J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 10 uitvoeringbesluiten 7 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2010/06/02/2010014111/justel

Titel
2 JUNI 2010. - Koninklijk besluit betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-06-2010 en tekstbijwerking tot 14-10-2019)

Bron : MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 14-06-2010 nummer :   2010014111 bladzijde : 37083       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2010-06-02/13
Inwerkingtreding : 01-07-2010

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :1975120109       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 1. - Inleidende bepaling
Art. 1
Afdeling 2. - Definities
Art. 2
Art. 2 VLAAMS GEWEST
Afdeling 3. - Toepassingsgebied en categorieën van uitzonderlijke voertuigen
Art. 3, 3/1
Art. 3/1 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 3/1 VLAAMS GEWEST
Art. 4
HOOFDSTUK 2. - De vergunning
Afdeling 1. - De verplichting van vergunning
Art. 5
Afdeling 2. - De vergunningsaanvraag
Art. 6
Afdeling 3. - De types van vergunningen
Art. 7
Afdeling 4. - De retributie
Art. 8
HOOFDSTUK 3. - Voorschriften met betrekking tot het uitzonderlijk voertuig
Art. 9
HOOFDSTUK 4. - Voorschriften met betrekking tot de lading van de uitzonderlijke voertuigen
Afdeling 1. - Samengestelde deelbare lading
Art. 10
Afdeling 2. - Vervoer van lange geprefabriceerde elementen
Art. 11
Afdeling 3. - Vermindering van de afmeting(en) van een uitzonderlijk voertuig
Art. 12
Art. 12 VLAAMS GEWEST
Afdeling 4. - Uitrusting van kraanauto's
Art. 13
Afdeling 5. - De lading van een ondersteuningsvoertuig
Art. 14
Afdeling 6. - Beperking van de achteruitsteek
Art. 15
HOOFDSTUK 5. - Voorschriften met betrekking tot de veiligheidsuitrusting
Afdeling 1. - Algemene voorschriften
Art. 16-18
Afdeling 2. - Bijzondere voorschriften
Art. 19, 19/1
HOOFDSTUK 6. - Voorschriften met betrekking tot de begeleiding van uitzonderlijke voertuigen
Afdeling 1. - De begeleiding
Art. 20-25
Afdeling 2. - De verkeerscoördinator en begeleider
Art. 26
Afdeling 3. - De bevoegdheden van de verkeerscoördinator en de begeleiders
Art. 27, 27/1, 28
Afdeling 4. - Begeleiding door een politiedienst
Art. 29
HOOFDSTUK 7. - Voorschriften met betrekking tot de verkeersdeelneming van uitzonderlijke voertuigen
Afdeling 1. - Verkeersverboden
Art. 30, 30/1
Afdeling 2. - Andere verkeersvoorwaarden
Art. 31-32, 32/1, 33
Afdeling 3. - Dwarsen van gelijkgrondse spooroverwegen
Art. 34
HOOFDSTUK 7/1. - [1 Specifieke voorschriften voor landbouwvoertuigen]1
Afdeling 1. - [1 Toepassingsgebied]1
Art. 34/1
Afdeling 2. - [1 Voorschriften met betrekking tot de lading]1
Art. 34/2
Afdeling 3. - [1 Voorschriften met betrekking tot de signalisatie van landbouwvoertuigen]1
Art. 34/3, 34/4, 34/5
Afdeling 4. - [1 Voorschriften met betrekking tot het verkeer van waarschuwingsvoertuigen]1
Art. 34/6
HOOFDSTUK 8. - Toezicht en ambtshalve maatregelen
Art. 35
Art. 35 VLAAMS GEWEST
Art. 36-37
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingsbepalingen
Art. 38-39
HOOFDSTUK 10. - Slotbepalingen
Art. 40-41, 41/1, 42
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

  Afdeling 1. - Inleidende bepaling

  Artikel 1. Dit besluit regelt de voorwaarden waaraan de gebruikers van uitzonderlijke voertuigen dienen te voldoen om deze voertuigen op de openbare weg in het verkeer te brengen. Het regelt in het bij zonder de verplichtingen van de gebruikers, van de begeleiders, van de verkeerscoördinators en van de bestuurders van deze voertuigen

  Afdeling 2. - Definities

  Art. 2.§ 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1°De Wegcode :
  het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
  2° Het Technisch Reglement :
  het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;
  3° De gebruiker :
  ieder natuurlijk persoon of rechtspersoon die een uitzonderlijk voertuig gebruikt in het kader van zijn activiteiten;
  4° De ondeelbare lading :
  een lading die, teneinde te vervoeren over de weg, niet kan opgedeeld worden in meerdere ladingen zonder belangrijke kosten of schaderisico's en die ten gevolge haar afmetingen en massa niet vervoerd kan worden door een transport waarvan de afmetingen en massa voldoen aan de Wegcode en het technisch reglement;
  5° Het uitzonderlijk vervoer :
  elke verplaatsing van een uitzonderlijk voertuig op de openbare weg;
  6° De Minister :
  de Minister tot wiens bevoegdheid het Wegverkeer behoort;
  7° De beheerder :
  de beheerder van de openbare wegen, spoorwegen of havengebieden;
  8° Het ondersteuningsvoertuig :
  elk voertuig wel of niet in konvooi rijdend met de kraanauto, voor het vervoer van diens elementen en toebehoren, zoals de tegengewichten;
  9° Het begeleidingsvoertuig :
  het voertuig met begeleider of verkeerscoördinator dat een uitzonderlijk voertuig begeleidt, met uitzondering van de voertuigen van de politiediensten;
  10° Het konvooi :
  het geheel van het uitzonderlijk voertuig en de begeleidings- [1 , waarschuwings-]1 of ondersteuningsvoertuigen;
  11° De raadpleging :
  de vraag om technische inlichtingen aan de beheerder die nodig zijn voor het nemen van een beslissing om de vergunning af te leveren.
  [1 12° landbouwvoertuig : elk voertuig of sleep van twee voertuigen, bedoeld in artikel 1, § 2, 59 tot 61 en 76 van het Technisch Reglement, en uitsluitend gebruikt in het kader van een landbouwactiviteit;
   13° waarschuwingsvoertuig : elke personenauto, auto voor dubbel gebruik of lichte vrachtauto, zoals bepaald in artikel 1 van het Technisch Reglement, dat een landbouwvoertuig, bedoeld in artikel 34/3, signaleert.]1
  [2 14° extra gewicht : massa toegevoegd op de aangedreven assen van het trekkend voertuig met het enige doel voldoende grip te krijgen om de sleep voort te bewegen.]2
  § 2. De niet gedefinieerde begrippen in dit besluit die worden gebruikt om auto's, hun aanhangwagens of hun kenmerken aan te duiden, moeten overeenkomstig hun definities in het technisch reglement begrepen worden
  ----------
  (1)<KB 2011-10-24/02, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 13-11-2011>
  (2)<KB 2013-02-27/03, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Art. 2_VLAAMS_GEWEST.
   § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1°De Wegcode :
  het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
  2° Het Technisch Reglement :
  het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;
  3° De gebruiker :
  ieder natuurlijk persoon of rechtspersoon die een uitzonderlijk voertuig gebruikt in het kader van zijn activiteiten;
  4° De ondeelbare lading :
  een lading die, teneinde te vervoeren over de weg, niet kan opgedeeld worden in meerdere ladingen zonder belangrijke kosten of schaderisico's en die ten gevolge haar afmetingen en massa niet vervoerd kan worden door een transport waarvan de afmetingen en massa voldoen aan de Wegcode en het technisch reglement;
  5° Het uitzonderlijk vervoer :
  elke verplaatsing van een uitzonderlijk voertuig op de openbare weg;
  6° De Minister :
  [3 de Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer]3;
  7° De beheerder :
  de beheerder van de openbare wegen, spoorwegen of havengebieden;
  8° Het ondersteuningsvoertuig :
  elk voertuig wel of niet in konvooi rijdend met de kraanauto, voor het vervoer van diens elementen en toebehoren, zoals de tegengewichten;
  9° Het begeleidingsvoertuig :
  het voertuig met begeleider of verkeerscoördinator dat een uitzonderlijk voertuig begeleidt, met uitzondering van de voertuigen van de politiediensten;
  10° Het konvooi :
  het geheel van het uitzonderlijk voertuig en de begeleidings- [1 , waarschuwings-]1 of ondersteuningsvoertuigen;
  11° De raadpleging :
  de vraag om technische inlichtingen aan de beheerder die nodig zijn voor het nemen van een beslissing om de vergunning af te leveren.
  [1 12° landbouwvoertuig : elk voertuig of sleep van twee voertuigen, bedoeld in artikel 1, § 2, 59 tot 61 en 76 van het Technisch Reglement, en uitsluitend gebruikt in het kader van een landbouwactiviteit;
   13° waarschuwingsvoertuig : elke personenauto, auto voor dubbel gebruik of lichte vrachtauto, zoals bepaald in artikel 1 van het Technisch Reglement, dat een landbouwvoertuig, bedoeld in artikel 34/3, signaleert.]1
  [2 14° extra gewicht : massa toegevoegd op de aangedreven assen van het trekkend voertuig met het enige doel voldoende grip te krijgen om de sleep voort te bewegen.]2
  § 2. De niet gedefinieerde begrippen in dit besluit die worden gebruikt om auto's, hun aanhangwagens of hun kenmerken aan te duiden, moeten overeenkomstig hun definities in het technisch reglement begrepen worden
  
