J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 7 uitvoeringbesluiten 10 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2009/12/21/2010003015/justel

Titel
21 DECEMBER 2009. - Wet betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-01-2010 en tekstbijwerking tot 11-12-2020)

Bron : FINANCIEN
Publicatie : 15-01-2010 nummer :   2010003015 bladzijde : 1649       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2009-12-21/16
Inwerkingtreding : 01-04-2010

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1980070805        1995003157        1995003158        1993003894        1993003896       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Art. 1-5
HOOFDSTUK 2. - Definities
Art. 6-9
HOOFDSTUK 3. - Verschuldigdheid, tarieven en heffing, vrijstelling en terugbetaling van accijns
Afdeling 1. - Verschuldigdheid
Art. 10-12
Afdeling 2. - Tarieven en heffing
Art. 13-14
Afdeling 3. - Vrijstelling
Art. 15
Afdeling 4. - [1 Terugbetaling en kwijtschelding van accijns]1
Art. 16-19
HOOFDSTUK 4. - Vervaardiging, voorhanden hebben en verkeer
Afdeling 1. - Accijnsinrichting
Art. 20-21
Afdeling 2. - Vergunning "accijnsinrichting"
Art. 22-24
Afdeling 3. - Verkeer
Art. 25-27
HOOFDSTUK 5. - Verkrijging door een particulier
Art. 28
HOOFDSTUK 5/1. [1 Wederzijdse bijstand]1
Art. 28/1
HOOFDSTUK 6. - Afwijkingen en strafbepalingen
Art. 29-33
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen, overgangsbepalingen en opheffingen
Art. 34-35, 35/1, 35/2, 35/3, 36-39

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  Art. 2. Onder voorbehoud van de toepassing van de voorschriften vastgesteld door de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen en voor zover zij betrekking hebben op de accijnzen, behelst deze wet de regeling van de producten onderworpen aan een accijns die direct of indirect wordt geheven op het verbruik van de volgende producten, hierna "accijnsproducten" genoemd :
  - alcoholvrije dranken;
  - koffie.

  Art. 3. De codes van de gecombineerde nomenclatuur die in deze wet worden gebruikt, verwijzen naar die welke zijn vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1031/2008 van de Commissie van 19 september 2008.

  Art. 4. De accijnsproducten worden aan de accijns onderworpen op het tijdstip van :
  a) hun vervaardiging hier te lande;
  b) hun invoer hier te lande;
  c) hun binnenbrengen hier te lande.

  Art. 5. Hoofdstuk 4 is niet van toepassing op accijnsproducten die onder een douaneschorsingsregeling zijn geplaatst.

  HOOFDSTUK 2. - Definities

  Art. 6.In deze wet wordt verstaan onder :
  - [1 administrateur-generaal van de douane en accijnzen]1 : de door de Koning aangeduide ambtenaar;
  - accijnsinrichting : iedere plaats waar op grond van de bepalingen van deze wet de accijnsproducten onder de schorsingsregeling worden vervaardigd, voorhanden zijn, worden ontvangen en worden verzonden;
  - lidstaat : het grondgebied van een lidstaat van de Gemeenschap waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap overeenkomstig artikel 299 van toepassing is;
  - vervaardigen van accijnsproducten : elk handelen waarbij of waardoor accijnsproducten ontstaan of de voor de accijnsheffing relevante samenstelling daarvan wordt gewijzigd;
  - invoer : het in het grondgebied van de Gemeenschap binnenbrengen van accijnsproducten die bij hun binnenkomst in de Gemeenschap niet onder een douaneschorsingsregeling worden geplaatst, alsmede het vrijgeven van onder een douaneschorsingsregeling geplaatste accijnsproducten;
  - binnenbrengen : het binnenkomen van accijnsproducten hier te lande vanuit een andere lidstaat;
  - douaneschorsingsregeling : iedere in Verordening (EEG) nr. 2913/92 vastgestelde bijzondere procedure inzake douanetoezicht ter zake van niet-communautaire goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, tijdelijke opslag, vrije zones of vrije entrepots, en iedere in artikel 84, lid 1, a), van die verordening bedoelde regeling;
  - accijnsproducten : de producten bedoeld in artikel 2;
  - schorsingsregeling : de belastingregeling die geldt voor het onder schorsing van accijns vervaardigen, voorhanden hebben en overbrengen van accijnsproducten.
  ----------
  (1)<W 2016-04-27/04, art. 169, 008; Inwerkingtreding : 16-05-2016>

  Art. 7.[1 Onverminderd artikel 8 wordt verstaan onder alcoholvrije dranken :
   a) water, natuurlijk of kunstmatig mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, noch gearomatiseerd alsmede kunstijs van de GN-code 2201;
   b) water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, al dan niet gearomatiseerd, alsmede andere alcoholvrije dranken van de GN-code 2202, met uitzondering van dranken op basis van melk, van soja of van rijst;
   c) gearomatiseerd water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, van de GN-code 2202;
   d) bieren zoals gedefinieerd in artikel 4 van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken, waarvan het alcohol-volumegehalte niet meer bedraagt dan 0,5 % vol.;
   e) wijn van de GN-codes 2204 en 2205 waarvan het alcoholvolumegehalte niet meer bedraagt dan 1,2 % vol.;
   f) andere gegiste dranken van de GN-codes 2204 en 2205, alsmede die van de GN-code 2206, waarvan het alcohol-volumegehalte niet meer bedraagt dan 1,2 % vol.;
   g) de dranken van de GN-code 2208 waarvan het alcoholvolumegehalte niet meer bedraagt dan 1,2 % vol.;
   h) [2 ongegiste vruchtensappen en ongegiste groentesappen, zonder toegevoegde alcohol, met of zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen van de GN-code 2009, met uitzondering van vers geperste vruchtensappen en groentesappen die geen enkele bewerking hebben ondergaan, die in de detailhandel ter plaatse vervaardigd worden en die onmiddellijk te koop aangeboden worden voor consumptie en die dus niet voor wederverkoop bestemd zijn;]2
   i) elke substantie in om het even welke vorm, die kennelijk bestemd is voor de vervaardiging van de in b) vermelde alcoholvrije dranken, hetzij in kleinhandelsverpakking, hetzij in een verpakking die bestemd is voor de vervaardiging van dergelijke voor gebruik gerede alcoholvrije dranken;
   j) elke substantie in om het even welke vorm, die kennelijk bestemd is voor de vervaardiging van de in c) vermelde alcoholvrije dranken, hetzij in kleinhandelsverpakking, hetzij in een verpakking die bestemd is voor de vervaardiging van dergelijke voor gebruik gerede alcoholvrije dranken.]1
  ----------
  (1)<W 2017-12-25/01, art. 140, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (2)<W 2020-11-30/04, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 21-12-2020>

  Art. 8. Leidingwater dat, zelfs na gasinpersing, wordt verdeeld door waterfonteinen die rechtstreeks aangesloten zijn op het waterleidingnet en dat niet verpakt is voor de verkoop of de levering als drinkwater wordt in het kader van deze wet niet aangemerkt als alcoholvrije drank.

  Art. 9. Onder koffie wordt verstaan :
  a) ongebrande koffie van de GN-code 0901;
  b) gebrande koffie van de GN-code 0901;
  c) extracten, essences en concentraten van koffie, in vaste vorm of vloeibaar alsook de preparaten op basis van extracten, essences en concentraten van koffie en de preparaten op basis van koffie van de GN-code 2101.

