J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2011/06/22/2011014164/justel

Titel
22 JUNI 2011. - Koninklijk besluit tot aanwijzing van het onderzoeksorgaan voor ongevallen en incidenten op het spoor

Bron :
MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 08-07-2011 nummer :   2011014164 bladzijde : 40600       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2011-06-22/05
Inwerkingtreding : 18-07-2011

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :2007014025       

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-19

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG inzake de toewijzing van spoorweginfra-structuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering.

  Art. 2. Voor de uitvoering en de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
  1° "Minister" : de Minister die bevoegd is voor het Spoorwegvervoer;
  2° "wet" : de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen;
  3° "onderzoeksorgaan" : het onderzoeksorgaan voor ongevallen en incidenten op het spoor bedoeld in artikel 43 van de wet.

  Art. 3. Het onderzoeksorgaan wordt opgericht binnen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
  Het onderzoeksorgaan wordt geleid door één hoofdonderzoeker en één adjunct-onderzoeker van een verschillende taalrol.

  Art. 4. De hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker mogen geen enkele band, zij het contractueel of statutair, zelfs voorlopig geschorst, hebben met welke instelling dan ook bedoeld in artikel 43, tweede lid, van de wet. Zij mogen niet aangewezen worden indien zij deze voorwaarde niet vervullen.
  De hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker staan onder het rechtstreekse gezag van de Minister.

  Art. 5. De hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker worden aangewezen voor een mandaat van zes jaar.

  Art. 6. De kandidaten voor een mandaat van hoofdonderzoeker of adjunct-onderzoeker moeten de toelaatbaarheidvereisten vervullen die vereist zijn om aangeworven te worden als rijksambtenaar van het niveau A. Zij moeten bovendien bewijzen dat zij over de nuttige ervaring beschikken die vereist wordt door de functiebeschrijving.
  De selectie van de hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker wordt uitgevoerd door SELOR, het Selectiebureau van de Federale Overheid, op basis van de functiebeschrijving en het competentieprofiel die zullen vastgelegd worden door de Minister.

  Art. 7. De hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker worden aangewezen door de Koning op voorstel van de Minister, onder de kandidaten die door SELOR worden geschikt bevonden. Zij leggen de eed af in handen van de Minister.

  Art. 8. De hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker worden bezoldigd in de schaal A42 voor de hoofdonderzoeker en A41 voor de adjunct-onderzoeker, vastgelegd bij koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de federale overheidsdiensten. Hun geldelijke anciënniteit bij het begin van het mandaat wordt berekend volgens de bepalingen van artikel 14, eerste en tweede lid, van hetzelfde besluit. Ze groeit jaarlijks aan tijdens hun mandaat.

  Art. 9. De hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker hebben recht op 26 dagen jaarlijks vakantieverlof.
  Zij genieten vakantiegeld onder dezelfde voorwaarden als de rijksambtenaren.
  Zij genieten omstandigheidsverloven, moederschapsverloven en ouderschapsverloven onder dezelfde voorwaarden als de rijksambtenaren.

  Art. 10. De hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker worden zes maanden voor het einde van hun mandaat geëvalueerd door de Minister onder op basis van de resultaten van de audit voorzien in artikel 17, lid 2.
  Wanneer hun mandaat afloopt kunnen de hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker een nieuw mandaat bekomen op voorwaarde dat zij gunstig geëvalueerd worden, onder meer op basis van de auditrapport. Het maximum aantal mandaten is vastgesteld op 2.
  De Minister kan het mandaat verlengen voor een periode van maximum zes maanden.

  Art. 11. De hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker mogen niet in dienst blijven na hun 65 jaar. De Minister kan evenwel van deze regel afwijken, voor een periode van maximum zes maanden, in afwachting van een vervanger.

