J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2011/10/20/2011205447/justel

Titel
20 OKTOBER 2011. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 07-11-2011 nummer :   2011205447 bladzijde : 67327       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2011-10-20/07
Inwerkingtreding : 07-11-2011

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Definities
Art. 1
HOOFDSTUK II. Modaliteiten van het optreden van de douaneautoriteiten
Art. 2-3
HOOFDSTUK III. Sancties van inbreuken op bepaalde intellectuele eigendomsrechten
Afdeling I. - Modaliteiten van de administratiefrechtelijke procedure als bedoeld in de artikelen 13/1, 16 en 17 van de wet
Art. 4-12
Afdeling II. - Modaliteiten van de strafrechtelijke procedure als bedoeld in artikel 13, § 3, van de wet
Art. 13-14
HOOFDSTUK IV. - Bepalingen gemeenschappelijk aan de administratiefrechtelijke en strafrechtelijke procedure bedoeld in de afdelingen I en II van Hoofdstuk III
Art. 15-16
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen
Art. 17-18

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Definities

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° de wet : de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten;
  2° de verordening : de Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli 2003 inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten.

  HOOFDSTUK II. Modaliteiten van het optreden van de douaneautoriteiten

  Art. 2. De Administrateur-generaal Douane en Accijnzen duidt de bevoegde douaneautoriteit aan die :
  - de verzoeken om optreden in ontvangst moet nemen en deze behandelen overeenkomstig artikel 3 van de wet;
  - de aanvrager schriftelijk moet informeren over zijn beslissing overeenkomstig artikel 5, lid 7, van de verordening.

  Art. 3. De zekerheid beoogd in artikel 4 van de wet moet ten laatste binnen tien werkdagen, en binnen drie werkdagen in geval van aan bederf onderhevige goederen, worden gesteld. Deze termijn begint te lopen vanaf de kennisgeving aan de aangever, de eigenaar, de importeur, de houder of de geadresseerde van de goederen, van de vasthouding of vanaf de opschorting van de vrijgave van de goederen. Deze zekerheid wordt gesteld bij de Deposito- en Consignatiekas ten voordele van de houder van het intellectuele eigendomsrecht waarop een inbreuk wordt aangevoerd.

  HOOFDSTUK III. Sancties van inbreuken op bepaalde intellectuele eigendomsrechten

  Afdeling I. - Modaliteiten van de administratiefrechtelijke procedure als bedoeld in de artikelen 13/1, 16 en 17 van de wet

  Art. 4. Onverminderd de coördinatie en samenwerking voorzien in de artikelen 22 tot 26 van de wet, worden de processen-verbaal houdende vaststelling van inbreuken bedoeld bij de artikelen 8, 9 en 10 van de wet, evenals bij artikel 80 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, artikel 13 van de wet van 31 augustus 1998 houdende omzetting in Belgisch recht van de europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van de databanken, en artikel 10 van de wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in Belgisch recht van de europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's, voor de toepassing van artikel 17, § 1, van de wet, doorgestuurd :
  1° naar de gewestelijk directeur der douane en accijnzen bevoegd over de plaats waar de inbreuk is vastgesteld, in het geval het proces-verbaal is opgesteld door de ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de wet;
  2° of naar de directeur-generaal van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie in het geval het proces-verbaal is opgesteld door de ambtenaren van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling aangesteld met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de wet;
  3° of naar de hiertoe in een ministerieel besluit aangeduide ambtenaar, in het geval het proces-verbaal is opgesteld door de ambtenaren die hiertoe werden aangesteld door de Minister bevoegd voor Economie of de Minister van Financiėn, met toepassing van artikel 18, eerste lid van de wet.

  Art. 5. Wanneer de overtreder beslist om de goederen aan de Schatkist af te staan, vermelden de in artikel 18 van de wet bedoelde ambtenaren in het proces-verbaal, dat in toepassing van dit artikel wordt opgesteld, de volgende bepaling, getekend door de overtreder : "De overtreder of zijn gemandateerde verklaart de goederen waarvan vermoed wordt dat zij een inbreuk maken op een intellectueel eigendomsrecht aan de Schatkist af te staan".