  HOOFDSTUK 3. - Verschuldigdheid, tarieven en heffing, vrijstelling en terugbetaling van accijns

  Afdeling 1. - Verschuldigdheid

  Art. 10.§ 1. De accijns wordt verschuldigd op het tijdstip van de uitslag tot verbruik hier te lande. De voorwaarden inzake de verschuldigdheid en het toepasselijke tarief zijn deze van kracht op de datum van de uitslag tot verbruik.
  § 2. Onder "uitslag tot verbruik" wordt verstaan :
  a) het aan een schorsingsregeling onttrekken, daaronder begrepen het onregelmatig onttrekken van accijnsproducten. Wordt met onttrekken gelijkgesteld : het verbruik binnen de accijnsinrichting van daar vervaardigde accijnsproducten;
  b) het voorhanden hebben van accijnsproducten buiten een schorsingsregeling wanneer over dit product geen accijns is geheven overeenkomstig deze wet;
  c) de vervaardiging, met inbegrip van onregelmatige vervaardiging, van accijnsproducten buiten een schorsingsregeling;
  d) de invoer, met inbegrip van onregelmatige invoer, van accijnsproducten, die niet onmiddellijk bij invoer onder een schorsingsregeling worden geplaatst.
  [1 e) het binnenbrengen, met inbegrip van het onregelmatig binnenbrengen van accijnsproducten, behoudens indien de accijnsproducten zich, op het moment van hun binnenbrengen, onder een schorsingsregeling bevinden.]1
  § 3. De algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van onder een schorsingsregeling geplaatste accijnsproducten door een oorzaak die met de aard van de producten verband houdt, dan wel door niet te voorziene omstandigheden of overmacht, wordt niet aangemerkt als uitslag tot verbruik.
  Voor de toepassing van deze wet wordt een product geacht totaal vernietigd of onherstelbaar verloren te zijn wanneer dit als accijnsproduct onbruikbaar is geworden.
  De algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van de accijnsproducten [1 wordt aangetoond aan de ambtenaren van de administratie]1.
  [1 De Koning bepaalt de regels en de voorwaarden van toepassing op het vaststellen van vernietigingen en verliezen bedoeld in deze paragraaf.]1
  § 4. Bij opneming vastgestelde tevelen worden in last genomen in de voorraadboekhouding van de houder van de vergunning "accijnsinrichting".
  ----------
  (1)<W 2013-06-17/06, art. 75, 003; Inwerkingtreding : 08-07-2013>

  Art. 11.§ 1. De tot voldoening van de verschuldigd geworden accijns gehouden persoon is :
  1° met betrekking tot het aan een schorsingsregeling onttrekken als bedoeld in artikel 10, § 2, a) :
  a) de houder van de vergunning "accijnsinrichting";
  b) in geval van een onregelmatigheid tijdens een overbrenging van accijnsproducten onder een schorsingsregeling : de houder van de vergunning "accijnsinrichting" of alle personen die bij de onregelmatige overbrenging betrokken zijn geweest terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat het overbrengen op onregelmatige wijze geschiedde;
  2° met betrekking tot het voorhanden hebben van accijnsproducten als bedoeld in artikel 10, § 2, b) : de persoon die de accijnsproducten voorhanden heeft of enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is;
  3° met betrekking tot de vervaardiging van accijnsproducten als bedoeld in artikel 10, § 2, c) : de persoon die de accijnsproducten vervaardigt of, in geval van onregelmatige vervaardiging, enig ander persoon die bij de vervaardiging ervan betrokken is geweest;
  4° met betrekking tot de invoer van accijnsproducten als bedoeld in artikel 10, § 2, d) : de persoon die de accijnsproducten bij invoer aangeeft of voor wiens rekening de producten bij invoer worden aangegeven of, in geval van onregelmatige invoer, enig ander persoon die bij de invoer betrokken is geweest.
  [1 5° met betrekking tot het binnenbrengen van accijnsproducten als bedoeld in artikel 10, § 2, e) : de persoon die de accijnsproducten bij het binnenbrengen aangeeft of voor wiens rekening de producten bij het binnenbrengen worden aangegeven of, in geval van onregelmatig binnenbrengen, enig ander persoon die bij het binnenbrengen betrokken is geweest.]1
  § 2. Indien er voor eenzelfde accijnsschuld verscheidene schuldenaren zijn, zijn zij hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden.
  [1§ 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "onregelmatigheid tijdens een overbrenging" verstaan, een andere dan in artikel 10, § 3, bedoelde situatie die zich tijdens een overbrenging van accijnsproducten onder een schorsingsregeling voordoet en als gevolg waarvan die overbrenging of een onderdeel van die overbrenging van accijnsproducten niet overeenkomstig artikel 26, § 2, is geëindigd.]1
  ----------
  (1)<W 2013-06-17/06, art. 76, 003; Inwerkingtreding : 08-07-2013>

  Art. 12. De verschuldigde accijns moet worden geïnd door middel van een aangifte ten verbruik waarvan de vorm en de inhoud door de Koning worden bepaald.

  Afdeling 2. - Tarieven en heffing

  Art. 13.[1 § 1. Bij de uitslag tot verbruik hier te lande worden alcoholvrije dranken onderworpen aan een als volgt vastgesteld accijnstarief :
   a) de in artikel 7, a), bedoelde producten : 0 euro per hectoliter;
   b) de in artikel 7, b), bedoelde producten : 11,9233 euro per hectoliter;
   c) de in artikel 7, c), bedoelde producten : 6,8133 euro per hectoliter;
   d) de in artikel 7, d), bedoelde producten : 3,7519 euro per hectoliter;
   e) de in artikel 7, e), bedoelde producten : 3,7519 euro per hectoliter;
   f) de in artikel 7, f), bedoelde producten : 3,7519 euro per hectoliter;
   g) de in artikel 7, g), bedoelde producten : 3,7519 euro per hectoliter;
   h) de in artikel 7, h), bedoelde producten : 0 euro per hectoliter;
   i) de in artikel 7, i), bedoelde substanties :
   - aangeboden onder vloeibare vorm : 71,5405 euro per hectoliter;
   - aangeboden onder poeder- of korrelvorm of onder een andere vaste vorm : 119,2343 euro per 100 kg nettogewicht.
   j) de in artikel 7, j) bedoelde substanties :
   - aangeboden onder vloeibare vorm : 40,8803 euro per hectoliter;
   - aangeboden onder poeder- of korrelvorm of onder een andere vaste vorm : 68,1339 euro per 100 kg nettogewicht.
   § 2. Het volume van de dranken en vloeibare substanties te belasten met de bij paragraaf 1, a) tot en met i), eerste streepje en j), eerste streepje, vastgestelde accijnzen wordt uitgedrukt in hectoliter en in liter, waarbij delen van een liter worden verwaarloosd. Wanneer het te belasten volume kleiner is dan een liter, worden de delen van een deciliter verwaarloosd.
   § 3. Het gewicht van de substanties aangeboden onder poeder- of korrelvorm of onder een andere vaste vorm te belasten met de bij paragraaf 1, i), tweede streepje en 1, j) tweede streepje, vastgestelde accijnzen wordt uitgedrukt in kilogram, waarbij delen van een kilogram worden verwaarloosd. Wanneer het te belasten gewicht kleiner is dan een kilogram, worden de delen van een hectogram verwaarloosd.]1
  ----------
  (1)<W 2017-12-25/01, art. 141, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 14.§ 1. Bij de uitslag tot verbruik hier te lande wordt koffie onderworpen aan een als volgt vastgesteld accijnstarief :
  a) de in artikel 9, a), bedoelde producten : [1 0,2001 euro per kg nettogewicht]1;
  b) de in artikel 9, b), bedoelde producten [1 0,2502 euro per kg nettogewicht]1;
  c) de in artikel 9, c), bedoelde producten : [1 0,7004 euro per kg nettogewicht]1.
  § 2. Het gewicht van de koffie te belasten met de bij paragraaf 1 vastgestelde accijnzen wordt uitgedrukt in kilogram, waarbij delen van een kilogram worden verwaarloosd. Wanneer het te belasten gewicht kleiner is dan een kilogram, worden de delen van een hectogram verwaarloosd.
  ----------
  (1)<W 2015-12-26/04, art. 114, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Afdeling 3. - Vrijstelling

  Art. 15.[1 § 1.]1 Worden vrijgesteld :
  a) de dranken die samengesteld zijn uit vruchten- of groentesappen bestemd voor de voeding van zuigelingen;
  b) de accijnsproducten bestemd om te worden gebruikt voor onderzoek, kwaliteitscontroles en smaaktesten;
  c) water als bedoeld in artikel 7, a), bestemd om gratis te worden verdeeld door officiële organismen naar aanleiding van rampen;
  d) koffie bestemd voor ander industrieel gebruik dan het branden of het vervaardigen van koffie-extracten.
  [1 § 2. De Koning bepaalt de procedureregels inzake het verlenen van deze vrijstellingen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-06-17/06, art. 77, 003; Inwerkingtreding : 08-07-2013>