----------
  (1)<KB 2011-10-24/02, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 13-11-2011>
  (2)<KB 2013-02-27/03, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>
  (3)<BVR 2015-12-04/23, art. 46, 005; Inwerkingtreding : 23-01-2016>
  

  Afdeling 3. - Toepassingsgebied en categorieën van uitzonderlijke voertuigen

  Art. 3.Een uitzonderlijk voertuig is een auto, een aanhangwagen of een sleep, zoals gedefinieerd in artikel 1 van het technisch reglement, die wegens zijn constructie of wegens zijn ondeelbare lading, de grenzen inzake massa of afmetingen overschrijdt vastgesteld in de Wegcode en het technisch reglement.
  [1 De vergunning kan, indien het vervoer het vereist, afwijken van artikel 49.1, eerste lid van de Wegcode.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Art. 3/1. [1 § 1. Praalwagens zijn, binnen de voorwaarden van artikel 56bis van de Wegcode, niet onderworpen aan de bepalingen van dit besluit, evenals uitzonderlijke voertuigen, op de openbare weg in het verkeer gebracht :
   - door het leger;
   - door de politiediensten;
   - door de wegbeheerders voor het uitvoeren van hun opdrachten;
   - door de aannemers van de wegbeheerders die tijdens de winterperiode belast zijn met het ruimen van sneeuw of het strooien, voor zover het uitzonderlijk karakter van het voertuig ontstaat door de sneeuwschop of de strooiïnstallatie;
   - door de civiele bescherming;
   - door de brandweer;
   of opgevorderd door de overheid voor rampenbestrijding.
   In deze gevallen gebeurt het uitzonderlijk vervoer onder de leiding van de overheid die het uitzonderlijk voertuig gebruikt. Deze overheid neemt alle vereiste maatregelen om de verkeersveiligheid te verzekeren alsmede om het verkeer van het uitzonderlijk voertuig veilig en vlot te laten verlopen.
   § 2. De gemeenteraden mogen aanvullende reglementen vaststellen waarbij de toepassing van de bepalingen van dit besluit wordt geschorst of gewijzigd voor het verkeer tussen de laad- en loskaaien, de opslagplaatsen, de hangars en de magazijnen gelegen binnen de zee- of de rivierhavens.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-02-27/03, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Art. 3/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Dit besluit is niet van toepassing op de volgende uitzonderlijke voertuigen:
   1° de uitzonderlijke voertuigen die in het verkeer op de openbare weg worden gebracht door of in opdracht van:
   a) het leger;
   b) de politiediensten;
   c) de wegbeheerders;
   d) de civiele bescherming;
   e) de brandweer;
   2° de uitzonderlijk voertuigen die in het verkeer op de openbare weg worden gebracht naar aanleiding van door de overheid georganiseerd vervoer voor rampenbestrijding;
   3° dubbel gelede bussen met vier of meer assen met een lengte van maximum 25,25 m;
   4° praalwagens, binnen de voorwaarden vermeld in artikel 56bis van de Wegcode;
   In de gevallen, gebeurt het uitzonderlijk vervoer onder de leiding van de overheid, die het uitzonderlijk voertuig gebruikt. De overheid neemt alle vereiste maatregelen om de verkeersveiligheid te verzekeren alsook om het verkeer van het uitzonderlijk voertuig veilig en vlot te laten verlopen.]1

  ----------
  (1)<BESL 2019-10-03/02, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 24-10-2019>
  

  Art. 3/1_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Dit besluit is niet van toepassing op de volgende uitzonderlijke voertuigen:
   1° de uitzonderlijke voertuigen die in het verkeer op de openbare weg worden gebracht door of in opdracht van:
   a) het leger;
   b) de politiediensten;
   c) de wegbeheerder;
   d) de civiele bescherming;
   e) de brandweer;
   2° de uitzonderlijk voertuigen die in het verkeer op de openbare weg worden gebracht naar aanleiding van door de overheid georganiseerd vervoer voor rampenbestrijding;
   3° dubbel gelede bussen met vier of meer assen met een lengte van maximum 25,25 meter;
   4° praalwagens, binnen de voorwaarden, vermeld in artikel 56bis van de Wegcode.
   In de gevallen, vermeld in het eerste lid, gebeurt het uitzonderlijk vervoer onder de leiding van de overheid, de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het uitzonderlijk voertuig gebruikt. De overheid, de natuurlijke persoon of de rechtspersoon neemt alle vereiste maatregelen om de verkeersveiligheid te verzekeren alsook om het verkeer van het uitzonderlijk voertuig veilig en vlot te laten verlopen.]1

  ----------
  (1)<BVR 2018-10-26/06, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 07-12-2018>
  

  Art. 4. De categorieën van uitzonderlijke voertuigen zijn de volgende :
  1° Categorie 1 : het uitzonderlijk voertuig van deze categorie voldoet aan volgende voorwaarden :
  a) voor een enkelvoudig voertuig is zijn lengte kleiner dan of gelijk aan 19,00 meter;
  b) voor een sleep is zijn lengte kleiner dan of gelijk aan 27,00 meter;
  c) zijn breedte is kleiner dan of gelijk aan 3,50 meter;
  d) zijn hoogte en zijn massa voldoen aan de Wegcode en het technisch reglement;
  2° Categorie 2 : het uitzonderlijk voertuig van deze categorie voldoet aan minstens één van de volgende voorwaarden :
  a) voor een enkelvoudig voertuig is zijn lengte groter dan 19,00 meter en kleiner dan of gelijk aan 22,00 meter;
  b) voor een sleep is zijn lengte groter dan 27,00 meter en kleiner dan of gelijk aan 30,00 meter;
  c) zijn breedte is groter dan 3,50 meter en kleiner dan of gelijk aan 4,25 meter;
  d) zijn hoogte overschrijdt de grenzen voorzien in de Wegcode en het technisch reglement en is kleiner dan of gelijk aan 4,50 meter;
  e) zijn massa overschrijdt de grenzen voorzien in het technisch reglement en is kleiner dan of gelijk aan 90,000 ton;
  3° Categorie 3 : het uitzonderlijk voertuig van deze categorie voldoet aan minstens één van volgende voorwaarden :
  a) voor een enkelvoudig voertuig is zijn lengte groter dan 22,00 meter en kleiner dan of gelijk aan 28,00 meter;
  b) voor een sleep is zijn lengte groter dan 30,00 meter en kleiner dan of gelijk aan 35,00 meter;
  c) zijn breedte is groter dan 4,25 meter en kleiner dan of gelijk aan 5,00 meter;
  d) zijn hoogte is groter dan 4,50 meter en kleiner dan of gelijk aan 4,80 meter;
  e) zijn massa is groter dan 90,000 ton en kleiner dan of gelijk aan 120,000 ton;
  4° Categorie 4 : het uitzonderlijk voertuig van deze categorie voldoet aan minstens één van volgende voorwaarden :
  a) voor een enkelvoudig voertuig is zijn lengte groter dan 28,00 meter;
  b) voor een sleep is zijn lengte groter dan 35,00 meter;
  c) zijn breedte is groter dan 5,00 meter;
  d) zijn hoogte is groter dan 4,80 meter;
  e) zijn massa is groter dan 120,000 ton

  HOOFDSTUK 2. - De vergunning

  Afdeling 1. - De verplichting van vergunning

  Art. 5.§ 1. Niemand mag een uitzonderlijk voertuig in het verkeer brengen op de openbare weg zonder voorafgaande, uitdrukkelijke vergunning van de minister of zijn gemachtigde.
  De vergunning stelt de specifieke voorschriften vast om de verkeersveiligheid te verzekeren alsmede om het verkeer van het uitzonderlijk voertuig veilig en vlot te laten verlopen.
  Zij vermeldt haar geldigheidsduur.
  De Minister bepaalt de vorm en de inhoud van de vergunning.
  § 2. De gebruiker, alsook de bestuurder van het trekkend voertuig en in voorkomend geval, de verkeerscoördinator zijn belast met de naleving van alle voorschriften opgenomen in de vergunning.
  § 3. [1 ...]1.
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Afdeling 2. - De vergunningsaanvraag