  Art. 12. Het tijdens het mandaat niet meer voldoen aan een van de toelaatbaarheidvereisten bedoeld in artikel 4, eerste lid, of 6, eerste lid, geeft aanleiding tot de onmiddellijke beëindiging van het mandaat zonder opzegging.
  Elke ernstige tekortkoming aan de verplichtingen van de functie tijdens het mandaat, kan aanleiding geven tot ontslag zonder opzeggingstermijn.
  In geval van beroepsongeschiktheid vastgesteld tijdens het mandaat kunnen de hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker ontslagen worden, mits een vergoeding die gelijk is aan zes maanden loon.

  Art. 13. In geval van gelijktijdige afwezigheid van de hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker wijst de Minister een tijdelijke plaatsvervanger aan. Deze dient te voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in de artikelen 4, eerste lid en 6, eerste lid. Hij geniet de schaal A42 en de geldelijke anciënniteit bedoeld in artikel 8. De tijdelijke vervanging mag niet langer dan zes maanden duren, zelfs gespreid over meerdere onderbroken periodes.

  Art. 14. De Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer stelt het personeel en de nodige materiële middelen ter beschikking van het onderzoeksorgaan.
  De personeelsleden zijn statutairen of contractuelen van de FOD Mobiliteit en Vervoer, ingedeeld bij het onderzoeksorgaan door de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD Mobiliteit en Vervoer.
  De aanstelling van de personeelsleden in de dienst gebeurt na overleg tussen de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD Mobiliteir en Vervoer en het onderzoeksorgaan.
  De personeelsleden worden onder het hiërarchisch gezag geplaatst van de hoofdonderzoeker en van de adjunct-onderzoeker tijdens hun aanstelling, en gebonden door het beroepsgeheim van artikel 43, al. 3 van de wet.
  De hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker verstrekken de hiërarchische meerderen van de personeelsleden bedoeld in het eerste lid alle informatie die nuttig is voor het volgen van de loopbaan van dezen, uit eigen beweging en op verzoek van de hiërarchische meerderen.

  Art. 15. De personeelsleden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit aangewezen zijn als hoofdonderzoeker en adjunct-onderzoeker zetten de uitoefening van hun functies respectievelijk verder tot de datum van de aanstelling van de leiding bedoeld in artikel 3.

  Art. 16. Het onderzoeksorgaan kan te allen tijde een beroep doen op de bijstand van deskundigen. Deze genieten in dezelfde mate als de aangewezen onderzoekers van de voorrechten bedoeld in artikel 46 van de wet.

  Art. 17. De hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker bezorgen het jaarverslag bedoeld in artikel 54 van de wet aan de Minister.
  De hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker bezorgen aan de Minister ten laatste tien maanden vóór het einde van hun maandat een auditrapport, door een onafhankelijke instelling opgesteld, over de werking van het onderzoekorgaan met betrekking op de al verlopen duur van hun maandat.

  Art. 18. Het koninklijk besluit van 16 januari 2007 tot oprichting van een onderzoeksorgaan voor ongevallen en incidenten op het spoor en tot vaststelling van zijn samenstelling wordt opgeheven.
  De Minister bevoegd voor Spoorwegvervoer.

  Art. 19. De Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.
  
  Gegeven te Brussel, 22 juni 2011.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Eerste Minister,
  Y. LETERME
  De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
  E. SCHOUPPE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen, artikel 43, eerste en vierde alinea;
   Gelet op het koninklijk besluit van 16 januari 2007 tot oprichting van een onderzoeksorgaan voor ongevallen en incidenten op het spoor en tot vaststelling van zijn samenstelling;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 1 maart 2011;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken, gegeven op 2 maart 2011;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 1 april 2011;
   Gelet op het protocol van het Sectorcomité VI van 29 april 2011;
   Gelet op het advies van het Directiecomité van 30 mei 2011;
   Gelet op advies 49.519/4 van de Raad van State, gegeven op 11 mei 2011 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Eerste Minister en de Staatssecretaris voor Mobiliteit en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten
Franstalige versie