  Afdeling 4. - [1 Terugbetaling en kwijtschelding van accijns]1
  ----------
  (1)<W 2013-06-17/06, art. 78, 003; Inwerkingtreding : 08-07-2013>

  Art. 16.§ 1. In de gevallen en volgens de nadere regels voorzien door de artikelen 17 tot 19 wordt terugbetaling van accijns toegestaan aan de persoon die de accijns heeft voldaan of aan de personen die hem in zijn rechten en verplichtingen hebben opgevolgd.
  § 2. Het verzoek tot terugbetaling kan worden ingediend hetzij door de in paragraaf 1 bedoelde persoon, hetzij door zijn vertegenwoordiger.
  [1 § 3. De Koning bepaalt de procedure van toepassing op de terugbetalingen ter uitvoering van de artikelen 17 en 18.
   § 4. Er zal op geen enkel verzoek om terugbetaling worden ingegaan wanneer het niet voldoet aan de voorwaarden die door de Koning worden bepaald.]1
  ----------
  (1)<W 2013-06-17/06, art. 79, 003; Inwerkingtreding : 08-07-2013>

  Art. 17. Tot terugbetaling van de geheven accijns wordt overgegaan voor accijnsproducten die :
  a) worden uitgevoerd;
  b) worden verzonden ter bestemming van een andere lidstaat;
  c) worden ongeschikt verklaard voor gebruik door een overheidsinstantie en worden vernietigd onder ambtelijk toezicht.

  Art. 18.Tot terugbetaling [1 of kwijtschelding]1 van accijns wordt overgegaan indien wordt aangetoond dat op het ogenblik van de betaling of boeking, het bedrag :
  a) betrekking heeft op een accijnsproduct waarvoor geen accijns verschuldigd is;
  b) om welke reden ook hoger is dan het bedrag dat wettelijk mocht worden geïnd;
  c) betrekking heeft op een accijnsproduct dat bij vergissing werd uitgeslagen tot verbruik hier te lande.
  ----------
  (1)<W 2013-06-17/06, art. 80, 003; Inwerkingtreding : 08-07-2013>

  Art. 19. Er wordt slechts overgegaan tot terugbetaling in de omstandigheden bedoeld in deze wet voor zover het terug te betalen bedrag 10 euro overschrijdt.
  Er wordt geen terugbetaling toegestaan indien de feiten die aanleiding geven tot betaling of boeking van de niet wettelijk verschuldigde accijns het gevolg zijn van manipulatie door belanghebbende.

  HOOFDSTUK 4. - Vervaardiging, voorhanden hebben en verkeer

  Afdeling 1. - Accijnsinrichting

  Art. 20.[1 Het vervaardigen van de accijnsproducten dient te gebeuren in een plaats die is erkend als accijnsinrichting.
   Het ontvangen en het voorhanden hebben van dergelijke producten waarvoor de accijns niet werd voldaan moeten eveneens in een accijnsinrichting plaatsvinden.
   Het verzenden van dergelijke producten waarvoor de accijns niet werd voldaan moet eveneens geschieden vanuit een accijnsinrichting.
   De opening en de werking van een accijnsinrichting moeten worden vergund door de ambtenaar daartoe aangewezen door de Koning onder de door Hem gestelde nadere regels.
   De Koning bepaalt welke personen zich moeten laten erkennen in de hoedanigheid van houder van een accijnsinrichting, evenals de voorwaarden waaraan zij onderworpen zijn.]1
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/12, art. 80, 006; Inwerkingtreding : 07-01-2016>

  Art. 21.§ 1. De persoon die een vergunning "accijnsinrichting" aanvraagt, is gehouden een aanvraag tot een vergunning in te dienen overeenkomstig artikel 22 en een gedetailleerd plan van de inrichting over te leggen.
  § 2. De houder van een vergunning "accijnsinrichting" moet :
  1° zich borg stellen ten belope van [2 10 pct.]2 van de accijns met betrekking tot de accijnsproducten die hij vervaardigt [2 , voorhanden heeft en/of ontvangt]2 in zijn accijnsinrichting [1 zonder dat het bedrag van deze borg minder mag bedragen dan 500,00 euro]1;
  2° een boekhouding voeren van de voorraden en het verkeer van de accijnsproducten per accijnsinrichting;
  3° vanaf het tijdstip van einde van het verkeer alle accijnsproducten die zich onder de schorsingsregeling bevinden, inslaan in zijn accijnsinrichting en inschrijven in zijn boekhouding;
  4° de accijnsproducten op elk verzoek van de ambtenaren van de administratie van douane en accijnzen vertonen;
  5° controle of inventarisatie toelaten.
  § 3. De Koning kan, in de omstandigheden en onder de door Hem te bepalen voorwaarden, het bedrag van de borg bedoeld in paragraaf 2, 1°, verhogen tot 100 percent van het bedrag van de accijns met betrekking tot de producten die worden vervaardigd of voorhanden gehouden in de accijnsinrichting.
  § 4. De aanvragen tot een vergunning voor een accijnsinrichting moeten worden ingereikt [1 bij de door de Koning aangewezen ambtenaar]1.
  De aanvraag moet schriftelijk gebeuren en moet alle elementen bevatten die met het oog op de toekenning van de vergunning zijn vereist. De aanvragen alsook de vergunningen worden opgesteld in de vorm en volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning.
  ----------
  (1)<W 2013-06-17/06, art. 81, 003; Inwerkingtreding : 08-07-2013>
  (2)<W 2019-04-28/01, art. 29, 010; Inwerkingtreding : 16-05-2019>

  Afdeling 2. - Vergunning "accijnsinrichting"

  Art. 22. § 1. De in artikel 21, paragraaf 4, bedoelde vergunningen worden slechts verleend aan hier te lande gevestigde personen.
  § 2. De in artikel 21, § 4, bedoelde vergunningen worden geweigerd aan personen die krachtens de douanewetgeving, de fiscale wetgeving of sociale wetgeving verschuldigde bedragen niet hebben betaald of die een ernstige inbreuk of herhaalde inbreuk plegen op die wetgevingen of die zijn veroordeeld wegens valsheid en gebruik van valsheid in geschrifte, namaking of vervalsing van zegels en stempels, omkoping van ambtenaren of knevelarij, diefstal, heling, oplichting, misbruik van vertrouwen of eenvoudige of bedrieglijke bankbreuk.
  § 3. Het verlenen of het weigeren van een vergunning wordt schriftelijk betekend.

  Art. 23. § 1. Een vergunning wordt ingetrokken indien zij werd afgeleverd op basis van verkeerde of onvolledige gegevens en dat :
  - de verzoeker van de onjuistheid of de onvolledigheid van die gegevens kennis droeg of redelijkerwijze kennis had moeten dragen, en
  - de vergunning op grond van de juiste en volledige gegevens niet had kunnen worden afgeleverd.
  § 2. De intrekking van de vergunning wordt aan de houder ervan betekend.
  § 3. De intrekking geldt met ingang van de datum van inwerkingtreding van de betrokken vergunning.

  Art. 24. § 1. Een vergunning wordt ingetrokken of gewijzigd indien, in andere dan de in artikel 23 bedoelde gevallen, aan één of meerdere voor de toekenning vereiste voorwaarden niet of niet meer is voldaan.
  § 2. De vergunning kan worden ingetrokken indien de houder niet voldoet aan een verplichting die, in voorkomend geval, krachtens de vergunning op hem rust.
  § 3. De vergunning wordt ingetrokken in het geval bedoeld in artikel 22, paragraaf 2.
  § 4. De intrekking of de wijziging van de vergunning wordt aan de houder ervan betekend.
  § 5. De intrekking of de wijziging heeft uitwerking vanaf de datum van betekening ervan.

