekening van de goedkeuring van zijn offerte aan de opdrachtnemer en mag niet onderhevig zijn aan enig voorbehoud.
  De betekening gebeurt per aangetekende brief, per telefax of via andere elektronische middelen op voorwaarde dat in de twee laatste gevallen, de inhoud binnen vijf dagen per aangetekende brief wordt bevestigd.
  De betekening is geldig en tijdig gedaan door de verzending van de aangetekende brief of de verzending per telefax of via andere elektronische middelen binnen de eventueel verlengde verbintenistermijn bedoeld in artikel 59.

  Art. 108. Als bij aanbesteding de eventueel verlengde verbintenistermijn verstrijkt zonder dat de opdracht is gesloten en de aanbestedende overheid in dit stadium geen toepassing maakt van artikel 31 van de wet, gaat ze als volgt te werk.
  Vooraleer de opdracht te gunnen, vraagt de aanbestedende overheid schriftelijk aan de inschrijver in kwestie of hij instemt met het behoud van zijn offerte. Als die inschrijver daarmee schriftelijk en zonder voorbehoud instemt, gaat de aanbestedende overheid over tot de gunning en de sluiting van de opdracht.
  Als de inschrijver in kwestie slechts instemt met het behoud van zijn offerte mits het krijgen van een prijstoeslag, gebeurt de gunning en de sluiting van de opdracht met inbegrip van de gevraagde prijstoeslag indien de inschrijver de prijstoeslag verantwoordt op grond van omstandigheden die zich na de opening van de offertes hebben voorgedaan en de aldus verhoogde offerteprijs lager blijft dan die van de andere regelmatige offertes.
  Als de inschrijver in kwestie niet instemt met het behoud van zijn offerte of de gevraagde prijstoeslag niet gerechtvaardigd blijkt of de verhoogde offerteprijs niet de laagste blijft, richt de aanbestedende overheid zich :
  1° hetzij achtereenvolgens, volgens de rangschikking, tot de andere regelmatige inschrijvers. In dit geval zijn eveneens het tweede en derde lid toepasselijk;
  2° hetzij tot al de andere regelmatige inschrijvers met de vraag hun offerteprijs te herzien, op grond van de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht, om de opdracht vervolgens te gunnen en te sluiten in functie van de uitkomst van deze vraag. De aanbestedende overheid houdt mede rekening met de bij toepassing van het derde lid door de inschrijver in kwestie gevraagde, al dan niet verantwoorde, prijstoeslag. In dit geval zijn de artikelen 52, tweede lid, 3°, 53, § 2, 59 en hoofdstuk 6 toepasselijk.

  Art. 109. Als bij offerteaanvraag de eventueel verlengde verbintenistermijn verstrijkt zonder dat de opdracht is gesloten en de aanbestedende overheid in dit stadium geen toepassing maakt van artikel 31 van de wet, gaat ze als volgt te werk.
  Vooraleer de opdracht te gunnen, vraagt de aanbestedende overheid schriftelijk aan de inschrijver in kwestie of hij instemt met het behoud van zijn offerte. Als die inschrijver daarmee schriftelijk en zonder voorbehoud instemt, gaat de aanbestedende overheid over tot de gunning en de sluiting van de opdracht.
  Indien de inschrijver in kwestie slechts instemt met het behoud van zijn offerte mits hij een wijziging van zijn offerte krijgt, gebeurt de gunning en de sluiting van de opdracht met inbegrip van de gevraagde wijziging indien de inschrijver de wijziging verantwoordt op grond van omstandigheden die zich na de opening van de offertes hebben voorgedaan en de aldus gewijzigde offerte de economisch voordeligste blijft.
  Als de inschrijver in kwestie niet instemt met het behoud van zijn offerte of de gevraagde wijziging niet gerechtvaardigd blijkt of de gewijzigde offerte niet de economisch voordeligste blijft, richt de aanbestedende overheid zich :
  1° hetzij achtereenvolgens, volgens de rangschikking, tot de andere regelmatige inschrijvers. In dit geval zijn eveneens het tweede en derde lid toepasselijk;
  2° hetzij tot al de andere regelmatige inschrijvers met de vraag hun offerte te herzien, op grond van de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht, om de opdracht vervolgens te gunnen en te sluiten op basis van de offerte die de economisch voordeligste is geworden. De aanbestedende overheid houdt mede rekening met de bij toepassing van het derde lid door de inschrijver in kwestie gevraagde al dan niet verantwoorde wijziging. In dit geval zijn de artikelen 52, tweede lid, 3°, 53, § 2, 59 en hoofdstuk 6 toepasselijk.

  HOOFDSTUK 7. - Gunning bij onderhandelingsprocedure

  Afdeling 1. - Specifieke drempels

  Art. 110.§ 1. De goed te keuren uitgave bedoeld in artikel 25, 1°, a, van de wet mag volgende bedragen [1 niet overschrijden]1 :
  1° de drempel vermeld in artikel 33, eerste lid, 2°, voor de opdrachten voor diensten van de categorieën 12 en 14 van bijlage 1 van de wet en voor deze opgenomen in bijlage 2 van de wet;
  2° [2 het bedrag bedoeld in artikel 11, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren, voor alle andere opdrachten;]2
  3° [2 100.000 euro]2 voor elk perceel van een opdracht waarvan het geraamde opdrachtbedrag de drempel van artikel 33 niet bereikt, op voorwaarde dat het samengevoegde bedrag van deze percelen niet meer dan twintig percent van het geraamde opdrachtbedrag bedraagt;
  4° [2 30.000 euro]2 voor de opdrachten gesloten met een aanvaarde factuur, bedoeld in artikel 115, tweede lid.
  § 2. De ramingsregels bepaald in de artikelen 25 tot 28 zijn van toepassing op de gevallen van paragraaf 1. In de gevallen van paragraaf 1 gebeurt de berekening op het tijdstip van de goedkeuring van de uitgave.
  Met het oog op de toepassing van dit artikel mag een opdracht niet worden gesplitst.
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>
  (2)<KB 2018-04-15/11, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 28-04-2018>

  Afdeling 2. - Verloop en sluiting

  Art. 111.§ 1. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten, zijn niet toepasselijk op de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking :
  1° de artikelen 6, 53, 56 en 59;
  2° hoofdstuk 5.
  [1 Artikel 63, §§ 1, 2, 6° en 7°, 3 en 4, alsook de artikelen 64 en 65 zijn evenwel steeds toepasselijk op de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, behalve voor opdrachten waarvan de goed te keuren uitgave het bedrag bedoeld in artikel 110, § 1, 4° niet overschrijdt.]1
  § 2. Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten is artikel 59 niet toepasselijk op de onderhandelingsprocedure met bekendmaking.
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 45, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 112.Bij een onderhandelingsprocedure wordt de opdracht gegund, hetzij aan de inschrijver die de laagste offerte heeft ingediend, hetzij aan de inschrijver die de offerte heeft ingediend die de economisch voordeligste is vanuit het oogpunt van de aanbestedende overheid [1 , rekening houdend met de gunningscriteria die verband houden met het voorwerp van de opdracht en een objectieve vergelijking van de offertes mogelijk maken op basis van een waardeoordeel]1 . In dit laatste geval, wanneer het gaat om een opdracht die de drempel vermeld in artikel 33 bereikt, specificeert de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten de weging van elk gunningscriterium. Deze weging kan eventueel worden uitgedrukt binnen een vork met een passend verschil tussen minimum en maximum. Indien een dergelijke weging om aantoonbare redenen niet mogelijk is, worden de criteria vermeld in dalende volgorde van belangrijkheid.
  Het vorige lid is niet toepasselijk op :
  1° de opdrachten voor diensten bedoeld in bijlage 2 van de wet;
  2° de diverse gevallen van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking waarvoor slechts één aannemer, leverancier of dienstverlener kan worden geraadpleegd;
  [1 3° de opdrachten geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking met toepassing van artikel 25, 1°, a), van de wet;
   4° voor zover ze de toepasselijke drempel van artikel 33 niet bereiken, de opdrachten geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking met toepassing van artikel 25, 1°, e) en f), 3°, b) en c), en 5°, van de wet.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 46, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 113. § 1. Indien er bij een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking voor een opdracht die de drempel vermeld in artikel 33 bereikt, meerdere aannemers, leveranciers of dienstverleners worden geraadpleegd, worden ze gelijktijdig en schriftelijk uitgenodigd om een offerte in te dienen. Deze uitnodiging bevat minstens :
  1° a) hetzij de opdrachtdocumenten, hetzij het adres van de dienst waar die documenten kunnen worden opgevraagd en de uiterste datum voor deze aanvraag.
  Deze verplichting is niet van toepassing indien de aanbestedende overheid met elektronische middelen vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang biedt tot de opdrachtdocumenten. Zij vermeldt in dat geval het internetadres dat toegang biedt tot deze documenten;
  b) wanneer de afgifte van bepaalde opdrachtdocumenten betalend is, de kostprijs en de betalingswijze ervan;
  2° de uiterste datum en eventueel het tijdstip voor ontvangst van de offertes, het adres waarnaar ze moeten worden verstuurd en de taal of talen waarin ze mogen worden opgesteld;
  3° de aanduiding van de eventueel toe te voegen documenten;
  4° het gunningscriterium of de gunningscriteria voor zover ze niet zijn opgenomen in de andere opdrachtdocumenten en, al naargelang, een aanduiding van de weging van de criteria of, indien een dergelijke weging om aantoonbare redenen niet mogelijk is, van hun dalende volgorde van belangrijkheid.
  § 2. De vorige paragraaf is niet toepasselijk op de opdrachten voor diensten bedoeld in bijlage 2 van de wet.

  Art. 114. § 1. Dit artikel is van toepassing in geval van onderhandelingsprocedure met bekendmaking voor een opdracht voor werken, leveringen of diensten van bijlage 2 van de wet die de drempel vermeld in artikel 33 bereikt.
  § 2. De aanbestedende overheid onderhandelt met de inschrijvers over de door hen ingediende offertes, om die aan te passen aan de eisen die zij in de opdrachtdocumenten heeft vermeld en om de beste offerte te kiezen.
  Tijdens de onderhandelingen waarborgt de aanbestedende overheid de gelijke behandeling van alle inschrijvers. Met name geeft zij geen discriminerende informatie die sommige inschrijvers kan bevoordelen tegenover andere.
  § 3. De aanbestedende overheid kan bepalen dat de onderhandelingsprocedure in opeenvolgende fases verloopt, teneinde het aantal offertes waarover onderhandeld moet worden, te verminderen door toepassing van de gunningscriteria die in de opdrachtdocumenten zijn vermeld. Het gebruik van deze mogelijkheid wordt vermeld in de opdrachtdocumenten. In de slotfase moet het verminderde aantal zodanig zijn dat een daadwerkelijke mededinging kan worden gewaarborgd, voor zover er een voldoende aantal geschikte offertes is.

  Art. 115. Een opdracht geplaatst via onderhandelingsprocedure wordt gesloten :
  1° ofwel op grond van briefwisseling volgens handelsgebruiken, in geval van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking;
  2° ofwel door de betekening aan de opdrachtnemer van de goedkeuring van zijn offerte zoals eventueel gewijzigd na onderhandelingen;
  3° ofwel door de ondertekening van een overeenkomst door de partijen.
  Voor de opdrachten die worden gesloten met een aanvaarde factuur, geldt deze factuur als bewijs van de sluiting.

  HOOFDSTUK 8. - Gunning bij concurrentiedialoog

  Art. 116.§ 1. Bij concurrentiedialoog maakt de aanbestedende overheid een aankondiging van opdracht bekend overeenkomstig het model opgenomen in de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011 en stelt ze een beschrijvend document op. Ze vermeldt in de aankondiging van opdracht de eisen inzake selectie overeenkomstig artikel 60, § 1. Daarnaast bepaalt ze in de aankondiging van opdracht of in het beschrijvend document haar behoeften en eisen, alsook de gunningscriteria. [1 Deze gunningscriteria moeten verband houden met het voorwerp van de opdracht en een objectieve vergelijking van de offertes mogelijk maken op basis van een waardeoordeel.]1
  § 2. Voor de opdrachten die de drempel vermeld in artikel 33 bereiken, specificeert de aanbestedende overheid de weging van elk gunningscriterium, die eventueel kan worden uitgedrukt binnen een vork met een passend verschil tussen minimum en maximum. Indien een dergelijke weging om aantoonbare redenen niet mogelijk is, worden de criteria vermeld in dalende volgorde van belangrijkheid.
  Voor de opdrachten die de vermelde drempel niet bereiken, evenals voor de opdrachten voor diensten van bijlage 2 van de wet, specificeert de aanbestedende overheid ofwel de weging van de gunningscriteria als bedoeld in het vorige lid, ofwel de dalende volgorde van belangrijkheid ervan. Zo niet hebben de gunningscriteria dezelfde waarde.
  § 3. De aanbestedende overheid kan bepalen dat de dialoog in opeenvolgende fases verloopt, teneinde het aantal te bespreken oplossingen te verminderen op basis van de gunningscriteria die in de aankondiging van opdracht of in het beschrijvend document zijn vermeld. Het gebruik van deze mogelijkheid wordt vermeld in de opdrachtdocumenten. In de slotfase moet het verminderde aantal zodanig zijn dat een daadwerkelijke mededinging kan worden gewaarborgd, voor zover er een voldoende aantal geschikte oplossingen is.
  § 4. De essentiële elementen van de aankondiging en het beschrijvend document kunnen in de loop van de gunningsprocedure niet worden gewijzigd, wanneer dit de mededinging kan verstoren of een discriminerend effect kan hebben.
  ----------
  (1)<KB 2014-02-07/10, art. 47, 004; Inwerkingtreding : 03-03-2014>

  Art. 117. Na ontvangst van de aanvragen tot deelneming gaat de aanbestedende overheid over tot de selectie van de kandidaten die tot de dialoog worden toegelaten.
  De geselecteerden worden gelijktijdig en schriftelijk uitgenodigd om deel te nemen aan de dialoog.
  De uitnodiging tot deelname aan de dialoog bevat minstens :
  1° a) hetzij het beschrijvend document, hetzij het adres van de dienst waar dat document kan worden opgevraagd en de uiterste datum voor deze aanvraag.
  Deze verplichting is niet van toepassing indien de aanbestedende overheid met elektronische middelen vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang biedt tot dat document. Zij vermeldt in dat geval het internetadres dat toegang biedt tot dat document;
  b) wanneer de afgifte van dat document betalend is, de kostprijs en de betalingswijze ervan;
  2° een verwijzing naar de bekendgemaakte aankondiging;
  3° de aanvangsdatum en het adres van de raadpleging, alsook de daarbij gebruikte taal of talen.

  Art. 118. § 1. De aanbestedende overheid start een dialoog op met de geselecteerden, met het doel na te gaan en te bepalen welke middelen geschikt zijn om zo goed mogelijk aan haar behoeften te voldoen. Ze verschaft de deelnemers een voldoende termijn om de dialoog voor te bereiden.
  De dialoog gebeurt met elke deelnemer afzonderlijk.
  Tijdens de dialoog kan de aanbestedende overheid met de deelnemers alle aspecten van de opdracht bespreken. Ze waarborgt daarbij de gelijke behandeling van alle deelnemers. In het bijzonder mag ze geen discriminerende informatie verstrekken die bepaalde deelnemers kan bevoordelen. Ze mag evenmin de voorgestelde oplossingen of andere door een deelnemer verstrekte vertrouwelijke inlichtingen aan de andere deelnemers bekendmaken zonder de instemming van eerstgenoemde, zowel tijdens als na afloop van de procedure.
  § 2. De aanbestedende overheid zet de dialoog voort totdat zij, na vergelijking en op grond van de gunningscriteria, kan bepalen welke oplossing of oplossingen aan haar behoeften en eisen kan of kunnen voldoen. Ze sluit de dialoog.

  Art. 119. § 1. De aanbestedende overheid nodigt gelijktijdig en schriftelijk iedere deelnemer waarvan één of meer oplossingen zijn gekozen, om voor één of meer van zijn gekozen oplossingen een eindofferte in te dienen.
  Indien de deelnemers in kwestie ermee instemmen, als bedoeld in artikel 118, § 1, derde lid, laatste zin, kunnen de deelnemers van wie oplossingen zijn gekozen, verzocht worden één of meer eindoffertes in te dienen op basis van één of meer gemeenschappelijke oplossingen.
  Artikel 52, tweede en derde lid, is toepasselijk op de uitnodiging bedoeld in het eerste lid.
  De aanbestedende overheid vermeldt in haar uitnodiging de voorwaarden die van toepassing zijn tijdens de uitvoering van de opdracht. De offertes bevatten alle vereiste en noodzakelijke elementen voor de uitvoering van de opdracht.
  § 2. De aanbestedende overheid beoordeelt de ontvangen eindoffertes op basis van de gunningscriteria en kiest de offerte die vanuit haar oogpunt de economisch voordeligste is.
  De aanbestedende overheid kan de deelnemers verzoeken de eindoffertes toe te lichten of te verduidelijken. Deze toelichtende of verduidelijkende gegevens mogen de inhoud van de offerte en het beschrijvend document niet wijzigen, wanneer dit de mededinging kan verstoren of een discriminerend effect kan hebben.
  § 3. De opdracht wordt gesloten door de ondertekening van een overeenkomst tussen de partijen.
  § 4. De aanbestedende overheid kan voorzien in vergoedingen voor de deelnemers aan de dialoog volgens de voorschriften vermeld in het beschrijvend document.

  HOOFDSTUK 9. - Specifieke en aanvullende opdrachten en procedures

  Afdeling 1. - Promotieopdracht van werken

  Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 120. De promotieopdracht van werken voorziet :
  1° ofwel in het huren van het bouwwerk;
  2° ofwel in het huren van het bouwwerk met aankoopoptie op termijn;
  3° ofwel in het huren van het bouwwerk gevolgd door een eigendomsoverdracht op termijn;
  4° ofwel in de verwerving van het bouwwerk vanaf zijn terbeschikkingstelling;
  5° ofwel in het toekennen of in het nemen van een erfpachtrecht of een recht van opstal met het oog op de bouw of de inrichting van het bouwwerk.

  Art. 121. Bij het huren van een bestaand bouwwerk, worden de volgende werken noch als een promotieopdracht van werken, noch als een andere opdracht voor werken beschouwd, indien de verhuurder ze uitvoert :
  1° de inrichtingswerken waarmee doorgaans de verhuurder is belast;
  2° de grote herstellingen die niet voldoen aan de vastgestelde behoeften van de aanbestedende overheid;
  3° de specifieke herinrichting die voldoet aan de vastgestelde behoeften van de aanbestedende overheid wanneer hun waarde gerekend over de hele huurperiode minder bedraagt dan 5 % van de totale huurwaarde zonder indexering.
  Dit artikel is niet van toepassing wanneer de verhuurder zelf een aanbestedende overheid is.

  Art. 122. De promotor voldoet aan de door de aanbestedende overheid bepaalde eisen inzake selectie, overeenkomstig artikel 60, § 1.

  Onderafdeling 2. - Opdrachtdocumenten

  Art. 123. De opdrachtdocumenten vermelden ondermeer :
  1° de termijn of termijnen vastgesteld voor de gehele of gedeeltelijke terbeschikkingstelling van het bouwwerk door de promotor;
  2° de betalingsregels en de formule voor de herziening van de annuïteiten of de huurprijs;
  3° de formule voor het vaststellen van de te betalen prijs in geval van lichting van de aankoopoptie; bij ontstentenis van een dergelijke formule in de opdrachtdocumenten, is de volgende formule van toepassing :
  1 x 0,80 RH x (1-0,025 n) x 1,03
  i
  waarin :
  i = de wettelijke rentevoet;
  RH = de huurprijs, in voorkomend geval de volgens de opdrachtdocumenten herziene huurprijs, die verschuldigd is gedurende het jaar dat aan de lichting van de optie voorafgaat;
  n = het aantal volle jaren verlopen tussen de datum van de beschikbaarstelling van het bouwwerk en de lichting van de aankoopoptie.

  Art. 124. De opdrachtdocumenten vermelden de rechten die iedere partij heeft op de gronden die dienen als zate voor het bouwwerk en in voorkomend geval het recht van opstal of het recht van erfpacht dat de aanbestedende overheid aan de promotor toekent, alsmede de voorwaarden waaraan die toekenning is onderworpen en de termijn waarbinnen de authentieke akte van toekenning zal worden verleden.
  Wanneer de aanbestedende overheid een recht van opstal toekent, geniet de promotor evenwel niet de rechten welke vermeld zijn in de artikelen 5 en 6 van de wet van 10 januari 1824 op het recht van opstal.

  Art. 125. Indien het bouwwerk opgericht wordt ter voldoening van de behoeften van de aanbestedende overheid op gronden waarvan zij eigenaar of erfpachter is, bepalen de opdrachtdocumenten de voorwaarden waaronder de eventuele eigendomsoverdracht van dit bouwwerk aan de promotor geschiedt.
  De zakelijke rechten die de aanbestedende overheid desgevallend aan de promotor zal toekennen, worden nader omschreven in een document dat bij de opdrachtdocumenten is gevoegd.
  Deze toekenning wordt vastgesteld in een authentieke akte die binnen de in de opdrachtdocumenten bepaalde termijn en uiterlijk binnen vier maanden na de sluiting van de opdracht wordt verleden.

  Art. 126. Indien het bouwwerk opgericht wordt ter voldoening van de behoeften van derden doch op gronden waarvan de aanbestedende overheid eigenaar of erfpachter is, bepalen de opdrachtdocumenten de voorwaarden van verkoop of van verhuring, alsmede de voorwaarden waaraan de derden moeten voldoen. Indien de aanbestedende overheid zich het recht toeëigent zelf de derden aan te wijzen, bepalen de opdrachtdocumenten de termijn waarbinnen die aanwijzing zal geschieden.

  Art. 127. Indien de promotor eigenaar of erfpachter is van de bouwgrond, bepalen de opdrachtdocumenten de voorwaarden waaronder de aanbestedende overheid kan beschikken over de bouwgrond en het bouwwerk :
  1° hetzij het huren;
  2° hetzij het huren voor een periode bepaald in de opdrachtdocumenten met aankoopoptie op termijn;
  3° hetzij het huren, gevolgd door een eigendomsoverdracht op termijn, zoals bepaald in de opdrachtdocumenten. In dit geval wordt de spreiding van de betalingen vermeld;
  4° hetzij de eigendomsverwerving vanaf de terbeschikkingstelling van het werk; vanaf dat ogenblik worden ofwel de betalingen gespreid over een periode die bepaald is in de opdrachtdocumenten, ofwel de betaling in één maal gestort;
  5° hetzij het in erfpacht nemen; in dat geval worden de betalingsregels in de opdrachtdocumenten vermeld.

  Art. 128. Als er een eigendomsoverdracht of een aankoopoptie ten gunste van de aanbestedende overheid is bepaald en onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende de voorrechten en de wettelijke hypotheken, voorzien de opdrachtdocumenten erin dat het bouwwerk en in voorkomend geval de bouwgrond, noch met een conventionele hypotheek, noch met een conventionele erfdienstbaarheid mogen worden bezwaard zonder het schriftelijke en voorafgaande akkoord van de aanbestedende overheid.
  De opdrachtdocumenten bepalen eveneens dat de eigendomsoverdracht van het bouwwerk en in voorkomend geval van de bouwgrond, vrij van alle zakelijke en persoonlijke rechten geschiedt en zonder dat de aanbestedende overheid tot een andere betaling verplicht is dan er in de opdrachtdocumenten bedongen is.

  Art. 129. Voor zover de eigendomsoverdracht aan de aanbestedende overheid niet heeft plaatsgehad, kunnen de opdrachtdocumenten voorzien in het recht voor de aanbestedende overheid om de opdracht van rechtswege te verbreken wanneer het bouwwerk tijdens de duur van de opdracht geheel of gedeeltelijk wordt vernield buiten iedere verantwoordelijkheid van de aanbestedende overheid en indien de promotor weigert het op eigen kosten te herstellen.

  Afdeling 2. - Elektronische veiling

  Art. 130. De elektronische veiling kan worden aangewend in de gevallen bedoeld in artikel 29 van de wet, op voorwaarde dat de prijs het enige gunningscriterium is.

  Art. 131. Om gebruik te kunnen maken van een elektronische veiling, vermeldt de aanbestedende overheid deze mogelijkheid in de initiële aankondiging van opdracht.
  De opdrachtdocumenten bevatten onder andere de volgende informatie :
  1° de informatie die tijdens de elektronische veiling ter beschikking van de inschrijvers zal worden gesteld en het tijdstip waarop;
  2° relevante informatie betreffende het verloop van de elektronische veiling;
  3° de voorwaarden waaronder de inschrijvers een bod kunnen doen en met name de vereiste minimumverschillen die in voorkomend geval voor de biedingen vereist zijn;
  4° relevante informatie betreffende het gebruikte elektronisch systeem en de nadere technische bepalingen en specificaties voor de verbinding.

  Art. 132. Alvorens over te gaan tot de elektronische veiling doet de aanbestedende overheid een eerste volledige beoordeling van de ingediende offertes.
  Alle inschrijvers die voldoen aan de door de aanbestedende overheid bepaalde eisen inzake selectie overeenkomstig artikel 60, § 1, en die een regelmatige offerte hebben ingediend, worden tegelijkertijd via elektronische middelen uitgenodigd om nieuwe prijzen in te dienen.
  De uitnodiging bevat eventueel aangepaste informatie voor de individuele verbinding met het gebruikte elektronisch systeem. Ze preciseert de datum en het aanvangsuur van de elektronische veiling evenals, in voorkomend geval, de opeenvolgende fases en hun tijdschema en afsluitingswijze.
  De elektronische veiling kan pas beginnen na het verstrijken van een termijn van minstens vijf dagen vanaf de datum van verzending van de uitnodiging.

  Art. 133. § 1. In afwijking van artikel 54, § 1, worden de biedingen niet elektronisch ondertekend, maar is de inschrijver erdoor gebonden indien ze worden ingediend op de wijze bepaald in de opdrachtdocumenten en eventueel de uitnodiging.
  § 2. Tijdens de duur van de veiling en elke fase ervan deelt de aanbestedende overheid ogenblikkelijk aan alle inschrijvers ten minste de informatie mee die hen de mogelijkheid biedt op elk moment hun rangschikking te kennen. De aanbestedende overheid kan ook informatie betreffende de prijzen van de andere inschrijvers meedelen indien dat in de opdrachtdocumenten is vermeld. Ze kan tevens op ieder ogenblik meedelen hoeveel inschrijvers aan de fase van de veiling deelnemen, maar in geen geval hun identiteit bekendmaken.
  Noch gedurende de veiling, noch na afloop ervan, kan de inschrijver zijn laatste bod intrekken.

  Art. 134. De aanbestedende overheid kiest één of meer van de onderstaande wijzen om de elektronische veiling af te sluiten :
  1° op de datum en het uur vermeld in de uitnodiging om deel te nemen aan de veiling;
  2° wanneer er geen nieuwe prijzen meer worden ontvangen die beantwoorden aan de vereiste minimumverschillen. In dit geval preciseert de aanbestedende overheid in de uitnodiging om deel te nemen aan de veiling de termijn die ze na ontvangst van de laatste bieding in acht zal nemen alvorens de veiling af te sluiten;
  3° wanneer alle fases van de veiling die in de uitnodiging om deel te nemen aan de veiling zijn vermeld, afgehandeld zijn.

  Art. 135. Na de sluiting van de elektronische veiling gunt de aanbestedende overheid de opdracht op basis van het resultaat van de veiling.
  Wanneer meerdere inschrijvers dezelfde laagste prijs hebben geboden, gaat de aanbestedende overheid bij aanbesteding over tot een elektronische loting. Bij onderhandelingsprocedure kiest zij in dat geval tussen een elektronische loting of een laatste onderhandeling over de prijs.
  Wanneer meerdere inschrijvers offertes hebben ingediend die als gelijkwaardig worden beschouwd, houdt de aanbestedende overheid bij offerteaanvraag ofwel een elektronische loting, ofwel vraagt zij de betrokken inschrijvers een verbeteringsvoorstel voor hun offerte in te dienen. Bij onderhandelingsprocedure kiest de aanbestedende overheid tussen een elektronische loting of een laatste onderhandeling over de offertes.

  Afdeling 3. - Raamovereenkomst

  Art. 136. § 1. De aanbestedende overheid kan een raamovereenkomst plaatsen via aanbesteding, offerteaanvraag of onderhandelingsprocedure met bekendmaking of, indien geoorloofd, via onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking.
  Ze vermeldt in de aankondiging van opdracht of ze de raamovereenkomst beoogt te sluiten met één of meerdere deelnemers.
  § 2. Wanneer de aanbestedende overheid, overeenkomstig artikel 30, vierde lid, van de wet, voor de raamovereenkomst voorziet in een looptijd van meer dan zeven jaar, geeft ze hiervoor een afdoende en uitdrukkelijke motivering in de aankondiging van gegunde opdracht als bedoeld in artikel 39.

  Art. 137. Als er een raamovereenkomst is gesloten met één enkele deelnemer, worden de erop gebaseerde opdrachten aan hem gegund volgens de erin gestelde voorwaarden.
  De aanbestedende overheid kan de deelnemer aan de raamovereenkomst indien nodig schriftelijk raadplegen om hem te verzoeken zijn offerte aan te vullen.

  Art. 138. Als er een raamovereenkomst wordt gesloten met meerdere deelnemers, dienen er minimaal drie te zijn, voor zover er zoveel deelnemers zijn die aan de selectiecriteria voldoen of die een geschikte offerte hebben ingediend.
  De op deze raamovereenkomst gebaseerde opdrachten worden gegund :
  1° hetzij, wanneer alle voorwaarden in de raamovereenkomst zijn bepaald, door toepassing van deze voorwaarden, zonder de deelnemers opnieuw in mededinging te stellen;
  2° hetzij, wanneer niet alle voorwaarden in de raamovereenkomst zijn bepaald, door de deelnemers opnieuw in mededinging te stellen onder dezelfde voorwaarden als die van de raamovereenkomst, die indien nodig worden gepreciseerd en, in voorkomend geval, onder andere voorwaarden die in de opdrachtdocumenten van de raamovereenkomst worden bepaald, volgens de onderstaande procedure :
  a) voor elke opdracht raadpleegt de aanbestedende overheid schriftelijk de deelnemers die in staat zijn de opdracht uit te voeren;
  b) de aanbestedende overheid stelt een voldoende lange termijn vast voor de ontvangst van de offertes voor elke specifieke opdracht, rekening houdend met elementen zoals de complexiteit van het voorwerp van de opdracht en de benodigde tijd voor de toezending van de offertes;
  c) de offertes worden schriftelijk ingediend en mogen met het oog op de vertrouwelijkheid slechts worden geopend bij het verstrijken van de vastgestelde ontvangsttermijn;
  d) de aanbestedende overheid gunt elke opdracht aan de inschrijver die de, al naargelang, laagste of economisch voordeligste offerte heeft ingediend.

  Afdeling 4. - Werkenwedstrijd

  Art. 139. § 1. Wanneer de opdracht voor werken zowel slaat op het opmaken van een ontwerp als op de uitvoering ervan, kan worden overgegaan tot een werkenwedstrijd waarbij een jury de offertes beoordeelt. De opdracht wordt door de aanbestedende overheid gegund op advies van de jury.
  § 2. De opdrachtdocumenten bepalen :
  1° de samenstelling en de wijze van optreden van de jury. De jury bestaat uit minimum vijf leden van wie ten minste één niet behoort tot de aanbestedende overheid. De leden van de jury zijn onafhankelijk van de deelnemers aan de wedstrijd. Het louter deel uitmaken van de jury houdt een verklaring in deze zin in;
  2° de gunningscriteria die de jury als basis zal nemen voor de beoordeling van de offertes;
  3° het eventueel toekennen van prijzengeld voor de best gerangschikte offertes of van vergoedingen voor de deelnemers. Het prijzengeld wordt door de aanbestedende overheid toegekend met verplicht behoud van de door de jury opgestelde rangschikking. De aanbestedende overheid kan het prijzengeld of de vergoedingen ook geheel of gedeeltelijk niet toekennen indien ze oordeelt dat de offertes niet voldoen;
  4° nauwkeurig de respectieve rechten van de aanbestedende overheid en de inschrijvers inzake de eigendom en het gebruik van de ontwerpen.
  § 3. De aanvraag tot deelneming of de offerte maakt duidelijk melding van de natuurlijke of rechtspersonen die als ontwerpers instaan voor de opmaak van het ontwerp en de opvolging van de uitvoering ervan.

  HOOFDSTUK 10. - Regels toepasselijk op de opdrachten in onderaanneming

  Afdeling 1. - Opdrachten in onderaanneming gegund door inschrijvers en opdrachtnemers die geen aanbestedende overheden zijn

  Art. 140. Overeenkomstig artikel 37, § 2, eerste lid, 2°, van de wet kan de aanbestedende overheid de opdrachtnemer in de aankondiging van opdracht verplichten de bepalingen van dit artikel alsook die van de artikelen 142 tot 146 toe te passen op alle of bepaalde opdrachten in onderaanneming die hij van plan is aan derde partijen te gunnen.
  In dat geval maakt de opdrachtnemer aan de hand van een aankondiging van opdracht in onderaanneming zijn voornemen kenbaar om een opdracht in onderaanneming te gunnen die de in artikel 33 bepaalde Europese drempel bereikt.
  Deze aankondiging wordt opgesteld overeenkomstig het model in de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011 en wordt bekendgemaakt volgens de modaliteiten van de artikelen 30, § 1, eerste en tweede lid, § 2, eerste en tweede lid, en § 3, en artikel 32.
  Naast de in het model van aankondiging vermelde informatie omvat de bekendmaking alle nuttig geachte inlichtingen, waarbij desgevallend de voorafgaande goedkeuring van de aanbestedende overheid vereist is.
  Zolang de bekendmaking van de in deze afdeling bedoelde aankondiging niet tegelijk kosteloos kan gebeuren in het Publicatieblad van de Europese Unie en het Bulletin der Aanbestedingen door een online invoering door elektronische gegevensopvang of door gegevensoverdracht tussen systemen die een automatische en gestructureerde bekendmaking mogelijk maken conform het daartoe bestemde model van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011, kan worden volstaan met de bekendmaking van de bedoelde aankondiging in het Publicatieblad van de Europese Unie door gebruik te maken van het toepasselijke model dat op de webapplicatie eNotices van de Europese Unie beschikbaar is voor een online bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
  Indien de opdracht in onderaanneming aan de voorwaarden van artikel 25 van de wet voldoet wat de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking betreft, is een aankondiging van een opdracht in onderaanneming niet vereist.

  Art. 141. Overeenkomstig artikel 37, § 2, eerste lid, 1°, a), van de wet kan de aanbestedende overheid in de aankondiging van opdracht bepalen dat delen van de opdracht aan derden moeten worden uitbesteed. Daartoe vermeldt ze in de vorm van een vork het minimum- en maximumpercentage van de uit te besteden delen. Het maximumpercentage mag niet hoger liggen dan 30 % van de waarde van de opdracht. Deze vork staat in verhouding tot het voorwerp en de waarde van de opdracht, alsook tot de aard van de industriële sector in kwestie, met name het mededingingspeil op de betrokken markt en de desbetreffende technische capaciteiten van de industriële basis.
  Elk percentage onderaanneming, binnen de aangegeven vork, wordt geacht te voldoen aan de onderaannemingsvereiste in dit artikel. De inschrijvers mogen voorstellen om een deel van de totale waarde uit te besteden dat boven de door de opdrachtdocumenten aangegeven vork ligt.
  De aanbestedende overheid kan de inschrijvers in de aankondiging van opdracht tevens verzoeken te specificeren welk deel of delen van hun offerte ze van plan zijn uit te besteden bovenop het vereiste percentage, alsmede welke onderaannemers ze al hebben gekozen.

  Art. 142. De geselecteerde inschrijver gunt opdrachten in onderaanneming ter waarde van het percentage dat de aanbestedende overheid hem verplicht uit te besteden overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. De aankondiging van opdracht bevat daartoe een vermelding.

  Art. 143. Elke weigering door de aanbestedende overheid van onderaannemers geselecteerd door de inschrijvers in de gunningsfase van de opdracht, of door de opdrachtnemer, mag alleen gebaseerd zijn op de criteria die worden toegepast voor de selectie van de kandidaten of inschrijvers voor de hoofdopdracht. De aankondiging van opdracht bevat daartoe een vermelding.

  Art. 144. De opdrachtnemer kan ook voldoen aan de vereiste inzake onderaanneming met toepassing van artikel 140, eerste lid, door opdrachten in onderaanneming te gunnen op basis van een raamovereenkomst die wordt gesloten overeenkomstig de regels in de artikelen 140, 145 en 146.
  Opdrachten in onderaanneming die op een dergelijke raamovereenkomst zijn gebaseerd, worden gegund binnen de perken van de voorwaarden waarin de raamovereenkomst voorziet. Zij kunnen alleen worden gegund aan aannemers, leveranciers of dienstverleners die oorspronkelijk partij bij de raamovereenkomst waren. Bij de gunning van opdrachten stellen de partijen in elk geval voorwaarden voor die stroken met die van de raamovereenkomst.
  De looptijd van een raamovereenkomst mag niet langer zijn dan zeven jaar, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, voor de vaststelling waarbij rekening wordt gehouden met de verwachte levensduur van alle geleverde objecten, installaties en systemen, en met de technische moeilijkheden die een verandering van aannemer, leverancier of dienstverlener kan veroorzaken.
  Er mag geen misbruik worden gemaakt van raamovereenkomsten noch mag er gebruik worden gemaakt op een wijze die de mededinging zou verhinderen, beperken of vervalsen.

  Art. 145. In de aankondiging van de opdracht in onderaanneming geeft de opdrachtnemer de kwalitatieve selectiecriteria aan die door de aanbestedende overheid zijn opgelegd, alsmede de andere criteria die hij voor de kwalitatieve selectie van onderaannemers zal toepassen. Al deze criteria zijn objectief en niet-discriminerend en stroken met de criteria die de aanbestedende overheid hanteert voor de selectie van de inschrijvers voor de opdracht. De bekwaamheden die worden vereist, moeten rechtstreeks verband houden met het voorwerp van de opdracht in onderaanneming en de minimale eisen inzake financiële draagkracht en technische bekwaamheid moeten in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht.
  De opdrachtnemer is niet verplicht opdrachten in onderaanneming te gunnen, als hij tot voldoening van de aanbestedende overheid bewijst dat geen van de onderaannemers die aan de procedure deelnemen of de offertes die zij indienen, voldoen aan de criteria in de aankondiging van de opdracht in onderaanneming en zo zouden verhinderen dat hij aan de eisen in de opdracht voldoet.

  Art. 146. De inschrijvers en de opdrachtnemer handelen op transparante wijze en behandelen potentiële onderaannemers op gelijke en niet-discriminerende wijze.
  De principes van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie inzake transparantie en mededinging zijn van toepassing voor de gunning van de opdrachten in onderaanneming die de in artikel 33 vermelde Europese drempel niet bereiken.

  Art. 147. Wanneer de inschrijver zich beroept op artikel 37, § 2, tweede lid, van de wet, voegt hij bij zijn offerte een volledige lijst van de ondernemingen waarmee hij een combinatie vormt of waarmee hij verbonden is. Deze lijst wordt bijgewerkt naargelang van wijzigingen in de bindingen tussen de ondernemingen.

  Afdeling 2. - Opdrachten in onderaanneming die worden gegund door inschrijvers en opdrachtnemers die aanbestedende overheden zijn

  Art. 148. Als de inschrijvers of de opdrachtnemer een aanbestedende overheid zijn, leven ze bij de plaatsing van opdrachten in onderaanneming de bepalingen betreffende hoofdopdrachten in de hoofdstukken 1 tot 9 na.

  Afdeling 3. - Aansprakelijkheid van de inschrijver en van de opdrachtnemer

  Art. 149. De artikelen 140 tot 146 laten de vraag naar de aansprakelijkheid van de inschrijver en van de opdrachtnemer onverlet.

  HOOFDSTUK 11. - Algemene uitvoeringsregels

  Art. 150.In uitvoering van artikel 35 van de wet is het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken toepasselijk op de overheidsopdrachten onderworpen aan dit besluit, met uitzondering van :
  1° wat betreft het koninklijk besluit : de artikelen 11, 12, eerste en derde lid, 13, §§ 1 en 2, 14, eerste lid, 15, eerste lid, 16 en 17, eerste lid;
  2° wat betreft de Algemene aannemingsvoorwaarden, zijnde de bijlage van het koninklijk besluit : de artikelen 12, § 4, 13, §§ 1 en 2, 14, § 1, 19, § 1, laatste lid, 24, §§ 1 en 3, 25, § 1, tweede lid, 49 en 67.
  [1 In de mate dat de bijzondere eisen van een welbepaalde opdracht geplaatst in het kader van de concurrentiedialoog dit noodzakelijk zouden maken, kan mits gemotiveerde beslissing evenwel worden afgeweken van de bepalingen van het voormelde besluit van 26 september 1996, voor zover die afwijking niet in strijd is met de dwingende regels die voortvloeien uit het Europees recht.]1
  ----------
  (1)<KB 2012-01-24/01, art. 21, 002; Inwerkingtreding : 06-02-2012>

  HOOFDSTUK 12. - Opdrachten geplaatst door aanbestedende entiteiten

  Art. 151. Wanneer ze opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied plaatsen die onder het toepassingsgebied van titel 3 van de wet vallen, waarborgen de aanbestedende entiteiten alsook de aanbestedende overheden en de overheidsbedrijven bedoeld respectievelijk in artikel 2, 1° tot 3°, van de wet, juncto artikel 72 van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten de gelijke behandeling van alle kandidaten en inschrijvers.
  De bedoelde opdrachten van die aanbestedende entiteiten, aanbestedende overheden en overheidsbedrijven zijn onderworpen aan de toepassing van de artikelen 2, 1°, 3° en 13° tot 19°, 3 tot 10, 11, § 3, 13, 15, 22, § 3, tweede tot zesde lid, 25 tot 29, 30, § 1, eerste en tweede lid, § 2, eerste en derde lid, en § 3, 31 tot 33, 34, eerste lid, 35 tot 39, 43, 45, 47, 48, 52, 53, 54, §§ 1 en 2, 60, met uitzondering van § 1, eerste lid, 2°, derde zin, 61, 63, 67 tot 71, 73 tot 76, 78 tot 84, 112, 116 tot 119, 130 tot 138, 140 tot 147, 149, 152 tot 154 van dit besluit.
  Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten zijn de artikelen 5, 53 en 54 niet toepasselijk op de opdrachten geplaatst via onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking.

  Art. 152. In geval van toepassing van artikel 25, 1°, d, van de wet mogen enkel de inschrijvers worden geraadpleegd die een offerte hebben ingediend die aan de daarin vermelde eisen en voorwaarden voldoen.

  HOOFDSTUK 13. - Slotbepalingen

  Art. 153. Indien de Eerste Minister of de Minister bevoegd voor Economie daarom verzoekt, worden alle nodige statistische en andere gegevens met betrekking tot gegunde opdrachten, die onder de toepassing van de wet en dit besluit vallen, aan hen meegedeeld volgens de nadere regels die zij in overleg met de gewestelijke overheden bepalen.

  Art. 154. De aanbestedende overheid bewaart alle documenten betreffende de gunning van de opdracht ten minste gedurende tien jaar vanaf de gunningsdatum of, eventueel, vanaf de datum waarop werd afgezien van het gunnen van de opdracht.
  De volgende informatie mag op een elektronische drager worden bewaard :
  1° een schriftelijk stuk dat is opgesteld met elektronische middelen conform artikel 54, § 1;
  2° een schriftelijk stuk dat niet is opgesteld met elektronische middelen conform artikel 54, § 1, en geen verplichte handtekening noch paraaf bevat;
  3° de gegevens betreffende het verloop van de elektronische veiling of een andere elektronisch gevoerde gunningsprocedure.
  De toepassing van dit artikel doet geen afbreuk aan de naleving van een langere bewaartermijn opgelegd ingevolge regels die verband houden met bepaalde soorten opdrachten of door andere bijzondere bepalingen.

  Art. 155. Dit besluit treedt in werking op de datum van de inwerkingtreding van de wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied van 13 augustus 2011.