  Art. 6. Vooraleer het voorstel tot minnelijke schikking aan de overtreder wordt doorgezonden, stelt de krachtens artikel 17 van de wet uitdrukkelijk aangewezen ambtenaar de benadeelde partij op de hoogte van het bestaan van de inbreuk, en stelt hem in kennis van de werkelijke of geraamde hoeveelheid en van de werkelijke of vermoede aard van de goederen waarvan afstand is gedaan, en vraagt hem aan te geven of hij ervan afziet om klacht in te dienen.
  Indien de benadeelde partij afziet van de mogelijkheid een klacht in te dienen, brengt ze de in artikel 17 van de wet aangestelde ambtenaar binnen een termijn van tien werkdagen te rekenen vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, hiervan op de hoogte.
  Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 10, wordt de afstand van de mogelijkheid een klacht in te dienen verondersteld indien de benadeelde partij niet heeft gereageerd binnen de in het tweede lid voorgeschreven termijn.

  Art. 7. § 1. De bedragen die bij wijze van minnelijke schikking in de zin van artikel 17 van de wet ter betaling worden voorgesteld aan de overtreder, mogen niet lager zijn dan :
  1° 50 euro voor de inbreuken bedoeld bij artikel 8 van de wet;
  2° 50 euro voor de inbreuken bedoeld bij artikel 9 van de wet;
  3° 100 euro voor de inbreuken bedoeld bij artikel 10 van de wet.
  Overeenkomstig artikel 20, § 2, van de wet, is het eerste lid, 1°, eveneens van toepassing op de inbreuken bedoeld in artikel 20, § 1, van de wet.
  § 2. De bedragen die bij wijze van minnelijke schikking in de zin van artikel 17 van de wet ter betaling worden voorgesteld aan de overtreder, mogen niet hoger zijn dan :
  1° 275.000 euro voor de inbreuken bedoeld bij artikel 8 van de wet;
  2° 13.750 euro voor de inbreuken bedoeld bij artikel 9 van de wet;
  3° 27.500 euro voor de inbreuken bedoeld bij artikel 10 van de wet.
  Overeenkomstig artikel 20, § 2, van de wet, is het eerste lid, 1°, eveneens van toepassing op de inbreuken bedoeld in artikel 20, § 1, van de wet.
  § 3. Bij samenloop van verscheidene van deze inbreuken worden de sommen samengeteld zonder dat het totale bedrag 550.000 euro mag overschrijden.
  Overeenkomstig artikel 20, § 2, van de wet, is het eerste lid eveneens van toepassing op de inbreuken bedoeld in artikel 20, § 1, van de wet.

  Art. 8. Elk voorstel tot betaling van minnelijke schikking wordt, vergezeld van een stortings- of overschrijvingsformulier, binnen zes maanden te rekenen vanaf de datum van het proces-verbaal, aan de overtreder toegezonden bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs.
  Het voorstel vermeldt de termijn waarbinnen de betaling moet worden gedaan. Deze termijn is ten minste acht dagen en ten hoogste drie maanden.

  Art. 9. Indien geen voorstel tot betaling van minnelijke schikking wordt gedaan binnen de termijn bepaald in artikel 8, eerste lid, wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings.

  Art. 10. Wanneer de benadeelde partij bedoeld in artikel 17, § 1, van de wet niettemin, alvorens de minnelijke schikking is betaald, een klacht indient, brengt zij eveneens de in artikel 17 van de wet aangestelde ambtenaar hiervan door middel van een aangetekende zending op de hoogte. In dit geval wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings.

  Art. 11. Wanneer de in artikel 17 van de wet bedoelde ambtenaren de vernietiging van de goederen opdragen aan een derde instelling, zendt deze instelling, na de vernietiging van deze goederen, een attest van vernietiging aan deze ambtenaren door. Een afschrift van dit attest wordt eveneens verzonden naar de in artikel 18 van de wet bedoelde ambtenaar die het proces-verbaal heeft opgemaakt.
  De ambtenaren bedoeld in de artikelen 17 en 18 van de wet zijn gerechtigd de vernietiging van de goederen bij te wonen.