  Afdeling 3. - Verkeer

  Art. 25.[1 § 1.]1 De accijnsproducten kunnen onder de schorsingsregeling worden overgebracht :
  a) van een accijnsinrichting :
  - naar een andere accijnsinrichting;
  - ter bestemming van een andere lidstaat;
  - ter bestemming van een douanekantoor van uitvoer;
  b) van een invoerkantoor hier te lande :
  - naar een accijnsinrichting;
  - ter bestemming van een andere lidstaat;
  c) bij het binnenbrengen :
  - naar een accijnsinrichting;
  - ter bestemming van een andere lidstaat via het Belgisch grondgebied;
  - ter bestemming van een douanekantoor van uitvoer gevestigd hier te lande.
  [1 § 2. In afwijking van [2 § 1, b, eerste streepje, en c, eerste streepje,]2 kunnen accijnsproducten [2 bij het invoeren of bij het binnenbrengen]2 onder de schorsingsregeling worden overgebracht naar een plaats van rechtstreekse aflevering hier te lande, onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden, wanneer die plaats is aangewezen door de houder van de accijnsinrichting.
   Deze houder van de accijnsinrichting blijft in dergelijk geval verantwoordelijk voor de opgelegde formaliteiten ter zake.]1
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/12, art. 81, 006; Inwerkingtreding : 07-01-2016>
  (2)<W 2019-04-28/01, art. 30, 010; Inwerkingtreding : 16-05-2019>

  Art. 26. § 1. Het verkeer van accijnsproducten onder een schorsingsregeling vangt aan :
  - in de gevallen bedoeld in artikel 25, a) : wanneer de accijnsproducten de accijnsinrichting verlaten;
  - in de gevallen bedoeld in artikel 25, b) : wanneer zij overeenkomstig artikel 79 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek in het vrije verkeer worden gebracht;
  - in de gevallen bedoeld in artikel 25, c) : wanneer zij hier te lande worden binnengebracht.
  § 2. Het verkeer van accijnsproducten onder een schorsingsregeling eindigt :
  - in de gevallen bedoeld in artikel 25, a), eerste streepje : wanneer de houder van de vergunning "accijnsinrichting" de producten in ontvangst neemt;
  - in de gevallen bedoeld in artikel 25, a), tweede streepje : wanneer de accijnsproducten het land verlaten;
  - in de gevallen bedoeld in artikel 25, a), derde streepje : wanneer de accijnsproducten worden geplaatst onder een douaneregeling voor uitvoer;
  - in de gevallen bedoeld in artikel 25, b), eerste streepje : wanneer de houder van de vergunning "accijnsinrichting" de producten in ontvangst neemt;
  - in de gevallen bedoeld in artikel 25, b), tweede streepje : wanneer de accijnsproducten het land verlaten;
  - in de gevallen bedoeld in artikel 25, c), eerste streepje : wanneer de houder van de vergunning "accijnsinrichting" de producten in ontvangst neemt;
  - in de gevallen bedoeld in artikel 25, c), tweede streepje : wanneer de accijnsproducten het land verlaten;
  - in de gevallen bedoeld in artikel 25, c), derde streepje : wanneer de accijnsproducten worden geplaatst onder een douaneregeling voor uitvoer.

  Art. 27.[1 § 1.]1 Het verzenden van accijnsproducten onder de schorsingsregeling moet geschieden onder dekking van een handelsdocument waarmee de accijnsproducten kunnen worden geïdentificeerd.
  [1 § 2. De Koning kan aanduiden welke vermeldingen er op moeten voorkomen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-06-17/06, art. 82, 003; Inwerkingtreding : 08-07-2013>

  HOOFDSTUK 5. - Verkrijging door een particulier
  in een andere lidstaat

  Art. 28. § 1. Op door particulieren voor eigen behoeften verkregen en door hen zelf vervoerde accijnsproducten is geen accijns verschuldigd op voorwaarde dat zij werden verkregen volgens de regels voor de binnenlandse markt van de lidstaat van verkrijging.
  § 2. Om vast te stellen of de in paragraaf 1 bedoelde accijnsproducten voor eigen behoeften van particulieren bestemd zijn, wordt ondermeer rekening gehouden met de volgende elementen :
  a) de commerciële status en de beweegredenen van degene die de accijnsproducten voorhanden heeft;
  b) de plaats waar de accijnsproducten zich bevinden of, in voorkomend geval, de gebruikte wijze van vervoer;
  c) elk document betreffende de accijnsproducten;
  d) de aard van de accijnsproducten;
  e) de hoeveelheid accijnsproducten.