  Art. 156. De Eerste Minister, de Minister bevoegd voor Economie, de Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken, de Minister bevoegd voor Landsverdediging en de Minister bevoegd voor Administratieve Vereenvoudiging zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 1. - Nuts code
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 01-02-2012, p. 7736-7737)

  Art. N2. Bijlage 2. - Model bankverklaring
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 01-02-2012, p. 7738)

  Art. N3.Bijlage 3. - Beroeps- of handelsegisters
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 01-02-2012, p. 7739-7744)
  
  GEWIJZIGD BIJ :
  <KB 2014-02-07/10, art. 48, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2013>

  Art. N4. Bijlage 4. - Aankondiging van opdracht voor de open procedure
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 01-02-2012, p. 7745-7750)

  Art. N5. Bijlage 5. - Aankondiging betreffende opstellen van een lijst van geselecteerden
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 01-02-2012, p. 7751-7756)

  Art. N6. Bijlage 6. - Aankondiging betreffende het instellen van een kwalificatiesysteem
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 01-02-2012, p. 7757-7761)
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 23 januari 2012.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
E. DI RUPO
De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie, Consumenten en Noordzee,
J. VANDE LANOTTE
De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen,
Mevr. J. MILQUET
De Minister van Landsverdediging,
P. DE CREM
De Minister van Begroting en Administratieve Vereenvoudiging,
O. CHASTEL