  Art. 6. § 1. De vergunningsaanvraag wordt door de gebruiker of zijn mandataris gestuurd naar de gemachtigde ambtenaar die de ontvangst ervan meldt.
  § 2. Opdat de vraag ontvankelijk zou zijn, moeten de retributies met betrekking op vroeger ingediende aanvragen volgens de bepalingen van artikel 8 betaald zijn.
  § 3. Indien de aanvraag niet volledig is en bijkomende informatie vereist, stuurt de gemachtigde ambtenaar aan de aanvrager een opsomming van de ontbrekende elementen binnen de vijf werkdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag.
  De gemachtigde ambtenaar stelt de aanvrager in kennis van de datum van ontvangst van de ontbrekende elementen.
  Indien de ontvangen elementen nogmaals een bijkomende informatie vereisen, stuurt de gemachtigde ambtenaar aan de aanvrager terug een opsomming van de ontbrekende elementen binnen de drie werkdagen te rekenen vanaf de datum voorzien in alinea 2.
  De procedure herbegint overeenkomstig de alinea's 2 en 3 totdat de aanvraag volledig is.
  § 4. Onder voorbehoud van paragraaf 3, stelt de gemachtigde ambtenaar, binnen de vijf werkdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag, de aanvrager in kennis of het afleveren van de vergunning de raadpleging vereist.
  Binnen de drie werkdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de bijkomende informatie bekomen overeenkomstig paragraaf 3, stelt de gemachtigde ambtenaar de aanvrager in kennis of het afleveren van de vergunning de raadpleging vereist.
  § 5. De vergunning of de weigering wordt aan de aanvrager genotificeerd binnen de vijf werkdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag of binnen de vijftien werkdagen te rekenen vanaf deze datum voor een aanvraag die de raadpleging vereist.
  Indien er voor de aanvraag bijkomende informatie nodig was wordt de vergunning of de weigering aan de aanvrager genotificeerd binnen de vijf werkdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de bekomen, bijkomende informatie volgens paragraaf 3 of binnen de vijftien werkdagen te rekenen vanaf deze datum voor een aanvraag die de raadpleging vereist.
  § 6. De Minister bepaalt de aanvullende modaliteiten betreffende de vergunningsprocedure

  Afdeling 3. - De types van vergunningen

  Art. 7. Er zijn twee types van vergunning :
  1° De langlopende, permanente vergunning die slaat op :
  a) de vergunning afgeleverd aan het uitzonderlijk voertuig van de categorie 1 met een geldigheidsduur van maximum vijf jaren;
  b) de vergunning afgeleverd aan het uitzonderlijk voertuig van de categorie 2 met een geldigheidsduur van maximum één jaar;
  2° De kortlopende, tijdelijke vergunning die slaat op :
  a) de vergunning afgeleverd aan het uitzonderlijk voertuig van de categorie 3 met een geldigheidsduur van maximum vier maanden;
  b) de vergunning afgeleverd aan het uitzonderlijk voertuig van de categorie 4 met een geldigheidsduur van maximum twee maanden.

  Afdeling 4. - De retributie

  Art. 8.§ 1. [1 Zonder afbreuk te doen aan de eventuele bijkomende kosten opgelegd door de beheerder,]1 een retributie is verschuldigd door de aanvrager voor de behandeling van de vergunningsaanvraag en te betalen na notificatie van de vergunning of van zijn weigering :
  a) 75 euro voor een uitzonderlijk voertuig van de categorieën 1 en 2;
  b) 113 euro voor een uitzonderlijk voertuig van de categorie 3;
  c) 150 euro voor een uitzonderlijk voertuig van de categorie 4.
  § 2. Indien de termijnen voorzien in artikel 6, §§ 3 en 5 worden nageleefd is het bedrag van de retributie voorzien in paragraaf 1 vereist.
  § 3. 20 % van het bedrag van de retributie voorzien in paragraaf 1 blijven vereist, als dossierkost, zelfs in geval van weigering van de vergunning of van het niet respecteren van de termijnen voorzien in artikel 6, §§ 3 en 5 of van annulering van de vergunningsaanvraag door de aanvrager.
  § 4. De bedragen opgenomen in de eerste paragraaf zijn van toepassing voor het jaar 2010 en gekoppeld aan de gezondheidsindex van de maand november 2009.
  Zij worden automatisch aangepast op 1 januari van elk jaar in functie van de evolutie van de gezondheidsindex van de maand november van het voorgaande jaar.
  Bij het indexeren, wordt de uitkomst in voorkomend geval verhoogd met ten hoogste 0,50 euro of verminderd met ten hoogste 0,49 euro om een geheel getal te verkrijgen.
  § 5. De Minister bepaalt de modaliteiten betreffende de betaling van de retributie.
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  HOOFDSTUK 3. - Voorschriften met betrekking tot het uitzonderlijk voertuig

  Art. 9. Een enkelvoudig uitzonderlijk voertuig met een lengte groter dan 19,00 meter is vooraan en achteraan uitgerust met minstens één gestuurde as.
  Voor een uitzonderlijke sleep met een lengte groter dan 27,00 meter is het langst getrokken voertuig uitgerust met minstens één gestuurde as

  HOOFDSTUK 4. - Voorschriften met betrekking tot de lading van de uitzonderlijke voertuigen

  Afdeling 1. - Samengestelde deelbare lading

  Art. 10.[1 Met uitzondering van het extra gewicht, mag een uitzonderlijk voertuig ten hoogste één voorwerp vervoeren in een afmeting die niet overeen komt met de Wegcode en het Technisch Reglement.
   In een afmeting overeenkomstig de Wegcode en het Technisch reglement kunnen meerdere delen vervoerd worden voor zover de massa van het voertuig voldoet aan het Technisch Reglement.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Afdeling 2. - Vervoer van lange geprefabriceerde elementen

  Art. 11.Palen, lange elementen of geprefabriceerde balken mogen gelijktijdig vervoerd worden om technische of stabiliteitredenen. Deze redenen worden gerechtvaardigd in een technische nota van de bouwer die bij de vergunningsaanvraag wordt gevoegd. [1 Deze wordt eveneens bij de vergunning gevoegd.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Afdeling 3. - Vermindering van de afmeting(en) van een uitzonderlijk voertuig

  Art. 12.De ondeelbare lading wordt zodanig geplaatst dat het aantal uitzonderlijke afmetingen van het voertuig tot een minimum wordt herleid.
  [1 Om de hoogte of de breedte, niet- overeenkomstig de Wegcode en het Technisch reglement, van een uitzonderlijk voertuig te verminderen, is het toegelaten één van de onderdelen of elementen van de ondeelbare lading te demonteren en op hetzelfde voertuig te vervoeren zonder verhoging van de totale massa. Het is, indien noodzakelijk, in afwijking van artikel 10, eerste lid, toegelaten door deze handeling een lengte te creëren die niet overeenkomt met de Wegcode of het Technisch reglement, of de oorspronkelijke lengte te vergroten.
   Het is toegelaten om de hoogte of de breedte van een uitzonderlijk voertuig te verminderen tot een niveau dat niet conform is aan de Wegcode of het Technisch reglement, door de lading te kantelen zodat een breedte of een hoogte wordt gecreëerd die niet conform is of de oorspronkelijke breedte of hoogte vergroot.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Art. 12_VLAAMS_GEWEST.
   De ondeelbare lading wordt zodanig geplaatst dat het aantal uitzonderlijke afmetingen van het voertuig tot een minimum wordt herleid.
  [1 Om de hoogte of de breedte, niet- overeenkomstig de Wegcode en het Technisch reglement, van een uitzonderlijk voertuig te verminderen, is het toegelaten één van de onderdelen of elementen van de ondeelbare lading te demonteren en op hetzelfde voertuig te vervoeren zonder verhoging van de totale massa. Het is, indien noodzakelijk, in afwijking van artikel 10, eerste lid, toegelaten door deze handeling een lengte te creëren die niet overeenkomt met de Wegcode of het Technisch reglement, of de oorspronkelijke lengte te vergroten.
   Het is toegelaten om de hoogte of de breedte van een uitzonderlijk voertuig te verminderen tot een niveau dat niet conform is aan de Wegcode of het Technisch reglement, door de lading te kantelen zodat een breedte of een hoogte wordt gecreëerd die niet conform is of de oorspronkelijke breedte of hoogte vergroot.]1
  [2 Als met toepassing van artikel 10, tweede lid, van dit besluit, meerdere ondeelbare ladingen vervoerd worden binnen een lengte die in overeenstemming is met de Wegcode en het Technisch Reglement, mag de vervoerder om efficiëntieredenen de ondeelbare ladingen zodanig positioneren dat er één bijkomende uitzonderlijke afmeting in de hoogte of de breedte ontstaat als de vervoerder kan aantonen dat hij, door de lading zo te plaatsen, minstens 30% meer kan vervoeren dan wanneer hij binnen de toegestane hoogte of breedte blijft.
   De bijkomende uitzonderlijke afmeting, vermeld in het vierde lid, blijft beperkt tot in voorkomend geval een van de volgende breedten of hoogten:
   1° een breedte van 3,00 meter;
   2° een hoogte van 4,30 meter.
   Een bijkomende uitzonderlijke afmeting als vermeld in het vierde lid mag alleen worden gecreëerd als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° het voertuig in niet geladen toestand voldoet aan het Technisch Reglement op het vlak van afmetingen;
   2° de massa van het voertuig in beladen toestand voldoet aan het Technisch Reglement;
   3° de alternatieve manier van laden vormt geen enkel bijkomend gevaar voor de verkeersveiligheid.
   De efficiëntieredenen, vermeld in het vierde lid, worden gerechtvaardigd in een technische nota van de vervoerder die bij de vergunningsaanvraag wordt gevoegd. De technische nota wordt ook bij de vergunning gevoegd.]2
  
----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>
  (2)<BVR 2019-05-24/25, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 03-10-2019>
  

  Afdeling 4. - Uitrusting van kraanauto's

  Art. 13. De stroppen, kabels, platen en hefhaken worden beschouwd als integraal onderdeel van de basisuitrusting van de kraanauto. Het tegengewicht of een gedeelte hiervan, als het de stabiliteit van het voertuig verzekert, wordt eveneens beschouwd als deel van de uitrusting van de kraanauto, voor zover de maximale toegelaten massa niet wordt overschreden.

  Afdeling 5. - De lading van een ondersteuningsvoertuig

  Art. 14. De tegengewichten, giekdelen en elementen van een kraanauto mogen, gegroepeerd of afzonderlijk, vervoerd worden op één of meerdere ondersteuningsvoertuigen. De maximale massa per as van dit voertuig mag nochtans de maximum toegelaten massa per as van de kraanauto niet overtreffen. De hoogte van het voertuig voldoet aan de Wegcode en het technisch reglement.

  Afdeling 6. - Beperking van de achteruitsteek

  Art. 15.De achteruitsteek van de lading wordt tot een minimum beperkt tenzij dit niet anders kan om technische of stabiliteitredenen. Deze redenen worden gerechtvaardigd in een technische nota van de bouwer die bij de vergunnings-aanvraag wordt gevoegd. [1 Deze wordt eveneens bij de vergunning gevoegd.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  HOOFDSTUK 5. - Voorschriften met betrekking tot de veiligheidsuitrusting

  Afdeling 1. - Algemene voorschriften

  Art. 16.[1 Op het uitzonderlijk voertuig wordt voor- en achteraan een paneel of een opschrift geplaatst overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.
   De onderste rand van het paneel of het opschrift wordt op minstens 0,40 meter boven de grond geplaatst.
   De panelen of de opschriften worden onzichtbaar maken zodra het voertuig niet meer beantwoordt aan de kenmerken van een uitzonderlijk voertuig.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Art. 17. Onverminderd de bepalingen voorzien in artikel 30 van de Wegcode, is het uitzonderlijk voertuig uitgerust met :
  - vooraan minstens twee geeloranje knipperlichten, aan weerszijden op de stuurhut gemonteerd, die permanent werken gedurende het uitzonderlijk vervoer. Deze lichten zijn zichtbaar vanuit een hoek van minimum 270°;
  - achteraan een geeloranje knipperlicht gemonteerd op het linker achteruiteinde van het voertuig of van de lading als deze buiten het achtereinde van het voertuig uitsteekt. Dit licht is naar achter zichtbaar over een hoek van 180°.
  Deze lichten zijn permanent in werking gedurende het uitzonderlijk vervoer.

  Art. 18.Onverminderd de bepalingen van artikel 81.2. van de Wegcode is het uitzonderlijk voertuig uitgerust met het volgende bijkomend veiligheidstoebehoren :
  - een tweede gevarendriehoek;
  - [1 ...]1;
  - twee draagbare, geeloranje, enkelgerichte elektronische flash-lichten, zichtbaar over een afstand van tenminste 100 meter.
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Afdeling 2. - Bijzondere voorschriften

  Art. 19.Onverminderd de algemene voorschriften van artikelen 16 tot 18 en de bepalingen van artikel 28, § 5 van het technische reglement, zijn de volgende bijzondere voorschriften van toepassing :
  1° voor een uitzonderlijk voertuig langer dan 22,00 meter wordt de retroreflecterende markering aan beide zijden over de gehele lengte van het geladen uitzonderlijk voertuig aangebracht;
  2° [1 Met uitzondering van de kraanauto, als de breedte van het uitzonderlijk voertuig meer bedraagt dan 2,55 meter,
   a) worden vier panelen geplaatst, twee vooraan en twee achteraan, om de uiterste breedte van het uitzonderlijk voertuig af te bakenen. Zij worden zodanig bevestigd dat zij op zichzelf geen hindernis vormen;
   b) De onderste rand van de panelen is geplaatst op een hoogte tussen minimum 0,40 meter en maximum 2 meter gemeten vanaf de grond. Indien, om technische redenen, de maximumhoogte niet kan worden geëerbiedigd, kan een grotere hoogte worden toegestaan;
   c) de panelen zijn in overeenstemming :
   i. met de voorschriften van het artikel 28, § 6, 3, 1° van het Technisch Reglement met dien verstande dat de vierkante panelen bedoeld in het artikel 28, § 6, 3, 1°, tweede lid enkel op de uitzonderlijke voertuigen met een maximale breedte van 3,50 meter mogen worden geplaatst;
   ii. of met het artikel 47.1 van het Verkeersreglement met dien verstande dat ten minste de witte strepen op de panelen vooraan en ten minste de rode strepen op de panelen achteraan retroreflecterend zijn;
   d) de panelen vooraan zijn bovendien uitgerust met minstens een wit licht en deze achteraan met minstens een rood licht. Deze lichten zijn voortdurend in werking.]1;
  3° voor een uitzonderlijk voertuig breder dan 4,50 meter wordt de retroreflecterende markering vooraan en achteraan over de gehele breedte van het uitzonderlijk voertuig aangebracht.
  ----------
  (1)<KB 2013-07-15/17, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 19/1. [1 De lading die meer dan één meter buiten het achtereinde van het voertuig uitsteekt moet worden gesignaleerd :
   door een bord, dat aan het meest uitstekende gedeelte van de lading wordt bevestigd, zodat het zich steeds in een vertikaal vlak, loodrecht op de middelste lengteas van het voertuig bevindt, conform :
   a) artikel 28, § 6, 3, 1° van het Technisch Reglement;
   b) of artikel 47.1 van het Verkeersreglement.
   De onderste rand van het bord is geplaatst op een hoogte tussen minimaal 40 cm en maximaal 200 cm gemeten vanaf de grond. Het bord is zodanig bevestigd dat het zelf geen hindernis vormt. Indien, om technische redenen, de maximumhoogte niet kan worden geëerbiedigd, kan een grotere hoogte worden toegestaan.
   Het paneel is bovendien uitgerust met een rood licht. Dit licht is altijd in werking.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-07-15/17, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  HOOFDSTUK 6. - Voorschriften met betrekking tot de begeleiding van uitzonderlijke voertuigen

  Afdeling 1. - De begeleiding

  Art. 20.§ 1. Eén begeleidingsvoertuig met een verkeerscoördinator bedoeld in artikel 26 is vereist als het uitzonderlijk voertuig minstens één van de volgende voorwaarden tegen komt :
  1° zijn lengte is groter dan 30,00 meter en kleiner dan of gelijk aan 35,00 meter;
  2° zijn breedte is groter dan 3,50 meter en kleiner dan of gelijk aan 4,50 meter;
  3° zijn massa is groter dan 90,000 ton.
  Het begeleidingsvoertuig rijdt vooraan het konvooi. Echter als het uitzonderlijk voertuig op een autosnelweg rijdt of op een weg verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er tenminste twee bestemd zijn voor elke rijrichting, rijdt het begeleidingsvoertuig achteraan.
  § 2. Twee begeleidingsvoertuigen, waarvan één met een verkeerscoördinator, zijn vereist als het uitzonderlijk voertuig minstens één van de volgende voorwaarden of omstandigheden tegen komt :
  1° zijn lengte is groter dan 35,00 meter en kleiner dan of gelijk aan 40,00 meter;
  2° zijn breedte is groter dan 4,50 meter en kleiner dan of gelijk aan 5,00 meter;
  3° zijn hoogte is groter dan 4,80 meter;
  4° zijn massa is groter dan 180,000 ton;
  5° indien het uitzonderlijk voertuig één van de bewegingen voorzien in artikel 29, § 1 moet uitvoeren;
  6° wanneer het tegenliggend en/of het in de rijrichting rijdend verkeer moet worden gestopt op openbare wegen waar de toegelaten maximumsnelheid niet méér dan 70 km per uur bedraagt;
  7° indien het uitzonderlijk voertuig moet rijden aan beperkte snelheid op een autosnelweg of op een weg verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er tenminste twee bestemd zijn voor elke rijrichting en waar de toegelaten maximumsnelheid méér dan 70 km per uur bedraagt;
  Eén van de begeleidingsvoertuigen rijdt vooraan het konvooi, het andere achteraan. Echter, als het uitzonderlijk voertuig op een autosnelweg rijdt of op een weg verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er tenminste twee bestemd zijn voor elke rijrichting, kunnen beide begeleidingsvoertuigen achteraan rijden.
  § 3. Drie begeleidingsvoertuigen, waarvan één met verkeerscoördinator, zijn vereist als het uitzonderlijk voertuig minstens één van de volgende voorwaarden of omstandigheden tegen komt :
  1° zijn lengte is groter dan 40,00 meter;
  2° zijn breedte is groter dan 5,00 meter;
  3° voor het overschrijden van een brug met behulp van bijkomende voertuigen of met behulp van voorlopige bruggen.
  Eén van de begeleidingsvoertuigen rijdt vooraan het konvooi, de andere achteraan. Echter, als het uitzonderlijk voertuig op een autosnelweg rijdt of op een weg verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er tenminste twee bestemd zijn voor elke rijrichting, kunnen de drie begeleidingsvoertuigen achteraan rijden
  [1 § 4. In uitzonderlijke omstandigheden mag er van paragraaf 1, laatste lid, van paragraaf 2, laatste lid, en van paragraaf 3, laatste lid, worden afgeweken, teneinde de verplaatsing van het konvooi zonder gevaar voor dit konvooi of voor de andere weggebruikers te laten verlopen.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 12, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Art. 21. Als begeleidingsvoertuig wordt een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een lichte vrachtauto, zoals bepaald in artikel 1 van het technisch reglement, gebruikt.

  Art. 22.Het begeleidingsvoertuig is van gele kleur RAL codes 1003, 1004, 1023 of equivalent.
  Artikel [1 16, eerste en tweede lid]1 is van toepassing op de begeleidingsvoertuigen.
  De voor- en achterzijde van het voertuig zijn bedekt met afwisselende witte en rode strepen van 75 tot 120 millimeter breedte met een helling van 45 tot 60 graden over een oppervlakte van minstens een halve vierkante meter.
  De witte strepen vooraan en de rode strepen achteraan zijn retroreflecterend.
  Op elke zijde van het voertuig zijn retroreflecterende vlakken met " open pijlen " aangebracht. Deze vlakken hebben minstens de afmetingen van 1,00 meter op 0,30 meter. Zij zijn rood en wit of rood en geel gekleurd. De pijlen wijzen naar de voorzijde van het voertuig en hebben een breedte van 0,10 meter.
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Art. 23. De begeleidingsvoertuigen zijn uitgerust met minstens twee geeloranje knipperlichten op het dak. Deze lichten zijn rondom zichtbaar. Zij zijn in werking gedurende het uitzonderlijk vervoer.
  De achteraan rijdende begeleidingsvoertuigen zijn op het dak voorzien van een lichtbalk met gele amberkleurige directionele waarschuwingspijlen. Zij zijn in werking gedurende het uitzonderlijk vervoer.

  Art. 24. Als het konvooi één of meer begeleidingsvoertuigen omvat, zijn alle voertuigen zodanig uitgerust dat zij permanent met elkaar in verbinding kunnen blijven.

  Art. 25.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 16 en 22 tot 24 is minstens één begeleidingsvoertuig eveneens voorzien van volgende uitrustingen en veiligheidsmaterieel :
  - 1 brandblusser van 3 kilogram;
  - 10 geeloranje reflecterende kegels of geeloranje wegafbakeningslichten;
  - 2 witte toortslampen op batterijen met geeloranje kegels als toebehoren;
  - [1 ...]1;
  - 2 reflecterende verkeersborden C3 met handvat;
  - 2 verkeersborden A51 op driepikkel;
  - 1 decameter;
  - 1 uitschuifbare meetlat van minimum 6 meter.
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Afdeling 2. - De verkeerscoördinator en begeleider

  Art. 26. § 1. De verkeerscoördinator is de begeleider, met naam en toenaam, schriftelijk aangeduid en die de rol van algemene leider van het konvooi zal verzekeren.
  Voor het vertrek van het konvooi treft hij alle maatregelen die nodig zijn voor het goede verloop van het uitzonderlijk vervoer. Hij geeft richtlijnen aan de bestuurders van de andere voertuigen van het konvooi.
  De verkeerscoördinator ziet toe op het volgen van de voorgeschreven reisweg en op het respecteren van voorgeschreven voorwaarden in de vergunning.
  Voor het vertrek gaat de verkeerscoördinator na of alle voertuigen van het konvooi voldoen aan de voorschriften van de vergunning en deze van dit besluit. Met uitzondering van het wegen van de massa's, controleert de verkeerscoördinator in het bijzonder of de technische kenmerken van het uitzonderlijk voertuig voldoen aan deze beschreven in de vergunning.
  Het vertreksein mag slechts gegeven worden als al deze voorwaarden zijn vervuld.
  § 2. De andere begeleiders werken volgens de richtlijnen gegeven door de verkeerscoördinator;

  Afdeling 3. - De bevoegdheden van de verkeerscoördinator en de begeleiders

  Art. 27.De verkeerscoördinator en de begeleiders waken over het goed verloop van het uitzonderlijk vervoer en geven aan de weggebruikers de nodige aanwijzingen om de veiligheid van het verkeer te verzekeren en om de doortocht van het uitzonderlijk voertuig te vergemakkelijken.
  [1 Tweede en derde lid opgeheven.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Art. 27/1. [1 Indien de verkeerscoördinator en de begeleiders de aanwijzingen bedoeld in artikel 27, eerste lid, buiten hun voertuigen dienen te geven, dragen zij signalisatiekledij die voldoet aan het type NBN EN 471+A1 :2008 en volgende, van klasse 3 of gelijkwaardig en bestaande uit een jas van gele kleur en eventueel een broek van dezelfde kleur of een overall van dezelfde kleur.
   Een logo van zwarte kleur zoals bepaald in b) van de bijlage bij dit besluit, van minimum 0,25 meter in horizontale afmeting met de juiste verhoudingen, wordt centraal op de rug van de jas of centraal op de rug van het bovenste gedeelte van de overall geplaatst.
   Een logo van zwarte kleur zoals bepaald in b) van de bijlage bij dit besluit, van minimum 0,08 meter in horizontale afmeting met de juiste verhoudingen, wordt rechts op de voorzijde van de jas of rechts op de voorzijde van het bovenste gedeelte van de overall geplaatst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-02-27/03, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 28. De verkeerscoördinator en de begeleiders zijn bevoegd om :
  1° op kruispunten niet uitgerust met verkeerslichten, het verkeer uit de dwarsstraten stil te leggen;
  2° op kruispunten uitgerust met verkeerslichten, het door een rood licht stil gelegde verkeer, blijvend staande te houden gedurende de tijd nodig opdat het konvooi het kruispunt kan ontruimen;
  3° het tegenliggend, als in de rijrichting rijdend verkeer stil te leggen op de openbare wegen waar de toegelaten maximumsnelheid niet méér dan 70 km per uur bedraagt;
  4° het achteropkomend verkeer dat in dezelfde richting rijdt als het uitzonderlijk voertuig te verhinderen om in te halen of voorbij te rijden.

  Afdeling 4. - Begeleiding door een politiedienst

  Art. 29.§ 1. Onverminderd de andere begeleidingsvoorwaarden [1 of signaleringsvoorwaarden]1 voorzien in dit besluit, is begeleiding door een politiedienst verplicht :
  1° voor het rijden in tegengestelde zin van het verkeer op openbare wegen waar de toegelaten maximumsnelheid méér dan 70 km per uur bedraagt;
  2° voor het oversteken van de opening in de middenberm van een autosnelweg of van een weg verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er tenminste twee zijn bestemd voor elke rijrichting;
  3° wanneer het tegenliggend of het in de rijrichting rijdend verkeer moet worden gestopt op openbare wegen waar de toegelaten maximumsnelheid méér dan 70 km per uur bedraagt.
  [2 4° Om een brug over te rijden op een autosnelweg of op een weg verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er ten minste twee zijn bestemd voor elke richting en waarop de maximale toegelaten snelheid hoger is dan 70 km/u., indien de vergunning een overschrijding aan maximum 5 km/u. voorschrijft.]2
  § 2. De modaliteiten van de begeleiding worden bepaald door de betrokken politiedienst.
  De aanvraag tot begeleiding wordt minstens vier werkdagen voor het vertrek van het vervoer ingediend bij de betrokken politiedienst. Deze aanvraag is steeds vergezeld van een kopie van het eerste blad van de vergunning.
  Als de afgesproken uurregeling tussen de politiedienst en de gebruiker door deze laatste niet kan worden gerespecteerd, licht hij onmiddellijk de betrokken politiedienst hiervan in. Als de begeleiding niet dezelfde dag kan worden gereorganiseerd, is een nieuwe aanvraag nodig en wordt het uitzonderlijk vervoer uitgesteld.
  ----------
  (1)<KB 2011-10-24/02, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 13-11-2011>
  (2)<KB 2013-02-27/03, art. 17, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  HOOFDSTUK 7. - Voorschriften met betrekking tot de verkeersdeelneming van uitzonderlijke voertuigen

  Afdeling 1. - Verkeersverboden

  Art. 30.[1 § 1. Op wegen en autosnelwegen is het verkeer van uitzonderlijke voertuigen breder dan 4,00 meter verboden van 06.00 u tot 21.00 u.
   In afwijking van het eerste lid, is het verkeer van uitzonderlijke voertuigen breder dan 3,50 meter van 06.00 u. tot 21.00 u. verboden op de autosnelwegen bestaande uit minder dan drie rijstroken in de gevolgde rijrichting, behalve op op- en afritten van autosnelwegen met ten minste 3 rijstroken die door het verkeersbord F5 gesignaleerd zijn.
   Op alle wegen en autosnelwegen is het verkeer van uitzonderlijke voertuigen langer dan 30,00 meter verboden van 06.00 u. tot 21.00 u.
   Op alle wegen en autosnelwegen is het verkeer van uitzonderlijke voertuigen verboden op 1 januari, Paasmaandag, 1 mei, Onze-Lieve-Heer-Hemelvaart, Pinkstermaandag, 21 juli, 15 augustus, 1 november, 11 november en 25 december. Het verbod gaat daags voordien in om 16.00 u. en eindigt de dag zelf om middernacht.
   Op alle wegen en autosnelwegen, is het verkeer van uitzonderlijke voertuigen verboden van zaterdag 12.00 u. tot zondag middernacht, behalve voor kraanautos met een massa van ten hoogste 96 ton, of die niet breder dan 3,00 meter zijn.
   Op alle wegen en autosnelwegen, is het verkeer van uitzonderlijke voertuigen verboden tussen 07.00 u. en 09.00 u. en tussen 16.00 u. en 18.00 u., behalve voor uitzonderlijke voertuigen met een massa van ten hoogste 60,00 ton, die niet breder zijn dan 3,50 meter en niet langer zijn dan 27,00 meter, voor zover de vergunning geen voorschriften voorziet die een invloed kunnen hebben op de doorstroming van het verkeer door op de reisweg specifieke maneuvers op te leggen of de snelheid van het uitzonderlijke voertuig beperken.
   De verkeersverboden bedoeld in de voorgaande leden, voor wat betreft de andere wegen dan de autosnelwegen, zijn niet van toepassing op landbouwvoertuigen.
   § 2. De vergunning kan specifieke voorschriften bevatten die afwijken van paragraaf 1.
   § 3. Het verkeer van uitzonderlijke voertuigen is verboden als de openbare weg besneeuwd of beijzeld is, bij mist, sneeuwval of bij regen waarbij de zichtbaarheid tot minder dan 200,00 meter is beperkt.
   Wanneer een uitzonderlijk voertuig onverwachts geconfronteerd wordt met de voormelde omstandigheden, stopt het zo vlug mogelijk op de eerst mogelijke plaats waar het verkeer niet gehinderd wordt.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Art. 30/1. [1 Op de autosnelwegen, evenals op de openbare wegen bestaande uit minstens twee rijstroken in de gevolgde rijrichting, laat het uitzonderlijk voertuig breder dan een rijstrook de tweede rijstrook, te rekenen vanaf de rechter boord van de rijweg, vrij voor andere weggebruikers indien de infrastructuur het toelaat. Om dit te doen mag het de witte doorlopende lijn aan de rechterzijde van de eerste rijstrook overschrijden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-02-27/03, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Afdeling 2. - Andere verkeersvoorwaarden

  Art. 31. De gebruiker of de bestuurder van het uitzonderlijk voertuig of in voorkomend geval de verkeerscoördinator verkent de reisweg hoogstens 5 kalenderdagen vóór de datum waarop het uitzonderlijk vervoer in het verkeer wordt gebracht. Hij mag in geen enkel geval een reisweg volgen die hij niet op voorhand heeft verkend.
  Naast de aanwezigheid van hindernissen op de reisweg, wordt er nagegaan of er tijdens de doortocht door bebouwde kommen geen moeilijkheden ontstaan door publieke manifestaties, zoals een markt, een rommelmarkt, plaatselijke festiviteiten van korte of lange duur.

  Art. 32. De gebruiker neemt alle nuttige maatregelen opdat de bepalingen en de reiswegen opgenomen in de vergunning verstaanbaar zullen zijn voor de verkeerscoördinator, de begeleiders alsook voor de bestuurder.

  Art. 32/1. [1 In de gevallen bedoeld in artikel 30, § 3, en in de artikelen 51 en 52 van de Wegcode, nemen de bestuurder en in voorkomend geval de begeleiders alle maatregelen die nodig zijn om de veiligheid en de vlotte doorstroming van het verkeer te verzekeren.
   Daartoe dienen zij te voldoen aan de bepalingen van artikel 51 van de Wegcode en bij een ongeval, aan artikel 52 van de Code.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-02-27/03, art. 20, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Art. 33. Buiten de omstandigheden voorzien in artikel 30 van de Wegcode, gebruiken de voertuigen van het konvooi bestendig de dimlichten en de rode achterlichten.

  Afdeling 3. - Dwarsen van gelijkgrondse spooroverwegen

  Art. 34. De bestuurder van het uitzonderlijk voertuig en, in voorkomend geval, de verkeerscoördinator en de begeleiders moeten zich er van vergewissen dat zij over voldoende tijd beschikken om op normale wijze een spooroverweg te overschrijden zonder te stoppen.
  Zij verkennen de plaatsen alvorens de overweg te dwarsen en zij zien na of er geen wijzigingen zijn gebeurd sedert de laatste verkenning.
  Zij onderzoeken vooral de lengte- en dwarsprofielen van de weg in de doorgangszone van de overweg. Zij nemen de nodige maatregelen om voldoende afstand te verzekeren tussen de onderkant van het uitzonderlijk voertuig en de grond om niet in aanraking te komen met de sporen of met het wegdek.
  Zij plaatsen een waarnemer langs de weg, als de verticale afstand tussen het beschermingsportiek en het hoogste punt van het uitzonderlijk voertuig kleiner is dan 10 centimeter.

  HOOFDSTUK 7/1. - [1 Specifieke voorschriften voor landbouwvoertuigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-10-24/02, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 13-11-2011>

  Afdeling 1. - [1 Toepassingsgebied]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-10-24/02, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 13-11-2011>

  Art. 34/1. [1 In dit hoofdstuk worden landbouwvoertuigen bedoeld die ook uitzonderlijke voertuigen zijn zoals bedoeld in artikel 3, en die voldoen aan de volgende voorwaarden :
  a) de lengte is kleiner dan of gelijk aan 27,00 meter;
  b) de breedte is kleiner dan of gelijk aan 4,25 meter;
  c) de hoogte en de massa's voldoen aan de Wegcode en aan het Technisch Reglement;
  d) zich verplaatsen binnen een straal van maximum 25 kilometer rond de exploitatiezetel of het erf.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-10-24/02, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 13-11-2011>

  Afdeling 2. - [1 Voorschriften met betrekking tot de lading]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-10-24/02, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 13-11-2011>

  Art. 34/2. [1 De lading van een getrokken landbouwvoertuig bestaat uitsluitend uit een landbouwmachine of uit landbouwmaterieel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-10-24/02, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 13-11-2011>

  Afdeling 3. - [1 Voorschriften met betrekking tot de signalisatie van landbouwvoertuigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-10-24/02, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 13-11-2011>

  Art. 34/3. [1 In afwijking van de artikelen 20 tot 28, met uitzondering van artikel 20, § 2, 5° tot 7°, mag een landbouwvoertuig met een breedte van meer dan 3,50 meter en minder dan of gelijk aan 4,25 meter alleen door een waarschuwingsvoertuig worden aangekondigd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-10-24/02, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 13-11-2011>

  Art. 34/4. [1 Het waarschuwingsvoertuig is ten minste voorzien van één paneel dat voldoet aan de bijlage bij dit besluit en zichtbaar is naar voor en naar achter.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-10-24/02, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 13-11-2011>

  Art. 34/5. [1 Als het waarschuwingsvoertuig niet is uitgerust met dagrijlichten bedoeld in artikel 28 van het Technisch Reglement, gebruikt het altijd de dimlichten.
  Het waarschuwingsvoertuig gebruikt minstens één oranjegeel knipperlicht op het dak. Dit licht is rondom zichtbaar.
  Het paneel en het knipperlicht worden verwijderd van zodra het voertuig niet meer beantwoordt aan de functie van waarschuwingsvoertuig.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-10-24/02, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 13-11-2011>

  Afdeling 4. - [1 Voorschriften met betrekking tot het verkeer van waarschuwingsvoertuigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-10-24/02, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 13-11-2011>

  Art. 34/6. [1 Het waarschuwingsvoertuig rijdt vooraan het konvooi.
  Echter, als het landbouwvoertuig op een weg rijdt verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er ten minste twee bestemd zijn voor iedere rijrichting, rijdt het waarschuwingsvoertuig achteraan.
  In uitzonderlijke omstandigheden mag er van het eerste en het tweede lid worden afgeweken, teneinde de verplaatsing van het konvooi zonder gevaar voor dit konvooi of voor de andere weggebruikers te laten verlopen. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-10-24/02, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 13-11-2011>

  HOOFDSTUK 8. - Toezicht en ambtshalve maatregelen

  Art. 35.[1 De bevoegde personen bedoeld in artikel 3, 1°, 2° et 7° van de Wegcode zijn belast met het toezicht op de naleving van dit besluit.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>

  Art. 35_VLAAMS_GEWEST. [1 Onverminderd de bevoegdheid van andere personen houden de wegeninspecteurs, vermeld in artikel 16 van het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, toezicht op de naleving van dit besluit.]1
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-04/23, art. 47, 005; Inwerkingtreding : 23-01-2016>
  

  Art. 36. De originele vergunning en haar eventuele bijlagen worden bewaard aan boord van het uitzonderlijk voertuig waarvoor de vergunning werd afgeleverd.
  Indien er een verkeerscoördinator bij is, bewaart deze laatste deze documenten in zijn begeleidingsvoertuig.
  De vergunning en haar bijlagen worden, op het eerste verzoek, overhandigd aan elke bevoegde persoon die zijn hoedanigheid aantoont.

  Art. 37. De bevoegde personen leggen een verkeersverbod op aan elk uitzonderlijk voertuig dat in strijd met de voorschriften van dit besluit of met deze van de vergunning in het verkeer werd gebracht. Die maatregel geldt tot de overtreding ophoudt te bestaan.
  Zij kunnen de bestuurder het bevel geven het uitzonderlijk voertuig over te brengen naar een plaats die zij aanwijzen om alle gevaar voor de openbare veiligheid te vermijden of naar een plaats om het voertuig te wegen of om een overgewicht af te laden. Deze opgelegde bewegingen gebeuren onder leiding van de bevoegde personen.
  Deze maatregel blijft van kracht tot op het ogenblik dat de overtreding heeft opgehouden te bestaan, hetzij :
  1° door te voldoen aan de voorschriften met betrekking tot de veiligheidsuitrusting voorzien in hoofdstuk 5;
  2° door te voldoen aan de voorschriften met betrekking tot de begeleiding voorzien in hoofdstuk 6;
  3° door te voldoen aan de voorschriften met betrekking tot de verkeersdeelname van uitzonderlijke voertuigen voorzien in hoofdstuk 7;
  4° door het voorleggen van een afgeleverde vergunning voor het aangehouden uitzonderlijk voertuig;
  5° door het over laden van de lading op een uitzonderlijk voertuig waarvoor een vergunning werd afgeleverd.
  De bevoegde personen houden de vergunning en haar bijlagen in totdat de overtreding heeft opgehouden te bestaan.

  HOOFDSTUK 9. - Wijzigingsbepalingen

  Art. 38. § 1. Artikel 41 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, gewijzigd door het koninklijk besluit van 20 juli 1990 wordt als volgt gewijzigd :
  1° Een lid e) luidend als volgt, wordt toegevoegd aan artikel 41.3.1, 2° :
  " e) van uitzonderlijke voertuigen, door de begeleiders en de verkeerscoördinators. ";
  2° In artikel 41.3.2, worden de woorden "groepsleiders en werfopzichters" vervangen door de woorden "groepsleiders, werfopzichters, begeleiders en verkeerscoördinators".
  § 2. In artikel 59.6 van hetzelfde besluit, worden de woorden "onder voorbehoud van de afwijkingen voorzien in de artikelen 48 en 81.5", vervangen door de woorden "onder voorbehoud van de afwijkingen voorzien in artikel 81.5 van dit reglement en in het koninklijk besluit betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen".
  § 3. In artikel 59.7 van hetzelfde besluit, worden de woorden "of van de voorwaarden van de overeenkomstig artikel 48 verleende vergunning" geschrapt.
  § 4. In artikel 59.11 van hetzelfde besluit, worden de woorden : "artikelen 7.1., 9.3., 10.1., 10.2., 11, 23, 24, 25.1, 46, 48, 49.1. en 59.4" vervangen door de woorden "artikelen 7.1., 9.3., 10.1., 10.2., 11, 23, 24, 25.1., 46 en 49.1.".
  § 5. In artikel 59.15 van hetzelfde besluit, worden de woorden : "artikelen 44.3., 46, 48, 49.1., 49.4.1., 59.4 en 81.5." vervangen door de woorden : "artikelen 44.3, 46, 49.1., 49.4.1. en 81.5."

  Art. 39. In hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepalingen onder 48.1 en 48.2 worden opgeheven;
  2° onder 48.3 wordt het zinsdeel " om een gemakkelijk en veilig verkeer te verzekeren en " opgeheven;
  3° In artikel 59 van hetzelfde besluit wordt de bepaling onder 59.5 opgeheven.

  HOOFDSTUK 10. - Slotbepalingen

  Art. 40. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand volgend op de maand van zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad met uitzondering van de artikelen 6 en 8 die in werking treden op 1 oktober 2010.
  De vergunningen afgeleverd vóór het in werking treden van dit besluit zijn onderworpen aan de voorschriften van dit besluit maar blijven geldig tot hun vervaldatum

  Art. 41. Het Fonds betreffende de organisatie van het verkeer van uitzonderlijk vervoer tot stand gekomen door de programma-wet (I) van 27 december 2006 treedt in werking op de datum van het in werking treden van dit besluit

  Art. 41/1. [1 De artikelen 19, 2°, c), ii, en 19/1, b), treden buiten werking op 1 januari 2016.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-07-15/17, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 42. De Eerste Minister, de Minister bevoegd voor Justitie, de Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en de Minister bevoegd voor Wegverkeer zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGE.

  Art. N.[1 Het paneel of het opschrift geplaatst op de uitzonderlijke voertuigen heeft :
   a) hetzij een rechthoekige vorm van minstens 1,00 x 0,16 meter. Het heeft een gele of oranje lichtweerkaatsende achtergrond. Het opschrift is geschreven in zwarte hoofdletters met een minimale hoogte van 12 centimeter en bestaat uit één of een combinatie van meerdere van de onderstaande opschriften :
  
   ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-03-2013, p. 15888 )
  
   b) hetzij, een vierkante vorm met een zijde van 0,50 meter die volgend model weergeeft. Het logo is zwart van kleur, volgens de verhoudingen van het model, op een gele lichtweerkaatsende achtergrond, omkaderd door een zwarte streep van 0,02 meter :
  
   ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-03-2013, p. 15889 )]1
  ----------
  (1)<KB 2013-02-27/03, art. 22, 003; Inwerkingtreding : 10-04-2013>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Nice, 2 juni 2010.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
Y. LETERME
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Mevr. A. TURTELBOOM
De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
E. SCHOUPPE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op artikel 1 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 gewijzigd bij de wetten van 21 juni 1985, 5 augustus 2003 en 20 juli 2005;
   Gelet op het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 2 september 2009;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 7 oktober 2009;
   Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;
   Gelet op advies 47.214/4 van de Raad van State, gegeven op 14 oktober 2009 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Eerste Minister, van de Minister bevoegd voor Justitie, van de Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en van de Staatssecretaris bevoegd voor Wegverkeer,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 03-10-2019 GEPUBL. OP 14-10-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 3/1)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 24-05-2019 GEPUBL. OP 23-09-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 12)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 26-10-2018 GEPUBL. OP 27-11-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 3/1)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 04-12-2015 GEPUBL. OP 13-01-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 35)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-07-2013 GEPUBL. OP 09-09-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 19/1; 41/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-02-2013 GEPUBL. OP 15-03-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 3/1; 5; 8; 10; 11; 12; 15; 16; 18; 20; 22; 25; 27; 27/1; 29; 30; 30/1; 32/1; 35; N)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-10-2011 GEPUBL. OP 03-11-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 29; 30; 34/1-34/6; N)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       Het ontwerp van koninklijk besluit dat we U ter handtekening voorleggen, regelt de voorwaarden waaronder aan de gebruikers van uitzonderlijke voertuigen vergunning wordt verleend om deze voertuigen in het verkeer te brengen. Het regelt inzonderheid de verplichtingen van de gebruikers, van de begeleiders en van de bestuurders van deze voertuigen.
       Tot heden steunt het verkeer van uitzonderlijke voertuigen op de openbare weg op twee artikelen van de Wegcode, met name 48 en 59.5. Geen enkele andere reglementaire bepaling regelt het verkeer van uitzonderlijke voertuigen ondanks het groeiend belang van deze activiteitensector. (van 5 500 afgeleverde vergunningen in 1973 tot 43 000 vergunningen in 2008). Alleen de instructie B/2001 betreffende het wegverkeer van het uitzonderlijk vervoer gepubliceerd door de Federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer vulde dit gebrek op. Het project van koninklijk besluit is voor het grootste gedeelte gebaseerd op dit document.
       Vóór 1973 verleenden de gouverneurs van de provincies de vergunningen, een bevoegdheid die vanaf 1973 toekwam aan de Minister van Openbare Werken. Sinds 1990 is het de Minister van Verkeer en Infrastructuur, waarop de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer is gevolgd, die in overleg met de gewestelijke besturen deze vergunningen verleent.
       Het is de taak van de federale overheid, in samenwerking met de gewestelijke overheden, een algemeen politiereglement en een reglementering betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen uit te werken. Zich houdend aan de parlementaire handelingen, interpreteert het Arbitragehof de federale bevoegdheid in deze materie zeer ruim.
       Vallen zodanig onder de federale bevoegdheid, alle " regels van het wegverkeer die betrekking hebben op het verkeersverloop in zijn geheel en die erop toezien het wegverkeer op deze manier te regelen dat dit vlot kan verlopen en geen risico's inhoudt voor anderen, evenals het voorkomen van gevaarlijke situaties " (C.A. nr. 2/97 van 16 januari 1997). Dit blijkt ook duidelijk het geval voor een reglementaire tekst betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen.
       Onverminderd het feit dat het gaat over regels van de politie van het wegverkeer waarvan de parlementaire handelingen aantonen dat zij tot de federale bevoegdheid blijven behoren, zijn deze regels voornamelijk bestemd om de veiligheid en de vlotheid van het verkeer te organiseren.
       Inderdaad, artikel 48.3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 bepaalt dat " De vergunning (voor een uitzonderlijk voertuig) voorziet in de bepalingen die genomen dienen te worden om de vlotheid en de veiligheid van het verkeer te verzekeren en om elke schade aan de openbare weg, aan haar aanhorigheden, de erin gelegen kunstwerken en aan de aanliggende eigendommen, te voorkomen ".
       Uit deze bepaling blijkt duidelijk dat de reden voor de bepaling van bijzondere regels betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen wel degelijk het verzekeren van de veiligheid en de vlotheid van het wegverkeer is, wat de federale bevoegdheid in deze materie bevestigt. Dit bevoegdheidsprincipe betekent niet dat geen enkele vorm van samenwerking met de gewestelijke overheden nodig zou blijken.
       Uit een advies van de Raad van State (41.234/VR van 3 oktober 2006) blijkt enerzijds, de bevoegdheid van de federale overheid inzake " de algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer, alsook van de technische voorschriften inzake verkeer - en vervoermiddelen " en anderzijds de bevoegdheid van de gewesten inzake " de wegen en hun aanhorigheden ". Waar beide bevoegdheden zeer nauw met mekaar verweven zijn kan alleen een samenwerkings-overeenkomst tussen de federale Staat en de gewesten deze in éénzelfde tekst regelen.
       Dit zal het geval zijn voor gegevensuitwisseling en procedures om voorwaarden met betrekking tot de infrastructuur, op te nemen in de vergunning.
       Aanbevelingen van de Europese Commissie moedigen eveneens een " one stop shopping " aan; een gecentraliseerd, coherent en éénduidig beheer ten aanzien van de drie gewesten, voor een soepele en dynamische aanvraag en aflevering van vergunningen voor de aanvrager.
       Bespreking van de tekst :
       Hoofdstuk 1 (artikelen 1 tot en met 4) voert namelijk de definitie van een uitzonderlijk voertuig in, en bepaalt er, in functie van zijn afmetingen, de vijf categorieën.
       Hoofdstuk 2 (artikelen 5 tot en met 8)
       Artikel 5 voorziet de verplichting te beschikken over een voorafgaande vergunning, alvorens een uitzonderlijk voertuig in het verkeer te brengen. De vergunning bevat namelijk de voorschriften om de verkeersveiligheid te verzekeren alsmede om het verkeer van het uitzonderlijk voertuig veilig en vlot te laten verlopen.
       Artikel 6 beschrijft de procedure betreffende het indienen van de aanvraag en het afleveren van de vergunning.
       Artikel 7 voorziet twee types van vergunningen, met name, de langlopende, permanente vergunning en de kortlopende, tijdelijke vergunning.
       Het afleveren van de vergunning gebeurt in functie van de categorie waartoe het uitzonderlijk voertuig behoort.
       Artikel 8 voert het principe van de retributie in.
       Haar bedrag is bepaald in functie van de categorie waartoe het uitzonderlijk voertuig behoort en in vergelijking met het werk nodig voor het onderzoek van het dossier. Zij maakt een einde aan het huidige systeem van gratis vergunningen, bron van misbruik die het behandelen van de aanvragen vertraagt.
       Het toepassen van een retributie impliceert het respecteren van vastgestelde termijnen door de uitvoerende diensten.
       Bovendien zou het einde van het gratis afleveren van vergunningen moeten bijdragen tot een betere concurrentie van de kosten van de verschillende wijzen van vervoer in het kader van het nastreven van een grotere multimodaliteit.
       Het budgettaire fonds betreffende de organisatie van het verkeer van uitzonderlijk vervoer, gevoed door de retributies, is opgericht door de programmawet (I) van 27 december 2006 met de bedoeling de organisatie van het verkeer van uitzonderlijk vervoer te financieren en de dienst aan de klant te verbeteren.
       Hoofdstuk 3
       Artikel 9 legt de aanwezigheid van gestuurde assen voor uitzonderlijke voertuigen die bepaalde afmetingen overschrijden op. Het gaat hier om een vraag van de gewesten met de bedoeling de beschadigingen die aan de wegen en met name aan de rotondes kunnen veroorzaakt worden te vermijden.
       Hoofdstuk 4 (artikelen 10 tot en met 15) beschrijft verschillende, bijzondere types van ladingen die uitzonderlijke voertuigen kunnen vervoeren alsook de manieren van laden.
       Hoofdstuk 5 (artikelen 16 tot en met 19) bepaalt de voorschriften met betrekking tot de veiligheidsuitrusting van uitzonderlijke voertuigen. Deze uitrustingen, die hoofdzakelijk bestaan uit retroreflecterende markeringen of knipperlichten, zijn bestemd om de aanwezigheid van het uitzonderlijk voertuig goed te signaleren aan de andere gebruikers van de openbare weg.
       Hoofdstuk 6 (artikelen 20 tot en met 29) regelt de begeleiding van uitzonderlijke voertuigen.
       Een van de doelstellingen van dit besluit is de politiediensten te ontlasten van de begeleiding van uitzonderlijke voertuigen zoals de instructie B/2001 dit voorzag. Dit om de in te zetten middelen voor het uitvoeren van prioritaire opdrachten te herschikken.
       De interventie van politiediensten wordt dusdanig niet meer vereist tenzij in de zeer beperkte omstandigheden voorzien in artikel 29.
       Het uitzonderlijk voertuig waarvan de afmetingen deze voorzien in artikel 20 overschrijden, moet, in functie van zijn afmetingen, begeleid worden door één of meerdere begeleidingsvoertuigen waarin zich private begeleiders bevinden. Een verkeerscoördinator wordt aangeduid door de gebruiker van het uitzonderlijk voertuig. Hij is de leider van het konvooi. Hij waakt over het volgen van de reisweg en het respecteren van de voorgeschreven voorwaarden in de vergunning. Hij neemt de nodige maatregelen voor het goede verloop van het uitzonderlijk vervoer, hetgeen de verplichtingen in kwestie van de bestuurder van het uitzonderlijk voertuig niet uitsluit.
       De voorschriften betreffende de opleiding van de begeleiders en het attesteren van beroepsbekwaamheid als erkenning hiervan zullen geïntegreerd worden in het wettelijk en reglementair kader met betrekking tot de bewaking.
       De methoden van begeleiding die de veiligheid van het konvooi nastreven, zijn eveneens beschreven.
       Hoofdstuk 7 (artikelen 30 tot en met 34) bevat de voorschriften met betrekking tot het verkeer van uitzonderlijke voertuigen.
       Behalve het rijverbod in sommige tijdsvensters en ingevolge bepaalde weersomstandigheden dient de gebruiker van het uitzonderlijk voertuig op voorhand de reisweg te (laten) verkennen.
       Dit laat toe om, in geval van hindernissen, oplossingen te voorzien met de wegbeheerder.
       Bijzondere bepalingen met betrekking tot het overschrijden van gelijkgrondse spooroverwegen zijn eveneens voorzien.
       Hoofdstuk 8 (artikelen 35 tot en met 37) organiseert de controle op het uitzonderlijk voertuig evenals de ambtshalve maatregelen die, in geval van overtreding, door de bevoegde personen beslist kunnen worden.
       Een catalogus van overtredingen is nog te voorzien.
       Hoofdstuk 9 (artikelen 38 en 39) bevat de wijzigingsbepalingen op het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
       Artikel 48 van dit koninklijk besluit is niet in zijn totaliteit kunnen opgeheven worden om reden van het feit dat sommige van zijn voorschriften betrekking hebben op gewestelijke bevoegdheden.
       Hoofdstuk 10 (artikelen 40 tot en met 42) bevat de slotbepalingen.
       De meeste van de bepalingen van het koninklijk besluit worden onmiddellijk van toepassing vanaf het in voege treden van het koninklijk besluit.
       De bepalingen met betrekking tot de procedure van vergunning en tot de retributies zullen nochtans van toepassing worden op 1 oktober 2010, om de operationele aanpak en de publicatie van een ministerieel besluit, dat de bijkomende uitvoeringsmodaliteiten bepaalt, mogelijk te maken.
       De bepalingen met betrekking tot de opleiding en het attest van beroepsbekwaamheid van de begeleiders zullen maar van toepassing worden vanaf het ogenblik van het in voege treden van de wettelijke en reglementaire bepalingen die ze organiseren.
       Wij hebben de eer te zijn,
       Sire,
       Van Uwe Majesteit
       De zeer toegewijde en zeer trouwe dienaar,
       De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
       E. SCHOUPPE

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 10 uitvoeringbesluiten 7 gearchiveerde versies
    Franstalige versie