  Art. 12. § 1. De ambtenaren die krachtens artikel 17, § 1, eerste lid, van de wet hiertoe uitdrukkelijk worden aangewezen, zijn bevoegd om met toepassing van artikel 13/1, derde lid, van de wet de persoon of de personen, bedoeld in dit lid, aan te wijzen die de kosten voor bewaring en vernietiging van afgestane goederen moeten dragen.
  De invordering van deze kosten gebeurt door de ambtenaar bedoeld in het eerste lid, die een betalingsbericht stuurt naar de schuldenaar.
  De modaliteiten van betaling zijn bepaald in artikel 16.
  § 2. Het voorstel van de minnelijke schikking, waarbij de som van het bedrag ingevolge artikel 17, § 1, derde lid, van de wet met de kosten voor bewaring en vernietiging wordt verhoogd, geldt als het betalingsbericht bedoeld in de paragraaf 1.
  Deze betaling dient te gebeuren binnen de in artikel 8 bedoelde termijn, en volgens de in dit artikel bedoelde modaliteiten.

  Afdeling II. - Modaliteiten van de strafrechtelijke procedure als bedoeld in artikel 13, § 3, van de wet

  Art. 13. Wanneer de procureur des Konings, met toepassing van artikel 13, § 3, eerste lid, van de wet, de vernietiging van de goederen opdraagt aan een derde instelling, zendt deze instelling, na de vernietiging van deze goederen, een attest van vernietiging aan de procureur des Konings door. Een afschrift van dit attest wordt eveneens verzonden naar de in artikel 18 van de wet bedoelde ambtenaar die het proces-verbaal heeft opgemaakt.
  De ambtenaren bedoeld in de artikelen 17 en 18 van de wet zijn gerechtigd de vernietiging van de goederen bij te wonen.

  Art. 14. De procureur des Konings is bevoegd om met toepassing van artikel 13, § 3, vierde lid, van de wet, en artikel 13, § 4, eerste lid van de wet, de persoon of personen, bedoeld in deze leden, aan te wijzen die de kosten voor bewaring en vernietiging van de goederen moeten dragen.
  De invordering van deze kosten gebeurt door de dienst bevoegd voor de niet fiscale invordering bij de FOD Financiėn, die een betalingsbericht stuurt naar de schuldenaar.
  De modaliteiten van betaling zijn geregeld in artikel 16.

  HOOFDSTUK IV. - Bepalingen gemeenschappelijk aan de administratiefrechtelijke en strafrechtelijke procedure bedoeld in de afdelingen I en II van Hoofdstuk III

  Art. 15. § 1. De monsters die met toepassing van de artikelen 13, § 3, zesde lid, 13/1, vijfde lid en 19, § 1, 2°, e), van de wet worden genomen, worden van een etiket voorzien en zodanig verzegeld dat vervanging, wegneming of toevoeging van stoffen uitgesloten is.
  Het etiket vermeldt de naam waaronder het product in de handel is gebracht. Het draagt de handtekening van de ambtenaar die het monster genomen heeft alsmede de handtekening of enig ander identificatieteken van de persoon bij wie het monster genomen is. Zo deze laatste weigert, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal, met opgave van de aangevoerde reden.
  § 2. Bij het nemen van monsters wordt onmiddellijk ter plaatse een proces-verbaal opgesteld met volgende vermeldingen :
  1° naam, voornaam en hoedanigheid van de ambtenaar en adres van de administratie waartoe hij behoort;
  2° datum waarop en plaats waar de monsters genomen worden. Zo de monsters tijdens het vervoer genomen worden, de identificatie van het vervoermiddel;
  3° naam, voornaam, beroep en woonplaats van de persoon bij wie de monsters genomen worden;
  4° aantal en aard van de monsters;
  5° een verklaring dat de monsters werden verzegeld en van een etiket voorzien en dat eventueel één exemplaar ervan in bezit werd gelaten van de onder punt 3° bedoelde persoon;
  6° de handtekening van de ambtenaar die het monster heeft genomen en de handtekening of het identificatieteken van de persoon bij wie het monster genomen is.
  § 3. Aan de persoon bij wie het monster genomen is, wordt een afschrift van het proces-verbaal overhandigd. Zo hij niet de eigenaar van het product is, wordt deze binnen een termijn van dertig werkdagen te rekenen vanaf de monsterneming, een afschrift toegezonden, bij een aangetekende zending.
  § 4. De monsters worden indien mogelijk teruggegeven, behalve in het geval dat uit de ontleding gebleken is dat er een aanwijzing van overtreding is.
  Wanneer na de ontleding de zaak aan de procureur des Konings is overgezonden, worden de monsters ter beschikking gehouden van het gerecht.