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de Grondwet, artikel 108,
   Gelet op de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, de artikelen 3, 8°, 7, § 1, derde lid, 8, tweede lid, 11, 19, 20, 22, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 35, 37, 38, 39, 40 en 46, § 1, eerste lid, en § 2;
   Gelet op het advies van de Commissie voor de overheidsopdrachten, gegeven op 30 mei 2011;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 23 juni 2011;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 18 juli 2011;
   Gelet op het advies 50.137/1/V van de Raad van State, gegeven op 29 augustus 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Eerste Minister en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • MINISTERIEEL BESLUIT VAN 20-12-2019 GEPUBL. OP 24-12-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 33)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-09-2018 GEPUBL. OP 10-10-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 54; 87; 97)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-04-2018 GEPUBL. OP 27-04-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 110)
  • originele versie
  • MINISTERIEEL BESLUIT VAN 21-12-2017 GEPUBL. OP 28-12-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 33)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-06-2017 GEPUBL. OP 27-06-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 21)
  • originele versie
  • MINISTERIEEL BESLUIT VAN 22-12-2015 GEPUBL. OP 29-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 33)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-02-2014 GEPUBL. OP 21-02-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 22; 27; 28; 38; 51; 54; 56; 60; 61; 63; 64; 65; 95; 100; 102; 110; 111; 112; 116; N3)
  • originele versie
  • MINISTERIEEL BESLUIT VAN 18-12-2013 GEPUBL. OP 23-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 33)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-01-2012 GEPUBL. OP 01-02-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 150)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       De wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied van 13 augustus 2011, hierna "de wet" genoemd, heeft tot doel de nieuwe regels vast te stellen die ter zake toepasselijk zijn en te voorzien in de omzetting van Richtlijn 2009/81/EG.
       Dit ontwerp van koninklijk besluit geeft uitvoering aan de wet wat betreft de plaatsing van overheidsopdrachten en opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied die onder het toepassingsgebied ervan vallen. Dit ontwerp bevat noch de bepalingen inzake de rechtsbescherming (motivatie, informatie en rechtsmiddelen), noch de bepalingen betreffende de bevoegdheidsdelegaties en sommige toezichtmaatregelen voor de overheidsopdracht op federaal niveau. Wat betreft de algemene uitvoeringsregels wordt, in afwachting van de nieuwe regels ter zake, het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken toepasselijk gemaakt, met uitzondering van een aantal bepalingen die, al dan niet in gewijzigde vorm, naar dit ontwerp zijn overgeheveld.
       Alhoewel dit ontwerpbesluit een nieuwe regeling invoert op basis van Richtlijn 2009/81/EG, zijn sommige bepalingen ervan identiek aan of vergelijkbaar met de regels die vandaag gelden voor de reguliere opdrachten en die met name zijn vervat in het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, het koninklijk besluit van 10 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten en het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. Deze bepalingen worden hier en daar, mede onder impuls van de nieuwe regels vervat in het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011, evenwel aangepast en gepreciseerd, zoals vermeld in het Verslag aan de Koning. Om de commentaar niet te verzwaren, is ervoor geopteerd geen inhoudelijke opsomming te geven van de verschillende bepalingen maar vooral toe te lichten in welke mate de hier vermelde regels afwijken van de voormelde reglementering, hierna huidige reglementering genoemd.
       Verder wordt erop gewezen dat met het woord " of " in dit ontwerp " en/of " wordt bedoeld.
       Hoofdstuk 1 bevat de algemene bepalingen, met name de definities van in het besluit begrippen termen, alsook bepalingen betreffende het toepassingsgebied, de marktverkenning, de communicatiemiddelen, de technische specificaties, de gegevensbeveiliging en bevoorradingszekerheid, de varianten en de opties, bepaalde prijsmodaliteiten en het verbod inzake belangenvermenging en afspraken.
       Hoofdstuk 2 is gewijd aan de regels omtrent de raming van het bedrag van de opdracht.
       Hoofdstuk 3 groepeert alle bepalingen inzake bekendmaking.
       Hoofdstuk 4 omvat de regels inzake de indiening van de aanvragen tot deelneming en de offertes.
       Hoofdstuk 5 omvat de voorschriften inzake toegangsrecht en kwalitatieve selectie.
       Hoofdstuk 6 is gewijd aan de gunning van opdrachten bij aanbesteding en offerteaanvraag.
       Hoofdstuk 7 behandelt de gunning bij onderhandelingsprocedure.
       Hoofdstuk 8 omvat de bepalingen betreffende de gunning bij concurrentiedialoog.
       Hoofdstuk 9 groepeert de voorschriften betreffende de specifieke en aanvullende opdrachten en procedures, namelijk de promotieopdracht van werken, de elektronische veiling, de raamovereenkomst et de werkenwedstrijd.
       Hoofdstuk 10 behandelt de regels die van toepassing zijn op de opdrachten in onderaanneming.
       Hoofdstuk 11 behandelt de algemene uitvoeringsregels.
       Hoofdstuk 12 betreft de opdrachten geplaatst door aanbestedende entiteiten.
       Hoofdstuk 13 bevat de wijzigende en de slotbepalingen.
       De structuur van dit ontwerp is zo opgevat dat de hoofdstukken 1 tot 5, 8 en 9 tot 11 in de regel toepasselijk zijn op alle overheidsopdrachten en gunningsprocedures, tenzij de wet of dit ontwerp voor een bepaalde opdracht of procedure in een andersluidende regeling beschikken.
       Voor een overzicht van de artikelen wordt verwezen naar de onderstaande inhoudsopgave.
       Inhoudsopgave
       HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
       Afdeling 1. - Inleidende bepaling . . . . . Art. 1
       Afdeling 2. - Definities en toepassing belasting over de toegevoegde waarde . . . . . Art. 2 en 3
       Afdeling 3. - Toepassingsgebied . . . . . Art. 4
       Afdeling 4. - Marktverkenning . . . . . Art. 5
       Afdeling 5. - Communicatiemiddelen . . . . . Art. 6
       Afdeling 6. - Technische specificaties en normen . . . . . Art. 7 en 8
       Afdeling 7. - Vertrouwelijkheid, gegevensbeveiliging en bevoorradingszekerheid . . . . . Art. 9 en 10
       Afdeling 8. - Varianten, opties en percelen . . . . . Art. 11 tot 13
       Afdeling 9. - Prijsvaststelling, prijsbestanddelen en prijsherziening . . . . . Art. 14 tot 21
       Afdeling 10. - Prijsonderzoek . . . . . Art. 22
       Afdeling 11. - Belangenvermenging en afspraken . . . . . Art. 23 en 24
       HOOFDSTUK 2. - Raming opdrachtbedrag . . . . . Art. 25 tot 29
       HOOFDSTUK 3. - Bekendmaking
       Afdeling 1. - Algemene bekendmakingsregels . . . . . Art. 30 tot 32
       Afdeling 2. - Europese drempels . . . . . Art. 33 en 34
       Afdeling 3. - Europese bekendmaking . . . . . Art. 35 tot 39
       Afdeling 4. - Belgische bekendmaking . . . . . Art. 40 tot 42
       HOOFDSTUK 4. - Indiening aanvragen tot deelneming en offertes
       Afdeling 1. - Termijnen B Algemene bepalingen . . . . . Art. 43 tot 46
       Afdeling 2. - Termijnen bij Europese bekendmaking . . . . . Art. 47 en 48
       Afdeling 3. - Termijnen bij Belgische bekendmaking . . . . . Art. 49 tot 51
       Afdeling 4. - Uitnodiging geselecteerden tot indiening offerte . . . . . . . . . . Art. 52
       Afdeling 5. - Indieningsrecht en -wijze aanvragen tot deelneming en offertes . . . . . Art. 53 tot 58
       Afdeling 6. - Verbintenistermijn . . . . . Art. 59
       HOOFDSTUK 5. - Selectie kandidaten en inschrijvers - Toegangsrecht en kwalitatieve selectie
       Afdeling 1. - Algemene bepalingen . . . . . Art. 60 tot 62
       Afdeling 2. - Toegangsrecht . . . . . Art. 63 tot 68
       Afdeling 3. - Kwalitatieve selectie . . . . . Art. 69 tot 84
       HOOFDSTUK 6. - Gunning bij aanbesteding en offerteaanvraag
       Afdeling 1. - Vorm, inhoud en ondertekening offerte . . . . . Art. 85 tot 87
       Afdeling 2. - Samenvattende opmeting en inventaris . . . . . Art. 88 en 89
       Afdeling 3. - Interpretatie, fouten en leemten . . . . . Art. 90 tot 92
       Afdeling 4. - Prijsopgave en percelen . . . . . Art. 93 en 94
       Afdeling 5. - Indiening offertes . . . . . Art. 95 en 96
       Afdeling 6. - Opening offertes . . . . . Art. 97 tot 99
       Afdeling 7. - Onderzoek en regelmatigheid offertes . . . . . Art. 100 tot 104
       Afdeling 8. - Gunning opdracht . . . . . Art. 105 en 106
       Afdeling 9. - Sluiting opdracht . . . . . Art. 107 tot 109
       HOOFDSTUK 7. - Gunning bij onderhandelingsprocedure
       Afdeling 1. - Specifieke drempels . . . . . Art. 110
       Afdeling 2. - Verloop en sluiting . . . . . Art. 111 tot 115
       HOOFDSTUK 8. - Gunning bij concurrentiedialoog . . . . . Art. 116 tot 119
       HOOFDSTUK 9. - Specifieke en aanvullende opdrachten en procedures
       Afdeling 1. - Promotieopdracht van werken
       Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen . . . . . Art. 120 tot 122
       Onderafdeling 2. - Opdrachtdocumenten . . . . . Art. 123 tot 129
       Afdeling 2. - Elektronische veiling . . . . . Art. 130 tot 135
       Afdeling 3. - Raamovereenkomst . . . . . Art. 136 tot 138
       Afdeling 4. - Werkenwedstrijd . . . . . Art. 139
       HOOFDSTUK 10. - Regels die van toepassing zijn op de opdrachten in onderaanneming
       Afdeling 1. - Opdrachten in onderaanneming gegund door inschrijvers en opdrachtnemers die geen aanbestedende overheden zijn . . . . . . . . . . Art. 140 tot 147
       Afdeling 2. - Opdrachten in onderaanneming gegund door inschrijvers en opdrachtnemers die aanbestedende overheden zijn . . . . . . . . . . Art. 148
       Afdeling 3. - Aansprakelijkheid van de opdrachtnemer . . . . . Art. 149
       HOOFDSTUK 11. - Algemene uitvoeringsregels . . . . . Art. 150
       HOOFDSTUK 12. - Opdrachten gesloten door aanbestedende entiteiten . . . . . Art. 151 en 152
       HOOFDSTUK 13. - Wijzigende en slotbepalingen . . . . . . . . . . Art. 153 tot 156
       In dit ontwerp is grotendeels gevolg gegeven aan de opmerkingen geformuleerd door de Raad van State in zijn advies 50.137/1/V van 29 juli 2011.
       Wat betreft de opmerkingen van de Raad van State waaraan geen gevolg is gegeven, worden in de commentaar bij de artikelen in kwestie telkens de beweegredenen daarvoor uiteengezet.
       Aangaande de algemene opmerking van de Raad van State met betrekking tot de terminologie, inzonderheid wat betreft het gebruik van de noties "plaatsing", "gunning" en "sluiting" (zie punt 8 van het advies), kan worden herinnerd aan de antwoorden die werden geformuleerd op enkele analoge opmerkingen van de Raad betreffende een ontwerp van wet tot wijziging van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006, dat heeft geleid tot één van twee wijzigende wetten van 5 augustus 2011 (Belgisch Staatsblad, 29 augustus 2011; zie Memorie van toelichting, doc. 53.1590/001, Kamer van volksvertegenwoordigers, blz. 3-4) :
       -in de eerste plaats wordt erop gewezen dat wat betreft het gebruik van de begrippen "plaatsing", "gunning" en "sluiting" in de Nederlandse tekst en de overeenkomstige noties "passation", "attribution" en "conclusion" in de Franse tekst, dezelfde logica is gevolgd als in de voormelde gewijzigde wet van 15 juni 2006. Bijgevolg is er ook in deze tekst voor geopteerd de bedoelde begrippenopdeling niet door te trekken naar de benaming van de procedures. Immers de noties "gunningsprocedure" en "gunningswijze" zijn niet alleen sterk ingeburgerd, maar de koppeling van de noties "gunning" en "procedure" is ook verdedigbaar vanuit de optiek dat de verschillen tussen de procedures net liggen in de manier waarop de beslissing over de keuze van de offerte zal gebeuren, waarmee dus wordt verwezen naar de gunning van de opdracht;
       - in de tweede plaats is ook deze keer geen gevolg gegeven aan de aanbeveling van de Raad van State om in het ontwerp een omschrijving van de notie "plaatsing" op te nemen. In tegenstelling tot wat geldt voor de noties "gunning" en "sluiting" zijn aan de notie "plaatsing" in dit ontwerp immers geen specifieke juridische gevolgen verbonden, maar dient deze notie in de algemene betekenis van het woord te worden begrepen. Zodoende verwijst het eerder naar de procedurele aspecten van een overheidsopdracht. Overigens wordt het begrip "plaatsing" in de Europese Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG eveneens gebruikt zonder dat hiervoor een definitie wordt gegeven.
       HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
       Afdeling 1. - Inleidende bepaling
       Artikel 1. Artikel 1 verwijst naar Richtlijn 2009/81/EG van 13 juli 2009. Het ontwerp zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van deze richtlijn.
       Afdeling 2. - Definities en toepassing belasting over de toegevoegde waarde
       Art. 2. Dit artikel bevat de definities van in de wet en in dit ontwerp van koninklijk besluit gebruikte begrippen.
       Het in de bepaling onder 3° omschreven begrip "opdracht" omvat alle soorten overheidsopdrachten, opdrachten, overeenkomsten en wedstrijden als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de wet. Deze definitie heeft tot doel herhaalde opsommingen te vermijden die de tekst nodeloos zouden verzwaren.
       De bepaling onder 4° handelt over een nieuwe vorm van onderhandelingsprocedure met bekendmaking, de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking. Deze vorm voldoet aan de definitie van artikel 3, 8°, van de wet. Het gaat dus niet om een nieuwe procedure.
       Kenmerkend is dat bij de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking verificatie van het toegangsrecht, kwalitatieve selectie en onderzoek van de inhoud van de offertes in een enkele fase gebeuren. Deze procedure, die is ingevoerd in het raam van de administratieve vereenvoudiging, is op dat vlak vergelijkbaar met de open procedure, in die zin dat de geïnteresseerden onmiddellijk een offerte indienen. In tegenstelling tot bij de open procedure is bij de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking, zoals overigens bij alle andere vormen van onderhandelingsprocedure, evenwel geen zitting voor de opening van de offertes vereist en mag er tevens worden onderhandeld.
       De vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking is op zich niet vermeld in Richtlijn 2009/81/EG. Het gebruik ervan is dan ook slechts toegestaan voor de opdrachten die de Europese drempels vermeld in artikel 33 niet bereiken.
       Het gevolg van haar specifieke vorm, en met name het feit dat ze één enkele fase omvat, is bovendien dat niet alle bepalingen van dit ontwerp die handelen over de onderhandelingsprocedure met bekendmaking zonder meer op haar kunnen worden toegepast. Voor het overige wordt verwezen naar de commentaar van hoofdstuk 7.
       De bepalingen onder 5° tot 8° definiëren de verschillende vormen inzake prijsvaststelling die de opdrachten kunnen aannemen. Ze hernemen op een meer nauwkeurige wijze de bepalingen die zijn vervat in de huidige reglementering.
       De bepaling onder 5° verduidelijkt wat wordt bedoeld met een opdracht tegen globale prijs. De draagwijdte ervan wordt niet gewijzigd.
       De bepaling onder 6° definieert de opdracht tegen prijslijst. De tekst van de huidige reglementering gaat niet nader in op de vermelding van de hoeveelheden die vermoedelijk zijn of uitgedrukt worden binnen een vork. Deze verduidelijking is evenwel belangrijk omdat ze de inschrijvers de mogelijkheid biedt de prijs met kennis van zaken vast te stellen, vooral in de gevallen waarin de bestelde hoeveelheden sterk kunnen variëren.
       Deze posten worden verrekend op basis van de werkelijk bestelde en gebruikte hoeveelheden. De precisering "bestelde" heeft tot doel te vermijden dat de opdrachtnemers meer zouden presteren en factureren dan wat volgens de bestelling was voorzien.
       De bepaling onder 7° neemt de definitie van de opdracht tegen terugbetaling over die inhoudelijk niet wordt gewijzigd. De formulering "als winst toe te passen verhogingen" is evenwel vervangen door de term "verhogingen" die een ruimere draagwijdte heeft. De verhogingen omvatten niet enkel de winst, maar kunnen ook de administratiekosten, de bouwplaatskosten of andere algemene kosten omvatten.
       De bepaling onder 8° neemt de definitie van de gemengde opdracht ongewijzigd over.
       De bepalingen onder 9° en 10° definiëren de samenvattende opmeting en inventaris.
       De bepaling onder 11° verduidelijkt wat wordt bedoeld met een variante. In Richtlijn 2009/81/EG is dit begrip niet gedefinieerd. Deze verduidelijking bleek evenwel nuttig teneinde het onderscheid te kunnen maken met de optie. De variante vormt een alternatieve conceptie- of uitvoeringswijze die hetzij op verzoek van de aanbestedende overheid, hetzij op initiatief van de inschrijver, wordt ingediend. Deze alternatieve conceptie- of uitvoeringswijze heeft betrekking op het geheel of een deel van de opdracht, dat altijd noodzakelijk is voor de uitvoering ervan. Bijvoorbeeld, voor een voertuig : een benzinemotor, met een variante die een dieselmotor aanbiedt; voor vensters : ramen in PVC met een variante voor ramen in aluminium.
       Onder financiële varianten worden varianten verstaan die ofwel passen in het kader van een opdracht voor financiële diensten, ofwel in het kader van de bepalingen betreffende de financiering van andere opdrachten, in het bijzonder van een promotieopdracht van werken. Het spreekt vanzelf dat deze varianten in aanmerking kunnen worden genomen. Daarentegen kan de indiening van twee prijzen voor hetzelfde voorwerp van een opdracht zonder verdere specificering niet als een louter financiële variante worden beschouwd.
       De bepaling onder 12° definieert het begrip "optie". Het gaat om een niet gedefinieerd begrip uit Richtlijn 2009/81/EG. De optie is een bijkomend element ten opzichte van het basisproject dat niet strikt noodzakelijk en bijkomstig is voor de uitvoering van de opdracht, dat wordt ingediend hetzij op verzoek van de aanbestedende overheid, hetzij op initiatief van de inschrijver. Het gaat bijvoorbeeld, voor een voertuig : om de levering van een trekhaak; bij een opdracht voor werken, om de aanleg van een bijkomende kelder voor een gebouw. De optie vormt geen voorwaardelijk gedeelte in de zin van artikel 33, § 1, van de wet.
       De bepalingen onder 13° tot 18° definiëren de technische specificaties, de norm, de defensienorm, de Europese technische goedkeuring, de gemeenschappelijke technische specificaties en het technisch referentiekader. Deze begrippen zijn terug te vinden in bijlage III van Richtlijn 2009/81/EG. Deze definities blijven ongewijzigd ten opzichte van deze vermeld in de huidige reglementering, mits de toevoeging van de definitie van de defensienorm.
       De bepaling onder 19° verwijst naar uitvoeringsverordening (UE) nr. 842/2011 van de Commissie van 19 augustus 2011 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1564/2005. Deze bepaalt de toepasselijke modellen van aankondiging voor de opdrachten op Europees niveau. Er wordt dienaangaande verwezen naar de commentaar van artikel 30.
       Art. 3. Artikel 3 bepaalt dat elk bedrag vermeld in het ontwerp steeds zonder belasting over de toegevoegde waarde is. Deze verduidelijking strekt ertoe de tekst van het besluit niet nodeloos te verzwaren.
       Afdeling 3. - Toepassingsgebied
       Art. 4. Dit artikel bepaalt het toepassingsgebied van dit ontwerp dat betrekking heeft op de opdrachten die onder titel 2 van de wet van 13 augustus 2011 vallen alsook, binnen de perken van artikel 151, op de opdrachten die onder titel 3 van dezelfde wet vallen.
       Afdeling 4. - Marktverkenning
       Art. 5. Artikel 5 van het ontwerp dat een marktverkenning toelaat, vormt een nieuwe bepaling waarvan het principe vermeld is in de overweging 49 van Richtlijn 2009/81/EG. Deze bepaling erkent de geldigheid van de praktijk waarbij de aanbestedende overheden de evolutie van de producten en technieken op de markt volgen.
       Deze marktverkenning moet plaatsvinden vóór het uitschrijven van de gunningsprocedure en mag ook niet leiden tot enige vorm van vooronderhandelingen met bepaalde ondernemingen.
       Een dergelijke marktverkenning mag bovendien niet tot een verhindering of vertekening van de mededinging leiden, wat met name het geval kan zijn indien de technische specificaties van een overheidsopdracht een fabrikaat of een techniek zouden vermelden welke specifiek in de richting van een bepaalde onderneming zou wijzen, wat in strijd zou zijn met artikel 8, § 2, eerste lid, van het ontwerp.
       Afdeling 5. - Communicatiemiddelen
       Art. 6. Artikel 6 zorgt voor de gedeeltelijke uitvoering van artikel 11 van de wet dat betrekking heeft op de communicatiemiddelen. Deze bepaling moet tevens in verband worden gebracht met de definities van schriftelijk stuk en elektronisch middel vervat in de wet, alsook met de bepalingen van artikel 54 betreffende het gebruik van elektronische middelen voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes.
       Artikel 6, § 1, bepaalt net zoals artikel 36.3 van Richtlijn 2009/81/EG dat, ongeacht of elektronische middelen worden gebruikt, de mededeling, uitwisseling en opslag van informatie zodanig moeten plaatsvinden dat de integriteit van de gegevens en de vertrouwelijkheid van de offertes en van de aanvragen tot deelneming gewaarborgd worden en dat de aanbestedende overheid pas bij het verstrijken van de voorziene termijn kennisneemt van de inhoud ervan.
       Paragraaf 2 van artikel 6 bepaalt vervolgens het gevolg dat moet worden gegeven aan een schriftelijk stuk dat met elektronische middelen is opgesteld en dat in de ontvangen versie een macro, een computervirus of een andere schadelijke instructie vertoont.
       Het is mogelijk dat de ontvangen versie door de bestemmeling in een veiligheidsarchief wordt opgenomen. Indien zulks technisch noodzakelijk is, wordt het document als niet ontvangen beschouwd en wordt de afzender van het schriftelijk stuk hiervan onmiddellijk op de hoogte gebracht. De bestemmeling kan eveneens beslissen het bewuste document te aanvaarden, indien hij meent het zonder risico te kunnen lezen of desinfecteren, teneinde niet enkel zijn computersysteem, maar ook de integriteit van dat document te vrijwaren. De bestemmeling die een dergelijke verrichting overweegt, moet zich ervan vergewissen dat hierdoor de inhoud van het document niet zal worden gewijzigd. De bevoegde overheid is verantwoordelijk voor de eindbeslissing en moet erop toezien dat het gelijkheidsbeginsel wordt nageleefd.
       Indien het document een aanvraag tot deelneming of een offerte is, is de aanpak evenwel anders. Indien zulks technisch noodzakelijk is, kan de aanvraag tot deelneming of de offerte geweerd worden. De selectie- of de gunningsbeslissing, al naargelang, moet de verwerping motiveren. Wanneer het ontvangstsysteem van de offertes de macro of de infectie ontdekt, mag de aanbestedende overheid de kandidaat of inschrijver hiervan niet onmiddellijk in kennis stellen. De kandidaten of inschrijvers in kwestie mogen immers niet de kans krijgen om alsnog een schriftelijk stuk in te dienen dat aan de voorschriften voldoet en hun kandidatuur of offerte te regulariseren, aangezien de gelijke behandeling van de concurrenten die een papieren gegevensdrager of klassieke transmissietechnieken gebruiken, hierdoor in het gedrang zou komen. De informatie zal gebeuren volgens de op dat vlak toepasselijke bepalingen.
       Paragraaf 3 bepaalt dat de aanbestedende overheid het gebruik van elektronische middelen kan toestaan voor de verzending van andere schriftelijke stukken dan de aanvragen tot deelneming of de offertes, zoals bijvoorbeeld verduidelijkingen, prijsverantwoordingen. Dezelfde regel is toepasselijk voor de kandidaten of inschrijvers. Het tweede lid van paragraaf 3 voegt hieraan toe dat wanneer een bepaling van het besluit vermeldt dat een verzending aangetekend moet plaatsvinden of worden bevestigd, die aangetekende verzending een bewijs moet leveren van de volgende elementen :
       - de identiteit van afzender en ontvanger;
       - het feit van de verzending van een bericht evenals de datum en het tijdstip van verzending;
       - de ontvangst van het bericht door de bestemmeling en de datum en het tijdstip van ontvangst;
       - de inhoud van het bericht in het geval van een elektronische aangetekende zending.
       Afdeling 6. - Technische specificaties en normen
       Art. 7. Dit artikel heeft betrekking op de technische specificaties als bedoeld in artikel 40 van de wet en met name ook in bijlage III van Richtlijn 2009/81/EG. Artikel 2, 13° tot 18°, van dit ontwerp bevat een definitie van deze specificaties.
       Paragraaf 1 van artikel 7 bepaalt dat de aanbestedende overheid de technische specificaties opneemt in de opdrachtdocumenten.
       De paragrafen 2 tot 5 behandelen de technische specificaties, het aantonen van de overeenstemming met de voorschriften van de technische specificaties, naargelang ze werden aangegeven door verwijzing naar normen of functionele eisen, en het voorschrijven van milieukenmerken.
       De overweging 38 van de richtlijn luidt als volgt : "De door de aanbestedende diensten opgestelde technische specificaties moeten de openstelling van opdrachten voor mededinging mogelijk maken. Daartoe moet het mogelijk zijn inschrijvingen in te dienen waarin de diversiteit van de technische oplossingen tot uiting komt. Te dien einde moeten enerzijds de technische eisen kunnen worden opgesteld in termen van prestaties en functionele specificaties. Anderzijds moeten, bij verwijzing naar de Europese norm of naar internationale of nationale normen, met inbegrip van normen eigen aan de defensiesector, op andere gelijkwaardige oplossingen gebaseerde inschrijvingen door de aanbestedende dienst in overweging worden genomen. Deze gelijkwaardigheid kan met name worden beoordeeld op basis van de eisen inzake interoperabiliteit en operationele doeltreffendheid. Om de gelijkwaardigheid aan te tonen, moeten de inschrijvers elk bewijsmiddel kunnen gebruiken. Aanbestedende diensten moeten iedere beslissing dat er geen sprake is van gelijkwaardigheid, kunnen motiveren. Daarnaast bestaan er internationale normalisatieovereenkomsten die erop gericht zijn de interoperabiliteit van de strijdkrachten te garanderen en die in de lidstaten kracht van wet kunnen hebben. Ingeval een van deze overeenkomsten van toepassing is, mogen de aanbestedende diensten eisen dat de inschrijvingen aan de in die overeenkomst vervatte normen voldoen. De technische specificaties moeten duidelijk worden aangegeven, zodat alle inschrijvers weten waarop de door de aanbestedende dienst gestelde eisen betrekking hebben."
       Art. 8. Paragraaf 1 van dit artikel zorgt voor de omzetting van artikel 18. 2, van Richtlijn 2009/81/EG dat herinnert aan het principe dat de technische specificaties de inschrijvers gelijke toegang moeten bieden en niet tot ongerechtvaardigde belemmeringen voor de mededinging mogen leiden.
       Paragraaf 2 zorgt voor de omzetting van artikel 18. 8, van Richtlijn 2009/81/EG. Deze bepaling verbiedt de invoering van technische specificaties die producten vermelden van een bepaald fabrikaat of een bepaalde herkomst of van een bijzondere werkwijze, of die verwijzen naar een merk, een octrooi, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie waardoor bepaalde ondernemingen kunnen worden bevoordeeld of geëlimineerd. Een dergelijke verwijzing is slechts uitzonderlijk toegestaan, hetzij wanneer het voorwerp van de opdracht dit rechtvaardigt (bijvoorbeeld voor de aankoop van wisselstukken die, om technische redenen, van een bepaald merk moeten zijn of in geval van een wereldmonopolie), hetzij wanneer een voldoende nauwkeurige en duidelijke beschrijving van het voorwerp van de opdracht conform artikel 7, niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de vermelding of verwijzing vergezeld gaan van de woorden " of gelijkwaardig " (cf. in dat verband het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 januari 1995, zaak C-359/93, Commissie van de Europese Gemeenschappen versus Koninkrijk der Nederlanden en de beschikking van het Hof van 3 december 2001, zaak C-59/00, Bent Mousten Vestergaard versus SpOttrup Boligslkab).
       In dit verband kan ook worden verwezen naar de omzendbrief van de Eerste Minister van 23 juni 2004 betreffende het verbod om in de bepalingen van een opdracht technische specificaties op te nemen die het gewone verloop van de mededinging beperken of uitsluiten (Belgisch Staatsblad van 25 juni 2004) alsook naar de omzendbrief van de Eerste Minister van 8 december 2006 betreffende de technische specificaties van microprocessoren in het kader van federale informaticaopdrachten (Belgisch Staatsblad van 15 december 2006).
       Afdeling 7. - Gegevensbeveiliging en bevoorradingszekerheid
       Art. 9. Deze bepaling voorziet in de omzetting van artikel 22 van Richtlijn 2009/18/EG, betreffende de gegevensbeveiliging voor de opdrachten die betrekking hebben op geclassificeerde informatie of die dergelijke informatie vereisen of bevatten.
       Deze geclassificeerde informatie kan bestaan alvorens de opdracht wordt uitgevoerd, wanneer de aanbestedende overheid deze informatie moet mededelen aan de inschrijvers in het stadium van de gunningsprocedure of aan de opdrachtnemer in het stadium van de uitvoering van de opdracht. Geclassificeerde informatie mag evenwel slechts openbaar worden gemaakt in de loop van de uitvoering van de opdracht, bijvoorbeeld wanneer het voorwerp van de opdracht betrekking heeft op de ontwikkeling van een informaticaprogramma voor het beheer van een databank betreffende deze informatie, die vervolgens zou worden gevoed door de aanbestedende overheid en waarvan de opdrachtnemer het onderhoud zou uitvoeren.
       Overweging 42 van de richtlijn bepaalt met name dat de uitvoeringsvoorwaarden van een opdracht door de aanbestedende overheid gestelde eisen kunnen bevatten en dat deze eisen bijzonder belangrijk zijn gezien het gevoelige karakter van het onder de richtlijn vallende materiaal.
       Overweging 43 voegt hieraan het volgende toe : "om de veiligheid van gegevens te garanderen mogen de aanbestedende diensten met name toezeggingen eisen zowel van aannemers als van onderaannemers dat gerubriceerde gegevens tegen toegang door onbevoegden zullen worden beschermd, alsmede voldoende informatie over hun capaciteit op dit gebied. Bij gebrek aan een communautaire regeling inzake gegevenbeveiliging is het aan de aanbestedende diensten of de lidstaten om eisen op dit gebied vast te stellen, met inachtneming van hun nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, en te bepalen of zij overeenkomstig de nationale wet van een andere lidstaat afgegeven betrouwbaarheidsverklaringen beschouwen als evenwaardig met degene die door hun eigen bevoegde autoriteiten worden afgegeven."
       Art. 10. Deze bepaling voorziet in de omzetting van artikel 23 van Richtlijn 2009/81/EG, betreffende de invoering van een niet-exhaustieve lijst van mogelijke eisen inzake bevoorradingszekerheid waaraan de offerte dient te voldoen.
       Overweging 42 van de richtlijn, vermeld in de commentaar bij artikel 9, bepaalt dat de eisen ter zake ook belangrijk zijn en betrekking hebben op de gehele bevoorradingsketen.
       Overweging 44 voegt hieraan het volgende toe : "Bevoorradingszekerheid kan een grote diversiteit van vereisten inhouden, met inbegrip van bijvoorbeeld de interne regels die gelden tussen moeder- en dochteronderneming op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten, de beschikbaarheid van kritieke onderhouds- en revisiecapaciteit om de ondersteuning van aangekocht materiaal gedurende de hele levenscyclus ervan te garanderen. "
       Bevoorradingszekerheid kan omschreven worden als de garantie die een aanbestedende overheid moet hebben om over voldoende goederen en diensten te beschikken om haar taken te vervullen en haar verplichtingen na te komen op het vlak van defensie en veiligheid. Deze zekerheid is vooral van cruciaal belang in geval van crisissituaties. In de praktijk is het echter erg moeilijk gebleken voor opdrachtnemers om te allen tijde deze zekerheid te voorzien omwille van de doorgaans lange levenscyclus van, voornamelijk, militair materiaal dat gedurende vele jaren onderhoud, upgrades, modernisaties, logistieke steun,... vereist.
       Dit kan betekenen dat in bepaalde, behoorlijk gemotiveerde gevallen, de bevoorradingszekerheid op zich het voorwerp van een opdracht kan uitmaken. Zo is het mogelijk dat een aanbestedende overheid, naast een (hoofd)leverancier van bv. munitie, op zoek gaat naar een tweede leverancier (reserve) voor hetzelfde product om tot voldoende bevoorradingszekerheid te komen. Uiteraard mag de eerste (hoofd)leverancier in dat geval niet deelnemen aan die procedure.
       De bepaling onder 3° voorziet erin dat een aanbestedende overheid tot uitsluiting kan overgaan in geval zij oordeelt dat een kandidaat of inschrijver wellicht onvoldoende bevoorradingszekerheid kan garanderen, rekening houdende met de locatie en de organisatie van de bevoorradingsketen. Elke beslissing dienaangaande dient uiteraard gemotiveerd te worden (op basis van afstand en benodigde leveringstijd) en dient rekening te houden met de specifieke kenmerken en omstandigheden van iedere individuele opdracht.
       Ook op het vlak van uitvoerlicenties, die uiteraard erg belangrijk zijn om voldoende bevoorrading te kunnen garanderen, kunnen bepaalde eisen worden gesteld om na te gaan of inschrijvers de nodige stappen kunnen en zullen ondernemen om tijdig dergelijke licenties te bekomen.
       De in de bepaling onder 4° vermelde overeen te komen voorwaarden kunnen doorgaans slechts worden vastgelegd wanneer er zich echt een crisissituatie voordoet. Alleen in dat geval zal de aanbestedende overheid nauwkeurig de aard en hoeveelheid van de aanvullende behoeften kunnen bepalen en zal de opdrachtnemer pas kunnen beoordelen onder welke voorwaarden hij in staat is om aan deze aanvullende behoeften te voldoen.
       Indien de aanbestedende overheid, in uitvoering van de artikelen 140 tot 147, een verplichting oplegt om gebruik te maken van onderaannemers, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke impact die deze verplichting zal hebben op de bevoorradingszekerheid. De inschrijver moet immers de eisen in verband met de bevoorrading ook doen naleven door zijn onderaannemers en de aanbestedende overheid zal bij de evaluatie van de offertes rekening moeten houden met de onzekerheden die het verplicht opleggen van onderaanneming met zich kan brengen. Desnoods zal in dit geval zelfs dienen te worden afgezien van onderaanneming volgens de bepalingen van artikel 145, tweede lid.
       De bepaling onder 6° bepaalt dat de aanbestedende overheid een verbintenis kan vragen betreffende onderhoud, modernisering en aanpassing van het voorwerp van de opdracht. In de praktijk is het wenselijk dat deze bepaling duidelijk wordt gespecificeerd en dat er op zijn minst een algemeen akkoord omtrent de prijzen voor deze werkzaamheden wordt gesloten. Dit zorgt niet enkel voor duidelijkheid maar hierdoor kunnen tevens latere juridische discussies aangaande de reikwijdte van mogelijke contractuele aanpassingen en/of uitbreidingen worden vermeden.
       De bepaling onder 7° heeft als doel de aanbestedende overheid te vrijwaren van plotselinge verrassingen aangaande de wijzigingen die door de opdrachtnemer worden doorgevoerd met betrekking tot diens bevoorradingsketen of organisatie, wat een invloed zou kunnen hebben op de bevoorradingszekerheid.
       De bepaling onder 8° heeft ook als doel de aanbestedende overheid te vrijwaren voor het geval dat de opdrachtnemer reserveonderdelen en andere componenten niet langer zou kunnen leveren.
       Afdeling 8. - Varianten, opties en percelen
       Art. 11. Paragraaf 1 van dit artikel gaat nader in op de diverse soorten varianten zoals omschreven in artikel 2, punt 11°.
       De benadering inzake verplichte varianten wordt niet gewijzigd ten opzichte van de huidige reglementering, terwijl die inzake de facultatieve varianten fundamenteel gewijzigd wordt.
       Om na te gaan of zowel de basisofferte als de variante regelmatig zijn, is een tweeledig onderzoek vereist. Dit onderzoek betreft in de eerste plaats de indiening van deze verschillende soorten offertes. Als deze fase goed is doorlopen, dient vervolgens de regelmatigheid van elk van de ingediende offertes te worden onderzocht om de eventuele wederzijdse beïnvloeding ervan te bepalen op het gebied van de regelmatigheid.
       Bij verplichte varianten moet de inschrijver bijvoorbeeld een offerte indienen zowel voor de basisofferte als voor elke verplichte variante, op straffe van volledige onregelmatigheid van zijn offerte.
       Bij facultatieve varianten kan de inschrijver voortaan een offerte indienen voor één of meerdere varianten en is hij niet langer verplicht een offerte in te dienen voor een basisoplossing. De aanbestedende overheid kan evenwel één bepaalde facultatieve variante als basisoplossing aanduiden en verplichten daarvoor een offerte in te dienen. Deze nieuwe bepalingen bieden meer soepelheid en zijn bedoeld om de mededinging te bevorderen.
       De afwezigheid van een facultatieve variante leidt dus niet noodzakelijk tot de onregelmatigheid van de basisofferte. Indien enkel een facultatieve variante zonder offerte voor de basisoplossing wordt ingediend, moet de volledige offerte als onregelmatig worden beschouwd indien de opdrachtdocumenten de indiening van een dergelijke offerte oplegden. Anders zal dit niet het geval zijn.
       De indiening van vrije varianten gebeurt op initiatief van de inschrijver. Bij offerteaanvraag moet de inschrijver nauwkeurig aangeven welke zijn basisofferte is en welke zijn vrije variante(n). Bij onderhandelingsprocedure kan dit in de loop van de onderhandelingen gebeuren. Indien vrije varianten toegestaan zijn, kunnen verschillende varianten betrekking hebben op een of meer posten. De opdrachtdocumenten kunnen hieromtrent evenwel beperkingen opleggen.
       Voor de opdrachten die verplicht onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking gelden twee voorwaarden. Enerzijds moet de aanbestedende overheid in de aankondiging en eventueel in de andere opdrachtdocumenten vermelden of zij de indiening van vrije varianten toelaat. Zo niet zijn ze niet toegelaten en moeten ze gewoon worden afgewezen, aangezien enkel de basisofferte in aanmerking wordt genomen. Anderzijds moet zij de minimumeisen bepalen waaraan deze varianten moeten voldoen (ze kan bijvoorbeeld vermelden dat een vrije variante betrekking mag hebben op een bepaald technisch aspect van de geplande opdracht). Aan deze laatste voorwaarde kan worden voldaan door in het algemeen te verwijzen naar de minimumeisen in de opdrachtdocumenten.
       Voor de opdrachten die niet verplicht onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, is het indienen van vrije varianten, waarvoor de aanbestedende overheid geen voorafgaande eisen heeft bepaald, steeds mogelijk, tenzij de opdrachtdocumenten die mogelijkheid uitsluiten. Het verbod om vrije varianten in te dienen, kan gepaard gaan met een sanctie van absolute nietigheid in de opdrachtdocumenten. Deze vermelding is evenwel af te raden omdat ze nadelige gevolgen kan hebben voor de mededinging en de economische doeltreffendheid.
       De aanbestedende overheid kan beslissen een vrije variante niet in aanmerking te nemen. Ze moet haar beslissing evenwel motiveren op basis van bijvoorbeeld technische elementen of andere factoren zoals de prijs, de budgettaire verplichtingen of de uitvoeringstermijnen.
       Paragraaf 2 expliciteert dat de verschillende soorten varianten bij alle gunningprocedures kunnen worden gebruikt. De vrije variante blijft evenwel uitgesloten bij aanbesteding. Daarnaast verduidelijkt deze paragraaf dat ze, hetzij met een afzonderlijke offerte, hetzij met een deelofferte kunnen worden ingediend.
       Paragraaf 3 bevat een bepaling die opgenomen is in artikel 19.4 van Richtlijn 2009/81/EG en in de huidige reglementering. Volgens deze bepaling mag een variante niet worden afgewezen enkel omwille van het feit dat, indien de aanbestedende overheid ze zou aanvaarden, een opdracht voor diensten een opdracht voor leveringen zou worden of omgekeerd. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn voor een opdracht betreffende de ontwikkeling van software via een opdracht voor diensten, terwijl een concurrent als variante een softwarepakket zou indienen dat voldoet aan de eisen van de aanbestedende overheid.
       Er is geen gevolg gegeven aan het verzoek van de Raad van State om de mogelijkheden om de indiening van varianten te beperken of zelfs uit te sluiten en om naar aanleiding daarvan in een absolute nietigheid te voorzien, in het dispositief te expliciteren (zie punt 15 van het advies). Naar analogie met wat werd geoordeeld met betrekking tot het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011 (zie meer bepaald artikel 9 van dat besluit) dient men zich bij de beoordeling van onregelmatigheden immers te hoeden voor te grote veralgemeningen en te rigide oplossingen die het maken van nuances naargelang de gebruikte gunningswijze in de weg staan.
       Art. 12. Dit artikel van het ontwerp behandelt de in artikel 2, punt 12°, omschreven opties.
       Paragraaf 1 maakt een onderscheid tussen de verplichte en vrije opties. In het eerste geval dient de aanbestedende overheid, net zoals bij de verplichte varianten, het voorwerp, de aard en de draagwijdte ervan te omschrijven in de opdrachtdocumenten en zijn de inschrijvers verplicht een bod te doen voor deze opties. Het tweede geval betreft de vrije opties. Deze kunnen op eigen initiatief door de inschrijvers worden ingediend.
       Volgens paragraaf 2 wordt het bod voor de opties afzonderlijk vermeld in de offerte. Deze bepaling maakt het ook mogelijk om vrije opties in te dienen bij aanbesteding, op voorwaarde dat aan een dergelijke optie geen meerprijs of een andere tegenprestatie wordt verbonden. Dit verschil met de vrije variante, die in het kader van de aanbesteding zoals eerder vermeld niet is toegestaan, is gerechtvaardigd omdat de optie enkel betrekking heeft op een bijkomend element. De mogelijkheid die de aanbestedende overheid wordt geboden om, zelfs bij aanbesteding, vrije opties in aanmerking te nemen kan haar voordelen opleveren, daar aan het bestellen van de optie geen meerprijs kan worden verbonden.
       Krachtens paragraaf 3 is de aanbestedende overheid nooit verplicht gebruik te maken van een optie bij het sluiten van de opdracht en evenmin tijdens de uitvoering ervan. Wat dit laatste punt betreft, kan het immers interessanter zijn enkel gebruik te maken van een optie tijdens de uitvoering van de opdracht. Een voorbeeld : specifieke onderdelen van een voertuig die enkel gebruikt worden wanneer dit voertuig in operaties wordt ingezet (vb. bevestiging aanhangspunt om extra aanhangwagen voort te trekken).
       Art. 13. Deze bepaling betreffende de opdrachten in percelen is nieuw.
       Volgens het eerste lid moeten de opdrachtdocumenten de aard en het voorwerp van de percelen, de verdeling en de kenmerken ervan bepalen. Deze verduidelijking moet de inschrijvers de mogelijkheid bieden om, met kennis van zaken, één of meer percelen te kiezen waarvoor ze een offerte wensen in te dienen.
       Volgens het tweede lid mag de gunningswijze verschillend zijn per perceel. De term "gunningswijzen" verwijst naar de keuze tussen de aanbesteding, de offerteaanvraag, de onderhandelingsprocedure en de concurrentiedialoog.
       Deze versoepeling die in het tweede lid werd ingebouwd, dient evenwel op doordachte wijze te worden gebruikt. Het naast elkaar bestaan van diverse gunningswijzen kan immers de beoordeling van de offertes bemoeilijken en zelfs de indiening van prijskortingen onmogelijk maken.
       Afdeling 9. - Prijsvaststelling, prijsbestanddelen en prijsherziening
       Art. 14. Artikel 14, § 1, eerste lid, van het ontwerp verwijst naar artikel 2, 5° tot 8°, dat de verschillende soorten prijsvaststellingen definieert. Voor sommige specifieke opdrachten en procedures, zoals de promotieopdracht, de ontwerpenwedstrijd of de concessie voor openbare werken, wordt de prijs op een andere wijze vastgesteld. Het tweede lid is overgenomen uit de huidige reglementering.
       Volgens paragraaf 2 moet de inschrijver bij een opdracht tegen globale prijs of voor de forfaitaire posten van een gemengde opdracht, zijn offertebedrag vaststellen volgens zijn eigen bewerkingen, berekeningen en ramingen. Deze bepaling stemt overeen met artikel 24, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden en is voortaan eveneens van toepassing op opdrachten voor leveringen en diensten.
       Art. 15. Dit artikel zorgt voor de omzetting van artikel 24 van Richtlijn 2009/81/EG die meer bepaald betrekking heeft op de informatie inzake fiscaliteit, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden.
       Art. 16. Dit artikel betreft de opgave van de eenheidsprijzen en de globale prijzen voor iedere post van de samenvattende opmeting. Deze bepaling wordt voortaan uitgebreid tot de inventaris van de opdrachten voor leveringen en diensten. Net zoals in de huidige reglementering bepaalt zij, enerzijds, dat de eenheidsprijzen en de globale prijzen van de opdracht worden opgegeven met inachtneming van de betrekkelijke waarde van die post ten opzichte van het totale offertebedrag en, anderzijds, dat alle algemene en financiële kosten over de verschillende posten, in verhouding tot hun belangrijkheid, worden verdeeld.
       Art. 17. Dit artikel bevat de bepalingen betreffende de prijzen. Deze bepalingen verdienen logischerwijze immers meer hun plaats in het begin van het ontwerp daar zij, zoals de artikelen 18 tot 20, de elementen bepalen die door de inschrijvers in aanmerking moeten worden genomen bij het opmaken van hun offerte.
       Artikel 17 vermeldt zodoende, zoals de huidige bepalingen, dat de eenheidsprijzen en de globale prijzen van de offerte alle heffingen omvatten die de opdracht belasten, met uitzondering van de btw.
       Wat de btw betreft, kan de aanbestedende overheid, hetzij bepalen dat zij in een afzonderlijke post van de samenvattende opmeting of van de inventaris wordt vermeld, hetzij de inschrijvers verplichten in de offerte de toepasselijke aanslagvoet(en) mee te delen.
       Art. 18. Dit artikel stemt overeen met de tekst van artikel 14, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden betreffende de aankoopprijs van de octrooirechten en vergoedingen die verschuldigd zijn aan de houders van een octrooi of van een octrooilicentie. Aangezien deze elementen de prijs van de offerte kunnen beïnvloeden, hoort deze bepaling eerder thuis in dit besluit.
       De bepaling is op expliciete wijze uitgebreid tot alle intellectuele eigendomsrechten die gelinkt kunnen zijn met het voorwerp van de opdracht.
       Paragraaf 1 betreft enkel de hypothese waarin de aanbestedende overheid zelf overgaat tot de omschrijving de opdracht.
       Paragraaf 2 betreft de hypothese waarin de inschrijver zelf voor het geheel of een deel een omschrijving geeft van de prestaties die in het kader van de opdrachten zullen worden verricht.
       Art. 19. Dit artikel neemt een bepaling over van de artikelen 12, § 4, en 19, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de keurings- en opleveringskosten. Deze kosten hebben zowel betrekking op de keuring als op de voorlopige en definitieve opleveringen. Deze kosten, met name de reis- en verblijfskosten en de vergoeding van het met de keuring of oplevering belaste personeel, zijn inbegrepen in de eenheidsprijzen en de globale prijzen op voorwaarde dat de opdrachtdocumenten de berekeningswijze van deze kosten bepalen. Zo niet dient de aanbestedende overheid deze kosten te dragen.
       Om deontologische redenen zou laatstgenoemde bijvoorbeeld kunnen beslissen om de berekeningswijze van alle kosten of van een gedeelte ervan niet te vermelden en die zelf ten laste te nemen.
       Art. 20. Dit artikel neemt hoofdzakelijk bepalingen over van de artikelen 25, § 1, tweede lid, 49, tweede lid, en 67, tweede lid, van de Algemene aannemingsvoorwaarden. Het stemt overeen met de genoemde bepalingen, behalve dat voor leveringen en diensten de praktijkopleiding, die een basisopleiding omvat, werd toegevoegd. Hierbij kan worden opgemerkt dat ook de kosten verbonden aan het veiligheids- en gezondheidsplan in de algemene kosten moeten zijn begrepen, behalve wanneer bepaalde maatregelen inzake veiligheid en gezondheid die in dat plan zijn opgenomen, betrekking hebben op specifieke posten van de samenvattende opmeting of de inventaris of het voorwerp uitmaken van een of meerdere specifieke posten van de samenvattende opmeting of de inventaris.
       De verduidelijkingen vermeld in artikel 20 horen eerder thuis bij de voorschriften betreffende de plaatsing van de opdracht, aangezien het gaat om elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij het opmaken van de offerte.
       Art. 21. Paragraaf 1 van dit artikel betreffende de prijsherziening neemt onder meer de bepalingen over van artikel 13, §§ 1 en 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, maar bevat tamelijk belangrijke wijzigingen en aanvullingen.
       Zo wordt een volledig eigen prijsherzieningssysteem voor de overheidsopdrachten ingevoerd, dat gesteund is op artikel 7 van de wet. Het laatstgenoemde artikel machtigt de Koning tot het vastleggen van de voorwaarden voor de prijsherziening voor de overheidsopdrachten. Bijgevolg is artikel 57 van de wet van 30 maart 1976 betreffende de economische herstelmaatregelen niet toepasselijk op de overheidsopdrachten.
       Volgens het eerste lid moet voortaan niet enkel in een prijsherzieningsclausule worden voorzien voor de opdrachten voor werken, maar in principe ook voor de opdrachten voor leveringen en diensten. terwijl volgens artikel 13, § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden de herziening voor deze twee laatste opdrachtcategorieën facultatief is.
       Het eerste lid vermeldt de voornaamste prijscomponenten die in aanmerking worden genomen : de uurlonen en sociale lasten, alsook, naargelang de aard van de opdracht, één of meer relevante elementen zoals materiaal- en grondstofprijzen of de evolutie van de wisselkoers.
       Volgens het tweede lid is het essentieel dat de herziening de werkelijke kostprijsstructuur weerspiegelt. Bijgevolg moet de herziening gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare parameters en gebruik maken van correcte wegingscoëfficiënten. Afhankelijk van de aard van de opdracht en het al dan niet voorhanden zijn van de voormelde parameters, kan het niettemin moeilijk of zelfs onmogelijk zijn om een herzieningsclausule op te stellen die aan de genoemde voorwaarden voldoet. In dat geval kan de aanbestedende overheid voortaan gebruik maken van de gezondheidsindex, de index van de consumptieprijzen of een andere passende indexformule.
       Daarnaast moet de herzieningsformule geen vaste factor meer bevatten.
       Bovendien kan de aanbestedende overheid op gemotiveerde wijze afwijken van de bepalingen van paragraaf 1. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor leningen met vaste rentevoet.
       Paragraaf 2 verduidelijkt dat de bepalingen van dit artikel niet verplicht van toepassing zijn op de opdrachten waarvan het geraamde bedrag lager is dan 120.000 euro, noch op de opdrachten, ongeacht het bedrag ervan, waarvan de initiële uitvoeringstermijn korter is dan 120 werkdagen of 180 kalenderdagen. De reden ligt bij het geringe nut van een prijsherziening voor dergelijke opdrachten.
       Afdeling 10. - Prijsonderzoek
       Art. 22. Dit artikel betreft het prijsonderzoek dat de aanbestedende overheid verplicht moet voeren om na te gaan of de ingediende prijzen normaal zijn. De grondigheid waarmee dit onderzoek gebeurt, hangt af van de opdracht in kwestie. Overigens wordt opgemerkt dat met "prijzen" zowel eenheidsprijzen als totale prijzen worden bedoeld.
       Krachtens paragraaf 1, tweede zin, dat de voorschriften van de huidige reglementering overneemt en veralgemeent, moeten de inschrijvers op verzoek van de aanbestedende overheid alle nodige inlichtingen verstrekken om het prijsonderzoek mogelijk te maken, en dit ongeacht de gunningsprocedure. Deze maatregel is nu enkel van toepassing op de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking.
       Wanneer de opdrachtdocumenten dit bepalen, en ongeacht de gunningsprocedure, kunnen volgens paragraaf 2 ter plaatse verificaties van de boekhoudkundige stukken en onderzoeken worden uitgevoerd door de personen die daartoe door de aanbestedende overheid zijn aangewezen.
       Paragraaf 3 betreft de abnormaal laag of hoog lijkende prijzen die bij het prijsonderzoek worden vastgesteld. Hij voorziet in de omzetting van artikel 49 van Richtlijn 2009/81/EG. Zelfs indien uit de opdrachtdocumenten blijkt dat paragraaf 3 niet toepasselijk gemaakt wordt op de onderhandelingsprocedure, kan de aanbestedende overheid die een abnormaal laag of hoog lijkende prijs vaststelt, verificaties uitvoeren bij toepassing van de paragrafen 1 en 2.
       Hierbij moet worden opgemerkt dat het niet-limitatief karakter van de opgesomde verantwoordingen die in aanmerking kunnen worden genomen om het normale karakter van een prijs aan te tonen, wordt bevestigd door de toevoeging van de woorden "met name". Overigens werd de huidige reglementering reeds aangepast om het in overeenstemming te brengen met de richtlijn en dit bij het koninklijk besluit van 29 september 2009. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest van 27 november 2001, C-286/99, Sciaudone) en de Raad van State (RvS, arrest nr. 100.084 van 23 oktober 2001) waren eveneens van oordeel dat de verantwoordingen in de reglementering niet limitatief zijn.
       Teneinde te vermijden dat de inschrijvers ongegronde verantwoordingen zouden indienen, kan de aanbestedende overheid overeenkomstig paragraaf 1 steeds een prijsanalyse eisen om het normale karakter van de prijs te beoordelen.
       Ten slotte kan de inschrijver zich ter verantwoording van zijn prijs niet beperken tot een verwijzing naar de prijs van een onderaannemer, vermeerderd met een winstmarge. In dat geval dient de inschrijver de prijs van de onderaannemer te verantwoorden.
       Het zesde lid van paragraaf 3 omvat niet de opdrachten voor diensten van de bijlage 2 van de wet en dit ongeacht de gevolgde gunningswijze.
       Afdeling 11. - Belangenvermenging en afspraken
       Art. 23. Dit artikel betreft de problematiek van de belangenconflicten. De persoon die krachtens artikel 9, § 2, tweede lid, van de wet verplicht is zichzelf te wraken, dient het bevoegde orgaan van de aanbestedende overheid hiervan schriftelijk en onverwijld op de hoogte te brengen, die de nodige maatregelen neemt. De wraking wordt geformaliseerd, bijvoorbeeld in een schrijven van de betrokken persoon of in het proces-verbaal van een beraadslagende vergadering. Het doel hiervan is na te gaan of de wraking tijdig is ingeroepen.
       Men dient eraan te herinneren dat de persoon die verplicht is zich te wraken, een studiebureau belast met de taak van leidend ambtenaar zou kunnen zijn zoals bepaald in de Memorie van toelichting van de wet.
       Art. 24. Dit artikel betreffende de afspraken bevat een gelijkaardige bepaling als die van de huidige reglementering. Deze bepaling is van toepassing op de offertes en voortaan ook op de aanvragen tot deelneming. Door deel te nemen aan een procedure verklaart een kandidaat of inschrijver zich niet schuldig te hebben gemaakt aan bij artikel 10 van de wet verboden handelingen, overeenkomsten of afspraken.
       Bovendien moet worden opgemerkt dat krachtens artikel 314 van het Strafwetboek elke afspraak strafbaar is, ongeacht of die gepaard gaat met bedreiging of geweld.
       HOOFDSTUK 2. - Raming opdrachtbedrag
       Art. 25. Dit artikel bevat de bepalingen betreffende de raming van het opdrachtbedrag, tot omzetting van artikel 9 van Richtlijn 2009/81/EG.
       Het eerste lid van artikel 25 herinnert aan een algemene regel volgens dewelke de raming van het opdrachtbedrag gebaseerd is op de totale duur en waarde van de opdracht. Hierin zijn begrepen alle verplichte opties, percelen, herhalingen als bedoeld in artikel 25, 4°, b, van de wet, alle gedeelten als bedoeld in artikel 33, § 1, van de wet en alle verlengingen van de opdracht als bedoeld in artikel 33, § 2, van dezelfde wet.
       Wanneer voor de oorspronkelijke opdracht is voorzien in één of meer verlengingen in de zin van artikel 33, § 2, van de wet, zal de totale geraamde waarde van de opdracht in principe maximaal 4 jaar kunnen bedragen. Artikel 33, § 2, van de wet bevat voor dergelijke opdrachten met verlengingen immers de regel dat de duur van de opdracht in principe beperkt dient te blijven tot vier jaar na het sluiten van de opdracht.
       Moeten eveneens in aanmerking worden genomen, alle voor de totale duur van een raamovereenkomst of dynamisch aankoopsysteem geplande opdrachten, alsook het prijzengeld en de betalingen aan de deelnemers.
       Bijgevolg moet de raming rekening houden met alle elementen die de waarde van het ontwerp kunnen beïnvloeden.
       Het tweede lid bevat een nieuwe verduidelijking betreffende het tijdstip waarop de raming wordt gemaakt : dit moet gebeuren op het tijdstip van de verzending van de bekend te maken aankondiging of, wanneer deze aankondiging gezien de gunningswijze niet vereist is, op het tijdstip waarop de procedure wordt aangevat, namelijk bij de verzending van de uitnodigingen om een aanvraag tot deelneming of een offerte in te dienen.
       Het vierde lid herinnert aan het principe dat vervat is in artikel 9.3, van Richtlijn 2009/81/EG alsook in de huidige reglementering. Volgens dit principe mag geen enkele opdracht worden gesplitst teneinde die aan de bekendmakingsregels te onttrekken. Indien bijvoorbeeld percelen of gedeelten van werken of bouwwerken toegestaan zijn, mogen deze modaliteiten niet tot gevolg hebben dat de percelen of gedeelten onttrokken worden aan de mededinging via een bekendmaking op Belgisch niveau en, desgevallend, op Europees niveau.
       Er is geen gevolg gegeven aan het verzoek van de Raad van State (zie punt 18 van diens advies) om, zoals in artikel 9.1, eerste alinea, van Richtlijn 2009/81/EG, te vermelden dat de raming van de opdracht moet zijn gebaseerd op het totale bedrag exclusief btw. Artikel 3 van het ontwerp bepaalt immers reeds dat elk bedrag in dit besluit een bedrag zonder btw is.
       Art. 26. Onverminderd de bepalingen van artikel 25 van dit ontwerp, bevat het onderhavige artikel, zoals in de huidige reglementering, twee verduidelijkingen voor de berekening van de geraamde waarde van een opdracht voor werken :
       1° enerzijds dient rekening te worden gehouden met alle geplande werken. Wanneer het een bouwwerk betreft als bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet, zoals uiteengezet in de memorie van toelichting, d.w.z. het product van een geheel van bouwkundige of civieltechnische werken dat ertoe bestemd is als zodanig een economische of technische functie te vervullen, moet de waarde van de verschillende opdrachten worden samengeteld om de op elke afzonderlijke opdracht toepasselijke bekendmakingsregels te bepalen op grond van de regel vermeld in artikel 25, derde lid;
       2° anderzijds moet ook rekening worden gehouden met de geraamde waarde van de leveringen die nodig zijn voor de uitvoering van de werken of van het bouwwerk en die de aanbestedende overheid ter beschikking stelt van de aannemer. Bijvoorbeeld : de ter beschikkingstelling van een partij straatstenen of andere materialen. Er dient bovendien te worden onderstreept dat, anders dan in de huidige reglementering, deze bepaling, in navolging van de richtlijn, zich niet langer uitstrekt tot de diensten die ter beschikking van de aanbestedende overheid worden gesteld.
       Aangezien de Europese drempels voor de werken en leveringen verschillend zijn, betekent dit a contrario dat de waarde van de leveringen die niet nodig zijn voor de uitvoering van een opdracht voor werken, niet mag worden toegevoegd aan de waarde van de werken met de bedoeling ze te onttrekken aan de mededinging op Europees niveau.
       Art. 27. Zoals de huidige reglementering bevat dit artikel specifieke berekeningsmodaliteiten voor sommige overheidsopdrachten voor leveringen.
       1° Overeenkomstig het eerste lid, moet bij opdrachten voor leveringen die een zekere regelmaat vertonen of bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden herhaald, worden uitgegaan van de totale geraamde waarde van de opeenvolgende opdrachten over twaalf maanden volgend op de eerste levering of, indien de looptijd van de opdracht meer bedraagt dan twaalf maanden, over de volledige looptijd ervan. Artikel 9.7, van Richtlijn 2009/81/EG voorziet in twee verschillende ramingswijzen voor dit soort opdrachten. In dit ontwerp wordt gekozen voor de meest strenge ramingswijze om foutieve interpretaties te voorkomen.
       De formulering "opdrachten voor leveringen die een zekere regelmaat vertonen" heeft betrekking op de aankoop van leveringen van dezelfde aard via afzonderlijke opdrachten die gegund worden tijdens dezelfde referentieperiode, meer bepaald het begrotingsjaar of boekjaar.
       De formulering "die bestemd zijn om te worden hernieuwd" heeft betrekking op steeds wederkerende behoeften van de aanbestedende overheid.
       2° Overeenkomstig het tweede lid, zijn specifieke berekeningsmodaliteiten van toepassing wanneer de opdrachten gegund worden in de vorm van huur, huurkoop, leasing of in een vergelijkbare vorm. Bij een opdracht met een bepaalde duur, wordt rekening gehouden met de geraamde totale waarde van de opdracht voor de gehele looptijd ervan. Wanneer deze bepaalde duur meer dan twaalf maanden bedraagt, moet de restwaarde van de leveringen op het einde van de overeenkomst in de raming worden opgenomen.
       Bij opdrachten van onbepaalde duur of waarvan de looptijd niet kan worden bepaald, moet het geraamde maandelijkse bedrag van de opdracht vermenigvuldigd worden met achtenveertig. Hier worden bijvoorbeeld de opdrachten met een clausule tot jaarlijkse verlenging bedoeld. Daarentegen moet een opdracht met een maximale looptijd van vijf jaar die een clausule tot jaarlijkse opzegging bevat, beschouwd worden als een opdracht met een bepaalde duur van vijf jaar. In dat geval zullen de vijf jaar in aanmerking worden genomen om de geraamde waarde van de opdracht te bepalen.
       Ten slotte wordt hier nog herinnerd aan de bepaling van artikel 3, 3°, van de wet die betrekking heeft op de hypothese van een gemengde opdracht van leveringen en werken. Meer bepaald gaat het om de regel volgens dewelke een opdracht die betrekking heeft op het leveren van producten en in bijkomende orde op plaatsing- en installatiewerkzaamheden als een opdracht voor leveringen moet worden beschouwd.
       Art. 28. Zoals in de huidige reglementering bevat dit artikel een aantal berekeningsmodaliteiten die specifiek betrekking hebben op de opdrachten voor diensten.
       Paragraaf 1 herinnert aan het principe volgens hetwelk de waarde van de opdracht de geraamde totale vergoeding van de dienstverlener bevat. Vervolgens licht de tekst dit principe toe voor de drie categorieën van diensten. Naar analogie met het bepaalde in artikel 27, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011, is in de bepaling van het tweede lid geopteerd voor de woorden "andere vormen van vergoeding" i.p.v. de in artikel 9.8, van Richtlijn 2009/81/EG gebruikte woorden "andere vormen van beloning". Het begrip "vergoeding" is immers ruimer en daarom correcter in het licht van de raming van de opdracht.
       De paragrafen 2 en 3 bevatten twee verduidelijkingen over de berekeningswijze van de geraamde waarde van sommige opdrachten voor diensten.
       Bij een opdracht met een bepaalde duur die niet meer bedraagt dan achtenveertig maanden, moet rekening worden gehouden met de totale geraamde waarde van de opdracht voor de gehele looptijd ervan. Bij een opdracht van onbepaalde duur of waarvan de bepaalde duur meer bedraagt dan achtenveertig maanden, is de berekening daarentegen gebaseerd op de geraamde maandelijkse waarde vermenigvuldigd met achtenveertig.
       Bij opdrachten voor diensten die een zekere regelmaat vertonen of bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden hernieuwd, worden uitgegaan van de totale geraamde waarde van de opeenvolgende opdrachten over twaalf maanden volgend op de eerste prestatie of, indien de looptijd van de opdracht meer bedraagt dan twaalf maanden, over de volledige looptijd ervan.
       Paragraaf 4 bepaalt dat bij opdrachten die diensten van zowel bijlage 1 als bijlage 2 van de wet omvatten, moet worden bepaald welke van deze beide categorieën de grootste waarde vertegenwoordigt teneinde m.n. na te gaan of een Europese bekendmaking of enkel een Belgische bekendmaking vereist is.
       De andere hypotheses van gemengde opdrachten worden in artikel 3, 4°, van de wet geregeld.
       Art. 29. Dit artikel preciseert dat de raming van het opdrachtbedrag bij de aanvang van de procedure bepaalt welke voorschriften erop van toepassing zijn tijdens het volledige verloop ervan tot aan de sluiting van de opdracht. Zo zal bijvoorbeeld een opdracht waarvoor volgens de raming een bekendmaking op Europees niveau vereist is, onderworpen zijn aan de voorschriften die toepasselijk zijn op die opdrachtcategorie, zelfs indien het goed te keuren opdrachtbedrag lager is dan de Europese drempel. Dit geldt eveneens voor de toepassing van de regels inzake de wachttermijn. Omgekeerd zal een opdracht waarvan het geraamde bedrag beneden de Europese drempel lag, maar waarvan het bedrag van de goed te keuren offerte deze drempel komt te overschrijden, onderworpen blijven aan de volgens de raming toepasselijke regels. Dit laatste evenwel onverminderd de eventuele toepassing van de rechtsbeschermingsregels van boek IIbis van de wet van 24 december 1993, op grond van het tweede besluit dat, tegelijk met dit ontwerp, in uitvoering van de wet van 13 augustus 2011 wordt genomen.
       De vrijwillige bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en/of in het Bulletin der Aanbestedingen van een aankondiging betreffende een opdracht waarvoor een dergelijke bekendmaking niet verplicht is, heeft daarentegen geen enkele invloed op het op die opdracht toepasselijke stelsel, uitgaande van zijn geraamde waarde.
       In de mate dat verwezen wordt naar het geraamde bedrag van de opdracht, is artikel 29 bovendien niet van toepassing op de opdrachten die worden gegund op basis van het goed te keuren bedrag, zoals deze gegund via onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking als bedoeld in artikel 25, 1°, a, van de wet.
       HOOFDSTUK 3. - Bekendmaking
       Afdeling 1. - Algemene bekendmakingsregels
       Art. 30. Dit artikel bepaalt dat voor de opdrachten die onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, de aankondigingen bekendgemaakt worden in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen. De aankondiging bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen moet inhoudelijk overeenstemmen met die bestemd voor het Publicatieblad en de bekendmaking ervan mag niet plaatsvinden vóór de datum waarop de aankondiging naar het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie wordt verzonden.
       Wat de te gebruiken modellen van aankondiging betreft, verschilt de in dit ontwerp gekozen oplossing van die waarvoor is geopteerd in de koninklijk besluit met de plaatsingsregels voor de klassieke sectoren en de publieke speciale sectoren. In de laatstgenoemde ontwerpen zijn alle te gebruiken modellen van aankondiging immers opgenomen in de bijlagen ervan.
       Mede gelet op de beperkte tijd voor de omzetting van Richtlijn 2009/81/EG is ervoor geopteerd om :
       - in het dispositief te verwijzen naar de modellen van aankondiging in uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011 van de Commissie van 19 augustus 2011, die beschikbaar zijn op de website www.simap.europa.eu van de Europese Commissie;
       - in de bijlage van dit ontwerp enkel de modellen van aankondiging op te nemen die beneden de Europese drempels moeten worden gebruikt in geval van open procedure, bij het opstellen van een lijst van geselecteerden of bij het instellen van een kwalificatiesysteem.
       Hierbij moet worden opgemerkt dat artikel 32.6, van Richtlijn 2009/81/EG bepaalt dat de inhoud van de aankondiging beperkt is tot ongeveer 650 woorden wanneer deze aankondiging niet met elektronische middelen wordt verzonden overeenkomstig de verzendingswijze bepaald door het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie.
       Opdrachten die enkel onderworpen zijn aan de Belgische bekendmaking, worden bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen. Deze bekendmaking kan nochtans aangevuld worden met inlichtingen die de aanbestedende overheid, conform artikel 41, § 2, laatste lid, verstrekt via een internetadres en die eveneens als officiële bekendmaking gelden.
       Volgens paragraaf 2 geldt enkel de aankondiging bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen, eventueel aangevuld met de inlichtingen verstrekt via het internetadres, zoals vermeld in artikel 41, § 2, laatste lid, als officiële bekendmaking. Geen enkele andere bekendmaking mag plaatsvinden vóór de verzendingsdatum van de aankondiging. Ze mag geen andere informatie bevatten dan die vervat in die aankondiging.
       De bepaling vermeldt ten slotte dat het verboden is om vóór de verzendingsdatum van de aankondiging met het oog op een officiële bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en/of in het Bulletin der Aanbestedingen, naargelang het geval, de in de aankondiging vermelde informatie bekend te maken of te verspreiden. Dit verbod heeft hoofdzakelijk betrekking op de elektronische en automatische verspreiding van de informatie vervat in de aankondiging naar geïnteresseerde personen en dit vóór de verzendingsdatum van de aankondiging. De bedoeling hiervan is te vermijden dat sommige inschrijvers op die manier een tijdsvoordeel zouden bekomen omdat zij vóór de bekendmaking op de hoogte zijn gebracht.
       Om dezelfde reden mag de inhoud van de niet-officiële bekendmaking niet verschillen van die van de officiële bekendmaking, zodat het niet toegestaan is om langs die weg bijkomende informatie mee te delen.
       Paragraaf 3 voorziet in een overgangsregeling voor de periode gedurende dewelke de bekendmaking van de in deze afdeling bedoelde aankondigingen van opdracht niet tegelijk kosteloos kan gebeuren in het Publicatieblad van de Europese Unie en het Bulletin der Aanbestedingen door een online invoering door elektronische gegevensopvang of door gegevensoverdracht tussen systemen die een automatische en gestructureerde bekendmaking mogelijk maken conform de modellen opgenomen in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011.
       Paragraaf 4 voorziet in een overgangsregeling voor de periode gedurende dewelke de bekendmaking van de in deze afdeling bedoelde aankondigingen van opdracht niet kosteloos kan gebeuren in het Bulletin der Aanbestedingen door een online invoering door elektronische gegevensopvang of door gegevensoverdracht tussen systemen die een automatische en gestructureerde bekendmaking mogelijk maken conform de modellen opgenomen in dit besluit.
       Art. 31. Dit artikel bepaalt dat wanneer de aanbestedende overheid sommige reeds officieel bekendgemaakte gegevens wenst te verbeteren of aan te vullen, kan zij hetzij een volledig nieuwe aankondiging bekendmaken, hetzij het in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011 opgenomen model van aankondiging gebruiken. Dankzij dit model kan worden vermeden dat een volledig nieuwe aankondiging moet worden bekendgemaakt, wat een soepeler oplossing biedt wanneer de verbeteringen of wijzigingen eerder beperkt zijn.
       In geval van de bekendmaking van een volledig nieuwe aankondiging is het wenselijk om daarop de aandacht te vestigen in het veld "Andere inlichtingen", teneinde een link te leggen met de eerder bekendgemaakte aankondiging(en).
       De aanbestedende overheid dient evenwel rekening te houden met de eventuele impact van de aangebrachte verbeteringen of aanvullingen op de ontvangsttermijn voor de aanvragen tot deelneming of de offertes, zoals vermeld in de oorspronkelijke aankondiging. Doorgaans zal zij een verlenging ervan moeten toestaan. Deze dient eventueel te worden verlengd in functie van het belang van de verbeteringen of aanvullingen, opdat de kandidaten of inschrijvers nog over een voldoende termijn zouden beschikken om met het bericht rekening te kunnen houden.
       Art. 32. Zoals de huidige reglementering bepaalt het eerste lid van dit artikel dat de bewijslast van de verzending van de aankondiging van opdracht bij de aanbestedende overheid ligt.
       Het tweede lid bevat de nieuwe bepaling dat de bevestiging van de verzending van de inlichtingen strekt tot bewijs van de bekendmaking van de aankondiging.
       Afdeling 2. - Europese drempels
       Art. 33. Dit artikel vermeldt de Europese drempelbedragen. De opdrachten waarvan de geraamde waarde de in dit artikel vastgelegde bedragen bereikt of overschrijdt, zijn onderworpen aan de Europese bekendmaking. Overeenkomstig artikel 3 gaat het om bedragen zonder belasting over de toegevoegde waarde. Naargelang de aard van de opdracht, zijn de volgende drempels van toepassing :
       1° voor de werken, 5.000.000 euro. Het begrip "werken" omvat ook de bouwwerken, zoals uiteengezet in de memorie van toelichting van artikel 3, 2°, van het wetsontwerp;
       2° voor de leveringen en diensten, 400.000 euro.
       De Europese Commissie kan het bedrag van de Europese drempels herzien overeenkomstig artikel 68 van Richtlijn 2009/81/EG. Dit is de reden waarom de Eerste Minister, op grond van artikel 46, § 2, van de wet belast is met de aanpassing van de bedragen van dit besluit op basis van de door de Europese Commissie verrichte herzieningen.
       Art. 34. Dit artikel betreffende de opdrachten in percelen, neemt de bepalingen over van de huidige reglementering en verruimt ze tot de homogene leveringen.
       Onder homogene leveringen moeten leveringen worden verstaan van dezelfde aard en met dezelfde of een vergelijkbare bestemming. In dat geval moeten de bedragen van alle percelen worden samengevoegd teneinde te bepalen of de Europese drempel is bereikt. Als dat zo is, zijn alle percelen onderworpen aan de Europese bekendmaking.
       De aanbestedende overheid kan nochtans gebruik maken van de in dit artikel vermelde mogelijkheid om percelen waarvan het individuele bedrag kleiner is dan 1.000.000 euro voor werken en 80.000 euro voor diensten en nu ook voor homogene leveringen aan de Europese bekendmaking te onttrekken. Hiervoor geldt evenwel als voorwaarde dat het samengevoegde bedrag van de onttrokken percelen niet meer bedraagt dan twintig percent van het bedrag van het geheel van alle percelen. Een dergelijke bepaling maakt het mogelijk deze percelen met een beperkte waarde enkel op nationaal niveau bekend te maken, daar deze immers vooral interessant zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen.
       De waarde van deze percelen wordt niettemin in aanmerking genomen voor de raming van de opdracht overeenkomstig de artikelen 25 tot 28.
       Een voorbeeld zou kunnen zijn, een bouwwerk met een geraamd bedrag van 5,5 miljoen euro en verdeeld in vier percelen van respectievelijk :
       - perceel " ruwbouw" = 4 miljoen euro
       - perceel "speciale technieken" = 0,7 miljoen euro
       - perceel "schrijnwerk" = 0,5 miljoen euro
       - perceel "afwerking" = 0,3 miljoen euro.
       De aanbestedende overheid mag de percelen "speciale technieken" en "schrijnwerk" niet onttrekken aan de Europese bekendmaking. Alhoewel de individuele waarde van deze verschillende percelen inderdaad minder bedraagt dan 1 miljoen euro, is hun samengevoegd bedrag evenwel hoger dan 20 % van het opdrachtbedrag, d.w.z. 1,1 miljoen euro.
       De percelen "schrijnwerk" en "afwerking" kunnen daarentegen wel aan de Europese bekendmaking worden onttrokken, omdat de individuele waarde van deze verschillende percelen minder bedraagt dan 1 miljoen euro en hun samengevoegd bedrag lager is dan 20 % van het opdrachtbedrag, d.w.z. 1,1 miljoen euro.
       Hetzelfde zou gelden voor het perceel "speciale technieken".
       In deze gevallen dienen de andere percelen vanzelfsprekend te worden bekendgemaakt op Europees niveau, zelfs indien de totale waarde van die percelen de Europese drempel niet bereikt. In het eerst geciteerde voorbeeld vertegenwoordigen de percelen "ruwbouw" en "speciale technieken" slechts een bedrag van 4,7 miljoen euro. Niettemin moeten ze worden bekendgemaakt omdat rekening moet worden gehouden met de geraamde waarde van de onttrokken percelen bij het bepalen van de globale waarde van de opdracht (rekening houdend met de huidige Europese drempel van 5.000.000 euro).
       De onttrokken percelen worden gegund bij aanbesteding, offerteaanvraag of onderhandelingsprocedure met bekendmaking en bekendgemaakt op Belgisch niveau. Het gebruik van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking is evenwel uitgesloten, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 110, § 1, 3° en 4°.
       Afdeling 3. - Europese bekendmaking
       Art. 35. Dit artikel bepaalt dat deze afdeling van toepassing is op de opdrachten onder de tweeledige voorwaarde dat ze de Europese drempels bereiken en onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking. Deze tweede voorwaarde sluit de opdrachten uit waarop de wet van toepassing is, maar die niet Europees moeten worden bekendgemaakt, zoals de zeldzame defensieopdrachten waarop artikel 346, § 1, b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is.
       Art. 36. Dit artikel somt de aankondigingen op die vorm geven aan de Europese bekendmaking, namelijk de vooraankondiging, de aankondiging van opdracht en de aankondiging van gegunde opdracht. Er wordt verwezen naar de commentaar van de artikelen 37 en volgende.
       Art. 37. Dit artikel neemt bepalingen over vervat in de huidige reglementering betreffende de bekendmaking van de vooraankondiging en de inhoud ervan.
       De bedoelde werken en bouwwerken zijn die waarvan de geraamde waarde minimum 5.000.000 euro bedraagt. Wat de leveringen betreft, heeft de vooraankondiging betrekking op alle opdrachten die individueel waarschijnlijk de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken en ingedeeld zijn per productgroep. De "productgroepen" worden aangeduid met de eerste drie cijfers van de basiswoordenlijst van de CPV-nomenclatuur (gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten, goedgekeurd bij verordening (EG) nr. 213/2008 van de Commissie van 28 november 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) en tot wijziging van de Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, in verband met de herziening van de CPV (PBEU L-74 van 15 maart 2008).
       Het is overigens nuttig eraan te herinneren dat de raamovereenkomst valt onder het begrip opdracht als bedoeld in dit ontwerp. Daarmee wordt meteen ook een antwoord geboden op de opmerking in punt 6.4 van het advies van de Raad van State, waarin erop wordt gewezen dat de bepalingen van artikel 30.1, eerste en tweede alinea, van Richtlijn 2009/81/EG ook betrekking hebben op raamovereenkomsten. De bedoeling van de in het ontwerp opgenomen functionele definitie van opdracht, die de raamovereenkomst dus omvat, is net om dergelijke expliciete herhalingen te vermijden.
       Wat de diensten betreft, heeft de vooraankondiging betrekking op alle opdrachten die individueel de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken en ingedeeld zijn volgens de categorieën van bijlage 1 van de wet.
       Artikel 37 verduidelijkt dat de bekendmaking van een dergelijke aankondiging slechts verplicht is wanneer de aanbestedende overheid de termijn voor de ontvangst van de offertes wenst in te korten overeenkomstig artikel 48 van het besluit. Indien dit niet in haar bedoeling ligt, is de bekendmaking facultatief, maar laat deze geen inkorting van de termijnen toe.
       Nochtans dient men zich bewust te zijn van het belang dat deze informatie over mogelijke geplande opdrachten voor de ondernemingen kan hebben.
       De bekendmaking van een vooraankondiging maakt het immers mogelijk dat de ondernemers zich voorbereiden op de deelname aan de aldus aangekondigde procedures en dat de aanbestedende overheden voordeel kunnen halen uit een eventuele verruiming van de mededinging. Dit is de reden waarom paragraaf 2 bepaalt dat de bekendmaking van een dergelijke aankondiging zo vlug mogelijk moet gebeuren na het begin van het begrotingsjaar of, voor de werken, na de beslissing tot goedkeuring van het programma waarin de werken of de raamovereenkomsten zijn opgenomen. In die omstandigheden zal een vooraankondiging immers het meest nuttig zijn. Dit belet evenwel niet dat later in de loop van het begrotingsjaar een bekendmaking kan plaatsvinden indien, bijvoorbeeld, nieuwe opdrachten worden uitgeschreven.
       Bovendien wordt de bepaling vervat in artikel 32.5, van Richtlijn 2009/81/EG vooralsnog niet omgezet in dit ontwerp. Volgens deze bepaling kan de aanbestedende overheid de vooraankondiging, via haar kopersprofiel, bekendmaken op een website. Een dergelijke bepaling is immers complex omdat de aanbestedende overheid zelfs in dat geval de Europese Commissie moet informeren over deze bekendmaking via haar kopersprofiel. Bovendien zou het overaanbod van dergelijke websites de ondernemingen minder transparante informatie bieden dan de officiële bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen.
       Art. 38. Dit artikel betreft de bekendmaking van de aankondiging van opdracht. Hij is eveneens toepasselijk op de concurrentiedialoog.
       Artikel 38 is niet van toepassing op de opdrachten voor diensten bedoeld in bijlage 2 van de wet, daar deze niet verplicht zijn onderworpen aan een voorafgaande Europese bekendmaking.
       Art. 39. Dit artikel bevat de bepalingen betreffende de aankondiging van gegunde opdracht. Ongeacht de gebruikte procedure en dus ook in geval van concurrentiedialoog en onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking bij de aanvang van de procedure als bedoeld in artikel 25 van de wet, wordt een aankondiging van gegunde opdracht bekendgemaakt conform het model hernomen in Verordening (EG) nr. 1564/2005. Overeenkomstig paragraaf 1 moet deze aankondiging worden verzonden binnen een termijn van achtenveertig dagen na de sluiting van de opdracht.
       Deze aankondiging is bestemd voor bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen.
       Een aankondiging van gegunde opdracht is evenwel niet vereist voor de opdrachten gesloten via onderhandelingsprocedure op grond van artikel 25, 1°, b, van de wet, d.w.z. voor de opdrachten waarvoor artikel 346 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie mag worden ingeroepen.
       Volgens paragraaf 2 mag de aanbestedende overheid bepaalde gegevens niet bekendmaken indien de openbaarmaking ervan de toepassing van een wet zou belemmeren, in strijd zou zijn met het algemeen belang, met name defensie- en veiligheidsbelangen zou schaden, nadelig zou zijn voor de rechtmatige commerciële belangen van ondernemingen of de eerlijke mededinging tussen hen zou kunnen schaden.
       Deze bepaling wordt onder meer geïllustreerd door de volgende rechtspraak : Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 14 februari 2008, zaak C-450/06, Varec; Raad van State, arrest nr. 164.028 van 24 oktober 2006; Grondwettelijk Hof, arrest nr. 118/2007 van 19 september 2007.
       Afdeling 4. - Belgische bekendmaking
       Art. 40. Dit artikel leidt afdeling 4 in die de na te leven bekendmakingsregels bevat voor de opdrachten die enkel onderworpen zijn aan de Belgische bekendmaking. Deze afdeling heeft betrekking op de opdrachten voor werken en leveringen, alsook de opdrachten voor diensten zoals vermeld in bijlage 1 van de wet waarvan de geraamde waarde lager ligt dan de Europese drempels vermeld in artikel 33 van dit besluit.
       Voor de opdrachten voor diensten zoals vermeld in bijlage 2 van de wet, zijn de bepalingen van afdeling 4 van toepassing, ongeacht de geraamde waarde van de opdracht, behalve indien toepassing wordt gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Wat de Europese bekendmaking betreft, zijn deze diensten immers enkel onderworpen, onder de voorwaarden van artikel 39, § 2, aan de verplichting om een aankondiging van gegunde opdracht op te stellen wanneer ze de Europese drempels bereiken. Een bekendmaking op Belgisch niveau is daarentegen vereist bij aanbesteding, offerteaanvraag, onderhandelingsprocedure met bekendmaking, vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking en concurrentiedialoog.
       Art. 41. Dit artikel strekt tot de bekendmaking van een aankondiging van opdracht voor de in deze bepaling vermelde procedures. Voor de open procedure moet het model in bijlage 4 gebruikt worden omdat deze procedure niet voorkomt in de richtlijn. De Europese modellen moeten daarentegen gebruikt worden voor alle andere procedures, inbegrepen het geval van de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking.
       Enkel de essentiële inlichtingen als bedoeld in paragraaf 2 moeten in de aankondiging worden vermeld.
       Het in de bepaling onder 2° van paragraaf 2 vermelde begrip "soort opdracht" heeft respectievelijk betrekking op de werken, leveringen en diensten. Het begrip "kostprijs", waarvan sprake in punt 4°, wijst erop dat de eventueel aan de geïnteresseerden gevraagde betaling enkel betrekking mag hebben op de kosten voor het kopiëren en verzenden van de opdrachtdocumenten.
       Zoals uiteengezet in de commentaar bij artikel 30, kunnen sommige inlichtingen verstrekt worden via een internetadres.
       Art. 42. Dit artikel handelt over de opstelling van een lijst van geselecteerden en de uitwerking van een kwalificatiesysteem. Het gaat om twee systemen die kaderen in de administratieve vereenvoudiging en die kunnen worden toegepast voor gelijkaardige opdrachten die worden geplaatst bij beperkte procedure en onderhandelingsprocedure met bekendmaking, zonder dat deze systemen het plaatsen van een afzonderlijke opdracht via de bekendmaking van een aankondiging van opdracht evenwel in de weg staan.
       Overeenkomstig paragraaf 2 kan de bekendmaking van meerdere aankondigingen op Belgisch niveau, voor gelijkaardige opdrachten worden vervangen door één enkele periodieke bekendmaking van een aankondiging die betrekking heeft op het opmaken van een lijst van geselecteerde aannemers, leveranciers en dienstverleners, rekening houdend met de aard en het voorwerp van de betrokken opdrachten. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in de huidige reglementering. Het na te leven model van aankondiging is opgenomen in bijlage 5 van het ontwerp. De geldigheidstermijn van deze lijst wordt door dit ontwerp verlengd van één tot maximum drie jaar vanaf de datum van de selectiebeslissing. Tijdens deze periode blijft de lijst gesloten voor nieuwe kandidaten. Wanneer tijdens de geldigheidsperiode een beroep wordt gedaan op de lijst om een hier bedoelde opdracht te gunnen, moet de aanbestedende overheid alle geselecteerden gelijktijdig verzoeken een offerte in te dienen.
       Deze lijst moet ervoor zorgen dat de aanbestedende overheden die opdrachten gunnen die in de loop van een bepaalde periode een zekere regelmaat vertonen op grond van de aard en de omvang van de prestaties, de administratieve lasten kunnen verminderen op het vlak van de bekend te maken aankondigingen, terwijl een voldoende transparantie van de procedures gewaarborgd blijft.
       Wat de opdrachten voor werken betreft, zal de toepassing van het lijstsysteem niet enkel beperkt zijn door de Europese drempel, maar ook op basis van de wetgeving houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken.
       Paragraaf 3 voegt een bepaling in die tot op heden enkel toepasselijk is in de speciale sectoren. De aanbestedende overheid kan voor gelijkaardige opdrachten die niet onderworpen zijn aan een verplichte bekendmaking op Europees niveau, een kwalificatiesysteem instellen dat beheerd wordt op basis van criteria en voorschriften, overeenkomstig hoofdstuk 6, welke aan de belangstellenden worden meegedeeld. Dit systeem staat tijdens de duur ervan permanent open voor belangstellende ondernemingen die een kwalificatie wensen te bekomen.
       In tegenstelling tot de lijst van geselecteerden, biedt het kwalificatiesysteem de aanbestedende overheid de mogelijkheid een aantal gekwalificeerde ondernemingen te kiezen die zij uitnodigt tot het indienen van een offerte, rekening houdend met het minimumaantal concurrenten als bedoeld in artikel 60.
       Volgens paragraaf 3 wordt de aankondiging betreffende het kwalificatiesysteem jaarlijks bekendgemaakt, conform het model in bijlage 6 van het ontwerpbesluit, alsook na elke actualisering van de voorschriften en criteria betreffende het toegangsrecht en de kwalitatieve selectie. Het is immers de bedoeling ervoor te zorgen dat het systeem voldoende transparant is.
       Het laatste lid van paragraaf 3 bepaalt dat, rekening houdend met het voorwerp en de specificaties van elke opdracht uitgeschreven in het kader van dat systeem en met het aantal gekwalificeerde kandidaten, de aanbestedende overheid kan overgaan tot een nieuwe selectie van de gekwalificeerden op grond van de artikelen 69 tot 84 Deze selectiebeslissing valt uiteraard onder de toepassing van de bepalingen inzake motivering en informatie.
       HOOFDSTUK 4. - Indiening aanvragen tot deelneming en offertes
       Afdeling 1. - Termijnen. - Algemene bepalingen
       Art. 43. Artikel 43, eerste lid, herinnert aan het algemeen principe volgens hetwelk de termijnen voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming en de offertes, als bedoeld in de artikelen 48 tot 51, minimumtermijnen zijn, die moeten worden bepaald rekening houdend met de complexiteit van de opdracht en met de nodige voorbereidingstijd van de offerte.
       Hierbij moet worden opgemerkt dat alle termijnen worden uitgedrukt in kalenderdagen. Ze worden berekend vanaf de verzending van de aankondiging van opdracht of de uitnodiging tot het indienen van een offerte, naargelang het geval, overeenkomstig de modaliteiten van het recht van de Europese Unie houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden als bedoeld in Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden. Volgens artikel 3 van deze verordening :
       - gaat een in dagen omschreven termijn in bij de aanvang van het eerste uur van de eerste dag ervan en loopt deze af bij het einde van het laatste uur van de laatste dag ervan;
       - zijn feestdagen, zondagen en zaterdagen bij de termijnen inbegrepen, behalve indien deze dagen daarvan uitdrukkelijk zijn uitgesloten of indien de termijnen in werkdagen zijn omschreven;
       - geldt dat, indien de laatste dag van een anders dan in uren omschreven termijn een feestdag, een zaterdag of een zondag is, deze termijn afloopt bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag. Deze laatste bepaling is niet van toepassing op termijnen die met terugwerkende kracht vanaf een bepaalde datum of gebeurtenis worden berekend, wat hier niet het geval is.
       Wanneer bijvoorbeeld in het kader van een opdracht onderworpen aan de Belgische bekendmaking geplaatst via een open procedure, waarvoor een bekendmakingstermijn van 36 dagen geldt, de aankondiging is verzonden op 1 maart, begint de termijn te lopen op 2 maart en eindigt deze ten vroegste op 6 april middernacht. De openingszitting van de offertes zal dan niet kunnen plaatsvinden op 6, maar wel op 7 april. Indien 7 april echter op een zaterdag valt, zal de openingszitting ten vroegste kunnen plaatsvinden bij het verstrijken van de eerstvolgende werkdag (dit is maandag 9 april om middernacht), d.w.z. op dinsdag 10 april.
       Het tweede lid handelt over bepaalde omstandigheden die een rol spelen bij de vaststelling van de termijn.
       Het derde en vierde lid die overeenstemmen met de huidige reglementering, preciseren de omstandigheden waarin de proceduretermijnen moeten worden verlengd.
       Het laatste lid bevat een nieuwe bepaling voor de gevallen waarin de artikelen 48 tot 51 geen termijnen vaststellen (bijvoorbeeld voor de ontvangst van de offertes bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking en bij concurrentiedialoog en voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming bij concurrentiedialoog beneden de Europese drempels). In deze gevallen bepaalt de aanbestedende overheid een passende en redelijke termijn, rekening houdend met de complexiteit van de opdracht.
       Art. 44. Zoals de huidige reglementering bepaalt dit artikel, dat bij open procedure, de opdrachtdocumenten door de aanbestedende overheid worden verstrekt binnen zes dagen na ontvangst van het verzoek. Deze bepaling is ook toepasselijk op de vereenvoudigde ondehandelingsprocedure met bekendmaking. Een nieuwe bepaling ten opzichte van de huidige reglementering vermeldt evenwel dat dit voorschrift niet van toepassing is indien de aanbestedende overheid via het aangeduid internetadres vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang biedt tot de opdrachtdocumenten.
       Art. 45. Zoals de huidige reglementering bepaalt dit artikel, binnen welke termijn de aanvullende inlichtingen over de opdrachtdocumenten maar hier ook, bij concurrentiedialoog, over het beschrijvend document, moeten worden verstrekt. Deze kunnen worden meegedeeld tijdens een bij voorkeur in de opdrachtdocumenten aangekondigde informatiesessie georganiseerd door de aanbestedende overheid.
       Art. 46. Dit artikel brengt een precisering die evenwel niets verandert aan de bestaande praktijk bij aanbesteding en offerteaanvraag. Indien een openingszitting van de offertes vereist is in het kader van de procedure - dus bij aanbesteding en offerteaanvraag - of indien de opdrachtdocumenten verwijzen naar een openingszitting van de aanvragen tot deelneming of offertes, alhoewel de reglementering die niet oplegt, wordt het uiterste tijdstip voor de indiening bepaald door de datum en het uur van deze zitting. Bijgevolg mag de aanbestedende overheid geen aanvragen tot deelneming of offertes weigeren die bij de voorzitter van de openingszitting vóór die datum en dat uur zijn toegekomen. Indien de opdrachtdocumenten bijvoorbeeld vermelden dat de offertes tegen 12 uur moeten worden ingediend en de openingszitting gepland is om 14 uur, kunnen de offertes tot 14 uur worden ingediend in het lokaal van de openingszitting.
       Het vrijwillig organiseren van een openingszitting impliceert vanzelfsprekend niet dat de artikelen 97 tot 99 betreffende het verloop van de openingszitting bij aanbesteding en offerteaanvraag eveneens van toepassing zouden zijn.
       Afdeling 2. - Termijnen bij Europese bekendmaking
       Art. 47. Dit artikel dat nieuw is in vergelijking met de huidige reglementering leidt afdeling 2 in die de na te leven termijnen bevat bij Europese bekendmaking.
       Art. 48. Paragraaf 1 van dit artikel neemt een aantal bepalingen over van de huidige reglementering. Hij bepaalt voor de beperkte procedures, de onderhandelingsprocedure met bekendmaking en voortaan ook voor de concurrentiedialoog de minimumtermijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming bij opdrachten onderworpen aan de Europese bekendmaking.
       Het tweede en derde lid betreffen evenwel nieuwe bepalingen die een inkorting van de ontvangsttermijn van de aanvragen tot deelneming mogelijk maken wanneer de aankondiging online wordt opgesteld en via elektronische middelen wordt verzonden, conform het formaat en de verzendingswijze bepaald door het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie en de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie.
       Volgens het tweede lid kan de termijn met zeven dagen worden ingekort wanneer de aankondiging via elektronische middelen wordt verzonden.
       Het derde lid, betreffende de versnelde procedure, bepaalt dat de ontvangsttermijn voor de aanvragen tot deelneming bij beperkte procedure en onderhandelingsprocedure met bekendmaking mag worden ingekort tot een minimumtermijn van vijftien dagen vanaf de verzendingsdatum van de aankondiging en tot tien dagen wanneer de aankondiging online wordt opgesteld en via elektronische middelen wordt verzonden, conform het formaat en de voormelde modaliteiten.
       Het spoedeisend karakter dat het gebruik van een versnelde procedure rechtvaardigt, is verschillend van de dwingende spoed die voortvloeit uit onvoorziene gebeurtenissen die niet te wijten zijn aan de aanbestedende overheid als bedoeld in artikel 25, 1°, f, van de wet. Deze laatste omstandigheden zouden immers het gebruik van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking rechtvaardigen.
       Het spoedeisend karakter waarvan hier sprake, vloeit voort uit een rechts- of feitelijke toestand, intern of extern aan de aanbestedende overheid, die een inkorting van de gewone minimumtermijn noodzakelijk maakt in dit stadium van de procedure.
       In de volgende voorbeelden is de verantwoording in principe aanvaardbaar :
       - de dienstverlening aan de strijdkrachten moet worden voortgezet ondanks de onverwachte stopzetting van de activiteiten van de opdrachtnemer;
       - de onvoorziene toename van de bestellingen van de uitrusting die het voorwerp uitmaakt van de opdracht op internationaal niveau leidt tot een verlenging van de productietermijnen;
       - de Europese kredieten of andere subsidies moeten verplicht binnen een bepaalde termijn worden gebruikt;
       - de continuïteit en permanentie van een strategisch communicatieplan dienen te worden gewaarborgd, terwijl de omschrijving van de behoeften van de aanbestedende overheid afhankelijk was van haar beheersovereenkomst die te laat werd goedgekeurd;
       - de werken moeten snel worden opgestart teneinde de betaling van een dwangsom of het verstrijken van de bouwvergunning te vermijden;
       - de beschikbaarheid van nieuwe infrastructuur is vereist op de voorziene datum voor de opvang van eenheden;
       - de prijs van de betrokken producten is onderhevig aan grote schommelingen op de internationale markt, zodat de leveranciers geen verbintenis kunnen aangaan anders dan op zeer korte termijn.
       Vormen daarentegen geen aanvaardbare verantwoording, de loutere vermelding dat :
       - de aankondiging werd verstuurd via elektronische middelen;
       - de prestaties enkel door personen die een bepaald beroep uitoefenen, mogen worden uitgevoerd;
       - de gewone termijn niet haalbaar is;
       - een bepaald artikel van de reglementering betreffende de versnelde procedure van toepassing is.
       Geen van de bovenstaande voorbeeldlijsten zijn limitatief te interpreteren.
       Paragraaf 2 handelt over de minimumtermijn voor de ontvangst van de offertes bij beperkte procedure, voor de opdrachten onderworpen aan de Europese bekendmaking en de mogelijke inkortingen van deze termijn.
       Ten opzichte van de huidige reglementering, doen zich de volgende wijzigingen en nieuwigheden voor :
       - de mogelijke inkorting van de termijnen tot zesentwintig dagen wanneer een vooraankondiging werd bekendgemaakt, wordt op zesendertig en tweeëntwintig dagen gebracht;
       - een bijkomende inkorting met vijf dagen is mogelijk wanneer elektronische middelen worden gebruikt overeenkomstig § 1, tweede lid;
       - in verband met de versnelde bekendmaking wordt nu gepreciseerd dat de snelst mogelijke middelen voor de verzending van de uitnodigingen tot het indienen van een offerte de telefax of de elektronische middelen zijn.
       Bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking en concurrentiedialoog wordt geen termijn bepaald voor de ontvangst van de offertes. Het komt in die gevallen aan de aanbestedende overheid toe om een passende en redelijke termijn te bepalen, rekening houdend met de complexiteit van de opdracht.
       Afdeling 3. - Termijnen bij Belgische bekendmaking
       Art. 49. Dit artikel is een inleidende bepaling voor de afdeling betreffende de termijnen bij Belgische bekendmaking.
       Art. 50. Dit artikel betreft de minimumtermijn voor de ontvangst van de offertes bij open procedure, voor de opdrachten onderworpen aan de Belgische bekendmaking.
       Het is eveneens van toepassing op de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking, aangezien deze, net als de open procedure, uit één enkele fase bestaat.
       De termijn voor de ontvangst van de offertes bij open procedure, die nu bij algemene regel op zesendertig dagen is vastgesteld, maakt nu een minimumtermijn uit. Bovendien wordt deze minimumtermijn voor de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking op tweeëntwintig dagen vastgesteld.
       Wanneer het om dringende redenen onmogelijk is om bovengenoemde minimumtermijnen na te leven, is voor beide procedures een inkorting tot minimum tien dagen mogelijk. In tegenstelling tot de Europese bekendmaking, geldt voor de vermindering van de termijn op het niveau van de Belgische bekendmaking nog een tweede vereiste. De aankondiging moet namelijk online worden opgesteld, wat het gebruik van de telefax uitsluit, en via elektronische middelen worden verzonden, conform het formaat en de verzendingswijze bepaald door de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie. Daarentegen is het niet meer noodzakelijk dat tussen de datum van bekendmaking van de aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen en de datum voor de ontvangst van de offertes, een minimumtermijn van zeven dagen wordt nageleefd. Het gebruik van elektronische middelen verzekert immers een zeer vlugge bekendmaking van de aankondigingen van opdrachten.
       Een dergelijke inkorting mag evenwel het normale verloop van de mededinging niet verhinderen. De aanbestedende overheid zal dus voorzichtig moeten omspringen met deze mogelijkheid. Bovendien moet deze inkorting, alhoewel een uitdrukkelijk gemotiveerde beslissing niet vereist is, gerechtvaardigd worden in het gunningsdossier.
       Wat betreft de motivering voor de termijninkorting kan worden verwezen naar de voorbeelden vermeld in de commentaar van artikel 48.
       Art. 51. Paragraaf 1 van dit artikel bevat de voorschriften inzake de na te leven minimumtermijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming bij beperkte procedure en bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking voor de opdrachten onderworpen aan de Belgische bekendmaking.
       Paragraaf 2 bevat de voorschriften inzake de minimumtermijn voor de ontvangst van de offertes bij de beperkte procedure.
       In verband met de versnelde procedure wordt voortaan gepreciseerd dat de aankondiging van opdracht moet worden verzonden per telefax of via elektronische middelen.
       Afdeling 4. - Uitnodiging geselecteerden tot indiening offerte
       Art. 52. Dit artikel bevat bepalingen die vergelijkbaar zijn met die van de huidige reglementering. Het eerste lid bepaalt dat bij beperkte procedure en onderhandelingsprocedure met bekendmaking, de geselecteerden gelijktijdig en schriftelijk worden uitgenodigd om een offerte in te dienen.
       Het tweede lid preciseert de documenten en inlichtingen die de uitnodiging tot het indienen van een offerte moet bevatten. Dezelfde bepaling is voortaan van toepassing zowel op de opdrachten die onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, als op die welke enkel onderworpen zijn aan de Belgische bekendmaking.
       Wat de in de uitnodiging te vermelden gegevens betreft, moet worden gewezen op de volgende bepalingen :
       - in de bepaling onder 1°, a, de mogelijkheid om met elektronische middelen vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang te bieden tot de opdrachtdocumenten;
       - in de bepaling onder 1°, b, de vermelding van de kostprijs van de opdrachtdocumenten wanneer hun afgifte betalend is. Onder verwijzing naar de omzendbrief van de Eerste Minister van 11 november 2010 (Belgisch Staatsblad, 22 november 2010) wordt eraan herinnerd dat de kostprijs enkel de kosten voor het kopiëren van de documenten en eventueel de frankeerkosten omvatten;
       - in de bepaling onder 3°, a, de datum, het uur en de plaats van de openingszitting van de offertes indien de gunningsprocedure of de opdrachtdocumenten daarin voorzien. Volgens de reglementering is een openingszitting enkel verplicht bij aanbesteding en offerteaanvraag. Het staat een aanbestedende overheid evenwel vrij een dergelijke zitting te organiseren bij andere procedures dan de bovengenoemde;
       - in de bepaling onder 4°, de aanduiding van de eventueel toe te voegen documenten. Het gaat meer bepaald om documenten die worden toegevoegd, hetzij ter staving van de door de inschrijver overeenkomstig artikel 60 verstrekte controleerbare verklaringen, hetzij ter aanvulling van de in dat artikel vermelde inlichtingen en dit onder dezelfde voorwaarden als gesteld in de artikelen 69 tot 81;
       - in de bepaling onder 5°, de vermelding " al naargelang" met betrekking tot de weging van de gunningscriteria, dat eraan herinnert dat de algemene wegingsregel enkel van toepassing is op de opdrachten die de Europese drempels bereiken en, wat de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking betreft, dat deze regel enkel van toepassing is wanneer meerdere concurrenten worden geraadpleegd. De weging is evenmin verplicht voor de diensten bedoeld in bijlage 2 van de wet.
       Voor de concurrentiedialoog zijn de overeenkomstige bepalingen overgenomen in de artikelen 116 en volgende.
       Afdeling 5. - Indieningsrecht en Bwijze aanvragen tot deelneming en offertes
       Art. 53. Dit artikel gaat nader in op de indieningswijze van de aanvragen tot deelneming en de offertes.
       Zoals de huidige reglementering bepaalt paragraaf 1, eerste lid, dat elke aanvraag tot deelneming individueel en schriftelijk of telefonisch moet worden ingediend. Het vervolg van paragraaf 1 verduidelijkt dat indien de aanvraag tot deelneming per telefax of via een elektronisch middel gebeurt, met het oog op een juridisch bewijs een schriftelijke bevestiging kan worden geëist. Wat het elektronisch middel betreft, is deze bevestiging evenwel enkel vereist wanneer dat middel niet voldoet aan de voorschriften van artikel 54, § 1. Een schriftelijke bevestiging is daarentegen verplicht ingeval van een telefonische aanvraag tot deelneming.
       Behalve voor de documenten waarvan het origineel moet worden voorgelegd, dient de bevestiging de reeds per telefax ingediende aanvraag niet volledig over te nemen, maar betrekking te hebben op de indiening zelf.
       Zoals de huidige reglementering worden de indienings- en ondertekeningswijzen van de offertes door middel van paragraaf 2 uitgebreid naar alle gunningsprocedures, met uitzondering van de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. De offerte wordt schriftelijk ingediend en moet worden ondertekend door de persoon of personen die bevoegd of gemachtigd zijn om de inschrijver te verbinden.
       Onder "ondertekening" wordt begrepen :
       - de ondertekening door de inschrijver-natuurlijke persoon;
       - de ondertekening door de natuurlijke persoon die bevoegd is om de inschrijver-rechtspersoon te verbinden krachtens de wet vennootschappen of andere wettelijke of reglementaire bepalingen en de toepasselijke statutaire bepalingen;
       - de ondertekening door een natuurlijke of rechtspersoon, die gemachtigd is de inschrijver-natuurlijke of rechtspersoon te verbinden.
       Dit voorschrift geldt eveneens voor alle personen die samen een aanvraag tot deelneming indienen en de intentie hebben om na hun selectie een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid op te richten.
       Art. 54. Dit artikel betreffende het gebruik van elektronische middelen voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes neemt een aantal bepalingen over van de huidige reglementering.
       Paragraaf 1 van dit artikel bepaalt vervolgens de na te leven minimumvoorwaarden wanneer elektronische middelen worden gebruikt. Deze voorwaarden stemmen inhoudelijk overeen met die van de huidige reglementering.
       Wat de opgesomde voorwaarden betreft, zijn enkel die vermeld in punt 1°, betreffende de elektronische handtekening, de te nemen maatregelen in geval van ontdekking van een computervirus (punt 2° ) alsook die betreffende de automatische vaststelling van het precieze tijdstip van ontvangst (punt 3° ) tegelijk van toepassing op de kandidaten of inschrijvers, en op de aanbestedende overheid.
       De overige voorwaarden zijn enkel van toepassing op de aanbestedende overheid.
       De tekst verduidelijkt in het laatste lid dat de voorwaarden van 3° tot 8° niet toepasselijk zijn op de met elektronische middelen opgestelde offertes die niet via deze middelen worden overgelegd. Het is immers mogelijk dat een schriftelijk stuk wordt opgesteld via elektronische middelen en via andere middelen wordt verzonden. Zo bijvoorbeeld wanneer het wordt weggeschreven naar een materiële informaticadrager (hardware) zoals CD, DVD, USB-apparaat, ... In dit geval zijn de regels voor de verzending per brief of per drager van toepassing.
       Volgens de bepaling onder 1° moet de handtekening een geavanceerde elektronische handtekening met een gekwalificeerd certificaat zijn, zoals bedoeld in Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor de elektronische handtekeningen en zoals bedoeld in de wet van 25 maart 2003 tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. Hieruit vloeit voort dat een aanvraag tot deelneming of offerte die werd ondertekend via een anoniem certificaat, moet worden verworpen. De geavanceerde elektronische handtekening garandeert o.a. de authenticiteit van de handtekening zelf maar ook de integriteit van de inhoud ervan. Zij laat bovendien perfect toe na te gaan of de offerte werd geopend of gewijzigd.
       Eén van de voorwaarden is dat de handtekening wordt gerealiseerd via een veilig middel voor het aanmaken van een handtekening. Volgens bijlage III van de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten, die Richtlijn 1999/93/EG omzet, moet een dergelijk middel, via passende technieken en procedures, ten minste waarborgen dat :
       - de gebruikte gegevens voor het aanmaken van een handtekening in de praktijk slechts eenmaal kunnen voorkomen en dat de vertrouwelijkheid ervan op redelijke wijze verzekerd is;
       - men redelijke zekerheid heeft dat de gebruikte gegevens voor het aanmaken van de handtekening niet door deductie kunnen worden achterhaald en dat de handtekening met de op dit ogenblik beschikbare technische middelen beschermd is tegen vervalsing;
       - de voor het aanmaken van de handtekening gebruikte gegevens door de legitieme ondertekenaar op betrouwbare wijze kunnen worden beschermd tegen het gebruik door anderen.
       Bovendien mogen de veilige middelen voor het aanmaken van een handtekening noch de te ondertekenen gegevens wijzigen, noch verhinderen dat die gegevens vóór het ondertekeningsproces aan de ondertekenaar worden voorgelegd.
       De bepalingen van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt, zijn ook van toepassing op de verzending via elektronische middelen.
       Bovendien heeft de wet van 20 oktober 2000 het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure ingevoerd.
       Volgens de bepaling onder 2° moet de integriteit van de inhoud van de verzending worden gewaarborgd. Zoals hierboven werd opgemerkt, is deze bepaling niet enkel van toepassing op de aanbestedende overheid, maar ook op de kandidaten of inschrijvers. Hieruit vloeit voort dat een aanvraag tot deelneming of offerte die een macro-opdracht bevat die het document kan wijzigen, zal worden geweerd. Macro-opdrachten die de inhoud van het document niet kunnen wijzigen, zijn daarentegen toegestaan. Er wordt voor dit punt verwezen naar de commentaar van artikel 6, § 2.
       Volgens de bepaling onder 3° moet, wanneer een verzending via elektronische middelen gebeurt, het tijdstip van ontvangst van het document kunnen worden bewezen door overlegging van een ontvangstbewijs dat automatisch door de bestemmeling aan de afzender wordt verstrekt.
       Op technisch niveau dienen de automatisch verzonden ontvangstbewijzen ten minste de datum en het uur van ontvangst te vermelden, alsook een refertenummer en het aantal en de naam van de elementen waaruit het bericht bestaat, m.a.w. de bijlagen. Het is niet nodig een kopie van het ontvangen bericht als bijlage toe te voegen.
       Volgens de bepalingen onder 4° en 5° wordt het vertrouwelijk karakter van de aanvragen tot deelneming en de offertes gewaarborgd door een systeem dat redelijkerwijs verzekert dat de overgemaakte gegevens voor niemand toegankelijk zijn vóór de uiterste datum en dat elke inbreuk zal worden opgespoord. Het is de bedoeling om via deze vereiste een waarborg te bieden die minstens gelijkwaardig is aan die geboden door de vormvereiste van de definitief gesloten omslag en de verzending onder gewone of dubbele omslag in geval van overhandiging via een postaldienst.
       Volgens de bepalingen onder 6° en 7° mogen enkel de aangestelde personen die handelen in naam van de aanbestedende overheid, de data van opening van de overgelegde gegevens vastleggen of wijzigen en kunnen ze, door hun gelijktijdig optreden, toegang verlenen tot deze gegevens op de vastgelegde uiterste datum en uur. De overgemaakte gegevens betreffen zowel de aanvragen tot deelneming als de offertes, de wijzigingen en intrekkingen van offertes, alsook de plannen en ontwerpen bij een ontwerpenwedstrijd. Deze bepalingen zijn daarentegen niet van toepassing op het onderzoek van de elektronische aanvragen tot deelneming of offertes en evenmin op de procedures van interne controle bij de aanbestedende overheid.
       Volgens de bepaling onder 8° zijn die vertrouwelijke gegevens, zowel in het geval van een aanvraag tot deelneming als van een offerte, na de opening ervan alleen toegankelijk voor de tot inzage aangestelde personen.
       Volgens de bepaling onder 9° mogen de te gebruiken hulpmiddelen niet discriminerend zijn en moeten algemeen voor het publiek beschikbaar zijn en verenigbaar met algemeen gebruikte informatie- en communicatiemiddelen. Ze moeten beschikbaar zijn voor alle betrokkenen. Ze worden beschreven in de opdrachtdocumenten.
       Bijgevolg worden aanvragen tot deelneming of offertes die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen die deze voorwaarden bevatten geweerd. Dit zal het geval zijn wanneer een offerte wordt ingediend op een materiële informaticadrager (hardware) zoals CD, DVD, USB-apparaat,... en die niet compatibel is met de door de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten aangeduide middelen.
       Paragraaf 2 laat het daarentegen aan de aanbestedende overheid over om voor elke opdracht waarvoor geen beroep wordt gedaan op het dynamisch aankoopsysteem of de elektronische veiling, te beslissen of het gebruik van elektronische middelen voor de indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes wordt opgelegd, toegestaan of verboden. Deze beslissing alsook, eventueel, het te gebruiken elektronisch adres worden vermeld in de opdrachtdocumenten. Indien deze vermeldingen ontbreken, is het gebruik van elektronische middelen verboden.
       Het tweede en derde lid van paragraaf 2 zorgen evenwel voor een versoepeling aangezien het onmogelijk of zeer moeilijk kan zijn om sommige documenten elektronisch beschikbaar te maken. In dat geval mogen de kandidaten en inschrijvers, indien de aanbestedende overheid het gebruik van elektronische middelen heeft toegestaan, deze documenten op papier bezorgen. Indien elektronische middelen verplicht zijn, dient de aanbestedende overheid zich vooraf akkoord te verklaren met het gebruik van papieren documenten.
       Zoals in de huidige reglementering bepaalt het vierde lid van paragraaf 2 dat de kandidaat of inschrijver die zijn aanvraag tot deelneming of offerte volledig of gedeeltelijk via elektronische middelen indient, aanvaardt dat bepaalde gegevens door de werking zelf van het ontvangstsysteem worden geregistreerd. Een dergelijke bepaling is vereist om reden dat de registratie van de activiteiten (logging) inzake ontvangst van de aanvragen tot deelneming of offertes absoluut noodzakelijk blijkt te zijn. Deze bepaling komt met name tegemoet aan de voorschriften van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
       Paragraaf 3 die handelt over de dubbele verzending en de veiligheidskopie stemt overeen met de huidige reglementering.
       In de praktijk kan het gebeuren dat de vastgestelde termijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes om diverse technische redenen wordt overschreden : de server van de aanbestedende overheid is overbelast omdat omvangrijke documenten gelijktijdig zijn binnengekomen, tijdelijke onbeschikbaarheid van de server die te wijten is aan de internetprovider van de kandidaat of de inschrijver, foute inschatting van de downloadtermijnen door de inschrijver, enz. In dat geval is slechts een deel van de offerte tijdig "toegekomen". De gekozen concrete oplossing bestaat erin dat enkel een vereenvoudigd document mag worden ingediend op het uiterste ogenblik van de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes. Dit document bevat hun identiteit, de elektronische handtekening van hun volledige aanvraag tot deelneming of offerte en, in voorkomend geval, het bedrag van hun offerte. De elektronische handtekening op de vereenvoudigde zending moet dus verplicht betrekking hebben op de volledige aanvraag tot deelneming of offerte. Via deze elektronische handtekening wordt de integriteit gewaarborgd van de inhoud van het document dat later wordt verzonden. Ook dit vereenvoudigd document moet elektronisch worden ondertekend omdat het geldt als aanvraag tot deelneming of offerte.
       Het downloaden van de volledige offerte binnen de daaropvolgende vierentwintig uur biedt een oplossing voor dit technisch probleem. Vanzelfsprekend mag de periode van vierentwintig uur enkel volgen op het uiterste ogenblik van de ontvangst van de offerte en er niet aan voorafgaan. Zo niet zal hetzelfde probleem opduiken na afloop van deze periode. Na de opening mag niets meer worden gewijzigd aan de offerte. In geval van offertes neemt de voorzitter van de zitting, bij de opening, kennis van de vereenvoudigde offerte die de verplichte vermeldingen voor de voorlezing bevat. De elektronische handtekening op de vereenvoudigde offerte authentificeert de inschrijver.
       Via de elektronische handtekening op de vereenvoudigde offerte wordt de integriteit nagegaan van de volledige offerte die later wordt verzonden.
       Bovendien, om eventuele technische moeilijkheden van allerlei aard te verhelpen die deze overlegging nog zouden kunnen verstoren, met name indien de over te leggen offertes zeer omvangrijk zijn, kunnen de kandidaten of inschrijvers hun offerte bovendien overleggen via een dubbele zending met een " veiligheidskopie ". Deze veiligheidskopie bevat de volledige inhoud van de oorspronkelijke offerte die aan de aanbestedende overheid werd overgemaakt. Ze kan worden overgelegd op een elektronische fysieke drager (CD-Rom, DVD-Rom, USB-sleutel...) of op een papieren drager. Ze wordt gericht aan de aanbestedende overheid, gelijktijdig met de verzending van de oorspronkelijke offerte, onder gesloten omslag en met de verplichte vermelding : " Veiligheidskopie ". De documenten die deze drager bevat, moeten met de hand worden ondertekend indien het om een papieren drager gaat of elektronisch worden ondertekend indien het om een elektronische drager gaat. Deze veiligheidskopie mag slechts worden geopend in geval van een tekortkoming bij de overlegging, de ontvangst of de opening van de aanvraag tot deelneming of van de offerte die via elektronische middelen wordt overgelegd. Eens geopend, vervangt deze kopie definitief het document dat ze heeft bewaard. Op de veiligheidskopie zijn voor het overige alle regels toepasselijk die gelden voor offertes, zowel vóór als na de opening ervan.
       Indien de aanbestedende overheid een of beide werkwijze toestaat, geeft zij dit aan in de aankondiging van opdracht of in de andere opdrachtdocumenten.
       Art. 55. Paragraaf 1 van dit artikel bepaalt dat de aanbestedende overheid in de aankondiging van opdracht of, bij ontstentenis daarvan, in de andere opdrachtdocumenten één of meer talen moet vermelden die de kandidaten of inschrijvers mogen gebruiken voor het opstellen van hun aanvraag tot deelneming of hun offerte, met inbegrip van de eventuele bijlagen. Deze bepaling doet overigens geen afbreuk aan de toepassing van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 wat betreft het opstellen van de opdrachtdocumenten.
       Een advies in die zin werd op 13 januari 1980 gegeven door de Commissie voor taaltoezicht. Dit advies had betrekking op het gebruik van de talen bij het opstellen van aankondiging van opdracht, die mededelingen ten behoeve van het publiek zijn.
       Daarentegen heeft de bedoelde Commissie in hetzelfde advies de overweging gemaakt dat een offerte uitgaande van een onderneming, niet dient te worden gerangschikt onder de documenten opgelegd door de wet of de reglementering in de zin van artikel 52 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Evenwel heeft ze onderstreept dat een aanbestedende overheid het recht heeft om van geïnteresseerde ondernemingen te eisen dat ze zich van een bepaalde taal bedienden.
       Indien de opdrachtdocumenten geen enkele verduidelijking bevatten, beslist de aanbestedende overheid of het gebruik van een andere taal dan die van de aankondiging van opdracht of, bij ontstentenis daarvan, van de andere opdrachtdocumenten wordt aanvaard.
       Overeenkomstig het bepaalde in artikel 61, 1°, van het ontwerp kan de aanbestedende overheid met het oog op de selectie aan de kandidaten of de inschrijvers uiteraard steeds een vertaling vragen van de documenten die bij hun aanvraag tot deelneming of offerte zijn gevoegd.
       Paragraaf 2 stemt overeen met de huidige reglementering, betreffende de interpretatie van het contract indien meerdere talen worden gebruikt. Het toepassingsveld van deze bepalingen wordt evenwel uitgebreid tot de aanvragen tot deelneming.
       Art. 56. Dit artikel stemt overeen met de huidige reglementering, volgens dewelke een inschrijver slechts één offerte per opdracht mag indienen, onverminderd eventuele varianten. Paragraaf 1 breidt deze regel expliciet uit tot de aanvragen tot deelneming.
       Deze bepaling staat niet in de weg dat de deelnemers aan een concurrentiedialoog meerdere oplossingen mogen voorstellen, die desgevallend allemaal het voorwerp zullen uitmaken van een eindofferte.
       Als het indienen van vrije varianten mogelijk is, kunnen er meerdere varianten worden ingediend, zelfs voor één of meerdere posten, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten.
       Een gedeelte van het tweede lid van paragraaf 2 is nieuw in vergelijking met de huidige reglementering. Hierin wordt bepaald dat de opdrachtdocumenten het aantal percelen kunnen beperken waarvoor een inschrijver een offerte mag indienen wanneer de aard van een bepaalde opdracht dit vereist. Het betreft dus een uitzondering op het algemene principe dat een inschrijver het recht heeft om een offerte in te dienen voor alle percelen van een opdracht.
       Die uitzondering kan bijvoorbeeld nuttig zijn om de bevoorradingszekerheid van bepaalde strategische producten te waarborgen, misbruik van machtspositie op een kleine markt te voorkomen, overheidsopdrachten toegankelijk te maken voor kleine en middelgrote ondernemingen, te vermijden dat het voor een onderneming materieel onmogelijk zou zijn om een groter aantal percelen naar behoren uit te voeren, enz.
       Deze bepaling heeft dus zeker niet tot doel om deze beperkingen te veralgemenen. Daarom zal later een afzonderlijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, worden genomen om de strikte voorwaarden, waarin dit uitzonderlijk geval kan worden toegepast, te verduidelijken en te specificeren.
       Art. 57. Het eerste lid van dit artikel herinnert aan de regel van de huidige reglementering volgens dewelke, bij procedures die twee fasen omvatten, enkel de geselecteerden een offerte mogen indienen. Het toepassingsgebied is ten opzichte van de huidige reglementering verruimd met de concurrentiedialoog.
       Overeenkomstig het tweede lid dient de aanbestedende overheid die aan een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid die minstens één geselecteerde en één of meer niet-geselecteerden omvat, toestemming wenst te geven om een offerte in te dienen, dit in de opdrachtdocumenten te vermelden. Bij ontstentenis van zulke vermelding is de indiening van een dergelijke offerte dus niet toegelaten en zal deze dan ook onregelmatig zijn.
       Het derde lid vormt een nieuwe bepaling die het mogelijk maakt om, bij dezelfde procedures, in de opdrachtdocumenten het gezamenlijk indienen van één enkele offerte door meerdere geselecteerden te beperken of te verbieden. Deze bepaling strekt ertoe een voldoende mededinging te garanderen, met name wanneer het aantal geselecteerden beperkt is en bijgevolg het risico bestaat dat laatstgenoemden een offerte zouden indienen binnen één enkele combinatie.
       Art. 58. Deze bepaling neemt in gewijzigde vorm de relevante bepalingen van de huidige reglementering over. Ze regelt het geval waarbij een inschrijver-natuurlijk persoon zich omvormt in een rechtspersoon tussen het tijdstip waarop de offerte wordt ingediend en dat waarop de opdracht wordt gegund. Dit artikel verplicht de aanbestedende overheid er voortaan toe deze offerte in aanmerking te nemen en bepaalt dat de inschrijver-natuurlijk persoon de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uitvoering van de opdracht blijft dragen. Zo niet zouden de aan de aanbestedende overheid geboden garanties immers kleiner worden, aangezien een inschrijver-rechtspersoon, in tegenstelling tot een inschrijver-natuurlijk persoon niet onbeperkt gebonden is door zijn roerende en onroerende goederen.
       Afdeling 6. - Verbintenistermijn
       Art. 59. Deze bepaling betreffende de verbintenistermijn van de inschrijvers, stemt overeen met de huidige reglementering en breidt het uit naar alle gunningsprocedures. Een uitzondering voor de onderhandelingsprocedures is opgenomen in artikel 111, § 2. De termijn die van toepassing is bij gebrek aan een andere termijn in de opdrachtdocumenten, wordt evenwel verlengd van zestig tot negentig dagen. Deze laatste termijn blijkt in de praktijk immers beter te beantwoorden aan wat nodig is voor een grondig onderzoek van de offertes. Wanneer de verbintenistermijn in de opdrachtdocumenten is bepaald, dient de aandacht erop te worden gevestigd dat een te ruime termijn een negatieve financiële weerslag kan hebben voor de aanbestedende overheid. Er moet dus geval per geval een gepaste termijn worden bepaald, rekening houdend met het voorwerp van de opdracht en de verplichtingen van de aanbestedende overheid.
       De bepaling van de huidige reglementering volgens dewelke de inschrijvers bij aanbesteding of offerteaanvraag, de verbintenistermijn van hun offerte zelf bepalen indien het bestek dit toestaat, is niet overgenomen. Het leek aangewezen om voor een eenvormige aanpak te kiezen ongeacht de aard van de opdracht, teneinde de vergelijkbaarheid van de offertes te vergemakkelijken.
       Het tweede lid bevestigt de praktijk waarbij de aanbestedende overheid aan de inschrijvers een vrijwillige verlenging van de verbintenistermijn kan vragen wanneer die bijna verstreken is. Deze bepaling geldt onverminderd de artikelen 108 en 109 indien de inschrijvers, bij aanbesteding of offerteaanvraag, geen gevolg geven aan dit verzoek.
       HOOFDSTUK 5. - Selectie kandidaten en inschrijvers - Toegangsrecht en kwalitatieve selectie
       Afdeling 1. - Algemene bepalingen
       Art. 60. Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met de huidige reglementering.
       Volgens paragraaf 1 gebeurt de selectie op basis van, enerzijds, de bepalingen betreffende het toegangsrecht die vervat zijn in de artikelen 63 tot 68 en, anderzijds, van de kwalitatieve selectiecriteria als bedoeld in de artikelen 69 tot 84.
       Het eerste lid, 2° bepaalt dat de kwalitatieve selectiecriteria van financiële, economische, technische aard of inzake beroepsbekwaamheid verband moeten houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht. De aanbestedende overheid moet tevens het vereiste niveau bepalen van deze criteria.
       Zo moet in het kader van procedures die één enkele fase omvatten, de aanbestedende overheid alle inschrijvers selecteren die aan haar minimale eisen voldoen, zonder hierbij onder hen te mogen kiezen. Deze verplichting is bevestigd door de rechtspraak van de Raad van State (zie RvSt, arrest nr. 169.657 van 7 juni 2006, sprl ARCHI + I).
       Paragraaf 2 van hetzelfde artikel herformuleert in de twee eerste leden een bepaling van de huidige reglementering.
       Het eerste lid van paragraaf 2 bepaalt dat er minimum vijf kandidaten moeten zijn bij beperkte procedure en minimum drie bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking en concurrentiedialoog.
       Het aantal geselecteerden moet in elk geval voldoende zijn om een daadwerkelijke mededinging te waarborgen, inderdaad voor zover er voldoende geschikte kandidaten zijn.
       Het tweede lid van paragraaf 2 betreft de verplichte vermelding in de aankondiging van opdracht van het minimum en, in voorkomend geval, het maximumaantal kandidaten dat de aanbestedende overheid, bij dezelfde procedures, wenst uit te nodigen om een offerte in te dienen. Deze bepaling is enkel van toepassing op de opdrachten waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is.
       Om de essentie van een procedure die gepaard gaat met een voorafgaande selectie optimaal te benutten, kan de aanbestedende overheid op wettige wijze en op grond van een objectief gemotiveerde keuze steunende op de selectiecriteria, het aantal kandidaten beperken dat zij uiteindelijk kiest en aan dewelke zij zal vragen een offerte in te dienen. Zo kan de aanbestedende overheid, wanneer bijvoorbeeld vijftien kandidaten in verschillende mate zouden voldoen aan de gestelde voorwaarden, beslissen dit aantal zodanig te verminderen dat enkel de meest geschikte kandidaten overblijven, rekening houdend met de moeilijkheidsgraad van de betrokken opdracht, alsook met de mogelijkheden waarover de aanbestedende overheid beschikt voor het onderzoek van een groot aantal offertes.
       In de loop van eenzelfde procedure mag de aanbestedende overheid geen andere belangstellenden opnemen die niet om deelname hebben gevraagd.
       Het minimumaantal moet enkel worden gerespecteerd voor zover er zich een voldoend aantal geschikte kandidaten aandienen. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie mag dit minimumaantal in de aankondiging van opdracht anderzijds niet als een maximumaantal worden aangeduid (HvJ arrest van 26 september 2000, C-225/98, Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Franse Republiek).
       Daarentegen is de aanbestedende overheid gebonden door het maximumaantal kandidaten dat zij eventueel heeft vermeld. Uitzonderlijk kan de aanbestedende overheid evenwel een groter aantal kandidaten selecteren, voor zover het niet mogelijk is tussen een aantal onder hen een keuze te maken.
       In elk geval moet het aantal kandidaten dat uiteindelijk wordt geselecteerd, voldoende groot zijn om een werkelijke mededinging te garanderen. Uiteraard geldt deze eis enkel voor zover er zich voldoende geschikte kandidaten hebben aangediend naar aanleiding van de bekendgemaakte aankondiging van opdracht. Dit wordt bevestigd door het Hof van Justitie (HvJ, arrest van 15 oktober 2009, C-138/08, Hochtief en Linde).
       Het derde lid van paragraaf 2 is een nieuwe bepaling die voorziet in de omzetting van artikel 38. 3, derde alinea, van de richtlijn. Volgens deze bepaling kan de aanbestedende overheid, als zij het nodig acht om voldoende mededinging te waarborgen, de procedure schorsen door een nieuwe termijn te bepalen voor de indiening van de aanvragen tot deelneming. Alhoewel de richtlijn hierover niets vermeldt, vereist de naleving van het gelijkheidsbeginsel dat dezelfde termijn wordt nageleefd als die welke tijdens de eerste bekendmaking is bepaald.
       De kandidaten die na deze twee bekendmakingen zijn geselecteerd, worden vervolgens uitgenodigd om een offerte in te dienen.
       Paragraaf 3 bevat een nieuwe bepaling betreffende de kwalitatieve selectie bij opdrachten in percelen.
       In geval van percelen moet de aanbestedende overheid de mogelijkheid hebben om over te gaan tot de kwalitatieve selectie van de kandidaten of inschrijvers in twee fasen.
       De aanbestedende overheid kan kwalitatieve selectiecriteria bepalen volgens dewelke de kandidaten of de inschrijvers moeten voldoen aan de minimumeisen inzake draagkracht voor elk van de percelen waarvoor ze een aanvraag tot deelneming of een offerte hebben ingediend, aangezien elk perceel afzonderlijk kan worden gegund. De aanbestedende overheid kan bovendien ook minimumeisen opleggen indien meerdere percelen worden gegund aan dezelfde inschrijver, doorgaans met het oog op een gelijktijdige uitvoering.
       Het is immers mogelijk dat de financiële en economische draagkracht van de inschrijver (met name in het licht van de eventueel noodzakelijke investeringen) of diens technische en beroepsbekwaamheid (bijvoorbeeld wat het beschikbare personeelsbestand betreft) beperkt is tot de uitvoering van een gering aantal percelen ten opzichte van alle percelen die hem kunnen worden gegund.
       Enkel in het stadium van de gunning van de opdracht kan worden nagegaan of aan deze laatste eisen is voldaan, wanneer de rangschikking van de verschillende offertes voor de betrokken percelen gekend is.
       Paragraaf 4 bevat tevens een bepaling over de mogelijkheid tot herziening van de selectie.
       Eens over de selectie is beslist, worden de geselecteerden geacht zich niet in een toestand van uitsluiting te bevinden, en in staat te zijn de opdracht uit te voeren.
       Dit vermoeden vervalt echter wanneer de aanbestedende overheid na de selectie, maar vóór de gunning vaststelt dat één van de geselecteerden of inschrijvers zich in een toestand van uitsluiting bevindt.
       Tevens bestaat het risico dat de toestand van een geselecteerde verslechtert, met name wanneer de gunningsprocedure veel tijd in beslag neemt. Dat is bijvoorbeeld het geval voor een beperkte procedure wanneer een vrij lange termijn verloopt tussen de indiening van de aanvragen tot deelneming en de verzending naar de geselecteerden van de uitnodiging tot het indienen van een offerte. Hetzelfde geldt wanneer de opdracht voor akkoord moet worden voorgelegd aan toezichthoudende of subsidiërende overheden. Dit kan eveneens het geval zijn voor offertes die betrekking hebben op technisch ingewikkelde opdrachten.
       Bovendien kan het gebeuren dat, wanneer de aanbestedende overheid overeenkomstig artikel 42, § 2, een lijst van geselecteerden heeft opgesteld die maximum drie jaar geldig is, de toestand van een onderneming wijzigt tussen het tijdstip waarop de lijst is opgesteld en de aanwending ervan bij de aanvang van de opdracht. Hetzelfde geldt bij gebruik van een kwalificatiesysteem overeenkomstig artikel 42, § 3.
       Het is dan ook mogelijk dat een geselecteerde in een beperkte procedure of een onderhandelingsprocedure met bekendmaking, of een inschrijver die op basis van de verkregen inlichtingen en documenten voor selectie in aanmerking komt in een open procedure en vereenvoudigde onderhandelingsprocedure, bijvoorbeeld zijn financiële en economische draagkracht ongunstig ziet evolueren zonder daarom in een toestand van uitsluiting te belanden.
       Zoals reeds voorzien in de omzendbrief van de Eerste Minister van 10 februari 1998 betreffende de kwalitatieve selectie van aannemers, leveranciers en dienstverleners, kan de aanbestedende overheid, op basis van nieuwe elementen, haar beoordeling inzake de selectie van de onderneming herzien. De regel is immers dat een opdracht maar kan worden gegund aan een onderneming met voldoende draagkracht.
       Deze herziening mag in geen geval leiden tot de regularisering van een kandidaat of inschrijver die zich wat betreft de voor de selectie in aanmerking te nemen referentieperiode, niet in de voorwaarden voor selectie bevond. Dit betekent ook dat een niet-geselecteerde in een later stadium niet meer kan worden opgevist om de plaats in te nemen van de weggevallen geselecteerde.
       Art. 61. Dit artikel voegt bepalingen samen die over verschillende artikelen van de huidige reglementering zijn verspreid en die betrekking hebben op de informatie en de aanvullende inlichtingen die de kandidaten of inschrijvers op verzoek van de aanbestedende overheid moeten verstrekken.
       Krachtens de bepaling onder 1° kunnen de kandidaten of inschrijvers verzocht worden de ingediende inlichtingen en documenten in het kader van de kwalitatieve selectie aan te vullen of toe te lichten. De mogelijkheid waarover de aanbestedende overheid beschikt om aanvullende inlichtingen te vragen, betekent niet dat de kandidaten en inschrijvers in dit verband rechten kunnen doen gelden. Het kan de aanbestedende overheid dus niet kwalijk worden genomen dat zij geen aanvullingen heeft gevraagd.
       Het gebeurt immers dat kandidaten of inschrijvers bepaalde inlichtingen of documenten niet meedelen, of zelfs helemaal niets meedelen, terwijl de aanbestedende overheid die nodig heeft om hun bekwaamheid te kunnen beoordelen. Indien geen enkele inlichting of document werd meegedeeld of bepaalde inlichtingen of documenten ontbreken, kan de aanbestedende overheid tot de niet-selectie van de kandidaten of inschrijvers besluiten. Het komt evenwel vaker voor dat enkel een bepaalde inlichting of document niet werd meegedeeld, dubbelzinnig of onvolledig is. In dat geval moet de aanbestedende overheid een beslissing nemen, rekening houdend met de grondbeginselen inzake mededinging, behoorlijk bestuur en gelijkheid. Zodoende zal de aanbestedende overheid :
       - wat de financiële en economische draagkracht betreft, moeten nagaan of de kandidaat of inschrijver aangetoond heeft dat hij niet in staat was de gevraagde referenties als bewijs van zijn draagkracht voor te leggen en gevraagd heeft of hij die mag bewijzen met een ander door de aanbestedende overheid daartoe geschikt geacht document;
       - wat de uitsluitingsgronden en de financiële en economische draagkracht, alsook de technische en beroepsbekwaamheid betreft, de kandidaten of inschrijvers kunnen vragen om de niet meegedeelde inlichtingen of documenten en deze die reeds in haar bezit zijn, te vervolledigen of te verduidelijken, teneinde de mededinging uit te breiden. Een dergelijke vraag of uitnodiging moet gebeuren ten aanzien van alle kandidaten of inschrijvers die zich in een gelijkaardige situatie bevinden. In een open procedure tast dit geenszins het onveranderlijk karakter van de offertes aan. Weliswaar mogen geen bijkomende eisen worden gesteld dan deze waarin oorspronkelijk was voorzien.
       Indien inlichtingen of documenten uitgaande van een overheidsinstantie opgesteld zijn in een andere taal dan één van de officiële Belgische talen, kan de aanbestedende overheid de kandidaten of inschrijvers een vertaling vragen, indien zij dit nodig acht.
       Volgens de bepaling onder 2° kan de aanbestedende overheid, in eender welk stadium van de procedure en met alle middelen die zij nuttig acht, maar onverminderd artikel 62, inlichtingen inwinnen over de situatie van de kandidaat of inschrijver. Een dergelijke bepaling is tot op heden enkel uitdrukkelijk opgenomen voor het toezicht op de naleving door de kandidaten en inschrijvers van hun verplichtingen inzake sociale zekerheid.
       De bepaling onder 3° stemt overeen met de huidige reglementering en betreft de overlegging door de rechtspersonen van hun statuten of vennootschapsakten en van de eventuele vertaling ervan.
       Er is geen gevolg gegeven aan de aanbeveling van de Raad van State om inzake de in artikel 61, 3°, vermelde inlichtingen en documenten te expliciteren dat documenten en inlichtingen worden bedoeld die niet met toepassing van de wet van 16 januari 2003 kunnen worden verkregen. Artikel 62, § 1, voorziet immers reeds in een bepaling die ertoe strekt de kandidaten of inschrijvers vrij te stellen van de verplichting om documenten en inlichtingen over te leggen wanneer de aanbestedende overheid via elektronische middelen kosteloos toegang heeft tot die inlichtingen of documenten. De bepaling van artikel 62, § 1, heeft bovendien een ruimere draagwijdte dan wat de Raad van State voorstaat, aangezien die bepaling niet is beperkt tot de documenten en inlichtingen als bedoeld in artikel 61, 3°, maar ook strekt tot de documenten en inlichtingen van artikel 61, 1° en 2°, en die bepaling evenmin beperkt blijft tot de documenten en inlichtingen die met toepassing van de Kruispuntbank van ondernemingen kunnen worden verkregen, maar ook andere elektronische databanken beoogt.
       Art. 62. Dit artikel bevat twee bepalingen die kaderen in de maatregelen inzake administratieve vereenvoudiging.
       Paragraaf 1 beoogt de elektronische raadpleging van de inlichtingen en documenten uitgaande van overheidsinstanties die het mogelijk maken de persoonlijke toestand en de bekwaamheid van de kandidaten en inschrijvers te verifiëren. Hij stemt overeen met bepalingen die zijn verspreid over verschillende artikelen van de huidige reglementering. Indien de aanbestedende overheid, bijvoorbeeld om technische redenen, geen elektronische toegang (meer) zou hebben tot de inlichtingen of documenten, kan zij toepassing maken van artikel 61.
       Volgens de nieuwe bepaling van paragraaf 2 moet een kandidaat of inschrijver, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten, de gevraagde inlichtingen en documenten voor een bepaalde opdracht van dezelfde aanbestedende overheid, niet voorleggen indien hij dit reeds gedaan heeft voor een andere opdracht. Ze is van toepassing onder de volgende voorwaarden :
       - de kandidaat of inschrijver moet in zijn aanvraag tot deelneming of offerte de referenties van de vorige procedure vermelden;
       - de bedoelde inlichtingen en documenten beantwoorden aan de gestelde voorwaarden (het RSZ-attest moet bijvoorbeeld verwijzen naar hetzelfde voorlaatste kalenderkwartaal).
       Afdeling 2. - Toegangsrecht
       Art. 63. Paragraaf 1 van dit artikel geeft uitvoering aan artikel 20, tweede lid, van de wet. Vier van de erin opgesomde gevallen stemmen overeen met die vermeld in de huidige reglementering. De bepaling onder 4° vermeldt evenwel een bijkomend geval betreffende de terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten. De opgesomde gevallen geven aanleiding tot de verplichte uitsluiting van de toegang tot de opdracht. Van dit voorschrift mag slechts worden afgeweken om dwingende redenen van algemeen belang. Deze gevallen, waarmee rekening dient te worden gehouden in eender welk stadium van de procedure, werden uiteengezet in de memorie van toelichting bij de wet, waarnaar wordt verwezen.
       Paragraaf 2 vermeldt de gevallen waarin een kandidaat of inschrijver kan worden uitgesloten van de toegang tot de opdracht, en dit onverminderd de wetgeving houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken die de verplichte basisvoorschriften bevat in het kader van de plaatsing van overheidsopdrachten voor werken. Deze gevallen stemmen overeen met die opgenomen in de huidige reglementering. Het begrip " gerechtelijk akkoord " werd evenwel vervangen door " gerechtelijke reorganisatie ", overeenkomstig de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen. Ter herinnering : de aanbestedende overheid is niet verplicht alle in paragraaf 2 vermelde uitsluitingsgronden toe te passen.
       Voor de in deze bepaling opgesomde gevallen is de aanbestedende overheid dus niet verplicht de kandidaat of inschrijver van deelname aan de opdracht uit te sluiten. Niettemin houdt het beginsel van behoorlijk bestuur in dat een aanbestedende overheid zich niet met dergelijke kandidaten of inschrijvers inlaat. Alleen bij uitzondering, bijvoorbeeld wanneer een onderneming in moeilijkheden over een monopolie beschikt voor de levering van goederen bestemd voor de voltooiing van een installatie, zou de aanbestedende overheid een beslissing kunnen rechtvaardigen waarbij ze de betrokken onderneming toegang verleent tot de opdracht.
       Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie in het arrest van 16 december 2008, C-213/07, Michaniki, dient deze bepaling aldus te worden uitgelegd dat ze een limitatieve opsomming bevat van de uitsluitingsgronden voor de deelname aan een overheidsopdracht voor werken, die gebaseerd zijn op criteria inzake beroepsbekwaamheid. Ze belet een lidstaat evenwel niet om, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, andere uitsluitingsmaatregelen te bepalen om de transparantie en de gelijke behandeling van de inschrijvers te waarborgen.
       Aangaande de bepalingen onder 1° en 2° die met name de gerechtelijke reorganisatie en elke vergelijkbare situatie beogen, wordt opgemerkt dat de aanbestedende overheid elk geval zorgvuldig dient te onderzoeken teneinde een te strakke toepassing van de bepaling van paragraaf 2 te vermijden, rekening houdend met de bijzonderheden van de wetgeving die van toepassing is op de gerechtelijke reorganisatie, met name op Belgisch niveau.
       Nieuw in vergelijking met de huidige reglementering zijn de bepalingen onder 3°, 4° en 5° die expliciet verwijzen naar een veroordeling inzake de uitvoer van defensie- en/of veiligheidsmateriaal, respectievelijk de beroepsfout op het vlak van gegevensbeveiliging of bevoorradingszekerheid en het gebrek aan betrouwbaarheid inzake de uitsluiting van risico's voor de veiligheid van de staat.
       De paragrafen 3 en 4 gaan nader in op de bewijsstukken die in aanmerking kunnen worden genomen en bevatten bepalingen die gedeeltelijk overeenstemmen met die van de huidige reglementering.
       In het eerste lid van paragraaf 3 worden de documenten of getuigschriften vermeld op basis waarvan de verificatie van de toestand inzake de in de paragrafen 1 en 2 vermelde uitsluitingsgronden gebeurt.
       Het tweede lid voorziet, zoals vandaag, in alternatieve bewijsmiddelen voor het geval de in het eerste lid bedoelde documenten of getuigschriften niet worden uitgereikt in het betrokken land of daarin niet alle in § 1 en in § 2, 1°, 2°, 3°, bedoelde gevallen worden vermeld. Het gaat meer bepaald om de verklaring onder eed en de plechtige verklaring.
       De tekst van het ontwerp verschilt op dit vlak van de formulering van de huidige reglementering, in de zin dat voor het gebruik van de voornoemde alternatieve bewijsmiddelen niet langer een keuzemogelijkheid bestaat.
       Wanneer de voormelde documenten of getuigschriften in het betrokken land niet worden uitgereikt of niet toereikend zijn, dient voortaan in eerste instantie een beroep te worden gedaan op de verklaring onder eed, en staat de mogelijkheid van de plechtige verklaring enkel open wanneer in het betrokken land niet in een eed is voorzien.
       Hierbij dient te worden onderstreept dat de verklaring onder eed niet mag worden verward met de verklaring op erewoord zoals bedoeld in paragraaf 4 hierna.
       Met de verklaring onder eed wordt verwezen naar een specifiek systeem dat in sommige landen bestaat en waarbij via een bevoegde instantie aan verklaringen bewijskracht wordt verleend. Zo wordt in Groot-Brittannië de verklaring onder eed inzake sociale schulden afgelegd voor een " commissionner of oath ".
       Om de gelijkwaardigheid met de verklaring onder eed - waar het formeel karakter wordt verondersteld - te garanderen, wordt voor de plechtige verklaring expliciet vermeld dat ze moet worden afgelegd voor een gerechtelijke of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst.
       Paragraaf 4 vormt een nieuwe bepaling die aansluit bij de maatregelen inzake administratieve vereenvoudiging. Voor zover de aanbestedende overheid de in deze bepaling vermelde mogelijkheid aanwendt, volstaat een verklaring op erewoord van de kandidaten of inschrijvers waaruit blijkt dat zij zich niet in een uitsluitingstoestand bevinden als bedoeld in artikel 63, §§ 1 en 2. Deze verklaring kan expliciet zijn, wat betekent dat een gedateerd en ondertekend document bij de aanvraag tot deelneming of offerte moet worden gevoegd. Ze kan ook impliciet voortvloeien uit een bepaling in de aankondiging van opdracht of de andere opdrachtdocumenten dat door het loutere feit van de indiening van zijn aanvraag tot deelneming of offerte, de kandidaat of inschrijver verklaart zich niet in één van de daarin vermelde uitsluitingstoestanden te bevinden.
       Bij de meeste procedures in twee fasen zal het instrument van de verklaring op erewoord niet nuttig zijn gezien, enerzijds, de korte tijdspanne die er doorgaans ligt tussen de indiening van de aanvragen tot deelneming en de selectiebeslissing en, anderzijds, het soms beperkt aantal afgewezen aanvragen tot deelneming.
       De verklaring op erewoord mag niet worden gelijkgesteld met een bewijsmiddel. De aanbestedende overheid zal immers nog de echtheid van de verklaring op erewoord moeten onderzoeken. Daartoe verzoekt zij de kandidaten of inschrijvers die voor de selectie of de gunning van de opdracht in aanmerking komen de relevante inlichtingen of documenten voor te leggen alvorens de selectie- respectievelijk gunningsbeslissing te nemen. Indien zij conform artikel 62, § 1, via elektronische middelen kosteloos toegang heeft tot de bedoelde inlichtingen of documenten, verricht zij via die weg zelf het onderzoek voor zover dat mogelijk is.
       Ten slotte kan eraan worden herinnerd dat voor het verkrijgen van de nodige inlichtingen in toepassing van de paragrafen 3 en 4, desgevallend een beroep zal moeten worden gedaan op buitenlandse overheden. Wat de lidstaten van de Europese Unie betreft, bevat de website van de Europese Commissie (http://ec.europa.eu/internal_market/ publicprocurement/e-procurement/e-certis/index_fr.htm) informatie over de bewijsmiddelen en de nationale instanties die bevoegd zijn voor de afgifte van attesten.
       Art. 64. Dit artikel neemt grotendeels de bepalingen over van de huidige reglementering inzake de naleving van de sociale zekerheidsverplichtingen 1996. De paragrafen 1 en 2 van artikel 64 maken evenwel geen onderscheid meer naargelang de werkgever de Belgische of buitenlandse nationaliteit bezit, maar wel naargelang hij personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de Belgische sociale zekerheidswetgeving, dan wel aan die van een andere lidstaat. In geval beide stelsels van toepassing zijn, dienen, overeenkomstig paragraaf 3, zowel de bepalingen van paragraaf 1 als deze van paragraaf 2 te worden nageleefd.
       Wat het in België toepasselijke stelsel betreft, gelden vergelijkbare bepalingen als die vervat in de huidige reglementering. Nieuw is evenwel dat het volstaat dat het gevraagde attest betrekking heeft op het voorlaatste afgelopen kalenderkwartaal, ongeacht de datum waarop het opgesteld is. De kandidaat of inschrijver mag geen bijdrageschuld bezitten die groter is dan 3.000 euro (heden 2.500 euro), tenzij hij voor de schuld groter dan dit bedrag uitstel van betaling heeft gekregen waarvan hij de afbetalingen strikt in acht neemt. Bovendien blijft het huidige mechanisme behouden dat de kandidaat of inschrijver de mogelijkheid biedt zich te beroepen op schuldvorderingen die zeker, opeisbaar en vrij zijn van elke verbintenis tegenover derden en voortvloeien uit de uitvoering van overheidsopdrachten. Wat dit laatste punt betreft, volstaat het niet dat de betrokkene een factuur voorlegt. Hij moet zich kunnen beroepen op een document dat uitgereikt wordt door een aanbestedende overheid.
       De vermelding van de bestaanszekerheid is opgeheven. Deze verplichting betreft immers een beperkt aantal werknemers. Bovendien wordt de naleving ervan gecontroleerd bij de toekenning van de erkenning van de aannemers.
       Paragraaf 2 is toepasselijk op de kandidaten of inschrijvers die personeel tewerkstellen dat niet onderworpen is aan de Belgische sociale zekerheid. In dat geval moet de naleving van de sociale zekerheidsverplichtingen worden beoordeeld op grond van de wettelijke bepalingen van het land van vestiging. De vaststelling van de toestand gebeurt evenwel ten laatste op de uiterste dag bepaald voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes, en niet langer op de dag die aan deze datum voorafgaat.
       Paragraaf 3 behoeft geen commentaar.
       Paragraaf 4 bepaalt dat de aanbestedende overheid voor de opdrachten waarvan het geraamde bedrag 30.000 euro niet bereikt (heden 22.000 euro), zelf het onderzoek moet doen naar de naleving van de verplichtingen. Net zoals in het koninklijk besluit van 8 januari 1996 is de voorlegging van de attesten als bedoeld in de paragrafen 1 en 2 in dat geval dus niet vereist. Voor de bedoelde opdrachten vraagt de aanbestedende overheid de vereiste attesten zelf op bij de bevoegde instanties, wat eventueel kan gebeuren via elektronische middelen indien de aanbestedende overheid conform artikel 62, § 1, via deze middelen kosteloos toegang heeft tot de betrokken gegevens.
       Paragraaf 5 bevat een nieuwe bepaling toepasselijk op de kandidaten en inschrijvers die aan het sociale zekerheidsstelsel van de zelfstandigen zijn onderworpen. Hun toestand inzake betaling van de sociale bijdragen kan, voor de zelfstandigen die onderworpen zijn aan het in België toepasselijke stelsel, worden nagegaan aan de hand van een fiscaal attest dat wordt voorgelegd door de kandidaten of de inschrijvers. Dit attest wordt hen jaarlijks overgemaakt door het RSVZ.
       Een werkgever die het statuut van zelfstandige heeft en werknemers tewerkstelt, is verplicht om zowel een attest voor te leggen betreffende de sociale zekerheid van de zelfstandigen, voor zichzelf, als een attest betreffende de sociale zekerheid van de werknemers, voor deze laatste.
       Paragraaf 6 stemt overeen met de huidige reglementering. Hij bepaalt dat de overlegging van de attesten als bedoeld in de paragrafen 1 tot 5, niet vereist is bij de indiening van de offerte indien dit reeds gebeurde tijdens een eerste procedurefase betreffende de aanvragen tot deelneming, op voorwaarde dat deze attesten betrekking hebben op dezelfde periode. Hetzelfde geldt ingeval artikel 62 toepassing vindt.
       Art. 65. Dit artikel van het ontwerp vormt een nieuwe bepaling betreffende de naleving van de beroepsmatige fiscale verplichtingen door de kandidaten of inschrijvers. Deze verplichtingen hebben betrekking op de belasting over de toegevoegde waarde en de personen- of de vennootschapsbelasting, en eventueel ook op de belastingen verbonden aan de beroepsactiviteit die voortvloeien uit een gewestelijke of lokale reglementering, al naargelang de door de aanbestedende overheid geëxpliciteerde en niet-discriminerende eisen.
       Het adjectief " beroepsmatige " heeft de bedoeling het onderzoek uit te sluiten van de niet-beroepsmatige fiscale schulden, zoals de succesie- of de schenkingsrechten, het kijk- en luistergeld,... Zouden daarentegen wel in rekening kunnen worden gebracht, de belastingen op de motorkracht, de computers, de burelen, het stedelijk roerend goed, het drankverbruik, enzovoort. Het is evenwel aangewezen dat men zich beperkt tot de belangrijkste fiscale verplichtingen.
       Het fiscale attest bepaalt de toestand van de kandidaat of inschrijver op het einde van de laatste afgelopen fiscale periode.
       Het bewijs dat een kandidaat of inschrijver zijn fiscale verplichtingen heeft nagekomen, moet worden geleverd conform de wettelijke bepalingen van het land van vestiging.
       Wat de fiscale verplichtingen betreft die van toepassing zijn in België, creëren het tweede en derde lid van artikel 65 een stelsel dat vergelijkbaar is met dat bedoeld in artikel 64, § 1, voor de schulden ten aanzien van de RSZ. Verder bevatten ze de toepasselijke voorschriften indien er sprake is van schuldvorderingen die zeker, opeisbaar en vrij zijn van elke verbintenis tegenover derden.
       Art. 66. Dit artikel stemt overeen met de huidige reglementering betreffende het toegangsverbod. Het houdt enkel vormelijke wijzigingen in.
       Volgens deze bepaling is de aanbestedende overheid verplicht de ingediende aanvraag tot deelneming of offerte voor een overheidsopdracht voor werken, leveringen of diensten af te wijzen, indien de kandidaat of inschrijver belast werd met het onderzoek, de proeven, de studie of de ontwikkeling van die werken, leveringen of diensten, en die prestaties hem een voordeel verschaffen dat de normale mededingingsvoorwaarden vervalst. Dit zal vaak het geval zijn wanneer die persoon belast werd met de uitwerking van de opdrachtdocumenten en de nauwkeurige technische of architecturale opties heeft vastgelegd die overeenstemmen met degene waarmee hij het best vertrouwd is. Daarentegen zal dit normaal niet het geval zijn indien de eerste dienstverlening bijvoorbeeld tot doel had de algemene functionele voorschriften te bepalen die voor de uitvoering van een dergelijke opdracht door de meeste concurrenten zullen kunnen worden nageleefd.
       Alvorens daarover een gemotiveerde beslissing te nemen, moet de aanbestedende overheid de betrokken kandidaat of inschrijver evenwel per aangetekende brief vragen de schriftelijke verantwoordingen te bezorgen waarmee laatstgenoemde kan aantonen dat hij geen dergelijk voordeel geniet. Behalve indien een langere termijn is toegestaan, moeten deze verantwoordingen worden overgemaakt binnen twaalf kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de verzending van de aangetekende brief.
       Deze vormvereiste moet evenwel niet vervuld zijn indien de kandidaat of inschrijver deze verantwoordingen reeds op eigen initiatief bij zijn aanvraag tot deelneming of offerte heeft gevoegd.
       De tekst vermeldt eveneens dat de betrokken kandidaat of inschrijver het bewijs moet kunnen leveren dat de verantwoordingen zijn verzonden. Een aangetekende brief is dus aanbevolen.
       Paragraaf 2 heeft betrekking op de ondernemingen die verbonden zijn aan de betrokken kandidaat of inschrijver.
       De uitzondering vermeld in de huidige reglementering voor opdrachten die zowel de opstelling als de uitvoering van een ontwerp inhouden, is niet overgenomen in het ontwerp, daar deze geen reële inhoud heeft, en deze betreffende de opdrachten geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking nu is opgenomen in artikel 111, § 1, eerste lid, 2°, van dit ontwerp.
       Art. 67. Dit artikel bevat een nieuwe precisering die vermeld is in artikel 5.1, eerste alinea, van de richtlijn.
       Deze bepaling hoort logischerwijze eerder thuis bij de regels betreffende het toegangsrecht. Ze houdt in dat een kandidaat of inschrijver die gerechtigd is om prestaties uit te voeren in de lidstaat waar hij gevestigd is, niet mag worden afgewezen door een aanbestedende overheid louter op grond van het feit dat hij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is.
       Art. 68. Deze nieuwe bepaling strekt ertoe de situatie te verduidelijken van de combinaties zonder rechtspersoonlijkheid, meer bepaald in België de feitelijke verenigingen en de tijdelijke handelsvennootschappen. Met het oog op de terminologische coherentie is evenwel geopteerd voor de term "combinatie" die gebruikt wordt in Richtlijn 2009/81/EG.
       Afdeling 3. - Kwalitatieve selectie
       Afdeling 3 herschikt de voorschriften inzake kwalitatieve selectie die tot doel hebben de draagkracht van de kandidaten of inschrijvers te beoordelen. Deze bepalingen vermelden de referenties en bewijsstukken die de aanbestedende overheid kan vragen, maar niet het niveau ervan. Het komt dus toe aan de aanbestedende overheid om in de aankondiging van opdracht eenduidig de referenties te bepalen die zij wenst te ontvangen, alsook de niveaus die de ondernemingen moeten bereiken om voor de selectie in aanmerking te worden genomen. Bij de procedures die gepaard gaan met de bekendmaking van een aankondiging van opdracht, moeten de belangstellende kandidaten of inschrijvers in de aankondiging zelf kennis kunnen nemen van de gevraagde referenties en bewijsstukken. Eventueel kan bijkomend, doch niet uitsluitend, worden verwezen naar de bepalingen van andere documenten die beschikbaar zijn bij de aanbestedende overheid (bestek of selectieleidraad), waartoe vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang wordt verschaft via elektronische middelen.
       De aanbestedende overheid dient evenwel niet noodzakelijk alle gegevens op te vragen die vermeld zijn in de bepalingen betreffende de kwalitatieve selectie. Zij moet haar vraag afstemmen op het voorwerp van de opdracht en op wat haar noodzakelijk of nuttig lijkt om haar beslissing inzake selectie te nemen, en om deze beslissing te kunnen motiveren. Bijgevolg dient de aanbestedende overheid te vermijden gegevens op te vragen wanneer zij niet over de nodige interne of externe deskundigheid beschikt om deze te kunnen interpreteren.
       Art. 69. Dit artikel betreffende de financiële en economische draagkracht stemt overeen met de huidige reglementering.
       Paragraaf 1 bepaalt dat de aanbestedende overheid moet aanduiden welke van de in de bepalingen onder 1°, 2° en 3° vermelde referenties of welke andere bewijskrachtige referenties ze verlangt. Het Hof van Justitie was bijvoorbeeld van oordeel dat het verbod om een maximum aantal gelijktijdig uit te voeren werken te overschrijden, rekening houdend met de erkenningsklasse, één van die andere bewijskrachtige referenties inzake werken kan uitmaken (HJEG, arrest van 9 juli 1987, samengevoegde zaken 27/86 tot 29/86, Bellini en CEI).
       De referenties die kunnen worden gevraagd om de financiële en economische draagkracht te beoordelen, zijn derhalve niet limitatief opgesomd. Daarom worden de woorden " over het algemeen " gebruikt.
       Wat de bankverklaring betreft als bedoeld in de bepaling onder 1°, bevat bijlage 2 van dit besluit een verplicht te gebruiken model dat door de bank moet worden ingevuld teneinde een passende verklaring te kunnen voorleggen. Het gaat om een nieuwe bepaling die tot doel heeft een einde te stellen aan een tot op heden bestaande toestand waarbij de bankverklaringen vaak niet verder gaan dan verklaringen over de bekendheid en ze geen daadwerkelijke verklaringen vormen betreffende de financiële en economische draagkracht van de kandidaat of inschrijver. Uiteraard betreft deze verklaring in essentie de door de bank gekende financiële toestand en engageert de bank zich niet om uit eigen beweging toekomstige wijzigingen in deze toestand aan de aanbestedende overheid te signaleren.
       De bepaling onder 2° bevat een aanpassing, daar de tekst van de huidige reglementering zonder onderscheid verwijst naar de balansen, de uittreksels uit balansen en de jaarrekeningen. Nochtans zijn het niet enkel de balansen, maar ook andere boekhoudkundige documenten, zoals de resultatenrekening, die een zeker nut kunnen hebben bij de beoordeling van de financiële en economische draagkracht van een kandidaat of inschrijver.
       Wat de referentieperiode betreft, vermeldt Richtlijn 2009/81/EG het maximumaantal boekjaren enkel voor de omzet als bedoeld in de bepaling onder 3°. Voor de toepassing van de bepaling onder 2° kan het verzoek daarentegen betrekking hebben op een periode die de drie laatste boekjaren overschrijdt.
       Paragraaf 2, tweede lid, heeft betrekking op het geval waarin een kandidaat of inschrijver niet in staat is om de referenties over te leggen die de aanbestedende overheid heeft gevraagd overeenkomstig deze paragraaf.
       Art. 70. De bepaling onder 1° van dit artikel stemt overeen met de huidige reglementering die het mogelijk maken de technische of beroepsbekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers te beoordelen op grond van hun knowhow, efficiëntie, ervaring en betrouwbaarheid.
       Zo kunnen deze referenties gehanteerd worden voor bepaalde opdrachten voor werken, bijvoorbeeld de restauratie van beschermde gebouwen waarvoor de ondercategorie D 23 inzake erkenning voor aannemers te algemeen is.
       De bepaling onder 2° verruimt die bepaling, die tot op heden enkel van toepassing was op de opdrachten voor diensten, tot de opdrachten voor werken en de opdrachten voor leveringen waarvoor plaatsings- of installatiewerkzaamheden nodig zijn. Volgens de bepaling kunnen rechtspersonen worden verplicht de namen en de beroepskwalificaties te vermelden van de personen die belast zijn met de uitvoering.
       Art. 71. Zoals in de huidige reglementering bevat dit artikel een opsomming van de referenties die kunnen worden gevraagd voor de opdrachten voor werken, teneinde de technische en beroepsbekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers te beoordelen.
       Het combineren van de artikelen 70 en 71 voor de in artikel 70 bedoelde opdrachtcategorieën kan als volgt gebeuren : de aanbestedende overheid die, overeenkomstig artikel 70, de bekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers kan beoordelen aan de hand van met name hun knowhow, efficiëntie, ervaring en betrouwbaarheid, beschikt over veel speelruimte bij het bepalen van het soort referenties dat ze in aanmerking neemt. Zo kan ze kiezen voor andere referenties dan die vermeld in artikel 71, bijvoorbeeld voor een ISO-certificering indien dit aangewezen is. Wanneer ze zich nochtans tegelijk steunt op de artikelen 70 en 71, kan ze de referenties van dit laatste artikel aanpassen aan de bijzondere eisen van de opdracht in kwestie. Indien ze daarentegen uitsluitend opteert voor de toepassing van artikel 71, moet de aanbestedende overheid aan de in dit laatste artikel beschreven voorschriften voldoen (voor de in de bepaling onder 5° vermelde verklaring betreffende de personeelsbezetting, moet ze zich bijvoorbeeld beperken tot de laatste drie jaar).
       Wat betreft de opdrachten waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is, volgt uit artikel 75 van dit ontwerp dat geen andere referenties mogen worden verlangd dan die opgesomd in de artikelen 70 en 71.
       Art. 72. Zoals de huidige reglementering gaat artikel 72 nader in op de reglementering houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken waarvan de bepalingen dienen te worden toegepast in het kader van de kwalitatieve selectie. Het eerste en het tweede lid herinneren aan de drie door deze reglementering toegestane bewijsmiddelen, namelijk de overlegging hetzij van een Belgisch erkenningsgetuigschrift, hetzij van een gelijkwaardig getuigschrift, uitgereikt door de lidstaat waar de aannemer gevestigd is, hetzij van een dossier waaruit kan worden afgeleid dat de aannemer aan de voorschriften van die reglementering voldoet. Bijgevolg dient de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten één of meer categorieën of subcategorieën waartoe de uit te voeren werken behoren, alsook de vermoedelijke erkenningsklasse te vermelden.
       Wat het eerstgenoemde bewijsmiddel betreft, is de lijst van de ondernemingen die over een Belgisch erkenningsgetuigschrift beschikken te vinden op de website van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
       Geïnspireerd door de huidige reglementering bepaalt het derde lid dat de aanbestedende overheid zich bij open procedure of vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking kan beperken tot de eisen inzake erkenning met het oog op de selectie van de aannemers. De erkenningsreglementering bepaalt immers de basisvoorschriften van de kwalitatieve selectie wat de opdrachten voor werken betreft en die volstaan meestal voor de opdrachten gegund via open procedure. Deze bepaling is logischerwijze uitgebreid tot de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking.
       Art. 73. Dit artikel dat overeenstemt met de huidige reglementering, geeft een beperkende opsomming van de referenties die voor de opdrachten voor leveringen kunnen worden gevraagd ter beoordeling van de technische bekwaamheid of beroepsbekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers. Referenties inzake studie- en beroepsgetuigschriften van het personeel dat met de uitvoering van de opdracht zal worden belast, of inzake maatregelen op het vlak van milieubeheer vallen daar bijvoorbeeld niet onder. Dit artikel geldt onverminderd de toepassing van artikel 77.
       In geval van een opdracht voor leveringen waarvoor plaatsings- of installatiewerkzaamheden nodig zijn, mogen de artikelen 70 en 73, mutatis mutandis, worden gecombineerd, zoals uiteengezet in de commentaar bij artikel 71 betreffende de opdrachten voor werken. Indien ze daarentegen uitsluitend opteert voor de toepassing van artikel 73, moet de aanbestedende overheid aan de in dit laatste artikel beschreven voorschriften voldoen.
       Wat betreft de opdrachten waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is, volgt uit artikel 77 van dit ontwerp dat geen andere referenties mogen worden verlangd dan die opgesomd in de artikelen 70 en 73.
       Art. 74. Dit artikel dat overeenstemt met de huidige reglementering, geeft een opsomming van de referenties die voor de opdrachten voor diensten kunnen worden gevraagd ter beoordeling van de technische bekwaamheid of beroepsbekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers.
       De artikelen 70 en 74 mogen, mutatis mutandis, worden gecombineerd, zoals uiteengezet in de commentaar bij artikel 71 betreffende de opdrachten voor werken.
       Wat betreft de opdrachten waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is, volgt uit artikel 77 van dit ontwerp dat geen andere referenties mogen worden verlangd dan die opgesomd in de artikelen 70 en 74.
       Art. 75 en 76. Deze nieuwe bepalingen voorzien in de omzetting van de punten h en j van artikel 42.1, van Richtlijn 2009/81/EG, betreffende het bewijs van de technische en beroepsbekwaamheid inzake bevoorradingszekerheid en gegevensbeveiliging.
       Overweging 67 van de richtlijn luidt dienaangaande als volgt : "Gezien de gevoeligheid van de sector is het van cruciaal belang dat de ondernemers aan wie opdrachten worden gegund, betrouwbaar zijn. Deze betrouwbaarheid hangt met name af van het feit of zij in staat zijn aan de door de aanbestedende dienst gestelde eisen inzake bevoorradingszekerheid en gegevensbeveiliging te voldoen. Daarnaast mag niets in deze richtlijn een aanbestedende dienst verhinderen een ondernemer in welke fase van het proces ook uit te sluiten voor de gunning van een opdracht, als de aanbestedende dienst informatie heeft dat, als de opdracht geheel of gedeeltelijk aan die ondernemer wordt gegund, dit een risico kan inhouden voor de essentiële veiligheidsbelangen van de betrokken lidstaat."
       Het laatste lid van artikel 76 verduidelijkt dat een verificatieaanvraag vanwege een aanbestedende overheid via de nationale Belgische veiligheidsoverheid wordt overgemaakt aan de nationale veiligheidsoverheid van de Staat van de kandidaat of inschrijver.
       Deze precisering is niet vermeld in Richtlijn 2009/81/EG maar wel noodzakelijk om operationele redenen. Een nationale veiligheidsoverheid van een andere Staat zal deze gegevens in de praktijk nooit overmaken zonder tussenkomst van de nationale Belgische veiligheidsoverheid.
       Art. 77. Volgens deze nieuwe bepaling kunnen voor de opdrachten waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking niet verplicht is, referenties worden verlangd andere dan deze bedoeld in de artikelen 70, 71, 73 en 74 (bijvoorbeeld : bij opdrachten voor leveringen waarvoor geen plaatsings- of installatiewerken nodig zijn en die derhalve niet begrepen zijn in artikel 70, eisen inzake knowhow, efficiëntie, ervaring en betrouwbaarheid). Het dient evenwel steeds te gaan om passende referenties, rekening houdend met de opdracht in kwestie.
       Art. 78. Het gaat om een nieuwe bepaling die het geval regelt waarin een kandidaat of inschrijver om gegronde redenen niet in staat is de gevraagde referenties inzake technische bekwaamheid of beroepsbekwaamheid voor te leggen.
       Art. 79. Dit artikel stemt overeen met de bepalingen van de huidige reglementering.
       Volgens dit artikel kan een kandidaat of een inschrijver zich voor welbepaalde opdrachten beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten. Hij moet de aanbestedende overheid evenwel het bewijs leveren dat hij werkelijk over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen zal beschikken die deze entiteiten ter beschikking stellen.
       Daartoe moet de kandidaat of inschrijver de aanbestedende overheid het schriftelijk bewijs voorleggen dat hij, indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de opdracht, een beroep kan doen op de diensten van de entiteiten waarnaar hij verwijst, en dat deze entiteiten, rekening houdend met de vermelde referenties, een passend deel van de uitvoering voor hun rekening zullen nemen.
       Dezelfde bepaling is van toepassing op de combinaties van kandidaten of inschrijvers voor de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie en van andere entiteiten die daarvan geen deel uitmaken.
       Het laatste lid preciseert dat de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten voor een kandidaat of een inschrijver de mogelijkheid kan beperken om zich te beroepen op de draagkracht van andere entiteiten wanneer aan deze laatste het toegangsrecht is ontzegd op grond van artikel 20 van de wet. De bedoeling van deze bepaling is te vermijden dat artikel 20 van de wet zou worden omzeild, onder meer via een beroep op de onderaanneming.
       Art. 80. Dit artikel stemt overeen met de bepalingen van de huidige reglementering. Het gaat nader in op het bewijs van de inschrijving van de kandidaten of inschrijvers in het beroeps- of handelsregister volgens de wetgeving van het land waar ze gevestigd zijn. Bijlage 3 van dit ontwerp vermeldt de registers en de verklaringen die voor de andere lidstaten overeenstemmen met bijlage IX van Richtlijn 2009/81/EG.
       Voor de ondernemingen die een vestiging hebben in België kan de aanbestedende overheid deze gegevens rechtstreeks inwinnen bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (zie artikel 62, § 1). Nieuw is de mogelijkheid van een verklaring onder eed, wanneer in een bepaald land geen attesten worden afgeleverd.
       Art. 81. Dit artikel stemt overeen met de bepalingen van de huidige reglementering. Het bepaalt dat de dienstverleners kunnen worden verzocht het bewijs te leveren dat zij in hun land van herkomst de betrokken dienst mogen verrichten wanneer ze er over een bijzondere vergunning moeten beschikken of lid moeten zijn van een bepaalde organisatie.
       Art. 82. Dit artikel stemt overeen met de bepalingen van de huidige reglementering. Het bevat een voorschrift betreffende de overeenstemming met bepaalde kwaliteitsnormen.
       Art. 83. Dit artikel stemt overeen met de bepalingen van de huidige reglementering. In de gevallen bedoeld in de artikelen 71, 4°, en 74, 4°, van het ontwerp, wanneer de aard van de werken of diensten rechtvaardigt dat bij de uitvoering van de opdracht milieubeheermaatregelen of -systemen worden toegepast, kan de toepassing van dergelijke maatregelen of systemen worden verlangd. Milieubeheersystemen kunnen, onafhankelijk van hun registratie overeenkomstig de communautaire instrumenten zoals Verordening (EG) nr. 761/2001 (EMAS) het bewijs leveren van de technische bekwaamheid van de aannemer of dienstverlener om de opdracht uit te voeren. Informatie over EMAS is onder meer te vinden op de website van de Europese Commissie. Bovendien moet een beschrijving van de door de aannemer of de dienstverlener toegepaste maatregelen om hetzelfde niveau inzake milieubescherming te waarborgen, als alternatief bewijsmiddel voor geregistreerde milieubeheersystemen, worden aanvaard.
       Art. 84. Het eerste lid van dit artikel stemt overeen met de bepalingen van de huidige reglementering betreffende het vermoeden van geschiktheid dat voortvloeit uit de inschrijving van een aannemer, leverancier of dienstverlener op een officiële lijst in een andere lidstaat of uit het door de bevoegde certificeringsinstelling afgeleverde certificaat.
       Het tweede lid bepaalt dat de gegevens die uit de inschrijving op een officiële lijst kunnen worden afgeleid, niet zonder verantwoording ter discussie kunnen worden gesteld.
       HOOFDSTUK 6. - Gunning bij aanbesteding en offerteaanvraag
       Afdeling 1. - Vorm, inhoud en ondertekening offerte
       Art. 85. Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met de bepalingen van de huidige reglementering.
       Het is gebruikelijk dat de aanbestedende overheid bij de opdrachtdocumenten een formulier voegt voor het opmaken van de offerte en het invullen van de samenvattende opmeting of de inventaris. Wanneer een inschrijver, in toepassing van de huidige reglementering, zijn offerte opstelt op andere documenten dan het daartoe voorziene formulier, moet hij op elk van deze documenten verklaren dat deze in overeenstemming zijn met het bedoelde formulier. Artikel 85 van het ontwerp beperkt zich voortaan tot de bepaling dat de inschrijver in dat geval de verantwoordelijkheid draagt voor de volledige overeenstemming tussen de documenten die hij gebruikt en het formulier. Deze bepaling heeft als doel effectiever te zijn dan de opgeheven formaliteit van de conformiteitsverklaring.
       Art. 86. Dit artikel bevat enkele bepalingen van de huidige reglementering betreffende de in de offerte te vermelden inlichtingen.
       De bepaling onder 2° van het eerste lid vermeldt nu bij de in de offerte op te nemen gegevens, het totale offertebedrag, in voorkomend geval belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen. Niet alle inschrijvers zijn immers btw-plichtig.
       Deze gegevens omvatten ook de prijstoeslagen, kortingen of verbeteringen, alsook de voorgestelde prijskortingen of verbeteringen in geval van toepassing van artikel 94 betreffende de opdrachten in percelen. Er wordt ter zake verwezen naar de commentaar bij artikel 13 van het ontwerp.
       Bovendien moet worden opgemerkt dat bij een beperkte procedure, de voormelde verplichting tot het vermelden van de identiteit van de onderaannemers een regelmatigheidsvereiste voor de offerte vormt, wanneer de draagkracht van de onderaannemers en van de andere entiteiten als bedoeld in artikel 79 bepalend is geweest voor de selectie van de betrokken inschrijver.
       Overeenkomstig de bepaling onder 5° moet de oorsprong en de waarde van de geleverde producten en de verwerkte materialen die afkomstig zijn van buiten de Europese Unie enkel worden vermeld voor zover de opdrachtdocumenten dit opleggen. Deze vermeldingen zouden de aanbestedende overheid die dit heeft voorzien, moeten toelaten een offerte te verwerpen die dergelijke producten of materialen bevat. Worden niet beschouwd als derde landen, de landen waarmee een verdrag of een internationaal akkoord inzake overheidsopdrachten is gesloten.
       De bepaling onder 6° heeft betrekking op de voorkeurvolgorde die de toepassing van artikel 94, tweede lid, mogelijk moet maken ingeval een inschrijver offertes indient voor meerdere percelen.
       Het tweede lid bevat de verduidelijking dat elke deelnemer aan een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid in zijn offerte de identificatiegegevens van de inschrijver, als bedoeld in het eerste lid, punt 1°, moet vermelden.
       Volgens het derde lid van artikel 86 bepalen de opdrachtdocumenten desgevallend de wijze van terbeschikkingstelling van de documenten, modellen, monsters en andere inlichtingen. Deze worden bij de offerte gevoegd of op een andere wijze overgelegd.
       Art. 87. Dit artikel betreffende de ondertekening van de offerte neemt meerdere bepalingen over van de huidige reglementering, op enkele formele aanpassingen na.
       De paragrafen 2 en 3 betreffen de ondertekening van een offerte ingediend door een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid, respectievelijk de ondertekening door een gemachtigde.
       Paragraaf 4 verduidelijkt dat geen bijkomende volmacht is vereist wanneer de offerte elektronisch wordt ondertekend door een certificaat op naam van een rechtpersoon die daarbij enkel een verbintenis aangaat voor eigen naam.
       In dit geval is het namelijk zo dat :
       - de volmacht van de natuurlijke persoon die over dit certificaat beschikt, niet bij de aanvraag tot deelneming of offerte moet worden gevoegd. Deze volmacht werd immers reeds gecontroleerd door de certificerende instantie die het gekwalificeerd certificaat heeft verstrekt. Deze instantie staat in voor de waarachtigheid van de vermeldingen op het certificaat;
       - de aanbestedende overheid niet hoeft na te gaan welke natuurlijke persoon over het certificaat beschikt en evenmin inlichtingen dient in te winnen over diens bevoegdheid;
       - deze afwijking slechts van toepassing is indien de rechtspersoon enkel een verbintenis aangaat in eigen naam en voor eigen rekening. Indien de rechtspersoon optreedt als gevolmachtigde, moet het mandaat worden bijgevoegd;
       - de aanbestedende overheid daarentegen wel rekening moet houden met de vermeldingen op het certificaat. Wanneer het volgens het certificaat bijvoorbeeld niet mogelijk is om de rechtspersoon aansprakelijk te stellen voor verbintenissen die een bepaald bedrag overschrijden en de waarde van de offerte hoger ligt dan dit bedrag, moet deze offerte als nietig worden beschouwd.
       Afdeling 2. - Samenvattende opmeting en inventaris
       Art. 88. Dit artikel betreffende de samenvattende opmeting, vereenvoudigt en herstructureert bepalingen van de huidige reglementering.
       Paragraaf 1 bepaalt dat indien bij de opdrachtdocumenten een samenvattende opmeting is gevoegd, de inschrijver die invult en de nodige berekeningen doet.
       Paragraaf 2 is gewijd aan de verbeteringen door de inschrijver van diverse fouten in de forfaitaire en vermoedelijke hoeveelheden en van de leemten in de samenvattende opmeting. Deze verbeteringen moeten worden verantwoord in een nota die de inschrijver bij zijn offerte voegt.
       De bestaande regeling betreffende de verbetering van de vermoedelijke hoeveelheden wordt op diverse punten gewijzigd. Vooreerst wordt het voorschrift geschrapt dat de bedoelde verbetering slechts mogelijk is voor zover toegestaan in het bestek. Verder verbetert de inschrijver de vermoedelijke hoeveelheden voortaan slechts op voorwaarde dat de voorgestelde verbetering minstens vijfentwintig procent - in plaats van tien procent - in meer of in min van de hoeveelheid van de betrokken post bedraagt. Deze wijzigingen zijn doorgevoerd om de flagrante vergissingen in de vermoedelijke hoeveelheden altijd te laten verbeteren door de inschrijvers.
       Art. 89. Dit artikel betreffende de inventaris, behoudt en vereenvoudigt bepalingen van de huidige reglementering.
       In tegenstelling tot de oplossing waarvoor is geopteerd in artikel 88 in verband met de samenvattende opmeting van een opdracht voor werken, mag de inschrijver bij een opdracht voor leveringen of diensten de in de inventaris vermelde hoeveelheden in principe niet wijzigen, ongeacht of die forfaitair of vermoedelijk zijn. De opdrachtdocumenten kunnen dergelijke wijzigingen evenwel toestaan en de voorwaarden hiervoor vaststellen.
       De verschillende aanpak op dit punt tussen opdrachten voor leveringen en diensten en opdrachten voor werken is verantwoord doordat de samenvattende opmetingen vaker complex zijn en derhalve gemakkelijker onjuiste hoeveelheden kunnen bevatten. Bij opdrachten voor leveringen en diensten liggen de behoeften van de aanbestedende overheid in principe in al hun aspecten vast bij het opmaken van de opdrachtdocumenten.
       Afdeling 3. - Interpretatie, fouten en leemten
       Art. 90. Dit artikel hergroepeert enkele bepalingen van de huidige reglementering.
       Paragraaf 1 bevat de te respecteren voorrangsorde voor de interpretatie in geval van tegenspraak tussen de opdrachtdocumenten. De opdrachtdocumenten kunnen nochtans een andere voorrangsorde bepalen. Deze bepaling wordt uitgebreid van de opdrachten voor werken tegen globale prijs naar alle opdrachten zonder onderscheid.
       Paragraaf 2 bepaalt dat de gegevens van de samenvattende opmeting enkel als eenvoudige inlichtingen gelden, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten.
       Volgens het tweede lid kan deze bepaling toepasselijk worden gemaakt voor de opdrachten voor leveringen en diensten.
       Art. 91. Dit artikel dat overeenstemt met de huidige reglementering, handelt over de vergissingen of leemten die de prijsberekening of een vergelijking van de offertes onmogelijk maken. Voorbeeld : het ontbreken van bewapeningsgegevens waardoor het niet mogelijk is de hoeveelheden staal te berekenen voor een bouwwerk in gewapend beton, het ontbreken van de gunningscriteria bij offerteaanvraag, een wezenlijk verschil tussen de Franse en de Nederlandse versie van de opdrachtdocumenten,... In dat geval moet de aannemer, leverancier of dienstverlener die zinnens is een offerte in te dienen dit onmiddellijk aan de aanbestedende overheid melden, ten laatste tien dagen vóór de datum van de opening van de offertes.
       Afhankelijk van het belang van de vastgestelde fouten of leemten, moet de aanbestedende overheid oordelen of passende maatregelen al dan niet nodig zijn. Deze kunnen variëren naargelang de gekozen gunningswijze. Indien de opdracht bijvoorbeeld geplaatst wordt via een open procedure, dient eventueel een rechtzetting te worden bekendgemaakt en de termijn voor de indiening van de offertes, indien nodig, te worden verlengd met een redelijke termijn. Bij beperkte procedure is het eventueel aangewezen de aangepaste documenten ter beschikking te stellen van de geselecteerden en, indien nodig, de termijn voor de indiening van de offertes te verlengen.
       Het is mogelijk dat de termijn van tien dagen niet zal kunnen worden nageleefd, met name wanneer de termijn voor het indienen van de offertes voor de opdracht in kwestie is ingekort. In dat geval blijven de verstrekte inlichtingen evenwel hun nut behouden, en wanneer de aanbestedende overheid niet meer de tijd heeft om de nodige maatregelen te nemen, kan ze, indien zij beslist heeft de zitting uit te stellen, niet overgaan tot de opening van de ontvangen offertes.
       Van de beoordeling van de aanbestedende overheid moet een schriftelijke neerslag bestaan in het gunningsdossier.
       Art. 92. Dit artikel hergroepeert enkele bepalingen van de huidige reglementering.
       Het eerste lid verruimt de toepassing van de bepaling naar de opdrachten voor leveringen en diensten. Deze oplossing is immers ook voor die opdrachten nuttig. Vanaf de opening van de zitting kunnen de inschrijvers zich niet meer beroepen op fouten of leemten in de samenvattende opmeting of de inventaris. Deze bepaling is verantwoord door de verplichting die artikel 91 aan de inschrijvers oplegt, enerzijds, en door het vermijden van elk risico van speculatie, anderzijds, en meer algemeen door de gelijke behandeling en de eerlijke mededinging.
       Het tweede lid bepaalt dat de inschrijvers zich niet kunnen beroepen op vormgebreken, fouten of leemten in hun offerte na de opening van de zitting.
       Afdeling 4. - Prijsopgave en percelen
       Art. 93. Zoals in de huidige reglementering verduidelijkt dit artikel dat de prijzen in de offerte in euro worden uitgedrukt en dat het totale offertebedrag voluit wordt geschreven. Nieuw is de bepaling dat dit laatste enkel nog geldt voor de eenheidsprijzen indien de opdrachtdocumenten dit opleggen.
       In geval van verschil tussen de prijzen uitgedrukt in cijfers en deze uitgedrukt in letters, wordt er geen specifieke regeling meer behouden en wordt de algemene regel van artikel 101 voortaan toegepast.
       Art. 94. Het eerste lid van dit artikel neemt gedeeltelijk, in gewijzigde vorm, de bepalingen over die heden van toepassing zijn inzake de percelen. Het vermeldt voortaan dat indien de opdrachtdocumenten het niet verbieden, de inschrijver, naargelang de procedure, in zijn offertes voor meerdere percelen prijskortingen of verbeteringen mag aanbieden indien hem bepaalde percelen worden gegund. Dergelijke prijskortingen of verbeteringen zijn tot op heden enkel mogelijk indien het bestek dit toestaat.
       De aanbestedende overheden worden geattendeerd op de moeilijkheid die kan voortvloeien uit de toepassing van kortingen ingeval gebruik wordt gemaakt van de elektronische veiling als bedoeld in de artikelen 130 en volgende, meer bepaald wanneer het systeem niet toelaat om rekening te houden met het effect van de kortingen op de verschillende percelen.
       Het nieuwe tweede lid voorziet in de mogelijkheid voor de inschrijver om in zijn offerte een voorkeurvolgorde te vermelden ingeval hij voor meerdere percelen een offerte indient en de aanbestedende overheid toepassing maakt van artikel 60, § 3, eerste lid, 2°, en de betrokken inschrijver het vereiste minimale niveau niet haalt.
       Afdeling 5. - Indiening offertes
       Art. 95. Dit artikel stemt grotendeels overeen met de toepasselijke bepalingen in de huidige reglementering betreffende de indieningswijze van de offertes.
       Paragraaf 1 is van toepassing op de offertes op papier en op de met elektronische middelen opgestelde offertes die niet via deze middelen worden overgemaakt (bijvoorbeeld een offerte op cd-rom of op een andere digitale drager).
       De bepaling maakt een onderscheid tussen de offertes verzonden via een postdienst en deze bezorgd per drager. In geval van offertes overgemaakt via een postdienst, d.w.z. via bpost of een ander post- of koerierbedrijf, kunnen via de formaliteit van de dubbele envelop schadeverwekkende gevolgen worden vermeden ten gevolge van een accidentele opening van de envelop die een offerte bevat. Indien de offerte zelf zou geopend zijn, zou dit immers de nietigheid ervan met zich brengen. Op te merken valt dat de formaliteit van de dubbele envelop van toepassing zal zijn op de "veiligheidskopie" als bedoeld in artikel 54, § 3, eerste lid, 2°.
       Bij een verzending per drager (in de handen van de daartoe aangeduide persoon of in een daartoe bestemde offertebus), zal een dergelijk risico daarentegen niet bestaan en heeft de formaliteit van een dubbele envelop weinig zin.
       De tekst bevat een verduidelijking voor de offertes die per drager worden overgemaakt. Teneinde geschillen naar aanleiding van het indienen van offertes te vermijden, is bepaald dat de offertes hetzij moeten worden overhandigd aan de persoon die daartoe door de aanbestedende overheid is aangeduid, hetzij moeten worden gedeponeerd in een daartoe bestemde offertebus.
       Deze paragraaf is ook toepasselijk op de met elektronische middelen opgestelde offertes die niet via deze middelen worden overgelegd.
       Paragraaf 2 bepaalt het uiterste tijdstip voor het indienen van de offertes en geldt zowel voor de op papier als voor via elektronische middelen opgestelde offertes. De praktijk die erin bestaat het uiterste tijdstip voor de indiening van de offertes en dit voor de opening ervan te scheiden, is niet toegestaan.
       De offertes moeten bij de voorzitter toekomen vóór hij de zitting geopend verklaart. Daarbij is de uitzondering behouden voor de offertes die nog niet zijn toegekomen, maar die ten minste vier kalenderdagen vóór de datum van de openingszitting als aangetekende brief zijn verzonden.
       Er worden twee bijkomende uitzonderingen betreffende de elektronische offertes bepaald zoals in de huidige reglementering. Hiervoor wordt verwezen naar artikel 54, § 3, dat de gevallen van de "dubbele zending" (vereenvoudigde zending gevolgd door de aanvraag tot deelneming of de volledige offerte) en de veiligheidskopie verduidelijkt.
       Mede gelet op de opmerking van de Raad van State in punt 34 van zijn advies, verdient de kwestie van de laattijdige indiening van offertes een verduidelijking. Ongeacht of de oorzaak bij de inschrijver ligt, brengt de laattijdige indiening de weigering van de offerte mee. Precies door het stellen van een absolute limiet, is de gelijke behandeling van alle deelnemers ten deze gewaarborgd, doordat ze de garantie hebben dat elke niet tijdig ingediende offerte zal worden geweigerd. Deze strikte basisspelregel is ook ingegeven door de wil om misbruiken te voorkomen en om een recente tendens in een deel van de rechtspraak een halt toe te roepen. Die tendens gaat ervan uit dat de bepalingen van de huidige reglementering niet noodzakelijk tot een onregelmatigheid moeten leiden ingeval de gelijkheid tussen de inschrijvers niet is bedreigd. Nochtans ligt de oorzaak aan de basis vaak bij de inschrijver zelf of bij het door hem ingeschakelde post- of koeriersbedrijf, die de offerte gewoon bij de ontvangstbalie van de aanbestedende overheid achterlaten, weliswaar tijdig, maar zonder acht te slaan op het voorschrift dat de offerte aan een bepaalde persoon of op een bepaalde plek moet worden afgegeven. Een offerte die tijdig is afgegeven aan de daartoe aangeduide persoon zal daarentegen steeds als een geldig ingediende offerte worden beschouwd. De tekst preciseert ten slotte dat laattijdige offertes die niet aan de voorwaarden voldoen, voortaan hetzij worden geweigerd, ingeval de offerte wordt aangeboden tijdens de zitting, hetzij worden bewaard zonder ze te openen, in de andere gevallen.
       Art. 96. Dit artikel betreffende de wijziging en intrekking van reeds opgestuurde of ingediende offertes, stemt grotendeels overeen met de huidige reglementering.
       In paragraaf 1 zijn de woorden "op straffe van nietigheid van de offerte" vermeld in de huidige reglementering, geschrapt. Het komt immers aan de aanbestedende overheid toe zich over de gevolgen van een eventueel gebrek aan duiding bij de wijziging van de offerte uit te spreken.
       Paragraaf 2 maakt het mogelijk de intrekking per telefax of via een elektronische middel dat niet overeenkomstig is met artikel 54, § 1, mee te delen alvorens de zitting wordt geopend. De mededeling per telegram of telex is geschrapt, daar deze middelen in de praktijk niet meer worden gebruikt.
       Afdeling 6. - Opening offertes
       Art. 97. Dit artikel, dat handelt over de zittingsprocedure, stemt grotendeels overeen met de huidige reglementering. Hierbij moet worden opgemerkt dat de bepaling betreffende de gekozen oplossing in geval van technische moeilijkheden waarbij het niet mogelijk is om tijdens de zitting de met elektronische middelen opgestelde offertes te openen en te onderzoeken, nu in artikel 99 van dit ontwerp is opgenomen.
       Het bedrag bedoeld in de bepaling onder 5°, inzake de voorlezing van de prijzen bij aanbesteding, betreft het totale offertebedrag, belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen. Indien de opdrachtdocumenten een samenvattende opmeting of inventaris bevatten, moet het totale offertebedrag worden voorgelezen uit het offerteformulier en niet uit de samenvattende opmeting of de inventaris.
       Volgens de bepaling onder 6° moeten de voorzitter of een bijzitter de offerte en de wijzigingen en intrekkingen verplicht paraferen. Daarnaast paraferen zij eveneens de bijlagen die zij het belangrijkst achten, mede rekening houdende met wat materieel haalbaar is. Een ander authentificatiemiddel kan nochtans de paraaf vervangen, zoals een stempel of een naamstempel.
       Wanneer de offertes via elektronische middelen conform artikel 54, § 1, zijn opgesteld, plaatst de voorzitter of een bijzitter zijn elektronische handtekening op de documenten. De elektronische handtekening van een document genereert een " hash " (code gevormd door opeenvolging van cijfers en letters) die uniek is voor het document. Deze formaliteit is evenwel niet vereist indien de door de aanbestedende overheid gebruikte elektronische middelen toelaten de integriteit van de documenten na hun opening te controleren. Zelfs als men in het document gewoonweg een spatie zou invoegen zou de hash daardoor gewijzigd worden.
       In document geval van elektronische offertes kunnen de hashs van de documenten worden opgenomen in het proces-verbaal van de openingszitting dat wordt ondertekend. Het is dus niet nodig om alle documenten die deel uitmaken van de offertes te ondertekenen, vermits de controle op de integriteit van een document op elk ogenblik kan worden uitgeoefend.
       Art. 98. Dit artikel betreft het proces-verbaal van de openingszitting. Het bepaalt dat het proces-verbaal de opmerkingen die elke aanwezige persoon wenst opgenomen te zien.
       De overige wijzigingen ten opzichte van de huidige reglementering betreffen het tweede lid, volgens hetwelk de ondertekening door de voorzitter volstaat, en het derde lid, dat voortaan van toepassing is op alle inschrijvers, ongeacht of zij de openingszitting hebben bijgewoond.
       Art. 99. Dit artikel betreffende het organiseren van een bijkomende openingszitting, stemt grotendeels overeen met de huidige reglementering. Een dergelijke zitting moet plaatsvinden :
       - wanneer offertes, wijzigingen of intrekkingen te laat zijn ingediend, maar overeenkomstig de artikelen 95 en 96 toch in aanmerking kunnen worden genomen, aangezien deze ten laatste vier kalenderdagen vóór de datum van de opening van de offertes per aangetekende brief werd afgegeven. Indien de aangetekende brief met deze offerte, de intrekking of de wijziging ervan evenwel nog tijdens de zitting bij de voorzitter toekomt, kan die onmiddellijk worden geopend. Een bijkomende zitting is in dat geval dan ook niet vereist;
       - in geval van technische moeilijkheden waarbij het niet mogelijk is om tijdens de oorspronkelijke openingszitting, een met elektronische middelen opgestelde offerte te openen en te onderzoeken, behalve indien een veiligheidskopie is geopend tijdens de openingszitting.
       Artikel 99 bepaalt verder dat de modaliteiten zoals omschreven in de artikelen 97, derde lid, punten 4° tot 6°, en 98, betreffende het verloop van de zitting en het opmaken van het proces-verbaal van de openingszitting hier eveneens van toepassing zijn, en dit vanuit een bekommernis van transparantie en gelijke behandeling van de inschrijvers.
       Afdeling 7. - Onderzoek en regelmatigheid offertes
       Er zij aan herinnerd dat de gunning van een overheidsopdracht drie opeenvolgende fasen omvat :
       1° het onderzoek van de uitsluitingscriteria, de economische en financiële draagkracht en de technische of beroepsbekwaamheid;
       2° het onderzoek naar de regelmatigheid van de offertes;
       3° het onderzoek van de overgebleven regelmatige offertes en de beoordeling ervan op basis van één of meer gunningscriteria.
       In de open procedures worden offertes die de eerste fase niet doorstaan, niet verder onderzocht ten opzichte van de elementen van de tweede en de derde fase, en worden de offertes die het regelmatigheidsonderzoek niet doorstaan, niet verder onderzocht ten opzichte van de elementen van de derde fase.
       In de beperkte procedures heeft het onderzoek betreffende de eerste fase geen zin meer omdat enkel de geselecteerden de mogelijkheid hebben gehad om een offerte in te dienen. Dit belet de aanbestedende overheid niet om voorafgaand aan de gunning, op basis van nieuwe gegevens alsnog een geselecteerde uit te sluiten.
       Art. 100. Dit artikel heet betrekking op de regelmatigheid van de offertes bij open en beperkte procedure. De huidige toepasselijke bepalingen worden geherdefinieerd en geherformuleerd. Het daarin gemaakt onderscheid tussen substantiële en niet-substantiële onregelmatigheden is ongewijzigd behouden, doch wordt hier niet verder gepreciseerd omdat dit geval per geval voor elke onregelmatigheid moet worden uitgemaakt. Wat de gevolgen van de substantiële onregelmatigheid betreft, is ook het gemaakte onderscheid behouden tussen de gevallen van absolute nietigheid en de gevallen van relatieve nietigheid van de betrokken offertes.
       Het eerste lid bepaalt dat bij het regelmatigheidsonderzoek van de offertes zowel de formele regelmatigheid als de materiële regelmatigheid wordt onderzocht. Dit onderscheid wordt reeds gehanteerd, maar is nu uitdrukkelijk opgenomen in het ontwerp om rekening te kunnen houden met de eisen inzake formele regelmatigheid die vervat zijn in een aantal bepalingen van de wet, inzonderheid in artikel 25 ervan.
       Volgens het tweede lid moet een offerte steeds als formeel onregelmatig worden beschouwd wanneer ze afwijkt van de essentiële vormvoorschriften vervat in de artikelen 6, § 1, 53, § 2, 54, 56, § 2, 57, 85, 86, 87, 95 en 96 en in de opdrachtdocumenten. De verwijzing naar artikel 85 betekent evenwel niet dat de inschrijver de erin voorziene mogelijkheid niet meer zou kunnen benutten om een ander formulier te gebruiken dan het bij de opdrachtdocumenten gevoegde. Onder dat voorbehoud en na het substantiële karakter van de vastgestelde onregelmatigheid te hebben bepaald, is de aanbestedende overheid verplicht de betrokken offerte te weren. In deze gevallen moet de offerte immers als absoluut nietig worden beschouwd.
       Bovendien heeft de aanbestedende overheid ook de mogelijkheid een offerte als formeel onregelmatig te beschouwen indien zij niet in overeenstemming is met de andere vormvoorschriften. In dat geval beschikt de aanbestedende overheid over een grotere speelruimte dan in het kader van de eerste zin van het tweede lid. Zij dient immers niet enkel na te gaan of de offerte substantieel onregelmatig is, maar, in bevestigend geval, ook te beslissen of ze moet worden geweerd naargelang de bijzonderheden van elk concreet geval.
       Het derde lid gaat nader in op de materiële onregelmatigheid van de offerte. Een offerte is materieel onregelmatig wanneer ze afwijkt van de essentiële bepalingen van de opdracht, betreffende met name de prijzen, termijnen en technische specificaties. Hierbij wordt herinnerd aan de gangbare interpretatie dat niet elke afwijking betreffende de prijzen, termijnen en technische specificaties die geen essentiële afwijking uitmaakt, substantieel onregelmatig is.
       De afwijkingen op de hierboven vermelde technische specificaties moeten worden beoordeeld in het licht van de bepalingen van artikel 7, § 3 en § 4. Deze verbieden de aanbestedende overheid om een offerte af te wijzen omdat de geboden producten of diensten niet aan de in de opdrachtdocumenten vermelde specificaties, prestaties of functionele eisen zouden beantwoorden, indien de inschrijver in zijn offerte aantoont dat de door hem voorgestelde oplossingen op gelijkwaardige wijze aan de in de opdrachtdocumenten gestelde eisen voldoen. Het is dus pas wanneer de inschrijver dit bewijs niet levert dat zijn offerte als onregelmatig kan worden beschouwd.
       Bovendien heeft de aanbestedende overheid de mogelijkheid een offerte als materieel onregelmatig te beschouwen indien zij :
       - niet in overeenstemming is met de bepalingen van hoofdstuk 1, afdeling 6 tot 11, en van hoofdstuk 6, afdelingen 2 tot 4. Hierbij worden enkel de bepalingen bedoeld die verplichtingen opleggen aan de inschrijvers;
       - enig voorbehoud inhoudt of elementen bevat die niet met de werkelijkheid overeenstemmen.
       De hypothese van de abnormale prijzen is daarentegen niet vermeld in de bepaling die de onregelmatigheden opsomt die tot een relatieve nietigheid leiden. Deze keuze is ingegeven door de wil om rekening te houden met de recente evolutie in de rechtspraak van de Raad van State. Immers, volgens het arrest nr. 198.368 van 30 november 2009, SPLL SOGEPAR, dient wanneer een eenheidsprijs als abnormaal laag is bestempeld en de gegeven verantwoordingen niet zijn aangenomen, de aanbestedende overheid de offerte als onregelmatig te weren. Het gaat alsdan om een absolute nietigheid.
       Deze strenge benadering wordt evenwel getemperd doordat overeenkomstig artikel 22 van dit ontwerp het voortaan, zelfs bij aanbesteding, mogelijk is de inschrijver over een prijs te ondervragen zonder de procedure van het onderzoek van abnormale prijzen op te starten.
       De overwegingen over het tweede lid wat de rechten en verplichtingen van de aanbestedende overheid betreft, gelden mutatis mutandis ook voor de onregelmatigheden bedoeld in het derde lid van het ontwerp.
       Art. 101. De paragrafen 1 tot 3 van dit artikel nemen huidige toepasselijke bepalingen over en voeren voor de aanbesteding en de offerteaanvraag een uniform systeem in voor de verbetering door de aanbestedende overheid van de rekenfouten en de louter materiële fouten.
       Paragraaf 1, tweede lid, bepaalt dat om deze fouten in de offertes te verbeteren, de aanbestedende overheid de werkelijke bedoeling van de inschrijver moet nagaan door de offerte te onderzoeken en haar te vergelijken met de andere offertes en de marktprijzen (de notie dat dit "met alle middelen" moet gebeuren is daarbij verlaten). Enkel indien dit niet tot een oplossing leidt, kan ze paragraaf 4 toepassen en de inschrijvers vragen hun werkelijke bedoeling te verduidelijken. De verzoeken om verantwoording bedoeld in artikel 104 kunnen hiervoor niet worden aangegrepen, vermits in dat artikel staat vermeld dat artikel 102 eerst moet worden toegepast.
       Uit paragraaf 1, derde lid, blijkt dat wanneer geen toelichting wordt verstrekt na dit verzoek, of de toelichting voor de aanbestedende overheid niet aanvaardbaar is, deze laatste de fouten naar eigen bevindingen verbetert. Indien dit onmogelijk is, kan de aanbestedende overheid, zoals in de huidige reglementering, beslissen dat de opgegeven eenheidsprijzen van toepassing zijn of de offerte als onregelmatig afwijzen. Deze laatste keuze valt geval per geval te motiveren door de aanbestedende overheid, in functie van de eigenheden van elk dossier. Zo zou de aanbestedende overheid een offerte kunnen aanvaarden niettegenstaande het feit dat de verbetering van materiële of rekenfouten daarin niet mogelijk is doordat de toelichting van de inschrijver niet aanvaardbaar is of er geen toelichting is gegeven, wanneer de fout de prijs van een te verwaarlozen post betreft, die hoe dan ook geen impact heeft op de rangschikking en/of de vergelijkbaarheid van de offertes, en waarvan het ongemoeid laten de gelijkheid van de inschrijvers niet in het gedrang brengt.
       Paragraaf 2 is een nieuwe bepaling die nader ingaat op de verbetering van de offertes voor de rekenfouten en louter materiële fouten die de aanbestedende overheid of een inschrijver in de opdrachtdocumenten ontdekt. Deze verbeteringen laten toe om de gunning op een zo correct mogelijke basis te laten gebeuren, om de vergelijkbaarheid van de offertes te bevorderen en zonder de gelijke behandeling van de inschrijvers in het gedrang te brengen.
       Paragraaf 3 betreffende de rechtstreekse verbetering door de aanbestedende overheid van fouten in de met elektronische middelen opgestelde offertes, stemt overeen met de huidige reglementering.
       Paragraaf 4 bepaalt dat de aanbestedende overheid de inschrijvers kan vragen de draagwijdte van hun offerte te verduidelijken of aan te vullen. Deze bepaling is tot op heden enkel van toepassing bij offerteaanvraag. Het onderhavig ontwerp breidt deze mogelijkheid uit tot de aanbesteding. Er dient in dat verband te worden herinnerd aan de regel dat deze mogelijkheid niet mag leiden tot misbruiken, noch tot gevolg mag hebben dat de ingediende offertes worden gewijzigd. Bovendien mogen de contacten met de inschrijvers geen onderhandelingen meebrengen, aangezien die in het kader van deze procedures verboden zijn. Ingevolge de terminologische opmerking van de Raad van State in punt 37 van zijn advies, wordt de Nederlandse tekst aangepast aan de Franse, bovendien in overeenstemming met de analoge bepaling van artikel 96, § 4, van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011.
       Art. 102. Dit artikel is toepasselijk bij aanbesteding. Ten opzichte van de huidige reglementering zijn de bepalingen ervan aangepast teneinde de verschillende bewerkingen in een meer logische orde te plaatsen en derhalve de leesbaarheid van de tekst te verbeteren. Bovendien is de toepassing ervan uitgebreid tot de inventaris bij opdrachten voor leveringen en diensten.
       De eerste bewerking, zoals beschreven in paragraaf 2, heeft betrekking op de definitieve verbetering van de hoeveelheden door de aanbestedende overheid, wanneer een inschrijver de hoeveelheid van één of meer posten van de samenvattende opmeting of inventaris heeft verbeterd.
       Het tweede lid van paragraaf 2 stemt overeen met de huidige reglementering. Het bepaalt dat voor de inschrijver die een vermindering heeft voorgesteld, de totale prijs die overeenstemt met de aldus verminderde hoeveelheid een forfaitaire prijs wordt, op voorwaarde en in de mate dat de aanbestedende overheid de bedoelde verbetering aanvaardt. Dit forfaitair karakter kan voor de inschrijver in kwestie een voordeel opleveren, aangezien de vermindering van de hoeveelheid enkel voor hem zal gelden en hij dus als enige van een verminderde prijs kan genieten voor de rangschikking van zijn offerte. Evenwel zal hij ook als enige het risico dragen van een eventuele onderraming van de hoeveelheid van de verminderde post, aangezien hij in dat geval de werkelijke hoeveelheid zal moeten uitvoeren tegen een forfaitair geworden prijs.
       De tweede bewerking, als bedoeld in paragraaf 3, betreft de berekening van de prijs van een post van de samenvattende opmeting of inventaris waarvoor een inschrijver geen prijs heeft vermeld. In dat geval en indien de aanbestedende overheid de offerte om die reden niet als onregelmatig afwijst, moet de in paragraaf 3 vermelde formule worden toegepast. Deze bepaling stemt overeen met de huidige reglementering, maar aangezien de daarin toegepaste formule van paragraaf 2 van hetzelfde artikel betrekking heeft op andere gevallen en te weinig is afgestemd op de hier behandelde problematiek, is nu voorzien in een geëigende formule.
       Het laatste lid van paragraaf 3 bepaalt dat de aanbestedende overheid, voor de berekening van de waarden L en X, gerechtigd is geen rekening te houden met de offertes die voor de betrokken post een abnormale prijs vermelden, en dit om te vermijden dat een dergelijke prijs ten onrechte het gemiddelde zou beïnvloeden.
       De derde bewerking, waarvan sprake in paragraaf 4, heeft betrekking op de berekening van de leemten in de samenvattende opmeting of inventaris, en die zijn aangevuld overeenkomstig de artikelen 88, § 2, of 89, § 2.
       Op het einde van paragraaf 4 is een nieuwe bepaling opgenomen. De tekst stelt voortaan enkel dat indien geen enkele inschrijver een normale prijs geboden heeft voor een leemtepost, de aanbestedende overheid de opdracht mag gunnen zonder rekening te houden met die post. In voorkomend geval kunnen de prestaties betreffende de leemteposten aan de opdrachtnemer worden gegund tijdens de uitvoering, overeenkomstig artikel 25, 3°, a), of 4°, a), van de wet.
       Paragraaf 5 stemt overeen met de de huidige reglementering en handelt enkel over de rangschikking van de offertes.
       Paragraaf 6 preciseert dat, of hun offerte nu regelmatig is of niet, enkel de voorgestelde verbeteringen van geselecteerde inschrijvers in aanmerking worden genomen. Het betreft een nieuwe voorwaarde die bedoeld is om dezelfde regels toe te passen op de open en de beperkte procedure, terwijl het al dan niet regelmatig zijn van de offerte in dit verband geen belang heeft.
       Art. 103. Dit artikel, dat overeenstemt met de huidige reglementering, handelt over het nazicht door de aanbestedende overheid van de fouten en leemten in de samenvattende opmeting of inventaris van een opdracht gegund bij offerteaanvraag. Met uitzondering van paragraaf 5 geldt de commentaar bij artikel 102 mutatis mutandis voor dit artikel. Ingevolge de terminologische opmerking van de Raad van State in punt 39 van zijn advies wordt de Franse tekst aangepast aan de Nederlandse, bovendien in overeenstemming met de analoge bepaling van artikel 98, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011.
       Art. 104. Dit artikel, dat de bepalingen van de huidige reglementering herformuleert, betreft het nazicht van de prijzen en het opsporen van eventuele abnormaal lage of hoge prijzen. Het verwijst naar de bepalingen inzake het prijsonderzoek van artikel 22.
       Paragraaf 1 vormt de algemene regel die geldt voor alle opdrachten, ook wanneer paragraaf 2 van toepassing is. Hij vermeldt dat het nazicht gebeurt nadat de aanbestedende overheid de eventuele rekenfouten en de louter materiële fouten verbeterd heeft. Het nazicht mag dus in geen enkel geval gebeuren voordat deze verbetering beëindigd is.
       Paragraaf 2 neemt de tekst over van een bepaling van de huidige reglementering. Hij bevat een specifieke regeling voor het nazicht van het totale offertebedrag voor de opdrachten voor werken geplaatst bij aanbesteding, wanneer de ingediende offertes aan bepaalde voorwaarden voldoen. De opdrachtdocumenten kunnen deze paragraaf voortaan toepasselijk maken op de offerteaanvragen en bovendien ook op de opdrachten voor leveringen en diensten.
       Paragraaf 1 blijft toepasselijk, ongeacht of de voorwaarden van paragraaf 2 zijn vervuld. Zo zou in een offerte bijvoorbeeld een abnormaal lage eenheidsprijs kunnen voorkomen, wat aanleiding zou kunnen geven tot een verzoek tot verantwoording op basis van artikel 22, § 3.
       Paragraaf 3 neemt gedeeltelijk een bepaling over van de huidige reglementering, die voorziet in de kennisgeving aan de Erkenningscommissie wanneer een offerte voor een opdracht voor werken is geweerd wegens het abnormaal karakter van de erin vervatte prijs.
       Afdeling 8. - Gunning opdracht
       Art. 105. Dit artikel is van toepassing op de aanwijzing van de opdrachtnemer bij aanbesteding. Het stemt grotendeels overeen met de huidige reglementering.
       Het vermelden van de basisoffertes in het eerste lid van paragraaf 2 doet niets af aan het feit dat bij facultatieve varianten, volgens artikel 11, § 1, 2°, er niet noodzakelijk sprake is van het indienen van een basisofferte.
       Het tweede lid van paragraaf 2 bevat evenwel een verduidelijking betreffende het in aanmerking nemen van opties. In geval van verplichte opties wordt bij het opmaken van één enkele rangschikking om de laagste offerte te bepalen, rekening gehouden met al die opties, zelfs indien de aanbestedende overheid overeenkomstig artikel 12, § 3, beslist om de verplichte opties niet te bestellen. Vrije opties, die worden ingediend op initiatief van de inschrijver, mogen daarentegen geen weerslag hebben op de rangschikking, aangezien geen enkele meerprijs noch een andere tegenprestatie mag worden verbonden aan de indiening ervan, zoals blijkt uit artikel 12, § 2, van het ontwerp. Indien een inschrijver in strijd daarmee heeft gehandeld, wordt de vrije optie buiten beschouwing gelaten voor zover zulks mogelijk is, zo niet is zijn offerte onregelmatig.
       Het vierde lid van paragraaf 2 verduidelijkt de keuze van de opdrachtnemer wanneer meerdere inschrijvers prijskortingen hebben aangeboden voor gegroepeerde percelen. Nieuw is dat de laagste offerte niet louter bepaald wordt door de gegroepeerde percelen die het laagste bedrag vormen, maar ook door de invloed die de diverse aangeboden prijskortingen per combinatie uitoefenen op het totale opdrachtbedrag.
       Overeenkomstig het vijfde lid, wanneer de aanbestedende overheid, overeenkomstig artikel 60, § 3, eerste lid, 2°, minimumeisen heeft bepaald voor de selectie indien ze meerdere percelen aan dezelfde inschrijver gunt, moet ze te werk gaan als volgt : eerst moet de laagste offerte worden bepaald en pas daarna zal de aanbestedende overheid nagaan of aan het vereiste minimale niveau is voldaan. Dit onderzoek kan een invloed hebben op het bepalen van de laagste offerte omdat enkel de percelen waarvoor een inschrijver aan dit minimale niveau voldoet, hem kunnen worden gegund. In dat geval zal de aanbestedende overheid rekening houden met de voorkeurvolgorde die eventueel vermeld is in de offerte overeenkomstig artikel 94, tweede lid, en indien deze volgorde ontbreekt, zal zij voor deze percelen een loting houden.
       Paragraaf 3 behandelt de hypothese waarin verschillende inschrijvers dezelfde laagste prijs hebben geboden. Een aantal bepalingen van het ontwerp zijn toepasselijk wanneer de aanbestedende overheid ervoor kiest om aan de betrokken inschrijvers te vragen hun offerteprijs te herzien. Het gaat immers om een stadium in de procedure waarvoor eveneens in transparantie moet worden voorzien. Deze artikelen betreffen met name de modaliteiten voor de ontvangst en de opening van deze offertes, alsook de vaststelling van de verbintenistermijn van de inschrijvers.
       Het laatste lid van paragraaf 3 handelt over de loting die plaatsvindt ingeval de prijzen van beide offertes nog steeds gelijk zijn nadat een prijskorting werd gevraagd. Voortaan is bepaald dat een proces-verbaal van deze loting wordt opgesteld conform artikel 98.
       Art. 106. Dit artikel is van toepassing op de aanwijzing van de opdrachtnemer bij offerteaanvraag. Het stemt gedeeltelijk overeen met de huidige reglementering.
       Er wordt thans in paragraaf 2 verduidelijkt dat in geval van verplichte of facultatieve varianten, één enkele rangschikking van de basisoffertes en offertes betreffende deze varianten wordt opgemaakt teneinde de economisch voordeligste offerte te bepalen. De opdrachtdocumenten kunnen een andersluidende bepaling bevatten, bijvoorbeeld in de zin dat de aanbestedende overheid ervoor zou kunnen opteren een bepaalde variante niet in de rangschikking op te nemen.
       Het vermelden van de basisoffertes in het eerste lid van paragraaf 2 doet niets af aan het feit dat bij facultatieve varianten, volgens artikel 11, § 1, 2°, er niet noodzakelijk sprake is van het indienen van een basisofferte.
       Voor de vrije varianten, indien deze overeenkomstig artikel 11 van dit ontwerp zijn toegestaan, moet de aanbestedende overheid beslissen welke zij niet in aanmerking neemt. De motivering ter zake steunt niet op de regelmatigheid noch op de beoordeling van de gunningscriteria maar op andere wettige en concrete motieven : zo bijvoorbeeld indien de aangeboden vrije variante de aanbestedende overheid voor onaanvaardbare problemen zou stellen qua esthetische integratie in de omgeving, qua mobiliteit of ten aanzien van reeds bestaande infrastructuur terwijl deze elementen niet in de gunningscriteria werden opgenomen. De in aanmerking genomen vrije varianten worden in de unieke rangschikking opgenomen.
       Het derde lid van paragraaf 2 handelt over het lot van de verplichte en vrije opties en behoeft geen commentaar.
       Het vierde lid van paragraaf 2 verduidelijkt de keuze van de opdrachtnemer wanneer verscheidene inschrijvers verbeteringsvoorstellen hebben gedaan voor gegroepeerde percelen. Nieuw is dat de economisch voordeligste offerte niet louter bepaald wordt door de gegroepeerde percelen die het economisch voordeligste zijn, maar ook door het economisch voordeligste geheel van alle percelen. Deze bepaling dient er immers voor te zorgen dat de aanbestedende overheid de economisch meest voordelige combinatie kan kiezen, ongeacht of het om gegroepeerde of individuele percelen gaat.
       Bovendien is de in artikel 105, § 3, vermelde commentaar over de loting mutatis mutandis van toepassing op de offerteaanvraag wanneer verscheidene offertes als gelijkwaardig worden beschouwd.
       Andere bepalingen van de huidige reglementering zijn niet opgenomen in dit artikel :
       - de bepalingen betreffende de weging van de gunningscriteria of hun rangschikking in dalende volgorde van belang of hun gelijke waarde, die voortaan zijn opgenomen in artikel 24 van de wet;
       - de bepalingen waarin wordt voorzien in een uitzondering voor de vergoeding van de diensten op grond van wettelijke, reglementaire of bestuursrechtelijke bepalingen, die worden opgeheven, aangezien ze voortaan zonder voorwerp zijn. Zo bijvoorbeeld is de deontologische norm nr. 2 voor de architectenhonoraria niet meer van toepassing;
       - de bepalingen volgens dewelke rekening wordt gehouden met de verschillende varianten, wat voortaan voor een deel wordt behandeld in artikel 11 van het ontwerp;
       - de bepalingen die erin voorzien dat de aanbestedende overheid slechts in contact treedt met de inschrijvers indien zij de inhoud van hun offerte moeten preciseren of aanvullen, wat voortaan wordt behandeld in artikel 101, § 4.
       Afdeling 9. - Sluiting opdracht
       Art. 107. Dit artikel stemt overeen met de huidige reglementering.
       Het feit dat de sluiting van de opdracht niet onderhevig mag zijn aan enig voorbehoud, geldt vanzelfsprekend onverminderd de voorwaarden van de artikelen 30 en 33 van de wet.
       Bij de in het tweede lid van dit artikel vermelde verzendingswijzen in het kader van de betekening, werd de verzending per telegram of per telex geschrapt, aangezien deze middelen niet meer gebruikt worden. De telefax maakt deel uit van de elektronische middelen, maar de gelijktijdige vermelding van deze beide noties wordt behouden om elke discussie te vermijden
       Art. 108. Dit artikel neemt grotendeels een bepaling van de huidige reglementering over, die evenwel nader wordt verduidelijkt. Het is van toepassing bij aanbesteding. Het gaat nader in op het verstrijken van de geldigheidstermijn van de offertes. In dat geval kan de aanbestedende overheid hetzij de gunningsprocedure stopzetten, hetzij de procedure herbeginnen, in toepassing van artikel 31 van de wet. De aanbestedende overheid kan eveneens beslissen artikel 31 van de wet in dit stadium niet toe te passen, en de procedure voort te zetten op grond van het onderhavig artikel 108. Dit doet evenwel geen afbreuk aan de mogelijkheid om het voormeld artikel 31 toe te passen in een later stadium van de procedure.
       Ingeval de geldigheidstermijn van de offertes is verstreken, kan de aanbestedende overheid de inschrijver die de laagste offerte heeft ingediend, schriftelijk vragen of hij instemt met het behoud ervan. Als laatstgenoemde daarmee schriftelijk en zonder voorbehoud instemt, gaat de aanbestedende overheid over tot de gunning en vervolgens tot de sluiting van de opdracht. De notie "zonder voorbehoud" betekent dat elke wijziging van de offerte is uitgesloten.
       Indien deze inschrijver slechts instemt met het behoud van zijn offerte mits hij een prijstoeslag krijgt die hij verantwoordt op grond van omstandigheden die zich na de opening van de offertes hebben voorgedaan - verantwoording die de aanbestedende overheid dient te verifiëren - wordt de opdracht aan hem gegund voor zover zijn offerte de laagste blijft.
       Het vierde lid, dat gedeeltelijk overeenstemt met de huidige reglementering, is verduidelijkt. Het is van toepassing in de volgende gevallen :
       - de inschrijver stemt niet in met het behoud van zijn offerte. In dat geval zet hij zich definitief buitenspel;
       - hij stemt daarmee slechts in mits hij een niet verantwoorde prijstoeslag krijgt;
       - hij stemt daarmee slechts in mits een verantwoorde prijstoeslag die tot gevolg heeft dat zijn offerte niet meer de laagste is.
       In deze gevallen kan de aanbestedende overheid, zoals in de huidige reglementering :
       - hetzij zich achtereenvolgens, volgens de rangschikking, richten tot de andere regelmatige inschrijvers, en hierbij op dezelfde wijze te werk gaan als voor de inschrijver die oorspronkelijk de laagste offerte had ingediend;
       - hetzij alle andere regelmatige inschrijvers vragen om hun offerteprijs te herzien. De nieuwe prijzen die deze inschrijvers eventueel hebben ingediend, moeten niet worden verantwoord op grond van omstandigheden die zich na de opening van de offertes hebben voorgedaan. Bovendien, en dit vormt een nieuw element, participeert de inschrijver die oorspronkelijk de laagste regelmatige offerte had ingediend en die zijn offerte heeft behouden mits prijstoeslag, eveneens aan deze nieuwe ronde, zij het enkel met de door hem initieel gevraagde prijstoeslag, ongeacht of deze verantwoord was of niet.
       De aanvankelijke keuze tussen beide hypotheses valt geval per geval te motiveren door de aanbestedende overheid, in functie van de eigenheden van elk dossier. De eerste oplossing is met name aangewezen wanneer de prijzen van de eerste en de tweede gerangschikte inschrijver zeer dicht bij elkaar liggen. Wanneer hun prijzen verder uit elkaar liggen, zal het eerder aangewezen zijn te kiezen voor de tweede oplossing teneinde op die manier alle inschrijvers opnieuw in concurrentie te brengen. De initiële keuze voor de eerste hypothese verhindert de aanbestedende overheid niet om, zodra aangewezen, over te gaan naar de tweede.
       Een aantal bepalingen van het ontwerp zijn toepasselijk wanneer de aanbestedende overheid ervoor kiest om aan alle andere regelmatige inschrijvers te vragen hun offerteprijs te herzien. Het gaat immers opnieuw om een nieuw stadium in de procedure waarvoor eveneens in de noodzakelijke transparantie moet worden voorzien.
       Art. 109. Dit artikel behandelt het verstrijken van de geldigheidstermijn van de offertes bij offerteaanvraag. Het neemt hoofdzakelijk de tekst over van de huidige reglementering, die evenwel in dezelfde zin als het vorige artikel wordt verduidelijkt. Er wordt dus mutatis mutandis verwezen naar de toelichting bij artikel 108.
       HOOFDSTUK 7. - Gunning bij onderhandelingsprocedure
       Afdeling 1. - Specifieke drempels
       Art. 110. De paragrafen 1 en 2 van dit artikel bevatten een aangepaste versie van bepalingen van de huidige reglementering.
       Paragraaf 1 legt de diverse bedragen vast die niet mogen worden bereikt voor de opdrachten gegund in sommige gevallen van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. De bedragen hebben geen betrekking op een geraamd bedrag maar op de goed te keuren uitgave voor de betrokken opdracht op het ogenblik van de gunning.
       Paragraaf 1, 1°, stelt de Europese drempel die niet mag worden bereikt vast op 400.000 euro voor :
       - de financiële diensten;
       - de diensten voor onderzoek en ontwikkeling, alsook de diensten opgenomen in bijlage 2 van de wet.
       Er wordt opgemerkt dat hieronder alle diensten van de bijlage 2 van de wet worden begrepen, en niet enkel de juridische diensten. De reden hiervoor is dat op al deze diensten in de richtlijn een soepeler stelsel van toepassing is en het bovendien soms moeilijk is om een werkelijke mededinging te organiseren via een bekendmaking gezien de specifieke kenmerken van sommige prestaties.
       De bepaling onder 2° voorziet in een bedrag van 85.000 euro voor de opdrachten voor werken en leveringen. Dit bedrag geldt ook voor de opdrachten voor diensten voor zover de bepaling onder 1° niet van toepassing is.
       De bepaling onder 3° behandelt de gunning via onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking van percelen van een opdracht voor werken, leveringen of diensten indien het geraamde opdrachtbedrag het Europese drempelbedrag vermeld in artikel 33 niet bereikt, elk perceel minder dan 30.000 euro bedraagt en het samengevoegde bedrag van de aldus via onderhandelingsprocedure gegunde percelen niet hoger is dan twintig percent van het geraamde opdrachtbedrag. Deze bepaling is geïnspireerd op de voorschriften vervat in artikel 34 van dit ontwerp. Ze was tot nu toe enkel van toepassing op de opdrachten voor werken en diensten. Het is de bedoeling een zekere soepelheid in te bouwen dankzij de gunning van deze percelen met een beperkte waarde via onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Deze regeling bevordert daarenboven de deelname aan de overheidsopdrachten door kleine en middelgrote ondernemingen.
       Voorbeeld voor een opdracht voor leveringen verdeeld in drie percelen :
       * perceel 1 : 45.000 euro
       * perceel 2 : 30.000 euro
       * perceel 3 : 15.000 euro
       Alleen perceel 3 komt in aanmerking : het bereikt noch 30.000 euro, noch 20 % van het totaalbedrag van de opdracht (20 % van 90.000 euro, zijnde 18.000 euro).
       Volgens de bepaling onder 4° mag het goed te keuren bedrag van de opdrachten gesloten met een aanvaarde factuur niet hoger zijn dan 8.500 euro.
       Noteer dat de goed te keuren uitgave lager moet zijn dan de hierboven vermelde bedragen, terwijl deze bedragen in de huidige reglementering mogen worden bereikt.
       Met het oog op de coherentie bepaalt paragraaf 2 dat deze bedragen worden geraamd volgens de voorschriften vervat in de artikelen 25 tot 28 van het ontwerp. Noteer hierbij dat de goed te keuren uitgave dient te worden beoordeeld op het ogenblik van de gunning van de opdracht. Dat de eventuele toepassing van een prijsherzieningsformule of een wijziging aan de opdracht nadien tot een hogere uitgave zal leiden, blijft daarbij vanzelfsprekend buiten beschouwing.
       Afdeling 2. - Verloop en sluiting
       Art. 111. Het eerste lid van dit artikel neemt de bepalingen over die niet toepasselijk zijn op de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten.
       Het gaat in de eerste plaats om de artikelen 6, 53, 54 en 59 van het ontwerp. De artikelen 6 en 54 bevatten de na te leven voorschriften wanneer elektronische middelen worden gebruikt. Het is immers de bedoeling om, in het kader van deze niet-geformaliseerde procedure, het gebruik toe te staan van de meest soepele communicatiemiddelen, met name e-mail en telefax. Artikel 54 bevat modaliteiten voor de indiening van de aanvragen tot deelneming en de offertes waarvan de strikte toepassing niet vereist is bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Met het oog op het vermijden van elk overdreven formalisme, wordt eveneens hoofdstuk 5 uitgesloten dat betrekking heeft op het toegangsrecht en de kwalitatieve selectie, met uitzondering evenwel van de artikelen 63, §§ 1 en 2, 6°, en 64. Artikel 63, § 1, handelt over de uitsluitingsgevallen die conform artikel 20, tweede lid, van de wet van toepassing zijn in alle gunningsprocedures. De toepassing van de artikelen 63, § 2, 6° en 64 komt neer op het behoud van de huidige regeling.
       Volgens het tweede lid van paragraaf 1 zijn de artikelen 63, §§ 1 en 2, 6°, en 64 niet van toepassing op de opdrachten van minder dan 8.500 euro. Deze uitzondering heeft betrekking op kleine opdrachten die op minder geformaliseerde wijze worden gegund, ongeacht of ze met een aanvaarde factuur zijn gesloten.
       Paragraaf 2 voorziet in de niet- toepasselijkheid van artikel 59 inzake de verbintenistermijn op de opdrachten gegund via onderhandelingsprocedure met bekendmaking, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten.
       Uiteraard zijn de hoofdstukken 6 en 8 niet toepasselijk op de onderhandelingsprocedure vermits ze enkel andere procedures beogen. Evenwel kunnen een aantal bepalingen van hoofdstuk 9 toepassing vinden op deze procedure (promotieopdracht, elektronische veiling, raamovereenkomst).
       Daarnaast moet worden opgemerkt dat de aanbestedende overheid in het kader van een onderhandelingsprocedure in principe onderhandelt. Het gaat om een regel van goed management. In sommige gevallen zal een onderhandelingsfase evenwel niet nuttig zijn, bijvoorbeeld wanneer de ingediende offertes aan de behoeften beantwoorden en van bij de aanvang voldoende interessant blijken vanuit het standpunt van de aanbestedende overheid, rekening houdende met de specifieke vereisten en de in het geding zijnde belangen.
       Art. 112. Zoals in de huidige reglementering voorziet het eerste lid van dit artikel in de verplichting van de weging wanneer er meerdere gunningscriteria zijn voor de opdrachten gegund bij onderhandelingsprocedure met of zonder bekendmaking die de in artikel 33 vermelde Europese drempel bereiken. In dit verband wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 24 van de memorie van toelichting van de wet.
       Het tweede lid vermeldt daarop twee uitzonderingen. De eerste betreft de opdrachten voor diensten bedoeld in bijlage 2 van de wet. De tweede betreft de diverse gevallen van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking waarin slechts één aannemer, leverancier of dienstverlener kan worden geraadpleegd, waardoor de weging in die gevallen geen zin heeft.
       Art. 113. Paragraaf 1 van dit artikel stemt overeen met de huidige reglementering. Volgens dit artikel moet de aanbestedende overheid, indien het geraamde bedrag de Europese drempels bereikt en er meerdere concurrenten geraadpleegd worden bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, hen schriftelijk en gelijktijdig uitnodigen om een offerte in te dienen. Deze schriftelijke uitnodiging bevat de in dit artikel vermelde gegevens en inlichtingen. De bepaling onder 4° betreffende de vermelding van één of meer gunningscriteria verwijst naar de mogelijke gevallen wanneer diverse gunningscriteria zijn bepaald. Conform artikel 112 is de vermelding van een weging de algemene regel, voor zover de raadpleging van meerdere concurrenten mogelijk is. Indien een weging onmogelijk is, moet een dalende volgorde van belangrijkheid worden vermeld.
       Het is niet de bedoeling de aanbestedende overheden de mogelijkheid te ontnemen om te onderhandelen over de voorwaarden van de opdracht maar wel voor voldoende transparantie te zorgen. Daartoe dienen zij opdrachtdocumenten op te stellen en de nodige inlichtingen te verstrekken zodat de gekozen concurrenten een offerte kunnen indienen met kennis van zaken.
       Volgens paragraaf 2 is de vorige paragraaf niet toepasselijk op de opdrachten voor diensten als bedoeld in bijlage 2 van de wet.
       Art. 114. Dit artikel stemt overeen met de huidige reglementering. Het wil in zijn paragraaf 2 uitvoering geven aan artikel 26.1. van Richtlijn 2009/81/EG dat bepaalt dat aanbestedende diensten met de inschrijvers over de door de inschrijvers ingediende offertes onderhandelen, teneinde deze aan te passen aan de eisen die zij in de aankondiging van de opdracht, het bestek en de eventuele aanvullende documenten hebben gesteld (zie ook HvJ, arrest van 23 april 2009, C-292/07, overweging 107).
       Volgens paragraaf 3 kan de aanbestedende overheid in hetzelfde geval in de opdrachtdocumenten bepalen dat de onderhandelingen in opeenvolgende fases verlopen teneinde het aantal te bespreken offertes te beperken op basis van de gunningscriteria. De aanbestedende overheid is evenwel niet verplicht om gebruik te maken van deze mogelijkheid, ook al is die in de documenten vermeld, en moet zich bij haar beoordeling op de ontvangen offertes baseren, zoals eventueel gewijzigd tijdens de onderhandelingen. Overeenkomstig de beginselen inzake gelijkheid en niet-discriminatie als bedoeld in artikel 5 van de wet, kan de aanbestedende overheid, volgens de modaliteiten bepaald in de opdrachtdocumenten en na een eerste onderzoek van de offertes, beslissen dat zij de onderhandelingen enkel aangaat of voortzet met de inschrijvers die een offerte hebben ingediend die best aansluit bij haar behoeften. Zo niet zal de aanbestedende overheid met alle inschrijvers onderhandelen.
       De bovenstaande verplichtingen gelden niet voor de opdrachten die niet aan een verplichte voorafgaande Europese bekendmaking zijn onderworpen.
       Art. 115. Dit artikel is grotendeels gebaseerd op de bepalingen van de huidige reglementering betreffende de sluitingsvormen van een opdracht geplaatst bij onderhandelingsprocedure. De briefwisseling volgens handelsgebruiken is niet langer beperkt tot de opdrachten met een geraamd bedrag beneden de Europese drempel. Een andere wijziging in de tekst vloeit voort uit het feit dat men een onderscheid heeft willen maken tussen, enerzijds, de sluitingsvormen van de opdrachten en, anderzijds, het bewijs van de sluiting van de opdracht aan de hand van een aanvaarde factuur.
       HOOFDSTUK 8. - Gunning bij concurrentiedialoog
       De artikelen 116 tot 119 van het ontwerp hebben betrekking op de concurrentiedialoog. Er wordt ook verwezen naar de commentaar bij de artikelen 3, 9°, en 27 van de wet.
       Ter herinnering : de concurrentiedialoog is slechts toegestaan voor zover het gaat om een bijzonder ingewikkelde opdracht, in die zin dat de aanbestedende overheid objectief niet in staat is :
       - de technische middelen te bepalen die aan haar behoeften kunnen voldoen, of
       - te beoordelen wat de markt te bieden heeft op het stuk van technische, financiële of juridische oplossingen, en
       - van oordeel is dat de toepassing van de open of beperkte procedures het onmogelijk maken de opdracht te plaatsen.
       Hier past bijgevolg een waarschuwing voor de aanbestedende overheden dat zij deze procedure niet lichtzinnig zouden aanwenden, maar deze integendeel goed zouden overwegen.
       De aanbestedende overheid dient geval per geval de aard van de betrokken opdracht te onderzoeken, rekening houdend met haar eigen mogelijkheden. Hierbij moet ze nagaan of het gebruik van de concurrentiedialoog objectief gerechtvaardigd is.
       Overweging 48 van Richtlijn 2009/81/EG die dit punt verduidelijkt, werd reeds geciteerd in de commentaar bij artikel 3, 9°, van de wet.
       Wat de technische ingewikkeldheid betreft, kunnen zich meerdere situaties voordoen. Een eerste voorbeeld is dat de aanbestedende overheid niet in staat is de technische middelen te specificeren met het oog op de uitvoering van de opdracht en evenmin de bekwaamheid heeft om de technische specificaties, volledig of gedeeltelijk, te formuleren als functionele eisen of prestatie-eisen, overeenkomstig artikel 40 van de wet en de artikelen 7 en 8 van dit ontwerp. Een ander voorbeeld is dat wanneer de aanbestedende overheid er niet in zou slagen te bepalen welke van meerdere oplossingen het best aan haar behoeften zou kunnen voldoen.
       Art. 116. Dit artikel bepaalt in zijn eerste paragraaf dat een aankondiging wordt bekendgemaakt en een beschrijvend document wordt opgesteld voor elke opdracht geplaatst bij concurrentiedialoog. De aankondiging of het beschrijvend document vermelden de behoeften en eisen van de aanbestedende overheid, rekening houdend met het voorwerp van de opdracht. Hierbij aansluitend dient het beschrijvend document desgevallend de dwingende randvoorwaarden te bevatten, bijvoorbeeld eisen van stedenbouwkundige, architecturale en budgettaire aard, alsook de juridische aard en de dwingende voorwaarden van de overeenkomst.
       Zoals in de richtlijn is voor deze initiële fase de voorkeur gegeven aan de term "beschrijvend document" boven die van "opdrachtdocumenten" om te onderstrepen dat omwille van de specificiteit van de concurrentiedialoog, het beschrijvend document per definitie over het algemeen minder gedetailleerd zal zijn.
       Bovendien moet de aankondiging de eisen inzake selectie bevatten overeenkomstig artikel 60, § 1. Deze voorwaarde geldt eveneens voor de gunningscriteria. Zo niet worden deze in het beschrijvend document opgenomen.
       Paragraaf 2 verduidelijkt dat voor de opdrachten die de Europese drempel bereiken, de weging van de gunningscriteria verplicht is. Ze kunnen enkel worden vermeld in dalende volgorde van belang zonder meer, indien een weging om aantoonbare redenen niet mogelijk is. Men kan ervan uitgaan dat deze laatste mogelijkheid bij concurrentiedialoog verantwoord is op basis van artikel 47.2, laatste alinea, van Richtlijn 2009/81/EG. De overweging 70 van deze richtlijn bepaalt immers dat in behoorlijk gemotiveerde gevallen mag worden afgezien van de vermelding van het relatieve gewicht wanneer het niet vooraf kan worden bepaald, met name wegens de complexiteit van de opdracht. En artikel 27 van de wet wijst er, net zoals artikel 27 van de richtlijn, op dat het gebruik van de concurrentiedialoog slechts toegestaan is in geval van bijzonder ingewikkelde opdrachten.
       Voor de opdrachten die de Europese drempel niet bereiken, heeft de aanbestedende overheid de keuze tussen de weging van de gunningscriteria en hun vermelding in dalende volgorde van belang. Zo niet hebben de gunningscriteria dezelfde waarde.
       Volgens paragraaf 3 kan de aanbestedende overheid in de aankondiging of in het beschrijvend document bepalen dat de dialoog in opeenvolgende fases verloopt, teneinde het aantal te bespreken oplossingen tijdens de dialoog te beperken aan de hand van de gunningscriteria. Bij gebrek aan deze vermelding kan de dialoog niet in fases verlopen.
       Daarentegen kan de aanbestedende overheid, zelfs indien ze in de opdrachtdocumenten heeft vermeld dat ze deze beperking wil doorvoeren, afzien van het gebruik van deze mogelijkheid, rekening houdend met het aantal ingediende oplossingen en het belang ervan.
       Gezien de ingewikkeldheid van de opdracht en de noodzaak voor de aanbestedende overheid om verschillende oplossingen te vergelijken en daarvoor telkens een gemotiveerde beslissing op te stellen, dient het onderzoek (op basis van de gunningscriteria) zijn neerslag te vinden in schriftelijke documenten. In dit stadium kan evenwel niet worden verlangd dat de voorgestelde en gekozen oplossingen alle vereiste en noodzakelijke elementen zouden bevatten voor de uitvoering van het project, aangezien deze eis enkel betrekking heeft op de offertes die na afloop van de dialoog worden ingediend.
       De geleidelijke vermindering van het aantal oplossingen moet evenwel binnen bepaalde perken blijven om een reële mededinging te kunnen waarborgen, voor zover er voldoende oplossingen of geselecteerden zijn. De vermindering van het aantal oplossingen aan de hand van de gunningscriteria kan er zelfs toe leiden dat slechts één enkele oplossing in aanmerking kan worden genomen. Dit belet de aanbestedende overheid evenwel niet de procedure voort te zetten.
       Paragraaf 4 bevat de voor een eerlijke mededinging belangrijke bepaling dat latere wijzigingen van de essentiële elementen van de aankondiging en het beschrijvend document verboden zijn wanneer dit de mededinging kan verstoren of een discriminerend effect kan hebben. De essentiële elementen zijn onder meer de selectie- en de gunningscriteria, de aanduiding van de fases en alle andere elementen die een invloed kunnen hebben op de mededinging.
       Art. 117. Dit artikel voorziet in het indienen van aanvragen tot deelneming en een selectie van de kandidaten die tot de dialoog worden toegelaten.
       Het derde lid van dit artikel preciseert de inhoud van de uitnodiging tot deelname aan de dialoog die naar de geselecteerden wordt gestuurd.
       Art. 118. Volgens paragraaf 1 van dit artikel dienen de geselecteerden voldoende tijd te krijgen om de dialoog voor te bereiden. De dialoog heeft tot doel na te gaan en te bepalen welke middelen geschikt zijn om zo goed mogelijk aan de behoeften van de aanbestedende overheid te voldoen. De dialoog gebeurt met elke deelnemer afzonderlijk. Tijdens de dialoog kan de aanbestedende overheid alle aspecten van de opdracht met de deelnemers bespreken. Het is dus mogelijk dat de dialoog niet alleen betrekking heeft op de technische aspecten, maar ook op de economische aspecten (prijzen, kosten, inkomsten...) of op de juridische aspecten (spreiding en beperking van de risico's, waarborgen, mogelijkheid om ad hoc een juridische structuur uit te werken...).
       Het verloop van de dialoog is niet in detail geregeld. Paragraaf 1, derde lid, herinnert er evenwel aan dat de gelijke behandeling, één van de beginselen vervat in artikel 5 van de wet, moet worden nageleefd tijdens de dialoog. Dit beginsel komt in het bijzonder tot uiting in het verbod om discriminerende informatie te verstrekken die bepaalde deelnemers kan bevoordelen, en dit zowel tijdens als na afloop van de procedure.
       De dialoog moet individueel plaatsvinden met elke deelnemer, op basis van de door hem voorgestelde ideeën en oplossingen. De ideeën en oplossingen van een bepaalde deelnemer mogen niet aan een andere deelnemer worden medegedeeld. Dit geldt a fortiori ook voor het gebruik ervan door een andere deelnemer, behoudens toestemming van de auteur.
       Paragraaf 2 verduidelijkt dat de aanbestedende overheid die één of meer oplossingen heeft bepaald die aan haar behoeften kunnen voldoen, de dialoog afsluit. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State betreffende de motivering van de beslissing van de aanbestedende overheid om een bepaalde oplossing niet te kiezen (zie punt 46 van het advies), zijn de woorden "en licht de deelnemers op gemotiveerde wijze in over hun niet gekozen oplossingen" geschrapt. Dit niet alleen om de door de Raad aangevoerde reden dat gelet op de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, de herneming van de motiveringsplicht tegelijk overbodig en misleidend is, maar ook en vooral om reden dat de problematiek van de informatie en de motivering zal worden behandeld in afzonderlijke wettelijke en reglementaire bepalingen. Daarbij zal overigens niet alleen rekening worden gehouden met de algemene motiveringsverplichtingen die voortvloeien uit de voormelde wet van 29 juli 1991, maar ook met de bijzondere informatie- en motiveringsverplichtingen die voortvloeien uit Richtlijn 2009/81/EG en die zullen worden opgenomen in de rechtsbeschermingsregels die wat betreft de opdrachten die aan het onderhavige koninklijk besluit onderworpen zullen zijn, het voorwerp in uitmaken van een ontwerp van koninklijk besluit dat eveneens in voorbereiding is.
       Door de aanpassing in de voormelde zin wordt de tweede, terminologische opmerking van de Raad van State zonder voorwerp.
       Art. 119. Volgens paragraaf 1 van dit artikel worden, nadat de dialoog is afgesloten, de deelnemers waarvan één of meerdere oplossingen zijn gekozen, gelijktijdig en schriftelijk uitgenodigd één of meerdere eindoffertes in te dienen op basis van één of meer van hun eigen gekozen oplossingen. Enkel wanneer één of meer deelnemers die een dergelijke oplossing hebben ingediend hiermee akkoord gaan, kan de aanbestedende overheid de deelnemers vragen één of meer eindoffertes op te maken op basis van één of meer gemeenschappelijke oplossingen.
       De aanbestedende overheid moet in de uitnodiging de voorwaarden opnemen die van toepassing zijn tijdens de uitvoering van de opdracht. Deze voorwaarden hebben geen betrekking op de gekozen oplossing of oplossingen, maar wel op de uitvoeringsregels in verband met borgtocht, keuringen, opleveringen, betalingen, enz... De eindoffertes moeten overigens alle vereiste en noodzakelijke elementen bevatten voor de uitvoering van de opdracht.
       Noch de Europese richtlijn, noch dit ontwerp bepalen een precieze termijn voor de indiening van de offertes in het kader van een concurrentiedialoog. Deze termijn moet evenwel worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 43 van dit ontwerp vermelde principes.
       Paragraaf 2 heeft betrekking op de beoordeling van de ontvangen offertes op basis van de gunningscriteria en op de keuze van de offerte die vanuit het oogpunt van de aanbestedende overheid de economisch voordeligste is. Aangezien de concurrentiedialoog een specifieke procedure is, zijn anderszins de regels inzake de offerteaanvraag niet toepasselijk.
       Niettemin kan de aanbestedende overheid, zodra ze de eindoffertes heeft ontvangen, de deelnemers vragen hun offerte toe te lichten of te verduidelijken. Hierbij zijn onderhandelingen met de deelnemers uitgesloten en deze toelichtingen of verduidelijkingen mogen de inhoud van de offerte, het beschrijvend document of het bestek niet wijzigen, wanneer dit de mededinging kan verstoren of een discriminerend effect kan hebben.
       Paragraaf 3 bepaalt dat de opdracht wordt gesloten door de ondertekening van een overeenkomst tussen de partijen.
       Paragraaf 4 bepaalt dat vergoedingen voor de deelnemers kunnen betaald worden, volgens de voorschriften die de aanbestedende overheid bepaalt. In de mate dat de uitwerking van voorstellen door de deelnemers aan de dialoog niet te verwaarlozen kosten kan genereren, kunnen de aanbestedende overheden voorzien in de toekenning van vergoedingen, teneinde op die manier de mededinging te bevorderen en een zo groot mogelijk aantal ondernemers ertoe te bewegen aan dit type van procedure deel te nemen.
       HOOFDSTUK 9. - Specifieke en aanvullende opdrachten en procedures
       Afdeling 1. - Promotieopdracht van werken
       Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
       De artikelen 120 tot 129 zijn gewijd aan de promotieopdrachten van werken. In dit verband wordt ook verwezen naar de commentaar bij de artikelen 3, 11°, en 28 in de memorie van toelichting van de wet.
       Art. 120. Zoals in de huidige reglementering beschrijft dit artikel de diverse vormen die een promotie kan aannemen, al dan niet met inbegrip van de overdracht van zakelijke rechten.
       Art. 121. Dit artikel bevat een nieuwe bepaling die het geval beoogt waarbij een bestaand bouwwerk wordt gehuurd door een aanbestedende overheid en de verhuurder door de huurder belast werd met de uitvoering van werken aan dit bouwwerk met het oog op, hetzij, de inrichtingswerken ervan of zijn behoud in goede staat, hetzij de beperkte specifieke herinrichting ervan. De door de verhuurder aan een derde gegunde werken dienen niet als een overheidsopdracht voor werken, noch als een promotieopdracht van werken te worden beschouwd in de drie volgende gevallen :
       - de inrichtingswerken aan het bouwwerk waarmee de verhuurder is belast en die bijvoorbeeld betrekking hebben op aanpassingswerken om te voldoen aan de brandveiligheidsnormen, saneringswerken inzake asbest,... (de zogenaamde "gestandaardiseerde herinrichtingswerken");
       - de grote herstellingen aan het bouwwerk die niet voldoen aan de vastgestelde behoeften van de aanbestedende overheid, ongeacht of deze zich in het begin of op het einde van de huur voordoen;
       - de specifieke herinrichting die voldoet aan de vastgestelde behoeften van de aanbestedende overheid, maar bijkomstige kosten veroorzaakt in vergelijking met de huurprijs. Deze werken moeten, over de hele huurperiode, lager zijn dan vijf procent van de totale huurwaarde zonder indexering. Deze uitgave kan naar keuze worden uitgevoerd tijdens een bepaald huurjaar of tijdens meerdere jaren. Indien de werken rechtstreeks worden opgedragen door de aanbestedende overheid, zonder de tussenkomst van de verhuurder, is de reglementering overheidsopdrachten daarentegen hierop van toepassing.
       Er wordt gepreciseerd dat de bepaling niet van toepassing is wanneer de verhuurder zelf een aanbestedende overheid is. In die hypothese zal de gunning van de werken immers in ieder geval een overheidsopdracht uitmaken.
       Art. 122. Dit artikel bevat een vereenvoudigde versie van de bepalingen van de huidige reglementering betreffende het toegangsrecht en de kwalitatieve selectie. Dit omvat eveneens de naleving van de eisen inzake de erkenning van aannemers van werken. Daartoe zal de promotor eventueel een beroep kunnen doen op artikel 79 betreffende de draagkracht van andere entiteiten.
       Onderafdeling 2. - Opdrachtdocumenten
       Art. 123. Dit artikel bepaalt welke gegevens de opdrachtdocumenten minstens moeten bevatten.
       Art. 124. Net als de huidige reglementering vermeldt dit artikel bepaalde voorwaarden die moeten worden nageleefd in geval van een promotieopdracht.
       Overeenkomstig artikel 28, laatste lid, van de wet, vermeldt het tweede lid dat wanneer de aanbestedende overheid, eigenaar zijnde van het bouwterrein, een recht van opstal afstaat, de promotor niet de rechten geniet als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de wet van 10 januari 1824 op het recht van opstal. Deze afwijking van de voormelde artikelen van de wet van 10 januari 1824 - die is ingegeven door de algemene noodzaak om de rechtspositie van de aanbestedende overheid, gelet op haar doelstelling van algemeen belang, enigszins te versterken in vergelijking met de private rechtsverhoudingen - houdt in dat de promotor de gebouwen en andere bouwwerken niet mag afbreken en evenmin de aanplantingen mag vernielen of rooien, terwijl de gebouwen, bouwwerken en aanplantingen, bij het verstrijken van het recht van opstal, met toepassing van het natrekkingsrecht, eigendom worden van de aanbestedende overheid zonder dat deze laatste gehouden is tot enige andere betaling dan die waarin eventueel is voorzien in de opdrachtdocumenten conform artikel 128, tweede lid.
       Art. 125. Dit artikel bepaalt, zoals de huidige reglementering, de voorwaarden voor de eventuele eigendomsoverdracht en voor de toekenning van zakelijke rechten op de terreinen waarop het bouwwerk zal worden opgericht.
       Art. 126. Dit artikel bepaalt, zoals de huidige reglementering, welke gegevens de opdrachtdocumenten moeten bevatten wanneer de aanbestedende overheid, die eigenaar of erfpachter is van de bouwgrond, die ter beschikking stelt van de promotor met het oog op de oprichting van een bouwwerk dat aan derden zal worden verkocht of verhuurd.
       Enerzijds dienen de voorwaarden voor de verkoop of verhuring, en in het bijzonder de verkoop- of verhuurprijzen, te worden bepaald teneinde de rechten van deze derden te vrijwaren. Anderzijds zal de aanbestedende overheid de betrokken derden moeten omschrijven, hetzij door de voorwaarden te bepalen waaraan ze moeten voldoen, hetzij door zich het recht voor te behouden om de promotor, binnen een bepaalde termijn, de namen van de kopers of huurders mee te delen.
       Art. 127. Dit artikel neemt in een vereenvoudigde vorm een bepaling over van de huidige reglementering. In de bepaling onder 4° wordt evenwel verduidelijkt dat in geval van verwerving vanaf de terbeschikkingstelling van het bouwwerk, de betaling voortaan in één keer kan worden gestort.
       Art. 128. Dit artikel heeft tot doel, zoals in de huidige reglementering, te vermijden dat de promotor, in het kader van een eigendomsoverdracht, zakelijke rechten op het bouwwerk en, in voorkomend geval, op de bouwgrond, zou afstaan aan derden zonder het schriftelijk en voorafgaand akkoord van de aanbestedende overheid. De aanbestedende overheid zal immers in het bijzonder toezien op de naleving van de contractuele bepaling volgens dewelke zij de eigendom van deze goederen verwerft, vrij van alle rechten.
       Deze bepalingen doen geen afbreuk aan de wettelijke bepalingen betreffende de voorrechten en de wettelijke hypotheken. De aanbestedende overheid heeft evenwel het volste recht van de promotor te eisen dat het betrokken goed, bij de sluiting van de opdracht, niet bezwaard is met een voorrecht, noch met een conventionele hypotheek en geen overeenkomst te sluiten indien deze voorwaarde niet is vervuld. Ze kan de promotor eveneens verbieden een conventionele hypotheek of erfdienstbaarheid toe te staan zonder haar voorafgaand akkoord en laatstgenoemde sancties opleggen indien hij deze verbintenis niet nakomt.
       De bepalingen van artikel 128 zijn zowel van toepassing in het kader van een eigendomsoverdracht op termijn als in geval van een aankoopoptie.
       Art. 129. Dit artikel stemt overeen met de huidige reglementering en betreft de mogelijkheid om in de opdrachtdocumenten te voorzien in de beëindiging van rechtswege ingeval van volledige of gedeeltelijke vernieling van het bouwwerk.
       Afdeling 2. - Elektronische veiling
       De artikelen 130 tot 135 van het ontwerp gaan nader in op de elektronische veiling als bedoeld in de artikelen 3, 10°, en 29 van de wet.
       De aanbestedende overheden dienen erover te waken om de specificaties van de opdracht nauwkeurig te bepalen, zoals opgelegd door artikel 29 van de wet, en bijgevolg geen te zwakke kwaliteitseisen te formuleren naar aanleiding van een dergelijke veiling. Het streven naar de laagste prijs mag immers niet leiden tot de aankoop van goedkope producten die van mindere of zelfs onvoldoende kwaliteit zijn.
       De aanbestedende overheden dienen bijgevolg het eventueel gebruik van de veiling vooraf goed te overwegen.
       Art. 130. Dit artikel staat het gebruik van de elektronische veiling toe in het kader van de beperkte procedures, de onderhandelingsprocedures en, in voorkomend geval, de open procedures. Een veiling kan eveneens worden gebruikt voor het opnieuw tot mededinging oproepen van de deelnemers aan een raamovereenkomst.
       Art. 131. Volgens dit artikel moet de aanbestedende overheid die gebruik wenst te maken van een elektronische veiling, dit vermelden in de oorspronkelijke aankondiging van opdracht. Het tweede lid van hetzelfde artikel bepaalt welke gegevens de opdrachtdocumenten onder meer moeten bevatten. Deze hebben met name betrekking op de informatie die tijdens de veiling ter beschikking zal worden gesteld, op de informatie betreffende het verloop ervan en op het gebruikte elektronisch systeem. Wanneer bij de toepassing van het tweede lid, 3°, het vereiste minimumverschil niet wordt gerespecteerd, zal het systeem de inschrijver verwittigen dat zijn bod niet wordt aanvaard.
       Art. 132. Dit artikel regelt de keuze door de aanbestedende overheid van de deelnemers aan de veiling en de vermeldingen die de uitnodiging moet bevatten. Deze uitnodiging mag slechts worden overgemaakt nadat de aanbestedende overheid een eerste volledige beoordeling van de offertes heeft gedaan. Enkel de inschrijvers die voldoen aan de eisen inzake kwalitatieve selectie en die een regelmatige offerte hebben ingediend, worden uitgenodigd om deel te nemen aan de veiling en dit uiteraard tegelijkertijd.
       In verband met de mogelijkheid om de procedure in verschillende, opeenvolgende fases te laten verlopen, dient benadrukt te worden dat dit nuttig kan zijn voor de deelnemers, omdat ze dan tussen de fases in over de nodige tijd beschikken om hun leveranciers te raadplegen en een nieuwe aangepaste bieding op te stellen. Ook de aanbestedende overheid kan deze tijdspanne benutten voor het prijsonderzoek van de biedingen. Indien de procedure meerdere fasen omvat, kan de aanbestedende overheid bovendien interessantere biedingen ontvangen.
       Art. 133. Paragraaf 1 van dit artikel behandelt de wijze van indiening van de biedingen. Het werd niet opportuun geacht om de elektronische handtekening voor elke bieding verplicht te stellen. Die zou immers kunnen leiden tot technische moeilijkheden, waardoor de inschrijvers niet meer op snelle wijze een nieuwe bieding zouden kunnen indienen. Daarom is bepaald dat de inschrijver gebonden is door zijn biedingen indien ze worden ingediend op de wijze bepaald in de opdrachtdocumenten en eventueel in de uitnodiging.
       Paragraaf 2 beschrijft het verloop van de veiling. Tijdens de hele duur van de veiling, alsook tijdens elke fase dient de aanbestedende overheid de inschrijvers onmiddellijk en bestendig over hun rangschikking te informeren. Onder dezelfde voorwaarden kan zij het aantal inschrijvers meedelen dat aan een bepaalde fase van de veiling deelneemt, zonder evenwel hun identiteit bekend te maken. Wanneer de opdrachtdocumenten daarin voorzien, kan de aanbestedende overheid eveneens informatie over de ingediende prijzen meedelen.
       Het behoort tot de essentie zelf van een zich herhalend proces dat een deelnemer diverse keren na elkaar een bod kan doen in de loop van dezelfde fase.
       Het verbod om biedingen in te trekken is bepaald om elke speculatie van de kant van de inschrijver te voorkomen.
       Art. 134. Dit artikel bevat de drie modaliteiten voor het afsluiten van de veiling. Dit gebeurt op een vooraf vastgestelde datum en uur, of wanneer geen nieuwe prijzen meer worden ingediend die beantwoorden aan de vereiste minimumverschillen binnen een vooraf vermelde termijn, of nadat de vooraf vastgelegde fasen afgehandeld zijn. Deze modaliteiten kunnen worden gecombineerd. Bijgevolg is de aanbestedende overheid niet verplicht om alle oorspronkelijk geplande fasen uit te voeren indien ze, na afloop van een lager aantal fasen, van mening is dat de latere fasen geen lagere biedingen meer zullen opleveren. Dit laatste geldt evenwel slechts op voorwaarde dat dit in de uitnodiging tot de veiling wordt vermeld en dat hierbij in een laatste, biedingstermijn wordt voorzien vóór het definitieve afsluiten. In antwoord op de opmerking in punt 6.7. van het advies van de Raad van State wordt erop gewezen dat de bepaling betreffende de vermelding in de uitnodiging tot deelneming van het tijdschema voor elke fase van de veiling, is opgenomen in artikel 132, derde lid, van het ontwerp.
       Analoog met wat in andere lidstaten (Groot-Brittannië, Denemarken, ... ) en bijvoorbeeld ook Noorwegen gebeurt, kan de aanbestedende overheid eveneens de mogelijkheid voorzien de termijn van de veiling automatisch te verlengen met een door de aanbestedende overheid vooraf bepaalde termijn (t1, bijvoorbeeld 120 seconden), indien gedurende een bepaalde termijn onmiddellijk voor het afsluiten van de veiling (t2, bijvoorbeeld 180 seconden), een winnend bod wordt ingediend. Deze mogelijkheid zal kunnen herhaald worden tot het afsluiten van de veiling, namelijk wanneer geen winnend bod meer wordt ingediend tijdens de verlengde termijn t1. De mogelijkheid om van deze verlengingen gebruik te maken en de vastgestelde termijnen (t1 en t2) zullen door de aanbestedende overheid in de uitnodiging tot deelname aan de veiling vermeld worden.
       Art. 135. Dit artikel gaat nader in op de gunning van de opdracht na het afsluiten van de elektronische veiling.
       Er wordt onderstreept dat het in principe niet toegelaten is te onderhandelen na afloop van de veiling, zelfs niet bij onderhandelingsprocedure. Dit volgt zowel uit de tekst als uit de geest van de richtlijn, vermits de veiling bedoeld is om de beste eindofferte te bekomen en dat een nieuwe onderhandeling het vooropgestelde doel zou miskennen.
       Het kan evenwel voorkomen, zij het eerder zelden, dat meerdere inschrijvers dezelfde lage prijs hebben ingediend bij aanbesteding alsook, wanneer de prijs het enige gunningscriterium is, bij onderhandelingsprocedure. Bij aanbesteding wordt bepaald dat de aanbestedende overheid een elektronische loting kan houden op de door haar bepaalde wijze. Bij aanbesteding is dit overigens de enige toegestane werkwijze. Bij onderhandelingsprocedure kan daarentegen een onderhandeling over de prijs worden overwogen, tenzij de aanbestedende overheid een elektronische loting houdt.
       In diezelfde omstandigheden kan zo ook bij offerteaanvraag of ook, in geval meerdere gunningscriteria worden gebruikt, bij onderhandelingsprocedure blijken dat meerdere inschrijvers offertes hebben ingediend die als gelijkwaardig worden beschouwd. Bij offerteaanvraag kan de aanbestedende overheid dan een loting houden of de inschrijvers vragen hun offerte te verbeteren. Bij onderhandelingsprocedure kan zij kiezen tussen een loting of een laatste onderhandeling over de offertes.
       De aanbestedende overheid dient alle gegevens aangaande het verloop van de veiling te bewaren overeenkomstig de voorwaarden van artikel 152.
       Afdeling 3. - Raamovereenkomst
       De artikelen 136 tot 138 van het ontwerp hebben betrekking op de raamovereenkomst. Hiervoor wordt eveneens verwezen naar de commentaar bij de artikelen 3, 12°, en 30 in de memorie van toelichting van de wet.
       Art. 136. Dit artikel bepaalt de verschillende gunningsprocedures die voor het sluiten van een raamovereenkomst kunnen worden gehanteerd. Hierbij dient te worden onderstreept dat met de onderhandelingsprocedure met bekendmaking eveneens de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking wordt bedoeld.
       Zoals gesteld in de memorie van toelichting is de raamovereenkomst met één deelnemer sinds lang gangbaar. Daarentegen is de raamovereenkomst met meerdere deelnemers een nieuwigheid althans ten opzichte van de huidige reglementering voor de klassieke sectoren. De voordelen van deze laatste zijn onder meer :
       - de mogelijkheid om de deelnemers voor elke afzonderlijke opdracht opnieuw in mededinging te stellen en aldus een beter op de behoeften afgestemde offerte te bekomen;
       - de mogelijkheid om de diverse opdrachten onder de deelnemers te verdelen - volgens de in de opdrachtdocumenten van de raamovereenkomst bepaalde voorwaarden - naargelang de complexiteit van de opdrachten en de prijsvoorwaarden, alsook de specialisatie en beschikbaarheid van de deelnemers.
       Voor het opnieuw in mededinging stellen van de deelnemers aan een raamovereenkomst staat de mogelijkheid open om gebruik te maken van een elektronische veiling, zoals bedoeld in artikel 29 van de wet en in de vorige afdeling.
       Paragraaf 2 bepaalt dat wanneer de aanbestedende overheid, overeenkomstig artikel 30, vierde lid, van de wet, voor de raamovereenkomst in een looptijd van meer dan zeven jaar voorziet, ze hiervoor een afdoende en uitdrukkelijke motivering moet geven in de aankondiging van gegunde opdracht.
       Art. 137. Dit artikel is van toepassing wanneer de raamovereenkomst met één enkele deelnemer wordt gesloten. In deze veronderstelling, worden de opdrachten die gebaseerd zijn op die raamovereenkomst, gegund volgens de erin bepaalde voorwaarden.
       Het begrip "voorwaarden" slaat in dit geval op de bepalingen en voorwaarden van de opdracht en omvat aldus niet de gunningscriteria.
       Er kunnen zich twee gevallen voordoen :
       - in het eerste geval, dat overeenstemt met de huidige notie van bestellingsopdracht of stockopdracht, zijn alle vermelde voorwaarden bindend voor de partijen betrokken bij de raamovereenkomst. Bijgevolg zal de raamovereenkomst worden uitgevoerd volgens de overeengekomen voorwaarden en moet de oorspronkelijke offerte niet worden aangevuld;
       - in het tweede geval zijn niet alle voorwaarden van de raamovereenkomst bepaald. Bijgevolg worden de individuele opdrachten die gebaseerd zijn op die overeenkomst, gegund volgens de reeds bepaalde voorwaarden (bijvoorbeeld voor de waaier van betrokken producten, diensten of werken, alsook voor de hoeveelheden), nadat de aanbestedende overheid de deelnemer aan de raamovereenkomst schriftelijk verzocht heeft zijn initiële offerte aan te vullen.
       Art. 138. Dit artikel is van toepassing wanneer de raamovereenkomst met meerdere deelnemers wordt gesloten. Volgens de bepaling van het eerste lid dienen er in dat geval minimaal drie deelnemers te zijn, voor zover er zoveel deelnemers zijn die aan de selectiecriteria voldoen of die een geschikte offerte hebben ingediend, waarbij het voor zich spreekt dat de geschiktheid van de offerte dient te worden afgemeten aan de vooropgestelde gunningscriteria.
       Net zoals voor het vorige artikel moet een onderscheid worden gemaakt naargelang alle voorwaarden al dan niet bepaald zijn in de overeenkomst.
       1° Indien alle voorwaarden in de raamovereenkomst bepaald zijn, wordt de raamovereenkomst uitgevoerd volgens die voorwaarden, die niet noodzakelijk overeenstemmen met één van de in dit ontwerp omschreven gunningsprocedures.
       De keuze tussen de verschillende deelnemers voor de uitvoering van een specifieke bestelling wordt beschreven in de raamovereenkomst. Daarbij kan men bijvoorbeeld een trapsgewijze methode toepassen, waarbij men schriftelijk de deelnemer contacteert die de beste offerte heeft ingediend en vervolgens de tweede gerangschikte indien de eerste op dat ogenblik niet over de nodige draagkracht beschikt om de bestelling uit te voeren of er om een andere reden geen belangstelling voor heeft.
       De aanbestedende overheid kan bijvoorbeeld ook de bestellingen verdelen en hierbij een degressief percentage bepalen voor twee of drie deelnemers die de beste offertes hebben ingediend bij het sluiten van de raamovereenkomst.
       Ongeacht de gekozen methode dienen de beginselen inzake gelijke behandeling, discriminatieverbod en transparantie te worden nageleefd.
       2° Indien niet alle voorwaarden in de raamovereenkomst zijn bepaald, worden de individuele opdrachten die gebaseerd zijn op die overeenkomst slechts gesloten nadat de mededinging opnieuw werd geraadpleegd. De nieuwe oproep tot mededinging is gebaseerd op dezelfde voorwaarden die, indien nodig, kunnen worden aangevuld, alsook op andere voorwaarden die vermeld zijn in de door de aanbestedende overheid overhandigde documenten. De voorwaarden die reeds bepaald zijn in de raamovereenkomst, mogen evenwel niet wezenlijk worden gewijzigd.
       Bij het opnieuw in mededinging stellen, raadpleegt de aanbesteende overheid schriftelijk de deelnemers die in staat zijn de opdracht uit te voeren. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de raamovereenkomst betrekking heeft op opleidingsdiensten in verschillende vakgebieden. In dat geval zullen enkel de deelnemers die geselecteerd zijn voor het vakgebied waarop de op de raamovereenkomst gebaseerde, specifieke opdracht betrekking heeft, worden uitgenodigd om een offerte in te dienen.
       De minimumtermijn voor de ontvangst van de specifieke offertes is niet bepaald in artikel 138. De aanbestedende overheid dient die vast te stellen rekening houdend onder meer met de complexiteit van de opdracht en met de tijd die nodig is voor het overleggen van de specifieke offertes.
       Indien evenwel de aanbestedende overheid, bij een procedure waarin de prijs het enige gunningscriterium is, gebruik maakt van een elektronische veiling bij het opnieuw in mededinging stellen van leveringen of diensten voor courant gebruik, conform artikel 29, tweede lid, van de wet, dienen ook de relevante voorschriften en termijnen van de veiling te worden nageleefd.
       Wanneer er voor het opnieuw in mededinging stellen van de deelnemers wordt gekozen voor de aanbesteding of de offerteaanvraag, dient in de raamovereenkomst te worden gepreciseerd of de bepalingen van hoofdstuk 6 geheel of gedeeltelijk van toepassing zijn of niet. Bij gebrek aan enige vermelding is dit hoofdstuk dan van toepassing.
       Bij onderhandelingsprocedure kan de gunning van de specifieke opdrachten vanzelfsprekend worden voorafgegaan door onderhandelingen.
       Er weze aan herinnerd dat, krachtens artikel 30, tweede lid, van de wet, de offertes voor elke te gunnen opdracht worden beoordeeld op basis van dezelfde gunningscriteria als die aangewend voor de gunning van de raamovereenkomst.
       Afdeling 4. - Werkenwedstrijd
       Art. 139. Dit artikel heeft betrekking op de werkenwedstrijd, en neemt in gewijzigde vorm de tekst van de huidige reglementering over.
       Indien de aanbestedende overheid gebruik wenst te maken van een werkenwedstrijd, wat vooral aangewezen is bij offerteaanvraag, moet een jury worden samengesteld. Minstens één van de leden ervan mag niet tot de aanbestedende overheid behoren. Het voorschrift dat dit lid evenmin tot een andere overheid mag behoren, is weggelaten gelet op het steeds ruimere toepassingsgebied van de wet. De juryleden moeten blijk geven van een onbetwistbare deskundigheid in het betrokken domein en kunnen, bijvoorbeeld, behoren tot leden van het academisch personeel of tot verenigingen van ingenieurs, architecten of stedenbouwkundigen. Om de onpartijdigheid te waarborgen, bepaalt de tekst dat de juryleden volledig onafhankelijk moeten zijn van de potentiële deelnemers. Het advies van de jury is slechts richtinggevend voor de gunning van de opdracht, maar bindend voor de toekenning van het prijzengeld. Het is immers de bedoeling te beschikken over een jury die de aanbestedende overheid bij haar keuze helpt, op basis van haar eigen behoeften en prioriteiten.
       Paragraaf 2, 2°, vermeldt niet meer dat de gunningscriteria moeten worden gewogen. Een dergelijke weging geldt alleszins als algemene regel voor de opdrachten die de Europese drempel bereiken.
       De aanbestedende overheid kan prijzengeld of vergoedingen toekennen. Het prijzengeld is gekoppeld aan een rangschikking van de offertes en wordt enkel toegekend aan de gerangschikte offertes, eventueel gedifferentieerd zoals bepaald in de opdrachtdocumenten. Vergoedingen staan los van elke rangschikking en worden in principe als forfait toegekend aan alle inschrijvers, tenzij de aanbestedende overheid oordeelt dat hun offertes niet voldoen.
       De werkenwedstrijd mag niet worden verward met de ontwerpenwedstrijd als bedoeld in de wet van 15 juni 2006, die enkel betrekking heeft op het aanschaffen van een plan of van een ontwerp of op de keuze van de ontwerper, maar kan leiden tot het gunnen van een opdracht voor diensten. De ontwerpenwedstrijd valt niet in het toepassingsveld van de wet van 13 augustus 2011.
       HOOFDSTUK 10. - Regels toepasselijk op de opdrachten in onderaanneming
       Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan artikel 37 van de wet en bevat de maatregelen met het oog op de omzetting van de artikelen 21 en 50 tot 54 van Richtlijn 2009/81/EG. De artikelen 140 tot 147 van dit ontwerp bevatten de regels die toepasselijk zijn inzake onderaanneming. De aanbestedende overheid kan niet alleen informatie verkrijgen over het deel van de opdracht dat zal worden uitbesteed maar ook, en dat geldt specifiek voor deze richtlijn en voor alle daarin vervatte procedures, bepalen dat een deel van de opdracht aan derden moet worden uitbesteed en in mededinging gesteld via de bekendmaking van een aankondiging van opdracht. In een werkelijk open defensiemarkt kan de mededinging niet enkel beperkt blijven tot de hoofdopdrachtnemers. Door het verplichten van deze vorm van mededinging zal de opdrachtnemer een grotere keuze hebben tussen de verschillende onderaannemers en zal de drempel voor K.M.O.'s om deel te nemen aan een defensie-of veiligheidsopdracht verlaagd worden. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn aangepast teneinde gevolg te geven aan de opmerkingen van de Raad van State in punt 6.8 van zijn advies.
       Afdeling 1. - Opdrachten in onderaanneming gegund door inschrijvers en opdrachtnemers die geen aanbestedende overheden zijn
       Art. 140. Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 21.3 van de richtlijn. Het bevat de toepasselijke regels wanneer de aanbestedende overheid beslist in de opdrachtdocumenten op te leggen dat de opdrachtnemer alle of bepaalde opdrachten, die hij wenst uit te besteden, in mededinging te stellen.
       Het tweede lid van dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 21.3 van de richtlijn. Het bepaalt dat de aanbestedende overheid de opdrachtnemer kan opleggen bepaalde delen van de opdracht in mededinging te stellen. Deze mogelijkheid voor de aanbestedende overheid blijkt duidelijk uit de tekst van artikel 21.4, en ook uit overweging 40, eerste paragraaf die stelt dat "... kan het voor de aanbestedende diensten passend zijn de geselecteerde inschrijver te verplichten een transparante en niet-discriminerende mededingingsprocedure te organiseren, waarbij hij opdrachten in onderaanneming gunt aan derde partijen. Deze verplichting kan gelden voor alle opdrachten in onderaanneming of alleen voor specifieke opdrachten in onderaanneming die door de aanbestedende dienst zijn geselecteerd. "
       Overeenkomstig artikel 52 van de richtlijn bevatten het derde en vierde lid van de na te leven regels voor de bekendmaking van de aankondiging van een opdracht in onderaanneming, waarvan het model opgenomen is in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011.
       Het vijfde lid van dit artikel voorziet in een overgangsregeling voor de periode gedurende dewelke de bekendmaking van de in deze afdeling bedoelde aankondigingen van opdracht niet tegelijk kosteloos kan gebeuren in het Publicatieblad van de Europese Unie en het Bulletin der Aanbestedingen door een on line invoering door elektronische gegevensopvang of door gegevensoverdracht tussen systemen die een automatische en gestructureerde bekendmaking mogelijk maken conform de modellen opgenomen in de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011.
       Volgens het laatste lid is een dergelijke bekendmaking niet vereist indien de opdracht in onderaanneming voldoet aan de voorwaarden van artikel 25 van de wet dat betrekking heeft op de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking.
       Art. 141. Overeenkomstig artikel 37, § 2, eerste lid, 1°, a), van de wet voorziet dit artikel in de omzetting van artikel 21.4 van de richtlijn. Overeenkomstig deze bepaling kan de aanbestedende overheid bepalen dat deze uitbestede delen binnen een bepaalde vork vallen, maar in elk geval beperkt tot een maximum van 30 % van de waarde van de opdracht.
       De opdrachtnemer kan evenwel voorstellen om bepaalde onderaannemingen boven het door de aanbestedende overheid vereiste percentage in onderaanneming te geven, waarbij de aanbestedende overheid kan vragen deze onderaannemingen te specificeren, alsook de onderaannemers, voor zover hij die al gekozen heeft.
       Art. 142. Dit artikel, dat uitvoering geeft aan artikel 21.3, laatste alinea, van Richtlijn 2009/81/EG, bepaalt dat de geselecteerde inschrijver opdrachten in onderaanneming gaat ter waarde van het percentage dat de aanbestedende overheid hem verplicht uit te besteden overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk en dat de aankondiging van opdracht daartoe een vermelding bevat.
       Art. 143. Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 21.5 van de richtlijn. Het bepaalt dat de weigering door de aanbestedende overheid van geselecteerde onderaannemers door de inschrijvers of de opdrachtnemer, naargelang het geval, alleen gebaseerd mag zijn op de criteria die worden toegepast voor de selectie van kandidaten of inschrijvers voor de hoofdopdracht. Onverminderd de door de aanbestedende overheid opgelegde selectiecriteria, staat het de inschrijvers en de opdrachtnemer vrij om zelf de procedure en de gunningscriteria te bepalen die gebruikt zullen worden om de meest geschikte onderaannemers aan te wijzen.
       Art. 144. Deze bepaling voorziet in de omzetting van artikel 52.6 van de richtlijn. De opdrachten in onderaanneming kunnen in mededinging worden gesteld op basis van een raamovereenkomst, rekening houdend met de voorwaarden en binnen de perken van dit artikel. Raamovereenkomsten laten de opdrachtnemer toe om een bevoorradingsketen op te zetten van verschillende onderaannemers die op een transparante en niet-discriminatoire wijze werden gekozen. Dit zou ertoe moeten leiden dat vooral K.M.O.'s gemakkelijker toegang krijgen tot opdrachten die voor hen heden minder toegankelijk zijn.
       Art. 145. Dit artikel voorziet in de omzetting van artikel 53 van de richtlijn, betreffende de kwalitatieve selectiecriteria voor de onderaannemers.
       Volgens het eerste lid worden de criteria vermeld in de aankondiging van een opdracht in onderaanneming. Deze criteria dienen objectief en niet discriminerend te zijn en moeten stroken met die welke de aanbestedende overheid hanteert voor de selectie van de inschrijvers voor de hoofdopdracht. Bovendien moet de vereiste draagkracht verband houden met het voorwerp van de opdracht in onderaanneming en moeten de eisen in verhouding staan tot dat voorwerp.
       Uit het tweede lid blijkt dat onderaanneming niet vereist is wanneer wordt aangetoond dat ondanks de bekendmaking van de aankondiging van een opdracht in onderaanneming, geen van de onderaannemers of de offertes die zij indienen aan de eisen voldoen. Dit zal met name het geval zijn wanneer de potentiële onderaannemers niet voldoen aan de door de aanbestedende overheid vooropgestelde selectiecriteria of aan de specifieke eisen met betrekking tot de veiligheid van informatie of de bevoorradingszekerheid. Zou ook beschouwd worden als een offerte die aan de eisen niet voldoet een offerte waarvan de prijs onaanvaardbaar is, een onregelmatige offerte, een offerte met een te korte verbintenistermijn enz. Het gebrek aan offerte of aan regelmatige offerte zou eveneens een verantwoording zijn om geen rekening te houden met de verplichting tot onderaanneming.
       Art. 146. Dit artikel voorziet in de omzetting van artikelen 51 en 52.7 van de richtlijn.
       Artikel 146 richt zich tot de onderaannemers en de opdrachtnemer en herinnert eraan, in het eerste lid, dat die op transparante wijze moeten handelen en potentiële onderaannemers op gelijke en niet-discriminerende wijze moeten behandelen. Uit het tweede lid blijkt dat de principes van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie inzake transparantie en mededinging moeten worden toegepast voor de gunning van de opdrachten in onderaanneming waarvan de geraamde waarde de Europese drempel niet bereikt. Dit kan tot gevolg hebben dat in bepaalde gevallen een opdracht die de Europese drempel niet bereikt, toch tot bekendmaking noopt indien de desbetreffende opdracht ook interessant is voor ondernemingen uit andere lidstaten (HvJ, arresten van 15 mei 2008, C-147/06 en C-148/06, SECAP).
       Art. 147. Dit artikel, dat voorziet in de omzetting van artikel 50.2, tweede alinea, van Richtlijn 2009/81/EG, bepaalt dat wanneer de inschrijver zich beroept op artikel 37, § 2, tweede lid, van de wet, hij bij zijn offerte een volledige lijst van de ondernemingen voegt waarmee hij een combinatie vormt of waarmee hij verbonden is. Bovendien dient die lijst te worden bijgewerkt naargelang de wijzigingen in de bindingen tussen de ondernemingen.
       Afdeling 2. - Opdrachten in onderaanneming gegund door inschrijvers en opdrachtnemers die aanbestedende overheden zijn
       Art. 148. Dit artikel herinnert enkel aan de verplichtingen van de inschrijvers en opdrachtnemers wanneer die de hoedanigheid van aanbestedende overheid bezitten. In deze hypothese zijn de door hen geplaatste opdrachten in onderaanneming overheidsopdrachten en moeten ze worden gegund overeenkomstig de toepasselijke reglementering.
       Afdeling 3. - Aansprakelijkheid van de inschrijver en van de opdrachtnemer
       Art. 149. Dit artikel, dat voorziet in de omzetting van artikel 21.7 van Richtlijn 2009/81/EG, herinnert er enkel aan dat de bepalingen van dit hoofdstuk de aansprakelijkheid van de inschrijver en van de opdrachtnemer inzake onderaanneming onverlet laten. De onderaannemers zijn immers derden ten aanzien van de betrokken opdracht.
       HOOFDSTUK 11. - Algemene uitvoeringsregels
       Art. 150. Dit artikel voert artikel 35 van de wet uit en bepaalt dat het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken toepasselijk is voor de overheidsopdrachten onderworpen aan dit besluit. Het gaat om een tijdelijke oplossing in afwachting van de inwerkingtreding van de nieuwe algemene uitvoeringsregels die in voorbereiding zijn. Ingevolge een opmerking van de Raad van State (zie punt 54 van diens advies) wordt het bedoelde koninklijk besluit niet langer integraal toepasselijk verklaard, maar worden een aantal bepalingen van zowel het koninklijk besluit als de Algemene aannemingsvoorwaarden, zijnde de bijlage ervan, buiten toepassing gesteld die, al dan niet in gewijzigde vorm, zijn overgeheveld naar dit ontwerp. Zodoende worden eventuele conflicten tussen bepalingen van de plaatsingsregels en de algemene uitvoeringsregels vermeden.
       HOOFDSTUK 12. - Opdrachten geplaatst door aanbestedende entiteiten
       Art. 151. Deze bepaling voert artikel 43 van de wet uit, dat betrekking heeft op de private aanbestedende entiteiten die een activiteit uitoefenen in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten als bedoeld in titel IV van de wet van 15 juni 2006 en daartoe bijzondere of uitsluitende rechten genieten.
       De opdrachten van die entiteiten vallen dus onder de toepassing van titel IV van de wet van 15 juni 2006, behalve wanneer deze opdrachten onder het toepassingsgebied van artikel 15 van de wet van 13 augustus 2011 op defensie- en veiligheidsgebied zouden vallen. In dat laatste geval is artikel 151 van dit ontwerp van toepassing.
       Hetzelfde geldt voor de aanbestedende overheden en de overheidsbedrijven, voor hun opdrachten en activiteiten bedoeld in artikel 72 van de wet van 15 juni 2006 en die tot het defensie- en veiligheidsgebied behoren.
       In plaats van een apart ontwerp van koninklijk besluit op te stellen voor de opdrachten bedoeld in dit artikel, is ervoor geopteerd om, zoals voor artikel 43 van de wet van 13 augustus 2011, eenvoudigweg de verwijzing te maken naar de artikelen van het ontwerp van koninklijk besluit die eveneens van toepassing zijn om de omzetting van bepalingen van Richtlijn 2009/81/EG te verzekeren.
       Dit artikel herinnert eraan dat de gelijke behandeling van alle kandidaten en inschrijvers moet worden gewaarborgd. Het principe is van toepassing ongeacht de gunningswijze.
       De lijst van toepasselijke bepalingen is gecorrigeerd rekening houdend met de opmerkingen van de Raad van State in punt 58 van diens advies.
       De opmerking van de Raad dat de opsomming van de toepasselijke bepalingen zou moeten worden herbekeken gelet op het feit dat ook bepaalde aanbestedende overheden en overheidsbedrijven onder het toepassingsgebied van artikel 151 van het ontwerp vallen, waarbij er wordt vanuit gegaan dat om die reden een aantal bijkomende artikelen - zoals bijvoorbeeld de artikelen 23 en 24 - van het ontwerp toepasselijk zouden moeten worden gemaakt, dient evenwel te worden tegengesproken. Voor de bedoelde personen strekt artikel 151 van het ontwerp zich immers enkel uit tot de opdrachten waarvan het geraamd bedrag de Europese drempels bereikt en die betrekking hebben op, wat betreft de aanbestedende overheden, de productie van elektriciteit en, wat betreft de overheidsbedrijven, hun taken die niet van openbare dienst zijn. Het gaat m.a.w. om de opdrachten van de aanbestedende overheden en overheidsbedrijven die niet vallen onder het toepassingsgebied van titel 2 van de wet van 13 augustus 2011 en waarop enkel de minimale regels die ook gelden voor de aanbestedende entiteiten, toepasselijk dienen te worden gemaakt. Het is net om die reden dat de bedoelde opdrachten onder het toepassingsveld van artikel 151 van het ontwerp worden gebracht.
       Aangaande de door de Raad van State geciteerde voorbeeldartikelen 23 en 24 betreffende de belangenvermenging respectievelijk afspraken, dient er overigens op te worden gewezen dat het ter zake niet gaat om principiële bepalingen maar enkel om praktische uitvoeringsbepalingen, waarvan de toepasselijkheid niet aangewezen wordt geacht voor de in artikel 151 van het ontwerp bedoelde opdrachten, die men zoals boven gesteld enkel aan minimale regels wil onderwerpen.
       Art. 152. Dit artikel brengt een precisering aan voor de toepassing van artikel 25, 1°, d, van de wet. Deze laatste bepaling betreft de hypothese waarbij enkel onregelmatige of onaanvaardbare offertes werden ingediend naar aanleiding van een beperkte procedure, een onderhandelingsprocedure met bekendmaking of een concurrentiedialoog. In dit geval kan een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking gerechtvaardigd zijn, mits de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht niet wezenlijk worden gewijzigd en de aanbestedende overheid alle inschrijvers raadpleegt die aan de eisen inzake kwalitatieve selectie beantwoorden en een formeel regelmatige offerte (bv. de offerte is ondertekend, ze bevat een voorstel betreffende een verplichte variante, ze voldoet aan de vormvereisten en is tijdig ingediend, ...) hebben ingediend bij de eerste procedure.
       Volgens de aangebrachte precisering mogen enkel die inschrijvers worden geraadpleegd.
       Er wordt geen gevolg gegeven aan de opmerking van de Raad van State die ertoe strekt dit artikel uit het ontwerp te halen (zie punt 59 van zijn advies). Immers, het betreft hier de aanvulling van een wetsbepaling met het oog op de omzetting van een verplichte bepaling van Richtlijn 2009/81/EG, waartoe de Koning op grond van artikel 46, § 1, van de wet van 13 augustus 2011 uitdrukkelijk is gemachtigd.
       HOOFDSTUK 13. - Slotbepalingen
       Art. 153. Dit artikel zet de artikelen 65 en 66 van Richtlijn 2009/81/EG om. Het strekt ertoe te voldoen aan de statistische verplichtingen die voortvloeien uit de Europese richtlijn en internationale akten inzake overheidsopdrachten.
       Bovendien is voorzien in een overleg met de gewestelijke overheden. Een dergelijk overleg is niet voorgeschreven in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, noch in enige andere tekst. Hierbij moet worden gepreciseerd dat het betrokken overleg een nauwere samenwerking tussen deze verschillende overheden moet toelaten, om zo dubbel gebruik op het vlak van de gegevensinzameling te vermijden.
       Art. 154. Dit artikel bevat een nieuwe bepaling tot vaststelling op tien jaar van de minimumtermijn gedurende dewelke de documenten van de opdracht moeten worden bewaard.
       Art. 155. Dit artikel stelt dat dit ontwerp in werking zal treden op dezelfde datum als de wet waarvoor het ontwerp in de uitvoering voorziet. Betreffende de opmerking van de Raad van State in punt 60 van zijn advies kan worden bevestigd dat het inderdaad de bedoeling is om alle bepalingen van de wet van 13 augustus 2011 op dezelfde datum in werking te laten treden, tezamen aldus met de bepalingen van het voorliggende ontwerp alsook de bepalingen van een tweede ontwerp van koninklijk besluit dat eveneens in voorbereiding is en waarmee in een specifieke rechtsbeschermingsregeling voor de opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied wordt voorzien.
       Art. 156. Dit artikel bepaalt welke ministers met de uitvoering van dit besluit belast zijn.
       
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaar,
       De Eerste Minister,
       E. DI RUPO
       De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie, Consumenten en Noordzee,
       J. VANDE LANOTTE
       De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen,
       Mevr. J. MILQUET
       De Minister van Landsverdediging,
       P. DE CREM
       De Minister van Begroting en Administratieve Vereenvoudiging,
       O. CHASTEL
       
       Advies 50.137/1/V van 29 augustus 2011 van de afdeling wetgeving van de Raad van State
       De Raad van State, afdeling Wetgeving, eerste vakantiekamer, op 29 juli 2011 door de Eerste Minister verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 7 september 2011, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit " betreffende plaatsing van overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied ", heeft het volgende advies gegeven :
       1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
       VOORAFGAANDE OPMERKING
       2. Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als ze te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van een verordening noodzakelijk is.
       STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP
       3. De regeling die in het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit is vervat, betreft een bijzondere soort overheidsopdrachten, zijnde die bedoeld in de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied (hierna : " de wet van 13 augustus 2011 "). (1)
       Met het ontwerp wordt vooreerst beoogd om de voornoemde wettelijke regeling inzake overheidsopdrachten aan te vullen, door middel van een verdere omzetting in het interne recht van Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG (hierna : " Richtlijn 2009/81/EG ").
       Het ontwerp strekt tevens tot uitvoering van de wet van 13 augustus 2011, met dien verstande dat de wet, luidens het verslag aan de Koning, " noch de bepalingen betreffende de bevoegdheidsdelegaties en sommige toezichtsmaatregelen voor de overheidsopdrachten op federaal niveau, noch de bepalingen inzake de rechtsbescherming " bevat.
       Benevens een aantal algemene bepalingen (hoofdstuk 1) bevat het ontwerp regels in verband met de raming van het opdrachtbedrag (hoofdstuk 2), de bekendmaking (hoofdstuk 3), de indiening van de aanvragen tot deelneming en van de offertes (hoofdstuk 4), het toegangsrecht en de kwalitatieve selectie (hoofdstuk 5), en het verloop van de onderscheiden gunningsprocedures bij aanbesteding en offerteaanvraag (hoofdstuk 6), bij een onderhandelingsprocedure (hoofdstuk 7), en bij een concurrentiedialoog (hoofdstuk 8). Daarnaast zijn er een aantal regels betreffende specifieke of aanvullende opdrachten en procedures (hoofdstuk 9), regels die van toepassing zijn op de opdrachten in onderaanneming (hoofdstuk 10), algemene uitvoeringsregels (hoofdstuk 11) en bepalingen inzake opdrachten geplaatst door aanbestedende entiteiten en door aanbestedende overheden en overheidsbedrijven, respectievelijk bedoeld in de artikelen 2, 3°, en 72 van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten (hoofdstuk 12). Verder zijn er nog een aantal slotbepalingen (hoofdstuk 13).
       Er wordt met betrekking tot de overheidsopdrachten op het gebied van defensie en veiligheid derhalve een afzonderlijke uitvoeringsregeling uitgewerkt, die valt te onderscheiden van de algemene uitvoeringsregeling inzake de plaatsing van overheidsopdrachten, weze het in de zogenaamde " klassieke " dan wel in de " speciale " sectoren. (2) Dat neemt niet weg dat vrij veel bepalingen van de ontworpen regeling identiek zijn aan of vergelijkbaar met bepalingen van de algemene regeling, zeker bij vergelijking met het koninklijk besluit van 15 juli 2011 plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren (hierna : " het koninklijk besluit van 15 juli 2011 "). (3) Tevens worden in het ontwerp een aantal bepalingen overgenomen van het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken, meer in het bijzonder voor zover het bepalingen betreft die reeds in acht moeten worden genomen vóór de fase van de uitvoering van een overheidsopdracht.
       Bij het ontwerp horen voorts een aantal bijlagen die onder meer enkele modelformulieren voor opdrachtdocumenten bevatten. In dat opzicht verschilt het ontwerp van de algemene regeling. Het aantal formulieren en dus het aantal bijlagen is een stuk geringer, omdat er veelvuldig voor wordt geopteerd om op dat vlak te verwijzen naar de modellen opgenomen in Verordening (EG) nr. 1564/2005 van de Commissie van 7 september 2005 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten (hierna : " Verordening (EG) nr. 1564/2005 ") (4).
       4.1. Onder voorbehoud van hetgeen onder de volgende nummers zal worden opgemerkt in verband met de rechtsgrond van sommige bepalingen van het ontwerp, kan dat laatste worden geacht rechtsgrond te vinden in de artikelen van de wet van 13 augustus 2011 waarvan melding wordt gemaakt in het tweede lid van de aanhef van het ontwerp, zoals het om advies is voorgelegd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State.
       4.2. Voor artikel 2, 4°, van het ontwerp, dat de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking omschrijft, wordt, in zoverre die procedure daardoor ook wordt gecreëerd als een uitsluitend voor overheidsopdrachten beneden de Europese drempels aan te wenden onderhandelingsprocedure met bekendmaking waarvoor elke belangstellende aannemer, leverancier of dienstverlener een offerte mag indienen, rechtsgrond geboden door artikel 3, 8°, in fine, van de wet van 13 augustus 2011.
       4.3. Artikel 7, § 1, derde lid, van de wet van 13 augustus 2011 biedt rechtsgrond voor artikel 21 van het ontwerp. Die wetsbepaling houdt in dat de herziening van de prijzen moet tegemoetkomen aan de prijsevolutie van de hoofdcomponenten van de kostprijs, overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regels.
       4.4. Voor zover het koninklijk besluit van 26 september 1996 een regeling bevat in verband met het toestaan van voorschotten, vindt artikel 148 van het ontwerp rechtsgrond in artikel 8, tweede lid, van de wet van 13 augustus 2011.
       4.5. Een aantal bepalingen van het ontwerp die strekken tot omzetting van Richtlijn 2009/81/EG kunnen worden geacht rechtsgrond te vinden in de algemene delegatiebepalingen van artikel 46, § 1, eerste lid, (5) en § 2, (6) van de wet van 13 augustus 2011.
       Dat is het geval voor, enerzijds, de artikelen 1, 11, 12, § 3, 15, 22, 25 tot 28, 30 tot 32 (wat de Europese bekendmaking betreft), 33, eerste lid, 34 tot 39 en 149 tot 151, en anderzijds artikel 33, tweede lid, van het ontwerp.
       4.6. Sommige bepalingen van het ontwerp geven niet als zodanig uitvoering aan een uitdrukkelijke delegatiebepaling van de wet van 13 augustus 2011, maar kunnen niettemin worden ingepast in de algemene uitvoeringsbevoegdheid van de Koning zoals die voortvloeit uit artikel 108 van de Grondwet, gelezen in samenhang met sommige bepalingen van de wet van 13 augustus 2011.
       Het betreft meer bepaald de artikelen 5, 12, §§ 1 en 2, 14, 16 tot 20, 23, 24, 29 en 152 van het ontwerp.
       4.7. Artikel 123, tweede lid, van het ontwerp bepaalt voor de promotieopdracht van werken dat, wanneer de aanbestedende overheid een recht van opstal toekent, de promotor niet de rechten heeft welke zijn vermeld in de artikelen 5 en 6 van de wet van 10 januari 1824 op het recht van opstal.
       Die bepaling kan in verband worden gebracht met artikel 28, derde lid, van de wet van 13 augustus 2011, waarbij de Koning wordt gemachtigd om bij het vaststellen van de voorwaarden voor de promotieopdracht van werken, af te wijken van de twee voormelde artikelen van de genoemde wet van 10 januari 1824 " [v]oor zover dit noodzakelijk is voor de organisatie en het beheer van de promotieopdracht ".
       Artikel 123, tweede lid, van het ontwerp voorziet zonder enige nadere bepaling in een afwijking van de betrokken artikelen van de laatstbedoelde wet.
       Voor zover de steller van het ontwerp van oordeel is dat er een algemene noodzaak tot afwijking van de betrokken opstalvoorschriften bestaat, (7) verdient het aanbeveling die algemene noodzaak in het verslag aan de Koning te verduidelijken.
       ONDERZOEK VAN DE TEKST
       Algemene opmerkingen
       5. Aan de ontworpen regeling ligt mede de bedoeling ten grondslag om de omzetting in het interne recht van Richtlijn 2009/81/EG verder te zetten. Die omzetting gebeurt door middel van uiteenlopende normatieve teksten. Sommige bepalingen van de richtlijn zijn omgezet door de wet van 13 augustus 2011. Andere bepalingen van de richtlijn zullen door andere, afzonderlijke wetten en uitvoeringsbesluiten worden omgezet.(8) Nog andere bepalingen van de richtlijn zullen worden omgezet door besluiten ter uitvoering van de wet van 13 augustus 2011. Het voorliggende ontwerp is een besluit in die laatste zin.
       Doordat de steller van het ontwerp ervoor opteert om sommige bepalingen van de richtlijn om te zetten door middel van een aantal wetten en de overige richtlijnbepalingen om te zetten door middel van uitvoeringsbesluiten, dient erop te worden toegezien dat de omzetting, over de verspreid liggende teksten heen, volledig is. De toegankelijkheid van de ontworpen regeling zou ermee zijn gebaat indien de verhouding met Richtlijn 2009/81/EG niet enkel zou worden verduidelijkt in het verslag aan de Koning, doch indien dat verslag tevens zou worden vergezeld van een omzettingstabel waarin duidelijk wordt aangegeven welke artikelen van de wet van 13 augustus 2011 en van het voorliggende ontwerp strekken tot omzetting van welke bepalingen van de voornoemde richtlijn en, omgekeerd, welke richtlijnbepalingen in het interne recht worden omgezet door welke normatieve bepalingen.
       6.1. Uit wat voorafgaat volgt dat met het ontwerp niet een volledige omzetting van Richtlijn 2009/81/EG in het interne recht is beoogd. Vraag is of de aldus geconcipieerde gedeeltelijke omzetting van de voornoemde richtlijn naar behoren gebeurt en of de omzetting, binnen haar beperkte contouren, niet onvolledig of onjuist is op bepaalde punten. Op basis van een vergelijking van de tekst van het ontwerp met de tekst van Richtlijn 2009/81/EG en de door de gemachtigde aan de Raad van State meegedeelde omzettingstabel, is gebleken dat er diverse vragen rijzen en opmerkingen zijn te maken met betrekking tot de met het ontwerp beoogde omzetting van de voornoemde richtlijn. Die vragen en opmerkingen worden onder de hierna volgende randnummers weergegeven.
       6.2. De gemachtigde heeft bevestigd dat het ontwerp, wat de onderhandelingsprocedure met bekendmaking betreft, nog is aan te vullen met een bepaling, vergelijkbaar met artikel 109, § 3, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, die voorziet in de omzetting van artikel 26, lid 3, van Richtlijn 2009/81/EG, en, in het verlengde daarvan, van artikel 38, lid 5, van dezelfde richtlijn, voor zover die laatste richtlijnbepaling betrekking heeft op het gebruik van de door eerstgenoemde richtlijnbepaling geboden mogelijkheid tot vermindering van het aantal inschrijvingen waarover moet worden onderhandeld. (9)
       6.3. Artikel 29, lid 2, vierde alinea, van Richtlijn 2009/81/EG bepaalt dat de looptijd van een raamovereenkomst niet langer mag zijn dan zeven jaar, behalve in daarin nader omschreven uitzonderlijke omstandigheden. Luidens de daaropvolgende alinea verstrekken de aanbestedende diensten in deze uitzonderlijke omstandigheden een adequate rechtvaardiging voor deze omstandigheden in de in artikel 30, lid 3, bedoelde aankondiging, zijnde de aankondiging betreffende de resultaten van die procedure.
       Gevraagd naar de precieze bepaling houdende omzetting van artikel 29, lid 2, vijfde alinea, van Richtlijn 2009/81/EG, heeft de gemachtigde verwezen naar artikel 30, vierde lid, van de wet van 13 augustus 2011 en naar de modellen van aankondigingen die de Europese Commissie voorbereidt ter aanpassing van Verordening (EG) nr. 1564/2005.
       Die verklaring voldoet niet. Met de genoemde wetsbepaling wordt immers enkel artikel 29, lid 2, vierde alinea, van de richtlijn omgezet, terwijl de bedoelde aankondigingsmodellen slechts de vorm aannemen van bijlagen bij de betrokken verordening. Dergelijke bijlagen kunnen evenwel in beginsel geen rechten of verplichtingen bevatten die niet worden vermeld in het dispositief van de normatieve tekst waar ze bijhoren.
       6.4. Onvolkomen is ook de omzetting, via artikel 37, § 2, van het ontwerp, van artikel 30, lid 1, eerste en tweede alinea, van Richtlijn 2009/81/EG.
       In die laatste richtlijnbepaling wordt de verplichting tot spoedige bekendmaking van de vooraankondiging nadat is beslist tot goedkeuring van het project van de voorgenomen opdracht, immers niet beperkt tot opdrachten voor werken, zoals in voornoemde bepaling van het ontwerp. Bovendien hebben de alinea's in kwestie ook betrekking op raamovereenkomsten.
       6.5. Op de vraag welke bepalingen van het ontwerp de omzetting realiseren van artikel 32, leden 2 en 6, van Richtlijn 2009/81/EG, of waarom van die omzetting kan worden afgezien (zoals voor artikel 32, lid 5, waaromtrent een toelichting wordt gegeven in het verslag aan de Koning), heeft de gemachtigde het volgende geantwoord :
       " Artikel 32, lid 2, eerste zin : in België wordt de redactie van aankondigingen online praktisch gezien nog [het] enige gebruikte middel : op jaarbasis krijgt het Bulletin der Aanbestedingen nog een paar (minder dan 10) aankondigingen via de post of via fax (op ongeveer 20.000). Begin 2012 wordt beslist maar de redactie online nog toe te laten (sic). Deze regel van de FOD P & O (verantwoordelijk voor het [Bulletin der Aanbestedingen ]) zal dus ook gelden voor de overheidsopdrachten die zowel op [het] Belgisch als op het Europees niveau moeten bekendgemaakt worden.
       Artikel 32, lid 2, tweede zin : zie artikel 48, § 1, tweede en derde lid.
       Artikel 32, lid 6 : zoals voor het KB van 15 juli 2011, herhaalt het verslag aan de Koning deze technische beperking volgens dewelke de inhoud van de aankondiging beperkt is tot ongeveer 650 woorden wanneer deze aankondiging niet met elektronische middelen wordt verzonden. Het gaat ook om een modaliteit die ook afhankelijk is van het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie en waarover de lidstaten geen invloed kunnen hebben ".
       Met dat antwoord kan worden ingestemd. In voorkomend geval dient wel de meegedeelde omzettingstabel te worden aangevuld.
       6.6. Artikel 46 van Richtlijn 2009/81/EG bestaat in grote mate uit bepalingen die in een andere dan de ontworpen regeling zijn om te zetten. Met het voorliggende ontwerp worden de leden 2, 3 en 4 van het genoemde artikel omgezet door de artikelen 72, tweede lid, 2°, en 84 van het ontwerp.
       De redactie van artikel 84 is vanuit dat oogpunt echter voor verbetering vatbaar. Het bij het eerste lid van dat artikel ingestelde vermoeden van geschiktheid dient immers ook met de hypothese van een door een certificeringsinstelling afgegeven certificaat rekening te houden. (10) Ook dient, zoals de gemachtigde heeft erkend, in de eerste zin van hetzelfde lid te worden verwezen naar onderdeel 8° (niet : 7° ) van artikel 63, § 2, van het ontwerp.
       6.7. Wat de omzetting betreft van artikel 48, lid 7, tweede alinea, van Richtlijn 2009/81/EG, ontbreekt in het ontwerp de bepaling dat de uitnodiging om deel te nemen aan de elektronische veiling het tijdschema voor elke fase van de veiling dient te vermelden. Een precisering in die zin is logischerwijze aan te brengen in artikel 133 van het ontwerp, waarmee de overige bepalingen van artikel 48, lid 7, van de richtlijn worden omgezet.
       6.8. Inzake de regels die van toepassing zijn op de opdrachten in onderaanneming, is de gemachtigde gevraagd welke bepalingen de omzetting verwezenlijken van de artikelen 21, lid 4, laatste alinea, en lid 6, en 50, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 2009/81/EG.
       Zijn antwoord luidt :
       " - voor artikel 21, lid 4, laatste alinea : deze bepaling verwijst naar titel III van de richtlijn, omgezet door hoofdstuk 10 van het ontwerp KB. Volgens ons is het logisch dat het opgelegde percentage moet bij de gunning gerespecteerd worden. Indien toch nodig geacht kan een precisering bijgevoegd worden;
       - voor artikel 21, lid 6 : zie de artikelen 139 tot 144;
       - voor artikel 50, lid 2, tweede alinea : zie artikel 37, § 2, 2°, tweede lid, van de wet van 13 augustus 2011. De aanpassing van de lijst wordt niet vermeld in de wet of in het ontwerp KB. Een precisering kan ook indien nodig geacht bijgevoegd worden ".
       Het verdient inderdaad aanbeveling om de ontworpen regeling inzake opdrachten in onderaanneming op die drie punten aan te vullen, opdat zij nog nauwer bij die van de richtlijn zou aansluiten.
       7. Op diverse plaatsen in het ontwerp wordt zonder duidelijke of aannemelijke reden afgeweken van de terminologie of de redactie van Richtlijn 2009/81/EG. Bij de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp worden wat dat betreft diverse voorbeelden gegeven. Uitgangspunt dient te zijn dat in beginsel zo nauw als mogelijk bij de richtlijn wordt aangesloten, tenzij een afwijking hiervan kan worden gebillijkt doordat een term of wijze van redigeren meer ingeburgerd en duidelijker is in de interne rechtsorde en daardoor niet het bereiken van het door de richtlijn vooropgezette resultaat in het gedrang komt.
       8. In eerdere adviezen drukte de Raad van State, afdeling Wetgeving, de bekommernis uit om te komen tot een meer eenvormig en consequent gebruik van bepaalde basisbegrippen met het oog op een beter begrijpelijke en toegankelijke regelgeving inzake overheidsopdrachten. (11) Zoals voor het voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 13 augustus 2011, dient evenwel opnieuw te worden vastgesteld dat in het voorliggende ontwerp bepaalde van die basisbegrippen, zoals " gunning van de overheidsopdracht " (attribution du marché public) en " sluiting van de overheidsopdracht " (conclusion du marché public), die in die wet worden omschreven, (12) in diverse bepalingen van het ontwerp niet consequent worden gebruikt in de zin van de aldus omschreven begrippen. Zo worden bijvoorbeeld bij herhaling de begrippen " gunningsprocedures ", " gunningsregels " en " gunningswijzen ", in de Nederlandse tekst, weergegeven door respectievelijk " procédures de passation ", " règles de passation " en " modes de passation ", in de Franse tekst. (13)
       Zoals voor het voormelde voorontwerp van wet, valt op te merken dat het in diverse bepalingen van het ontwerp gebruikte begrip " plaatsing " van de opdracht (" passation du marché "), in de tekst van dat ontwerp nergens wordt omschreven, terwijl zo een omschrijving ter wille van de duidelijkheid van de regelgeving nochtans aanbeveling verdient. Het betrokken begrip is immers vatbaar voor een verschillende uitlegging (14) en moet worden onderscheiden van de eerder vermelde begrippen " gunning " en " sluiting " van de overheidsopdracht. De vaststelling dat de term " gunning ", in de Nederlandse tekst, nu eens wordt weergegeven met " attribution ", dan weer met " passation ", in de Franse tekst, bevestigt de noodzaak van een adequate omschrijving en een meer coherent gebruik van de betrokken begrippen doorheen het ontwerp. Een bijkomend onderzoek van de tekst op dat punt is bijgevolg noodzakelijk.
       Bijzondere opmerkingen
       Aanhef
       9. Uit de bespreking van de rechtsgrond van het ontwerp volgt dat in het tweede lid van de aanhef nog bijkomend is te verwijzen naar andere bepalingen van de wet van 13 augustus 2011.
       10. Het advies van de Commissie voor de Overheidsopdrachten, waarvan melding wordt gemaakt in het derde lid van de aanhef, dateert van 20 juli 2011 (niet : 30 mei 2011).
       Artikel 6
       11. Uit de vermelding in het verslag aan de Koning van " de ontvangst van het bericht door de bestemmeling en de datum en het tijdstip van ontvangst " als deel van de elementen waarvan een aangetekende zending het bewijs moet leveren, blijkt dat eigenlijk een aangetekende zending " met ontvangstmelding " wordt bedoeld. Als dat overeenstemt met de bedoeling van de steller van het ontwerp, dient artikel 6, § 3, van het ontwerp in die zin te worden aangevuld.
       Artikel 7
       12. Artikel 7, § 1, eerste lid, van het ontwerp komt neer op een loutere herhaling van artikel 40, eerste lid, van de wet van 13 augustus 2011.
       Het overnemen in een lagere regeling van bepalingen van een hogere regeling dient te worden vermeden. Een dergelijke werkwijze is immers niet alleen overbodig op het normatieve vlak aangezien ze geen nieuwe norm tot stand brengt, maar kan bovendien tot verwarring leiden over de precieze aard van het in de lagere regeling opgenomen voorschrift en inzonderheid tot gevolg hebben dat uit het oog wordt verloren dat alleen de hogere regelgever het betrokken voorschrift kan wijzigen.
       Het betrokken lid moet dan ook in beginsel worden weggelaten. Zo het voor de toegankelijkheid van de regelgeving toch nuttig wordt geacht om het wettelijk voorschrift te herhalen, dient een verwijzing te worden opgenomen naar de betrokken wetsbepaling (" Overeenkomstig... ").
       13. Rekening houdend met de opvolging van de Europese Gemeenschap door de Europese Unie, vermelde men in artikel 7, § 1, tweede lid, van het ontwerp het " recht van de Europese Unie " in plaats van het " Gemeenschapsrecht ".
       Dezelfde opmerking geldt ten aanzien van artikel 83 van het ontwerp. Ook de aanwending van het adjectief " communautair " in die laatste bepaling en ook al in artikel 10, derde lid, van het ontwerp is om dezelfde reden niet langer adequaat.
       Artikel 9
       14. Met betrekking tot artikel 9, eerste lid, van het ontwerp, dat de inhoud van artikel 38, eerste lid, van de wet van 13 augustus 2011 herneemt, geldt dezelfde opmerking als die welke hiervóór bij artikel 7, § 1, eerste lid, van het ontwerp is gemaakt.
       Artikel 11
       15. Luidens artikel 11, § 2, eerste lid, van het ontwerp zijn vrije varianten niet toegestaan bij aanbesteding. In artikel 11, § 3, wordt bepaald dat de aanbestedende overheid een vrije variante niet mag weren om de enkele reden dat een opdracht voor diensten daardoor een opdracht voor leveringen zou worden of omgekeerd. Uit het verslag aan de Koning valt evenwel af te leiden dat de aanbestedende overheid over diverse mogelijkheden beschikt om de voornoemde variante aan beperkingen te onderwerpen of zelfs uit te sluiten en om naar aanleiding hiervan in een absolute nietigheid te voorzien. Van die in het verslag aan de Koning beoogde mogelijkheden zou op een meer expliciete wijze gewag moeten worden gemaakt in het dispositief.
       Artikel 17
       16. Wat de belasting over de toegevoegde waarde betreft, dient de aanbestedende overheid verplicht te opteren voor één van de procedés, vermeld onder a) of b) van artikel 17, tweede lid, van het ontwerp. Teneinde daarover geen twijfel te laten bestaan, wordt in de inleidende zin van de voornoemde bepaling het woord " kan " dan ook beter vervangen door het woord " zal ", of, zoals in de tegenhanger van die bepaling binnen het koninklijk besluit van 15 juli 2011 (artikel 16, tweede lid), door een rechtstreekse vermelding van de betrokken handeling zelf.
       Artikel 22
       17. In artikel 22, § 3, tweede lid, van het ontwerp wordt melding gemaakt van " een prijs ". Artikel 110, § 3, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 vermeldt " eenheidsprijzen of totale prijzen ". Vraag is of niet zou moeten worden verduidelijkt dat het begrip " prijs " in artikel 22, § 3, tweede lid, van het ontwerp zowel eenheids- als totale prijzen omvat. Dergelijke verduidelijking zou in het verslag aan de Koning kunnen worden opgenomen.
       Artikel 25
       18. De redactie van de inleidende zin van artikel 25, eerste lid, van het ontwerp, wijkt af van die van artikel 9, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2009/81/EG. Zo wordt onder meer in de voornoemde bepaling van het ontwerp niet geëxpliciteerd dat het om een bedrag gaat " exclusief BTW ", zoals wel gebeurt in artikel 9, lid 1, van de richtlijn. De tekst van de inleidende zin van artikel 25, eerste lid, van het ontwerp dient beter op de tekst van artikel 9, lid 1, eerste alinea, van de voornoemde richtlijn te worden afgestemd.
       Artikel 28
       19. In tegenstelling tot wat het geval is in artikel 9, lid 8, van Richtlijn 2009/81/EG, waarin melding wordt gemaakt van " andere vormen van beloning " wordt in artikel 28, § 1, tweede lid, van het ontwerp, telkens melding gemaakt van " andere vormen van vergoeding " (in de Franse tekst : " autres modes de rémunération "). De steller van het ontwerp geeft er kennelijk de voorkeur aan om in een van de betrokken richtlijn afwijkende terminologie te voorzien. Het ware nuttig in het verslag aan de Koning ook op dat punt enige toelichting te verstrekken.
       Artikel 37
       20. In artikel 37, § 2, van het ontwerp ontbreekt in de Nederlandse tekst het woord " bekendgemaakt " na de woorden " zo spoedig mogelijk ".
       Artikel 42
       21. Het opstellen van een lijst van geselecteerden en het instellen van een kwalificatiesysteem (artikel 42, §§ 2 en 3, van het ontwerp) staan volgens het verslag aan de Koning niet de gunning van een afzonderlijke opdracht via de bekendmaking van een aankondiging van opdracht in de weg. Ter wille van de duidelijkheid zou zulks best in de tekst van artikel 42 van het ontwerp worden vermeld.
       Artikel 45
       22. Zoals door de gemachtigde is bevestigd, is er een discrepantie tussen het ontwerp en het koninklijk besluit van 15 juli 2011, meer bepaald tussen artikel 45 van het ontwerp en de tegenhanger ervan in het koninklijk besluit van 15 juli 2011 (artikel 44), op het vlak van de gelding van de verkorte termijn van vier dagen voor mededeling van aanvullende inlichtingen door de aanbestedende overheid. (15) De steller van het ontwerp dient na te gaan of het ontwerp in het licht daarvan geen aanpassing behoeft.
       Artikel 52
       23. In artikel 52, tweede lid, 4°, van het ontwerp verdient het aanbeveling de daarin bedoelde documenten nader te preciseren, rekening houdend met hetgeen is bepaald in artikel 34, lid 5, d), van Richtlijn 2009/81/EG en de omzetting van de artikelen waarnaar in die richtlijnbepaling wordt verwezen.
       Artikel 54
       24. Aangezien in artikel 54, § 1, eerste lid, 4°, van het ontwerp het gegeven centraal staat dat niemand vóór de uiterste datum toegang kan hebben tot de aanvragen tot deelneming of offertes, dient de redactie van de Franse tekst, naar het voorbeeld van de Nederlandse tekst, te worden aangepast. Meer in het bijzonder dient de zinsnede " avant la date et l'heure limites fixées " op een andere plaats in de betrokken bepaling te worden ingevoegd.
       Artikel 57
       25. Artikel 57 van het ontwerp bepaalt dat in de opdrachtdocumenten het gezamenlijk indienen van één enkele offerte door verscheidene geselecteerden kan worden beperkt of verboden. Volgens het verslag aan de Koning strekt deze bepaling ertoe " een voldoende mededinging te garanderen, met name wanneer het aantal geselecteerden beperkt is en bijgevolg het risico bestaat dat laatstgenoemden een offerte zouden indienen binnen één enkele combinatie ". Het verdient aanbeveling om in artikel 57, derde lid, van het ontwerp te expliciteren dat de erin bedoelde beperking of het erin beoogde verbod enkel mogelijk is omwille van het waarborgen van de mededinging.
       Artikel 61
       26. In artikel 61, 2°, van het ontwerp heeft het begrip " situatie " een dermate algemene connotatie dat ermee ook zou kunnen worden gedoeld op bijvoorbeeld aangelegenheden betreffende de privésfeer van een kandidaat of inschrijver. Het betrokken begrip dient derhalve nader te worden omschreven of te worden vervangen door een ander, meer afgebakend begrip.
       27. In zoverre artikel 61, 3°, van het ontwerp betrekking heeft op documenten en inlichtingen die reeds met toepassing van de wet van 16 januari 2003 (16) onder de verplichte eenmalige gegevensverzameling vallen, is die bepaling op een te algemene wijze geredigeerd omdat ermee de indruk wordt gewekt dat wordt afgeweken van de voornoemde wettelijke regeling, terwijl dat niet kan. Er kan worden overwogen om in artikel 61, 3°, van het ontwerp, te expliciteren dat documenten en inlichtingen worden bedoeld die niet met toepassing van de wet van 16 januari 2003 kunnen worden verkregen.
       Artikel 63
       28. In acht genomen dat in artikel 63, § 1, van het ontwerp wordt gerefereerd aan wat reeds in artikel 20 van de wet van 13 augustus 2011 wordt bepaald, is het aangewezen in het eerste lid, 4°, van die paragraaf mede melding te maken van de hypotheses van uitlokking van, medeplichtigheid aan of poging tot het plegen van een terroristisch misdrijf of strafbaar feit in verband met terroristische activiteiten.
       Artikel 71
       29. Aan het einde van artikel 71, 8°, van het ontwerp stemmen de Nederlandse en de Franse tekst niet overeen. In de Nederlandse tekst wordt immers geschreven " om de kwaliteit te waarborgen ", terwijl in de Franse tekst wordt vermeld " pour contrôler la qualité ". Deze discordantie moet worden weggewerkt.
       Dezelfde opmerking geldt ten aanzien van de artikelen 73, 7°, en 74, 8°, van het ontwerp.
       Artikel 73
       30. Ter wille van de leesbaarheid schrijve men in de Nederlandse tekst van artikel 73, 4°, van het ontwerp :
       " aan de hand van een beschrijving van de technische uitrusting van de door de leverancier getroffen maatregelen om de kwaliteit te waarborgen en van de door zijn onderneming geboden mogelijkheden op het vlak van studie en onderzoek alsook de interne regels inzake intellectuele eigendom; ".
       31. Met het oog op een grotere overeenstemming met artikel 42, lid 1, eerste alinea, d), van Richtlijn 2009/81/EG dienen in artikel 73, 7°, van het ontwerp de woorden " op de technische capaciteit " te worden vervangen door de woorden " op de productiecapaciteit of op de technische bekwaamheid ".
       Artikel 77
       32. Gevraagd naar een verklaring voor de discrepantie tussen artikel 77 van het ontwerp en de tegenhanger ervan in het koninklijk besluit van 15 juli 2011 (artikel 73), meer bepaald wat de artikelen betreft waarnaar wordt verwezen, heeft de gemachtigde verklaard dat de verwijzing in artikel 77 mutatis mutandis dient te worden afgestemd op die van voornoemd artikel 73. Daarmee kan worden ingestemd.
       Artikel 88
       33. Indien met de term " connaissances ", in de Franse tekst van de inleidende zin van artikel 88, § 2, eerste lid, van het ontwerp, wordt gedoeld op de beroepsmatige kennis (zie de Nederlandse tekst), schrijve men beter " connaissances professionnelles ".
       Artikel 95
       34. Luidens artikel 95, § 2, tweede lid, van het ontwerp worden offertes die laattijdig bij de voorzitter toekomen, geweigerd of ongeopend behouden (lees : bewaard), welke ook de oorzaak van de laattijdigheid is. Die bepaling mag uiteraard geen afbreuk doen aan het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Dat kan nochtans het geval zijn wanneer een onregelmatigheid wordt veroorzaakt door de aanbestedende overheid zelf en daardoor nadeel wordt berokkend aan één of meer specifieke inschrijvers en niet aan andere inschrijvers. Indien het daarenboven de bedoeling is om de inschrijvers ook de mogelijkheid te ontnemen om overmacht in te roepen, lijkt voor een dergelijke bevoegdheid geen rechtsgrond voorhanden in de wet van 13 augustus 2011.
       Artikel 100
       35. Mede gelet op de inhoud van artikel 95, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 mag worden aangenomen dat de opsomming van artikelen in artikel 100, tweede lid, van het ontwerp dient aan te vangen met artikel 6 (niet : 5), § 1.
       36. Gevraagd naar de redenen voor de verschillen tussen de verwijzingen in artikel 100, derde lid, 1°, van het ontwerp, enerzijds, en in artikel 95, vierde lid, 1°, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, anderzijds, heeft de gemachtigde het volgende verklaard :
       " Algemene opmerking : het is misschien nuttig dezelfde schikking te volgen als voor artikel 95 van het KB van 15 juli 2011 : een vierde lid zou dan beginnen met de woorden " Bovendien kan de aanbestedende overheid... ";
       Afdeling 11 van hoofdstuk 1 moet ook vermeld worden ".
       Met die voorstellen tot aanpassing van de tekst kan worden ingestemd. Mogelijk komt ook hoofdstuk 10 van het ontwerp (" Regels die van toepassing zijn op de opdrachten in onderaanneming ") in aanmerking voor opname in de betrokken opsomming, daar in artikel 95, vierde lid, 1°, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, immers ook hoofdstuk 1, afdeling 8 (" Onderaanneming "), in de opsomming is begrepen.
       Artikel 101
       37. In de Franse tekst van artikel 101, § 4, van het ontwerp, wordt de zinsnede " zonder daarbij de inhoud te wijzigen ", die in de Nederlandse tekst voorkomt, niet op adequate wijze weergegeven met de woorden " sans la modifier ". Het verdient aanbeveling om ook in de Franse tekst er uitdrukkelijk melding van te maken dat de beoogde wijziging niet inhoudelijk van aard mag zijn.
       Artikel 102
       38. In artikel 102, § 2, tweede lid, van het ontwerp dient de verwijzing naar " artikel 88, § 2, tweede streepje " te worden gecorrigeerd, aangezien een dergelijke bepaling als zodanig niet voorkomt in het ontwerp.
       Artikel 103
       39. De Nederlandse en de Franse tekst van artikel 103, § 2, van het ontwerp moeten met elkaar in overeenstemming worden gebracht (" verbeterd " - " modifié "). Wellicht is de Franse tekst correct.
       Artikel 105
       40. In artikel 105, § 3, eerste lid, van het ontwerp dient te worden verwezen naar artikel " 52, tweede lid, 3° " in plaats van naar artikel " 52, 3° ".
       Die opmerking geldt ook voor de artikelen 106, § 3, eerste lid, 108, vierde lid, 2°, en 109, vierde lid, 2°, van het ontwerp.
       41. In de Nederlandse tekst van artikel 105, § 3, eerste lid, wordt bovendien verkeerdelijk verwezen naar artikel 56, § 2, in plaats van naar artikel 53, § 2, van het ontwerp, wat dan ook moet worden gecorrigeerd.
       Artikel 108
       42. In artikel 108, eerste lid, van het ontwerp dient te worden verwezen naar artikel 31 in plaats van naar artikel 30 van de wet van 13 augustus 2011.
       Ook in artikel 109, eerste lid, van het ontwerp wordt verkeerdelijk verwezen naar artikel 30 in plaats van naar artikel 31 van de wet van 13 augustus 2011.
       Artikel 110
       43. In artikel 110, § 1, 4°, van het ontwerp dient te worden verwezen naar artikel 114 (niet : 115), tweede lid, van het ontwerp.
       De gemachtigde heeft bovendien bevestigd dat in artikel 110, § 2, eerste lid, niet naar artikel 29 dient te worden verwezen.
       Artikel 111
       44. Een inhoudelijke vergelijking met de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 met dezelfde finaliteit (17), wijst erop dat de verwijzingen in artikel 111, § 1, van het ontwerp niet juist zijn en op de hierna volgende wijze dienen te worden aangepast :
       - in het eerste lid, 1° : verwijzing naar artikel 6 in plaats van naar artikel 5;
       - in het tweede lid : verwijzing naar artikel 63, § 2, 6° in plaats van 5°.
       45. Uit die vergelijking blijkt ook een discrepantie tussen artikel 111, § 1, eerste lid, 1°, van het ontwerp en artikel 106, § 1, eerste lid, 1°, van voormeld koninklijk besluit : de eerstgenoemde bepaling bevat geen equivalent voor de verwijzing in de laatstgenoemde bepaling naar artikel 54.
       Indien die beperktere draagwijdte van artikel 111, § 1, eerste lid, 1°, van het ontwerp strookt met de bedoeling van de steller ervan, verdient het aanbeveling dat in het verslag aan de Koning nader toe te lichten.
       Artikel 117
       46. De mededeling van de motivering van de aanbestedende overheid ten opzichte van deelnemers aan de concurrentiedialoog waarvan de oplossingen niet worden gekozen is verplicht op grond van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Derhalve is het hernemen van zulk een motiveringsplicht in artikel 117, § 2, van het ontwerp, tegelijk overbodig en misleidend. Het hernemen van dergelijke verplichting in het ontwerp is overbodig omdat die verplichting reeds voortvloeit uit de voornoemde wet. Het is bovendien misleidend omdat erdoor de verkeerde indruk wordt gewekt dat de formele motiveringsplicht slechts geldt in de mate deze in het ontwerp wordt voorgeschreven. Het verdient in zulk een geval dan ook de voorkeur dat in het verslag aan de Koning zou worden geëxpliciteerd dat de betrokken motieven hoe dan ook moeten worden meegedeeld met toepassing van de wet van 29 juli 1991, zonder daarvan ook in de tekst van het ontwerp melding te maken.
       Onverminderd hetgeen hiervóór is gesteld, moet bovendien worden vastgesteld dat in de Nederlandse en de Franse tekst van de laatste zin van artikel 117, § 2, van het ontwerp, op het eerste gezicht op een uiteenlopende wijze invulling wordt gegeven aan de betrokken motivering (" licht de deelnemers op gemotiveerde wijze in over hun niet gekozen oplossingen ", dus motivering gericht op wat niet is gekozen, tegenover " communique les motifs de son choix aux participants dont la solution n'a pas été retenue ", dus motivering gericht op wat wel is gekozen). Het komt de Raad van State, afdeling Wetgeving, voor dat die discrepantie tussen de Nederlandse en de Franse tekst veeleer is op te vatten als een probleem van vertaling, waarbij de Franse tekst wellicht de juiste is.
       Hoe dan ook houdt de betrokken motiveringsregeling essentieel verband met de regeling van informatieverstrekking en rechtsbescherming, waarvoor het klaarblijkelijk de bedoeling is om een onderscheiden regelgevend initiatief te nemen. Dat maakt dat de voornoemde regeling alleen al daarom beter niet wordt opgenomen in de thans in ontwerpvorm voorliggende tekst. (18)
       Artikel 118
       47. In artikel 118, § 1, tweede lid, van het ontwerp dient te worden verwezen naar artikel 117 (niet : 119), § 1, derde lid, laatste zin, van het ontwerp.
       48. Zoals door de gemachtigde is bevestigd, beoogt artikel 118, § 2, van het ontwerp de omzetting van artikel 27, lid 7, van Richtlijn 2009/81/EG.
       Artikel 118, § 2, draagt echter het risico in zich ruimer te worden opgevat dan de betrokken richtlijnbepaling, voor zover erin wordt gesteld dat de aanbestedende overheid " de deelnemers [kan] verzoeken de eindoffertes toe te lichten, te verduidelijken of aan te vullen " en dat die " toelichtende, verduidelijkende of aanvullende gegevens " slechts " de essentiële elementen van de offerte of het beschrijvend document " niet mogen wijzigen wanneer dat de mededinging kan verstoren of een discriminerend effect kan hebben. Artikel 27, lid 7, tweede alinea, van de richtlijn bepaalt evenwel dat enkel " de inschrijver die de economisch voordeligst bevonden inschrijving heeft ingediend, verzocht [kan] worden aspecten van zijn inschrijving te verduidelijken of in de inschrijving vervatte verbintenissen te bevestigen, (19) op voorwaarde dat dit de inhoudelijke (20) aspecten van de inschrijving of van de uitnodiging tot inschrijving ongewijzigd laat en niet dreigt te leiden tot concurrentievervalsing of discriminatie ".
       De redactie van artikel 118, § 2, van het ontwerp zou nauwer moeten aansluiten bij die van de ermee om te zetten richtlijnbepaling.
       Artikel 137
       49. Artikel 137 van het ontwerp stemt niet altijd geheel overeen met artikel 29, lid 4, van Richtlijn 2009/81/EG waarvan het de omzetting beoogt.
       In vergelijking met artikel 29, lid 4, eerste alinea, is in artikel 137, eerste lid, sprake van " geschikte offertes ", terwijl in artikel 137, tweede lid, 2°, a), de zinsnede " die in staat zijn de opdracht uit te voeren ", uit artikel 29, lid 4, tweede alinea, tweede streepje, a), niet voorkomt.
       Artikel 137 zou in dat opzicht nog kunnen worden aangevuld.
       Artikel 140
       50. In artikel 140 van het ontwerp dient :
       - in het eerste lid niet te worden verwezen naar artikel 37, tweede lid, 2°, maar naar artikel 37, § 2, eerste lid, 2°, van de wet;
       - in het tweede lid gewag te worden gemaakt van " dit artikel " en niet van " deze paragraaf ";
       - in de Nederlandse tekst van het derde lid een redactionele fout te worden weggewerkt.
       Artikel 142
       51. In artikel 142, derde lid, dient niet te worden verwezen naar de " eerste zin " van artikel 30, § 2, eerste lid, van het ontwerp. De bedoelde bepaling bestaat immers slechts uit één zin.
       Artikel 144
       52. In de Nederlandse tekst van artikel 144, eerste lid, van het ontwerp schrijve men aan het einde van de eerste zin : " die hij voor de kwalitatieve selectie van onderaannemers zal toepassen ".
       In het tweede lid van hetzelfde artikel wordt het woord " inmededingingstelling " beter vervangen door het begrip " oproep tot mededinging " of eenvoudigweg door het begrip " plaatsing ".
       Artikel 145
       53. In artikel 145, tweede lid, dient te worden gepreciseerd dat het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt bedoeld.
       Artikel 148
       54. In artikel 148 van het ontwerp wordt het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken toepasselijk verklaard op de overheidsopdrachten onderworpen aan de voorliggende regeling.
       Die regeling bevat evenwel reeds bepalingen - al dan niet gewijzigd - die uit het besluit van 26 september 1996 zijn overgenomen. Teneinde bijgevolg te vermijden dat - in voorkomend geval conflicterende - bepalingen van toepassing zijn op de in het ontwerp bedoelde overheidsopdrachten, dient de algemene verwijzing naar het koninklijk besluit van 26 september 1996 te worden vervangen door een opsomming van de bepalingen van dat besluit die op de overheidsopdrachten onderworpen aan de voorliggende regeling hetzij wel (positieve lijst), hetzij niet (negatieve lijst) van toepassing zijn. (21)
       Artikel 149
       55. In de Nederlandse tekst van artikel 149, eerste lid, van het ontwerp dient het woord " zijn " te worden vervangen door het woord " waarborgen ", dat verderop in dat lid moet worden weggelaten.
       56. In artikel 149, tweede lid, dient bij de verwijzing naar onderdelen van artikel 2 geen melding te worden gemaakt van paragrafen, aangezien dat artikel niet als zodanig is onderverdeeld.
       57. De gemachtigde heeft bevestigd dat in de opsomming in artikel 149, tweede lid, ook een verwijzing naar artikel 3 dient te worden opgenomen.
       58. Gevraagd naar de criteria om bepalingen van het ontwerp al dan niet in bedoelde opsomming op te nemen, heeft de gemachtigde het volgende verklaard :
       " Wat betreft de methode : voor de overheidsopdrachten zijn de regels gevormd door zowel bepalingen uit de richtlijn als door " Belgische " regels (bvb onder de Europese drempel). Voor de opdrachten van aanbestedende entiteiten onder hoofdstuk 12 blijft men zoveel mogelijk bij de bepalingen van de richtlijn in kwestie. Daarom moet men bij elke bepaling verifiëren of de bron ervan in de richtlijn te vinden is ".
       Vraag is of de toepassing van dit criterium volstaat om het al dan niet opnemen van bepalingen van het ontwerp in de opsomming op afdoende wijze te verklaren. Aangezien ook bepaalde aanbestedende overheden en overheidsbedrijven onder het toepassingsgebied van artikel 149 van het ontwerp vallen, dient bijvoorbeeld te worden nagegaan of niet ook de artikelen 23 en 24 van het ontwerp (over belangvermenging en afspraken) in die opsomming moeten worden vermeld.
       De opsomming in artikel 149, tweede lid, van het ontwerp wordt dan ook best aan een bijkomend onderzoek onderworpen.
       Artikel 150
       59. Met betrekking tot artikel 150 van het ontwerp heeft de gemachtigde het volgende verklaard :
       " Het gaat om een " noodoplossing ". Artikel 43 van de wet van 13 augustus verwijst inderdaad naar o.a. artikel 25, 1°, c [lees : d ], e erste lid, van de wet. Men moest ook refereren naar het derde lid ervan en dit werd pas na de stemming van de wet ontdekt. De bepaling werd dus hier bijgevoegd als artikel 150 dat van toepassing is voor opdrachten vanaf de Europese drempel ".
       Artikel 43 van de wet van 13 augustus 2011 bevat een limitatieve opsomming van bepalingen van die wet die van toepassing zijn op overheidsopdrachten geplaatst door de in dat artikel genoemde entiteiten, overheden en bedrijven. Bepalingen die niet in die opsomming voorkomen, zijn derhalve van die toepassing uitgesloten. Een uitbreiding van de opsomming dient dan ook te worden verwezenlijkt door een aanpassing van het betrokken wetsartikel zelf. Artikel 150 dient bijgevolg uit het ontwerp te worden weggelaten.
       Artikel 153
       60. Artikel 153 van het ontwerp laat de inwerkingtreding van het ontworpen besluit samenvallen met die van de wet van 13 augustus 2011.
       Die wet heeft evenwel in beginsel geen eenvormige datum van inwerkingtreding, aangezien artikel 50, eerste lid, ervan de Koning machtigt om voor iedere bepaling van de titels 1, 2, 3 en 4 van die wet de datum van inwerkingtreding vast te stellen, en artikel 50, tweede lid, ervan, benevens dat artikel zelf, artikel 46 van de wet laat in werking treden op de dag van de bekendmaking. Tenzij de Koning alsnog met toepassing van voornoemde wetsbepaling alle bepalingen van die wet op dezelfde datum in werking laat treden, dient voor het ontworpen besluit in een andere regeling van inwerkingtreding te worden voorzien, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de inwerkingtreding van een of meer specifieke wetsbepalingen.
       De datum van inwerkingtreding van het voorliggende besluit mag in elk geval niet voorafgaan aan de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van de wet van 13 augustus 2011 die de ontworpen regeling tot rechtsgrond strekken.
       Slotopmerking
       61. Rekening houdende met de opmerkingen die hiervoor zijn gemaakt, zal ook het bij het ontwerp gevoegde verslag aan de Koning op tal van punten dienen te worden aangepast. Binnen het bestek van het door de Raad van State gevoerde onderzoek kon hierop evenwel niet nader worden ingegaan.
       
       De kamer was samengesteld uit :
       de heren :
       P. Lemmens, kamervoorzitter,
       E. Brewaeys, W. Van Vaerenbergh, staatsraden,
       M. Tison, assessor van de afdeling Wetgeving,
       Mevr. A. Beckers, griffier.
       Het verslag werd uitgebracht door de H. P. T'Kindt, auditeur.
       
       De griffier,
       A. Beckers.
       De voorzitter,
       P. Lemmens.
       ------
       (1) Die wet is op de datum van dit advies nog niet bekendgemaakt, maar naar de gemachtigde heeft medegedeeld, wel bekrachtigd door de Koning. Voor de tekst aangenomen in plenaire vergadering, zie Parl.St. Kamer, 2010-11, nr. 53-1592/005.
       (2) Algemene regeling die, naar geldend recht, is terug te vinden in respectievelijk het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, en in het koninklijk besluit van 10 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten.
       (3) Over de ontwerpen die tot dat koninklijk besluit hebben geleid, heeft de Raad van State op 2 december 2010 en 26 mei 2011 respectievelijk de adviezen 48.803/1 en 49.698/1 gegeven.
       (4) Die verordening wordt evenwel " ingetrokken " (lees : opgeheven) bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011 van de Commissie van 19 augustus 2011 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1564/2005 (artikel 5), op de twintigste dag na die van de bekendmaking van de nieuwe verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie (artikel 6). De steller van het ontwerp zal met dit gegeven dienen rekening te houden en waar nodig het ontwerp moeten aanpassen (zie bijv. artikel 37, § 1, derde lid, ervan).
       (5) Artikel 46, § 1, eerste lid, van de wet van 13 augustus 2011 luidt : " De Koning kan de maatregelen nemen, met inbegrip van de opheffing, aanvulling, wijziging of vervanging van wetsbepalingen, die nodig zijn om te voorzien in de omzetting van de verplichte bepalingen die voortvloeien uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de internationale akten die genomen werden krachtens dit verdrag en die betrekking hebben op de in deze wet bedoelde overheidsopdrachten en de opdrachten voor werken, leveringen en diensten ".
       (6) Artikel 46, § 2, van de wet van 13 augustus 2011 bepaalt : " De Koning kan de Eerste Minister belasten met de aanpassing van bepaalde bedragen die in de uitvoeringsmaatregelen voorkomen in functie van de herzieningen voorzien in de Europese richtlijnen en die de waarde aangeven van de drempels waarvan sprake in deze richtlijnen ".
       (7) Bij de totstandkoming van artikel 28, derde lid, van de wet van 13 augustus 2011 lijkt daarvan te zijn uitgegaan; zie immers de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot die wet heeft geleid, Parl.St. Kamer 2010-11, nr. 1592/1, 51 : " Het is de bedoeling om in het besluit dat aan de beoogde wettelijke bepaling uitvoering zal geven, net zoals in de huidige reglementering, te bepalen dat de promotor niet de rechten geniet als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de wet van 10 januari 1824 over het recht van opstal. Bijgevolg mag de promotor met name de gebouwen en andere werken niet afbreken, noch de aanplantingen vernielen of rooien, terwijl het recht van natrekking ervoor zorgt dat de gebouwen, werken en aanplantingen, bij het verstrijken van het recht van opstal, eigendom worden van de aanbestedende overheid of het overheidsbedrijf ".
       (8) Zo zal de omzetting van artikel 37 en titel IV (artikelen 55 tot 64) van Richtlijn 2009/81/EG, in het kader van een nieuwe omzetting van de richtlijnen betreffende de rechtsbescherming (zie boek IIbis van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten), door middel van een afzonderlijke wet en een uitvoeringsbesluit gebeuren.
       (9) Voor zover artikel 38, lid 5, van de richtlijn het gebruik betreft van de door artikel 27, lid 4, van de richtlijn geboden mogelijkheid tot vermindering van het aantal bij de concurrentiedialoog te bespreken oplossingen, is het daarentegen wel reeds omgezet in artikel 115, § 3, van het ontwerp. In verband met de afwijking in artikel 60, § 2, eerste lid, van het ontwerp, van artikel 38, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van de richtlijn, wat de beperkte procedure betreft (bepaling van het minimumaantal geselecteerden op vijf in plaats van op drie), kan de verklaring van de gemachtigde worden aangenomen dat het om een toegelaten strengere oplossing gaat.
       (10) Het gaat in dat verband immers om elementen die hun oorsprong vinden " in een andere lidstaat ", zodat het dienaangaande niet relevant is dat België geen certificeringsinstellingen in de zin van artikel 46 van de richtlijn kent.
       (11) Zie onder meer de opmerkingen die de Raad van State, afdeling Wetgeving, in dat verband formuleerde in het advies 38.703/1/V van 6 september 2005 over een voorontwerp van wet dat de wet van 15 juni 2006 is geworden, en in advies 48.803/1 van 2 december 2010 over een eerste versie van het ontwerp dat het koninklijk besluit van 15 juli 2011 is geworden.
       (12) Zie artikel 3, 13° en 14°, van die wet.
       (13) Aldus bijvoorbeeld in de artikelen 11, § 2, eerste lid, 13, tweede lid, 24, 41, § 2, eerste lid, 5°, 46, 61, 2° en 3°, 66, § 1, eerste lid, 67 en 152, eerste lid, in limine.
       (14) In advies 49.698/1 van 26 mei 2011 over een tweede versie van het ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 15 juli 2011, heeft de Raad van State, afdeling Wetgeving, erop gewezen dat de betekenis die aan het begrip " plaatsing " wordt gegeven in dat besluit verschilt van degene die eraan wordt gehecht in het ontwerp van wet " tot wijziging van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 ", waarover de Raad van State, afdeling Wetgeving, op 5 mei 2011 advies 49.529/1 heeft verleend.
       (15) In artikel 45 van het ontwerp wordt niet verwezen naar artikel 50, derde lid, ervan, terwijl in artikel 44 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 wel wordt verwezen naar het gelijkluidende artikel 48, derde lid, van dat besluit; omgekeerd ontbreekt in genoemd artikel 44 dan weer een verwijzing naar artikel 49, § 2, van het besluit, terwijl in artikel 45 van het ontwerp wel melding wordt gemaakt van het identieke artikel 51, § 2.
       (16) Wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.
       (17) Zie de artikelen 106, § 1, eerste lid, 1°, en 106, § 1, tweede lid, j° artikel 61, § 2, 5°, van dat besluit.
       (18) Zie in dat verband ook het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 15 juli 2011, de bespreking van artikel 113, § 2, inzonderheid over het gevolg dat op het betrokken punt is gegeven aan de opmerking daarover in het advies van de Raad van State.
       (19) Er wordt dus geen gewag gemaakt van het " aanvullen " van gegevens.
       (20) Dus niet " essentiële " aspecten.
       (21) Vergelijk bijvoorbeeld artikel 126, 4°, van het ontwerp met artikel 15, § 1, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 26 september 1996.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 9 uitvoeringbesluiten 9 gearchiveerde versies
    Franstalige versie