  HOOFDSTUK 5/1. [1 Wederzijdse bijstand]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-08-17/31, art. 18, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 28/1. [1 § 1. Dit artikel legt de voorschriften en procedures vast voor de samenwerking tussen België en de andere lidstaten van de Europese Unie met het oog op de uitwisseling van inlichtingen die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van de nationale wetgeving van alle lidstaten met betrekking tot het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie.
   Dit artikel legt tevens de bepalingen vast voor de elektronische uitwisseling van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen.
   Dit artikel laat de toepassing van de regels inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken onverlet. Zij laat eveneens onverlet de verplichtingen van de lidstaten inzake ruimere administratieve samenwerking, welke voortvloeien uit andere rechtsinstrumenten, waaronder bilaterale en multilaterale overeenkomsten.
   § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
   1° "richtlijn " : de richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG;
   2° "lidstaat" : een lidstaat van de Europese Unie;
   3° "centraal verbindingsbureau" : het bureau dat als zodanig is aangewezen door de bevoegde autoriteit en belast is met de primaire zorg voor de contacten met de andere lidstaten op het gebied van de administratieve samenwerking;
   4° "verbindingsdienst" : elk ander bureau dan het centraal verbindingsbureau dat als zodanig is aangewezen door de bevoegde autoriteit om op grond van dit artikel rechtstreeks inlichtingen uit te wisselen;
   5° "bevoegde ambtenaar" : elke ambtenaar die op grond van dit artikel gemachtigd is door de bevoegde autoriteit om rechtstreeks inlichtingen uit te wisselen;
   6° "Belgische bevoegde autoriteit" : de door België als zodanig aangewezen autoriteit. Het Belgisch centraal verbindingsbureau, de Belgische verbindingsdiensten en de Belgische bevoegde ambtenaren worden eveneens als Belgische bevoegde autoriteit bij delegatie beschouwd;
   7° "buitenlandse bevoegde autoriteit" : de door een lidstaat andere dan België, als zodanig aangewezen autoriteit. Het centraal verbindingsbureau, de verbindingsdiensten en de bevoegde ambtenaren van deze lidstaat worden eveneens als buitenlandse bevoegde autoriteit bij delegatie beschouwd;
   8° "verzoekende autoriteit" : het centraal verbindingsbureau, een verbindingsdienst, of elke bevoegde ambtenaar van een lidstaat die namens de Belgische of een buitenlandse bevoegde autoriteit om bijstand verzoekt;
   9° "aangezochte autoriteit" : het centraal verbindingsbureau, een verbindingsdienst of elke bevoegde ambtenaar van een lidstaat die namens de Belgische of een buitenlandse bevoegde autoriteit om bijstand wordt verzocht;
   10° "administratief onderzoek" : alle door de lidstaten bij het vervullen van hun taken verrichte controles, onderzoeken en acties ter waarborging van de juiste toepassing van de belastingwetgeving;
   11° "automatische uitwisseling" : de systematische verstrekking van vooraf bepaalde inlichtingen aan een andere lidstaat, zonder voorafgaand verzoek, met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen;
   12° "spontane uitwisseling" : het niet-systematisch, te eniger tijd en ongevraagd verstrekken van inlichtingen aan een andere lidstaat;
   13° "persoon" :
   a. een natuurlijk persoon;
   b. een rechtspersoon;
   c. indien de geldende wetgeving in die mogelijkheid voorziet, een vereniging van personen die bevoegd is rechtshandelingen te verrichten, maar niet de status van rechtspersoon bezit; of
   d. een andere juridische constructie, ongeacht de aard of de vorm, met of zonder rechtspersoonlijkheid, die activa, met inbegrip van de daardoor gegenereerde inkomsten, bezit of beheert welke aan belastingen in de zin van de richtlijn zijn onderworpen;
   14° "langs elektronische weg" : door middel van elektronische apparatuur voor gegevensverwerking - met inbegrip van digitale compressie - en gegevensopslag, met gebruikmaking van kabels, radio, optische technologie of andere elektromagnetische middelen;
   15° "CCN-netwerk" : het op het gemeenschappelijke communicatienetwerk gebaseerde gemeenschappelijke platform dat de Europese Unie heeft ontwikkeld voor het elektronische berichtenverkeer tussen autoriteiten die bevoegd zijn op het gebied van douane en belastingen.
   § 3. De Belgische bevoegde autoriteit wisselt met de buitenlandse bevoegde autoriteiten inlichtingen uit.
   § 4. Met betrekking tot een specifiek geval kan de Belgische bevoegde autoriteit een buitenlandse bevoegde autoriteit verzoeken alle in de eerste § vermelde inlichtingen die deze in haar bezit heeft of naar aanleiding van een administratief onderzoek verkregen heeft, te verstrekken. Het verzoek kan een met redenen omkleed verzoek om een bepaald administratief onderzoek in te stellen, omvatten.
   De Belgische bevoegde autoriteit kan de aangezochte autoriteit verzoeken haar de originele stukken over te maken.
   § 5. De Belgische bevoegde autoriteit verstrekt op verzoek van een buitenlandse bevoegde autoriteit met betrekking tot een specifiek geval alle in de eerste § vermelde inlichtingen die ze in haar bezit heeft of naar aanleiding van een administratief onderzoek verkregen heeft, dat werd ingesteld om die inlichtingen te verkrijgen.
   In voorkomend geval deelt de Belgische bevoegde autoriteit de verzoekende autoriteit mee op welke gronden zij een administratief onderzoek niet noodzakelijk acht.
   Voor het verkrijgen van de gevraagde inlichtingen of het verrichten van het gevraagde administratief onderzoek gaat de Belgische bevoegde autoriteit te werk volgens dezelfde procedures als handelde zij uit eigen beweging of op verzoek van een andere Belgische instantie.
   Op specifiek verzoek van de verzoekende autoriteit verstrekt de Belgische bevoegde autoriteit de originele stukken, tenzij de Belgische voorschriften zich hiertegen verzetten.
   De inlichtingen worden door de Belgische bevoegde autoriteit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na de datum van ontvangst van het verzoek verstrekt. Indien de Belgische bevoegde autoriteit evenwel de inlichtingen al in haar bezit heeft, verstrekt zij deze binnen twee maanden. In bijzondere gevallen kunnen de Belgische bevoegde autoriteit en de verzoekende autoriteit een andere termijn overeenkomen.
   De ontvangst van het verzoek wordt door de Belgische bevoegde autoriteit aan de verzoekende autoriteit onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk zeven werkdagen na ontvangst, indien mogelijk langs elektronische weg, bevestigd.
   De Belgische bevoegde autoriteit laat in voorkomend geval, uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek, aan de verzoekende autoriteit weten welke tekortkomingen het verzoek vertoont en preciseert welke aanvullende achtergrondinformatie zij verlangt. In dit geval gaan de in het vijfde lid gestelde termijnen in op de datum waarop de Belgische bevoegde autoriteit de aanvullende informatie ontvangt.
   Indien de Belgische bevoegde autoriteit niet binnen de gestelde termijn aan het verzoek kan voldoen, deelt zij de redenen hiervoor onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk drie maanden na ontvangst van het verzoek, aan de verzoekende autoriteit mee, met vermelding van de datum waarop zij meent aan het verzoek te kunnen voldoen.
   Indien de Belgische bevoegde autoriteit niet over de gevraagde inlichtingen beschikt en niet aan het verzoek om inlichtingen kan voldoen of het verzoek om de in § 20 genoemde redenen afwijst, deelt zij de redenen hiervoor onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek, aan de verzoekende autoriteit mee.
   § 6. Met betrekking tot belastbare tijdperken vanaf 1 januari 2014 verstrekt de Belgische bevoegde autoriteit alle buitenlandse bevoegde autoriteiten automatisch de inlichtingen waarover zij ten aanzien van de ingezetenen van die andere lidstaat beschikt inzake de volgende specifieke inkomsten- en vermogenscategorieën, op te vatten in de zin van de Belgische wetgeving :
   1° bezoldigingen van werknemers;
   2° bezoldigingen van bedrijfsleiders;
   3° levensverzekeringsproducten die niet vallen onder andere communautaire rechtsinstrumenten inzake de uitwisseling van inlichtingen noch onder soortgelijke voorschriften;
   4° pensioenen;
   5° eigendom en inkomen van onroerende goederen.
   De inlichtingen worden ten minste eenmaal per jaar verstrekt, binnen zes maanden na het verstrijken van het kalenderjaar in de loop waarvan de inlichtingen beschikbaar zijn geworden.
   "Beschikbare inlichtingen" betekent inlichtingen die zich in de belastingdossiers van de inlichtingenverstrekkende lidstaat bevinden en die opvraagbaar zijn overeenkomstig de procedures voor het verzamelen en verwerken van inlichtingen in die lidstaat.
   § 7. De Belgische bevoegde autoriteit verstrekt spontaan, in elk van de volgende gevallen, de in de eerste § bedoelde inlichtingen aan de buitenlandse bevoegde autoriteit :
   1° de Belgische bevoegde autoriteit heeft redenen om aan te nemen dat in de andere lidstaat een derving van belasting kan bestaan;
   2° een belastingplichtige verkrijgt in België een vrijstelling of vermindering van belasting die voor hem een belastingplicht of een hogere belasting in de andere lidstaat zou moeten meebrengen;
   3° transacties tussen een belastingplichtige in België en een belastingplichtige in een andere lidstaat worden over één of meer andere landen geleid, op zodanige wijze dat daardoor in één van beide of in beide lidstaten een belastingbesparing kan ontstaan;
   4° de Belgische bevoegde autoriteit heeft redenen om aan te nemen dat er belastingbesparing kan ontstaan door een kunstmatige verschuiving van winsten binnen een groep van ondernemingen;
   5° de aan de Belgische bevoegde autoriteit verstrekte inlichtingen door een buitenlandse bevoegde autoriteit, hebben informatie opgeleverd die voor de vaststelling van de belastingschuld in die andere lidstaat toereikend, ter zake dienend en niet overmatig is.
   De Belgische bevoegde autoriteit kan een buitenlandse bevoegde autoriteit spontaan alle inlichtingen meedelen waarvan zij kennis heeft en die voor deze buitenlandse bevoegde autoriteit toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn.
   De in het eerste lid bedoelde inlichtingen worden door de Belgische bevoegde autoriteit zo snel mogelijk, en uiterlijk binnen een maand nadat deze beschikbaar worden, aan de buitenlandse bevoegde autoriteit van elke betrokken lidstaat verstrekt.
   § 8. De ontvangst van de in § 7 bedoelde inlichtingen wordt door de Belgische bevoegde autoriteit onmiddellijk en in elk geval binnen zeven werkdagen na ontvangst, indien mogelijk langs elektronische weg, aan de verstrekkende buitenlandse bevoegde autoriteit bevestigd.
   § 9. De Belgische bevoegde autoriteit kan met een buitenlandse bevoegde autoriteit overeenkomen dat, ter uitwisseling van de in de eerste § bedoelde inlichtingen, de door de Belgische bevoegde autoriteit gemachtigde ambtenaren onder de door de buitenlandse bevoegde autoriteit vastgestelde voorwaarden :
   1° aanwezig kunnen zijn in de kantoren waar de administratieve overheden van de aangezochte lidstaat hun taken vervullen;
   2° aanwezig kunnen zijn bij administratieve onderzoeken op het grondgebied van de aangezochte lidstaat.
   § 10. De Belgische bevoegde autoriteit kan met een buitenlandse bevoegde autoriteit overeenkomen dat, ter uitwisseling van de in de eerste § bedoelde inlichtingen, de door de buitenlandse bevoegde autoriteit gemachtigde ambtenaren onder de door de Belgische bevoegde autoriteit vastgestelde voorwaarden :
   1° aanwezig kunnen zijn in België in de kantoren waar de Federale Overheidsdienst Financiën haar taken vervult;
   2° aanwezig kunnen zijn bij administratieve onderzoeken op het Belgische grondgebied.
   Indien de verlangde inlichtingen vermeld staan in bescheiden waartoe de ambtenaren van de Belgische bevoegde autoriteit toegang hebben, ontvangen de ambtenaren van de verzoekende autoriteit een afschrift van die bescheiden.
   Op grond van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst, mogen de bij een administratief onderzoek aanwezige ambtenaren van de verzoekende autoriteit in België geen personen ondervragen en geen bescheiden onderzoeken.
   De door de verzoekende lidstaat gemachtigde ambtenaren die overeenkomstig het eerste lid in België aanwezig zijn, moeten te allen tijde een schriftelijke opdracht kunnen overleggen waaruit hun identiteit en hun officiële hoedanigheid blijken.
   § 11. In de gevallen waarin België met één of meer lidstaten overeenkomt om gelijktijdig, elk op het eigen grondgebied, bij een of meer personen te wier aanzien zij een gezamenlijk of complementair belang hebben, controles te verrichten en de aldus verkregen inlichtingen uit te wisselen, is deze § van toepassing.
   De Belgische bevoegde autoriteit bepaalt autonoom welke personen zij voor een gelijktijdige controle wil voorstellen. Zij deelt de buitenlandse bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaten met opgave van redenen mee welke dossiers zij voor een gelijktijdige controle voorstelt. Zij bepaalt binnen welke termijn de controle moet plaatsvinden.
   Wanneer aan de Belgische bevoegde autoriteit een gelijktijdige controle wordt voorgesteld, beslist zij of ze aan de gelijktijdige controle wenst deel te nemen. Zij doet de buitenlandse bevoegde autoriteit die de controle voorstelt een bevestiging van deelname of een gemotiveerde weigering toekomen.
   De Belgische bevoegde autoriteit wijst een vertegenwoordiger aan die wordt belast met de leiding en de coördinatie van de controle.
   § 12. De Belgische bevoegde autoriteit kan een verzoek aan een buitenlandse bevoegde autoriteit richten tot kennisgeving aan de geadresseerde, overeenkomstig de in de aangezochte lidstaat geldende voorschriften voor de kennisgeving van soortgelijke akten, van alle door de Belgische administratieve overheden afgegeven akten en besluiten die betrekking hebben op de toepassing in België van wetgeving betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie.
   Het verzoek tot kennisgeving vermeldt de naam en het adres van de geadresseerde, evenals alle overige informatie ter identificatie van de geadresseerde, en het onderwerp van de akte of het besluit waarvan de geadresseerde kennis moet worden gegeven.
   Het verzoek tot kennisgeving wordt door de Belgische bevoegde autoriteit slechts gedaan indien de kennisgeving van de akten niet volgens de Belgische regels kan geschieden, of buitensporige problemen zou veroorzaken. De Belgische bevoegde autoriteit kan een document, per aangetekende brief of langs elektronische weg, rechtstreeks ter kennis brengen aan een persoon op het grondgebied van een andere lidstaat.
   § 13. Op verzoek van een buitenlandse bevoegde autoriteit gaat de Belgische bevoegde autoriteit, overeenkomstig de Belgische voorschriften voor de kennisgeving van soortgelijke akten, over tot kennisgeving aan de geadresseerde van alle door de administratieve overheden van de verzoekende lidstaat afgegeven akten en besluiten die betrekking hebben op de toepassing op haar grondgebied van wetgeving betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie.
   De Belgische bevoegde autoriteit stelt de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van het aan het verzoek gegeven gevolg en, in het bijzonder, van de datum waarop de akte of het besluit aan de geadresseerde ter kennis is gebracht.
   § 14. Indien een buitenlandse bevoegde autoriteit inlichtingen overeenkomstig §§ 4 of 8 heeft verstrekt en terugmelding betreffende de ontvangen inlichtingen verzoekt, doet de ontvangende Belgische bevoegde autoriteit, zonder afbreuk te doen aan de Belgische voorschriften inzake beroepsgeheim en gegevensbescherming, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden nadat het resultaat van het gebruik van de verlangde inlichtingen bekend is, een terugmelding aan de buitenlandse bevoegde autoriteit die de inlichtingen heeft verzonden.
   De Belgische bevoegde autoriteit doet eenmaal per jaar, overeenkomstig bilateraal overeengekomen praktische afspraken, een terugmelding over de automatische inlichtingenuitwisseling naar de betrokken lidstaten.
   § 15. De Belgische bevoegde autoriteit die overeenkomstig §§ 5 of 7 inlichtingen heeft verstrekt, kan de ontvangende buitenlandse bevoegde autoriteit om terugmelding betreffende de ontvangen inlichtingen verzoeken.
   § 16. De Belgische verbindingsdienst of de Belgische bevoegde ambtenaar die een verzoek om samenwerking ontvangt dat een optreden vereist buiten de hem krachtens de Belgische wetgeving of het Belgische beleid verleende bevoegdheid, geeft het verzoek onmiddellijk door aan het Belgisch centraal verbindingsbureau en stelt de verzoekende buitenlandse bevoegde autoriteit hiervan in kennis. In dat geval gaat de in § 5 vermelde termijn in op de dag nadat het verzoek aan het Belgisch centraal verbindingsbureau is doorgezonden.
   § 17. De inlichtingen waarover de Belgische Staat uit hoofde van dit artikel beschikt, vallen onder de geheimhoudingsplicht van artikel 320 van de algemene wet inzake douane en accijnzen en de bescherming van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten.
   Deze inlichtingen kunnen worden gebruikt :
   1° voor de administratie en de handhaving van de Belgische wetgeving met betrekking tot de in artikel 2 van de richtlijn bedoelde belastingen;
   2° voor de vaststelling en invordering van andere belastingen en rechten vallend onder artikel 3 van de wet van 9 januari 2012 houdende omzetting van richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde belastingen, rechten en andere maatregelen, en voor de vaststelling en invordering van verplichte socialezekerheidsbijdragen;
   3° in mogelijk tot bestraffing leidende gerechtelijke en administratieve procedures wegens overtreding van de belastingwetgeving, onverminderd de algemene regels en de bepalingen betreffende de rechten van de verdachten en getuigen in dergelijke procedures.
   Mits toestemming van de buitenlandse bevoegde autoriteit die de inlichtingen overeenkomstig de richtlijn heeft verstrekt en voor zover het in België wettelijk is toegestaan, kunnen de inlichtingen en bescheiden ontvangen van deze autoriteit voor andere dan de in het tweede lid bedoelde doeleinden worden gebruikt.
   Wanneer de Belgische bevoegde autoriteit van oordeel is dat de van een buitenlandse bevoegde autoriteit verkregen inlichtingen de buitenlandse bevoegde autoriteit van een derde lidstaat van nut kunnen zijn voor de in het tweede lid beoogde doelen, stelt zij de bevoegde autoriteit van de inlichtingenverstrekkende lidstaat in kennis van haar voornemen om die inlichtingen met een derde lidstaat te delen. Indien de bevoegde autoriteit van de inlichtingenverstrekkende lidstaat zich niet binnen tien werkdagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving verzet heeft tegen die inlichtingenuitwisseling, geeft de Belgische bevoegde autoriteit de inlichtingen door aan de buitenlandse bevoegde autoriteit van de derde lidstaat, op voorwaarde dat dit in overeenstemming is met de in dit artikel vastgelegde voorschriften en procedures.
   Indien de Belgische bevoegde autoriteit van oordeel is dat de door een buitenlandse bevoegde autoriteit doorgegeven inlichtingen gebruikt kunnen worden overeenkomstig de in het derde lid beoogde doelen, vraagt zij hiervoor toestemming aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de inlichtingen afkomstig zijn.
   Inlichtingen, verslagen, verklaringen en andere bescheiden, alsook voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan, die door de aangezochte autoriteit zijn verkregen en overeenkomstig dit artikel aan de verzoekende Belgische bevoegde autoriteit zijn doorgegeven, worden door de Belgische bevoegde instanties op dezelfde voet als bewijs aangevoerd als soortgelijke inlichtingen, verslagen, verklaringen en andere bescheiden die door een andere Belgische instantie zijn verstrekt.
   § 18. De Belgische bevoegde autoriteit kan het gebruik toestaan van de overeenkomstig dit artikel verstrekte inlichtingen en bescheiden in de lidstaat die ze ontvangt, voor andere dan in § 17, tweede lid, bedoelde doeleinden. De Belgische bevoegde autoriteit verleent toestemming indien de inlichtingen in België voor soortgelijke doeleinden kunnen worden gebruikt.
   Indien een buitenlandse bevoegde autoriteit haar voornemen bekend maakt om de van de Belgische bevoegde autoriteit verkregen inlichtingen door te geven aan de buitenlandse bevoegde autoriteit van een derde lidstaat omdat ze voor die lidstaat van nut kunnen zijn voor de in § 17, tweede lid beoogde doelen, kan de Belgische bevoegde autoriteit toestemming verlenen aan die buitenlandse bevoegde autoriteit om deze inlichtingen te delen met de derde lidstaat. Indien de Belgische bevoegde autoriteit geen toestemming wenst te geven, tekent zij verzet aan binnen tien werkdagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving van de lidstaat die de inlichtingen wenst te delen.
   De Belgische bevoegde autoriteit kan het gebruik overeenkomstig de in § 17, derde lid beoogde doelen van de inlichtingen afkomstig uit België die door een buitenlandse bevoegde autoriteit aan een buitenlandse bevoegde autoriteit van een derde lidstaat werden doorgegeven, in die derde lidstaat toestaan.
   § 19. Alvorens om de in § 4 bedoelde inlichtingen te verzoeken, tracht de Belgische bevoegde autoriteit eerst de inlichtingen te verkrijgen uit alle gebruikelijke bronnen die zij in de gegeven omstandigheden kan aanspreken zonder dat het beoogde resultaat in het gedrang dreigt te komen.
   De in § 5 bedoelde inlichtingen worden door de Belgische bevoegde autoriteit aan een buitenlandse bevoegde autoriteit verstrekt, op voorwaarde dat de buitenlandse bevoegde autoriteit eerst de inlichtingen tracht te verkrijgen uit alle gebruikelijke bronnen die zij in de gegeven omstandigheden kon aanspreken zonder dat het beoogde resultaat in het gedrang dreigt te komen.
   § 20. Het is de Belgische bevoegde autoriteit niet toegelaten onderzoek in te stellen of inlichtingen te verstrekken wanneer de Belgische wetgeving haar niet toestaat voor eigen doeleinden het onderzoek in te stellen of de gevraagde inlichtingen te verzamelen.
   De Belgische bevoegde autoriteit kan weigeren inlichtingen te verstrekken indien :
   1° de verzoekende lidstaat, op juridische gronden, soortgelijke inlichtingen niet kan verstrekken;
   2° dit zou leiden tot de openbaarmaking van een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze, of indien het inlichtingen betreft waarvan de onthulling in strijd zou zijn met de openbare orde.
   De Belgische bevoegde autoriteit deelt de verzoekende autoriteit mee op welke gronden zij het verzoek om inlichtingen afwijst.
   § 21. De Belgische bevoegde autoriteit wendt de middelen aan waarover zij beschikt om de gevraagde inlichtingen te verzamelen, zelfs indien zij de inlichtingen niet voor eigen belastingdoeleinden nodig heeft. Deze verplichting geldt onverminderd § 20, eerste en tweede lid, die, wanneer er een beroep op wordt gedaan, in geen geval zo kunnen worden uitgelegd dat België kan weigeren inlichtingen te verstrekken uitsluitend omdat België geen binnenlands belang bij deze inlichtingen heeft.
   In geen geval wordt § 20, eerste lid en tweede lid, 2° zo uitgelegd dat de Belgische bevoegde autoriteit kan weigeren inlichtingen te verstrekken, uitsluitend op grond dat deze berusten bij een bank, een andere financiële instelling, een gevolmachtigde of een persoon die als vertegenwoordiger of trustee optreedt, of dat zij betrekking hebben op eigendomsbelangen in een persoon.
   Onverminderd het tweede lid kan de Belgische bevoegde autoriteit weigeren de gevraagde inlichtingen toe te zenden indien deze betrekking hebben op belastbare tijdperken vóór 1 januari 2011 en de toezending van de inlichtingen geweigerd had kunnen worden op grond van artikel 8, punt 1, van de richtlijn 77/799/EG indien daarom was verzocht vóór 11 maart 2011.
   § 22. Indien de Belgische overheid voorziet in een samenwerking met een derde land welke verder reikt dan de bij de richtlijn geregelde samenwerking, kan de Belgische overheid de verderreikende samenwerking niet weigeren aan een andere lidstaat die met haar deze verderreikende, wederzijdse samenwerking wenst aan te gaan.
   § 23. Het verzoek om inlichtingen of om een administratief onderzoek in te stellen op grond van § 4 en het antwoord op grond van § 5, de ontvangstbevestiging, het verzoek om aanvullende achtergrondinformatie en de mededeling dat aan het verzoek niet kan of zal worden voldaan, zoals bepaald in § 5, worden voor zover mogelijk verzonden met gebruikmaking van het door de Commissie vastgestelde standaardformulier. Het standaardformulier kan vergezeld gaan van verslagen, verklaringen en andere bescheiden, of van voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan.
   Het in het eerste lid bedoelde standaardformulier bevat tenminste de volgende door de verzoekende autoriteit te verstrekken informatie :
   a) de identiteit van de persoon naar wie het onderzoek of de controle is ingesteld;
   b) het fiscale doel waarvoor de informatie wordt opgevraagd.
   De Belgische bevoegde autoriteit kan namen en adressen van personen die worden verondersteld in het bezit te zijn van de verlangde informatie, alsook andere elementen die het verzamelen van de informatie door de aangezochte autoriteit vereenvoudigen, doorgeven, voor zover deze bekend zijn en deze praktijk aansluit bij internationale ontwikkelingen.
   Voor de spontane uitwisseling van inlichtingen en de desbetreffende ontvangstbevestiging, op grond van respectievelijk de §§ 7 en 8, het in de §§ 12 en 13 bedoelde verzoek tot administratieve kennisgeving, en de in de §§ 14 en 15 bedoelde terugmelding, wordt gebruik gemaakt van het door de Commissie vastgestelde standaardformulier.
   Bij de automatische inlichtingenuitwisseling in de zin van § 6 wordt gebruik gemaakt van het door de Commissie vastgestelde geautomatiseerde standaardformaat, dat de automatische uitwisseling van inlichtingen moet vergemakkelijken, en gebaseerd is op het bestaande geautomatiseerde formaat bij toepassing van artikel 9 van richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling, dat bij elke vorm van automatische inlichtingenuitwisseling moet worden gebruikt.
   § 24. De krachtens dit artikel verstrekte inlichtingen worden voor zover mogelijk verzonden langs elektronische weg, via het CCN-netwerk.
   Het verzoek om samenwerking, waaronder het verzoek tot kennisgeving en de bijgevoegde bescheiden kunnen in elke door de aangezochte en de verzoekende autoriteit overeengekomen taal zijn gesteld. Slechts in bijzondere gevallen en mits het verzoek met redenen omkleed is, kan de Belgische bevoegde autoriteit verzoeken het verzoek vergezeld te laten gaan van een vertaling in één van de officiële talen van België.
   § 25. De Belgische bevoegde autoriteit die van een derde land inlichtingen ontvangt welke naar verwachting van belang zijn voor haar administratie en de handhaving van de Belgische wetgeving betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie kan deze inlichtingen verstrekken aan de buitenlandse bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor wie die inlichtingen van nut kunnen zijn, en aan elke buitenlandse bevoegde autoriteit die erom verzoekt, mits dat krachtens een overeenkomst met dat derde land is toegestaan.
   De Belgische bevoegde autoriteit kan, met inachtneming van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en de wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten, de overeenkomstig dit artikel ontvangen inlichtingen doorgeven aan een derde land, op voorwaarde dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan :
   a) de buitenlandse bevoegde autoriteit van de lidstaat waaruit de inlichtingen afkomstig zijn, heeft daarin toegestemd;
   b) het derde land heeft zich ertoe verbonden de medewerking te verlenen die nodig is om bewijsmateriaal bijeen te brengen omtrent het ongeoorloofde of onwettige karakter van verrichtingen die blijken in strijd te zijn met of een misbruik te vormen van de belastingwetgeving.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-08-17/31, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  HOOFDSTUK 6. - Afwijkingen en strafbepalingen

  Art. 29. § 1. De accijnsproducten kunnen buiten een accijnsinrichting worden vervaardigd uit andere accijnsproducten voor zover het bedrag van de accijns op het bekomen accijnsproduct niet meer bedraagt dan het totale bedrag van de accijns dat van tevoren is betaald op elk aangewend accijnsproduct.
  § 2. Het branden van koffie, het vervaardigen van extracten, essences en concentraten van koffie, in vaste vorm of vloeibaar, alsook het vervaardigen van preparaten van koffie of van preparaten van die extracten, essences en concentraten van koffie, kan buiten een accijnsinrichting geschieden voor zover de accijns is betaald op de aangewende ongebrande of gebrande koffie.

  Art. 30.Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijns opeisbaar wordt, wordt gestraft met een boete van vijf- tot tienmaal het bedrag van de verschuldigde accijns, met een minimum van [2 625 euro]2.
  Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van vier maanden tot een jaar wanneer accijnsproducten die worden geleverd of zijn bestemd om te worden geleverd hier te lande, zijn uitgeslagen tot verbruik zonder aangifte of wanneer het vervoer ervan geschiedt onder dekking van valse of vervalste documenten of wanneer de overtreding gebeurt door benden van ten minste drie personen.
  In geval van herhaling worden de geldboete en de gevangenisstraf verdubbeld.
  Benevens vorenvermelde straf worden de [1 accijnsproducten]1 waarop de accijns verschuldigd is, de bij de overtreding gebruikte vervoermiddelen en de voorwerpen die gediend hebben of bestemd waren om de fraude te plegen in beslag genomen en verbeurdverklaard.
  De teruggave van verbeurdverklaarde goederen wordt verleend aan de persoon die eigenaar was van die goederen op het moment van de inbeslagname en die aantoont dat zij vreemd is aan het misdrijf.
  ----------
  (1)<W 2019-04-28/01, art. 31, 010; Inwerkingtreding : 16-05-2019>
  (2)<W 2019-04-28/01, art. 42, 010; Inwerkingtreding : 16-05-2019>

  Art. 31.Elke handeling met het doel bedrieglijk afschrijving, vrijstelling, terugbetaling of schorsing van accijns te bekomen wordt gestraft met een boete van vijf- tot tienmaal het bedrag van de accijns waarvoor gepoogd werd ten onrechte afschrijving, vrijstelling, terugbetaling of schorsing te verkrijgen, met een minimum van [1 625 euro]1.
  ----------
  (1)<W 2019-04-28/01, art. 43, 010; Inwerkingtreding : 16-05-2019>

  Art. 32. Iedere overtreding van deze wet of van de maatregelen getroffen ter uitvoering ervan die niet strafbaar is gesteld door de artikelen 30 en 31 wordt gestraft met een geldboete van minimum 625 euro en maximum 3.125 euro.

  Art. 33.Onverminderd de bij de artikelen 30, 31 en 32 bepaalde straffen is de accijns altijd opeisbaar, met uitzondering van de accijns verschuldigd op de accijnsproducten die, naar aanleiding van de vaststelling van een overtreding op basis van artikel 30, effectief worden in beslag genomen en naderhand worden verbeurdverklaard of, bij wege van transactie, aan de Schatkist worden afgestaan.
  De op de verbeurdverklaarde of afgestane [1 accijnsproducten]1 niet meer opeisbare accijns zal niettemin als basis dienen voor de berekening van de overeenkomstig artikel 30 op te leggen boeten.
  ----------
  (1)<W 2019-04-28/01, art. 32, 010; Inwerkingtreding : 16-05-2019>

  HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen, overgangsbepalingen en opheffingen

  Art. 34. De wet van 13 februari 1995 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en de wet van 13 februari 1995 betreffende het accijnsstelsel van koffie blijven van toepassing met betrekking tot feiten die leiden tot de verschuldigdheid van accijns, die hebben plaatsgevonden vóór 1 april 2010 en met betrekking tot strafbare feiten die hebben plaatsgevonden vóór die datum.

  Art. 35.Op grond van de in de artikelen 36 en 37 bedoelde wetten verleende machtigingen voor belastingentrepot worden met ingang van 1 april 2010, behoudens opzegging, aangemerkt als krachtens deze wet verleende vergunningen voor een accijnsinrichting voor de accijnsproducten.
  De op 1 april 2010, om 0 uur, in het belastingentrepot aanwezige hoeveelheid accijnsproducten wordt aangemerkt als op die datum en op dat uur aanwezig in de accijnsinrichting.
  [1 De door de Koning aangewezen ambtenaar]1 onderzoekt of de plaatsen die ingevolge het eerste lid worden aangemerkt als accijnsinrichting voldoen aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning voor een accijnsinrichting.
  ----------
  (1)<W 2013-06-17/06, art. 83, 003; Inwerkingtreding : 08-07-2013>

  Art. 35/1. [1 De overeenkomstig artikel 21 te stellen zekerheid moet worden gesteld ten gunste van de administratie onder één van de vormen en onder de voorwaarden van hoofdstuk XXVI van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-06-17/06, art. 84, 003; Inwerkingtreding : 08-07-2013>

  Art. 35/2.[1 Verwijzingen naar de wet van 13 februari 1995 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en naar de wet van 13 februari 1995 betreffende het accijnsstelsel van koffie worden geacht verwijzingen naar onderhavige wet te zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-06-17/06, art. 85, 003; Inwerkingtreding : 08-07-2013>

  Art. 35/3. [1 Na de invordering op basis van deze wet van het oorspronkelijk verschuldigde bedrag aan accijnzen wordt slechts tot navordering van eventueel verschuldigde aanvullende accijnzen overgegaan voor zover, in voorkomend geval via cumulatie van diverse verschuldigde bedragen van eenzelfde belastingplichtige, het in te vorderen bedrag 10 euro overschrijdt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-12-18/12, art. 82, 006; Inwerkingtreding : 07-01-2016>
  

  Art. 36. De wet van 13 februari 1995 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken, gewijzigd bij de wetten van 20 juni 2002, 26 juni 2002 en 30 december 2002, bij de programmawetten van 8 april 2003, 5 augustus 2003, 22 december 2003 en 27 december 2004 en bij de wet van 20 juli 2006, alsook het ministerieel besluit van 23 december 1993 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 10 februari 2000 en 3 mei 2001, worden opgeheven.

  Art. 37. De wet van 13 februari 1995 betreffende het accijnsstelsel van koffie, gewijzigd bij de wetten van 20 juni 2002 en 26 juni 2002, alsook het ministerieel besluit van 23 december 1993 betreffende het accijnsstelsel van koffie worden opgeheven.

  Art. 38. Artikel 3 van het ministerieel besluit van 8 juli 1980 betreffende de terugbetaling of de kwijtschelding van de accijnsrechten geïnd bij de invoer wordt opgeheven.

  Art. 39. Deze wet treedt in werking op 1 april 2010.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 21 december 2009.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
D. REYNDERS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
S. DECLERCK

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 30-11-2020 GEPUBL. OP 11-12-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 28-04-2019 GEPUBL. OP 06-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 21; 25; 30; 33)
    (GEWIJZIGDE ART. : 30; 31)
  • originele versie
  • WET VAN 25-12-2017 GEPUBL. OP 29-12-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 13)
  • originele versie
  • WET VAN 27-04-2016 GEPUBL. OP 06-05-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 6)
  • originele versie
  • WET VAN 26-12-2015 GEPUBL. OP 30-12-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 13; 14)
  • originele versie
  • WET VAN 18-12-2015 GEPUBL. OP 28-12-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 20; 25; 35/3)
  • originele versie
  • WET VAN 19-12-2014 GEPUBL. OP 29-12-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 13; 14)
  • originele versie
  • WET VAN 17-08-2013 GEPUBL. OP 05-09-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 28/1)
  • originele versie
  • WET VAN 17-06-2013 GEPUBL. OP 28-06-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 11; 15; 16; 18; 21; 27; 35; 35/1; 35/2)
  • originele versie
  • WET VAN 19-05-2010 GEPUBL. OP 28-05-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 7)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Gewone zitting 2009-2010 : Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp, nr. 2258/1. - Amendementen, nr. 2258/2. - Verslag namens de Commissie, nr. 2258/3. - Tekst aangenomen door de Commissie, nr. 2258/4. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, nr. 2258/5. Integraal Verslag : 15 december 2009. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp geëvoceerd door de Senaat, nr. 4-1557/1. - Verslag namens de Commissie, nr. 4-1557/2. - Beslissing om niet te amenderen, nr. 4-1557/3.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 7 uitvoeringbesluiten 10 gearchiveerde versies
    Franstalige versie