  Art. 16. Het bedrag van de kosten voor bewaring en vernietiging moet betaald zijn door de schuldenaar uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand van verzending van het betalingsbericht als bedoeld in de artikelen 12, § 1, tweede lid, en 14, tweede lid.
  Indien geen betaling volgt binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, is van rechtswege interest verschuldigd berekend tegen de wettelijke interestvoet voor de ganse duur van het verwijl en worden de verschuldigde bedragen ingevorderd bij dwangbevel, overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.

  HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen

  Art. 17. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

  Art. 18. De Minister bevoegd voor Financiėn, de Minister bevoegd voor Justitie en de Minister bevoegd voor Economie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  
  Gegeven te Brussel, 20 oktober 2011.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Financiėn,
  D. REYNDERS
  De Minister van Justitie,
  S. DE CLERCK
  De Minister voor Ondernemen,
  V. VAN QUICKENBORNE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de Grondwet, artikel 108;
   Gelet op de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten, de artikelen 3, 4, tweede lid, artikel 13, § 3, vierde lid, en § 4, eerste lid, vervangen bij de wet van 28 april 2010, artikel 13/1, derde lid, ingevoegd bij de wet van 28 april 2010, en de artikelen 17, § 2, 19, § 1, 2°, e) en 20;
   Gelet op de adviezen van de Inspecteurs van Financiėn, gegeven op 4, 5 en 10 mei 2011;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting d.d. 12 mei 2011;
   Gelet op advies 49.857/1 van de Raad van State, gegeven op 5 juli 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Overwegende dat de in artikel 18 van de wet aangewezen ambtenaren, respectievelijk door de Minister bevoegd voor Economie of door de Minister van Financiėn, aan de procureur des Konings op basis van artikel 13, § 3, eerste lid, van de wet de vernietiging van de goederen kunnen vragen die met toepassing van artikel 19, § 1, 3°, van de wet in beslag werden genomen, evenals van de goederen die het voorwerp uitmaken van artikel 13, § 3, derde lid, van de wet;
   Overwegende dat de in artikel 18 van de wet aangewezen ambtenaren, respectievelijk door de Minister bevoegd voor Economie of door de Minister van Financiėn, aan de procureur des Konings overeenkomstig artikel 13, § 4, tweede lid, van de wet kunnen vragen dat de eigenaar of de houder van de goederen die met toepassing van artikel 19, § 1, 3°, van de wet in beslag werden genomen, de houder van het intellectuele eigendomsrecht waarop een inbreuk wordt aangevoerd of iedere derde die beweert recht op deze goederen te hebben, als gerechtelijk bewaarder ervan wordt aangesteld;
   Overwegende dat het, voor de uitvoering van de artikelen 13, § 3, en 13/1 van de wet, momenteel niet noodzakelijk is om nadere technische modaliteiten betreffende de vervreemding van goederen als bedoeld in de artikelen 13, § 3, vijfde lid, en 13/1, vierde lid, van de wet, uit te werken. Indien zou blijken dat de bepalingen betreffende de vervreemding van goederen verder moeten uitgewerkt worden, zal de Koning, op basis van de ervaring bij de uitvoering van de wet, de gepaste maatregelen nemen;
   Op de voordracht van de Minister van Justitie, de Minister van Financiėn en de Minister voor Ondernemen en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie