J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 65 uitvoeringbesluiten 20 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2007/02/28/2007007077/justel

Titel
28 FEBRUARI 2007. - [Wet tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht.] <Opschrift vervangen door W 2013-07-31/04, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-04-2007 en tekstbijwerking tot 17-06-2019)

Bron : LANDSVERDEDIGING
Publicatie : 10-04-2007 nummer :   2007007077 bladzijde : 19806       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2007-02-28/35
Inwerkingtreding :
01-01-2009 (ART. 194)     (ART. 195)     (ART. 196 - ART. 206)     (ART. 210 - ART. 212)     (ART. 239)     A239
31-12-2013 (ART. (272))     (ART. 54 - ART. 60(24))     (Art.214)     (Art.215)     (Art.240)     A217     A218     A222     A223     A224     A225     A226     A227     A228     A229     A230     A231     A232     A233     A234     A235     A236     A237     A238     A240     A241     A242


Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1991007421        1973071204        2000007081        2006007097        2000007154        1965041408        1975011405        1994007163        2002007290        2003007119        1969070907        2003007066        2005007191        1994007164        1994007161        1994007162        1976071304        1958030105        1961122708        1955122305        2001007141        2003009406        1923081101        1844072101       

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-3, 3/1
TITEL II. - De werving.
Art. 4-18
TITEL III. - De militaire loopbaan.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Afdeling 1. - [1 De hoedanigheid van kandidaat-militair en van militair]1
Art. 19-21, 21/1, 21/2, 22
Afdeling 2. - Algemene beschrijving van de loopbaan.
Art. 23
Afdeling 3. - De personeelscategorieën en de graden.
Art. 24-37
Afdeling 4. [1 - De Krijgsmachtdelen, de vakrichtingen en de competentiepools.]1
Art. 37/1, 37/2, 37/3, 37/4, 38, 38/1, 38/2, 39-42, 42/1
Afdeling 5. - Het ambt.
Onderafdeling 1. - Algemeenheden.
Art. 43-44
Onderafdeling 2. - De tijdelijke ambtsontheffing.
Art. 45-50
Onderafdeling 3. - De schorsing bij ordemaatregel.
Art. 51
Onderafdeling 4. - Het ontslag op aanvraag.
Art. 52-53
Onderafdeling 5. - De statutaire maatregelen.
Art. 54-60
Afdeling 6. - [1 De anciënniteit en de benoeming]1
Art. 61-64, 64/1, 64/2, 64/3
Afdeling 7. - De bevordering in de graad.
Art. 65
Afdeling 8. - De beoordeling van de militairen.
Onderafdeling I. - De beoordeling van de competenties.
Art. 66-67
Onderafdeling 2. - De beoordeling van de fysieke geschiktheid en van de medische geschiktheid.
Art. 68
Onderafdeling 3. - De [1 geschiktheidscategorieën]1.
Art. 69-72, 72/1, 72/2, 72/3, 72/4, 72/5
Onderafdeling 4. - Het personeelsbeheer.
Art. 73
Afdeling 9. - Bijzondere bepalingen.
Art. 74-77, 77/1, 77/2
Afdeling 10.
Art. 78
HOOFDSTUK II. - De [1 ...]1 militaire loopbaan.
Afdeling 1. - Algemeenheden.
Art. 79, 79/1, 80-81, 81/1, 81/2, 81/3, 81/4, 81/5, 81/6, 82-83, 83/1, 83/2, 84, 84/1, 85-86
Afdeling 2. [1 - De kandidaatsperiode]1
Onderafdeling 1. [1 - Algemeenheden]1
Art. 87
Afdeling 2.
Onderafdeling 1.
Art. 88-95
Onderafdeling 2. - De beoordeling.
Art. 96-97, 97/1, 97/2, 98, 98/1, 99-101, 101/1, 101/2, 101/3, 101/4
Onderafdeling 3. - Bijzondere maatregelen.
Art. 102-104, 104/1, 105-109
Afdeling 3. - De voortgezette vorming [1 ...]1.
Art. 110-113, 113/1, 113/2
Afdeling 4. - [1 De sociale promotie, de overgang en de promotie op diploma]1
Art. 114-119, 119/1, 119/2
Afdeling 5.
Art. 120-124
Afdeling 6.
Art. 125
HOOFDSTUK III.
Afdeling 1.
Art. 126-128
Afdeling 2.
Art. 129-139, 139/1, 139/2, 139/3, 139/4
Afdeling 3.
Art. 140
TITEL IV. - De interne [1 overplaatsing]1.
Art. 141-143
TITEL V. - De externe [1 mobiliteit]1.
Afdeling 1. - Algemeenheden.
Art. 144-149
Afdeling 2. - [1 De beziging door een externe werkgever]1
Art. 150-156, 156/1, 156/2, 156/3, 156/4, 156/5, 156/6, 156/7, 156/8, 156/9, 156/10, 156/11, 156/12, 156/13, 156/14, 156/15
Afdeling 3. - De overplaatsing naar een openbare werkgever.
Art. 157-162, 162/1, 162/2, 162/3, 162/4
Afdeling 4. - De beroepsomschakeling.
Art. 163, 163/1, 164-170, 170/1, 170/2, 170/3
TITEL VI. - De rechten en plichten van de militairen.
Afdeling 1. - Algemeenheden.
Art. 171-178, 178/1, 178/2
Afdeling 2. - De rendementsperiode.
Art. 178/3, 179-183, 183/1, 184, 184/1
TITEL VII. - De periodes en standen waarin de militair zich kan bevinden.
Art. 185-192
TITEL VIII. - De pensioenen.
Art. 193-195
TITEL IX. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen.
Art. 196
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de bij het koninklijk besluit nr. 16020 van 11 augustus 1923 samengeordende wetten op de militaire pensioenen.
Art. 197-206
HOOFDSTUK II/1. [1 - Wijzigingen van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen in het leger]1
Art. 206/1, 206/2, 206/3, 206/4, 206/5, 206/6
HOOFDSTUK III. - [1 Wijzigingen]1 van de wet van 23 december 1955 betreffende de hulpofficieren van de luchtmacht, piloten en navigatoren.
Art. 207, 207/1, 207/2, 207/3, 207/4, 207/5, 207/6, 207/7, 207/8
HOOFDSTUK IV. - Opheffing van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de Krijgsmacht.
Art. 208
HOOFDSTUK V. - Opheffing van de wet van 27 december 1961 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de Krijgsmacht.
Art. 209
HOOFDSTUK V/1. [1 - Wijziging van de dienstplichtwetten gecoördineerd op 30 april 1962]1
Art. 209/1
HOOFDSTUK VI. - Wijziging van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector.
Art. 210
HOOFDSTUK VII. - Wijziging van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector.
Art. 211-212
HOOFDSTUK VIII. - Opheffing van de wet van 12 juli 1973 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de Krijgsmacht.
Art. 213
HOOFDSTUK IX. - Wijziging van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de Krijgsmacht.
Art. 214
HOOFDSTUK X. - Wijziging van de wet van 13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de Krijgsmacht.
Art. 215
HOOFDSTUK XI. - Opheffing van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader.
Art. 216
HOOFDSTUK XI/1. [1 - Opheffing van de wet van 20 mei 1994 betreffende de beziging van militairen buiten de Krijgsmacht]1
Art. 216/1
HOOFDSTUK XII. - [1 Wijziging]1 van de wet van 20 mei 1994 houdende statuut van de militairen korte termijn.
Art. 217
HOOFDSTUK XIII. - Wijziging van de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de Krijgsmacht, de paraatstelling, alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden.
Art. 218-223, 223/1, 224
HOOFDSTUK XIV. - Wijziging van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen.
Art. 225-226, 226/1, 227, 227/1, 228, 228/1, 228/2, 228/3, 228/4, 228/5, 228/6, 228/7
HOOFDSTUK XV. - Wijziging van de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het personeel van Defensie.
Art. 229, 229/1, 229/2
HOOFDSTUK XV/1. [1 - Wijziging van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus]1
Art. 229/3
HOOFDSTUK XVI. - Opheffing van de wet van 16 maart 2000 betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden.
Art. 230
HOOFDSTUK XVII. - Wijziging van de wet van 25 mei 2000 tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking.
Art. 231-235
HOOFDSTUK XVIII. - Wijziging van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht.
Art. 236, 236/1, 236/2, 236/3, 236/4, 236/5, 236/6, 236/7
HOOFDSTUK XIX. - [1 Wijziging]1 van de wet van 11 november 2002 betreffende de hulpofficieren van de Krijgsmacht.
Art. 237, 237/1, 237/2, 237/3, 237/4, 237/5, 237/6
HOOFDSTUK XX. - Wijziging van de wet van 6 februari 2003 betreffende het vrijwillig ontslag vergezeld van een geïndividualiseerd beroepsomschakelingsprogramma ten behoeve van bepaalde militairen en houdende sociale bepalingen.
Art. 238, 238/1
HOOFDSTUK XXI. - Wijziging van de wet van 25 februari 2003 houdende de inrichting van de functie van veiligheidsbeambte met het oog op de uitvoering van taken die betrekking hebben op de politie van hoven en rechtbanken en de overbrenging van gevangenen.
Art. 239
HOOFDSTUK XXII. - [1 Wijziging]1 van de wet van 27 maart 2003 betreffende de werving van de militairen en het statuut van de militaire muzikanten en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het personeel van Landsverdediging.
Art. 240
HOOFDSTUK XXIII. - [1 Wijziging]1 van de wet van 16 juli 2005 houdende de overplaatsing van sommige militairen naar een openbare werkgever.
Art. 241, 241/1
HOOFDSTUK XXIV. - [1 Wijziging]1 van de wet van 5 maart 2006 tot vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende het statuut van de officieren van het medisch technisch korps van de medische dienst.
Art. 242, 242/1, 242/2, 242/3, 242/4, 242/5, 242/6, 242/7, 242/8, 242/9
HOOFDSTUK XXV. [1 - Wijziging van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen]1
Art. 242/10
HOOFDSTUK XXVI. [1 - Wijziging van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel]1
Art. 242/11, 242/12
TITEL X. - Overgangs- en slotbepalingen.
Art. 243-244, 244/1, 245-246, 246/1, 247-271, 271/1, 271/2, 271/3, 271/4, 271/5, 272
BIJLAGEN.
Art. N1-4N1, 4/1N1, 5N1-8N1, 8/1N1, 9N1-10N1, 10/1N1, 11N1-N2

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  Art. 2.[1 Voor de toepassing van deze wet maken deel uit van het actief kader :
   1° de beroepsmilitairen en kandidaat-beroepsmilitairen;
   2° de hulpofficieren en kandidaat-hulpofficieren;
   3° [3 ...]3
   4° de militaire en kandidaat-militaire muzikanten;
   5° de militairen in vrijwillige militaire inzet;
   6° de kandidaat-militairen in vrijwillige militaire inzet die geen soldij meer ontvangen;
  [2 7° de militairen en kandidaat-militairen aangeworven voor een loopbaan van beperkte duur.]2
   Behoudens andersluidende bepaling, bepaalt deze wet het statuut van de beroepsmilitairen en van de kandidaat-beroepsmilitairen.
   Het statuut van de andere militairen en kandidaat-militairen van het actief kader wordt bepaald :
   1° voor de hulpofficieren en kandidaat-hulpofficieren, door de wet van 23 december 1955 betreffende de hulpofficieren van de luchtmacht, piloten en navigatoren, en door de wet van 11 november 2002 betreffende de hulpofficieren van de Krijgsmacht en hun uitvoeringsbesluiten;
   2° [3 ...]3
   3° voor de militaire en kandidaat-militaire muzikanten, door de wet van 27 maart 2003 betreffende de werving van de militairen en het statuut van de militaire muzikanten en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het personeel van Landsverdediging en haar uitvoeringsbesluiten;
   4° voor de militairen en kandidaat-militairen in vrijwillige militaire inzet, door de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel en haar uitvoeringsbesluiten;
  [2 5° voor de militairen en kandidaat-militairen aangeworven voor een loopbaan van beperkte duur, door de wet van 30 augustus 2013 tot instelling van de militaire loopbaan van beperkte duur.]2
   Behoudens andersluidende bepaling, zijn de bepalingen van deze wet niet van toepassing op de leden van de koninklijke familie.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 16, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<W 2013-08-30/50, art. 35, 007; Inwerkingtreding : 31-12-2013>
  (3)<W 2016-11-21/20, art. 39, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 3.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° [1 "de militair" : de kandidaat-militair die zijn kandidaatsperiode met succes heeft beëindigd en die de hoedanigheid verwerft van, naargelang het geval, beroepsofficier, -onderofficier of -vrijwilliger;]1
  2° " Defensie " : het ministerie van Landsverdediging;
  3° [3 "krijgsmachtdeel" : de landmacht, de luchtmacht, de marine en de medische dienst zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot bepaling van de algemene structuur van het ministerie van Landsverdediging en tot vastlegging van de bevoegdheden van bepaalde autoriteiten;]3
  4° [1 "de vacature" : een opengestelde plaats bij de Krijgsmacht, waarvoor een persoon kan worden aangeworven als kandidaat-militair, naargelang het geval in een functie, een vakrichting of een groep van vakrichtingen;]1
  5° " de inschrijving " : de handeling waarbij een persoon, burger of militair [1 aan de bevoegde overheid zijn beslissing om te postuleren meedeelt]1 ;
  6° [1 "de sollicitant" : de persoon, tussen de inschrijving en het ogenblik waarop hij de hoedanigheid van kandidaat-militair verwerft, of in voorkomend geval, waarop er een einde wordt gesteld aan het wervingsproces voor deze inschrijving;]1
  7° [1 "de werving" : het openstellen van de plaatsen en de verrichtingen inzake de inschrijving, de selectie en de inlijving van de sollicitanten;]1
  8° " de wervingssessie " : een wel afgebakend geheel van vacatures gekenmerkt door een zelfde personeelscategorie, [1 soort werving en, in voorkomend geval, taalstelsel]1;
  9° [1 ...]1
  10° [1 ...]1
  11° [1 ...]1
  12° [1 ...]1
  13° [1 "de kandidaat-militair" :
   a) degene, al dan niet militair van het reservekader, die aanvaard werd om een dienstneming aan te gaan om als kandidaat-militair van het actief kader een basisvorming te volgen ten einde als lid van het beroepspersoneel te worden opgenomen in de categorie van de beroepsofficieren van niveau A of B, beroepsonderofficieren van niveau B of C, of beroepsvrijwilligers;
   b) de militairen bedoeld in de artikelen 114 tot 116, die aanvaard werden om een basisvorming te volgen om opgenomen te kunnen worden, naargelang het geval, in een andere personeelscategorie of in een andere hoedanigheid in dezelfde personeelscategorie.]1
  14° " de bachelor " : de academische graad die de studies afsluit in een opleiding van eerste cyclus, van ten minste 180 studiepunten, of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift;
  15° [1 ...]1
  16° " de master " : de academische graad die de studies afsluit in een opleiding van tweede cyclus, van ten minste 60 studiepunten, of een diploma van het universitair onderwijs of van het hoger onderwijs van het lange type, verleend in de Vlaamse, Franse of Duitstalige Gemeenschap, of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift;
  17° " de bijkomende master " : de academische graad die de studies afsluit in een opleiding van tweede cyclus, van ten minste 60 studiepunten, gedaan na een initiële academische vorming van ten minste [1 240 studiepunten]1 en afgesloten met de graad van master, of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift;
  18° " het gelijkwaardig diploma of getuigschrift " : het diploma of getuigschrift dat door of krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn, bilateraal akkoord of internationale overeenkomst als minstens gelijkwaardig wordt erkend;
  19° [1 ...]1
  20° [1 "de stageperiode" : de periode van hoofdzakelijk praktische vorming in de eenheid met een werkelijke duur van minimum drie maanden die ten laatste eindigt op het einde van de basisvorming, tijdens dewelke de kandidaat-militair een gedeelte van de taken, die hem als officier, onderofficier of vrijwilliger zouden worden toegewezen, onder begeleiding uitoefent;]1
  [1 20/1° "het ambt" : een functie bij Defensie, uitgeoefend in de hoedanigheid van officier, onderofficier of vrijwilliger;]1
  21° [1 "de functie" : een geheel van taken en verantwoordelijkheden die een militair dient op te nemen om de toegewezen opdrachten uit te voeren;]1
  22° [1 "de basisfunctie" : de functie die door een militair na het volgen van een basisvorming kan uitgeoefend worden;]1
  23° " de nevenfunctie " : een functie uitgeoefend door een militair bijkomend aan de functie die hij reeds uitoefent;
  24° " de post " : een aan een organisatiestructuur toegewezen functie of nevenfunctie;
  25° " de vlakke loopbaan " : de loopbaan van een militair die [1 één of meerdere]1 welbepaalde specifieke functies uitoefent, waarvoor specifieke vaardigheden vereist zijn die enkel bekomen kunnen worden door het behalen van een welbepaald diploma;
  26° [1 ...]1
  27° [1 ...]1
  28° [1 ...]1
  29° [1 "de militaire vakrichting" : een groepering van functies met hoofdzakelijk gemeenschappelijke professionele competenties in het militair, operationeel of technisch domein, hierna "vakrichting" genoemd;]1
  [1 29° /1 "een groep van vakrichtingen" : de groepering van meerdere militaire vakrichtingen;
   29° /2 "de intervakrichtingengroep" : de groepering van alle militaire vakrichtingen;]1
  30° " de competentiepool " : een groepering van functies met hoofdzakelijk gemeenschappelijke professionele competenties in het beheersdomein [1 ...]1 ;
  31° " de autoriteit van het expertisedomein " : de militair behorende tot het bedoelde expertisedomein, ten minste bekleed met de graad van hoofdexpert, of de hoofd- of opperofficier, stammende uit het bedoelde expertisedomein, aangewezen door de Koning voor het uitoefenen van de bevoegdheden die hem door deze wet worden toegekend;
  32° " de officier van niveau A " : [1 degene die de hoedanigheid van officier verwerft op basis van een master]1 of die, na in de hoedanigheid van officier van niveau B gediend te hebben de hoedanigheid van officier van niveau A verwerft;
  33° " de officier van niveau B " : [1 degene die de hoedanigheid van officier verwerft op basis van een bachelor of een door een instelling van universitair of gelijkwaardig niveau uitgereikt kandidaatsdiploma]1 of die in de Krijgsmacht een opleiding heeft gekregen met een vergelijkbare duur als deze van een bachelor, of die van de personeelscategorie van de onderofficieren overgegaan is naar die van de officieren;
  [1 33/1° "de onderofficier van niveau B" : degene die de hoedanigheid van onderofficier verwerft op basis van een voor het uitoefenen van zijn functies noodzakelijke bachelor of die, na in de hoedanigheid van onderofficier van niveau C gediend te hebben, de hoedanigheid van onderofficier van niveau B verwerft;
   33/2° "de onderofficier van niveau C" : degene die de hoedanigheid van onderofficier verwerft op basis van een diploma of getuigschrift van het hoger secundair onderwijs, of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift, of de militair die, na in de hoedanigheid van vrijwilliger gediend te hebben, de hoedanigheid van onderofficier van niveau C verwerft;]1
  34° [1 "de kandidaat-officier" : de kandidaat-militair die een loopbaan van officier beoogt, hetzij in de hoedanigheid van officier van niveau A, hetzij in de hoedanigheid van officier van niveau B;]1
  35° [1 ...]1
  36° [1 ...]1
  37° [1 "de kandidaat-onderofficier" : de kandidaat-militair die een loopbaan van onderofficier beoogt, hetzij in de hoedanigheid van onderofficier van niveau B, hetzij in de hoedanigheid van onderofficier van niveau C;]1
  38° [1 "de kandidaat-vrijwilliger" : de kandidaat-militair die een loopbaan van vrijwilliger beoogt;]1
  39° [1 "de basisvorming" : de cyclus basisvorming die een kandidaat-militair moet volgen in functie van zijn hoedanigheid van kandidaat-militair;]1
  [1 39° /1 "de vorming" : de vorming die een militair kan of moet volgen tijdens zijn loopbaan;
   39° /2 "de kandidaatsperiode" : de periode tijdens dewelke een kandidaat-militair zijn basisvorming volgt;
   39° /3 "de normale kandidaatsperiode" : de normale duur van een basisvorming, zonder eventuele verlengingen of vertragingen;]1
  40° [1 "de test" : een proef, [4 schriftelijk, mondeling of geïnformatiseerd]4, individueel of collectief, om een taak te beoordelen, volgens een specifieke evaluatietechniek;]1
  41° [1 ...]1
  42° [1 "de heroriëntering" : de maatregel waarbij de kandidaat-militair zijn basisvorming kan voleindigen of herbeginnen in een andere specifieke vormingscyclus, eventueel in een andere hoedanigheid van kandidaat-militair;]1
  43° [1 "de reclassering" : de maatregel waarbij de definitief mislukte kandidaat-militair de toestemming kan krijgen een nieuwe basisvorming aan te vatten;]1
  44° [1 "het uitstel" : de maatregel waarbij de kandidaat-militair die in de onmogelijkheid verkeert of verkeerde om aan een gedeelte van de basisvorming deel te nemen, de toelating bekomt om bepaalde proeven en examens later af te leggen of bepaalde basisvormingsgedeelten later te volgen;]1
  45° [1 "de verlenging van de kandidaatsperiode" : de maatregel waarbij de kandidaatsperiode van een kandidaat-militair wordt verlengd;]1
  46° " de rendementsperiode " : elke periode van werkelijke dienst gedurende dewelke een militair gehouden is te dienen tijdens de [1 ...]1 militaire loopbaan;
  47° " de gradengroep " : de samenvoeging binnen een personeelsondercategorie van twee of meer graden met het oog op de verdere verdeling van de getalsterkte [1 of de verdeling van de graden over de functies]1;
  48° " de karakteriële geschiktheid " : het vermogen van [1 sollicitant of van de kandidaat-militair]1, in functie van de kenmerken van zijn persoonlijkheid, tot aanpassing aan het militair milieu en aan het uitoefenen van de functie waarvoor hij gevormd wordt;
  [1 48° /1" de professionele hoedanigheden" : met uitsluiting van de morele, karakteriële en fysieke hoedanigheden, alle hoedanigheden van professionele aard die vereist zijn van een kandidaat-militair op het militaire en specifieke beroepsvlak, en op het vlak van de eventuele academische of theoretische vorming;]1
  49° " de fysieke geschiktheidscriteria " : de fysieke vereisten waaraan een militair moet voldoen [1 ...]1;
  50° " de medische geschiktheidscriteria " : de medische vereisten waaraan een militair moet voldoen om zijn functie te kunnen uitoefenen;
  51° [1 "de geschiktheidscategorie" : de codificatie van de professionele, fysieke en medische geschiktheid van de militair voor de uitoefening van zijn functie of voor de inzetbaarheid in operatie;]1
  52° [1 "de specifieke vormingscyclus" : de cyclus basisvorming die een kandidaat-militair moet volgen in functie van zijn hoedanigheid, van de soort werving en van de vakrichting of de functie waarvoor hij wordt aangeworven;]1
  53° [1 "de periode van schoolvorming" : de periode van hoofdzakelijk academische of theoretische vorming verstrekt door militaire of burgerlijke onderwijsinstellingen;]1
  54° [1 "de periode van opleiding" : de periode van hoofdzakelijk militaire en professionele vorming verstrekt door een vormingsorganisme of door een eenheid belast met een specifieke vorming;]1
  55° [1 "de evaluatieperiode" : de periode van praktische vorming in de eenheid met een duur van ten minste drie maanden, tijdens dewelke de kandidaat het geheel van de taken, die hem als officier, onderofficier of vrijwilliger zouden worden toegewezen, onder begeleiding mag uitoefenen;]1
  56° [1 ...]1
  57° [1 ...]1
  58° [1 ...]1
  59° [1 ...]1
  60° [1 ...]1
  61° " de werkdag " : de dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een feestdag is.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 17, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013 en 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 11, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2016-11-21/20, art. 40, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>
  (4)<W 2018-04-30/07, art. 8, 017; Inwerkingtreding : 25-05-2018>

  Art. 3/1.[1 In afwijking van artikel 2, wordt voor de toepassing van deze titel verstaan onder "kandidaat-militair" :
   1° de kandidaat-militair bedoeld in artikel 3, 13°, a) van deze wet;
   2° de kandidaat-hulpofficier;
   3° [2 ...]2
   4° de kandidaat-reservemilitair;
   5° de kandidaat militaire muzikant.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 18, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 41, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  TITEL II. - De werving.

  Art. 4.[1 De verschillende soorten wervingen zijn :
   1° de normale werving;
   2° de bijzondere werving;
   3° de laterale werving;
   4° de aanvullende werving;
   5° de werving van kandidaat-hulpofficieren;
   6° [2 ...]2]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 19, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 42, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 5.[1 § 1. De normale werving is de werving van :
   1° kandidaat-militairen die een loopbaan van beroepsofficier van niveau A beogen en die aanvaard worden in het eerste jaar van de basisvorming, in de Koninklijke Militaire School, of in een industriële hogeschool of in de hogere zeevaartschool, of van de basisvorming van arts, dierenarts, tandarts of apotheker;
   2° kandidaat-militairen die een loopbaan van beroepsonderofficier van niveau B beogen en die aanvaard worden in het eerste jaar van een basisvorming in een instelling van het hoger onderwijs met het oog op het behalen van een bachelor;
   3° kandidaat-militairen die een loopbaan van beroepsonderofficier van niveau C beogen en die houder zijn van het diploma van het hoger secundair onderwijs of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift;
   4° kandidaat-militairen die een loopbaan van beroepsvrijwilliger beogen;
   5° kandidaat-militairen die een loopbaan van reservemilitair beogen, met uitzondering van degenen die afkomstig zijn van de bijzondere werving.
   § 2. De bijzondere werving is de werving van :
   1° kandidaat-militairen die een loopbaan van beroepsofficier van niveau A beogen en die houder zijn van een master of een bijkomende master;
   2° kandidaat-militairen die een loopbaan van beroepsofficier van niveau B beogen en die houder zijn van een bachelor;
   3° kandidaat-militairen die een loopbaan van beroepsonderofficier van niveau B beogen en die houder zijn van het diploma van bachelor;
   4° kandidaat-militairen die een loopbaan van reservemilitair beogen.
   De bijzondere werving bedoeld in het eerste lid, 4°, wordt onderverdeeld in een basis bijzondere werving en in een laterale bijzondere werving.
   De basis bijzondere werving is de werving van :
   1° kandidaat-militairen die een loopbaan van reserveofficier beogen en die houder zijn van een master;
   2° kandidaat-militairen die een loopbaan van reserveonderofficier beogen en die houder zijn van een bachelor.
   De laterale bijzondere werving is de werving van kandidaat-militairen die de loopbaan van reserveofficier beogen, die houder zijn van een master en die een beroepservaring in het beoogde domein kunnen rechtvaardigen waarvan de minimale duur door de Koning bepaald wordt.
   § 3. De laterale werving is [2 de werving van kandidaat-beroepsofficieren van niveau A,]2 voor de invulling van vacatures in welbepaalde domeinen, die niet ingevuld kunnen worden door personeelsleden van Defensie.
   De sollicitanten voor de laterale werving moeten houder zijn van een master of van een bijkomende master en een specifieke beroepservaring in het beoogde domein bezitten.
   De specifieke beroepservaring bedoeld in het tweede lid moet buiten Defensie verworven zijn en door de door de Koning aangewezen overheid beoordeeld worden als beantwoordend aan de eisen van de vacature.
   De duur van deze beroepservaring wordt door de Koning bepaald per beoogd domein.
   § 4. De aanvullende werving is de werving van :
   1° kandidaat-militairen die een loopbaan van beroepsofficier van niveau A beogen en die aanvaard worden in de loop van een basisvorming in een industriële hogeschool of in de hogere zeevaartschool, of van de basisvorming van arts, dierenarts, tandarts of apotheker;
   2° kandidaat-militairen die een loopbaan van beroepsonderofficier van niveau B beogen en die aanvaard worden in de loop van een basisvorming in een instelling van het hoger onderwijs met het oog op het behalen van een bachelor.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 20, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>
  (2)<W 2018-04-30/07, art. 9, 017; Inwerkingtreding : 25-05-2018>

  Art. 6.§ 1. [2 De door de Koning aangewezen overheid bepaalt per wervingssessie het aantal vacatures. Daarbij specificeert zij de bijzonderheden van de vacatures die een gevolg hebben op de selectie van de sollicitant, waaronder het taalstelsel van de vacatures. De voornoemde overheid mag zich evenwel onthouden het taalstelsel van de vacatures van een wervingssessie van de bijzondere werving te bepalen indien zij oordeelt dat het beperkte aantal vacatures van deze sessie het rechtvaardigt.]2
  [1 De door de Koning aangewezen overheid]1 bepaalt, binnen de grenzen van de opengestelde plaatsen, de overdracht van niet bezette plaatsen binnen eenzelfde wervingssessie of tussen twee wervingssessies.
  [1 De door de Koning aangewezen overheid]1 bepaalt, per wervingssessie, de prioriteit die zal worden toegepast bij de toewijzing van de vacatures aan de sollicitanten wanneer eenzelfde sollicitant aan de toelatingsvoorwaarden voldoet voor verschillende wervingssessies.
  § 2. De Koning bepaalt :
  1° de regels betreffende de bekendmaking van de wervingssessies en de bijhorende vacatures;
  2° de nadere regels inzake de inschrijving.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 21, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 7.De sollicitant moet, op de dag waarop hij de hoedanigheid van [1 kandidaat-militair]1 verwerft, voldaan hebben aan de leerplicht zoals bepaald in de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.
  [1 De sollicitant mag op 31 december van het jaar van zijn inlijving de leeftijd van 34 jaar, of van 26 jaar wanneer het een kandidaat-piloot betreft, niet bereikt hebben.]1
  [1 ...]1
  [1 In afwijking van het tweede lid, kan de Koning voor bepaalde wervingen die Hij bepaalt, een andere maximale leeftijdsgrens vaststellen, zonder dat die lager mag zijn dan 25 jaar.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 22, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>

  Art. 8.[1 De sollicitant moet aan volgende voorwaarden voldoen :
   1° niet wegens lichamelijke ongeschiktheid definitief op pensioen gesteld of door reform ontslagen zijn;
   2° niet definitief uit zijn ambt zijn ontheven door ontslag van ambtswege, oppensioenstelling van ambtswege of dienstverbreking van ambtswege behalve wegens medische ongeschiktheid voor de luchtdienst of wegens beroepsonbekwaamheid voor de luchtdienst;
   3° geen kandidaat-militair zijn in dezelfde personeelscategorie en dezelfde soort werving;
   4° de hoedanigheid van militair niet verloren hebben wegens het overgaan naar de geschiktheidscategorie D, bedoeld in artikel 69, zevende lid, behalve als deze overgang te wijten is geweest aan een medische ongeschiktheid;
   5° de hoedanigheid van kandidaat-militair in dezelfde of in een lagere personeelscategorie, niet verloren hebben, in de twaalf maanden die voorafgaan aan de dag waarop hij zich opnieuw inschrijft;
   6° niet reeds tweemaal mislukt zijn in een vormingsjaar van een vormingscyclus in dezelfde personeelscategorie;
   7° voor de sollicitant kandidaat voor de luchtdienst, niet uit een categorie van het varend personeel geschrapt geweest zijn, behalve indien deze schrapping plaatsgevonden heeft op zijn aanvraag of wegens medische ongeschiktheid voor de luchtdienst;
   8° niet reeds eerder de hoedanigheid van kandidaat-militair verloren hebben wegens onvoldoende karakteriële hoedanigheden in dezelfde of lagere personeelscategorie, in de vierentwintig maanden die voorafgaan aan de dag waarop hij zich opnieuw inschrijft;
   9° na toewijzing van een functie, niet reeds driemaal, naargelang het geval, van een inlijving afgezien hebben of zonder gegronde reden afwezig zijn geweest op de dag van de inlijving.
   In afwijking van het eerste lid, 2°, mag de sollicitant kandidaat voor de luchtdienst echter niet definitief uit zijn ambt zijn ontheven door ontslag van ambtswege, oppensioenstelling van ambtswege of dienstverbreking van ambtswege wegens medische ongeschiktheid voor de luchtdienst of wegens beroepsonbekwaamheid voor de luchtdienst.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 23, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>

  Art. 9.Om de hoedanigheid van militair te kunnen verwerven, moet de sollicitant :
  1° voldoen aan de voorwaarden van artikel 8;
  2° Belg zijn of onderdaan zijn van een [1 andere]1 lidstaat van de Europese economische ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat;
  3° [1 blijk geven van de onontbeerlijke morele hoedanigheden;]1
  4° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
  5° voldoen aan de studievoorwaarden;
  6° voldoen aan de leeftijdsvoorwaarden;
  7° voldoen aan de selectieproeven;
  8° geclassificeerd zijn, overeenkomstig de bepalingen van artikel 13.
  [1 9° geen negatief veiligheidsadvies gekregen hebben van het stafdepartement inlichtingen en veiligheid, afgeleverd op basis van een veiligheidsverificatie overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, of deze veiligheidsverificatie niet geweigerd hebben. In afwijking van artikel 22septies van de voornoemde wet is de sollicitant die het voorwerp uitmaakt van een veiligheidscertificatie geen retributie verschuldigd;
   10° voldoen aan de reglementaire voorschriften betreffende het voorkomen van de militair.]1
  [2 11° voldoen aan de bijkomende voorwaarden betreffende professionele, technische en/of taalkundige bekwaamheden en/of competenties gerechtvaardigd door een kwalificatiecertificaat, een licentie, een brevet, een attest, een aggregatie, een machtiging of een vergunning of bekomen op basis van ervaring die per vacante post kunnen worden opgelegd door de door de Koning aangewezen overheid.]2
  De onderdaan van een andere lidstaat van de Europese economische ruimte dan België of van de Zwitserse Bondsstaat moet voldaan hebben aan de militiewetgeving van kracht in het land waarvan hij de nationaliteit heeft en moet in dat land vrij zijn van alle militaire verplichtingen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 24, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>
  (2)<W 2018-04-30/07, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 27-08-2018>

  Art. 10.§ 1. De selectieproeven bedoeld in artikel 9, eerste lid, 7°, omvatten :
  1° psychotechnische proeven;
  2° [1 desgevallend, proeven van schoolse of beroepskennis;]1
  3° [1 proeven tot beoordeling van de fysieke geschiktheid en van de medische geschiktheid;]1
  [3 4° desgevallend, praktische proeven.]3
  [1 Sommige selectieproeven kunnen :
   1° [2 geheel of gedeeltelijk buiten Defensie plaatsvinden, in de private of openbare sector, in België of in het buitenland, volgens dezelfde regels als bedoeld in artikel 12, eerste lid, 1°, 2°, en 5° ;]2
   2° in het Engels worden ondergaan, voor zover een deel van de basisvorming in het Engels wordt verstrekt.]1
  [3 De door de Koning bepaalde overheid kan het aantal sollicitanten die aan praktische proeven mogen deelnemen, beperken op basis van de behoeften van de Krijgsmacht en van haar capaciteit om deze proeven te organiseren.]3
  § 2. De sollicitant kan beroep aantekenen tegen een beslissing van medische ongeschiktheid bij [1 de medische commissie van beroep]1.
  Op straffe van onontvankelijkheid, moet het beroep gemotiveerd en ingediend worden binnen de vijf werkdagen volgend op de betekening van de beslissing van medische ongeschiktheid.
  [1 De medische commissie van beroep doet uitspraak over het beroep tegen een beslissing van medische ongeschiktheid bedoeld in het eerste lid. Deze commissie betekent, met een aangetekende zending, haar beslissing aan betrokkene.
   Naast de voorzitter bestaat de medische commissie van beroep uit minstens drie militaire geneesheren van het actief kader, en wordt eventueel bijgestaan door specialisten en een secretaris.
   De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de concrete samenstelling en de werking van de medische commissie van beroep.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 25, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>
  (2)<W 2016-12-06/02, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 02-01-2017>
  (3)<W 2019-05-20/09, art. 12, 021; Inwerkingtreding : 18-08-2019>

  Art. 11.[1 Geeft geen blijk van de onontbeerlijke morele hoedanigheden bedoeld in artikel 9, eerste lid, 3°, de sollicitant die, naargelang het geval :
   1° veroordeeld werd tot een criminele straf;
   2° veroordeeld werd tot een correctionele straf van drie maanden of meer, met uitzondering van de strafbare feiten die de Koning bepaalt in functie van hun verenigbaarheid met de staat van militair;
   3° ontzet werd uit een openbaar ambt of uit één van de rechten zoals bepaald in artikel 31, 1° en 6°, van het Strafwetboek, ongeacht het gepleegde misdrijf;
   4° als reservemilitair van ambtswege uit zijn graad ontzet werd of van wie de graad werd ontnomen omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige, niet met zijn staat van militair overeen te brengen feiten of die, naargelang het geval, om dezelfde redenen vervroegd in disponibiliteit of met onbepaald of met definitief verlof werd gesteld wanneer hij vrijwillige encadreringsprestaties verrichtte.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 26, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>

  Art. 12.[1 De Koning bepaalt :
   1° de selectieproeven evenals de regels volgens dewelke de selectieproeven georganiseerd worden, naargelang de personeelscategorie, de soort werving, of de vacature;
   2° de regels volgens dewelke de sollicitant beoordeeld wordt tijdens de selectieproeven, de geldigheidsduur van de resultaten van deze proeven en de periode die moet verlopen vooraleer deze proeven opnieuw mogen worden afgelegd;
   3° de door de sollicitant voor te leggen documenten die bevestigen dat hij aan de nationaliteitsvoorwaarde en aan de studievoorwaarden voldoet, en dat hij blijk geeft van de onontbeerlijke morele hoedanigheden;
   4° voor de onderdaan van een andere lidstaat van de Europese economische ruimte dan België, of van de Zwitserse Bondsstaat, de overheid die zich uitspreekt over de gelijkwaardigheid in de wetgeving van het land waarvan hij de nationaliteit heeft, van de in artikel 11 bedoelde beoordelingscriteria van de morele hoedanigheden;
   5° de studievoorwaarden;
   6° de voorwaarden en de nadere regels betreffende het samenstellen en het gebruik van een wervingsreserve.
   De bepaling van het eerste lid, 2°, betreffende de maximumgeldigheidsduur van de resultaten van de proeven, is evenwel niet toepasselijk op de sollicitant die definitief medisch ongeschikt verklaard wordt.
   De studievoorwaarden bedoeld in het eerste lid, 5°, worden bepaald volgens de soort werving en de beoogde personeelscategorie, met de volgende vereiste minimumniveaus :
   1° de sollicitant kandidaat-officier moet geschikt zijn om studies op niveau hoger onderwijs aan te vatten;
   2° de sollicitant kandidaat-onderofficier moet geslaagd zijn in de graad van het secundair onderwijs die met zijn soort werving overeenstemt;
   3° de sollicitant kandidaat-vrijwilliger moet het basisonderwijs beëindigd hebben.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>

  Art. 13.[1 De sollicitanten kandidaat-officieren of -onderofficieren worden toegewezen aan de vacatures waarvoor zij solliciteren, volgens een classificatiemodel dat gebruik maakt van een parallelle sequentiële toewijzingsmethode.
   De sollicitanten kandidaat-vrijwilligers worden toegewezen aan de vacatures waarvoor zij solliciteren, volgens een psychometrisch classificatiemodel.
   De classificatie houdt rekening met :
   1° de mate van geschiktheid van de sollicitanten voor de diverse vacatures;
   2° de voorkeur van de sollicitanten;
   3° het belang dat gehecht wordt aan de invulling van de diverse vacatures.
  [3 chter, in het geval bedoeld in artikel 10, § 1, derde lid, houdt de classificatie van de sollicitanten, voor het geheel van de proeven bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1° tot 4°, enkel rekening met de mate van geschiktheid van de sollicitanten voor de vacature.]3
   De wegingscoëfficiënten, die gebruikt worden voor de uitvoering van de classificatiemodellen, worden bepaald door de overheid die de Koning aanwijst.
   De Koning legt de vorken vast tussen dewelke de in het [3 vijfde lid]3 bedoelde wegingscoëfficiënten kunnen worden bepaald.
   De inhoud, de berekeningsregels, de criteria en het algoritme van de classificatiemodellen worden bepaald in een reglement vastgesteld door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 28, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 13, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2019-05-20/09, art. 13, 021; Inwerkingtreding : 18-08-2019>

  Art. 14.[1 Voor het wervingsproces van de sollicitant kandidaat-officier of -onderofficier is de wervingscommissie bevoegd voor :
   1° de deliberatie van de sollicitanten, in functie van de behoeften van de Krijgsmacht en op basis van de resultaten van alle selectieproeven;
   2° de toepassing van het classificatiemodel op de gedelibereerde sollicitanten;
   3° de toewijzing van de vacatures aan de sollicitanten overeenkomstig de bepalingen van artikel 13;
   4° de evaluatie van de resultaten van de classificatieprocedure;
  [2 5° desgevallend, de selectie van de sollicitanten, wanneer het aantal sollicitanten die aan de praktische proeven mogen deelnemen, wordt beperkt, overeenkomstig artikel 10, § 1, derde lid, op basis van de resultaten van de selectieproeven bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1° tot 3°.]2
   Naast de voorzitter bestaat de wervingscommissie uit minstens zes leden, en wordt eventueel bijgestaan door specialisten en een secretaris.
   De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de concrete samenstelling en de werking van de wervingscommissie.
   Voor het wervingsproces van de sollicitant kandidaat-vrijwilliger is de door de Koning aangewezen overheid bevoegd voor :
   1° de toepassing van het classificatiemodel op de sollicitanten;
   2° de toewijzing van de vacatures aan de sollicitanten overeenkomstig de bepalingen van artikel 13;
   3° de evaluatie van de resultaten van de classificatieprocedure;]1
  [2 4° desgevallend, de selectie van de sollicitanten, wanneer het aantal sollicitanten die aan praktische proeven mogen deelnemen, wordt beperkt, overeenkomstig artikel 10, § 1, derde lid, op basis van de resultaten van de selectieproeven bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1° tot 3°.]2
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 29, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>
  (2)<W 2019-05-20/09, art. 14, 021; Inwerkingtreding : 18-08-2019>

  Art. 15.De sollicitant die aan een selectieproef deelneemt, geniet kosteloze [1 ziekteverzorging verstrekt, bij voorkeur en in voorrang, door de medische component]1.
  De aandoeningen voor dewelke dit recht geldt, zijn beperkt tot de ongelukken, ongesteldheden of ziekten die voortkomen uit de deelname aan een selectieproef.
  Deze medische zorgen zijn beperkt tot een spoedonderzoek, ambulant of niet, [1 van de aandoeningen bedoeld in het tweede lid]1 en mogen niet langer duren dan volstrekt noodzakelijk ten einde de sollicitant toe te laten terug te keren naar zijn verblijfplaats of hem over te brengen naar een door hem gekozen burgerhospitaal in België.
  De terugbetaling van bijkomende medische zorgen en de toekenning van een schadevergoeding die uit de in het tweede lid bedoelde aandoeningen voortvloeien, zijn onderworpen aan de toepassing van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 30, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>

  Art. 16.De sollicitant die deelneemt aan een selectieproef, geniet [1 ...]1, in voorkomend geval, logement, ten laste van de Staat. Het logement wordt door Defensie ter beschikking gesteld van de sollicitant.
  ----------
  (1)<W 2016-11-21/20, art. 43, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 17. De sollicitant kan op elk ogenblik schriftelijk aan zijn kandidatuur voor een vacature verzaken.

  Art. 18.Het wervingsproces wordt definitief beëindigd ten aanzien van de sollicitant :
  1° die schriftelijk aan zijn kandidatuur verzaakt;
  2° die zich, zonder gegronde reden, niet aanmeldt op de dag of de plaats die bepaald zijn om deel te nemen aan de selectieverrichtingen;
  3° die niet of niet meer voldoet aan een voorwaarde bepaald in de artikelen 8 en 9;
  4° die bedrog pleegt of een poging daartoe onderneemt;
  [2 5° die, niet geselecteerd wordt, naargelang het geval, overeenkomstig artikel 14, eerste lid, 5°, of vierde lid, 4°.]2
  De Koning wijst de overheid aan die gemachtigd is om het wervingsproces te beëindigen in de gevallen bedoeld in het eerste lid, [2 2° tot 5°]2. Deze overheid betekent haar beslissing aan de sollicitant.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 31, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>
  (2)<W 2019-05-20/09, art. 15, 021; Inwerkingtreding : 18-08-2019>

  TITEL III. - De militaire loopbaan.

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Afdeling 1. - [1 De hoedanigheid van kandidaat-militair en van militair]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 32, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 19. De sollicitant wordt opgeroepen met het oog op zijn inlijving.
  De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de oproeping en de inlijving.

  Art. 20. Op de dag van zijn inlijving stelt de sollicitant een schriftelijke verklaring op betreffende zijn medische toestand.
  De sollicitant kan evenwel onderworpen worden aan een medisch controleonderzoek, teneinde zijn medische geschiktheid na te gaan.
  De Koning bepaalt de nadere regels en de procedure betreffende de verklaring en het medisch controleonderzoek.

  Art. 21.[1 De sollicitant verwerft de hoedanigheid van kandidaat-militair op de dag van zijn inlijving, voor zover hij medisch geschikt beschouwd wordt en nadat hem werd verklaard dat hij onderworpen is aan de militaire wetten. Het verwerven van de hoedanigheid van kandidaat-militair wordt vastgesteld door het opmaken van een document, ondertekend door de sollicitant die een kopie ervan krijgt. In periode van oorlog gebeurt de vaststelling van het vervullen van deze formaliteit door alle rechtsmiddelen.
   Het verwerven van de hoedanigheid van kandidaat-militair wordt bekrachtigd door de ondertekening van een dienstnemingsakte waarvan [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 het model bepaalt. Een exemplaar van de ingevulde akte wordt overhandigd aan de betrokken kandidaat-militair.
   De korpscommandant van het inlijvingsorganisme is de bevoegde overheid om het document in ontvangst te nemen waarin de sollicitant erkent dat hij onderworpen is aan de militaire wetten, alsook de dienstnemingsakte.
   In voorkomend geval heeft de dienstneming van rechtswege en op de datum ervan, voor gevolg het ontslag uit het ambt in de hoedanigheid van militair of de verbreking van elke vroegere dienstneming of wederdienstneming in de hoedanigheid van kandidaat-militair.
   In periode van oorlog en in oorlogstijd worden de lopende dienstnemingen van rechtswege verlengd tot de dag door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 vastgesteld en uiterlijk tot de dag bepaald voor het op vredesvoet brengen van het leger.
   De niet-ontvoogde minderjarige sollicitant moet het bewijs leveren, onder de vorm van een getuigschrift, van de toestemming van degene of degenen die te zijner opzichte de ouderlijke macht uitoefenen. De sollicitant die zijn woonplaats in het buitenland heeft, legt een document voor dat als evenwaardig beschouwd wordt met voormeld getuigschrift.
   De Koning bepaalt :
   1° de nadere regels betreffende het verwerven van de hoedanigheid van kandidaat-militair en de dienstnemingsprocedure;
   2° de gevallen waarin de sollicitant toegestaan wordt op een latere datum de hoedanigheid van kandidaat-militair te verwerven, evenals de maximale duur van de vertraging die kan toegestaan worden.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 33, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 14, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 21/1.[1 De hoedanigheid van kandidaat-militair wordt van rechtswege ontnomen door de overheid die de Koning aanwijst wanneer :
   1° de kandidaat-militair definitief mislukt wordt bevonden omdat hij :
   a) niet de vereiste professionele hoedanigheden bezit, overeenkomstig de van kracht zijnde regels aangaande de beoordeling van de professionele hoedanigheden, en hetzij niet kan, hetzij niet wenst gereclasseerd te worden;
   b) niet de vereiste karakteriële hoedanigheden bezit, overeenkomstig de van kracht zijnde regels aangaande de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden, en hetzij niet kan, hetzij niet wenst gereclasseerd te worden;
   c) niet de vereiste fysieke hoedanigheden bezit, overeenkomstig de van kracht zijnde regels inzake de beoordeling van de fysieke geschiktheid, de vorming hetzij niet kan, hetzij niet wenst voort te zetten en hetzij niet kan, hetzij niet wenst gereclasseerd te worden;
   2° de kandidaat-militair niet meer voldoet aan de eisen die op medisch vlak of op het vlak van beroepsbekwaamheid gesteld worden en zijn vorming hetzij niet kan, hetzij niet wenst voort te zetten;
   3° de kandidaat-militair niet meer de vereiste morele hoedanigheden bezit, overeenkomstig de regels van kracht inzake de beoordeling van de morele hoedanigheden;
   4° de kandidaat-militair bedoeld in artikel 3, 13°, a), en in artikel 87, eerste lid, op zijn verzoek, de verbreking van zijn dienstneming of wederdienstneming verkrijgt;
   5° de kandidaat-militair bedoeld in artikel 3, 13°, b), op zijn verzoek, hiervoor de toestemming bekomt van de chef defensie of van de door hem aangewezen overheid;
   6° de dienstneming of wederdienstneming van de kandidaat-militair van ambtswege verbroken wordt;
   7° de kandidaat-militair geen onderdaan meer is van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat, of wanneer hij, in toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot verwijdering van het grondgebied, terugwijzing of uitzetting;
   8° de kandidaat-militair wegens de weigering of intrekking van de vereiste veiligheidsmachtiging uit zijn specifieke vormingscyclus moet worden verwijderd en hetzij niet kan, hetzij niet wenst gereclasseerd te worden;
   9° een periode van oorlog wordt afgekondigd voor de kandidaat die geen achttien jaar oud is;
  [2 10° de kandidaat-militair wegens de weigering van een uitstel voor het afleggen van bepaalde examens of proeven of voor het volgen of volbrengen van bepaalde basisvormingsgedeelten, uit zijn specifieke vormingscyclus moet worden verwijderd.]2
   Wanneer het verlies van hoedanigheid van kandidaat-militair bedoeld in het eerste lid, van toepassing is op een ongehuwde en niet ontvoogde kandidaat-militair die minder dan achttien jaar oud is, worden zij die ten opzichte van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, hiervan bij aangetekende zending in kennis gesteld.
   De geldelijke en sociale rechten van de kandidaat-militair die de hoedanigheid van kandidaat heeft verloren in toepassing van het eerste lid, 9°, worden gevrijwaard tot zijn heropneming.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 34, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB2013-11-07/49, art. 47, 1°)>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 44, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 21/2. [1 De kandidaat-militair verwerft de hoedanigheid van officier, onderofficier of vrijwilliger de dag volgend op deze tijdens dewelke hij zijn kandidaatsperiode met succes heeft beëindigd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 35, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 22.[1 De hoedanigheid van officier, onderofficier of vrijwilliger wordt van rechtswege ontnomen door de Koning of de overheid die Hij aanwijst, wanneer de militair :
   1° geen onderdaan meer is van een lidstaat van de Europese economische ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat, of, in toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot verwijdering van het grondgebied, terugwijzing, of uitzetting;
   2° definitief op pensioen wordt gesteld;
   3° de overplaatsing doet zoals bedoeld in de artikelen 141 en 144, 2° ;
   4° een nieuwe beroepsactiviteit aanvangt, zoals bedoeld in artikel 168 in het kader van de externe mobiliteit;
   5° zijn ontslag op aanvraag verkrijgt;
   6° definitief uit zijn ambt wordt ontheven overeenkomstig artikel 57, eerste lid, artikel 58 of artikel 59, eerste lid;
   7° zich in één van de in artikel 72/3 bedoelde gevallen bevindt;]1
  [2 8° een tweede voltijdse benoeming in vast dienstverband in een andere overheidsdienst heeft, eens die benoeming niet meer vatbaar is voor vernietiging door de Raad van State.]2
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 36, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>
  (2)<W 2018-04-30/07, art. 11, 017; Inwerkingtreding : 25-05-2018>

  Afdeling 2. - Algemene beschrijving van de loopbaan.

  Art. 23.[1 § 1. De kandidaat-militairen bedoeld in artikel 3, 13°, a), beginnen hun loopbaan met de cyclus basisvorming bedoeld in artikel 88.
   Tijdens de cyclus basisvorming verwerven de kandidaat-militairen de competenties nodig voor het uitoefenen van een basisfunctie.
   Bij hun opname in de hoedanigheid van beroepsmilitair bezitten de vrijwilligers de competenties die overeenstemmen met een basisfunctie, en bezitten de officieren en onderofficieren de competenties van de vakrichting waartoe de basisfunctie behoort.
   § 2. In de loop van hun loopbaan verwerven de militairen, naargelang het geval, één of meerdere competenties, teneinde :
   1° verder te evolueren in hun functie of vakrichting;
   2° functies uit te oefenen in een competentiepool;
   3° specifieke functies bedoeld in de artikelen 111 en 112, uit te uitoefenen in hun vakrichting of een competentiepool;
   4° van functie of vakrichting te veranderen volgens de bepalingen bedoeld in de artikelen 40 tot 42.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 37, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Afdeling 3. - De personeelscategorieën en de graden.

  Art. 24. Telkens als een graad wordt vermeld, wordt ook de gelijkwaardige graad in aanmerking genomen.

  Art. 25.§ 1. [1 De personeelscategorieën zijn :
   1° de "officieren", benoemd of aangesteld in een officiersgraad;
   2° de "onderofficieren", benoemd of aangesteld in een onderofficiersgraad;
   3° de "vrijwilligers", benoemd of aangesteld in een vrijwilligersgraad.]1
  § 2. Dienen in de hoedanigheid van officier van niveau A, de officieren bedoeld [1 in § 1, 1°]1, [2 die aangeworven werden op basis van een master of een master behaalden na een basisvorming in een instelling bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, of na een basisvorming van arts, tandarts, dierenarts of apotheker]2 en de officieren bedoeld in artikel 119.
  [1 Dienen in de hoedanigheid van officier van niveau B, de officieren en de onderofficieren bedoeld in artikel 3, 33°.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 38, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>
  (2)<W 2018-04-30/07, art. 12, 017; Inwerkingtreding : 25-05-2018>

  Art. 26.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 39, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 27.§ 1. De officiersgraden volgen elkaar op volgens de hierna vermelde rangorde :
  1° onderluitenant of vaandrig-ter-zee tweede klasse;
  2° luitenant of vaandrig-ter-zee;
  3° kapitein of luitenant-ter-zee;
  4° kapitein-commandant of luitenant-ter-zee eerste klasse;
  5° majoor of korvetkapitein;
  6° luitenant-kolonel of fregatkapitein;
  7° kolonel of kapitein-ter-zee;
  8° generaal-majoor of divisieadmiraal;
  9° luitenant-generaal of vice-admiraal;
  10° [1 ...]1
  [1 De volgende ondercategorieën van officieren worden onderscheiden :
   1° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4°, worden lagere officieren genoemd;
   2° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 5° tot 7°, worden hoofdofficieren genoemd;
   3° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 8° en 9°, worden opperofficieren genoemd.]1
  § 2. De benaming van de graad kan aangevuld worden met een van de bijkomende benamingen die de Koning bepaalt.
  [1 § 3. De lagere officieren dienen, naargelang het geval, in de hoedanigheid van officier van niveau A of officier van niveau B.
   De hoofd- en opperofficieren dienen in de hoedanigheid van officier van niveau A.
   De officieren van niveau B kunnen slechts in de graden van lager officier worden benoemd.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 40, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Art. 28.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 41, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 29.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 42, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 30.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 43, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 31.§ 1. De onderofficiersgraden volgen elkaar op volgens de hierna vermelde rangorde :
  1° sergeant of tweede meester;
  2° eerste sergeant of meester;
  3° eerste sergeant-chef of meester-chef;
  4° eerste sergeant-majoor of eerste meester;
  5° adjudant of eerste meester-chef;
  6° adjudant-chef of oppermeester;
  7° adjudant-majoor of oppermeester-chef.
  De volgende ondercategorieën van onderofficieren worden onderscheiden :
  1° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 1° tot 3°, worden lagere onderofficieren genoemd;
  2° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°, worden keuronderofficieren genoemd;
  3° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 6° en 7°, worden hoofdonderofficieren genoemd.
  § 2. De benaming van de graad kan aangevuld worden met een van de bijkomende benamingen die de Koning bepaalt.
  [1 § 3. De onderofficieren dienen, naargelang het geval, in de hoedanigheid van onderofficier van niveau B of onderofficier van niveau C.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 44, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Art. 32.§ 1. De vrijwilligersgraden volgen elkaar op volgens de hierna vermelde rangorde :
  1° soldaat of matroos;
  2° eerste soldaat of eerste matroos;
  3° korporaal of kwartiermeester;
  4° [1 ...]1
  5° korporaal-chef of kwartiermeester-chef;
  6° eerste korporaal-chef of eerste kwartiermeester-chef;
  7° [1 ...]1
  De volgende ondercategorieën van vrijwilligers worden onderscheiden :
  1° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, 1° tot 3°, worden lagere vrijwilligers genoemd;
  2° de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid, [1 5° en 6°]1, worden keurvrijwilligers genoemd;
  3° [1 ...]1
  § 2. De benaming van de graad kan aangevuld worden met een van de bijkomende benamingen die de Koning bepaalt.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 45, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Art. 33.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 46, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 34.[1 De militair of de kandidaat-militair die, in functie van zijn beoogde personeelscategorie, voor het eerst benoemd of aangesteld wordt in de graad van respectievelijk kapitein, onderluitenant, sergeant of eerste soldaat legt de bij het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie, voorgeschreven eed af in de handen van zijn korpscommandant.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 47, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Art. 35.[1 Onder voorbehoud van de bepalingen inzake de benoeming en de aanstelling van de kandidaat-militairen bedoeld in de artikelen 81/5, 82 en 83/1, worden :
   1° de officieren door de Koning in de graad benoemd of aangesteld;
   2° [2 de onderofficieren en de vrijwilligers door de door de Koning aangewezen overheid in de graad benoemd of aangesteld;]2
   3° [2 ...]2
   De graden kunnen slechts verleend worden naargelang van het overeenkomstige aantal ambten.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 48, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 15, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 36.Onder voorbehoud van de toepassing van de strafbepalingen, hebben van rechtswege de ontneming van de graad voor gevolg :
  1° [1 ...]1
  2° de definitieve ambtsontheffing;
  3° het feit, voor een militair [1 of een kandidaat-militair]1 die in een graad aangesteld wordt, op de vereiste momenten, niet te voldoen aan de voorwaarden die voor zijn benoeming vervuld moeten blijven.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 49, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Art. 37.Elke militair kan op elk ogenblik van bevordering afzien. [1 Hij kan één keer op zijn beslissing terugkomen. Deze beslissing wordt evenwel onherroepelijk drie jaar nadat de betrokken militair zijn beslissing schriftelijk aan de door de Koning aangewezen overheid heeft meegedeeld.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 50, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Afdeling 4. [1 - De Krijgsmachtdelen, de vakrichtingen en de competentiepools.]1
  ----------
  (1)<W 2016-11-21/20, art. 46, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 37/1. [1 Elke militair behoort tot één van de volgende Krijgsmachtdelen : de landmacht, de luchtmacht, de marine of de medische dienst.
   De definitieve inschrijving in een Krijgsmachtdeel heeft plaats uiterlijk wanneer de betrokken militair zijn basisvorming met succes heeft beëindigd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-11-21/20, art. 47, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>
  

  Art. 37/2. [1 Elke militair kan van een Krijgsmachtdeel naar een ander worden overgeplaatst :
   1° op zijn aanvraag;
   2° van ambstwege, in het belang van de dienst;
   3° wanneer een overplaatsing tussen vakrichtingen het vereist;
   4° wanneer een wijziging in de organisatie van de Krijgsmacht een nieuwe verdeling van de militairen noodzaakt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-11-21/20, art. 48, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 37/3.[1 De overplaatsingen bedoeld in artikel 37/2, 1° tot 3°, en, in voorkomend geval, de eraan verbonden vormingen of basisvormingen worden door de door de Koning aangewezen overheid voorgeschreven.
   In het geval bedoeld in artikel 37/2, 4°, worden de nodige overplaatsingen voorgeschreven volgens de nadere regels bedoeld in artikel 42. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-11-21/20, art. 49, 012; Inwerkingtreding : 12-06-2017>. (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 49 vastgesteld op 12-06-2017 door KB 2017-04-28/19, art. 7)

  Art. 37/4. [1 Voor de officieren en de onderofficieren worden de overplaatsingen van een Krijgsmachtdeel naar een ander die eveneens een overplaatsing van een vakrichting naar een andere impliceren, voorgeschreven overeenkomstig, naargelang het geval, de artikelen 40, 41 of 42.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-11-21/20, art. 50, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>
  

  Art. 38.[1 De Koning stelt de lijst van de vakrichtingen en de competentiepools vast.
   Iedere inschrijving van een officier of onderofficier in een vakrichting en, in voorkomend geval, elke verwerving door een militair van een competentiepool gebeurt op basis van de personeelsbehoeften van de Krijgsmacht, op één van de wijzen en volgens de voorwaarden bepaald in de artikelen 39 tot 42.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 52, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2013; zie 2013-10-01/02, art. 11, 1°>

  Art. 38/1.[1 De officieren houden op tot een vakrichting te behoren eens zij in een graad van opperofficier worden benoemd of voor de periode waarin zij in een graad van opperofficier worden aangesteld voor de uitoefening van het ambt of een functie van de hogere graad.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 53, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2013; zie 2013-10-01/02, art. 11, 1°>

  Art. 38/2. [1 In het kader van de bevordering van de opper- en hoofdofficieren en van de hoofdonderofficieren, en in functie van de behoeften van de organisatie van de Krijgsmacht, kan de Koning de enveloppe van de militairen van het actief kader verdelen, overeenkomstig artikel 5 van de wet van 25 mei 2000 betreffende de personeelsenveloppe van militairen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 54, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2013; zie 2013-10-01/02, art. 11, 1°>

  Art. 39.§ 1. [1 De voorlopige inschrijving in een vakrichting of, naargelang het geval, in een groep van vakrichtingen heeft plaats op het tijdstip waarop de militair een basisvorming aanvangt.]1
  [1 De definitieve inschrijving in een vakrichting heeft plaats uiterlijk wanneer de betrokken militair zijn basisvorming met succes heeft beëindigd.]1
  [2 ...]2
  § 2. [1 De verwerving van een competentiepool heeft plaats wanneer de betrokken militair :
   1° in voorkomend geval, met succes een vervolmakingscursus [2 bedoeld in artikel 110, § 1, tweede lid, 2°,]2 heeft gevolgd, ter verwerving van deze competentiepool;
   2° een positieve beoordeling heeft gekregen in een functie afhangende van deze competentiepool, volgens de procedure en de nadere regels bepaald door de Koning.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 55, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2013; zie 2013-10-01/02, art. 11, 1°>
  (2)<W 2018-04-30/07, art. 13, 017; Inwerkingtreding : 25-05-2018>

  Art. 40.[1 In geval van opheffing van een vakrichting of in het belang van de dienst kan elke militair van ambtswege worden overgeplaatst van een vakrichting naar een andere, voor zover hij voldoet aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria van zijn nieuwe vakrichting.
   Deze overplaatsing en, in voorkomend geval, de eraan verbonden vormingen of basisvormingen, worden door de door de Koning aangewezen overheid voorgeschreven.
  [2 De definitieve inschrijving in de nieuwe vakrichting heeft plaats uiterlijk wanneer de betrokken militair :
   1° de in het tweede lid bedoelde vormingen of basisvormingen met succes heeft beëindigd;
   2° [3 voor zijn statutaire evaluatie in zijn nieuwe functie, de vermelding "voldoende" heeft gekregen.]3]2]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 56, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2013; zie 2013-10-01/02, art. 11, 1°>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 51, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>
  (3)<W 2017-07-31/24, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 41.[1 Elke militair kan op zijn aanvraag worden overgeplaatst van een vakrichting naar een andere, voor zover hij voldoet aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria van zijn nieuwe vakrichting.
   Deze overplaatsing en, in voorkomend geval, de eraan verbonden vormingen of basisvormingen worden door de door de Koning aangewezen overheid voorgeschreven.
  [2 De definitieve inschrijving in de nieuwe vakrichting heeft plaats uiterlijk wanneer de betrokken militair :
   1° de in het tweede lid bedoelde vormingen of basisvormingen met succes heeft beëindigd;
   2° [3 voor zijn statutaire evaluatie in zijn nieuwe functie, de vermelding "voldoende" heeft gekregen.]3]2]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 57, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2013; zie 2013-10-01/02, art. 11, 1°>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 52, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>
  (3)<W 2017-07-31/24, art. 3, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 42.Wanneer een wijziging in de organisatie van de Krijgsmacht een nieuwe verdeling van de militairen noodzaakt en voor zover de betrokken militairen aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria van de [1 beoogde vakrichtingen voldoen]1, schrijft de Koning de nodige overplaatsingen voor na overleg met de representatieve vakorganisaties.
  [2 Dit overleg met de representatieve vakorganisaties vindt plaats volgens de nadere regels die de Koning bepaalt.]2
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 58, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2013; zie 2013-10-01/02, art. 11, 1°>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 53, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 42/1. [1 Iedere militair, ongeacht de functie die hij uitoefent of in welke vakrichting hij ingeschreven is, kan worden aangewezen om dienstprestaties te verrichten in elk organisme van de Krijgsmacht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 59, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2013; zie 2013-10-01/02, art. 11, 1°>

  Afdeling 5. - Het ambt.

  Onderafdeling 1. - Algemeenheden.

  Art. 43.Het ambt wordt uitgeoefend krachtens dienstorders uitgaande van :
  1° de Koning of de overheid die Hij aanwijst, voor de officieren [1 ...]1;
  2° [2 de door de Koning aangewezen overheid, voor de onderofficieren en de vrijwilligers;]2
  3° [2 ...]2
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 60, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 16, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 44.[1 De militair kan gedetacheerd worden wegens een officiële opdracht bij een instelling van internationaal publiek recht, bij een buitenlandse regering, bij elke openbare dienst die afhangt van de federale overheid, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de gemeenten, de agglomeraties, de federaties en de verenigingen van gemeenten, de politiezones, de autonome overheidsbedrijven bedoeld in de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, alsook bij de instellingen die van dergelijke openbare dienst afhangen, of bij de instellingen die van Defensie afhangen.]1
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 61, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Onderafdeling 2. - De tijdelijke ambtsontheffing.

  Art. 45.De tijdelijke ambtsontheffing heeft alleen plaats in de volgende gevallen :
  1° op aanvraag van de militair :
  a) wegens persoonlijke aangelegenheden;
  b) wegens loopbaanonderbreking;
  c) om gezinsredenen;
  2° door de overheid opgelegd :
  a) om gezondheidsredenen;
  b) bij tuchtmaatregel;
  c) [1 ...]1
  De militair in tijdelijke ambtsontheffing blijft onderworpen aan de militaire strafwetgeving en aan de krijgstucht.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 62, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 46.In geval van mobilisatie of in periode van oorlog of van crisis, bedoeld in artikel 186, kunnen de militairen geen tijdelijke ambtsontheffing op aanvraag bekomen. Hetzelfde geldt voor de militairen die zich in periode van vrede in de deelstand " operationele inzet " bevinden of die effectief deel uitmaken van een detachement dat zich voorbereidt met het oog op deze inzet.
  De op aanvraag bekomen tijdelijke ambtsontheffingen eindigen automatisch, zonder periode van opzegging, in periode van oorlog of in geval van mobilisatie.
  In periode van crisis of in periode van vrede kunnen, in uitzonderlijke gevallen en voor zover de personeelsbehoefte op geen enkele andere manier ingevuld kan worden, de op [1 aanvraag]1 toegekende tijdelijke ambtsontheffingen geschorst worden door de overheid die ze heeft toegekend, in geval van operationele inzet of van [1 voorbereiding]1 met het oog op deze inzet.
  [1 De militair die geaffecteerd is in een internationaal of intergeallieerd organisme kan een tijdelijke ambtsontheffing op aanvraag bekomen voor zover de aanvraag gemotiveerd is door uitzonderlijke persoonlijke redenen die door de door de Koning aangewezen overheid worden beoordeeld. Deze tijdelijke ambtsontheffing duurt drie maanden en kan slechts één keer worden toegekend.
   De militair die een post uitoefent waarvoor een specifiek en zeldzaam competentieprofiel vereist is, kan geen tijdelijke ambtsontheffing op aanvraag bekomen. De Koning bepaalt deze posten per personeelscategorie, en eventueel per personeelsondercategorie.
   Om gemotiveerde uitzonderlijke persoonlijke redenen, kan de militair bedoeld in het vijfde lid evenwel een aanvraag indienen [2 bij de door de Koning aangewezen overheid]2 om een tijdelijke ambtsontheffing op aanvraag te bekomen. Deze tijdelijke ambtsontheffing duurt drie maanden.
   Wegens encadreringsbehoeften kan de aanvraag voor een tijdelijke ambtsontheffing op aanvraag van een militair geweigerd worden door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2, om de goede werking en de continuïteit van de Krijgsmacht te garanderen.
   Indien een tijdelijke ambtsontheffing op aanvraag door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 wordt aanvaard, heeft deze uitwerking ten laatste drie maanden na de datum van indienen van de aanvraag, behalve indien de betrokken militair zelf een latere uitwerking vraagt dan de voornoemde drie maanden.
   Indien het dienstbelang het vereist teneinde de operationele capaciteiten van de Krijgsmacht te vrijwaren kan [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 evenwel een latere datum bepalen, maar ten laatste :
   1° negen maanden na de datum van indienen van de aanvraag voor de officieren;
   2° zes maanden na de datum van indienen van de aanvraag voor de onderofficieren en de vrijwilligers.
   Het vierde tot het zesde en het negende lid zijn niet van toepassing op een tijdelijke ambtsontheffing om gezinsredenen.]1
  [3 De duur van alle tijdelijke ambtsontheffingen wegens persoonlijke aangelegenheden of wegens loopbaanonderbreking mag tijdens de eerste vijf jaren volgend op het einde van de kandidatuursperiode van de betrokken militair een totaal van zes maanden niet overschrijden.
   Om gemotiveerde uitzonderlijke persoonlijke redenen waarover de door de Koning aangewezen overheid oordeelt, kan de maximumduur bedoeld in het elfde lid evenwel overschreden worden.]3
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 63, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 17, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2018-04-30/07, art. 14, 017; Inwerkingtreding : 25-05-2018>

  Art. 47.De militairen die hierom verzoeken kunnen door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 tijdelijk wegens persoonlijke aangelegenheden uit hun ambt ontheven worden.
  [1 Elke tijdelijke ambtsontheffing of elke verlenging wordt uitgedrukt in maanden en wordt aangevraagd voor een duur van minimum drie maanden en maximum twaalf maanden.]1
  Behoudens uitzonderlijke redenen waarover [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 oordeelt, en zonder dat deze de duur van zesendertig maand overschrijdt, mag de duur van alle tijdelijke ambtsontheffingen wegens persoonlijke aangelegenheden tijdens de loopbaan van de militair een totaal van twaalf maanden niet overschrijden.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 64, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 18, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 48.§ 1. De militairen die het aanvragen kunnen [2 van de door de Koning aangewezen overheid]2 een onderbreking van hun loopbaan bekomen.
  § 2. [1 Elke loopbaanonderbreking of elke verlenging wordt uitgedrukt in maanden en wordt aangevraagd voor een duur van minimum drie maanden en maximum twaalf maanden.]1
  Behoudens uitzonderlijke redenen waarover [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 oordeelt, mag de duur van alle loopbaanonderbrekingen tijdens de loopbaan van de militair een totaal van zesendertig maanden niet overschrijden.
  § 3. [1 Onverminderd de toepassing van artikel 176, mag de militair in loopbaanonderbreking enkel de bijkomende activiteit als loontrekkende [3 verder blijven]3 uitoefenen die werd toegestaan ten minste drie maanden vóór het begin van de loopbaanonderbreking, binnen de voorwaarden en de grenzen van deze toestemming. Hij mag eveneens een zelfstandige activiteit uitoefenen.]1
  Voor wat de officieren [1 ...]1 betreft, kan geen enkele van de activiteiten bedoeld in het eerste lid uitgeoefend worden in de sector van de productie of van de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal, bedoeld in artikel 296, § 1, b), van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als bijkomende activiteit als loontrekkende beschouwd, de activiteit in loondienst waarvan het aantal werkuren per week gemiddeld niet 38 uren overschrijdt. Wordt als zelfstandige activiteit beschouwd, de activiteit die de betrokken persoon, op grond van de van kracht zijnde reglementering, ertoe verplicht zich in te schrijven bij het Rijksinstituut voor de sociale Verzekeringen der zelfstandigen.
  Indien de militair zonder toestemming een beroepsactiviteit aanvangt of [1 indien hij zijn bijkomende activiteit niet uitoefent binnen de voorwaarden en de grenzen van de toestemming bedoeld in het eerste lid]1, dan wordt vanaf dat ogenblik de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking omgezet in een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 65, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 19, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2018-04-30/07, art. 15, 017; Inwerkingtreding : 25-05-2018>

  Art. 49.[2 De door de Koning aangewezen overheid]2 kan [1 ...]1 een tijdelijke ambtsontheffing om gezinsredenen toestaan aan de militair die erom vraagt, opdat deze de kans krijgt om zich aan zijn kinderen te wijden.
  Deze tijdelijke ambtsontheffing wordt toegestaan voor een periode van ten hoogste twee jaar; zij eindigt hoe dan ook wanneer het kind de leeftijd van drie jaar bereikt.
  De maximumduur van deze tijdelijke ambtsontheffing tijdens de volledige militaire loopbaan wordt op vier jaar gebracht en eindigt uiterlijk wanneer het kind de leeftijd van zes jaar bereikt, indien het kind mindervalide is en voldoet aan de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op de kinderbijslag met toepassing van artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.
  Op aanvraag van de militair en mits de naleving van een opzeggingstermijn van één maand kan een einde gemaakt worden aan de tijdelijke ambtsontheffing om gezinsredenen alvorens deze ten einde loopt.
  Wanneer de vader en de moeder van het kind militair zijn, kan de in dit artikel bedoelde tijdelijke ambtsontheffing verdeeld worden over de ouders.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 66, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 20, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 50.De Koning kan voor de officieren [1 ...]1, of [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 voor de andere personeelscategorieën, de militair die, volgens de beslissing van de militaire commissie voor geschiktheid en reform of van de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform, nog niet in staat is de dienst te hervatten, tijdelijk om gezondheidsredenen van zijn ambt ontheffen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 67, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 21, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Onderafdeling 3. - De schorsing bij ordemaatregel.

  Art. 51.[1 § 1. Wanneer [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 oordeelt dat de aanwezigheid van een militair in de Krijgsmacht nadelig is voor de tucht of voor de goede naam van de Krijgsmacht, kan [2 zij]2, ambtshalve of op voorstel van de hiërarchische meerderen van de militair, deze laatste bij ordemaatregel schorsen.
   De schorsing bij ordemaatregel is een voorlopige maatregel die geenszins van tuchtrechtelijke aard is.
   § 2. De betrokken militair wordt vooraf gehoord over de feiten die hem ten laste worden gelegd en mag zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze.
   Hij wordt opgeroepen bij kennisgeving tegen ontvangstbewijs of met een aangetekende zending, en wordt geacht gehoord te zijn geweest zelfs indien hij daar geen ontvangst van bevestigt, zodra de bedoelde oproeping hem een tweede maal werd voorgelegd na een redelijke termijn.
   Wanneer het horen van de militair voor de schorsing bij ordemaatregel onmogelijk is of wanneer een toestand van hoogdringendheid dit rechtvaardigt, kan [2 de door de Koning aangewezen overheid]2, onverwijld en tot de uitspraak van de schorsing bij ordemaatregel, een militair preventief verwijderen. Indien hij niet gehoord kon worden voorafgaand aan deze preventieve verwijdering, wordt de militair onverwijld na de uitspraak ervan gehoord. Wanneer de hoogdringendheid wordt ingeroepen, mag de militair niet meer dan vijftien werkdagen preventief verwijderd worden.
   Als maatregel van inwendige ordre heeft de preventieve verwijdering bedoeld in het derde lid geen enkele gevolgen voor de betrokken militair op het gebied van het administratieve of geldelijke statuut.
   § 3. De duur van de schorsing bij ordemaatregel mag de drie maanden niet overschrijden.
   Indien noodzakelijk, mits het naleven van de bepalingen van § 2, kan de schorsing, per periodes van drie maanden verlengd worden tot een maximumduur van twee jaar. Deze verlenging wordt door de Koning beslist voor de officieren en door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 beslist voor de onderofficieren en de vrijwilligers.
   Wanneer een opsporingsonderzoek of een strafvervolging werd ingesteld wegens de feiten die de schorsing motiveren, moet deze evenwel uiterlijk zes maanden na het einde van de rechtsvordering een einde nemen.
   Er kan op elk ogenblik een einde gesteld worden aan de schorsing bij ordemaatregel door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 die, in voorkomend geval, de modaliteiten van de regularisatie van de betrokken militair bepaalt.
   § 4. Wanneer een bij ordemaatregel geschorste militair van zijn vrijheid wordt beroofd, wordt deze schorsing van rechtswege geschorst tot de datum van invrijheidstelling van de betrokken militair. Op deze datum begint van rechtswege de resterende periode van de schorsing bij ordemaatregel opnieuw te lopen, zonder nieuwe betekening aan deze laatste. Anderzijds, wanneer de schorsing bij ordemaatregel wordt betekend aan een militair in voorlopige hechtenis, wordt de uitwerking van de schorsing bij ordemaatregel van rechtswege geschorst tot de invrijheidstelling van betrokken militair, zonder nieuwe betekening aan deze laatste.
   § 5. Wanneer een militair bij ordemaatregel geschorst wordt, of wanneer deze schorsing wordt verlengd, zonder dat een procedure die aanleiding kan geven tot een statutaire maatregel werd ingesteld, wordt een onderzoeksraad, aangesteld door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 en samengesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 57, vijfde lid, belast met het uitbrengen van een advies over deze schorsing.
   De Koning regelt de procedure van de onderzoeksraad bedoeld in het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 68, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Onderafdeling 4. - Het ontslag op aanvraag.

  Art. 52.§ 1. [1 De militair kan op elk ogenblik zijn ontslag schriftelijk aanbieden. Dit ontslag heeft pas uitwerking wanneer de Koning voor de officieren [2 en de door de Koning aangewezen overheid voor de onderofficieren en de vrijwilligers]2, het heeft aanvaard.
   Het ontslag dat werd aanvaard, heeft uitwerking, naargelang het geval :
   1° ten laatste drie maanden na de datum van indienen van de aanvraag, behalve indien de betrokken militair een latere uitwerking vraagt dan de drie voornoemde maanden;
   2° indien het dienstbelang het vereist teneinde de operationele capaciteiten van de Krijgsmacht te vrijwaren, op de datum bepaald door de Koning of de overheid die Hij aanduidt, [3 bedoeld in het eerste lid,]3 maar ten laatste :
   a) negen maanden na de datum van indienen van de aanvraag voor de officieren;
   b) zes maanden na de datum van indienen van de aanvraag voor de onderofficieren en de vrijwilligers.]1
  § 2. De overheid bedoeld in § 1 kan het ontslag weigeren indien ze oordeelt dat het strijdig is met het dienstbelang.
  § 3. Het ontslag is steeds strijdig met het dienstbelang in de volgende gevallen :
  1° wanneer de betrokken militair minder dan drie jaar in werkelijke dienst is gebleven tijdens de periode volgend op de vorming op basis waarvan de rendementsperiode bedoeld in artikel 179 berekend wordt;
  2° in periode van crisis;
  3° in geval van mobilisatie;
  4° in periode van oorlog;
  5° indien de betrokken militair [1 ...]1 zich in periode van vrede in de deelstand " in operationele inzet " bevindt of effectief deel uitmaakt van een detachement dat zich voorbereidt met het oog op deze inzet.
  § 4. Behoudens in de door de Koning of de overheid die Hij aanwijst, uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen, is het ontslag bedoeld in § 2, niet strijdig met het dienstbelang wanneer de betrokken militair in werkelijke dienst is gebleven gedurende de volledige rendementsperiode bedoeld in artikel 179.
  Zowel in het uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgeval bedoeld in het eerste lid, als in het geval van een aanvraag tot ontslag dat uitwerking heeft na de periode bedoeld in § 3, 1°, maar voor de afloop van de rendementsperiode bedoeld in artikel 179, verkrijgt de betrokken militair, in zoverre hij zijn ontslagaanvraag niet formeel heeft ingetrokken, zijn ontslag ten laatste drie jaar na de beslissing tot weigering van de voornoemde ontslagaanvraag.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 69, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 23, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2018-04-30/07, art. 16, 017; Inwerkingtreding : 25-05-2018>

  Art. 53.De militair die de hoedanigheid van militair heeft verloren om één van de redenen opgesomd in artikel 22, eerste lid, mag niet opnieuw in het actief kader opgenomen worden.
  [1 Evenwel, voor zover hij de leeftijd van opruststelling niet bereikt heeft [3 en het belang van de dienst het toelaat]3, kan de militair die sinds ten hoogste drie jaar de hoedanigheid van militair heeft verloren na zijn ontslag op aanvraag, van de Koning voor wat de officieren betreft, [2 van de door de Koning aangewezen overheid]2 voor wat de onderofficieren en de vrijwilligers betreft, de toestemming bekomen om opnieuw in het actief kader opgenomen te worden. Hij ondergaat in dit geval een verlies van anciënniteit gelijk aan de tijd die sinds zijn ontslag verlopen is.]1
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 70, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 24, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2016-11-21/20, art. 54, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Onderafdeling 5. - De statutaire maatregelen.

  Art. 54. De volgende statutaire maatregelen kunnen worden uitgesproken ten opzichte van de militair :
  1° de inhouding op de wedde;
  2° de tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel;
  3° de definitieve ambtsontheffing.

  Art. 55.[1 Onverminderd de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, indien]1 een militair zich aan ernstige, met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie niet overeen te brengen feiten schuldig heeft gemaakt, kan [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 een inhouding op de wedde van betrokken militair toepassen. Deze inhouding wordt toegepast gedurende ten hoogste één maand en bedraagt ten minste twee percent en ten hoogste [1 vijf]1 percent van de bruto maandwedde, verschuldigd voor de maand waarin de statutaire maatregel betekend wordt aan de betrokken militair.
  De toepassing van deze statutaire maatregel mag voor de betrokken militair geen andere geldelijke gevolgen hebben dan die welke in het eerste lid zijn bepaald.
  De Koning bepaalt de nadere regels volgens dewelke deze maatregel wordt uitgesproken.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 71, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013, zie KB 2013-10-14/12, art. 52,1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 25, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 56.Indien een militair zich aan ernstige, met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie niet overeen te brengen feiten schuldig heeft gemaakt, kan [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 deze militair bij tuchtmaatregel van zijn ambt ontheffen voor een periode van maximum drie maanden.
  Indien de tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel van een officier [1 ...]1 langer duurt dan één maand, wordt de beslissing tot ambtsontheffing door de Koning uitgesproken.
  [1 Wanneer de militair geschorst werd bij ordemaatregel vóór het nemen van de beslissing van tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel, wordt de afwezigheid voortvloeiend uit de tijdelijke ambtsontheffing verminderd met de reeds ondergane periode van schorsing bij ordemaatregel.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 72, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013, zie KB 2013-10-14/12, art. 52,1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 26, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 57.Indien een militair zich aan ernstige, met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie niet overeen te brengen feiten schuldig heeft gemaakt, kan hij definitief uit zijn ambt worden ontheven.
  De maatregel wordt door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 uitgesproken, na raadpleging van een onderzoeksraad. Voor de officieren [1 ...]1 wordt deze maatregel evenwel door de Koning uitgesproken op het gemotiveerd verslag [2 van de door Hem aangewezen overheid]2 na raadpleging van een onderzoeksraad.
  [1 De onderzoeksraad gaat na of de feiten vaststaan en brengt, in voorkomend geval, advies uit over de ernst ervan en over hun onverenigbaarheid met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie.]1
  [1 De onderzoeksraad kan [2 aan de door de Koning aangewezen overheid]2 voorstellen om een andere maatregel dan de definitieve ambtsontheffing uit te spreken.]1
  [1 De onderzoeksraad, waarvan de procedure wordt bepaald door de Koning, wordt gevormd door vijf leden, bekleed met minstens een hogere graad dan de militair die verschijnt of met meer anciënniteit in dezelfde graad, en waarvan minstens twee leden tot dezelfde personeelscategorie als de militair die verschijnt behoren. Deze leden worden aangeduid overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning. De onderzoeksraad wordt bijgestaan door een secretaris aangewezen door de overheid die de Koning aanwijst.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 73, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013, zie KB 2013-10-14/12, art. 52,1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 58.[1 Behalve indien de volgende veroordelingen werden uitgesproken met uitstel en voor zover dit uitstel niet wordt herroepen, wordt de militair definitief uit zijn ambt ontheven zonder de tussenkomst van een onderzoeksraad indien hij veroordeeld wordt overeenkomstig artikel 19 van het Strafwetboek of artikel 5 van het Militair Strafwetboek of tot de, zelfs tijdelijke, ontzetting uit één van de rechten bedoeld in artikel 31, 1° en 6°, van het Strafwetboek.]1
  De maatregel wordt door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 uitgesproken. Voor de officieren [1 ...]1 wordt deze maatregel evenwel door de Koning uitgesproken.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 74, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013, zie KB 2013-10-14/12, art. 52,1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 28, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 59.De militair die zich bevindt in de deelstanden " in normale dienst " of " in vorming " bedoeld in artikel 191 en die onwettig afwezig is sinds meer dan eenentwintig opeenvolgende dagen, kan definitief uit zijn ambt worden ontheven volgens de door de Koning bepaalde procedure.
  De eerste werkdag na de datum van het begin van de onwettige afwezigheid wordt de militair bedoeld in het eerste lid, verwittigd, [1 tenminste met een aangetekende zending]1, van de mogelijkheid definitief uit zijn ambt te worden ontheven overeenkomstig het eerste lid. Hij wordt geacht verwittigd te zijn geweest, zelfs indien hij daar geen ontvangst van bevestigt, zodra de bedoelde verwittiging hem een tweede maal werd voorgelegd ten laatste de vijftiende dag na de datum van het begin van de onwettige afwezigheid.
  De militair van wie de onwettige afwezigheid gerechtvaardigd wordt door een geval van overmacht, wordt heropgenomen in werkelijke dienst door de door de Koning aangewezen overheid.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 75, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013, zie KB 2013-10-14/12, art. 52,1°>

  Art. 60. Wanneer een militair gescheiden is van het leger, hetzij tengevolge van oorlogsomstandigheden, hetzij door uitzonderlijke omstandigheden, die niet aan hem te wijten zijn, wordt iedere bepaling betreffende de definitieve ambtsontheffing te zijnen opzichte geschorst gedurende zijn afwezigheid.

  Afdeling 6. - [1 De anciënniteit en de benoeming]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 76, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 61.[1 Onder voorbehoud van de bepalingen inzake de aanstelling en benoeming van de kandidaat-militairen overeenkomstig de artikelen 82 en 83/1, en van de bepalingen inzake de aanstelling van militairen in een hogere graad overeenkomstig de artikelen 74 en 75, wordt de anciënniteit in de graad bepaald door de datum van benoeming in deze graad.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 77, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Art. 62.[1 Onder voorbehoud van de bepalingen bedoeld in artikel 83/2 inzake de rangschikking van de kandidaat-militairen waarvan, naargelang het geval, de benoeming of de aanstelling op dezelfde dag uitwerking heeft, wordt de betrekkelijke anciënniteit van de officieren, onderofficieren of vrijwilligers die op dezelfde datum in dezelfde graad benoemd zijn, bepaald :
   1° door hun anciënniteit in de vorige graad;
   2° bij gelijke anciënniteit in de vorige graad, in functie van de anciënniteit in de lagere graden;
   3° bij gelijke anciënniteit in de lagere graden, in functie van de dienstanciënniteit binnen de betrokken personeelscategorie;
   4° bij gelijke dienstanciënniteit binnen de betrokken personeelscategorie, in functie van de leeftijd van de militair.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 78, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Art. 63.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 79, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 64.Van de anciënniteit in de graad [1 ...]1 en van de dienstanciënniteit wordt in mindering gebracht :
  1° voor de hele duur, elke andere periode van non-activiteit dan de periode van tijdelijke ambtsontheffing om gezondheidsredenen en de periode van onwettige afwezigheid gerechtvaardigd door een geval van overmacht;
  2° voor de helft, de periode van tijdelijke ambtsontheffing om gezondheidsredenen, indien deze tijdelijke ambtsontheffing veroorzaakt is door een niet met de [1 uitvoering van de]1 dienst verband houdend feit;
  3° de tijd verlopen tussen [1 het verlies van de hoedanigheid van militair]1 en de heropneming voorzien in artikel 53, tweede lid.
  [1 ...]1
  De anciënniteit in de graad waarmee de militair bekleed is, wordt volgens de door de Koning bepaalde regels gewijzigd naargelang van de toepassing die, wat hem betreft, aan het eerste lid wordt gegeven.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 80, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Art. 64/1.[1 De militair die op zijn aanvraag, van ambtswege of ingevolge een wijziging in de organisatie van de Krijgsmacht overgeplaatst wordt, neemt in zijn nieuwe vakrichting rang in met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad.
   Hij volgt, wat de bevordering betreft, het lot van de militairen van deze nieuwe vakrichting die tegelijk met hem benoemd zijn in de graad die hij bekleedt en die een normale loopbaan hebben gehad.]1
  ----------
  (1)<W 2016-11-21/20, art. 55, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 64/2. [1 § 1. Binnen de perken gesteld in de paragrafen 2 tot 4, bepaalt de Koning voor de bevordering in de graad, in voorkomend geval, per vakrichting en voor de categorieën van militairen die Hij vaststelt, de minimum anciënniteit in de onmiddellijk lagere graad.
   § 2. Geen officier kan in de graad van majoor benoemd worden indien hij niet ten minste elf jaar anciënniteit als officier van het actief kader heeft.
   Geen officier kan in de graad van luitenant-kolonel, kolonel of in een opperofficiersgraad benoemd worden indien hij geen twee jaar anciënniteit heeft in de onmiddellijk lagere graad.
   § 3. Geen onderofficier kan in de graad van adjudant-chef worden benoemd indien hij niet tenminste tien jaar anciënniteit als onderofficier van het actief kader heeft.
   Behalve in periode van oorlog kan geen onderofficier in de onmiddellijk hogere graad benoemd worden, indien hij niet ten minste twee jaar werkelijke dienst heeft volbracht in de graad waarmee hij bekleed is.
   § 4. Behalve in periode van oorlog kan geen vrijwilliger in de graad van korporaal, van korporaal-chef, van eerste korporaal-chef worden benoemd indien hij niet ten minste twee jaar werkelijke dienst heeft volbracht in de onmiddellijk lagere graad.
   Voor de benoeming in de graad van eerste soldaat volstaat evenwel één jaar werkelijke dienst.
   Behalve in periode van oorlog kan geen vrijwilliger in de graad van korporaal-chef worden benoemd indien hij niet ten minste tien jaar werkelijke dienst heeft volbracht als vrijwilliger.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 82, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Art. 64/3. [1 De benoemingen van de officieren en de onderofficieren gebeuren binnen de vakrichting waartoe zij behoren in toepassing van de bepalingen van artikel 38.
   De opperofficieren worden benoemd volgens de nadere regels die de Koning bepaalt en die de belangen van de Krijgsmacht moeten in overeenstemming brengen met een billijke verhouding in deze graden tussen de vakrichtingen, binnen een groep van vakrichtingen en binnen een intervakrichtingengroep.
   De hoofdofficieren en hoofdonderofficieren worden benoemd binnen de in het eerste lid bedoelde vakrichting volgens de nadere regels die de Koning bepaalt en die de belangen van de Krijgsmacht moeten in overeenstemming brengen met een billijke verhouding in deze graden tussen de vakrichtingen, binnen een groep van vakrichtingen en binnen een intervakrichtingengroep.
   Het derde lid is niet van toepassing op de vakrichtingen of de personeelscategorieën die de Koning aanwijst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 83, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Afdeling 7. - De bevordering in de graad.

  Art. 65.§ 1. De militair kan niet in de hogere graad benoemd of aangesteld worden terwijl hij hetzij op non-activiteit, [1 hetzij in voorlopige hechtenis,]1 hetzij bij ordemaatregel geschorst, hetzij van het leger gescheiden is.
  § 2. Met terugwerkende kracht kan worden benoemd of aangesteld :
  1° de militair die weer in werkelijke dienst genomen wordt na een tijdelijke ambtsontheffing om gezondheidsredenen;
  2° de militair die [1 de dienst herneemt nadat hij]1 bij ordemaatregel geschorst werd;
  3° de militair die zich weer bij het leger [1 voegt]1 nadat hij ervan gescheiden werd;
  4° de militair die weer in werkelijke dienst genomen wordt nadat hij tijdelijk op pensioen gesteld werd wegens fysieke ongeschiktheid;
  5° de militair wiens kandidatuur niet tijdig onderzocht werd om gezondheidsredenen of om redenen te wijten aan de administratie;
  6° de militair die weer in werkelijke dienst genomen wordt na de rechtvaardiging van zijn onwettige afwezigheid door een geval van overmacht.
  7° [1 ...]1
  [1 8° de militair die de dienst herneemt nadat hij in voorlopige hechtenis is geweest.]1
  [1 De Koning voor de officieren en [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 voor de andere militairen kunnen bijzondere schikkingen treffen voor de regularisatie van de bevordering van de militairen bedoeld in deze paragraaf.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 84, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 28, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Afdeling 8. - De beoordeling van de militairen.

  Onderafdeling I. - De beoordeling van de competenties.

  Art. 66.[1 § 1. De militair wordt jaarlijks beoordeeld inzake zijn professionele geschiktheid. Deze beoordeling wordt de "professionele evaluatie" genoemd.
   De professionele evaluatie omvat drie evaluaties :
   1° de postevaluatie;
   2° de statutaire evaluatie;
   3° de evaluatie van het potentieel.
   De professionele evaluatie verloopt volgens de door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde evaluatiecyclus en nadere regels. Zij is gebaseerd op :
   1° de postbeschrijving van de post die door de geëvalueerde militair wordt bezet;
   2° de gedrags- en professionele competenties verbonden aan de functie uitgeoefend door de geëvalueerde militair;
   3° de generieke gedragscompetenties verbonden aan de hoedanigheid van de militair;
   4° de gedragscompetenties die niet noodzakelijk zijn voor de door de militair uitgeoefende functie, maar vereist zijn voor de uitoefening van een andere functie, naargelang het geval, van een ander niveau in de organisatie, van een ander niveau van personeelscategorie of in een andere personeelscategorie.
   De postevaluatie heeft tot doel de militair bij de uitoefening van zijn functie te begeleiden. Ze is gebaseerd op de elementen bedoeld in het derde lid, 1° en 2°.
   De statutaire evaluatie heeft tot doel te evalueren of de militair in het bezit is van de generieke gedragscompententies bedoeld in het derde lid, 3°, onmisbaar voor de hoedanigheid van militair, door de toekenning van een vermelding "voldoende" of "onvoldoende".
   De evaluatie van het potentieel heeft tot doel het potentieel van de militair in te schatten. Ze is gebaseerd op de compententies bedoeld in het derde lid, 4°.
   De beoordeelde competenties bedoeld in het derde lid, 2° tot 4°, kunnen verschillen naargelang de personeelscategorie of -ondercategorie van de betrokken militair en de door hem bezette post.
   § 2. De militair wordt geëvalueerd door een eerste evaluator die de militaire hiërarchische meerdere van de geëvalueerde militair is.
   De eerste evaluator is, hetzij :
   1° een officier;
   2° een onderofficier van niveau B die ten minste de vervolmakingscursus bedoeld in artikel 112, tweede lid, met succes gevolgd heeft;
   3° een onderofficier van niveau C die ten minste de vervolmakingscursus bedoed in artikel 112, eerste lid, 2°, met succes gevolgd heeft;
   4° een onderofficier muzikant die ten minste geslaagd is in het examen bedoeld in artikel 50 van de wet van 27 maart 2003 betreffende het statuut van de militaire muzikanten en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het personeel van Landsverdediging.
   Indien de militaire hiërachische meerdere van de militair niet voldoet aan één van de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, dan wordt een andere militair die aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden voldoet, die in de hoedanigheid van eerste evaluator de inhoud van de door de geëvalueerde militair uitgeoefende functie kent, aangeduid door de overheid bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
   Volgens de nadere regels bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, moet de in het derde lid bedoelde eerste evaluator, om tot de professionele evaluatie van de geëvalueerde militair over te gaan, het advies van de militaire hiërarchische meerdere van de geëvalueerde militair vragen, die de functioneringsgesprekken en de evaluatiegesprekken kan bijwonen.
   De tweede evaluator is de militaire hiërarchische meerdere van de eerste evaluator die minimum de bevoegdheden van eenheidscommandant uitoefent.
   De eerste evaluator en de tweede evaluator behoren tot hetzelfde taalstelsel als de geëvalueerde militair.
   In afwijking van het zesde lid, kunnen de eerste evaluator en de tweede evaluator, die niet behoren tot hetzelfde taalstelsel als de geëvalueerde, tot de evaluatie overgaan als ze in het bezit zijn van, naargelang het geval :
   1° als officier, de wezenlijke kennis van de taal bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger;
   2° als onderofficier, de werkelijke kennis van de taal bedoeld in artikel 8, § 1, derde lid, van dezelfde wet.
   Overeenkomstig, het eerste tot zevende lid bepaalt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels voor de aanwijzing van de eerste evaluatoren en de tweede evaluatoren.
   De geëvalueerde militair kan een beroep bij de tweede evaluator indienen op het tijdstip en volgens de procedure bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
   De tweede evaluator moet, alvorens een eindbeslissing te nemen, ten minste één en maximum drie raadgevers, die door de geëvalueerde militair werden voorgesteld, raadplegen. De raadgevers mogen de hoedanigheid hebben van advocaat, vakbondsafgevaardigde, of militair van het actief kader. De militair van het actief kader voorgesteld als raadgever mag evenwel niet zijn of geweest zijn : de echtgenoot, de wettelijke samenwonende of bloed- of aanverwant tot de vierde graad van de geëvalueerde militair. De nadere regels betreffende het voorstel en de raadpleging van de raadgevers worden door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaald.
   De hiërarchische keten kan geen vermelding "onvoldoende" geven op de statutaire evaluatie van een militair indien geen functioneringsgesprek voordien werd gehouden volgens de nadere regels bepaald door de Koning " bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad ".
   § 3. De uitoefening van een nevenfunctie geeft aanleiding tot een bijkomende postevaluatie door de militaire hiërarchische meerdere van de geëvalueerde militair in het kader van de nevenfunctie volgens de bepalingen bedoeld in § 1, vierde lid, en § 2.
   § 4. De overheid die de Koning aanwijst " bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, kan, in voorkomend geval, een bijkomende evaluatie van het potentieel voorzien.
   Onverminderd de toepassing van de paragraaf 2, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een dienst van Defensie of een organisatie extern aan Defensie belasten met de organisatie en de uitvoering van de evaluatie van het potentieel.]1
  ----------
  (1)<W 2017-07-31/24, art. 4, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 67.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/24, art. 5, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Onderafdeling 2. - De beoordeling van de fysieke geschiktheid en van de medische geschiktheid.

  Art. 68.[1 § 1. De militair wordt beoordeeld inzake zijn fysieke geschiktheid en zijn medische geschiktheid.
   Deze beoordeling gebeurt op basis van fysieke geschiktheidscriteria en van medische geschiktheidscriteria.
   § 2. De militair moet voldoen aan de fysieke geschiktheidscriteria die door de Koning worden bepaald, naargelang het geval, per leeftijdscategorie, per geslacht en per functie of nevenfunctie.
   In voorkomend geval kan de Koning bijkomende fysieke geschiktheidscriteria bepalen voor het uitoefenen van bepaalde activiteiten.
   Om te bewijzen dat hij voldoet aan de fysieke geschiktheidscriteria moet de betrokken militair slagen in de fysieke proeven die de Koning bepaalt. De resultaten van deze proeven worden bekrachtigd door de korpscommandant van betrokken militair.
   De beoordeling van de fysieke geschiktheid gebeurt :
   1° volgens een periodiciteit die de Koning bepaalt;
   2° ten laatste zes maanden na het bezetten van een nieuwe functie;
   § 3. De militair moet voldoen aan de medische geschiktheidscriteria overeenstemmende met het vereiste medische profiel.
   De medische geschiktheidscriteria worden bepaald door de Koning, naargelang het geval, per vakrichting, functie of nevenfunctie.
   In voorkomend geval kan de Koning, voor het uitoefenen van bepaalde activiteiten, bijkomende medische geschiktheidscriteria bepalen.
   Bovendien bepaalt de Koning :
   1° de overheden, die een advies moeten geven over de medische geschiktheid van de militair;
   2° de overheden die bevoegd zijn om te beslissen over de medische geschiktheid van de militair;
   3° de procedure die leidt tot de beoordeling van de medische geschiktheid van de militair.
   De beoordeling van de medische geschiktheid gebeurt :
   1° volgens een periodiciteit bepaald door de Koning per functie, nevenfunctie of post;
   2° op aanvraag van :
   a) de korpscommandant van betrokken militair;
   b) betrokken militair;
   c) de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer bevoegd voor de eenheid van de betrokken militair;
   d) de geneesheer die belast is met de medische steun van de eenheid waartoe de betrokken militair behoort;
   e) de door de Koning aangewezen overheden;
   3° op het ogenblik dat de militair zijn eenheid vervoegt na een ononderbroken afwezigheid om gezondheidredenen van meer dan achtentwintig dagen;
   4° ten laatste zes maanden na het ogenblik waarop vastgesteld werd dat betrokken militair niet meer voldeed aan zijn medische profiel.
   Over een periode van zesendertig opeenvolgende maanden mag de duur van de afwezigheid om gezondheidsredenen niet meer dan vierentwintig maanden bedragen.
   De militaire commissie voor geschiktheid en reform of de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform kan deze duur evenwel per gedeelte van maximum twaalf maanden verlengen, tot een maximumduur van zestig maanden, in de volgende gevallen :
   1° voor de militair die aan een aandoening lijdt waarvoor er voldoende aanwijzingen zijn voor een mogelijke genezing;
   2° voor de militair die aan een ernstige en langdurige aandoening lijdt.
   Onder ernstige en langdurige aandoeningen worden enkel de chronische, somatische of fysieke aandoeningen van lange duur begrepen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 87, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Onderafdeling 3. - De [1 geschiktheidscategorieën]1.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 88, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 69.[1 Het deel uitmaken van een geschiktheidscategorie wordt jaarlijks bepaald, en voor de eerste keer, na afloop van de periode van opleiding.
   Het deel uitmaken van een geschiktheidscategorie wordt bepaald op datum van 1 januari van een jaar en wordt, voor wat betreft de professionele en de fysieke geschiktheid, bepaald voor de duur van dat hele jaar.
   De militair behoort tot een van de volgende geschiktheidscategorieën : A, B, C of D.
   Voor een bepaald jaar, behoort de militair tot de geschiktheidscategorie A, voor zover :
   1° [3 hij op 31 december van het voorgaande jaar, de vermelding "voldoende" heeft bekomen ter gelegenheid van zijn twee laatste statutaire evaluaties;]3
   2° en hij op 31 december van het voorgaande jaar aan de vereiste fysieke geschiktheidscriteria voldoet;
   3° en hij aan de medische geschiktheidscriteria voldoet om te worden ingezet in de functie en, in voorkomend geval, de nevenfunctie die hij uitoefent.
   Voor een bepaald jaar, behoort de militair tot de geschiktheidscategorie B, voor zover :
   1° [3 hij op 31 december van het voorgaande jaar de vermelding "voldoende" ter gelegenheid van zijn laatste statutaire evaluatie en de vermelding "onvoldoende" ter gelegenheid van zijn voorlaatste statutaire evaluatie bekomen heeft;]3
   2° of hij op 31 december van het voorgaande jaar niet voldoet aan de vereiste fysieke geschiktheidscriteria;
   3° of hij, op basis van de beslissing van een door de Koning aangewezen overheid, voor medische redenen voor een gecumuleerde duur van meer dan een maand en minder dan een jaar :
   a) zijn functie of, in voorkomend geval, zijn nevenfunctie, niet kan uitoefenen zonder beperking;
   b) of niet kan worden ingezet in één van de deelstanden bedoeld in artikel 190, 3°, 4° of 6°.
   Voor een bepaald jaar, behoort de militair tot de geschiktheidscategorie C :
   1° indien hij op 31 december van het voorgaande jaar voor de eerste keer een vermelding "onvoldoende" ter gelegenheid van zijn laatste [3 statutaire evaluatie]3 heeft bekomen;
   2° of indien hij op 31 december van het voorgaande jaar tot de geschiktheidscategorie B behoorde, overeenkomstig het vijfde lid, 2°, en op 31 december van het voorgaande jaar, nog steeds niet voldeed aan de vereiste fysieke geschiktheidscriteria;
   3° of hij, op basis van de beslissing van een door de Koning aangewezen overheid, voor medische redenen voor een gecumuleerde duur van meer dan een jaar :
   a) zijn functie of, in voorkomend geval, zijn nevenfunctie, niet kan uitoefenen zonder beperking;
   b) of niet kan worden ingezet in één van de deelstanden bedoeld in artikel 190, 3°, 4° of 6° ;
   4° of indien een procedure voor het verschijnen voor de militaire commissie voor geschiktheid en reform is opgestart ten aanzien van de betrokken militair.
   Voor een bepaald jaar, behoort de militair tot de geschiktheidscategorie D :
   1° indien hij op 31 december van het voorgaande jaar twee vermeldingen "onvoldoende" bekomen heeft ter gelegenheid van zijn twee laatste [3 statutaire evaluaties]3;
   2° of indien hij op 31 december van het voorgaande jaar tot de geschiktheidscategorie C behoorde, overeenkomstig het zesde lid, 2°, en op de voormelde datum van het voorgaande jaar, nog steeds niet voldeed aan de vereiste fysieke geschiktheidscriteria;
   3° of indien hij de periode van afwezigheid om gezondheidsredenen bedoeld in artikel 68, § 3, zesde lid, overschrijdt.
   De korpscommandant moet de procedure voor het verschijnen voor de militaire commissie voor geschiktheid en reform opstarten voor de militair die gedurende een periode van zesendertig opeenvolgende maanden, vierentwintig maanden niet voldaan heeft aan de medische geschiktheidscriteria om ingezet te worden in de functie en desgevallend de nevenfunctie die hij uitoefent.
   De militair voor wie een procedure opgestart is om te verschijnen voor de militaire commissie voor geschiktheid en reform of de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform, kan evenwel niet naar de "geschiktheidscategorie D" overgaan vóór het afsluiten van deze procedure.
   Periodes van eventuele ongeschiktheid verband houdende met moederschaps- en ouderschapsbescherming worden niet in rekening genomen voor de berekening van de voornoemde maximumtermijnen.
   Na een afwezigheid om gezondheidsredenen kan de militair, voor zover de dienst het toelaat, van [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 de toestemming krijgen om halftijds te werken om medische redenen. De periodes gedurende dewelke de militair die een dergelijke toestemming heeft gekregen, afwezig is, moeten verrekend worden in de in het zevende lid, 3°, bedoelde periode. De toestemming om halftijds te werken voor medische redenen, mag niet worden verleend voor meer dan zes maanden gedurende de periode dat de militair aan dezelfde aandoening lijdt.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 89, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 56, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>
  (3)<W 2017-07-31/24, art. 6, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 70.[1 De militair die tot de geschiktheidscategorie C behoort wegens het niet voldoen aan de fysieke geschiktheidscriteria of aan de medische geschiktheidscriteria noodzakelijk voor de uitoefening van een bepaalde functie, moet om overgeplaatst te kunnen worden, op aanvraag of van ambtswege, naar een andere functie, in voorkomend geval in een andere vakrichting, de dag van zijn overplaatsing, beantwoorden aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria voor de uitoefening van zijn nieuwe functie.
  [3 In afwijking van het eerste lid kan de onderofficier van niveau B die tot de geschiktheidscategorie C behoort wegens het niet voldoen aan de fysieke geschiktheidscriteria of aan de medische geschiktheidscriteria noodzakelijk voor de uitoefening van een functie van onderofficier niveau B, op zijn aanvraag worden overgeplaatst, in de hoedanigheid van onderofficier van niveau C, naar een andere functie, in voorkomend geval in een andere vakrichting. De dag van zijn overplaatsing, moet hij beantwoorden aan de fysieke geschiktheidscriteria en aan de medische geschiktheidscriteria voor de uitoefening van zijn nieuwe functie in zijn nieuwe hoedanigheid.
   De onderofficier van niveau B die overgeplaatst wordt in de hoedanigheid van onderofficier van niveau C, behoudt de graad en de anciënniteit in de graad waarin hij was benoemd. Voor de latere benoemingen volgt hij het lot van de andere militairen van zijn nieuwe referentiepromotie.
   De referentiepromotie van de overgeplaatste onderofficier bedoeld in het derde lid, is de promotie van de kandidaat-onderofficier van niveau C, die tegelijk:
   1° de basisvorming als kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C van de normale werving heeft aangevat in hetzelfde vormingsjaar als dit waarin de betrokken onderofficier van niveau B zijn kandidatuurperiode heeft aangevat;
   2° een normale kandidaatsperiode als kandidaat-onderofficier van niveau C heeft doorgemaakt.]3
   De militair die voldoet aan de voorwaarden bedoeld [3 , naargelang het geval, in het eerste lid of het tweede lid]3, wordt voorlopig overgeplaatst naar zijn nieuwe functie en wordt, in voorkomend geval, voorlopig ingeschreven in zijn nieuwe vakrichting.
   Om definitief overgeplaatst te kunnen worden naar een andere functie, en in voorkomend geval, in een andere vakrichting, moet de militair :
   1° in voorkomend geval, de vorming verbonden aan zijn nieuwe functie en vastgesteld in een reglement uitgevaardigd door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2, met succes gevolgd hebben;
   2° [4 voor zijn statutaire evaluatie in zijn nieuwe functie, de vermelding "voldoende" hebben gekregen.]4
   De Koning bepaalt de nadere regels van deze overplaatsing.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 90, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-11-07/52, art. 21, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 28, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2016-08-03/27, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 01-10-2016>
  (4)<W 2017-07-31/24, art. 7, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 71.[1 De militair die tot de geschiktheidscategorie D behoort, kan van ambstwege de hoedanigheid van militair verliezen.
   Het verlies van hoedanigheid wordt door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 uitgesproken. Voor de officieren wordt de maatregel evenwel door de Koning uitgesproken op basis van het gemotiveerd advies [2 van de door Hem aangewezen overheid]2.
   Wanneer de betrokken militair een beroep heeft ingediend bij de in artikel 178/2 bedoelde beroepsinstantie, wordt het verlies van hoedanigheid uitgesproken door de Koning of [2 de door Hem aangewezen overheid]2 op gemotiveerd advies van de beroepsinstantie.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 91, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 29, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 72.[1 De militair die tot de geschiktheidscategorie D behoort, kan, op beslissing [2 van de door de Koning aangewezen overheid]2 of van de in artikel 178/2 bedoelde beroepsinstantie, de hoedanigheid van militair behouden voor een periode van :
   1° twee jaar, indien de betrokken militair minder dan acht jaar werkelijke dienst heeft volbracht;
   2° drie jaar, indien de betrokken militair ten minste acht jaar werkelijke dienst heeft volbracht.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 92, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 30, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 72/1.[1 De militair die, op het einde van de in artikel 72 bedoelde periode, tot de geschiktheidscategorie D blijft behoren, kan, naargelang het geval :
   1° de hoedanigheid van militair verliezen overeenkomstig artikel 71;
   2° op beslissing [2 van de door de Koning aangewezen overheid]2 of van de in artikel 178/2 bedoelde beroepsinstantie, de hoedanigheid van militair opnieuw behouden voor een periode gelijk aan deze bedoeld in artikel 72.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 93, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 30, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 72/2.[1 Onverminderd de toepassing van de artikelen 72 en 72/1, kan de militair die tot de geschiktheidscategorie D behoort en die vijf jaar of minder van de datum van zijn opruststelling verwijderd is, op beslissing [2 van de door de Koning aangewezen overheid]2 of van de in artikel 178/2 bedoelde beroepsinstantie, de hoedanigheid van militair behouden tot zijn opruststelling, voor zover hij [3 de vermelding "voldoende" heeft bekomen ter gelegenheid van zijn twee laatste statutaire evaluaties en hij deze vermelding behoudt ter gelegenheid van de latere statutaire evaluaties]3.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 94, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 30, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2017-07-31/24, art. 8, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 72/3.[1 Verliest van rechtswege de hoedanigheid van militair :
   1° de militair die, op het einde van de in artikel 72/1, 2°, bedoelde periode, tot de geschiktheidscategorie D blijft behoren;
   2° de militair bedoeld in artikel 72/2 die de vermelding "onvoldoende" bekomt ter gelegenheid van een latere [2 statutaire evaluatie]2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 95, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (2)<W 2017-07-31/24, art. 9, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 72/4. [1 De bepalingen van deze onderafdeling zijn niet van toepassing op de kandidaat-militairen.
   De kandidaat-militair die de vereiste professionele, fysieke of karakteriële hoedanigheden niet meer bezit of aan de medische geschiktheidscriteria niet meer voldoet om zijn basisvorming voort te zetten, gaat evenwel over naar de geschiktheidscategorie B in afwachting van de beslissing van de bevoegde commissie of overheid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 96, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 72/5.[1 In afwijking van de voorwaarden bedoeld in artikel 163/1 kan de militair die niet meer voldoet aan de fysieke geschiktheidscriteria of aan de medische geschiktheidscriteria noodzakelijk voor het bezetten van een bepaalde functie, en die niet naar een andere functie kan worden overgeplaatst, van een maand van dienstontheffing en van de informatiefase van de in artikel 165 bedoelde beroepsomschakeling genieten.
   Om van de voornoemde maatregelen te kunnen genieten, moet de militair :
   1° de vermelding "voldoende" hebben bekomen ter gelegenheid van zijn twee laatste [2 statutaire evaluaties]2;
   2° in geval van fysieke ongeschiktheid, de beroepsinstantie bedoeld in artikel 178/2 hebben gevat.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 97, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (2)<W 2017-07-31/24, art. 10, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Onderafdeling 4. - Het personeelsbeheer.

  Art. 73.De beoordelingen bedoeld in de artikelen 66 en 68 [2 ...]2 worden aangewend door elke meerdere met het oog op het personeelsbeheer.
  [1 Deze beoordelingen moeten aangewend worden met het oog op een sociale promotie zoals bedoeld in artikel 114.]1
  Deze beoordelingen kunnen aangewend worden voor :
  1° een dienstaanwijzing;
  2° [1 een bevordering;]1
  [1 3° het nemen van statutaire maatregelen bedoeld in de artikelen 54 tot 59.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 98, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (2)<W 2017-07-31/24, art. 11, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Afdeling 9. - Bijzondere bepalingen.

  Art. 74.De militaire commandant van het Paleis der Natie wordt buiten kader geplaatst. Tijdens zijn bijzondere dienst kan hij tot de verschillende graden aangesteld worden, tot en met de graad van luitenant-generaal.
  Deze aanstellingen worden toegekend, parallel met de bevordering van de officieren met dezelfde anciënniteit van onderluitenant, op voorstel van de voorzitters van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat en voor zover in deze wet bepaalde minimumanciënniteit voor bevordering in een bepaalde graad en de bepalingen van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger worden gerespecteerd.
  [1 Om reden van zijn bijzondere functie is de militaire commandant van het Paleis der Natie niet verplicht de voor de bevordering opgelegde examens af te leggen.
   De betrokken officier zal evenwel, ingeval hij weer in de organieke kaders van de Krijgsmacht opgenomen wordt, de graad of de graden die hij door aanstelling verkregen heeft terwijl hij buiten kader was, slechts behouden indien hij voldaan heeft aan de voorwaarden vastgesteld door de desbetreffende wetten en onderrichtingen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 99, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 75.[1 § 1. In uitzonderingsgevallen kan een officier of een onderofficier tot wederopzeggens aangesteld worden om het ambt van een hogere graad in zijn personeelscategorie uit te oefenen of voor het vervullen van functies in internationale instellingen of intergeallieerde militaire formaties.
   In uitzonderingsgevallen kan de Koning bij wege van aanstelling de graad van brigade-generaal of flottielje-admiraal verlenen voor de uitoefening van functies in Belgische vertegenwoordigingen in het buitenland, in internationale instellingen, in intergeallieerde militaire formaties, en voor de uitoefening van nationale functies met een internationaal karakter.
   De graad van brigade-generaal of flottielje-admiraal staat hiërarchisch onmiddellijk onder de graad van generaal-majoor of divisieadmiraal.
   Voor de aanstelling bedoeld in het eerste lid van officieren, en in het tweede lid van brigade-generaal of flottielje-admiraal, wordt het besluit van aanstelling evenals het verslag aan de Koning in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakt.
   De aanstelling voor de uitoefening van een ambt van de hogere graad vervalt op de datum waarop [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 beslist dat de opdracht ten einde is.
   § 2. De Koning kan, bij wege van aanstelling, de graad van generaal of van admiraal verlenen voor de uitoefening van de volgende ambten :
   1° hoofd van het Militair Huis van de Koning;
   2° chef defensie.
   Deze graad kan eveneens bij wege van aanstelling verleend worden voor de uitoefening van functies in internationale instellingen of in intergeallieerde militaire formaties.
   De graad van generaal of admiraal staat hiërarchisch onmiddellijk boven de graad van luitenant-generaal of vice-admiraal.
   § 3. De aangestelde militair oefent de functies uit van de graad waarin hij is aangesteld en draagt er de kentekens van.
   Enkel de graad waarin de militair benoemd is, komt evenwel in aanmerking voor de toepassing van deze wet.
   De militair die in een graad aangesteld werd, behoudt deze graad eershalve wanneer hij op pensioen gesteld wordt bij het verstrijken van de periode waarin hij de functies uitgeoefend heeft die zijn aanstelling noodzakelijk maakten.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 100, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 31, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 76.[1 De Koning wijst bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de opperofficier aan die het ambt van chef defensie uitoefent.]1
  De duur van dit mandaat is vier jaar.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het mandaat verlengen met periodes van één jaar.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 101, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 77.In zijn hoedanigheid van opperbevelhebber van de Krijgsmacht, is de Koning bekleed met de graad van generaal [1 of admiraal]1.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 102, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 77/1.[1 Volgens de nadere regels en de procedure die de Koning bepaalt voor elke van de betrokken categorieën, maken de militairen en kandidaat-militairen die deelnemen aan de luchtdienst deel uit van een van de volgende categorieën van het varend personeel :
   1° het gebrevetteerd varend personeel;
   2° het gebrevetteerd varend reservepersoneel;
   3° het leerling-varend personeel;
   4° het gecertificeerd varend personeel.
   De militairen en kandidaat-militairen worden uit deze categorieën geschorst of geschrapt door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2, overeenkomstig het advies van de adviesorganen waarvan de Koning de concrete samenstelling en de te volgen procedure bepaalt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 103, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 31, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 77/2. [1 Wanneer het leger gemobiliseerd is, kan de Koning de toepassing schorsen van de artikelen 39, § 1, 64/2, § 1, en § 3, tweede lid, 75, § 1, vijfde lid, 84/1, eerste lid, 139/1, tweede lid, en 139/2, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 104, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Afdeling 10.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 105, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 78.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 106, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  HOOFDSTUK II. - De [1 ...]1 militaire loopbaan.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 107, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Afdeling 1. - Algemeenheden.

  Art. 79.[1 § 1. De kandidaten bedoeld in artikel 3, 13°, a), en artikel 87, eerste lid, dienen krachtens opeenvolgende dienstnemingen en wederdienstnemingen.
   § 2. De Koning stelt de nadere regels vast voor het aangaan van een dienstneming, bedoeld in artikel 87, eerste lid, of een wederdienstneming als kandidaat-militair.
   § 3. De Koning stelt het aantal dienstnemingen en wederdienstnemingen en de duur ervan vast, in functie van de door Hem per type van vorming en per personeelscategorie bepaalde duur van de vorming. De duur van deze dienstnemingen mag evenwel niet minder bedragen dan twee jaar.
   § 4. De dienstneming bedoeld in artikel 87, eerste lid, gaat in door de ondertekening van de akte de dag waarop de kandidaat-militair zijn vorming begint.
   Deze akte doet elke vroegere dienstneming of wederdienstneming van rechtswege en op zijn datum eindigen.
   De wederdienstneming gaat in bij het verstrijken van de dienstneming.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 108, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 79/1.[1 De dienstneming of de wederdienstneming van een kandidaat-militair bedoeld in artikel 3, 13°, a), en artikel 87, eerste lid, kan slechts in de volgende gevallen verbroken worden :
   1° door oppensioenstelling wegens definitief vastgestelde lichamelijke ongeschiktheid voor elke militaire dienst;
   2° door verbreking van rechtswege als gevolg van het verlies van de hoedanigheid van kandidaat-militair;
   [2 3° door verbreking van ambtswege door de autoriteit en volgens de nadere regels en de procedure die de Koning bepaalt, wanneer de betrokkene :
   a) deze dienstneming heeft aangegaan op grond van een valse verklaring;
   b) veroordeeld wordt, met of zonder uitstel, tot een militaire gevangenisstraf van ten minste één maand wegens een misdrijf dat volgens het Militair Strafwetboek strafbaar is;
   c) zich aan ernstige, met zijn staat van militair niet overeen te brengen feiten schuldig heeft gemaakt of wanneer zijn gedrag of zijn wijze van dienen manifest onvoldoende is;
   d) het voorwerp uitmaakt van een beslissing van ongeschiktheid genomen ingevolge één of meerdere medische selectieonderzoeken, waarvan de uitslag niet beschikbaar was vóór de datum waarop de dienstneming aanving;
   e) meer dan eenentwintig opeenvolgende dagen onwettig afwezig is;
   f) in de gevallen bedoeld in de artikelen 103 tot 104/1, zijn vorming niet voort kan zetten in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie, in een andere specifieke vormingscyclus waarvoor deze specifieke medische geschiktheid, deze specifieke beroepsbekwaamheid of deze specifieke fysieke conditie niet vereist wordt;
   g) uit zijn specifieke cyclus basisvorming moet worden verwijderd wegens de weigering of de intrekking van de vereiste veiligheidsmachtiging;
   4° door verbreking op verzoek door de autoriteit en volgens de nadere regels die de Koning bepaalt.]2]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 109, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 59, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 80.[1 Elke kandidaat-militair bedoeld in artikel 3, 13°, a), is, vanaf zijn aanvaarding, van rechtswege met de graad van soldaat bekleed.
   Om aangesteld te kunnen worden tot andere graden moet de kandidaat-militair geslaagd zijn in de vorige vormingsperiode of in het vorig gedeelte van de vormingsperiode.
   In de gevallen die de Koning bepaalt, behoudt de kandidaat-militair de graad, waarin hij was benoemd of aangesteld op het ogenblik van zijn aanvaarding.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 110, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 81.[1 § 1. Volgens de personeelscategorie, waarvoor hij gevormd wordt, kan de kandidaat-militair bedoeld in artikel 3, 13°, a), volgens de hierna vermelde rangorde aangesteld worden in één of meerdere van de volgende graden :
   1° de kandidaat-officier :
   a) korporaal of kwartiermeester;
   b) sergeant of tweede meester;
   c) adjudant of eerste meester-chef;
   d) onderluitenant of vaandrig-ter-zee tweede klasse;
   e) kapitein of luitenant-ter-zee;
   2° de kandidaat-onderofficier :
   a) korporaal of kwartiermeester;
   b) sergeant of tweede meester;
   c) eerste sergeant-majoor of eerste meester.
   3° de kandidaat-vrijwilliger : eerste soldaat of eerste matroos.
   Deze graden stemmen overeen met de graden van de beroepsmilitairen.
   De Koning bepaalt de nadere regels van de toekenning van deze aanstellingen, alsook van hun intrekking in de gevallen bedoeld in artikel 81/6.
   De aanstelling in de graden bedoeld in het eerste lid van de kandidaat die heropgenomen wordt in toepassing van artikel 107, derde lid, en die geen vertraging ondergaan heeft in zijn vormingscyclus wegens een andere reden dan het verlies van de hoedanigheid van kandidaat in toepassing van artikel 21/1, eerste lid, 9°, heeft uitwerking op dezelfde datum als deze van de kandidaten van zijn oorspronkelijke promotie die geen vertraging in de vormingscyclus hebben opgelopen.
   De kandidaat die, in toepassing van artikel 108, tweede lid, aangehecht wordt aan een latere promotie van kandidaten van dezelfde hoedanigheid behoudt de graad waarin hij was aangesteld. Onverminderd de toepassing van het vierde lid, volgt hij evenwel voor de latere aanstellingen het lot van de andere kandidaten van zijn nieuwe promotie.
   § 2. De kandidaat-officier kan slechts in de graad van onderluitenant worden aangesteld indien hij geslaagd is voor het examen over de wezenlijke kennis van de tweede landstaal bedoeld in artikel 3 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, en kan de kandidaat-onderofficier slechts in de graad van sergeant worden aangesteld indien hij blijk heeft gegeven van de werkelijke kennis van de taal van de eenheid bij dewelke hij zal moeten dienen, krachtens artikel 8 van de voornoemde wet van 30 juli 1938.
   Voor de kandidaat-officier van de laterale werving wordt de wezenlijke kennis van de tweede landstaal enkel geëist voor de benoeming in de graad van majoor, waarvoor de betrokken kandidaat-officier geslaagd moet zijn voor het taalexamen bedoeld in artikel 5, § 1, van de voornoemde wet van 30 juli 1938, of de grondige kennis van de taal in de zin van artikel 7 van deze wet moet bezitten. Indien de betrokken kandidaat-officier dit examen opnieuw moet afleggen overeenkomstig artikel 6 van dezelfde wet, wordt zijn kandidaatsperiode verlengd met de nodige termijn.
   § 3. De kandidaat-militairen van dezelfde promotie die aan dezelfde examens hebben deelgenomen worden op dezelfde datum aangesteld.
   De kandidaat-militair die slaagt in een herkansingsexamen of die slaagt na uitstel, wordt aangesteld met uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op het slagen van het herkansingsexamen of op het slagen na uitstel.
   De kandidaat-militair wordt evenwel aangesteld in de graad van, naargelang het geval, kapitein of onderluitenant voor de kandidaat-officier of sergeant voor de kandidaat-onderofficier, op de dag bepaald in artikel 82, van de laatste maand van het trimester waarin het herkansingsexamen met succes werd afgelegd of waarin geslaagd werd na uitstel.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 111, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 81/1. [1 De kandidaat-militair bedoeld in artikel 3, 13°, b), kan aangesteld worden in een hogere graad van zijn personeelscategorie of in de graad waarin hij benoemd kan worden op het einde van zijn basisvorming volgens de nadere regels die de Koning bepaalt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 112, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 81/2. [1 De kandidaat-militair bedoeld in artikel 3, 13°, a), kan, in voorkomend geval met terugwerkende kracht, tot de door de Koning bepaalde dag worden benoemd in de laagste graad, naargelang het geval, van beroepsofficier, -onderofficier of -vrijwilliger.
   In afwijking van artikel 64/2, kan evenwel de kandidaat-officier van niveau A van de laterale en bijzondere werving en de kandidaat-onderofficier van niveau B van de bijzondere werving benoemd worden :
   1° tot de graad van majoor, voor de kandidaat-officier van niveau A van de laterale werving;
   2° tot de graad van luitenant, voor de kandidaat-officier van niveau A van de bijzondere werving;
   3° tot de graad van eerste sergeant-majoor, voor de kandidaat-onderofficier van niveau B van de bijzondere werving.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 113, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 81/3. [1 Wanneer betrokkene zijn basisvorming niet binnen de gestelde termijn heeft voltooid, of wanneer hij bij toepassing van zijn statuut anciënniteit heeft verloren, wordt de datum van zijn benoeming vastgesteld rekening houdend met de bijkomende termijn die hij nodig heeft gehad om zijn vorming te beëindigen of met het verlies van anciënniteit dat hij ondergaan heeft.
   Deze bepaling is evenwel niet van toepassing wanneer de tijdens de cyclus basisvorming opgelopen vertraging werd veroorzaakt, naargelang het geval :
   1° door een ongeval of een ziekte ingevolge een met de dienst verband houdend feit;
   2° ingevolge slechte weersomstandigheden die een rechtstreekse impact hebben op het verloop van de betrokken cyclus basisvorming;
   3° ingevolge het verlies van de hoedanigheid van kandidaat bedoeld in artikel 21/1, eerste lid, 9°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 114, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 81/4. [1 De artikelen 81/2 en 81/3 zijn niet toepasselijk op de kandidaat-militair die bij toepassing van artikel 106 de toelating gekregen heeft om een andere basisvorming te volgen.
   Betrokkene volgt in dit geval het lot van de andere kandidaat-militairen die dezelfde basisvorming volgen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 115, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 81/5. [1 De aanstellingen worden van rechtswege verleend op de datum bepaald in deze wet, behalve :
   1° de aanstelling tot de graad van kapitein en van onderluitenant die door de Koning verleend wordt;
   2° de aanstelling van de kandidaat-onderofficier tot de graad van sergeant die verleend wordt door de door de Koning aangewezen overheid;
   3° de aanstelling van de kandidaat-vrijwilliger tot de graad van eerste soldaat die verleend wordt door de door de Koning aangewezen overheid.
   Indien de kandidaatsperiodes geen normaal verloop kennen worden de data van de aanstellingen aangepast overeenkomstig het in deze afdeling bepaald stelsel van aanstellingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 116, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 81/6. [1 De aanstelling wordt van rechtswege ingetrokken van de kandidaat-militair die :
   1° de hoedanigheid van kandidaat-militair verliest;
   2° gereclasseerd wordt in een andere hoedanigheid overeenkomstig artikel 106;
   3° gereïntegreerd wordt in een andere hoedanigheid overeenkomstig artikel 107;
   4° op zijn verzoek geheroriënteerd wordt in een andere hoedanigheid overeenkomstig artikel 105, tweede lid.
   De kandidaat-militair bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4°, volgt voor zijn verdere aanstellingen het lot van de andere kandidaat-militairen van zijn nieuwe promotie.
   De kandidaat-militair gereclasseerd in dezelfde hoedanigheid en de kandidaat-militair die aangehecht wordt aan een volgende promotie van kandidaat-militairen van dezelfde hoedanigheid overeenkomstig artikel 97/1, § 3, 3°, behouden de graad waarin ze waren aangesteld. Voor de latere aanstellingen volgen ze het lot van de andere kandidaat-militairen van hun nieuwe promotie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 117, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 82.[1 § 1. De kandidaat-beroepsofficier van niveau A van de normale werving die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, wordt aangesteld in de graad van :
   1° korporaal, op 1 oktober van het eerste vormingsjaar;
   2° sergeant, op 1 maart van het eerste vormingsjaar;
   3° adjudant, op 1 september van het tweede vormingsjaar;
   4° onderluitenant, op 26 september van het vierde vormingsjaar, op voorwaarde dat hij houder is van het diploma van de eerste cyclus van zijn academische vorming.
   § 2. De kandidaat-beroepsofficier van niveau A van de bijzondere werving, die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 2, eerste lid, 1°, wordt aangesteld :
   1° indien hij houder is van een master of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift behaald na een universitaire of gelijkwaardige cyclus van minstens zes jaar :
   a) in de graad van sergeant op de eerste dag van de eerste maand volgend op de maand van indiensttreding;
   b) in de graad van adjudant, op de eerste dag van de vierde maand volgend op de maand van indiensttreding;
   c) in de graad van onderluitenant, op de zesentwintigste dag van de zesde maand volgend op de maand van indiensttreding;
   2° indien hij houder is van een master of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift behaald na een universitaire of gelijkwaardige cyclus van ten hoogste vijf jaar :
   a) in de graad van korporaal op het einde van de militaire initiatiefase;
   b) in de graad van sergeant, op de eerste dag van de vierde maand volgend op de maand van indiensttreding;
   c) in de graad van adjudant, op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van indiensttreding;
   d) in de graad van onderluitenant, op de zesentwintigste dag van de twaalfde maand volgend op de maand van indiensttreding.
   § 3. De kandidaat-beroepsofficier van niveau A gereclasseerd als kandidaat-beroepsofficier van niveau B, wordt aangesteld in de graad van :
   1° korporaal, op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van indiensttreding;
   2° sergeant, op de eerste dag van de twaalfde maand volgend op de maand van indiensttreding;
   3° adjudant, op de eerste dag van de vijftiende maand volgend op de maand van indiensttreding;
   4° onderluitenant, op de zevenentwintigste dag van de zevenendertigste maand volgend op de maand van indiensttreding;
   De kandidaat-beroepsofficier van niveau A die als kandidaat-beroepsofficier van niveau B gereclasseerd werd, wordt op de dag van zijn reclassering aangesteld in de graad waarmee hij was bekleed in de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier van niveau A. Voor de latere aanstellingen volgt hij evenwel het lot van de andere kandidaten van zijn nieuwe promotie.
   § 4. De kandidaat-beroepsofficier van niveau B van de bijzondere werving die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 2, eerste lid, 2°, wordt aangesteld in de graad van :
   1° korporaal, op het einde van de militaire initiatiefase;
   2° sergeant, op de eerste dag van de vierde maand volgend op de maand van indiensttreding;
   3° adjudant, op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van indiensttreding;
   4° onderluitenant, op de zesentwintigste dag van de twaalfde maand volgend op de maand van indiensttreding.
   § 5. De kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B van de normale werving die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 2°, wordt aangesteld in de graad van :
   1° korporaal, op de zesentwintigste dag van de tweede maand volgend op de maand van indiensttreding;
   2° sergeant, op de zesentwintigste dag van de zesde maand volgend op de maand van indiensttreding.
   § 6. De kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B van de bijzondere werving die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 2, eerste lid, 3°, wordt aangesteld in de graad van :
   1° korporaal, op het einde van de militaire initiatiefase;
   2° sergeant, op de zesentwintigste dag van de derde maand volgend op de maand van indiensttreding;
  [2 3° eerste sergeant-majoor, op de zesentwintigste dag van de vijftiende maand volgend op de maand van indiensttreding.]2
   § 7. De kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C van de normale werving die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 3°, wordt aangesteld in de graad van :
   1° korporaal, op de zesentwintigste dag van de derde maand volgend op de maand van indiensttreding;
   2° sergeant, op de zesentwintigste dag van de zesde maand volgend op de maand van indiensttreding.
   § 8. De kandidaat-vrijwilliger die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 4°, wordt aangesteld in de graad van eerste soldaat op de eerste dag van de maand die volgt op het beëindigen van het eerste vormingsjaar, indien hij geslaagd is voor de fase gespecialiseerde professionele opleiding.
   § 9. De kandidaat-beroepsofficier van niveau A van de laterale werving die aangeworven werd volgens de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 3, wordt aangesteld in de graad van kapitein op het einde van de militaire initiatiefase.
   § 10. Behoudens de toepassing van artikel 81, § 2, tweede lid, wordt de kandidaat-beroepsofficier of -onderofficier van de aanvullende werving, wanneer hij zijn vorming begint, aangesteld tot dezelfde graad waarmee de andere kandidaten van de promotie zijn bekleed waaraan hij wordt gehecht. Voor de latere aanstellingen volgt hij het lot van de kandidaten van de normale werving van zijn promotie.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 118, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 60, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 83.[1 De aanstellingen bedoeld in artikel 82 kunnen evenwel op een later tijdstip plaatsvinden volgens de bepalingen bedoeld in artikel 81.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 119, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 83/1.[1 § 1. Worden benoemd in de graad van, naargelang het geval, onderluitenant, eerste sergeant-majoor, sergeant of eerste soldaat, en als, naargelang het geval, officier, onderofficier of vrijwilliger in het actief kader opgenomen in de hoedanigheid van beroepsmilitair, op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin de basisvorming met succes werd beëindigd :
   1° de kandidaat-beroepsmilitairen van de normale en aanvullende werving;
   2° de kandidaat-beroepsofficieren van niveau B van de bijzondere werving.
   Deze benoemingen worden verleend :
   1° door de Koning, voor de benoeming tot de graad van onderluitenant;
   2° door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2, voor de benoeming tot de graad van eerste sergeant-majoor of van sergeant;
   3° door de door de Koning aangewezen overheid, voor de benoeming tot de graad van eerste soldaat.
   § 2. Behalve voor de kandidaat-militair die een verlenging van zijn basisvorming bekomen heeft om professionele redenen, waarbij de terugwerking met de duur van de verlenging wordt verminderd, heeft de uitwerking van de benoeming met terugwerkende kracht plaats :
   1° voor de kandidaat-beroepsofficier van niveau A van de normale en de aanvullende werving en voor de kandidaat-beroepsofficier van niveau B van de bijzondere werving, tot op de dag van de aanstelling in de graad van onderluitenant van de kandidaat-militairen van de promotie die geen vertraging hebben opgelopen, behoudens de toepassing van artikel 4, vierde lid, van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger;
   2° voor de kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C van de normale werving, tot anderhalf jaar na de datum van aanstelling tot de graad van sergeant;
   3° voor de kandidaat-beroepsvrijwilliger tot op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij aangesteld werd in de graad van eerste soldaat.
   § 3. De kandidaat-beroepsofficier van niveau A van de laterale of bijzondere werving en de kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B van de bijzondere werving worden benoemd en in het actief kader opgenomen op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin de basisvorming met succes werd beëindigd, naargelang het geval :
   1° door de Koning, tot de graad van :
   a) majoor, voor de laterale werving;
   b) luitenant, voor de bijzondere werving;
   2° door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2, tot de graad van eerste sergeant-majoor.
   De benoeming van de kandidaat-militairen bedoeld in het eerste lid heeft uitwerking op dezelfde datum als deze van de kandidaat-militairen van hun referentiepromotie.
  [3 Indien de in het tweede lid bedoelde datum aan de datum van inlijving van de betrokken militairen voorafgaat, heeft hun benoeming en opname in het actief kader evenwel uitwerking op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin zij werden ingelijfd.
   Evenwel volgen de in het derde lid bedoelde militairen, voor wat hun eerstvolgende bevordering in de hogere graad betreft, het lot van de militairen van hun referentiepromotie.]3
   § 4. De referentiepromotie van de kandidaat-beroepsofficier van niveau A en van de kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B van de bijzondere werving die een normale studieduur heeft doorgemaakt tijdens zijn hogere studies voor het bekomen van het diploma waarvoor hij aangeworven is, is de promotie van de kandidaat-militair die tegelijk :
   1° hetzij :
   a) voor de kandidaat-beroepsofficier van niveau A van de bijzondere werving, de basisvorming in de faculteit sociale en militaire wetenschappen van de Koninklijke Militaire School heeft aangevat in hetzelfde academiejaar als dat waarin de betrokken kandidaat-militair van de bijzondere werving zijn hogere studies heeft aangevat met betrekking tot het voor de bijzondere werving vereiste diploma;
   b) voor de kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B van de bijzondere werving, de basisvorming van kandidaat-beroepsonderofficier van de normale werving heeft aangevat in hetzelfde vormingsjaar als dat waarin de betrokken kandidaat-militair van de bijzondere werving zijn hogere studies heeft aangevat met betrekking tot het voor de bijzondere werving vereiste diploma;
   2° een normale kandidaatsperiode als kandidaat-militair heeft doorgemaakt.
   De referentiepromotie van de kandidaat-militair die geen normale studieduur heeft doorgemaakt, die geen normale kandidaatsperiode als kandidaat-militair heeft doorgemaakt of die niet aansluitend op zijn hogere studies als kandidaat-militair aanvaard werd, wordt berekend op grond van de referentiepromotie vermeld in het eerste lid, rekening houdend met de opgelopen vertragingen.
   § 5. De referentiepromotie van de kandidaat-beroepsofficier van niveau A van de laterale werving die een normale studieduur heeft doorgemaakt tijdens zijn hogere studies voor het bekomen van het diploma waarvoor hij aangeworven is, is de promotie van de kandidaat-officier, die tegelijk :
   1° de basisvorming als kandidaat-beroepsofficier van de normale werving heeft aangevat in hetzelfde academiejaar als dit waarin de betrokken kandidaat-militair van de laterale werving zijn hogere studies heeft aangevat met betrekking tot het voor de laterale werving op diploma vereiste diploma;
   2° een normale kandidaatsperiode als kandidaat-militair heeft doorgemaakt.
   De referentiepromotie van de kandidaat-militair die geen normale studieduur of geen normale kandidaatsperiode als kandidaat-militair heeft doorgemaakt wordt berekend op grond van de referentiepromotie vermeld in het eerste lid, rekening houdend met de opgelopen vertragingen.
   Er wordt evenwel geen rekening gehouden voor het bepalen van de referentiepromotie met een beroepservaring van meer dan vijf jaar in het beoogde domein vereist bij de werving.
   De betrekkelijke anciënniteit van de beroepsofficieren van niveau A van de laterale werving wordt bepaald in functie van de beroepservaring die ze op het moment van de werving konden bewijzen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 120, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 31, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2016-11-21/20, art. 61, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 83/2. [1 § 1. De kandidaat-beroepsofficieren van niveau A waarvan hetzij de benoeming, hetzij de aanstelling op dezelfde dag uitwerking heeft, worden gerangschikt in hun vakrichtingen in de volgende volgorde :
   1° de kandidaat-officieren van de normale en aanvullende werving in de volgende volgorde :
   a) de kandidaat-officieren van de polytechnische faculteit van de Koninklijke Militaire School;
   b) de kandidaat-officieren van de faculteit sociale en militaire wetenschappen van de Koninklijke Militaire School;
   c) de kandidaat-officieren artsen, dierenartsen, tandartsen of apothekers;
   d) de kandidaat-officieren van een industriële hogeschool;
   e) de kandidaat-officieren van de hogere zeevaartschool;
   2° de kandidaat-officieren van de bijzondere werving;
   3° de kandidaat-officieren van de laterale werving.
   De kandidaat-beroepsonderofficieren, waarvan hetzij de benoeming, hetzij de aanstelling op dezelfde dag uitwerking heeft, worden gerangschikt in de volgende volgorde :
   1° de kandidaat-onderofficieren van niveau B van de normale werving;
   2° de kandidaat-onderofficieren van niveau C van de normale werving;
   3° de kandidaat-onderofficieren van niveau B van de bijzondere werving.
   § 2. De rangschikking van de kandidaat-beroepsofficieren en beroepsonderofficieren waarvan, naargelang het geval, de benoemingen of de aanstellingen op dezelfde dag uitwerking hebben en die niet aan dezelfde examens hebben deelgenomen die voor de rangschikking bedoeld in artikel 93, § 2, in aanmerking worden genomen, wordt bepaald door één enkele rangschikking. Deze wordt opgemaakt binnen elk van de groepen bedoeld in § 1 op basis van de onderscheiden rangschikkingen bedoeld in artikel 93, § 2. De officieren of onderofficieren, die verschillende examens hebben afgelegd, worden in deze rangschikking in verhouding tot hun aantal om beurten opgenomen.
   De aldus verkregen rangschikking mag evenwel niet tot gevolg hebben dat, naargelang het geval, een officier of een onderofficier wordt gerangschikt vóór een andere officier of onderofficier, wiens examencijfer meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.
   § 3. De kandidaat-militair die het geheel of een gedeelte van zijn basisvorming volgt in een vreemde militaire instelling of in een andere burgerlijke instelling, in België of in het buitenland, dan de instelling waar de basisvorming normaal wordt verstrekt, wordt door de door de Koning aangewezen overheid gerangschikt, naargelang het geval, vóór, na of volgens de interpolatieregels die zij bepaalt, tussen de kandidaat-militairen waarvan de basisvorming als gelijkwaardig wordt beschouwd.
   De beslissing inzake de wijze van rangschikking bedoeld in het eerste lid wordt genomen vooraleer de betrokkene die basisvorming of dat basisvormingsgedeelte aanvat.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 121, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 84.[1 § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen inzake de benoeming en de aanstelling van de kandidaat-militairen overeenkomstig de artikelen 82 en 83/1, worden de graden van lagere officier, lagere onderofficier, keuronderofficier en vrijwilliger [2 , alsook de graad van adjudant-chef voor de onderofficieren van niveau B,]2 naar anciënniteit verleend onder respectievelijk de officieren, onderofficieren en vrijwilligers die aan de voorwaarden bedoeld, naargelang het geval, in de artikelen 64/2, 65 [2 , 84/1 en 139, vierde lid]2, voldoen.
   De militair bedoeld in het eerste lid, van wie de wijze van dienen onbevredigend geacht wordt of, in voorkomend geval, de officier of onderofficier die niet geschikt geoordeeld wordt om de functies van de hogere graad uit te oefenen, kan evenwel bij de bevordering voorbijgegaan worden.
   [2 De wijze van dienen van de militairen en, in voorkomend geval, hun geschiktheid om de functies van de hogere graad uit te oefenen, worden beoordeeld door hun hiërarchische meerderen volgens de door de Koning vastgelegde regels en in de vorm die Hij voorschrijft.]2
   Die adviezen worden ter kennis gebracht van de betrokkene. Er mag geen ongunstig advies worden uitgebracht zonder dat betrokken militair zijn verweer heeft kunnen laten gelden.
   Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met :
   1° de [3 statutaire evaluaties]3 bedoeld in artikel 66;
   2° in voorkomend geval, de [3 evaluaties van het potentieel bedoeld in artikel 66]3;
   3° de beoordelingen betreffende de geschiktheden bedoeld in artikel 68.
   § 2. De wijze van dienen en, in voorkomend geval, de geschiktheid van de militair bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, wordt een tweede maal onderzocht één jaar na de datum van het eerste onderzoek of, mits akkoord van de betrokken militair, in de loop van het jaar van werkelijke dienst volgend op de datum van het eerste onderzoek en een derde en laatste maal twee jaar na de datum van het eerste onderzoek of, mits akkoord van de betrokken militair, in de loop van het tweede jaar van werkelijke dienst volgend op de datum van het eerste onderzoek.
   De militair die na dit laatste onderzoek niet is bevorderd, komt niet langer voor bevordering in aanmerking.
   In afwijking van de bepalingen in het eerste en tweede lid, kan, op aanvraag van de betrokken militair, de wijze van dienen en desgevallend de geschiktheid van de militair worden heronderzocht nadat vijf jaar werkelijke dienst verlopen zijn na het laatste onderzoek bepaald in het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 122, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 62, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>
  (3)<W 2017-07-31/24, art. 12, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 84/1. [1 Geen onderofficier van niveau C kan in de graad van eerste sergeant-majoor worden benoemd indien hij :
   1° de vervolmakingscursussen bedoeld in artikel 112, eerste lid, 1°, niet met vrucht gevolgd heeft;
   2° niet geslaagd is voor het examen voor overgang naar de graad van eerste sergeant-majoor.
   De Koning bepaalt de aard van dit examen en de voorwaarden die dienen vervuld te zijn om eraan te mogen deelnemen.
   De onderofficier van niveau C die niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, of die definitief afgezien heeft van deelname aan de voormelde vervolmakingscursussen of aan het voormelde examen, wordt benoemd in de graad van eerste sergeant-chef, indien hij de door de Koning vastgestelde anciënniteit heeft in de graad van eerste sergeant.
   De onderofficier van niveau C die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid wordt voorafgaandelijk aan zijn benoeming in de graad van eerste sergeant-majoor niet in de graad van eerste sergeant-chef benoemd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 123, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 85.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 124, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 86.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 125, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Afdeling 2. [1 - De kandidaatsperiode]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 126, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Onderafdeling 1. [1 - Algemeenheden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 127, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 87.[1 De hulpofficier die wegens medische ongeschiktheid voor de luchtdienst of wegens beroepsonbekwaamheid voor de luchtdienst, geschrapt wordt als lid van het gebrevetteerd varend personeel kan, op zijn verzoek, aanvaard worden om een vorming te volgen om te worden opgenomen als kandidaat-officier van niveau B in de loopbaan van beperkte duur, voor zover hij een akte ondertekent waarbij hij zich ertoe verbindt in dienst te blijven voor een periode, in volle jaren uitgedrukt, die overeenstemt met de duur van zijn vorming zoals bepaald door de Koning, desnoods naar boven afgerond. De betrokken kandidaat ontvangt een exemplaar van de dienstnemingsakte die hij heeft onderschreven.
   De hulpofficier die aanvaard werd om een vorming te volgen om te worden opgenomen als kandidaat-officier van niveau B in de loopbaan van beperkte duur, wordt aangesteld in de graad waarin hij als hulpofficier is benoemd.
   Wanneer hij zijn vorming met goed gevolg beëindigd heeft, wordt hij opgenomen als officier van niveau B in de loopbaan van beperkte duur, met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad, verminderd met één jaar.
   De kandidaat-hulpofficier piloot die definitief mislukt is of die geschrapt is uit een categorie van het varend personeel en de kandidaat-hulpofficier luchtverkeersleider die definitief mislukt is kan, op zijn verzoek, in functie van de kaderbehoeften van de Krijgsmacht en op beslissing van de door de Koning aangewezen overheid, de toestemming bekomen om een nieuwe vorming te volgen in de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C. De overheid neemt zijn beslissing op basis van :
   1° de reeds gevolgde vormingsgedeelten;
   2° de medische geschiktheid van de kandidaat;
   3° de vereiste veiligheidsmachtiging.
   De aanstelling in de graad van de kandidaat-hulpofficier piloot of de kandidaat-hulpofficier luchtverkeersleider die de toestemming heeft gekregen om een nieuwe vorming te volgen in de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C wordt van rechtswege ingetrokken. De kandidaat volgt voor zijn verdere aanstellingen het lot van de andere kandidaten van zijn nieuwe promotie.
   De kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C kan vrijgesteld worden van het geheel of een gedeelte van de periode van opleiding indien hij voordien met goed gevolg een gelijkwaardige vorming heeft gevolgd als kandidaat-hulpofficier piloot of kandidaat-hulpofficier luchtverkeersleider.
   Behoudens andersluidende bepaling, worden de kandidaten-hulpofficieren die de toestemming hebben gekregen om een nieuwe vorming te volgen in de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C in deze hoedanigheid beschouwd als kandidaten bedoeld in artikel 3, 13°, a).]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 128, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Afdeling 2.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 129, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Onderafdeling 1.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 130, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 88.[1 De basisvorming, bedoeld in artikel 3, 39°, de cyclus basisvorming genoemd, bestaat, naargelang het geval, uit één of meer van de volgende vormingsperiodes :
   1° een periode van schoolvorming;
   2° een periode van opleiding;
   3° een stageperiode;
   4° een evaluatieperiode.
   Tijdens de stage- en de evaluatieperiodes oefent de kandidaat-militair activiteiten uit die behoren tot het takenpakket van de functie waarvoor hij gevormd wordt.
   Op basis van de in het eerste lid bepaalde periodes en volgens de behoeften van de Krijgsmachtdelen en het einddoel van de basisvorming, bepaalt de Koning de structuur van de basisvormingen van elke kandidaat-militair, per personeelscategorie, per type van vorming en, in voorkomend geval, per vakrichting.
   De kandidaat-militair kan een vormingsperiode slechts aanvangen indien hij voor de vorige vormingsperiode geslaagd is.
   Evenwel :
   1° neemt de kandidaat-militair die, tengevolge van een mislukking voor een bepaalde vormingsperiode, de beslissing van de deliberatie- of evaluatiecommissie bedoeld in artikel 101 of van de beroepsinstantie bedoeld in artikel 178/2, afwacht, voorlopig deel aan de volgende vormingsperiode;
   2° kunnen gedeelten van de periode van opleiding de periode van schoolvorming, de stageperiode en de evaluatieperiode onderbreken.
   Indien dit wegens de organisatie van de verschillende basisvormingsgedeelten noodzakelijk is, kan de kandidaat-militair tijdens de vorming in een afwachtingsstage geplaatst worden vooraleer het volgende gedeelte van de cyclus basisvorming aan te vatten.
   Tijdens de afwachtingsstage oefent de kandidaat-militair activiteiten uit die aanleunen bij zijn toekomstige functie of een functie die deze zo dicht mogelijk benadert, teneinde hem te integreren in zijn toekomstig werkmilieu en hem vertrouwd te maken met zijn toekomstige functie.
   Indien hij nog geen enkele opleiding ontvangen heeft of indien wegens omstandigheden de toepassing van het vorig lid onmogelijk is, wordt hij evenwel in een afwachtingsperiode geplaatst en oefent andere activiteiten uit die aanleunen bij zijn toekomstige functie of een functie die deze zo dicht mogelijk benadert, of volgt een andere basisvorming.
   De duur van de basisvormingscyclus kan verlengd worden door de door de Koning aangewezen overheid in functie van een opgelegde afwachtingsstage of afwachtingsperiode. De aanstellingen en de benoeming hebben evenwel uitwerking op de data voorzien voor de kandidaat-militairen die geen vertraging in de cyclus basisvorming hebben opgelopen.
   Tijdens een afwachtingsstage of afwachtingsperiode worden de professionele en de karakteriële hoedanigheden van de kandidaat niet beoordeeld.
   De door de Koning aangewezen overheid bepaalt de nadere regels die tijdens de afwachtingsstage of - periode op de kandidaat-militair toepasselijk zijn.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 131, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 89.[1 De kandidaat-militair kan ertoe verplicht worden het geheel of een gedeelte van zijn basisvorming te ontvangen in een buitenlandse of multinationale militaire instelling, of in een burgerlijke instelling in België of in het buitenland.
   De Koning wijst de overheid aan die zich uitspreekt over de gelijkwaardigheid van de vormingen bedoeld in het eerste lid en die bepaalt in welke mate de verschillende hoedanigheden van de kandidaat-militairen beoordeeld worden.
   Indien een gedeelte van de cyclus basisvorming in een in het eerste lid bedoelde instelling wordt gevolgd, wordt voor dit gedeelte rekening gehouden met het regime van die instelling wat betreft het verlenen van een vrijstelling of uitstel, de professionele beoordeling, de organisatie en de werking van de deliberatiecommissie en wat betreft de door deze commissie te nemen maatregelen. De beoordeling van de karakteriële hoedanigheden en van de fysieke hoedanigheden kan tot bepaalde periodes van de basisvorming beperkt worden.]1
  [2 Evenwel dient op het einde van ieder vormingsjaar de professionele beoordeling van de kandidaat, bedoeld in het derde lid, eveneens te worden voorgelegd aan de bevoegde deliberatiecommissie, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
   1° de kandidaat volgt een periode van schoolvorming, waarvan de programma's van bachelor, master en bijkomende master worden uitgedrukt in studiepunten;
   2° de kandidaat heeft het aantal studiepunten voorzien in zijn vormingstraject, in voorkomend geval met inbegrip van de nog te behalen studiepunten uit het vorig vormingsjaar, niet behaald.
   De deliberatiecommissie beslist dat de kandidaat bedoeld in het vierde lid, naargelang het geval :
   1° zijn vorming in de hoedanigheid van kandidaat mag verderzetten volgens de regels van de onderwijsinstelling waar hij zijn vorming volgt;
   2° uitzonderlijk zijn vorming in de hoedanigheid van kandidaat mag verderzetten volgens de regels van de onderwijsinstelling waar hij zijn vorming volgt en wordt aangehecht aan de volgende promotie;
   3° zijn vorming in de hoedanigheid van kandidaat niet mag verderzetten en als kandidaat definitief mislukt is wegens een onvoldoende professionele beoordeling.
   De kandidaat bedoeld in het vijfde lid, 1° en 2°, die weigert zijn vorming verder te zetten, wordt beschouwd als definitief mislukte kandidaat wegens een onvoldoende professionele beoordeling.]2
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 132, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>
  (2)<W 2017-09-28/07, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 15-08-2017>

  Art. 90.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 133, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 91.[1 Voor de toepassing van deze afdeling is de [2 kandidaat-militair]2 "in dienst" wanneer hij in werkelijke dienst of op non-activiteit is.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 134, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 63, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 92.[1 Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat-militair door de door Hem aangewezen overheid vrijgesteld worden van basisvormingsgedeelten of cursussen, indien hij voordien met goed gevolg deze basisvormingsgedeelten, cursussen of gelijkwaardige basisvormingsgedeelten of cursussen heeft gevolgd.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 135, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 93.[1 § 1. De rangschikking van de kandidaat-militairen wordt aangewend :
   1° voor de oriëntering naar een vakrichting;
   2° in voorkomend geval, voor de aanwijzing van een eenheid :
   a) op het einde van de cyclus basisvorming, voor de kandidaat-beroepsofficieren van de normale werving en de aanvullende werving;
   b) op het einde van de periode van opleiding of een deel van deze periode voor de kandidaat-beroepsofficieren van de bijzondere werving;
   c) op het einde van de periode van opleiding voor de kandidaat-beroepsofficieren van niveau B;
   d) op het einde van de periode van opleiding of een deel van deze periode voor de kandidaat-onderofficieren;
   3° voor de vastlegging van de betrekkelijke anciënniteit in de graad.
   § 2. De rangschikking van de kandidaat-militairen wordt opgesteld op grond van alle uitslagen behaald tijdens het geheel of het gedeelte van de reeds gevolgde cyclus basisvorming op de beoordeling :
   1° van de professionele hoedanigheden;
   2° van de karakteriële hoedanigheden;
   3° van de fysieke hoedanigheden.
  [3 De Koning kan specifieke bepalingen bepalen voor het klassement van de kandidaat-militairen van de aanvullende werving.]3
   § 3. De belangrijkheidscoëfficiënt van de hoedanigheden bedoeld in § 2, met het oog op de rangschikking wordt bepaald in een reglement vastgesteld door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2, per cyclus basisvorming en desgevallend per vormingsperiode of gedeelte van vormingsperiode.
   § 4. Wanneer de kandidaat-militair een herkansingsexamen heeft ondergaan worden alleen de uitslagen behaald bij het eerste examen in aanmerking genomen voor de rangschikking.
   § 5. Wanneer een kandidaat-militair vrijgesteld wordt van een gedeelte van de basisvorming, beslist de overheid die bevoegd is om de vrijstelling te verlenen, naargelang de vroeger met succes genoten basisvorming en de kwotering al dan niet volkomen dezelfde waren :
   1° de vroegere uitslag over te nemen, desgevallend mits een omrekening in functie van het puntentotaal van de kwotering in de huidige vorming van de kandidaat-militair;
   2° de vroegere uitslag niet aan te wenden en de puntentotalen van de kandidaat-militair te berekenen op grond van de uitslagen behaald in de resterende gedeelten van de vorming of de vormingsperiode.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 136, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 31, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2016-11-21/20, art. 64, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 94.[1 § 1. Voor de kandidaat-militair geldt het stelsel van omstandigheidsverloven dat van toepassing is op de beroepsmilitairen beneden de rang van officier.
   Tijdens de periodes van schoolvorming en van opleiding geniet de kandidaat-militair de verloven ingeschreven op het vormingsprogramma.
   Onverminderd de bepalingen inzake het uitstel, volgt de kandidaat-militair tijdens de stage- of evaluatieperiode, alsmede tijdens de afwachtingsstage of -periode, evenwel het verlof- en dienstontheffingsstelsel van de personeelscategorie van de beroepsmilitairen, waarvoor hij kandidaat is.
   § 2. Buiten de normale studie-uren ingeschreven op het vormingsprogramma, kunnen bijkomende maatregelen van pedagogische bijstand worden opgelegd, wanneer de studieresultaten van de kandidaat-militair onvoldoende zijn.
   De regels inzake deze maatregelen van pedagogische bijstand, die niet het karakter hebben van een tuchtstraf, worden vastgesteld in een reglement goedgekeurd door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 137, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 31, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 95.[1 Voor zover deze bepalingen niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze afdeling en voor zover de reglementaire bepalingen niet onverenigbaar zijn met de reglementaire bepalingen genomen in uitvoering van deze afdeling, zijn alle wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het statuut van de beroepsofficieren, de beroepsonderofficieren of de beroepsvrijwilligers toepasselijk op de kandidaat-militairen naar gelang van de personeelscategorie waarvoor zij gevormd worden.
   De wettelijke en reglementaire bepalingen toepasselijk op de beroepsmilitairen inzake tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden, ouderschapsbescherming en tijdelijke ambtsontheffing om gezinsredenen zijn niet toepasselijk op de kandidaat-militairen.
   De wettelijke en reglementaire bepalingen toepasselijk op de beroepsmilitairen inzake voorlopige hechtenis, schorsing bij ordemaatregel en tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel zijn toepasselijk op de kandidaat-militairen.
   De bepalingen van de gecoördineerde wetten op de militaire pensioenen zijn toepasselijk op de kandidaat-militairen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 138, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Onderafdeling 2. - De beoordeling.

  Art. 96.[1 § 1. Naargelang de basisvormingen bedoeld in artikel 88, derde lid, bepaalt de Koning de aard van de cursussen, de te volgen stageperiodes of evaluatieperiodes, de eventueel voor te leggen stageverslagen en de slagcriteria die moeten worden vervuld om te slagen in de vorming.
   § 2. Tijdens de volledige basisvorming moet de kandidaat :
   1° de vereiste professionele en karakteriële hoedanigheden evenals de vereiste fysieke hoedanigheden op het vlak van de fysieke conditie bezitten;
   2° de vereiste medische hoedanigheden bezitten;
   3° blijk geven van de morele hoedanigheden bedoeld in artikel 11.
   § 3. Indien de beoordelingsmomenten op minder dan drie maanden van elkaar verwijderd zijn, wordt voor de beschouwde periode enkel de laatste beoordeling gemaakt.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 139, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 97.[1 § 1. Tijdens een periode van opleiding of van schoolvorming berust de beoordeling van de professionele hoedanigheden op de voor de elementen van deze vormingsperiode behaalde resultaten.
   Tijdens een stage- of evaluatieperiode bestaat de beoordeling van de professionele hoedanigheden erin na te gaan in welke mate de kandidaat-militair in staat is om de taken die hem, naargelang het geval, als officier, onderofficier of vrijwilliger zouden worden toegewezen, zelfstandig uit te voeren. Deze beoordeling wordt uitgedrukt in één van de volgende meldingen : "onvoldoende", "voldoende" of "goed".
   § 2. De professionele hoedanigheden van elke kandidaat-militair worden, in voorkomend geval, ten minste beoordeeld :
   1° tijdens de schoolvorming, op het einde van elk vormingsjaar en op het einde van de schoolvorming;
   2° tijdens de periode van opleiding, één keer per vormingsjaar en op het einde van de periode van opleiding;
   3° tijdens de periode van stage, één keer per vormingsjaar en op het einde van de stageperiode;
   4° tijdens de periode van evaluatie, één keer per vormingsjaar en op het einde van de evaluatieperiode.
   De Koning kan bijkomende professionele beoordelingsmomenten bepalen in functie van de specifieke cyclus basisvorming van de kandidaat-militair.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 140, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 97/1.[1 § 1. Tijdens een periode van opleiding of een periode van schoolvorming bezit de kandidaat-militair de vereiste professionele hoedanigheden indien hij, bij elke beoordeling bedoeld in artikel 97, § 2, tegelijk aan de volgende criteria tot slagen voldoet :
   1° zich niet onthouden hebben van deelname aan alle examens, tenzij mits geldige reden;
   2° ten minste het minimum globaal cijfer om te slagen, behaald hebben;
   3° voor elk uitsluitend element, ten minste het minimum cijfer om te slagen behaald hebben.
   § 2. Iedere beoordeling uitgebracht over een kandidaat-militair tijdens een periode van opleiding of van schoolvorming bedoeld in artikel 97, § 2, waarvoor de kandidaat-militair niet aan de criteria tot slagen heeft voldaan, of tijdens dewelke hij, zonder geldige reden, niet aan een examen of test heeft deelgenomen, wordt aan de bevoegde deliberatiecommissie voorgelegd.
   De kandidaat-officier die bij geen van beide pogingen geslaagd is voor het examen over de wezenlijke kennis van de tweede landstaal, voorzien in artikel 3 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, zet evenwel zijn vorming verder met zijn oorspronkelijke promotie.
   § 3. Inzake de beoordeling van de professionele hoedanigheden beslist de deliberatiecommissie, dat de kandidaat-militair, naargelang het geval en onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van artikel 89, derde lid :
   1° de vereiste professionele hoedanigheden bezit en, in voorkomend geval, de vorming mag verderzetten;
   2° een [2 herkansingsexamen]2 mag afleggen, zijn masterproef opnieuw mag indienen en voorstellen, of zijn masterproef opnieuw mag indienen of zijn masterproef opnieuw mag voorstellen;
   3° uitzonderlijk de vorming mag herbeginnen en aangehecht mag worden aan de volgende promotie;
  [2 3° /1 uitzonderlijk een tweede herkansingsexamen, waarvoor hij over twee pogingen beschikt, mag afleggen binnen de door de commissie bepaalde termijn en binnen deze periode zijn vorming mag verderzetten tot een nieuwe genomen beslissing door de commissie, voor zover :
   a) dit herkansingsexamen betrekking heeft op de beoordeling van de professionele hoedanigheden van een gedeelte van de academische vorming van een periode van de schoolvorming, waarvan de programma's worden vastgesteld in uitvoering van de wet van 18 maart 1838 houdende organisatie van de Koninklijke Militaire School;
   b) het slagen in dit gedeelte van de academische vorming door de commissie niet beschouwd wordt als een noodzakelijke voorwaarde voor de verderzetting van de academische vorming voor het volgende vormingsjaar.]2
   4° de vereiste professionele hoedanigheden niet meer bezit en definitief mislukt is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 141, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>
  (2)<W 2017-09-28/07, art. 8, 013; Inwerkingtreding : 15-08-2017>

  Art. 97/2. [1 § 1. Tijdens een stageperiode of een evaluatieperiode bezit de kandidaat-militair de vereiste professionele hoedanigheden indien hij ten minste de vermelding "voldoende" bekomt bij de jaarlijkse beoordeling en bij de beoordeling op het einde van de stageperiode en de evaluatieperiode.
   § 2. Iedere beoordeling bedoeld in paragraaf 1 waarbij de kandidaat-militair niet ten minste de vermelding "voldoende" heeft bekomen wordt aan de bevoegde evaluatiecommissie voorgelegd.
   De evaluatiecommissie beslist dat de kandidaat-militair hetzij :
   1° de vereiste professionele hoedanigheden bezit waarbij hem voor de betrokken beoordeling de vermelding "voldoende" wordt toegekend en, in voorkomend geval, de vorming mag verderzetten;
   2° de vereiste professionele hoedanigheden niet meer bezit en definitief mislukt is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 142, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 98.[1 § 1. De beoordeling van de karakteriële hoedanigheden is de beoordeling van de attitude van de kandidaat-militair als militair volgens bepaalde competenties, op basis van waarneembare gedragingen. De lijst van de competenties en de lijst van de overeenkomstige gedragsindicatoren worden bepaald door de Koning.
   De weging en het al dan niet uitsluitend karakter van de competenties en de te behalen cijfers om te slagen worden door de Koning bepaald in functie van de personeelscategorie waarvoor de kandidaat-militair wordt gevormd en, in voorkomend geval, van zijn specifieke cyclus basisvorming, evenals van het moment van de beoordeling.
   § 2. De karakteriële hoedanigheden van de kandidaat-militair worden, in voorkomend geval, ten minste beoordeeld :
   1° op het einde van de periode van schoolvorming of van opleiding en éénmaal per vormingsjaar;
   2° op het einde van de stageperiode;
   3° op het einde van de evaluatieperiode.
   De Koning kan bijkomende karakteriële beoordelingsmomenten bepalen in functie van de specifieke cyclus basisvorming van de kandidaat-militair.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 143, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 98/1. [1 § 1. Om de vereiste karakteriële hoedanigheden te bezitten, moet de kandidaat-militair, bij elke beoordeling bedoeld in artikel 98, § 2, aan de volgende criteria tot slagen voldoen :
   1° ten minste het minimum globaal cijfer om te slagen, behaald hebben;
   2° voor elke competentie, ten minste de vereiste vermelding behaald hebben.
   § 2. Iedere beoordeling bedoeld in paragraaf 1 waarbij de kandidaat-militair niet aan de criteria tot slagen voldaan heeft, wordt voorgelegd, naargelang het geval :
   1° aan een deliberatiecommissie, indien het een beoordeling betreft, uitgebracht tijdens een periode van schoolvorming of een periode van opleiding;
   2° aan een evaluatiecommissie, indien het een beoordeling betreft, uitgebracht tijdens de stage- of evaluatieperiode.
   Indien de deliberatie- of evaluatiecommissie de ongunstige beoordeling bevestigt, wordt de kandidaat-militair als definitief mislukt beschouwd.
   In het tegenovergestelde geval wordt de kandidaat-militair geacht de vereiste karakteriële hoedanigheden te hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 144, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 99.[1 § 1. De beoordeling van de fysieke hoedanigheden berust op de resultaten behaald op proeven van fysieke conditie.
   De proeven van fysieke conditie omvatten de basis-proeven van fysieke conditie en, voor bepaalde specifieke cycli basisvorming, bijkomende proeven van fysieke conditie.
   § 2. De fysieke hoedanigheden worden éénmaal per vormingsjaar beoordeeld.
   De kandidaat-militair beschikt over twee pogingen om te slagen.
   Tijdens het eerste vormingsjaar kunnen de proeven van fysieke conditie voor de eerste maal ten vroegste de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van de inlijving afgelegd worden.
   § 3. De Koning bepaalt :
   1° de aard en het al dan niet uitsluitend karakter van de proeven;
   2° het minimum globaal cijfer te behalen om te slagen;
   3° bijkomende beoordelingsmomenten, in functie van de specifieke cyclus basisvorming van de kandidaat-militair.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 145, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 100.[1 § 1. Om de vereiste fysieke hoedanigheden te bezitten, moet de kandidaat-militair, bij elke beoordeling bedoeld in artikel 99, aan de volgende criteria tot slagen voldoen :
   1° ten minste het minimum globaal cijfer om te slagen, behaald hebben;
   2° voor elke uitsluitende proef, ten minste het minimum cijfer om te slagen behaald hebben.
   § 2. Iedere beoordeling bedoeld in paragraaf 1 waarbij de kandidaat-militair niet aan de criteria tot slagen voldaan heeft, wordt voorgelegd, naargelang het geval :
   1° aan een deliberatiecommissie, indien het een beoordeling betreft uitgebracht tijdens een periode van schoolvorming of een periode van opleiding;
   2° aan een evaluatiecommissie, indien het een beoordeling betreft uitgebracht tijdens de stage- of evaluatieperiode.
   Deze commissie kan :
   1° hetzij beslissen om de kandidaat-militair gelijk te stellen met hen die geslaagd zijn, in welk geval hij geacht wordt de vereiste fysieke hoedanigheden te bezitten;
   2° hetzij beslissen dat de kandidaat-militair definitief mislukt is omdat hij de vereiste fysieke hoedanigheden niet bezit;
   3° hetzij beslissen om een uitstel toe te kennen aan de kandidaat-militair die het vraagt voor het afleggen van de basisproeven van fysieke conditie, in de gevallen die de Koning bepaalt;
   4° hetzij beslissen om een verlenging van de vormingsperiode toe te staan zodat hij de laatste proeven van fysieke conditie op een latere vastgestelde datum kan afleggen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 146, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 101.[1 Een deliberatie- of evaluatiecommissie doet uitspraak over de kandidaat-militair die aan de criteria om te slagen niet heeft voldaan voor :
   1° een beoordeling van de professionele hoedanigheden bedoeld in de artikelen 97, 97/1 en 97/2;
   2° een beoordeling van de karakteriële hoedanigheden bedoeld in de artikelen 98 en 98/1;
   3° een beoordeling van de fysieke hoedanigheden bedoeld in de artikelen 99 en 100.
   Naast de voorzitter bestaat de deliberatie- of evaluatiecommissie uit minstens drie leden, en wordt eventueel bijgestaan door specialisten en een secretaris.
   De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de concrete samenstelling en de werking van de deliberatie- of evaluatiecommissie.
   De bevoegde commissie geeft aan de door de Koning aangewezen overheid om te beslissen een gemotiveerd advies met betrekking tot de reclassering van een definitief mislukte kandidaat-militair bedoeld in artikel 106.]1
   ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 147, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 101/1. [1 De kandidaat-militair of de door de Koning aangewezen overheid kan een gemotiveerd beroep aantekenen bij de beroepsinstantie, naargelang het geval, tegen de beslissing van de deliberatiecommissie of van de evaluatiecommissie.
   De beroepsinstantie kan de beslissing van de deliberatie- of evaluatiecommissie bevestigen of, een nieuwe beslissing nemen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 148, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 101/2.[1 Bezit de vereiste fysieke hoedanigheden op medisch gebied de kandidaat-militair die voldoet aan de criteria [2 bepaald door de Koning]2, die overeenstemmen met zijn specifieke vormingscyclus.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 149, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 65, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 101/3. [1 Bezit de in artikel 96, § 2, 3°, bedoelde morele hoedanigheden de kandidaat-militair die voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 11 van deze wet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 150, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 101/4. [1 De vorming in de hoedanigheid van kandidaat-militair is definitief beëindigd in de volgende gevallen :
   1° door de opname van de kandidaat-militair in de categorie van het beroepspersoneel waarvoor hij gevormd werd;
   2° door het verlies van de hoedanigheid van kandidaat-militair;
   3° door verbreking van rechtswege of van ambtswege van de dienstneming of de wederdienstneming van de kandidaat-militair bedoeld in de artikelen 3, 13°, a), en 87, eerste lid;
   4° door definitieve ambtsontheffing van de kandidaat-militair bedoeld in artikel 3, 13°, b).
   De kandidaatsperiode kan uitzonderlijk verlengd worden onder de voorwaarden en voor de gevallen die de Koning bepaalt teneinde de kandidaat-militair toe te laten vooralsnog zijn basisvorming succesvol af te sluiten.
   De bepalingen van het eerste lid, 2°, 3° en 4°, hebben van rechtswege het verlies van de graad waarin de kandidaat-militair aangesteld was tot gevolg.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 151, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Onderafdeling 3. - Bijzondere maatregelen.

  Art. 102.[1 Onder de voorwaarden, voor de duur, en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat-militair, die, ingevolge een schorsing bij ordemaatregel, een preventieve verwijdering, een voorlopige hechtenis of een tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel of om gezondheidsredenen, ingevolge een palliatief verlof of een verlof voor verzorging van een zwaar zieke verwant, ingevolge een zwangerschap, of ingevolge van het verlies van de hoedanigheid van kandidaat in toepassing van artikel 21/1, eerste lid, 9°, in de onmogelijkheid verkeert of verkeerde om zich voor te bereiden op of deel te nemen aan bepaalde examens of proeven of om bepaalde basisvormingsgedeelten te volgen of te volbrengen van de door de Koning aangewezen overheid een uitstel verkrijgen voor het afleggen van bepaalde examens of proeven of voor het volgen of volbrengen van bepaalde basisvormingsgedeelten.
   Aan de kandidaat-militair, die wegens ernstige of uitzonderlijke omstandigheden in de onmogelijkheid verkeerde of verkeert om zich voor te bereiden of deel te nemen aan bepaalde proeven of examens, kan de toestemming gegeven worden deze op een vastgestelde latere datum af te leggen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 152, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 103.[1 De kandidaat-beroepsofficier of de kandidaat-beroepsonderofficier bedoeld in artikel 3, 13°, a), die om redenen van medische ongeschiktheid voor de luchtdienst of van beroepsonbekwaamheid voor de luchtdienst geen toestemming krijgt om zijn basisvorming als kandidaat-lid of als lid van het luchtvarend personeel voort te zetten kan, op zijn verzoek en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, van de door Hem aangewezen overheid, de toestemming bekomen om zijn basisvorming voort te zetten in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie, in een andere cyclus basisvorming waarvoor de medische geschiktheid voor de luchtdienst of de beroepsbekwaamheid voor de luchtdienst niet vereist is.
   De kandidaat-beroepsmilitair van de marine bedoeld in artikel 3, 13°, a), die om redenen van medische ongeschiktheid voor dienst op zee geen toestemming krijgt om zijn basisvorming voort te zetten kan, op zijn verzoek en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, van de door Hem aangewezen overheid, de toestemming bekomen om zijn basisvorming voort te zetten in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie, in een andere cyclus basisvorming waarvoor de medische geschiktheid voor dienst op zee niet vereist is.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 153, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 104.[1 De kandidaat-beroepsmilitair die om redenen van medische ongeschiktheid zijn specifieke cyclus basisvorming niet kan voortzetten, kan, op zijn verzoek en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, van de door Hem aangewezen overheid, de toestemming bekomen om zijn basisvorming voort te zetten in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie, in een andere cyclus basisvorming waarvoor deze medische geschiktheid niet vereist is.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 154, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 104/1. [1 De kandidaat-beroepsmilitair die de vereiste fysieke hoedanigheden niet meer bezit en die zijn specifieke cyclus basisvorming niet kan voltooien, kan, op zijn verzoek en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, van de door Hem aangewezen overheid, de toestemming bekomen om zijn basisvorming voort te zetten in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie, in een andere cyclus basisvorming waarvoor deze fysieke hoedanigheden niet vereist zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 155, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 105.[1 Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat-militair door de door Hem aangewezen overheid georiënteerd of geheroriënteerd worden naar een andere specifieke cyclus basisvorming in dezelfde personeelscategorie, in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie.
  [2 Wanneer evenwel geen enkele specifieke vormingscyclus toegankelijk is in een gelijktijdige promotie, kan een heroriëntering ten gevolge van een structurele wijziging in de personeelsbehoeftes uitzonderlijk plaatsvinden in een andere promotie volgens de procedure en de nadere regels door de Koning bepaald.]2
   Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat-militair, op zijn verzoek, door de door Hem aangewezen overheid geheroriënteerd worden naar een andere specifieke cyclus basisvorming in dezelfde of in een andere personeelscategorie, in dezelfde of in een andere hoedanigheid.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 156, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 66, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 106.[1 Kan, op zijn verzoek, in functie van de kaderbehoeften van de Krijgsmacht, gereclasseerd worden, de kandidaat-militair bedoeld in artikel 3, 13°, a), en in artikel 87, eerste lid, die tijdens de door de Koning bepaalde gedeelten van de cyclus basisvorming :
   1° hetzij definitief mislukt wordt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling van de professionele hoedanigheden;
   2° hetzij definitief mislukt wordt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling van de karakteriële hoedanigheden;
   3° hetzij wegens de weigering of intrekking van de vereiste veiligheidsmachtiging uit zijn specifieke cyclus basisvorming moet worden verwijderd;
   4° hetzij definitief mislukt wordt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling van de fysieke hoedanigheden.
   Onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, kan de beslissing tot reclassering bestaan uit de toestemming krijgen om een nieuwe basisvorming aan te vatten, naargelang het geval :
   1° in dezelfde hoedanigheid en in dezelfde personeelscategorie;
   2° in een andere hoedanigheid en in dezelfde personeelscategorie;
   3° in een andere hoedanigheid en in een lagere personeelscategorie;
   Enkel de reclassering bedoeld in het tweede lid, 3°, kan evenwel worden toegestaan, wanneer de kandidaat-militair definitief mislukt wordt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling, naargelang het geval :
   1° van de professionele hoedanigheden ten gevolge van een definitieve afwijzing, naargelang het geval, als kandidaat-officier voor het examen over de wezenlijke kennis van de tweede landstaal krachtens artikel 4 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, of als kandidaat-onderofficier voor het examen over de werkelijke kennis van de taal van de eenheid bij dewelke hij zou moeten dienen krachtens artikel 8 van dezelfde wet;
   2° van de karakteriële hoedanigheden.
   Wordt de kandidaat-militair definitief mislukt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling van zijn fysieke hoedanigheden, dan kan enkel de reclassering bedoeld in het tweede lid, 1°, worden toegestaan. In dat geval kan de kandidaat-militair alleen gereclasseerd worden in een andere cyclus basisvorming waarvoor deze fysiek hoedanigheden niet vereist zijn.
   De reclassering wordt toegestaan of geweigerd door de door de Koning aangewezen overheid en volgens de procedure die Hij bepaalt.
   De reclassering kan slechts éénmaal worden toegestaan.
   Evenwel kan, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, een tweede reclassering worden toegestaan aan de kandidaat-beroepsofficier van niveau A van de normale werving, aanvaard in de Koninklijke Militaire School, of aan de kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C van de normale werving.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 157, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 107.[1 Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat-militair bedoeld in artikel 3, 13°, a), die zijn oorspronkelijke basisvorming heeft stopgezet om een nieuwe basisvorming te volgen, maar die daarin om de redenen die de Koning bepaalt mislukt, van de door Hem aangewezen overheid de toestemming krijgen om in zijn oorspronkelijke basisvorming heropgenomen te worden.
   De kandidaat-militair [2 ...]2, die de hoedanigheid van kandidaat-militair verliest, wordt terug opgenomen in zijn oorspronkelijke categorie van het beroepspersoneel. Hem worden de anciënniteit en de graad verleend die hij zou bekomen hebben indien hij zijn personeelscategorie van de beroepsmilitairen niet had verlaten.
   De kandidaat-militair die de hoedanigheid van kandidaat heeft verloren in toepassing van artikel 21/1, eerste lid, 9°, wordt van rechtswege heropgenomen in zijn oorspronkelijke vorming vanaf het ogenblik waarop hij de leeftijd van achttien jaar bereikt heeft of zodra de periode van vrede wordt hersteld.
   De militaire verplichtingen van de kandidaat-militair bedoeld in artikel 3, 13°, a), die de hoedanigheid van kandidaat-militair verliest en die voor zijn aanvaarding als kandidaat-militair deel uitmaakte van het reservekader of met onbepaald verlof was, worden, onder voorbehoud van de toepassing van het vijfde lid, bepaald in de regels betreffende het statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht.
   De kandidaat-militair bedoeld in artikel 3, 13°, a), die de hoedanigheid van kandidaat-militair verliest en die vóór zijn aanvaarding als kandidaat-militair geen deel uitmaakte van het reservekader of niet met onbepaald verlof was gezonden, wordt, onverminderd de toepassing van het eerste, tweede en zesde lid, met definitief verlof gezonden.
   De kandidaat-militair die wegens lichamelijke ongeschiktheid op pensioen wordt gesteld, wordt geacht aan zijn militaire verplichtingen te hebben voldaan.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 158, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 67, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 108.[1 De kandidaat-militair bedoeld in artikel 105, in artikel 106, tweede lid, 2° en 3°, en desgevallend in artikel 107, eerste lid, gaat een dienstneming aan in zijn nieuwe hoedanigheid.
   De kandidaat-militair bedoeld in artikel 107, derde lid, gaat een nieuwe dienstneming aan en wordt aangehecht aan een promotie om zijn oorspronkelijke specifieke vormingscyclus te volgen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 159, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (zie KB 2013-11-07/49, art. 47, 1°)>

  Art. 109.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 160, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Afdeling 3. - De voortgezette vorming [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 161, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/06, art. 78, 1°>

  Art. 110.[1 § 1. Tijdens zijn militaire loopbaan kan de militair :
   1° verplicht worden om bepaalde vervolmakingscursussen te volgen;
   2° zich kandidaat te stellen voor het volgen van bepaalde vervolmakingscursussen.
   [2 Het geheel van deze vervolmakingscursussen wordt de voortgezette vorming genoemd, omvattende :
   1° de cursussen bedoeld in de artikelen 111 en 112;
   2° de cursussen die, in voorkomend geval, tot doel hebben de militairen toe te laten een competentiepool te verwerven of om aanvullende competenties te verwerven in de domeinen van het beheer of de operaties. Het geheel van deze cursussen wordt de gespecialiseerde vorming genoemd.]2
   De militairen kunnen het geheel of een deel van hun voortgezette vorming ontvangen in een instelling van Defensie of in een buitenlandse of multinationale militaire instelling of in een burgerinstelling, in België of in het buitenland.
   De overheid aangewezen door de Koning spreekt zich uit over de gelijkwaardigheid van het geheel of een deel van de voortgezette vorming gegeven in een andere instelling dan een instelling van Defensie.
   De Koning of de overheid die Hij aanwijst, bepaalt, naargelang het geval, de regels inzake het uitstel, de inschrijving en deelneming aan de voortgezette vorming evenals de organisatie, de aard en de samenstelling van de vervolmakingscursussen, en de voorwaarden tot slagen in deze cursussen.
   § 2. Sommige vervolmakingscursussen laten toe om een door de Koning bepaald brevet te behalen. De Koning bepaalt de toekenningsvoorwaarden van deze brevetten.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 162, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/06, art. 78, 1°>
  (2)<W 2018-04-30/07, art. 17, 017; Inwerkingtreding : 25-05-2018>

  Art. 111.[1 Voor de officier van niveau A omvat de voortgezette vorming tijdens de militaire loopbaan, naargelang het geval :
   1° een vervolmakingscursus ter ontwikkeling van de competenties die noodzakelijk zijn voor een lager officier om commando- en staffuncties in een nationaal of internationaal kader uit te oefenen;
   2° een vervolmakingscursus met als doel :
   a) het ontwikkelen van de competenties die noodzakelijk zijn voor een hoofdofficier om commando- en staffuncties in een nationaal of internationaal kader uit te oefenen;
   b) het voorbereiden van de beroepsproeven voor de bevordering tot de graad van majoor bedoeld in artikel 139/1, tweede lid, 3° ;
   3° een vervolmakingscursus ter ontwikkeling van de competenties die noodzakelijk zijn voor een hoofdofficier om hoge commando- en staffuncties in een nationaal of internationaal kader uit te oefenen;
   4° vervolmakingscursussen om de universitaire kwalificaties te behalen, waarvoor een behoefte van de Krijgsmacht door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 is uitgedrukt.
   Voor de officier van niveau B omvat de voortgezette vorming tijdens de militaire loopbaan de cursus bedoeld in het eerste lid, 1°.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 163, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/06, art. 78, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 31, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 112.[1 Voor de onderofficier van niveau C omvat de voortgezette vorming tijdens de militaire loopbaan, naargelang het geval :
   1° een vervolmakingscursus met als doel :
   a) het ontwikkelen van de competenties die noodzakelijk zijn om functies van keuronderofficier uit te oefenen;
   b) het voorbereiden van het examen voor overgang naar de graad van eerste sergeant-majoor bedoeld in artikel 84/1, eerste lid, 2° ;
   2° een vervolmakingscursus met als doel :
   a) het ontwikkelen van de competenties die noodzakelijk zijn om functies van hoofdonderofficier uit te oefenen;
   b) het voorbereiden van het kwalificatie-examen voor de graad van adjudant-chef bedoeld in artikel 139/2, tweede lid, 2°.
   Voor de onderofficier van niveau B omvat de voortgezette vorming tijdens de militaire loopbaan een vervolmakingscursus met als doel, naargelang het geval :
   1° het ontwikkelen van de competenties die noodzakelijk zijn om specifieke functies van adjudant-chef van niveau B uit te oefenen;
   2° het ontwikkelen van de competenties die noodzakelijk zijn om functies van hoofdonderofficier, andere dan deze bedoeld in 1°, uit te oefenen;
   3° het voorbereiden van het kwalificatie-examen voor de graad van adjudant-chef bedoeld in artikel 139/2, tweede lid, 2°.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 164, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/06, art. 78, 1°>

  Art. 113.[1 Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de militair door de door de Koning aangewezen overheid vrijgesteld worden van het geheel of een deel van een voortgezette vorming bedoeld in de artikelen 111 en 112, indien hij voordien met goed gevolg deze vorming of dit deel van deze vorming, of een gelijkwaardige voortgezette vorming heeft gevolgd.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 165, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/06, art. 78, 1°>

  Art. 113/1. [1 Een deliberatiecommissie voor de voortgezette vorming doet uitspraak over de militair in vorming die niet heeft voldaan aan de criteria om te slagen voor één van de voortgezette vormingen of, naargelang het geval, voor de beroepsproeven of de examens bedoeld in de artikelen 111, 2° en 3°, en 112, of die, zonder geldige reden, niet heeft deelgenomen aan zijn voortgezette vorming of, naargelang het geval, aan de voorgeschreven beroepsproeven of examens.
   Volgens de nadere regels bepaald door de Koning kan de deliberatiecommissie, naargelang het geval bedoeld in het eerste lid, één of meerdere van de volgende beslissingen nemen :
   1° de betrokken militair is geheel of gedeeltelijk geslaagd en mag, in voorkomend geval, zijn vorming verderzetten;
   2° de betrokken militair kan een herkansing krijgen;
   3° de betrokken militair kan een uitstel verkrijgen;
   4° de betrokken militair is definitief mislukt in, naargelang het geval, zijn vervolmakingscursus of zijn voorgeschreven beroepsproeven of examens.
   Naast de voorzitter bestaat een deliberatiecommissie uit minstens drie leden, eventueel bijgestaan door één of meerdere specialisten of raadgevers en een secretaris aangeduid door de voorzitter.
   De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de organisatie, de concrete samenstelling en de werking van de deliberatiecommissies.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 166, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/06, art. 78, 1°>

  Art. 113/2. [1 Indien een gedeelte van een voortgezette vorming in een andere instelling dan een instelling van Defensie wordt gevolgd, wordt voor dit gedeelte rekening gehouden met het regime van deze instelling wat betreft het verlenen van een vrijstelling, de beoordeling van de competenties en de criteria tot slagen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 167, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/06, art. 78, 1°>

  Afdeling 4. - [1 De sociale promotie, de overgang en de promotie op diploma]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 168, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 114.[1 Onder sociale promotie wordt begrepen de opname, naargelang het geval :
   1° van de beroepsvrijwilligers in de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau C;
   2° van de beroepsonderofficieren van niveau C of B in de personeelscategorie van de beroepsofficieren van niveau B.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 169, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 115.[1 Onder overgang wordt begrepen de opname van de beroepsofficieren van niveau B in de personeelscategorie van de beroepsofficieren van niveau A.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 170, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 116.[1 Onder promotie op diploma wordt begrepen de opname van de beroepsvrijwilligers of van de beroepsonderofficieren van niveau C in de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau B.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 171, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 117.[1 Om door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 te worden aanvaard als kandidaat-militair en onafhankelijk van de voorwaarden die eigen zijn aan de personeelscategorie, waarvoor ze worden gevormd, moeten de militairen bedoeld in artikel 3, 13°, b) aan de volgende voorwaarden voldoen :
   1° niet meer dan vier keer afgewezen zijn met het oog op hun opname in een andere hoedanigheid omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in 2° tot 9° ;
   2° niet afgewezen worden door de door de Koning aangewezen overheid;
   3° op 31 december van het jaar van hun aanvaarding, de leeftijd die de Koning bepaalt niet bereikt hebben;
   4° batig gerangschikt worden bij een overgangsproef bedoeld, binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen;
   5° geslaagd zijn voor de militaire tests van lichamelijke geschiktheid, volgens de criteria bepaald door de door de Koning aangewezen overheid;
   6° voor de militair van de marine, medisch geschikt zijn voor dienst op zee;
   7° in voorkomend geval, houder zijn van een bachelor vóór de afsluitingsdatum der inschrijvingen voor de betrokken promotie op diploma;
   8° in voorkomend geval, de cursus staftechniek, de basis stafcursus of de basis stafvorming met succes gevolgd hebben vóór de afsluitingsdatum der inschrijvingen voor de betrokken overgang;
   9° in voorkomend geval, geslaagd zijn voor taalexamens bedoeld, naargelang het geval :
   a) in artikel 2 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger;
   b) in de artikelen 3 en 4 van dezelfde wet;
   c) in artikel 8, § 1, van dezelfde wet of van dit examen vrijgesteld zijn volgens de bepalingen van artikel 8, § 2, van dezelfde wet.
   Per type van opname en personeelscategorie bepaalt de Koning :
   1° de voorwaarden waaraan de militairen moeten voldoen, onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid;
   2° de inhoud en de nadere regels van de overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 4°.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 172, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 31, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 118.[1 § 1 Om opgenomen te worden in de categorie van de beroepsofficieren van niveau B, moet de beroepsonderofficier de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier van niveau B hebben en moet met goed gevolg de vorming gevolgd hebben die door de Koning vastgesteld wordt.
   Om opgenomen te worden in de categorie van de beroepsonderofficieren van niveau C, moet de beroepsvrijwilliger de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C hebben en moet met goed gevolg de vorming gevolgd hebben die door de Koning vastgesteld wordt.
   § 2. De beroepsonderofficier die als kandidaat-beroepsofficier van het niveau B werd aanvaard, wordt door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 in de graad van adjudant aangesteld bij de aanvang van de vormingscyclus, indien hij nog niet met deze graad bekleed is.
   De kandidaat-beroepsofficier van het niveau B wordt, door de Koning, in de graad van onderluitenant aangesteld op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van zijn aanvaarding door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 als kandidaat- beroepsofficier van het niveau B.
   De kandidaat-beroepsofficier van het niveau B wordt door de Koning in de graad van onderluitenant benoemd op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zijn vorming met goed gevolg heeft beëindigd.
   Naargelang het geval, wordt hij gerangschikt na :
   1° de beroepsofficieren van het niveau B van de [3 bijzondere]3 werving die op dezelfde datum tot onderluitenant werden benoemd, indien hij voordien de hoedanigheid van beroepsonderofficier van het niveau B bezat;
   2° de militairen bedoeld in 1°, indien hij voordien de hoedanigheid van beroepsonderofficier van het niveau C bezat.
   De uitwerking van de benoeming heeft met terugwerkende kracht plaats tot op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij aangesteld werd in de graad van onderluitenant.
   § 3. De beroepsvrijwilliger die als kandidaat-beroepsonderofficier van het niveau C werd aanvaard, wordt door de door Koning aangewezen overheid in de graad van sergeant aangesteld op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van zijn aanvaarding als kandidaat-beroepsonderofficier van het niveau C door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2.
   De kandidaat-beroepsonderofficier van het niveau C wordt door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 in de graad van sergeant benoemd op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij zijn vorming met goed gevolgd heeft beëindigd.
   Hij wordt gerangschikt na de beroepsonderofficieren van het niveau C van de normale werving die op dezelfde datum tot sergeant werden benoemd.
   De uitwerking van de benoeming heeft met terugwerkende kracht plaats tot op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij aangesteld werd in de graad van sergeant.
   § 4. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, wordt bepaald door de rangschikking die op het einde van de opleiding wordt opgemaakt op grond van de einduitslag.
   De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
   In geval van slagen na herkansing, komt enkel de einduitslag behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking.
   § 5. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, is bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 4 en waarin de betrokken officieren of de onderofficieren, die verschillende vormingscyclussen hebben gevolgd, in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.
   De zo opgemaakte enige rangschikking mag evenwel niet tot gevolg hebben dat een officier of een onderofficier wordt gerangschikt vóór een andere officier of een andere onderofficier wiens einduitslag meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 173, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 31, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2016-11-21/20, art. 68, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 119.[1 Om opgenomen te worden in de categorie van de beroepsofficieren van niveau A, moet de beroepsofficier van niveau B de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier van niveau A hebben en moet hij met goed gevolg de vorming gevolgd hebben die door de Koning vastgesteld wordt.
   De beroepsofficier van niveau B wordt in de categorie van de beroepsofficieren van niveau A opgenomen met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad. Hij wordt gerangschikt na de beroepsofficier van niveau A met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 174, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 119/1.[1 § 1. Om opgenomen te worden in de categorie van de beroepsonderofficieren van niveau B, moet de beroepsonderofficier van niveau C de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B hebben en moet hij met goed gevolg de vorming gevolgd hebben die door de Koning vastgesteld wordt.
   De beroepsonderofficier van niveau C wordt in de categorie van de [2 beroepsonderofficieren]2 van niveau B opgenomen met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad, volgens de nadere regels bepaald door de Koning. Hij wordt gerangschikt na de beroepsonderofficier van niveau B met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad.
   Bij zijn opname in de categorie van de beroepsonderofficieren van niveau B, wordt evenwel degene die de graad van eerste sergeant-majoor nog niet bezit, van rechtswege benoemd in deze graad, volgens de nadere regels bepaald door de Koning.
   § 2. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en aan dezelfde evaluatieperiode hebben deelgenomen, wordt bepaald door de rangschikking die op het einde deze evaluatieperiode wordt opgemaakt op grond van de eindvermelding.
   De kandidaten die dezelfde eindvermelding bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van de dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
   In geval van deliberatie door een evaluatiecommissie of door de beroepsinstantie, worden de kandidaten die aanvankelijk de vermelding "onvoldoende" hebben behaald na de kandidaten die de vermelding "voldoende" hebben behaald.
   § 3. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, is bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2 en waarin de onderofficieren die verschillende evaluatieperiodes hebben gevolgd in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 175, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 69, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 119/2.[1 § 1. Om opgenomen te worden in de categorie van de beroepsonderofficieren van niveau B, moet de beroepsvrijwilliger de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B hebben en moet hij met goed gevolg de vorming gevolgd hebben die door de Koning vastgesteld wordt.
   § 2. De beroepsvrijwilliger die als kandidaat-beroepsonderofficier van het niveau B wordt aanvaard, wordt door de door de Koning aangewezen overheid in de graad van sergeant aangesteld op de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van zijn aanvaarding als kandidaat-beroepsonderofficier van het niveau B door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2.
   De kandidaat-beroepsonderofficier van het niveau B wordt door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 in de graad van eerste sergeant-majoor benoemd op de zesentwintigste dag van de laatste maand van het trimester waarin hij de evaluatieperiode met goed gevolg heeft beëindigd.
   Hij wordt gerangschikt na de beroepsonderofficieren van het niveau C, die hebben deelgenomen aan de promotie op diploma met het oog op het verwerven van de hoedanigheid van beroepsonderofficier van het niveau B, die op dezelfde datum tot eerste sergeant-majoor werden benoemd.
   § 3. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, wordt bepaald door de rangschikking die op het einde van de opleiding wordt opgemaakt op grond van de einduitslag.
   De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende orde van dienstanciënniteit en in geval van ex-aequo wordt voorrang gegeven aan de oudste.
   In geval van slagen na herkansing, komt enkel de einduitslag behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking.
   § 4. De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en die niet aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, is bepaald door een enige rangschikking die wordt opgemaakt op basis van de verschillende rangschikkingen opgesteld overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 3 en waarin de onderofficieren die verschillende vormingscyclussen hebben gevolgd in verhouding tot hun aantal om beurten zijn opgenomen.
   De zo opgemaakte enige rangschikking mag evenwel niet tot gevolg hebben dat een onderofficier wordt gerangschikt vóór een andere onderofficier wiens einduitslag meer dan tien procent van het totaal der punten hoger is dan het zijne.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 176, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 31, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Afdeling 5.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 177, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 120.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 178, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 121.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 179, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 122.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 180, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 123.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 181, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 124.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 182, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Afdeling 6.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 183, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 125.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 184, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  HOOFDSTUK III.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 185, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Afdeling 1.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 186, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 126.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 187, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 127.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 188, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 128.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 189, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Afdeling 2.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 190, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 129.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 191, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 130.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 192, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 131.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 193, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 132.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 194, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 133.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 195, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 134.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 196, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 135.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 197, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 136.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 198, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 137.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 199, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 138.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 200, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 139.[1 Onverminderd de toepassing van de bepalingen inzake de vereiste minimum anciënniteit in de graad voor de bevordering tot de hogere graad, worden de graden van hoofdonderofficier naar de keuze [2 van de door de Koning aangewezen overheid]2, en de graden van hoofdofficier en opperofficier naar de keuze van de Koning verleend, volgens de nadere regels die de Koning bepaalt.
   Bij de beoordeling moet rekening gehouden worden met :
   1° de kennis waarover de betrokken militair beschikt, verworven na gevolgde vormingen en opgedane ervaringen;
   2° de competenties verworven door de betrokken militair in het domein van het beheer en beoordeeld volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.
   Bij de beoordeling kan rekening gehouden worden met :
   1° de [3 statutaire evaluaties]3 bedoeld in artikel 66;
   2° in voorkomend geval, de [3 evaluaties van het potentieel bedoeld in artikel 66]3;
   3° de beoordelingen betreffende de geschiktheden bedoeld in artikel 68.
   In afwijking van het eerste lid wordt de graad van adjudant-chef verleend naar anciënniteit aan de onderofficieren van niveau B die de vervolmakingscursus bedoeld in artikel 112, tweede lid, 1°, met succes hebben gevolgd, behalve als zij bij de bevordering werden voorbijgegaan volgens de bepalingen die van toepassing zijn op de keuronderofficieren.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 201, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 32, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2017-07-31/24, art. 13, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 139/1.[1 [2 ...]2
   Geen officier kan in de graad van majoor benoemd worden indien hij :
   1° de vervolmakingscursussen bedoeld in artikel 111, eerste lid, 1° en 2°, niet met succes gevolgd heeft;
   2° niet geslaagd is in een test betreffende de kennis van een door de Koning te bepalen taal, die niet het Frans of het Nederlands is;
   3° niet geslaagd is voor de beroepsproeven waarvoor de Koning de regels inzake deelneming, de programma's en de wijze van inrichting bepaalt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 202, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>
  (2)<W 2017-11-19/01, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-12-2017>

  Art. 139/2.[1 [2 ...]2
   Geen onderofficier van niveau C kan in de graad van adjudant-chef benoemd worden indien hij :
   1° de vervolmakingscursussen bedoeld in artikel 112, eerste lid, 2°, niet met succes gevolgd heeft;
   2° niet geslaagd is voor het kwalificatie-examen voor de graad van adjudant-chef waarvoor de Koning de regelen inzake deelneming, de programma's en de wijze van inrichting bepaalt.
   Geen onderofficier van niveau B kan in de graad van adjudant-majoor benoemd worden indien hij :
   1° de vervolmakingscursussen bedoeld in artikel 112, tweede lid, 1° en 2°, niet met succes gevolgd heeft;
   2° niet geslaagd is voor het kwalificatie-examen voor de graad van adjudant-chef bedoeld in het tweede lid, 3°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 203, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>
  (2)<W 2017-11-19/01, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-12-2017>

  Art. 139/3. [1 Voor de bevordering tot de graden van hoofd- en opperofficier, worden alle kandidaten met dezelfde anciënniteit die tegelijk gunstig zijn aanbevolen voor de graad die zij bekleden, onverminderd de toepassing van artikel 64, geacht de anciënniteit te bezitten van de eerste in die graad benoemde kandidaat van hun anciënniteit wanneer er vacatures zijn, of van de kandidaat van hun anciënniteit die zou zijn benoemd indien er vacatures waren geweest.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 204, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Art. 139/4. [1 Telkens de kandidaturen voor bevordering bedoeld in artikel 139/3 onderzocht worden volgens de in ditzelfde artikel bepaalde anciënniteiten voor bevordering, heeft dit onderzoek van de kandidaten plaats in hun onderlinge volgorde van anciënniteit in de graad.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 205, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Afdeling 3.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 206, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 140.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 207, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  TITEL IV. - De interne [1 overplaatsing]1.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 208, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 141.[1 De interne overplaatsing is van toepassing op elke militair die op beslissing van de militaire commissie voor geschiktheid en reform of door de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform op medisch vlak definitief ongeschikt werd verklaard, en waarbij deze commissies van oordeel zijn dat de lichamelijke schade het gevolg is van een ongeval of ziekte opgelopen in dienst en door het feit van de dienst, met uitzondering van de ongevallen voorgevallen op de weg naar en van het werk.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 209, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door 2013-10-14/11, art. 6, 1°>

  Art. 142.[1 Ten laatste binnen de maand volgend op de beslissing bedoeld in het artikel 141 kan de betrokken militair verzoeken om opgenomen te worden in de hoedanigheid van Rijksambtenaar binnen Defensie, voor zover zijn kandidatuur overeenstemt met één van de competentieprofielen opgesteld door de bevoegde overheid om een ambt te vervullen dat verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 210, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door 2013-10-14/11, art. 6, 1°>

  Art. 143.[1 De Koning bepaalt de procedure en de nadere regels die moeten worden gevolgd zodat de betrokken militair van de interne overplaatsing zou kunnen genieten.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 211, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door 2013-10-14/11, art. 6, 1°>

  TITEL V. - De externe [1 mobiliteit]1.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 212, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Afdeling 1. - Algemeenheden.

  Art. 144.[1 Onder externe mobiliteit moet begrepen worden :
   1° hetzij, de beziging door een werkgever, bedoeld in afdeling 2 van deze titel;
   2° hetzij, de overplaatsing naar een werkgever, bedoeld in afdeling 3 van dezelfde titel;
   3° hetzij, de beroepsomschakeling, bedoeld in afdeling 4 van dezelfde titel.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 213, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 145.[1 Onder werkgever moet begrepen worden :
   1° de openbare dienst die afhangt van de federale overheid, van de gewesten of de gemeenschappen alsook de instellingen die ervan afhangen [2 ...]2;
   2° de autonome overheidsbedrijven bedoeld in de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
   3° de provincies, de gemeenten, de agglomeraties, federaties en verenigingen van gemeenten en de instellingen die ervan afhangen;
   4° de politiezones en de instellingen die ervan afhangen;
   5° de hulpverleningszones, de brandweerdiensten, de diensten voor brandweer en dringende medische hulp en de instellingen die ervan afhangen;
   6° enkel in het kader van een beziging, de niet-gouvernementele instellingen of organisaties van openbaar nut die geen deel uitmaken van de openbare diensten.
   De werkgevers bedoeld in het eerste lid, 1° tot 5°, worden in het kader van de overplaatsing "openbare werkgever" genoemd.
   De werkgevers bedoeld in het eerste lid, 1° tot 6°, worden in het kader van de beziging "externe werkgever" genoemd.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 214, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>
  (2)<W 2019-05-20/07, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. 146.[1 De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de kandidatuurstelling voor een beziging, een overplaatsing of een beroepsomschakeling, evenals de overheid die de kandidaturen aanvaardt of weigert.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 215, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 147.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 216, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 148.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 217, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 149.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 218, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Afdeling 2. - [1 De beziging door een externe werkgever]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 219, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 150.[1 Onder "bezigingsbetrekking" wordt een functie of een betrekking bij een externe werkgever verstaan waarvoor de gebezigde militair kan worden weerhouden. Indien de personeelsbehoefte het rechtvaardigt, kan de externe werkgever meerdere plaatsen openen voor een zelfde bezigingsbetrekking.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 220, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 151.[1 De externe werkgever kan criteria bepalen waaraan een aanvaarde militair moet voldoen om weerhouden te worden. Deze criteria worden opgenomen in het in artikel 153, § 2, tweede lid, bedoelde akkoord.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 221, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 152.[1 De militairen kunnen door een externe werkgever in een bezigingsbetrekking gebezigd worden, op voorwaarde dat :
   1° hun kandidatuur aanvaard wordt;
   2° zij, op de datum van het begin van de selectieproeven, in werkelijke dienst zijn;
   3° zij, op de datum waarop hun beziging ingaat, geen functie bekleden waarvan de bezoldiging niet gedragen wordt door de begroting van Defensie;
   4° zij, op de datum waarop hun beziging ingaat, minstens het door de Koning bepaalde aantal jaren dienstanciënniteit tellen als militair van het actief kader, zonder dat dit lager mag liggen dan vijftien jaar;
   5° zij, op de datum waarop hun beziging ingaat, evenals in de periode van twaalf maanden voorafgaand aan deze datum :
   a) niet reeds geselecteerd zijn door een openbare werkgever in het kader van een overplaatsing;
   b) niet reeds geselecteerd zijn door een externe werkgever in het kader van een beziging;
   c) niet reeds ter beschikking gesteld zijn van een openbare werkgever in het kader van een overplaatsing;
   d) niet reeds gebezigd zijn;
   6° zij zich, op de datum waarop hun beziging ingaat, niet bevinden in een rendementsperiode in toepassing van artikel 179;
   7° zij zich, op de datum van het begin van de selectieproeven, niet bevinden in één van de vormen van operationele inzet die de Koning bepaalt, en niet effectief deel uitmaken van een detachement dat zich voorbereidt met het oog op een dergelijke inzet;
   8° zij, op de datum waarop hun beziging ingaat, niet geaffecteerd zijn in een internationaal of intergeallieerd organisme;
   9° zij, op de datum van het begin van de selectieproeven, niet in een vrijwillige opschorting van de prestaties zijn;
   10° zij, op de datum waarop hun beziging ingaat, geen post uitoefenen waarvoor een specifiek en zeldzaam competentieprofiel is vereist.
   De Koning bepaalt de posten bedoeld in het eerste lid, 10°, per personeelscategorie, en eventueel per personeelsondercategorie.
   De militairen bedoeld in het eerste lid, 10°, kunnen om gemotiveerde uitzonderlijke persoonlijke redenen toch een aanvraag indienen bij de door de Koning aangewezen overheid, om in aanmerking te komen voor een beziging. Een weigering kan het voorwerp uitmaken van een beroep [2 bij de door de Koning aangewezen overheid]2.
   In functie van de encadreringsbehoeften kan de kandidatuur van een militair die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid geweigerd worden door de door de Koning aangewezen overheid, om de goede werking en de continuïteit van de Krijgsmacht te garanderen. Deze weigering kan het voorwerp uitmaken van een beroep [2 bij de door de Koning aangewezen overheid]2.
   Als een procedure is opgestart voor het verschijnen voor de militaire commissie voor geschiktheid en reform, kan de kandidatuur van belanghebbende voor een bezigingsbetrekking ten vroegste worden aanvaard op, naargelang het geval :
   1° de datum waarop geen beroep meer mogelijk is tegen de beslissing van de militaire commissie voor geschiktheid en reform die de militair medisch geschikt verklaart;
   2° de datum van de beslissing van de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform die de militair medisch geschikt verklaart.
   De kandidatuur van een militair die, tijdelijk of definitief medisch ongeschikt is of die medisch geschikt is verklaard voor halftijdse arbeid, wordt geweigerd.
   Wanneer de militair prestaties verricht in de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek, wordt een einde gesteld aan deze arbeidsregeling.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 222, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 33, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 153.[1 § 1. De door externe werkgevers opengestelde bezigingsbetrekkingen, het aantal opengestelde plaatsen per bezigingsbetrekking, alsmede de personeelscategorieën en het taalstelsel waarvoor deze betrekkingen opengesteld worden, worden door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 bekendgemaakt.
   De bezigingsbetrekkingen, bedoeld in het eerste lid, mogen enkel voltijdse betrekkingen zijn.
   § 2. De militairen die door de externe werkgever aanvaard worden, worden door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2, aangewezen voor hun bezigingsbetrekking.
   De beziging van de belanghebbende maakt het voorwerp uit van een akkoord tussen [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 en de betrokken externe werkgever. De militair ontvangt een exemplaar van het document dat hij ter instemming ondertekent.
   Dit akkoord, opgesteld op basis van een type-model bepaald door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2, bevat met name :
   1° de duur van de beziging;
   2° de bepaling van het arbeidsregime;
   3° de eventuele vorming en stage;
   4° de regels betreffende de tenlasteneming van de onkosten van de eventuele vorming en stage;
   5° de overheid die bij de externe werkgever van de militair in beziging bekleed is met een rang die gelijkwaardig is met die van korpscommandant;
   6° de regels betreffende de tenlasteneming van de loonkost;
   7° de geldelijke voordelen die de externe werkgever toekent aan de militair in toepassing van het statuut eigen aan deze werkgever;
   8° een lijst van de uitrusting die gratis ter beschikking zal gesteld worden of waarin de militair zelf dient te voorzien;
   9° de regels betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid van de externe werkgever;
   10° de selectiecriteria die door de externe werkgever bepaald worden.
   Een afschrift van het arbeidsreglement en van de statuten toepasselijk op de statutaire personeelsleden van de externe werkgever wordt aan de militair in beziging overhandigd.
   § 3. De beziging heeft uitwerking ten vroegste op de eerste dag van de eerste maand en ten laatste op de eerste dag van de zesde maand die volgt op de aanwijzing van de belanghebbende, mits gezamenlijk akkoord van de externe werkgever en [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 met het oog op de kortste termijn. De beziging heeft altijd uitwerking op de eerste dag van een maand.
   De beziging eindigt ambtshalve op de datum van verlies van de hoedanigheid van militair van het actief kader.
   De beziging eindigt ook mits het respecteren van een opzegtermijn van dertig dagen, wanneer de redenen voor de beziging niet meer bestaan en de militair niet in een andere post kan gebezigd worden. De externe werkgever deelt de gemotiveerde beslissing mee aan de militair en [2 aan de door de Koning aangewezen overheid]2.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 223, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 154.[1 Als de overeenkomstig artikel 156/4, derde lid, aangewezen hiërarchische meerdere van de militair vaststelt dat hij geen voldoening schenkt of niet zal kunnen voldoen aan de behoeften van de dienst, zal aan de beziging een einde kunnen worden gesteld mits het respecteren van een opzegtermijn van dertig dagen. De redenen worden vermeld in een verslag.
   Dit verslag wordt meegedeeld aan de belanghebbende die er zijn verweer mag aan toevoegen, volgens de nadere regels van toepassing bij de betrokken externe werkgever.
   Het verslag met, in voorkomend geval, de opmerkingen van de belanghebbende, wordt toegezonden, naargelang het geval, [2 aan de door de Koning aangewezen overheid]2 of aan de hoogste overheid van de externe werkgever.
   Op grond van de in het tweede lid bedoelde stukken kan die overheid een einde maken aan de beziging van de betrokken militair.
   De militair kan een einde stellen aan zijn beziging mits het respecteren van een opzegtermijn van minimum vijftien dagen.
   De [3 militair]3 wordt de eerste dag volgend op het verstrijken van de opzegtermijn opnieuw opgenomen in de Krijgsmacht.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 35, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2016-11-21/20, art. 70, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 155.[1 De militair in beziging is in werkelijke dienst. Hij bevindt zich in de deelstand "in normale dienst".
   Hij oefent het ambt uit buiten de Krijgsmacht en krachtens dienstorders uitgaande van de externe werkgever.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156.[1 De militair in beziging neemt niet deel aan de bevordering behalve als die volgens dienstanciënniteit gebeurt.
   De militair in beziging kan noch deelnemen aan de voortgezette vorming, noch aan de examens of beroepsproeven voor de bevordering tot een hogere militaire graad.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 226, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/1. [1 Wanneer zij in beziging zijn, mogen de militairen hun ambt niet meer uitoefenen binnen de Krijgsmacht, behalve :
   1° in geval van mobilisatie;
   2° in periode van oorlog;
   3° in uitzonderlijke omstandigheden ingevolge een beslissing van de regering.
   Andere gevallen waarin de militairen in beziging hun ambt binnen de Krijgsmacht mogen uitoefenen kunnen worden voorzien in het in artikel 153, § 2, tweede lid, bedoelde akkoord.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 227, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/2. [1 Onder voorbehoud van de toestemming van de externe werkgever kan een militair in beziging aanspraak maken op een tijdelijke ambtsontheffing, op de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en op de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap.
   Indien een tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel of om gezondheidsredenen moet opgelegd worden, moet de militair in beziging heropgenomen worden in de Krijgsmacht binnen de dertig dagen na de beslissing dat één van de bovengenoemde tijdelijke ambtsontheffingen moet worden opgelegd. De tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel kan slechts na de heropname uitgevoerd worden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 228, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/3. [1 Na een afwezigheid om gezondheidsredenen kan de gebezigde militair de toestemming krijgen om, wegens gezondheidsredenen, halftijds te werken. Hiervoor moet hij de instemming verkrijgen van de externe werkgever en van een geneesheer die, voor rekening van die werkgever, de afwezigheden om gezondheidsredenen controleert.
   Behalve voor wat betreft de bevoegdheden van de korpscommandant en van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer bevoegd voor de eenheid van de betrokken militair die respectievelijk overgedragen worden aan de hiërarchische overheid aangewezen overeenkomstig artikel 156/4, derde lid, en aan de arbeidsgeneeskundige dienst of arbeidsgeneesheer die de externe werkgever bijstaat, blijft de procedure voor de militaire commissie voor geschiktheid en reform of voor de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform van toepassing op de gebezigde militair.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 229, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/4. [1 De hiërarchische meerdere van een gebezigde militair die bij de externe werkgever een rang bekleedt die tenminste gelijkwaardig is aan die van korpscommandant, is bevoegd om een voorstel in te dienen dat de procedure inleidt die, met toepassing van het statuut van betrokken militair en bij beslissing van de volgens dit statuut daartoe bevoegde overheid, kan leiden tot :
   1° de tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaategel van de betrokken militair;
   2° de schorsing bij ordemaatregel;
   3° het ontslag van ambtswege;
   4° de inhouding op de wedde.
   Bij toepassing van de procedures bedoeld in het eerste lid, 1° en 3° dient, overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op het personeel van de externe werkgever, het advies te worden ingewonnen van een raad van beroep, een tuchtraad of van een soortgelijk orgaan.
   De overheid die bij de externe werkgever van betrokken militair bekleed is met een rang die gelijkwaardig is met die van korpscommandant, wordt uitdrukkelijk aangewezen in het akkoord bedoeld in artikel 153, § 2, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 230, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/5. [1 De militair in beziging moet de werkvoorwaarden nakomen die opgelegd zijn bij de externe werkgever en inzonderheid de plichten, de onverenigbaarheden, de diensturen, de verlofregeling, alsmede de regels die een verplichting inzake woonplaats voorschrijven of een medische controle instellen in geval van afwezigheid om gezondheidsredenen.
   De gebezigde militairen behouden hun recht op einde loopbaanverlof.
   De militair in beziging die zonder geldige reden nalaat of weigert het hem toegewezen ambt uit te oefenen, wordt na een afwezigheid van tien dagen bij zijn externe werkgever als ontslagnemend beschouwd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 231, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/6. [1 Gedurende hun beziging zijn op de militairen de regels van toepassing betreffende de beoordeling of de evaluatie die van toepassing zijn op het personeel van de externe werkgever.
   Voor de toekenning van eervolle onderscheidingen blijven zij onderworpen aan de beoordelings- en toekenningsregels die toepasselijk zijn in de Krijgsmacht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 232, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/7. [1 Behalve wanneer anders bepaald in deze afdeling blijven alle wettelijke en reglementaire bepalingen toepasselijk op de militair bij de aanvang van zijn beziging, alsook de eventuele wijzigingen die deze bepalingen zouden ondergaan, toepasselijk op de militair tijdens zijn beziging.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 233, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/8. [1 De gebezigde militairen staan onder het hiërarchisch gezag, zoals dit bij hun externe werkgever reglementair uitgeoefend wordt ten aanzien van de andere bekleders van de functies die zij waarnemen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 234, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/9. [1 Tegen de militairen die bij een externe werkgever gebezigd worden, kan, overeenkomstig de bij de externe werkgever geldende regeling, aldaar een terechtwijzing, een berisping of een blaam, of een daarmee gelijkgestelde tuchtmaatregel die van toepassing is bij de externe werkgever, worden uitgesproken.
   Indien belanghebbende zich schuldig gemaakt heeft aan een ernstig vergrijp dat het opleggen van een strengere sanctie wettigt, dient de hiërarchische overheid, aangewezen overeenkomstig artikel 156/4, derde lid, een voorstel in tot inleiding van een van de procedures bedoeld in artikel 156/4, eerste en tweede lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 235, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/10. [1 De artikelen 5 tot 8, 10bis tot 12, 14bis, 21 tot 39 en 41 tot 44, van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de Krijgsmacht, en de artikelen 175 en 176 van deze wet, zijn niet van toepassing op de militairen gedurende hun bezigingsperiode, behalve :
   1° wanneer zij hun ambt terug uitoefenen binnen de Krijgsmacht overeenkomstig artikel 156/1;
   2° of voor de toepassing van de procedures met het oog op de uitvoering van de maatregelen bedoeld in de artikelen 156/3, tweede lid en 156/4.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 236, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/11. [1 Behalve wanneer zij hun ambt terug uitoefenen binnen de Krijgsmacht overeenkomstig artikel 156/1 of voor de toepassing van de procedures met het oog op de uitvoering van de maatregelen bedoeld in de artikelen 156/3, tweede lid, en 156/4, is het Militair Strafwetboek niet van toepassing op daden die door de gebezigde militairen tijdens hun bezigingsperiode werden gepleegd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 237, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/12. [1 Onverminderd de bepalingen van deze afdeling, zijn de bepalingen betreffende de sociale zekerheid van de militairen van het actief kader van toepassing op de gebezigde militairen.
   Voor de vaststelling van hun pensioen worden zij geacht bezoldigd te zijn geweest door Defensie en er hun diensten te hebben verricht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 238, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/13. [1 Onverminderd de toepassing van artikel 156/14 blijft de militaire bezoldigingsregeling op de militairen in beziging van toepassing. De vereffening en de uitbetaling van de bezoldigingsrechten blijven verzekerd door Defensie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 239, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/14. [1 De militairen in beziging genieten dezelfde toelagen en vergoedingen vanwege de externe werkgever als deze die toegekend worden aan de andere personeelsleden van de externe werkgever en die gekoppeld worden aan de vervulde functie of aan de arbeidsomstandigheden.
   De toelagen en vergoedingen bedoeld in het eerste lid vallen integraal ten laste van de externe werkgever en worden door hem uitbetaald.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 240, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 156/15. [1 Onder loonkost in de zin van deze afdeling wordt verstaan :
   1° de wedde, met inbegrip van de tussentijdse verhogingen, de verhogingen ten gevolge van de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen en de weddeverhogingen en de herzieningen van de weddeschalen;
   2° de haard- of standplaatstoelage;
   3° het vakantiegeld;
   4° de eindejaarstoelage;
   5° de toelagen bepaald door de Koning.
   De loonkost van de militairen in beziging valt voor honderd procent ten laste van de externe werkgever.
   Defensie neemt het volledige bedrag van de loonkosten voor eigen rekening tijdens de periode van einde loopbaanverlof van de militair in beziging.
   Het gedeelte van de loonkosten bedoeld in dit artikel dat niet ten laste valt van Defensie wordt trimestrieel door Defensie aangerekend aan de externe werkgever.
   De externe werkgever betaalt Defensie terug binnen de vijfenveertig dagen na ontvangst van de factuur.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 241, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Afdeling 3. - De overplaatsing naar een openbare werkgever.

  Art. 157.[1 Het proces van overplaatsing naar een openbare werkgever omvat :
   1° een selectiefase gedurende dewelke de militair aan de door de betrokken openbare werkgever georganiseerde selectie deelneemt;
   2° [2 in voorkomend geval,]2 een fase van terbeschikkingstelling;
   3° de overplaatsing.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 242, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>
  (2)<W 2017-11-12/07, art. 50, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 158.[1 Op hun verzoek, kunnen militairen als statutaire ambtenaar naar de door de openbare werkgevers opengestelde vacante betrekkingen overgeplaatst worden, op voorwaarde dat :
   1° hun kandidatuur aanvaard wordt;
   2° zij, op de datum van het begin van de selectieproeven, in werkelijke dienst zijn;
   3° zij, in de periode van twaalf maanden voorafgaand aan de datum waarop hun terbeschikkingstelling ingaat, [3 of op de datum van de overplaatsing indien er geen terbeschikkingstelling is,]3 niet in een tijdelijke ambtsontheffing op aanvraag geweest zijn, behalve om gezinsredenen;
   4° zij, op de datum waarop hun terbeschikkingstelling ingaat, [3 of op de datum van de overplaatsing indien er geen terbeschikkingstelling is,]3 geen functie bekleden waarvan de bezoldiging niet gedragen wordt door de begroting van Defensie;
   5° zij, op de datum waarop hun terbeschikkingstelling ingaat, [3 of op de datum van de overplaatsing indien er geen terbeschikkingstelling is,]3 zich op meer dan één jaar van de normale datum van oppensioenstelling bevinden;
   6° zij, op de datum waarop hun terbeschikkingstelling ingaat, [3 of op de datum van de overplaatsing indien er geen terbeschikkingstelling is,]3 minstens het door de Koning bepaalde aantal jaren dienstanciënniteit tellen als militair van het actief kader, zonder dat dit lager mag zijn dan vijftien jaar;
   7° zij, op de datum waarop hun terbeschikkingstelling ingaat, [3 of op de datum van de overplaatsing indien er geen terbeschikkingstelling is,]3 evenals in de periode van twaalf maanden voorafgaand aan deze datum :
   a) niet reeds geselecteerd zijn door een openbare werkgever in het kader van een overplaatsing;
   b) niet reeds geselecteerd zijn door een externe werkgever in het kader van een beziging;
   c) niet reeds ter beschikking gesteld zijn van een openbare werkgever in het kader van een overplaatsing;
   d) niet reeds gebezigd zijn;
   8° zij zich, op de datum waarop hun terbeschikkingstelling ingaat, [3 of op de datum van de overplaatsing indien er geen terbeschikkingstelling is,]3 niet bevinden in een rendementsperiode bedoeld in artikel 179;
   9° zij zich, op de datum van het begin van de selectieproeven, niet bevinden in één van de vormen van operationele inzet die de Koning bepaalt, en niet effectief deel uitmaken van een detachement dat zich voorbereidt met het oog op een dergelijke inzet;
   10° zij, op de datum waarop hun terbeschikkingstelling ingaat, [3 of op de datum van de overplaatsing indien er geen terbeschikkingstelling is,]3 niet geaffecteerd zijn in een internationaal of intergeallieerd organisme;
   11° [4 ...]4
   12° dat zij, op de datum van het begin van de selectieproeven, niet in een vrijwillige opschorting van de prestaties zijn;
   13° zij, op de datum waarop hun terbeschikkingstelling ingaat, [3 of op de datum van de overplaatsing indien er geen terbeschikkingstelling is,]3 geen post uitoefenen waarvoor een specifiek en zeldzaam competentieprofiel is vereist.
   De Koning bepaalt de posten bedoeld in het eerste lid, 13°, per personeelscategorie, en eventueel per personeelsondercategorie.
   De militair bedoeld in het eerste lid, 13°, kan om gemotiveerde uitzonderlijke persoonlijke redenen toch een aanvraag indienen bij de door de Koning aangewezen overheid, om in aanmerking te komen voor een overplaatsing. Een weigering kan het voorwerp uitmaken van een beroep [2 bij de door de Koning aangewezen overheid]2.
   In functie van de encadreringsbehoeften kan de kandidatuur van een militair die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid geweigerd worden door de door de Koning aangewezen overheid, om de goede werking en de continuïteit van de Krijgsmacht te garanderen. Deze weigering kan het voorwerp uitmaken van een beroep [2 bij de door de Koning aangewezen overheid]2.
   Voor de toepassing van het eerste lid, is de normale datum van oppensioenstelling, de datum van oppensioenstelling op leeftijdsgrens op basis van de wetgeving en de reglementering die van toepassing zijn op de datum waarop de terbeschikkingstelling ingaat [3 of op de datum van de overplaatsing indien er geen terbeschikkingstelling is]3.
   Als een procedure is opgestart voor het verschijnen voor de militaire commissie voor geschiktheid en reform of de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform, dan wordt deze procedure geschorst zolang de militair ter beschikking wordt gesteld. Als de militair wordt overgeplaatst, dan wordt de procedure van rechtswege afgesloten.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 243, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 36, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2017-11-12/07, art. 51, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (4)<W 2019-05-20/07, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. 159.De openbare werkgever kan criteria bepalen waaraan een militair moet voldoen om geselecteerd te worden.
  [1 De militair wordt ter beschikking gesteld van de openbare werkgever ten vroegste op de eerste dag van de maand en ten laatste op de eerste dag van de zesde maand die volgt op de datum van de gunstige selectie van de militair, mits gezamenlijk akkoord van de openbare werkgever en Defensie met het oog op de kortste termijn. De terbeschikkingstelling heeft altijd uitwerking op de eerste dag van een maand.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 244, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 160.[1 Als de militair prestaties verricht in de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek [2 of in de regeling van de halftijds vervroegde uitstap]2, wordt een einde gesteld aan deze arbeidsregeling.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 245, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>
  (2)<W 2019-05-20/07, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. 161.De terbeschikkingstelling [1 , die een jaar niet mag overschrijden,]1 en de overplaatsing van de militair maken het voorwerp uit van een akkoord tussen [2 de door de Koning aangewezen overheid]2, en de betrokken openbare werkgever. De militair ontvangt een exemplaar van het document dat hij ter instemming moet ondertekenen.
  Dit akkoord, opgesteld op basis van een type-model goedgekeurd door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2, bevat met name :
  1° de duur van de fase van terbeschikkingstelling;
  2° de bepaling van de graad, het niveau en de weddetabel toepasselijk op het personeel van de openbare werkgever, waarmee de militair bekleed zal worden op de dag van zijn overplaatsing;
  3° de bepaling van het arbeidsregime;
  4° de duur en de inhoud van de eventuele vorming en stage;
  5° de regels betreffende de tenlasteneming van de kosten van de terbeschikkingstelling, met inbegrip van de kosten van de eventuele vorming en stage;
  6° de overheid die bij de openbare werkgever van de terbeschikkinggestelde militair bekleed is met een rang die gelijkwaardig is met die van korpscommandant;
  7° de regels betreffende de tenlasteneming, werkgeversbijdragen inbegrepen, van de wedde, de toelagen, de vergoedingen, de premies, de voordelen van alle aard, de sociale voordelen en de kinderbijslag van de terbeschikkinggestelde militairen zonder dat de tenlasteneming door de begroting van Defensie evenwel de [1 termijn van een jaar]1 overschrijdt;
  8° de geldelijke voordelen die de openbare werkgever toekent aan de militair op grond van het statuut eigen aan deze openbare werkgever;
  9° een lijst van de uitrusting die gratis ter beschikking zal gesteld worden of waarin de militair zelf dient te voorzien;
  10° de evaluatieprocedure en criteria toepasselijk gedurende de eventuele vorming en stage;
  11° de regels betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid van de openbare werkgever;
  12° de datum van overplaatsing;
  13° de procedure van overplaatsing.
  Een afschrift van het arbeidsreglement en van de statuten toepasselijk op de statutaire personeelsleden van de openbare werkgever wordt aan de terbeschikkinggestelde militair overhandigd.
  [1 De duur van één jaar bedoeld in het eerste lid wordt van rechtswege verlengd met de duur van het verlof betreffende de moederschapsbescherming, van het vaderschapsverlof, van het ouderschapsverlof, van het opvangverlof of van het adoptieverlof.
   De duur van één jaar bedoeld in het eerste lid kan verlengd worden met drie maanden in geval van het niet slagen in de vorming, mits toestemming [2 van de door de Koning aangewezen overheid]2.
   Indien de betrokkene uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen kan aantonen, kan [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 evenwel afwijken van deze termijn.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 246, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 37, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 162.[1 Gedurende de periode van terbeschikkingstelling is de militair in werkelijke dienst.
   Hij oefent het ambt uit buiten de Krijgsmacht en krachtens dienstorders uitgaande van de openbare werkgever.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 247, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 162/1. [1 De artikelen 156, 156/2, 156/3, 156/4, eerste en tweede lid, 156/5, eerste en derde lid, 156/6, 156/8, 156/9, 156/10, 156/11 en 156/12 zijn van toepassing op de militair ter beschikking gesteld van een openbare werkgever.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 248, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 162/2. [1 Behalve wanneer anders bepaald wordt in deze afdeling, blijven alle wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het statuut van de militairen van het actief kader van toepassing op de militairen die ter beschikking worden gesteld van een openbare werkgever, naar gelang van de personeelscategorie waartoe zij behoren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 249, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 162/3.[1 [2 De door de Koning aangewezen overheid]2 spreekt, in voorkomend geval, de overplaatsing van de terbeschikkinggestelde militair uit overeenkomstig de voorwaarden bepaald in het in artikel 161 bedoelde akkoord.
   De militair, op de dag van de overplaatsing :
   1° houdt op deel uit te maken van de Krijgsmacht en verliest de hoedanigheid van militair van het actief kader;
   2° verwerft de hoedanigheid van statutair personeelslid bij zijn openbare werkgever;
   3° wordt niet langer meer bezoldigd door Defensie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 250, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 38, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 162/4. [1 De bepalingen van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht zijn van toepassing op de militair die het actief kader heeft verlaten door een overplaatsing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 251, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Afdeling 4. - De beroepsomschakeling.

  Art. 163.[1 De beroepsomschakeling is het proces dat aan de militair toelaat Defensie te verlaten via vrijwillig ontslag en een betrekking bij een nieuwe werkgever te zoeken of een beroepsbezigheid als zelfstandige te ontplooien met behulp, op vraag van Defensie, van begeleidende diensten en adviezen, die individueel of in groep worden verleend door een derde, hierna "bureau voor beroepsomschakeling" genoemd.]1
  Het bureau voor beroepsomschakeling is de dienst belast met deze opdracht bij Defensie of, bij gebrek hieraan, de natuurlijke persoon, de particuliere of publieke rechtspersoon, hetzij de instelling of het orgaan van publiek recht die de steun aan de beroepsomschakeling verleent.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 252, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 163/1.[1 De onderofficieren en vrijwilligers van het actief kader kunnen van een beroepsomschakeling genieten, op voorwaarde dat :
   1° hun kandidatuur aanvaard wordt;
   2° zij, op de datum waarop hun oriëntatiefase begint, in werkelijke dienst zijn;
   3° zij, in de periode van twaalf maanden voorafgaand aan de datum waarop hun oriëntatiefase begint, niet genoten hebben van een tijdelijke ambtsontheffing op aanvraag, behalve om gezinsredenen;
   4° zij, op de datum waarop hun oriëntatiefase begint, geen functie bekleden waarvan de bezoldiging niet gedragen wordt door de begroting van Defensie;
   5° zij zich, op de datum waarop hun oriëntatiefase begint, op meer dan één jaar van de normale datum van oppensioenstelling bevinden;
   6° zij, op de datum waarop hun oriëntatiefase begint, minstens het door de Koning bepaalde aantal jaren dienstanciënniteit tellen als militair van het actief kader, zonder dat dit lager mag zijn dan vijftien jaar;
   7° zij, op de datum waarop hun oriëntatiefase begint, evenals in de periode van twaalf maanden voorafgaand aan deze datum :
   a) niet reeds geselecteerd zijn door een openbare werkgever in het kader van een overplaatsing;
   b) niet reeds geselecteerd zijn door een externe werkgever in het kader van een beziging;
   c) niet reeds ter beschikking gesteld zijn in het kader van een overplaatsing;
   d) niet reeds gebezigd zijn;
   8° zij zich, op de datum waarop hun oriëntatiefase begint, niet bevinden in een rendementsperiode in toepassing van artikel 179;
   9° zij zich, op de datum waarop hun oriëntatiefase begint, niet bevinden in één van de vormen van operationele inzet die de Koning bepaalt, en niet op preadvies gesteld zijn met het oog op een dergelijke inzet;
   10° zij, op de datum waarop hun oriëntatiefase begint, niet geaffecteerd zijn in een internationaal of intergeallieerd organisme;
   11° [3 ...]3
   12° zij, op de datum waarop hun oriëntatiefase begint, niet in een vrijwillige opschorting van de prestaties zijn;
   13° zij, op de datum waarop hun oriëntatiefase begint, geen post uitoefenen waarvoor een specifiek en zeldzaam competentieprofiel is vereist.
   De Koning bepaalt de posten bedoeld in het eerste lid, 13°, per personeelscategorie, en eventueel per personeelsondercategorie.
   De militair bedoeld in het eerste lid, 13°, kan om gemotiveerde uitzonderlijke persoonlijke redenen toch een aanvraag indienen bij de door de Koning aangewezen overheid, om in aanmerking te komen voor een beroepsomschakeling. Een weigering kan het voorwerp uitmaken van een beroep [2 bij de door de Koning aangewezen overheid]2.
   In functie van de encadreringsbehoeften kan de kandidatuur van een militair die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid geweigerd worden door de door de Koning aangewezen overheid, om de goede werking en de continuïteit van de Krijgsmacht te garanderen. Deze weigering kan het voorwerp uitmaken van een beroep [2 bij de door de Koning aangewezen overheid]2.
   Voor de toepassing van het eerste lid, is de normale datum van oppensioenstelling, de datum van oppensioenstelling op leeftijdsgrens op basis van de wetgeving en de reglementering die van toepassing zijn op de datum waarop de oriëntatiefase begint.
   Als een procedure is opgestart voor het verschijnen voor de militaire commissie voor geschiktheid en reform of de militaire commissie van beroep voor geschiktheid en reform, dan wordt deze procedure geschorst zolang de militair zich in de oriëntatiefase bevindt. Als de militair overgaat naar de reclasseringsfase, dan wordt de procedure van rechtswege afgesloten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 253, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 39, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>
  (3)<W 2019-05-20/07, art. 5, 020; Inwerkingtreding : 21-06-2019>

  Art. 164.[1 Het beroepsomschakelings-programma omvat drie achtereenvolgende fazen, die een beroepsomschakelingssessie vormen. Deze fazen zijn :
   1° de informatiefase;
   2° de oriëntatiefase;
   3° de reclasseringsfase.
   [2 De door de Koning aangewezen overheid]2 bepaalt het jaarlijks aantal beroepsomschakelingssessies alsmede de datum van het begin van elke sessie.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 254, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 40, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 165.[1 De informatiefase omvat, in de volgende volgorde :
   1° een gezamenlijke informatiebijeenkomst, georganiseerd door Defensie in samenwerking met het bureau voor beroepsomschakeling, waarna de deelnemers een kandidatuur tot ontslag vergezeld van een beroeps-omschakelingsprogramma kunnen indienen;
   2° voor de militairen waarvan de kandidatuur aanvaard wordt, een individuele evaluatie, georganiseerd door het bureau voor beroepsomschakeling, zodat de kandidaten hun motivatie en hun kansen om opnieuw werk te vinden kunnen beoordelen.
   De informatiefase begint de dag van de gezamenlijke informatiebijeenkomst bedoeld in het eerste lid, 1°, en duurt maximum drie maanden.
   De kandidatuur bedoeld in het eerste lid, 1°, moet worden ingediend binnen de twee weken die de gezamenlijke informatiebijeenkomst volgen.
   De informatiefase eindigt, naargelang het geval :
   1° zodra wordt overgegaan naar de oriëntatiefase;
   2° op aanvraag van de militair.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 255, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 166.De oriëntatiefase omvat activiteiten die door het bureau voor beroepsomschakeling worden georganiseerd om de balans van de bekwaamheden van de militair en van zijn mogelijkheden inzake beroepsomschakeling op te maken.
  [1 De door de Koning aangewezen overheid bepaalt de aanvangsdatum van de oriëntatiefase. Deze vangt steeds aan de eerste werkdag van een maand, ten vroegste op de eerste werkdag van de maand die op het einde van de informatiefase volgt, ten laatste op de eerste werkdag van de derde maand die op het einde van de informatiefase volgt.]1
  [1 De oriëntatiefase duurt één tot drie maanden. De concrete duur wordt door de Koning bepaald.]1
  De oriëntatiefase eindigt, naargelang het geval :
  1° zodra de militair een nieuwe beroepsactiviteit aanvangt behalve indien deze uitgeoefend wordt in cumulatie met de activiteiten van de beroepsomschakeling;
  2° zodra wordt overgegaan naar de [1 reclasseringsfase]1 van de beroepsomschakeling;
  3° op aanvraag van de militair.
  [1 4° zodra de militair vraagt dat zijn ontslag onmiddellijk uitwerking heeft en voor zover zijn ontslag aanvaard wordt.]1
  Een oriëntatieverlof wordt automatisch toegekend aan de militair bij de aanvang van de oriëntatiefase en eindigt automatisch bij afloop van deze fase.
  [1 De militair die de oriëntatiefase heeft onderbroken op eigen aanvraag als bedoeld in het vierde lid, 3°, kan slechts één enkele nieuwe kandidatuur voor een beroepsomschakeling indienen, voor zover een nieuwe sessie geprogrammeerd is.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 256, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 167.[1 § 1. De reclasseringsfase omvat activiteiten die door het bureau voor beroepsomschakeling worden georganiseerd om de militair te helpen een nieuwe beroepsactiviteit te vinden.
   § 2. De reclasseringsfase begint automatisch aan het einde van de oriëntatiefase.
   § 3. Vanaf die datum is de aanvaarding van de kandidatuur tot ontslag vergezeld van een beroepsomschakelingsprogramma bedoeld in artikel 165, eerste lid, 1°, onherroepelijk.
   § 4. De maximale duur van de reclasseringsfase ligt tussen vijf en drieëntwintig maanden. De concrete duur wordt door de Koning bepaald.
   In geval van afwezigheid om gezondheidsredenen van meer dan drie maanden of om sociale redenen waarvan de uitzonderlijke aard door [2 haar]2 wordt beoordeeld, kan [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 evenwel :
   1° de reclasseringsfase verlengen met een duur die gelijk is aan de duur van de afwezigheid om gezondheidsredenen, met een maximum van zes maanden;
   2° het ontslag tenietdoen.
   § 5. De reclasseringsfase eindigt in één van de volgende gevallen :
   1° zodra de militair een nieuwe beroepsactiviteit aanvangt, behalve indien deze uitgeoefend wordt in cumulatie met de activiteiten van de beroepsomschakelingsactiviteiten;
   2° zodra de militair vraagt dat zijn ontslag onmiddellijk uitwerking heeft en voor zover zijn ontslag aanvaard wordt;
   3° aan het eind van de duur bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, eventueel verlengd met de duur bedoeld in paragraaf 4, tweede lid, 1° ;
   4° op de datum waarop het ontslag teniet wordt gedaan bedoeld in paragraaf 4, tweede lid, 2°.
   § 6. Een reclasseringsverlof wordt automatisch verleend aan de militair bij de aanvang van de reclasseringsfase en eindigt automatisch bij afloop van die fase.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 257, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 41, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 168.[1 De datum waarop de militair een nieuwe beroepsactiviteit aanvangt, bedoeld in de artikelen 166, vierde lid, 1°, en 167, § 5, 1°, stemt, naargelang het geval, overeen met de datum waarop hij :
   1° als werknemer, een arbeidsovereenkomst afsluit, voor onbepaalde tijd, voor bepaalde tijd, of een gelijkaardige overeenkomst;
   2° bewijst, met een officieel document, dat hij een activiteit van zelfstandige in hoofdberoep uitoefent;
   3° aanvaard wordt als ambtenaar in een openbare dienst, al dan niet in stage.
   Het ontslag vergezeld van een beroepsomschakeling heeft uitwerking op de datum waarop de beroepsomschakeling eindigt in de gevallen bedoeld in artikel 166, vierde lid, 1° en 4°, en in artikel 167, § 5, 1° tot 3°.
   Het ontslag vergezeld van een beroepsomschakeling wordt gelijkgesteld met een aangenomen ontslag.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 258, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 169.Het beroepsomschakelingsprogramma eindigt automatisch zonder opzegging :
  1° in periode van oorlog;
  2° in geval van mobilisatie.
  [1 Voor de militairen die zich in de informatie- en de oriëntatiefase van het beroepsomschakelingsprogramma bevinden, eindigt dit programma automatisch zonder opzegging als een periode van crisis wordt afgekondigd.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 259, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 170.[1 De militair die het actief kader verlaat door een ontslag vergezeld van een beroepsomschakeling, ontvangt een reclasseringspremie.
   Het bedrag van de reclasseringspremie stemt overeen met :
   1° twaalf keer de laatste bruto maandwedde van de militair, als het ontslag uitwerking heeft tijdens de oriëntatiefase;
   2° een bedrag dat, opgeteld bij de som van de verschuldigde bruto wedden tijdens de reclasseringsfase, gelijk is aan twaalf keer de laatste maandelijkse bruto maandwedde van de militair, als het ontslag uitwerking heeft tijdens de reclasseringsfase;
   3° één keer de laatste bruto maandwedde van de militair, als het ontslag uitwerking heeft na de elfde maand van de reclasseringsfase.
   De wedden bedoeld in het tweede lid omvatten, in voorkomend geval, de toelagen die het karakter van een toebehoren van de wedde hebben. De toelagen die in aanmerking moeten worden genomen, worden bepaald door de Koning.
   De reclasseringspremie wordt betaald op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het ontslag uitwerking heeft.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 260, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 170/1. [1 De militair die een aanvraag tot ontslag vergezeld van een beroepsomschakeling heeft ingediend, kan niet in aanmerking komen voor de bepalingen bedoeld in artikel 52, § 4, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 261, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 170/2. [1 De militair die het actief kader heeft verlaten door een ontslag vergezeld van een beroepsomschakeling komt niet in aanmerking om opnieuw in het actief kader opgenomen te worden zoals bedoeld in artikel 53, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 262, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 170/3. [1 De bepalingen van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht zijn van toepassing op de militair die het actief kader heeft verlaten door ontslag vergezeld van een beroepsomschakeling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 263, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  TITEL VI. - De rechten en plichten van de militairen.

  Afdeling 1. - Algemeenheden.

  Art. 171. De militairen moeten, onder alle omstandigheden :
  1° het land moedig en gewetensvol dienen, zo nodig op gevaar van hun leven;
  2° nauwgezet alle dienstverplichtingen vervullen die hun worden opgelegd door het internationaal recht, door de Grondwet, door wets- en verordeningsbepalingen alsook door de reglementen, onderrichtingen en bevelen die op de Krijgsmacht van toepassing zijn;
  3° eerbiedig zijn tegenover de volkenrechtelijke instellingen, het Staatshoofd, de grondwettelijke machten en de instellingen van de Staat;
  4° alles vermijden wat afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun staat en van hun ambt;
  5° zich niet inlaten met enige werkzaamheid die in strijd is met het internationaal recht, de Grondwet en de wetten van het Belgische volk.

  Art. 172.§ 1. Militairen mogen zich niet inlaten met politieke activiteiten binnen Defensie.
  De militairen mogen lid worden van een politieke partij van hun keuze en er de aan hun lidmaatschap verbonden rechten uitoefenen.
  Zij mogen er de ambten van deskundige, raadgever of lid van een studiecentrum vervullen.
  Iedere andere actieve of publieke deelname aan het politieke leven in een andere hoedanigheid, zelfs buiten de periodes waarin prestaties in de schoot van de Krijgsmacht worden geleverd, is hen verboden.
  § 2. [1 Onder voorbehoud van de toepassing van de in bijzondere wetten bepaalde onverenigbaarheden, kunnen de militairen van het actief kader die voldoen aan de in artikel 173, eerste lid, bepaalde voorwaarden, zich evenwel kandidaat stellen voor de districtsraadsverkiezingen, gemeenteraadsverkiezingen en provincieraadsverkiezingen. Zij mogen alle uitvoerende en niet-uitvoerende politieke mandaten uitoefenen die betrekking hebben op deze bestuursniveaus.]1
  [1 § 2/1. Onder voorbehoud van de toepassing van andere wetten die de uitoefening van politieke activiteiten en mandaten beheersen, zijn de militairen van het reservekader evenwel gerechtigd politieke activiteiten en mandaten uit te oefenen voor zover de dienst het toelaat en dat zij plaats hebben buiten de perioden waarin prestaties in de schoot van de Krijgsmacht worden geleverd.]1
  § 3. De militairen moeten zich onthouden van elke politieke activiteit gedurende de diensturen. Zij moeten zich in het kader van hun politieke activiteit, altijd ervan onthouden de militaire kledij te dragen en gewag te maken van hun militaire hoedanigheid. Zij mogen evenwel hun beroep, zoals opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen, vermelden.
  ----------
  (1)<W 2017-11-19/02, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 08-12-2017>

  Art. 173.De voorwaarden bedoeld in artikel 172, § 2, zijn de volgende :
  1° [1 ...]1 [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 geïnformeerd hebben van de intentie om zich kandidaat te stellen;
  2° niet in [1 kandidaatsperiode]1 zijn.
  De intentieverklaring om zich kandidaat te stellen, bedoeld in het eerste lid, 1°, moet worden verzonden [2 naar de door de Koning aangewezen overheid]2 met een [1 aangetekende zending]1.
  Het politieke engagement van de militair mag niet voor gevolg hebben dat betrokkene de militaire plichten, bedoeld in artikel 171, niet meer respecteert of dat hij een standpunt inneemt dat strijdig is met de rechten en vrijheden, gewaarborgd door het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, en door de aanvullende protocollen bij dat verdrag die in België van kracht zijn.
  Het feit dat een militair, in het kader van zijn politiek engagement, zijn militaire plichten, bedoeld in artikel 171, niet respecteert of een standpunt inneemt dat strijdig is met de rechten en vrijheden, gewaarborgd door het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, en door de aanvullende protocollen bij dat verdrag die in België van kracht zijn, wordt beschouwd als een ernstig feit onverenigbaar met zijn staat van militair, en kan bijgevolg aanleiding geven tot het nemen van statutaire maatregelen overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn op de personeelscategorie van de betrokken militair.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 265, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 42, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 174.[1 . § 1. De bepalingen van de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten, betreffende het toekennen van de vrijstelling van dienst, het facultatief verlof en het politiek verlof van ambtswege, halftijds of voltijds, zijn toepasselijk op de militairen voor het uitoefenen van een mandaat bedoeld in artikel 172, § 2, voor zover deze bepalingen niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze wet.
   De uitoefening van één van de in artikel 172, § 2, bedoelde mandaten door een militair met facultatief politiek verlof kan nooit tot gevolg hebben dat de betrokken militair niet kan deelnemen aan activiteiten in het kader van de paraatstelling of de aanwending van de Krijgsmacht.
   § 2. De militair heeft recht noch op facultatief verlof noch op vrijstelling van dienst, maar wordt van ambtswege in politiek verlof gestuurd voor de in artikel 172, § 2, bedoelde mandaten indien hij één van de volgende functies uitoefent:
   1° een commandofunctie;
   2° een functie aan boord van een Belgische of buitenlandse vlooteenheid;
   3° een functie in een internationaal of intergeallieerd organisme;
   4° een functie als onderrichter.
   De Koning bepaalt de nadere regels omtrent de beslissing of de militair een functie bedoeld in deze paragraaf uitoefent. Deze beslissing is definitief zonder dat enig administratief beroep mogelijk is.
   § 3. Het politiek verlof van ambtswege vangt aan op de datum van de eedaflegging.
   § 4. Voor de toepassing van paragraaf 1 wordt het aantal inwoners bepaald overeenkomstig de bepalingen van de Nieuwe Gemeentewet.
   § 5. De militair die, naargelang het geval, bedoeld is in § 2 en met politiek verlof van ambtswege is, of voltijds met politiek verlof van ambtswege werd gezonden in toepassing van de bepalingen van de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten, bevindt zich gedurende deze periode in de stand "non-activiteit" bedoeld in artikel 189.
   Zodra het politiek verlof van ambtswege is beëindigd, wordt de militair heropgenomen in werkelijke dienst met de graad en de anciënniteit in deze graad waarmee hij bekleed was bij aanvang van het politiek verlof.
   § 6. De periodes gedekt door een facultatief politiek verlof of een politiek verlof van ambtswege worden niet bezoldigd.
   Het politiek verlof eindigt uiterlijk op de laatste dag van de maand tijdens welke het mandaat een einde neemt.
   Het politiek verlof eindigt van rechtswege:
   1° bij afkondiging van mobilisatie;
   2° bij afkondiging van de periode van oorlog;
   3° in geval uitzonderlijke omstandigheden dit vereisen, bij beslissing van de Ministerraad.
   De Koning bepaalt de nadere regels van het politiek verlof, onder andere de aanvraagprocedure.
   § 7. De bepalingen in dit artikel met betrekking tot het politiek verlof zijn niet van toepassing op militairen in vrijwillige opschorting van prestaties bedoeld in titel 7, hoofdstuk 4, van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I)]1
  ----------
  (1)<W 2017-11-19/02, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 08-12-2017>

  Art. 175. De militairen wordt elke vorm van staking ontzegd.

  Art. 176.§ 1. Onverminderd de bij de bijzondere wetten bepaalde onverenigbaarheden mogen de militairen noch zelf, noch door tussenpersonen andere betrekkingen, beroepen of bezigheden, zowel in de openbare als in de privé-sector uitoefenen, tenzij zij daarvoor niet worden betaald.
  Daarenboven mogen zij geen enkele opdracht aanvaarden, noch enige dienst verlenen in een bedrijf met winstoogmerk, zelfs wanneer zij daarvoor niet worden betaald.
  § 2. Afzonderlijke afwijkingen mogen door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 worden toegestaan :
  1° wanneer het bijkomende betrekkingen, beroepen of bezigheden van openbaar belang betreft, die in verband staan met het onderwijs of waarvoor speciale kennis of bijzondere aanleg is vereist;
  2° wanneer het bijkomende betrekkingen, beroepen of bezigheden betreft die het algemeen belang van de dienst niet in het gedrang brengen.
  De toestemming moet vooraf worden verleend. Zij kan steeds worden ingetrokken.
  [1 ...]1
  § 3. Dit artikel is niet van toepassing op de militairen die een tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden hebben bekomen, op de militairen die met buitengewoon verlof of met reclasseringsverlof zijn, en op de militairen tijdens de uitoefening van hun recht bedoeld in artikel 172, § 2.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 267, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 44, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 177. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van artikel 94, heeft de militair jaarlijks recht op de verloven waarvan de Koning de aard, het aantal en de nadere regels van verlening bepaalt.
  Voornoemd aantal mag niet minder dan dertig werkdagen per jaar bedragen.

  Art. 178.[1 Elke administratieve beslissing wordt schriftelijk aan de betrokken militair, kandidaat-militair of sollicitant betekend.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 268, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 178/1.[1 § 1. Iedere beslissing genomen door een collegiale instantie wordt genomen bij absolute meerderheid van de stemmen. De leden van deze instantie mogen zich niet onthouden. Bij staking van de stemmen is de stem van de voorzitter beslissend. De secretaris is niet stemgerechtigd.
   § 2. Wanneer een collegiale instantie wordt gevat, kan de betrokkene de wraking van elk lid van deze instantie vragen, indien hij van mening is dat een wettige verdenking bestaat ten opzichte van een lid.
   Dient zijn wraking te vragen, elk lid van een instantie :
   1° dat de echtgenoot of de wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de betrokkene;
   2° dat van mening is dat hij de betrokkene niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
   De wrakingsgrond wordt gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs en wordt verzonden door middel van elk schriftelijk communicatiemiddel tegen ontvangstbewijs naar de autoriteit bevoegd om zich uit te spreken over de vraag tot wraking of naar de autoriteit die de Koning aanwijst.
   De bevoegde autoriteit om zich uit te spreken over de vraag tot wraking is :
   1° de voorzitter van de bevoegde instantie indien de wrakingsgrond een lid van deze instantie betreft.
   2° de autoriteit bevoegd om de leden aan te wijzen of, in voorkomend geval, de autoriteit die de Koning aanwijst, als de wrakingsgrond de voorzitter betreft;
   De bevoegde autoriteit om zich uit te spreken over de vraag tot wraking kan :
   1° nieuwe leden aanwijzen;
   2° de vraag tot wraking verwerpen, op gemotiveerde wijze en door middel van elk schriftelijk communicatiemiddel tegen ontvangstbewijs, indien ze oordeelt dat de motivering ontoereikend is.
   [2 In afwijking van het vierde en vijfde lid is de door de Koning aangewezen overheid bevoegd om zich uit te spreken over de vraag tot wraking met betrekking tot de chef defensie en, in voorkomend geval, om een vervanger aan te wijzen, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]2
   De bijkomende regels betreffende de procedure van wraking worden door de Koning bepaald.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 269, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<KB 2014-04-10/06, art. 45, 008; Inwerkingtreding : 24-04-2014>

  Art. 178/2.[1 Een militair of een kandidaat-militair kan bij de beroepsinstantie een beroep aantekenen tegen de beslissingen met betrekking tot :
   1° de wijziging van vakrichting bedoeld in artikel 40, eerste lid;
   2° het behoren tot de geschiktheidscategorie D, in de gevallen bedoeld in artikel 69, zevende lid, 1° en 2° ;
   3° de beoordeling van de wijze van dienen bedoeld in artikel 84, § 1, tweede lid, als deze beslissing tot gevolg heeft dat de betrokken militair definitief voorbij gegaan wordt bij de bevordering;
   4° de beslissingen van de deliberatie- of evaluatiecommissie bedoeld in de artikelen 97/1, § 3, 97/2, § 2, 98/1, § 2, en 100, § 2;
   5° de beslissing van de deliberatiecommissie voor de voortgezette vorming bedoeld in artikel 113/1.
   De militair die, in het in het eerste lid, 2°, bedoeld geval, al twee beroepen bij de beroepsinstantie heeft ingediend, mag evenwel geen nieuw beroep indienen.
   Het beroep wordt ingediend met een aangetekende zending ten laatste op de tiende werkdag die volgt op de dag waarop de beslissing betekend wordt.
   In afwijking van het derde lid bedraagt de termijn dertig werkdagen voor de militair die om dienstredenen in het buitenland is.
   De regels voor de beroepsprocedure worden door de Koning bepaald.
   De beroepsinstantie wordt samengesteld overeenkomstig de volgende regels :
   1° de beroepsinstantie wordt gevormd door drie leden, waaronder een president, minstens bekleed met een graad van hoofdofficier, en twee andere leden, bekleed met minstens een hogere graad dan de militair of kandidaat-militair die verschijnt, of met minstens meer anciënniteit in dezelfde graad in dezelfde personeelscategorie;
   2° voor zover het behoren tot de geschiktheidscategorie D het gevolg is van onvoldoende [2 statutaire evaluaties]2, wordt de beroepsinstantie die bevoegd is voor het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, evenwel paritair samengesteld. Ze bestaat uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van de overheid en vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties van het militair personeel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 270, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<W 2017-07-31/24, art. 14, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Afdeling 2. - De rendementsperiode.

  Art. 178/3. [1 De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing :
   1° op de kandidaat-beroepsmilitairen en beroeps-militairen;
   2° op de kandidaat-hulpofficieren en hulpofficieren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 271, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Art. 179.[1 § 1. Voor de toepassing van deze afdeling dient onder "rendementsperiode" te worden verstaan, elke periode van werkelijke dienst gedurende dewelke een militair gehouden is te dienen, naargelang het geval :
   1° indien hij beroepsmilitair is, vanaf de datum waarop de vorming in de hoedanigheid van kandidaat-militair definitief beëindigd werd;
   2° indien hij beroepsmilitair is en met succes de vorming van piloot van het licht vliegwezen of van piloot van de marine heeft gevolgd, vanaf de datum waarop deze vorming eindigt;
   3° indien hij beroepsmilitair is, vanaf de einddatum van elke vormingsperiode, hierna "aanvullende vorming" genoemd, die uit een vorming bekrachtigd met een diploma of een getuigschrift van hoger of gelijkgesteld onderwijs bestaat;
   4° indien hij hulpofficier is, vanaf de datum waarop de vorming in de hoedanigheid van kandidaat-hulpofficier definitief beëindigd werd;
   5° indien hij beroepsmilitair of hulpofficier is, vanaf de einddatum van elke andere vorming, die op kosten van Defensie werd gevolgd en waarvan de gecumuleerde kostprijs op een periode van twee jaar het minimum bepaald door de Koning overschrijdt, zonder dat dit laatste minder dan 5.000 euro mag bedragen;
   6° indien hij piloot is, vanaf de einddatum van elke vorming gevolgd met het oog op zijn omscholing op een ander type van luchtvaartuig dan dit waarop hij oorspronkelijk werd gevormd.
   § 2. Voor de vormingen bedoeld in § 1, 1° tot 3°, is de rendementsperiode gelijk aan anderhalve maal de duur van de vorming bepaald in deze wet, die de militair gevolgd heeft op kosten van Defensie.
   Voor de beroepsofficier die met succes de vorming van piloot of van luchtverkeersleider heeft gevolgd, wordt de rendementsperiode evenwel verhoogd met drie jaar.
   Voor de hulpofficier bedraagt de rendementsperiode zes jaar.
   De hulpofficier piloot die werd vrijgesteld van een deel van de vorming van militair piloot, titularis zijnde van de luchtvaartkwalificaties bedoeld in artikel 5, § 2, derde lid, van de wet van 11 november 2002 betreffende de hulpofficieren van de Krijgsmacht, verworven voorafgaand aan zijn dienstnemingsdatum, heeft evenwel een rendementsperiode van drie jaar.
   De rendementsperiodes bedoeld in deze paragraaf mogen evenwel, per vorming, niet kleiner zijn dan drie jaar, noch twaalf jaar overschrijden. Wordt gelijkgesteld aan een vorming op kosten van Defensie, elke vorming waarvoor de militair volledige dienstontheffingen voor de ganse duur van de vorming heeft bekomen.
   § 3. Voor de vormingen bedoeld in § 1, 5°, is de rendementsperiode gelijk aan twee jaar.
   Voor de vorming bedoeld in § 1, 6°, is de rendementsperiode gelijk aan [2 zes]2 jaar.
   § 4. De rendementsperiode wordt in volle maanden berekend. Zij begint de eerste dag van de maand die volgt op de data zoals vastgesteld in § 1.
   De einddatum van de rendementsperiode wordt vastgesteld op de eerste dag van de maand die volgt aan het einde van de duur van deze periode.
   § 5. De vormingsduur die in aanmerking wordt genomen en de duur van de rendementsperiode worden vastgesteld in tabel A van de bijlage B bij deze wet.
   Een tijdens een rendementsperiode gevolgde vorming die een bijkomende rendementsperiode met zich meebrengt, heeft tot gevolg dat de lopende rendementsperiode geschorst wordt.
   De rendementsperiodes voor verscheidene vormingen worden gecumuleerd. De totale rendementsperiode mag de vijftien jaar niet overschrijden.
   § 6. De lopende rendementsperiode wordt geschorst voor de militair die zich in de stand "in non-activiteit" bevindt.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 272, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>
  (2)<W 2019-02-15/01, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 11-03-2019>

  Art. 180.[1 De beroepsmilitair die zijn ontslag verkrijgt of die van ambtswege wordt ontslagen voor het einde van de opgebouwde rendementsperiode om de redenen bedoeld in artikel 179, § 1, 1° tot 3°, is er toe gehouden een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden terug te betalen. De vergoeding is degressief. Zij bedraagt een breukdeel van de 73 % van de netto uitbetaalde wedden gedurende de vorming. De teller van dit breukdeel is het verschil tussen het aantal maanden te presteren voor de rendementsperiode, bepaald in artikel 179, § 2, en het aantal reeds gepresteerde maanden. De noemer van dit breukdeel is het aantal maanden te presteren voor de rendementsperiode, bepaald in artikel 179, § 2.
   De beroepsmilitair die zijn ontslag verkrijgt of die van ambtswege wordt ontslagen, na het behalen van het hoger brevet van piloot, na een vorming van piloot van het licht vliegwezen of van piloot van het luchtvarend personeel van de marine te hebben gevolgd, is er eveneens toe gehouden om aan de Staat een gedeelte van de kosten van zijn vorming terug te betalen, volgens de bedragen en nadere regels hernomen in de tabellen B en C van de bijlage B bij deze wet.
   De beroepsmilitair die zijn ontslag verkrijgt of die van ambtswege wordt ontslagen voor het einde van de opgebouwde rendementsperiode in de voorwaarden bedoeld in artikel 179, § 1, 5°, is er eveneens toe gehouden een gedeelte van de in voornoemde bepaling bedoelde kostprijs terug te betalen. De vergoeding is degressief. Zij bedraagt een breukdeel van de voornoemde kostprijs. De teller van dit breukdeel is het verschil tussen de vierentwintig maanden te presteren voor de rendementsperiode, bepaald in artikel 179, § 3, en het aantal reeds gepresteerde maanden. De noemer van dit breukdeel is vierentwintig maanden.
   De beroepsmilitair die zijn ontslag verkrijgt of die van ambtswege wordt ontslagen of die op pensioen wordt gesteld in toepassing van de artikelen 3, A, en 3, B, van de bij het koninklijk besluit nr. 16020 van 11 augustus 1923 samengeordende wetten op de militaire pensioenen, of van artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, voor het einde van de opgebouwde rendementsperiode na een vorming bedoeld in artikel 179, § 1, 6°, te hebben gevolgd, is er eveneens toe gehouden om aan de Staat een gedeelte van de kosten van zijn vorming terug te betalen, volgens de bedragen en nadere regels hernomen in de tabel E van de bijlage B bij deze wet.
   De beroepsmilitair die zijn professionele vorming voor het behalen van het brevet ATC heeft aangevangen en die zijn ontslag verkrijgt of die van ambtswege wordt ontslagen voor het einde van de opgebouwde rendementsperiode, om de redenen bedoeld in artikel 179, § 1, 1°, en § 2, tweede lid, is er eveneens toe gehouden om aan de Staat een gedeelte van de kosten van deze professionele vorming terug te betalen, volgens de bedragen en nadere regels hernomen [2 in de tabel]2 F2 van de bijlage B bij deze wet.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 273, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>
  (2)<W 2018-04-30/07, art. 18, 017; Inwerkingtreding : 25-05-2018>

  Art. 181.[1 De hulpofficier die de verbreking van de dienstneming verkrijgt of waarvan de dienstneming wordt verbroken om tuchtredenen, morele ongeschiktheid of beroepsonbekwaamheid voor het einde van de opgebouwde rendementsperiode om redenen aangehaald in artikel 179, § 1, 4°, is er toe gehouden een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden terug te betalen. De vergoeding is degressief. Zij bedraagt een breukdeel van de 73 % van de netto uitbetaalde wedden gedurende de vorming. De teller van dit breukdeel is het verschil tussen het aantal maanden te presteren voor de rendementsperiode, bepaald in artikel 179, § 2, en het aantal reeds gepresteerde maanden. De noemer van dit breukdeel is het aantal maanden te presteren voor de rendementsperiode, bepaald in artikel 179, § 2.
   De hulpofficier piloot die de verbreking van zijn dienstneming verkrijgt of waarvan de dienstneming wordt verbroken om tuchtredenen, morele ongeschiktheid of beroepsonbekwaamheid, voor het einde van de opgebouwde rendementsperiode om redenen aangehaald in artikel 179, § 1, 4° of na een vorming bedoeld in artikel 179, § 1, 6°, te hebben gevolgd, is er eveneens toe gehouden om aan de Staat een gedeelte van de kosten van zijn vorming terug te betalen, volgens de bedragen en nadere regels hernomen in de tabellen B, C, D en E van de bijlage B bij deze wet.
   De hulpofficier luchtverkeersleider die de verbreking van zijn dienstneming verkrijgt of waarvan de dienstneming wordt verbroken om tuchtredenen, morele ongeschiktheid of beroepsonbekwaamheid, voor het einde van de opgebouwde rendementsperiode, om de redenen bedoeld in artikel 179, § 1, 4°, is er eveneens toe gehouden om aan de Staat een gedeelte van de kosten van de professionele vorming voor het behalen van het brevet ATC, terug te betalen, volgens de bedragen en nadere regels hernomen in de tabel F2 van de bijlage B bij deze wet.
   De hulpofficier die de verbreking van de dienstneming verkrijgt of waarvan de dienstneming wordt verbroken om tuchtredenen, morele ongeschiktheid of beroepsonbekwaamheid voor het einde van de opgebouwde rendementsperiode om redenen aangehaald in artikel 179, § 1, 5°, is er eveneens toe gehouden een gedeelte van de in voornoemde bepaling bedoelde kostprijs terug te betalen. De vergoeding is degressief. Zij bedraagt een breukdeel van de voornoemde kostprijs. De teller van dit breukdeel is het verschil tussen de vierentwintig maanden te presteren voor de rendementsperiode, bepaald in artikel 179, § 3, eerste lid, en het aantal reeds gepresteerde maanden. De noemer van dit breukdeel is vierentwintig maanden.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 274, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Art. 182.[1 De kandidaat-hulpofficier piloot van wie de dienstneming verbroken wordt, na het behalen van het brevet van piloot, wegens elke andere reden dan wegens medische ongeschiktheid en die ophoudt militair van het actief kader te zijn, is er toe gehouden om een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden terug te betalen. De vergoeding bedraagt 73 % van de netto uitbetaalde wedden gedurende de vorming.
  [2 De kandidaat-hulpofficier piloot, bedoeld in het eerste lid en houder van het hoger brevet van piloot, is er eveneens toe gehouden om een gedeelte van de kosten van zijn vorming terug te betalen, volgens de bedragen en nadere regels hernomen in de tabel B van de bijlage B bij deze wet.]2
   De bepalingen van het eerste en het tweede lid zijn eveneens van toepassing op de kandidaat-militair die deze hoedanigheid verliest en die tot deze vorming werd toegelaten, nadat zijn dienstneming als kandidaat-hulpofficier piloot werd verbroken en waarop de bepalingen van het eerste lid op dat ogenblik van toepassing waren.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 275, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 71, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 183.[1 Is er toe gehouden om een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden terug te betalen, elke kandidaat-militair wiens dienstneming of wederdienstneming verbroken wordt wegens een andere reden dan wegens medische ongeschiktheid, die ophoudt kandidaat-militair van het actief kader te zijn en die :
   1° hetzij, in de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier, ten minste 60 studiepunten heeft behaald in de Koninklijke Militaire School of in een andere instelling van het hoger onderwijs;
   2° hetzij, in de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier, het diploma van secundair onderwijs of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift heeft behaald in de Koninklijke School voor Onderofficieren.
   De bepaling bedoeld in het eerste lid is niet toepasselijk :
   1° op de militair heropgenomen in zijn oorspronkelijk kader, tenzij hij de hoedanigheid van militair van het actief kader verliest binnen een periode die op de datum van zijn heropneming begint en gelijk is aan anderhalve maal de duur van de vorming gevolgd in de hoedanigheid bedoeld in het eerste lid, 1° of 2° ;
   2° op de kandidaat-militair, die geen achttien jaar oud is, die de hoedanigheid van kandidaat verliest ingevolge de verklaring van de periode van oorlog.
   De vergoeding bedraagt 73 % van de netto uitbetaalde wedden tijdens de vorming in de hoedanigheid bedoeld in het eerste lid, 1° of 2°. De terugbetaling bedoeld in het tweede lid, 1°, wordt evenwel berekend volgens de bepaling bedoeld in artikel 180, eerste lid.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 276, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Art. 183/1.[1 De kandidaat-hulpofficier luchtverkeersleider, wiens dienstneming verbroken wordt, wegens elke andere reden dan wegens medische ongeschiktheid, en die ophoudt militair van het actief kader te zijn, is er eveneens toe gehouden om aan de Staat een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden terug te betalen. De vergoeding bedraagt 73 % van de netto uitbetaalde wedden gedurende deze vorming.
   Het eerste lid is eveneens van toepassing op de kandidaat-militair die deze hoedanigheid verliest en die tot deze vorming werd toegelaten, nadat zijn dienstneming als kandidaat-hulpofficier luchtverkeersleider werd verbroken onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<W 2018-04-30/07, art. 19, 017; Inwerkingtreding : 25-05-2018>

  Art. 184.Voor uitzonderlijke sociale redenen, kan de Koning [2 of de overheid die Hij aanwijst,]2 bij een met redenen omklede beslissing de militair die erom verzoekt, vrijstellen van de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de vormingskosten en van de tijdens de vorming genoten wedden.
  [1 Het eerste lid is evenwel niet van toepassing op de militair die de hoedanigheid van militair heeft verloren ten gevolge van zijn overgang naar de geschiktheidscategorie D zonder beroep te hebben ingediend bij de in artikel 178/2 bedoelde beroepsinstantie.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 278, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 72, 012; Inwerkingtreding : 12-06-2017>. (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 72 vastgesteld op 12-06-2017 door KB 2017-04-28/19, art. 7)

  Art. 184/1. [1 De bedragen bepaald in deze wet worden aangepast overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, worden gekoppeld. De bedragen stemmen overeen met de spilindex 138,01 (basis 1981=100).
   De terugvordering der verschuldigde sommen gebeurt door tussenkomst van de ontvangers van de Administratie van de btw, registratie en domeinen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 279, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  TITEL VII. - De periodes en standen waarin de militair zich kan bevinden.

  Art. 185. Onder voorbehoud van de machtiging verleend aan de Koning door artikel 167 van de Grondwet, verschilt de mate waarin de militair zijn rechten kan uitoefenen en zijn verplichtingen moet nakomen in functie van :
  1° de periode waarin hij zich bevindt;
  2° de stand of, in voorkomend geval, de deelstand waarin hij zich tijdens die periode bevindt;
  3° het feit dat hij effectief deel uitmaakt van een detachement dat zich voorbereidt met het oog op een operationele inzet.

  Art. 186. De militair bevindt zich in periode van oorlog, in periode van crisis of in periode van vrede.
  De periode van oorlog is, voor het geheel van de Krijgsmacht, de periode die, in geval van een internationaal conflict, begint en eindigt op de tijdstippen die door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, worden vastgelegd.
  De periode van crisis is, voor het geheel van de Krijgsmacht, de periode die, in geval van een ernstige nationale of internationale crisis, begint en eindigt op de tijdstippen die door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, worden vastgelegd.
  Buiten die periodes bevindt de militair zich in een periode van vrede.

  Art. 187. Zowel in periode van oorlog als in periode van crisis of in periode van vrede bevindt de militair zich in één van de volgende standen :
  1° " in werkelijke dienst ";
  2° " in non-activiteit ".
  De militair wordt in deze twee standen geacht " in dienst " te zijn.

  Art. 188. De stand " in werkelijke dienst " is de stand van de militair, die niet in non-activiteit is overeenkomstig artikel 189.

  Art. 189.[1 De stand "in nonactiviteit" is de stand van de militair :
   1° die tijdelijk van zijn ambt ontheven is;
   2° die onwettig afwezig bevonden werd;
   3° die een vrijheidsberovende straf ondergaat, waartoe hij door een Belgisch gerecht veroordeeld is of door een buitenlands gerecht als de beslissing wordt erkend in België, behalve als hij zijn straf ondergaat in de vorm van de strafuitvoeringswijze van de beperkte detentie, het elektronisch toezicht of de voorwaardelijke invrijheidstelling;
   4° die met politiek verlof is.
   De periode van schorsing bij ordemaatregel wordt omgezet in een periode van non-activiteit, indien ze gevolgd wordt door :
   1° een definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege;
   2° een verbreking van ambtswege van de dienstneming of de wederdienstneming, behalve om medische redenen;
   3° een afzetting zonder uitstel bedoeld in artikel 6 van het Militair Strafwetboek of artikel 19 van het Strafwetboek;
   4° een militaire degradatie;
   5° een tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel, maar enkel voor de duur van deze tijdelijke ambtsontheffing.
   De periode van voorlopige hechtenis wordt omgezet in een periode van non-activiteit, indien deze gevolgd wordt door een veroordeling tot een vrijheidsberovende straf zonder uitstel, maar enkel voor de duur van deze veroordeling.
   De internering wordt omgezet in een periode van non-activiteit, indien deze internering door een definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege gevolgd wordt.
   De periode van afwezigheid van een militair die gescheiden van het leger is, wordt geheel of gedeeltelijk in een periode van non-activiteit omgezet, indien de aan de afwezigheid ten grondslag liggende feiten of het gedrag van de militair gedurende de afwezigheid, niet met zijn staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie verenigbaar zijn. Deze maatregel wordt uitgesproken overeenkomstig de bepalingen van artikel 57, tweede, derde en vierde lid.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 280, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

  Art. 190.De militair in werkelijke dienst in periode van vrede bevindt zich in één van de volgende deelstanden :
  1° " in vorming ";
  2° " in normale dienst ";
  3° " in hulpverlening ";
  4° " in operationele inzet ".
  [1 5° "in intensieve dienst";
   6° "in militaire bijstand".]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 281, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 191.[1 De deelstand "in vorming" is de deelstand van de kandidaat-militairen tijdens de periode van opleiding en desgevallend de periode van schoolvorming van hun kandidaatsperiode, met uitzondering van de militair die aanvaard wordt om een vorming te volgen om opgenomen te worden in een andere personeelscategorie.
   De deelstand "in hulpverlening" is de deelstand van elke militair die deelneemt aan een opdracht bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, b) van de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de Krijgsmacht, de paraatstelling, alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden. De militair bedoeld in het eerste lid en de militair die de leeftijd van achttien jaar niet bereikt heeft, kunnen zich niet in deze deelstand bevinden.
   De deelstand "in operationele inzet" is de deelstand van elke militair die deelneemt aan een operatie bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, a) van voornoemde wet van 20 mei 1994. De militair bedoeld in het eerste lid en de militair die de leeftijd van achttien jaar niet bereikt heeft, kunnen zich niet in de deelstand "in operationele inzet" bevinden.
   De deelstand "in intensieve dienst" is de deelstand van elke militair, behalve die bedoeld in het eerste lid, die deelneemt aan een oefening of een maneuver van minstens vierentwintig uur.
   De deelstand "in militaire bijstand" is de deelstand van elke militair, behalve die bedoeld in het eerste lid en deze die de leeftijd van achttien jaar niet bereikt heeft, die deelneemt aan een opdracht bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, c) van de voornoemde wet van 20 mei 1994.
   De deelstand "in normale dienst" is de deelstand van elke militair die zich niet bevindt in één van de deelstanden bedoeld in het eerste tot het vijfde lid.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 282, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 192.<W 2007-05-11/51, art. 7, 002; Inwerkingtreding : onbepaald; uiterlijk op 01-07-2011> In periode van vrede, mag de militair die geen achttien jaar oud is enkel de wapens en de militaire kledij dragen indien dit nodig is voor zijn vorming.
  [1 De periode verlopen tussen het verlies van de hoedanigheid van kandidaat-militair door een kandidaat-militair die geen achttien jaar oud is ingevolge de verklaring van een periode van oorlog of crisis en zijn heropneming, wordt van rechtswege omgezet in een periode van werkelijke dienst.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 283, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  TITEL VIII. - De pensioenen.

  Art. 193.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 284, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 194.In afwijking van artikel 46, eerste lid, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, kan aan de gewezen militairen van het actief kader in werkelijke dienst als militair van dit kader vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling, op hun verzoek, een pensioen verleend worden op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin zij de volle leeftijd van 58 jaar hebben bereikt, of op de eerste dag van de maand die volgt op de stopzetting van hun functies indien deze zich later voordoet, op voorwaarde dat zij ten minste vijfentwintig pensioenaanspraakverlenende dienstjaren tellen die werden doorgebracht in de hoedanigheid van militair, met uitzondering van de bonificaties wegens studies en van andere periodes vergoed wegens diensten die voor de vaststelling van de wedde meetellen. Voor de berekening van die vijfentwintig dienstjaren worden de in aanmerking komende diensttijd en perioden slechts voor hun enkelvoudige duur in aanmerking genomen.
  Het eerste lid is niet van toepassing op aanvragen om uitgesteld pensioen, noch op aanvragen om onmiddellijk pensioen vanaf de leeftijd van 60 jaar. Het eerste lid is evenmin van toepassing op de militairen wier leeftijdsgrens hoger ligt dan 58 jaar.
  Voor de gewezen militairen die, met toepassing van het eerste lid, vragen om vóór de leeftijd van 60 jaar gepensioneerd te worden, wordt de in artikel 2, tweede lid, van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector bedoelde minimumleeftijd, vastgesteld op 58 jaar.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2018-04-30/07, art. 20, 017; Inwerkingtreding : 25-05-2018>

  Art. 195. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de bedragen en de perioden voor dewelke de commandotoelage bedoeld in artikel 31, § 3, van het koninklijk besluit van 18 maart 2003 houdende bezoldigingsregeling van de militairen van alle rangen en betreffende het stelsel van de dienstprestaties van de militairen van het actief kader beneden de rang van officier, de vormingstoelage bedoeld in artikel 32 van hetzelfde besluit en de meesterschapstoelage bedoeld in artikel 34 van hetzelfde besluit, in aanmerking worden genomen voor de berekening van de rust- en overlevingspensioenen.

  TITEL IX. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Wijziging van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen.

  Art. 196. Artikel 8, § 3, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen wordt aangevuld als volgt :
  " 4° 1/50 voor elk jaar dat, overeenkomstig tabel I van de bij het koninklijk besluit nr. 16020 van 11 augustus 1923 samengeordende wetten op de militaire pensioenen, aan dat tantième in aanmerking kan worden genomen voor de berekening van het militair anciënniteitspensioen van een militair van het actief kader in dienst vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling. ".

  HOOFDSTUK II. - Wijziging van de bij het koninklijk besluit nr. 16020 van 11 augustus 1923 samengeordende wetten op de militaire pensioenen.

  Art. 197. Artikel 1 van de bij het koninklijk besluit nr. 16020 van 11 augustus 1923 samengeordende wetten op de militaire pensioenen wordt aangevuld met de volgende leden :
  " Voor de toepassing van deze wetten moet verstaan worden onder :
  1° " in dienst " : de stand van de militair bedoeld in artikel 187, tweede lid, van de wet van 28 februari 2007 betreffende het statuut van de militairen van het actief kader van de krijgsmacht en in artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 mei 1994 (tot vaststelling van) de aanwending van de krijgsmacht, de paraatstelling, alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden; <Erratum, B.S. 12.09.2007, p 48329>
  2° " in werkelijke dienst " : de stand van de militair bedoeld in artikel 188 van voormelde wet van 28 februari 2007 en in artikel 5, eerste lid, van voormelde wet van 20 mei 1994;
  3° " in non-activiteit " : de stand van de militair bedoeld in artikel 189 van voormelde wet van 28 februari 2007 en in artikel 6 van wet van 20 mei 1994;
  4° het transferpunt : het ogenblik dat de transferperiode afsluit zoals bedoeld in artikel 3, 58° van (voormelde) wet van 28 februari 2007; <Erratum, B.S. 12.09.2007, p 48329>
  In afwijking van het vorige lid, worden de diensten van vóór 15 augustus 1994 in aanmerking genomen op basis van de wetgeving die van kracht was voor die datum. ".

  Art. 198. Artikel 3, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 14 juli 1930, 13 juli 1934, 17 juni 1971, het koninklijk besluit van 24 juli 1997, en de wetten van 25 mei 2000 en 3 februari 2003, wordt aangevuld met de volgende leden :
  " De officieren die erom verzoeken en die, op de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, titularis waren van een graad waarin zij, overeenkomstig de op die datum geldende bepalingen, ambtshalve gepensioneerd zouden geworden zijn bij het bereiken van de leeftijdsgrens van 51 jaar, kunnen aanspraak maken op een pensioen dat ingaat op de eerste dag van het trimester dat volgt op dat waarin zij de volle leeftijd van 51 jaar hebben bereikt, op voorwaarde dat zij de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling ten minste de volle leeftijd van 42 jaar hadden bereikt en zij op het ogenblik van hun opruststelling geen hoofd- of opperofficier, noch hoofdexpert zijn.
  De militairen beneden de rang van officier van het varend personeel die erom verzoeken en die, de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, titularis waren van een brevet waardoor zij, overeenkomstig de op die datum geldende bepalingen, ambtshalve gepensioneerd zouden geworden zijn bij het bereiken van de leeftijdsgrens van 51 jaar, kunnen aanspraak maken op een pensioen dat ingaat op de eerste dag van het trimester dat volgt op dat waarin zij de volle leeftijd van 51 jaar hebben, op voorwaarde dat zij de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling ten minste de volle leeftijd van 35 jaar hadden bereikt.
  Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing op aanvragen om uitgesteld pensioen. Deze leden zijn evenmin van toepassing indien de erin bedoelde militairen ambtshalve op rust moeten gesteld worden op het einde van het trimester tijdens hetwelk zij de volle leeftijd van 51 jaar hebben bereikt. ".

  Art. 199. In artikel 4 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 14 juli 1930, 21 mei 1991, bij het koninklijk besluit van 24 juli 1997 en bij de wet van 25 mei 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het tweede lid en het derde lid wordt het volgende lid ingevoegd :
  " Het vorige lid is niet van toepassing op de pensioenen van de militairen van het actief kader in dienst vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling, noch op de uitgestelde pensioenen die vanaf deze datum worden toegekend. ";
  2° het artikel wordt aangevuld met de volgende leden :
  " Voor de berekening van het militair anciënniteitspensioen van de militairen van het actief kader in dienst vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling wordt een tijdsbonificatie van twee jaar in aanmerking genomen als werkelijke dienst, op voorwaarde dat de voornoemde militairen hun transferpunt voorbij zijn en ten minste twaalf pensioenaanspraakverlenende dienstjaren tellen die werden doorgebracht in de hoedanigheid van militair van het actief kader, met uitzondering van de bonificaties wegens studies en van andere periodes vergoed wegens diensten die voor de vaststelling van de wedde meetellen. Voor de berekening van die twaalf dienstjaren worden de in aanmerking komende diensttijd en perioden slechts voor hun enkelvoudige duur in aanmerking genomen.
  Het vorige lid is niet van toepassing op de uitgestelde pensioenen. ".

  Art. 200. Artikel 5 van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 juli 1997 en de wet van 25 mei 2000, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " In afwijking van het derde lid wordt, voor de militairen van het actief kader in dienst vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling, elke bezoldigde periode van non-activiteit voor een andere reden voor de volledige duur ervan in aanmerking genomen voor de berekening van de werkelijke dienst voor het pensioen. ".

  Art. 201. In dezelfde wetten wordt een artikel 27bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 27bis. In afwijking van artikel 27, eerste lid, wordt de activiteitswedde bedoeld in de bij deze wetten gevoegde tabel I, voor de berekening van het pensioen van de militairen van het actief kader in dienst vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling, vervangen door de referentiewedde vastgesteld overeenkomstig artikel 8, §§ 1 en 2, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen. ".

  Art. 202. Artikel 58 van dezelfde wetten wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Dit artikel is niet van toepassing op de rustpensioenen van de militairen van het actief kader in dienst vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling, noch op de uitgestelde pensioenen die vanaf deze datum worden toegekend. ".

  Art. 203. In dezelfde wetten wordt een artikel 58bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 58bis. Blijven onderworpen aan de bepalingen van deze wetten zoals zij op hen van toepassing waren de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling, rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen zouden hebben ondergaan :
  1° de op de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling toegekende pensioenen;
  2° de pensioenen van de gewezen rijkswachters die na hun overgang naar de geïntegreerde politiediensten beslist hebben onderworpen te blijven aan de wetten en reglementen die van toepassing zijn op de personeelscategorie waartoe zij vóór hun overgang naar die politiediensten behoorden;
  3° de pensioenen die met toepassing van de bij een koninklijk besluit, vastgelegd na overleg in de Ministerraad, bepaalde artikelen van het besluit van de Regent van 6 februari 1950 betreffende de opruststelling van de officieren van de Krijgsmacht, of van het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de inruststelling van de militairen beneden de rang van officier, worden toegekend aan de militairen van het actief kader in dienst vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling, indien dit voordeliger is;
  4° indien dit voordeliger is, de pensioenen van de militairen van het actief kader in dienst vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling die zich op deze datum op ten hoogste vijf jaar bevinden van de datum waarop ze op rustpensioen worden gesteld, rekening houdend met de leeftijdsgrens die de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling van toepassing was op de graad waarin zij hun loopbaan in het actief kader beëindigen, wanneer deze leeftijdsgrens op de dag van de inwerkingtreding van deze bepaling onveranderd blijft;
  5° indien dit voordeliger is, de pensioenen van de militairen van het actief kader in dienst vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling die zich op deze datum op ten hoogste vijf jaar bevinden van de datum waarop ze op rustpensioen worden gesteld krachtens het koninklijk besluit van 13 augustus 2004 betreffende de leeftijd van (oprustpensioenstelling) van officieren die bepaalde bijzondere functies bekleden. ". <Erratum, B.S. 12.09.2007, p 48329>

  Art. 204. In dezelfde wetten wordt een artikel 58ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 58ter. De pensioenen die met toepassing van de bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalde artikelen van voormeld besluit van de Regent van 6 februari 1950, of van voormeld koninklijk besluit van 22 april 1969, worden toegekend aan de militairen van het actief kader in dienst vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling, worden gelijkgesteld met pensioenen toegekend na een ambtshalve opruststelling wegens leeftijdsgrens. ".

  Art. 205. In artikel 76 van dezelfde wetten worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het 1° wordt aangevuld als volgt :
  " Bij de herziening worden de bepalingen van deze wetten toegepast die van toepassing waren op het oorspronkelijke pensioen, rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen zouden hebben ondergaan; ";
  2° het 3° wordt aangevuld als volgt :
  " Het tweede lid is niet van toepassing op de militairen van wie het oorspronkelijk pensioen berekend werd op grond van de referentiewedde bedoeld in artikel 27bis. Indien zo'n militair, op het tijdstip dat hij opnieuw het leger verlaat, met een hogere graad bekleed is dan die waarin hij oorspronkelijk op rust werd gesteld, wordt het pensioen, in afwijking van het eerste lid, herzien op grond van een nieuwe referentiewedde op voorwaarde dat de militair gedurende ten minste zes maanden een hogere wedde heeft genoten dan de laatste wedde die in aanmerking werd genomen voor de vaststelling van de referentiewedde die als grondslag heeft gediend voor de berekening van het oorspronkelijke pensioen. Bij de vergelijking van deze wedden wordt in voorkomend geval rekening gehouden met de weddenbijslagen die in aanmerking komen voor de vaststelling van de referentiewedde; ".

  Art. 206. In de tabel in bijlage aan dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 29 juli 1926, 14 juli 1930, bij het koninklijk besluit Nr 16 van 15 oktober 1934, bij de wetten van 30 juni 1947, 14 juli 1951, 2 augustus 1955 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt in de kolom " Gedeelte der activiteitswedde als annuïteit dienende voor de pensioenberekening " de breuk " 1/60 " vervangen als volgt :
  " 1/60. Voor de militairen van het actief kader in dienst vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling wordt deze breuk evenwel op 1/50 gebracht voor alle perioden van werkelijke dienst en daarmee gelijkgestelde perioden alsook voor afwezigheden om gezondheidsredenen, met uitzondering van de perioden van :
  1° voltijds dagonderwijs in de Koninklijke Kadettenschool;
  2° militaire dienstplicht, wederoproeping of bijkomend prestaties verricht in het reservekader, met uitzondering van de vrijwillige encadreringsprestaties;
  3° afwezigheid wegens tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking en niet door een wedde bezoldigde afwezigheid om andere dan gezondheidsredenen, vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling;
  De tijd die door voornoemde militairen werd doorgebracht in een burgerlijke dienst wordt voor de berekening van hun militair anciënniteitspensioen in aanmerking genomen aan het tantième eigen aan die burgerlijke dienst, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 3 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector. ".

  HOOFDSTUK II/1. [1 - Wijzigingen van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen in het leger]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 285, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 206/1. [1 In artikel 2 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen in het leger, gewijzigd bij de wetten van 30 juli 1955, 13 november 1974 en 26 maart 1999, worden het vierde en het vijfde lid opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 286, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 206/2. [1 In artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1990 en 22 maart 2001, wordt het zesde lid vervangen als volgt :
   "De benoeming in de graad van onderluitenant van de kandidaat die slechts slaagt bij één van de twee pogingen van de tweede deelname, wordt verminderd met zes maanden. Deze benoeming heeft evenwel uitwerking op dezelfde datum als deze van de kandidaten bedoeld in het vierde lid die geen vertraging hebben opgelopen. De kandidaat die slaagt bij de eerste poging van de tweede deelname loopt evenwel geen vertraging op, indien de deelname aan dit examen voortvloeide uit de onmogelijkheid om het tweede examen van de eerste deelname af te leggen door een ongeval of een ziekte ingevolge een met de dienst verband houdend feit.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 287, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 206/3. [1 Artikel 6 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 juli 1955, wordt aangevuld met een lid, luidende :
   "Het latere bekomen van de grondige kennis van de tweede landstaal bedoeld in artikel 7 kan niet worden gebruikt om een herziening van die mislukking te doen gelden.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 288, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 206/4. [1 In de Franse tekst van artikel 8, § 2, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 maart 2001, worden de woorden "certificat d'enseignement secondaire supérieure" vervangen door de woorden "certificat d'enseignement secondaire supérieur".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 289, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 206/5. [1 In artikel 11, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2009, worden de woorden "voorafgaandelijk ten minste vijftig procent te behalen op" vervangen door de woorden "voorafgaandelijk te slagen voor".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 290, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 206/6. [1 In artikel 31, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2009, worden de woorden "voorafgaandelijk ten minste vijftig procent te behalen op" vervangen door de woorden "voorafgaandelijk te slagen voor".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 291, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK III. - [1 Wijzigingen]1 van de wet van 23 december 1955 betreffende de hulpofficieren van de luchtmacht, piloten en navigatoren.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 292, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 207.[1 In artikel 1 van de wet van 23 december 1955 betreffende de hulpofficieren van de luchtmacht, piloten en navigatoren wordt het woord "gebrevetteerd" ingevoegd tussen de woorden "voor de categorie van het" en de woorden "varend personeel van de luchtmacht".]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 293, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 207/1. [1 In artikel 9, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 26 april 2009, worden de woorden "die aanvaard werd," ingevoegd tussen de woorden "De verbreking van de dienstverbintenis" en de woorden "heeft uitwerking".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 294, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 207/2. [1 Artikel 10bis van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 13 juli 1976, wordt aangevuld met een lid, luidende :
   "De artikelen 21/1, eerste lid, 9°, derde lid en vierde lid, 81, § 1, vierde en vijfde lid, 81/3, tweede lid, 3°, 102, eerste lid, 107, derde lid, en 108, tweede lid, van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en de kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, die van toepassing zijn op de kandidaat-militair die geen achttien jaar oud is wanneer een periode van oorlog wordt afgekondigd, zijn toepasselijk op de kandidaat-hulpofficier.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 295, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 207/3. [1 In artikel 16 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 13 juli 1976, worden de woorden "in het beroepskader van het varend personeel van de luchtmacht" vervangen door de woorden "als beroepsofficier van niveau A in de vakrichting waartoe hij behoort".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 296, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 207/4. [1 In artikel 16bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 13 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 16 juli 2005, worden de woorden "in het aanvullingskader van het korps van het varend personeel van de luchtmacht" vervangen door de woorden "als beroepsofficier van niveau B in de vakrichting waartoe hij behoort".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 297, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 207/5. [1 In artikel 17 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 13 juli 1976, worden de woorden "in het beroeps- of aanvullingskader van het korps van het varend personeel van de luchtmacht" vervangen door de woorden "als beroepsofficier van niveau A of beroepsofficier van niveau B".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 298, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 207/6. [1 In artikel 18 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 13 juli 1976, worden de woorden "in het beroeps- of aanvullingskader van het korps van het varend personeel van de luchtmacht" vervangen door de woorden "als beroepsofficier van niveau A of beroepsofficier van niveau B".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 299, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 207/7. [1 In artikel 19 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 18 februari 1987, worden de woorden "in het beroeps- of aanvullingskader van het korps van het varend personeel van de luchtmacht" vervangen door de woorden "als beroepsofficier van niveau A of beroepsofficier van niveau B".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 300, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 207/8. [1 In artikel 21 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 maart 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   1° in paragraaf 1 worden de woorden "artikel 3, 3° " vervangen door de woorden "artikel 3";
   2° in de Franse tekst van paragraaf 2, eerste lid, 1°, 2° en 3°, en paragraaf 3, 1°, 2° en 3°, worden de woorden "traitement brut" telkens vervangen door de woorden "traitement mensuel brut".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 301, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK IV. - Opheffing van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de Krijgsmacht.

  Art. 208.[1 De wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de Krijgsmacht, gewijzigd bij de wetten van 28 juni 1960, 26 juli 1962, 23 juni 1964, 6 juli 1967, 27 december 1973, 13 juli 1976, 18 februari 1987, 22 december 1989, 21 december 1990, 28 december 1990, 20 mei 1994, 11 juni 1998, 16 maart 2000, 25 mei 2000, 22 maart 2001, 16 mei 2001, 2 augustus 2002, 3 februari 2003, 27 maart 2003, 15 februari 2005, 16 juli 2005, 20 juli 2006 en 26 april 2009, wordt opgeheven.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 302, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK V. - Opheffing van de wet van 27 december 1961 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de Krijgsmacht.

  Art. 209.[1 De wet van 27 december 1961 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de Krijgsmacht, gewijzigd bij de wetten van 13 juli 1976, 21 december 1990, 28 december 1990, 20 mei 1994, 16 maart 2000, 25 mei 2000, 22 maart 2001, 3 februari 2003, 27 maart 2003, 15 februari 2005, 16 juli 2005 en 26 april 2009, wordt opgeheven.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 303, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK V/1. [1 - Wijziging van de dienstplichtwetten gecoördineerd op 30 april 1962]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 304, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 209/1. [1 In artikel 2, § 4, van de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962, worden de woorden "vanaf 1 januari van het jaar waarin zij 17 jaar oud worden" vervangen door de woorden "vanaf het moment dat zij de volle leeftijd van 18 jaar hebben bereikt".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 305, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK VI. - Wijziging van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector.

  Art. 210. Artikel 3 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector wordt aangevuld met het volgende lid :
  " In afwijking van het eerste lid, wordt het enig rustpensioen berekend naar rata van 1/50 van de referentiewedde voor elk jaar dat, overeenkomstig tabel I van de bij het koninklijk besluit nr. 16020 van 11 augustus 1923 samengeordende wetten op de militaire pensioenen, aan dat tantième in aanmerking kan worden genomen voor de berekening van een militair anciënniteitspensioen van een militair van het actief kader in dienst vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling. ".

  HOOFDSTUK VII. - Wijziging van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector.

  Art. 211. In artikel 32 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, gewijzigd bij de wet van 3 februari 2003, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
  " De bepalingen van dit hoofdstuk zijn eveneens van toepassing op de anciënniteitspensioenen van militairen van het actief kader die vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling in dienst zijn zoals bedoeld in artikel 187, tweede lid, van de wet van 28 februari 2007 (tot vaststelling van) het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht. ". <Erratum, B.S. 12.09.2007, p 48329>

  Art. 212. Artikel 35, § 1, vierde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 3 februari 2003, wordt aangevuld als volgt :
  " Het eerste lid blijft niettemin van toepassing voor de diensten die de gepensioneerde, tijdens een gedeelte of het geheel van die studies, heeft verstrekt in de hoedanigheid van militair van het actief kader en die in aanmerking komen voor het berekenen van zijn pensioen. ".

  HOOFDSTUK VIII. - Opheffing van de wet van 12 juli 1973 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de Krijgsmacht.

  Art. 213. De wet van 12 juli 1973 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de Krijgsmacht, gewijzigd bij de wetten van 13 juli 1976, 21 december 1990, 28 december 1990, 20 mei 1994, 16 maart 2000, 25 mei 2000, 22 maart 2001, 3 februari 2003, 27 maart 2003, 15 februari 2005 en 16 juli 2005, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK IX. - Wijziging van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de Krijgsmacht.

  Art. 214. In de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de Krijgsmacht worden opgeheven :
  1° artikel 9;
  2° artikel 15, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989, 24 juli 1992, 16 juli 2005 en 14 juni 2006;
  3° de artikelen 15bis en 15ter, ingevoegd bij de wet van 14 juni 2006;
  4° artikel 16, vervangen bij de wet van 21 april 1994;
  5° artikel 18, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989 en 16 juli 2005;
  6° artikel 19, gewijzigd bij de wet van 16 juli 2005;
  7° artikel 20, gewijzigd bij de wetten van 6 februari 2003 en 14 juni 2006.

  HOOFDSTUK X. - Wijziging van de wet van 13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de Krijgsmacht.

  Art. 215.In de wet van 13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en het statuut van het personeel van de Krijgsmacht worden opgeheven :
  1° artikel 37, vervangen bij de wet van 21 december 1990;
  2° de artikelen 38, 39 en 40;
  3° artikel 41, vervangen bij de wet van 21 december 1990;
  4° artikel 42, opgeheven bij de wet van 21 december 1990 en [1 hersteld bij]1 de wet van 20 mei 1994, gewijzigd bij de wet van 22 maart 2001;
  5° artikel 43;
  6° artikel 44, gewijzigd bij de wetten van 16 maart 2000 en 16 juli 2005;
  7° artikel 45;
  8° artikel 54, vervangen bij de wet van 28 december 1990 en gewijzigd bij de wetten van 27 maart 2003 en 16 juli 2005.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 306, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK XI. - Opheffing van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader.

  Art. 216. De wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, gewijzigd bij de wetten van 20 mei 1994, 16 maart 2000, 25 mei 2000, 22 maart 2001, 2 augustus 2002, 6 februari 2003, 27 maart 2003, 16 juli 2005 en 20 juli 2005, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK XI/1. [1 - Opheffing van de wet van 20 mei 1994 betreffende de beziging van militairen buiten de Krijgsmacht]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 307, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 216/1. [1 De wet van 20 mei 1994 betreffende de beziging van militairen buiten de Krijgsmacht, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2000 en 23 april 2010, wordt opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 308, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  HOOFDSTUK XII. - [1 Wijziging]1 van de wet van 20 mei 1994 houdende statuut van de militairen korte termijn.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 309, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 217.[1 Artikel 4 van de wet van 20 mei 1994 houdende statuut van de militairen korte termijn wordt aangevuld met een lid, luidende :
   "Voor zover deze bepalingen niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze wet en voor zover de reglementaire bepalingen niet onverenigbaar zijn met de reglementaire bepalingen genomen in uitvoering van deze wet zijn de artikelen 21/1, eerste lid, 9°, derde lid en vierde lid, 81, § 1, vierde en vijfde lid, 81/3, tweede lid, 3°, 102, eerste lid, 107, derde lid en 108, tweede lid, van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en de kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, die van toepassing zijn op de kandidaat-militair die minder dan achttien jaar oud is wanneer een periode van oorlog wordt afgekondigd, toepasselijk op de kandidaat-militair korte termijn.".]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 310, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK XIII. - Wijziging van de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de Krijgsmacht, de paraatstelling, alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden.

  Art. 218. Het opschrift van de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de Krijgsmacht, de paraatstelling alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden wordt vervangen als volgt :
  " Wet van 20 mei 1994 betreffende de perioden en de standen van de militairen van het reservekader alsook betreffende de aanwending en de paraatstelling van de Krijgsmacht ".

  Art. 219. Het opschrift van hoofdstuk II van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Hoofdstuk II. - De aanwending en de paraatstelling ".

  Art. 220. Het opschrift van hoofdstuk III van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Hoofdstuk III. De standen van de militair van het reservekader ".

  Art. 221.[1 In artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 maart 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   1° paragraaf 1, 2°, wordt aangevuld met de bepaling onder c), luidende :
   "c) wanneer zij deelnemen aan een opdracht van militaire bijstand in het kader van een programma van militair partnerschap.";
   2° de paragraaf 2 wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende :
   "4° de activiteiten ter voorbereiding van een operatie.".]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 311, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 222. Artikel 4 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Zowel in een periode van oorlog als in een periode van crisis en in een periode van vrede bevindt de militair van het reservekader zich in één van de volgende standen :
  1° " in werkelijke dienst ";
  2° " in non-activiteit ";
  3° " met onbepaald verlof ".
  De militair van het reservekader " in werkelijke dienst " of " in non-activiteit " wordt in deze twee standen geacht " in dienst " te zijn. ".

  Art. 223. Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Artikel 5. De stand " in werkelijke dienst " is de stand van de militair van het reservekader :
  1° die een wederoproeping vervult;
  2° die bijkomende prestaties verricht;
  3° die prestaties in het kader van zijn vorming van kandidaat-reservemilitair verricht;
  4° die arbeidsongeschikt wordt aan het einde van een periode van werkelijke dienst, ten gevolge van kwetsuren opgelopen of ziekten opgedaan of verergerd gedurende de dienst en door de dienst, en in dienst wenst te blijven overeenkomstig de voorwaarden die de Koning bepaalt;
  5° gedurende een periode van schorsing bij ordemaatregel, wanneer geen sanctie, die het uittreden uit het reservekader tot gevolg heeft, werd uitgesproken;
  6° gedurende een periode van scheiding van het leger, wanneer de aan de afwezigheid ten grondslag liggende feiten of het gedrag van de reservemilitair gedurende de afwezigheid met zijn staat verenigbaar zijn. ".

  Art. 223/1. [1 Artikel 9 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
   "Art. 9. De militair van het reservekader in werkelijke dienst in periode van vrede bevindt zich in één van de deelstanden bedoeld in artikel 190 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 312, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 224.[1 In dezelfde wet worden opgeheven :
   1° artikel 1;
   2° artikel 2, gewijzigd bij de wet van 22 maart 2001;
   3° artikel 3bis, ingevoegd bij de wet van 22 maart 2001;
   4° artikel 6, gewijzigd bij de wetten van 27 maart 2003 en 14 juni 2006;
   5° artikel 10, gewijzigd bij de wetten van 22 maart 2001 en 27 maart 2003.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 313, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK XIV. - Wijziging van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen.

  Art. 225.[1 Artikel 1 van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, gewijzigd bij de wet van 16 mei 2001, wordt vervangen als volgt :
   "Artikel 1. Deze wet is toepasselijk op de militairen van het actief kader bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, en van het reservekader bedoeld in artikel 2 van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht, hierna genoemd "de militairen".".]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 314, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 226.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 315, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 226/1. [1 In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
   "In afwijking van het eerste lid, heeft de militair van het reservekader die een periode van vorming, een wederoproeping of een bijkomende prestatie bedoeld in artikel 38 van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht, verricht, recht op :
   1° wanneer hij een militair anciënniteitspensioen geniet, een toelage die gelijk is aan het verschil tussen de wedde van militair waarop hij aanspraak kan maken enerzijds, en het bedrag van zijn pensioen anderzijds;
   2° wanneer hij een statutair ambtenaar is wiens bezoldiging, krachtens zijn statuut, door de rechtspersoon van publiek recht of door de gesubsidieerde instelling van het vrij onderwijs, die zijn werkgever is, niet of slechts na verloop van tijd mag geschorst worden, een weddecomplement gelijk aan het verschil tussen de wedde van militair waarop hij aanspraak kan maken enerzijds, en de wedde waarop hij aanspraak kan maken als statutair ambtenaar anderzijds, op voorwaarde dat de wedde van militair hoger is.";
   2° paragraaf 1bis, ingevoegd bij de wet van 16 mei 2001, wordt opgeheven;
   3° paragraaf 3bis, ingevoegd bij de wet van 25 mei 2000 en gewijzigd bij de wetten van 27 maart 2003 en 5 maart 2006, wordt aangevuld met een lid, luidende :
   "De militair met palliatief verlof heeft geen recht op wedde. Hij ontvangt niettemin een onderbrekingstoelage tegen de tarieven en onder de voorwaarden vastgesteld voor het personeel van de federale overheidsdiensten.";
   4° paragraaf 3ter, ingevoegd bij de wet van 22 maart 2001 en gewijzigd bij de wet van 27 maart 2003, wordt opgeheven;
   5° in paragraaf 4 :
   a) het eerste lid, gewijzigd bij de wetten van 27 maart 2003 en 16 juli 2005, wordt vervangen als volgt :
   "De militair die een vrijheidsberovende straf ondergaat, waartoe hij door een Belgisch gerecht veroordeeld is of door een buitenlands gerecht als de beslissing wordt erkend in België, ontvangt 50 procent van de laatste wedde, zonder dat het bedrag minder mag bedragen dan het bedrag van het leefloon bedoeld in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.";
   b) in het tweede lid, 1°, gewijzigd bij de wet van 27 maart 2003, worden de woorden "onder het stelsel van de beperkte hechtenis, het weekendarrest, de halve vrijheid" vervangen door de woorden "onder de wijze van uitvoering van de beperkte detentie, de voorwaardelijke invrijheidstelling";
   6° in paragraaf 5 :
   a) in het eerste lid, gewijzigd bij de wet van 27 maart 2003, worden de woorden "bestaansminimum bedoeld in artikel 2 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum" vervangen door de woorden "bedrag van het leefloon bedoeld in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie";
   b) tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd luidende :
   "Wanneer een einde wordt gesteld aan de schorsing bij ordemaatregel van een militair in de loop van een tegen hem ingestelde strafvordering of van een procedure die een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben, die ingesteld werd voor dezelfde feiten, kan de betrokken militair pas aanspraak maken op de vereffening van het deel van de wedde dat hij niet ontvangen heeft op basis van het eerste lid, 1°, vanaf het ogenblik waarop er geen rechtsmiddel meer ingesteld kan worden tegen het vonnis, het arrest of de statutaire maatregel. Deze vereffening is niet verschuldigd voor de periode van schorsing bij ordemaatregel die omgezet wordt in een periode van non-activiteit.";
   c) in het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "het eerste en tweede lid" vervangen door de woorden "het eerste tot het derde lid".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 316, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 227.[1 Artikel 4 van dezelfde wet wordt vervangen zoals volgt :
  § 1. De wedde van de kandidaat-militair "in periode van schoolvorming" wordt verminderd met een bedrag dat wordt vastgesteld op basis van een door de Koning bepaalde coëfficiënt. Deze coëfficiënt mag niet hoger zijn dan 0,5.
   Onder kandidaat-militair "in periode van schoolvorming" wordt verstaan :
   1° de kandidaat-officier die cursussen volgt in de Koninklijke Militaire School, in een industriële hogeschool of in de hogere zeevaartschool, of in een universiteit met het oog op het behalen van het diploma van arts, dierenarts, tandarts of apotheker, of in eender welke andere door de Koning bepaalde instelling die onderwijs verstrekt dat toegang verleent tot het niveau A;
   2° de kandidaat-onderofficier van niveau B die cursussen volgt in een instelling van het hoger onderwijs met het oog op het behalen van een bachelor.
   § 2. De wedde van de kandidaat-officier die aangeworven is op basis van de bepalingen bedoeld in artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, wordt verminderd met dezelfde coëfficiënt als deze bedoeld in § 1 tot op het ogenblik dat hij benoemd wordt in een graad van officier.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 317, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 227/1. [1 In de Franse tekst van artikel 5, § 1, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "de la Défense nationale" telkens vervangen door de woorden "de la Défense".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 318, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 228.[1 In artikel 9bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 maart 2003 en gewijzigd bij de wet van 5 maart 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden ", "in militaire bijstand"" ingevoegd tussen de woorden ""in hulpverlening"" en de woorden "in operationele inzet"";
   2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
   " § 4. De Koning kan een toelage creëren om aan de militair dezelfde voordelen toe te kennen als deze die toegekend worden aan het personeel van de federale overheidsdiensten. Hij bepaalt, desgevallend forfaitair, het bedrag ervan en regelt de toekenning ervan.
   De Koning kan, eventueel voor een beperkte duur, een toelage of een weddecomplement toekennen om een eventueel verlies van inkomsten of van perspectieven van inkomsten te compenseren, te wijten aan een wijziging van bestaande geldelijke rechten. Hij bepaalt, desgevallend forfaitair, het bedrag ervan en regelt de toekenning ervan.
   Hij kan evenwel de Minister van Landsverdediging belasten met het bepalen van de aanvullende maatregelen nodig voor de uitvoering van een door Hem vastgestelde regeling.".]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 319, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 228/1. [1 In artikel 10, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 maart 2001 en gewijzigd bij de wet van 27 maart 2003, worden de woorden "in de deelstand "hulpverlening" bevindt, of in de deelstand "operationele inzet"" vervangen door de woorden "bevindt in de deelstand "hulpverlening", "militaire bijstand" of "operationele inzet"".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 320, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 228/2. [1 In artikel 10bis, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 maart 2003, wordt het woord "eveneens" opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 321, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 228/3. [1 In artikel 10ter, § 2, tweede lid, 4°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 maart 2003, worden de woorden "of vice-chef defensie" opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 322, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 228/4. [1 In artikel 11, § 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 maart 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   1° het eerste lid wordt aangevuld met de bepaling onder 3°, luidende :
   "3° toelagen toekennen om de retentie van bepaalde militairen te bevorderen binnen de Krijgsmacht.";
   2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende :
   "Wat de toekenning van de in het eerste lid, 3°, bedoelde retentietoelagen betreft, bepaalt de Koning :
   1° het bedrag en de toekenningsvoorwaarden van de toelagen;
   2° per personeelscategorie, de voorwaarden waaraan de militairen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor toekenning van deze toelagen;
   3° per personeelscategorie, het maximum aantal militairen dat hiervan kan genieten;
   4° de eventuele nadere terugbetalingsvoorwaarden indien de militair niet langer aan de gestelde voorwaarden voldoet.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 323, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 228/5. [1 In artikel 13ter, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 29 december 2010 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
   "De militair die gedetacheerd wordt in toepassing van artikel 44 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, wordt niet meer door Defensie bezoldigd gedurende de periode van de terbeschikkingstelling of van de officiële opdracht. Gedurende deze periode geniet de militair in principe van de geldelijke voordelen toegekend door de instelling waarbij hij gedetacheerd wordt.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 324, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 228/6. [1 In hoofdstuk V van dezelfde wet, wordt een artikel 13quater ingevoegd, luidende :
   "Art. 13quater. De militair die onderworpen is aan de dienstregeling van de nachtwakers of van de ploegendienst en die, op 31 december van het jaar bepaald door de door de Koning aangewezen overheid, beschikt over meer dan 200 teveel gepresteerde uren die niet konden worden gerecupereerd in tijd, ontvangt voor elk uur boven de norm van 200 uren een toelage waarvan het bedrag is vastgesteld op 1/1850 van de brutojaarwedde die als basis diende voor de berekening van de bezoldiging verschuldigd voor de maand voorafgaand aan de bepaalde datum.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 325, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 228/7. [1 In de Franse tekst van artikel 14, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "de la Défense nationale" vervangen door de woorden "de la Défense".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 326, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK XV. - Wijziging van de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het personeel van Defensie.

  Art. 229. In de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het personeel van Defensie, worden opgeheven :
  1° artikel 90, § 1, vervangen bij de wet van 22 maart 2001;
  2° artikel 99bis, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005 en gewijzigd bij de wetten van 5 maart 2006 en 20 juli 2006.

  Art. 229/1. [1 Artikel 91 van de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het personeel van Defensie wordt aangevuld met een lid, luidende :
   "In het kader van de operaties en de oefeningen uitgevoerd in het buitenland, kan de Staat, indien uitzonderlijke omstandigheden dit rechtvaardigen, de vergoeding ten laste nemen van de schade aan derden die veroorzaakt werd door een militair, wanneer deze militair is opgetreden buiten zijn functies. De militair is gehouden de sommen in kwestie terug te betalen aan de Staat, volgens de nadere regels die de Koning bepaalt.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 327, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 229/2. [1 Artikel 95 van dezelfde wet wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
   "In het kader van de operaties en de oefeningen uitgevoerd in het buitenland, kan de Staat, indien uitzonderlijke omstandigheden dit rechtvaardigen, de borgtochtkosten, begrepen in de zin van de lokale wet, waaraan de militair wordt onderworpen, zelfs indien hij is opgetreden buiten zijn functies, ter beschikking stellen van een militair. De militair is gehouden de sommen in kwestie terug te betalen aan de Staat, volgens de nadere regels die de Koning bepaalt.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 328, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK XV/1. [1 - Wijziging van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 329, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 229/3. [1 In artikel 118, tweede lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gewijzigd bij de wet van 16 juli 2005, worden de woorden ", en in de zin van Titel V, Afdeling 3, van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht" ingevoegd tussen de woorden "in de zin van de wet van 16 juli 2005 houdende de overplaatsing van sommige militairen naar een openbare werkgever," en de woorden ", ofwel personeelsleden in dienst genomen bij een arbeidsovereenkomst".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 330, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK XVI. - Opheffing van de wet van 16 maart 2000 betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden.

  Art. 230. De wet van 16 maart 2000 betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden, gewijzigd bij de wet van 22 maart 2001, gewijzigd bij het arrest van het Arbitragehof nummer 28/2002 van 30 januari 2002, gewijzigd bij de wetten van 11 november 2002, 27 maart 2003, 16 juli 2005 en 5 maart 2006, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK XVII. - Wijziging van de wet van 25 mei 2000 tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking.

  Art. 231. In artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 25 mei 2000 tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking, gewijzigd bij de wet van 16 juli 2005, worden de woorden " De beroeps- of aanvullingsmilitair heeft het recht " vervangen door de woorden " De militair van het actief kader heeft het recht " en wordt het woord " rijkswacht " vervangen door de woorden " geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus ".

  Art. 232.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 331, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 233.[1 In artikel 6 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 februari 2003, 16 juli 2005 en 20 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   a) in paragraaf 1, 5°, worden de woorden "militaire rechtbank" vervangen door het woord "rechtbank";
   b) paragraaf 1 wordt aangevuld als volgt :
   "11° in geval van afkondiging van de periode van crisis.".]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 332, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 234.[1 In artikel 11, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 16 juli 2005, wordt het woord "rijkswacht" vervangen door de woorden "geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus".]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 333, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 235. Artikel 14, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 16 juli 2005 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006, wordt aangevuld als volgt :
  " 7° in geval van afkondiging van de periode van crisis. "

  HOOFDSTUK XVIII. - Wijziging van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht.

  Art. 236.[1 In artikel 6 van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht, gewijzigd bij de wet van 30 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   1° het tweede lid wordt aangevuld met de woorden ", naargelang van de personeelscategorie waarvoor zij gevormd worden.";
   2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
   "Tot aan de door Koning bepaalde datum, moeten evenwel onder "de wettelijke en reglementaire bepalingen" bedoeld in dit artikel verstaan worden, degene die van toepassing waren op de dag vóór de inwerkingtreding van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen zouden hebben ondergaan. Artikel 189 van voornoemde wet is evenwel toepasselijk op de militairen van het reservekader.".]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 334, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 236/1. [1 In artikel 56 van dezelfde wet wordt het tweede lid opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 335, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 236/2. [1 In artikel 59 van dezelfde wet worden de woorden "van opperofficier en" opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 336, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 236/3. [1 In artikel 60 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 30 december 2008 en 22 maart 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   1° in het eerste lid worden de woorden "luitenant-kolonel, kolonel en generaal-majoor" vervangen door de woorden "luitenant-kolonel en kolonel";
   2° het vijfde lid wordt vervangen als volgt :
   "De officier bekleed met de graden van respectievelijk luitenant, majoor of luitenant-kolonel die met deze graad in de reserve toegelaten wordt met toepassing van artikel 10, wordt geheel of gedeeltelijk vrijgesteld van de beroepsproeven voor bevordering tot de graden van respectievelijk kapitein, luitenant-kolonel of kolonel.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 337, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 236/4. [1 Artikel 63bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 december 2008, wordt opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 338, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 236/5. [1 In hoofdstuk X van dezelfde wet wordt een artikel 68/1 ingevoegd, luidende :
   "Artikel 68/1. Onder voorbehoud van de toepassing van andere wetten die de uitoefening van politieke activiteiten en mandaten beheersen, zijn de militairen van het reservekader gerechtigd alle politieke activiteiten en mandaten uit te oefenen, voor zover de dienst het toelaat en dat zij plaats hebben buiten de perioden waarin prestaties in de schoot van de Krijgsmacht worden geleverd.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 339, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 236/6. [1 Artikel 72, eerste lid, van de dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 16 juli 2005 en 30 december 2008, wordt aangevuld met de bepaling onder 6°, luidende :
   "6° door het verstrijken van zijn dienstneming of wederdienstneming, indien hij geen nieuwe wederdienstneming aangaat en geen geschorste wederdienstneming heeft.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 340, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 236/7. [1 In artikel 73 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   1° het tweede lid, ingevoegd bij de wet van 30 december 2008, wordt vervangen als volgt :
   "Wanneer de kaderbehoeften het vereisen, kan de minister van Landsverdediging evenwel een reservemilitair toelaten in het reservekader te blijven of er opnieuw in opgenomen te worden boven de in het eerste lid bepaalde leeftijd, met het oog op het verrichten van wederoproepingen bedoeld in artikel 4, 7° tot 11°, of prestaties bedoeld in artikel 38, voor zover de duur ervan op jaarbasis minder dan twee maanden bedraagt. Deze reservemilitair kan niet meer bevorderd worden tot een hogere graad. Deze reservemilitair ondertekent hiertoe een speciale wederdienstneming. De speciale wederdienstneming wordt aangegaan ofwel voor een duur van een jaar, die kan worden hernieuwd voor opeenvolgende periodes van een jaar, ofwel voor het uitoefenen van een mandaat waarmee de reservemilitair belast wordt door de minister van Landsverdediging.";
   2° het artikel wordt aangevuld met een derde lid, luidende :
   "Elke lopende wederdienstneming eindigt van rechtswege op 31 december van het jaar waarin de reservemilitair de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 341, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK XIX. - [1 Wijziging]1 van de wet van 11 november 2002 betreffende de hulpofficieren van de Krijgsmacht.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 342, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 237.[1 Artikel 3 van de wet van 11 november betreffende de hulpofficieren van de Krijgsmacht wordt vervangen als volgt :
   "Art. 3. De hulpofficier piloot behoort tot de vakrichting "inwerkingstelling van luchtwapen-systemen".
   De hulpofficier ATC behoort tot de vakrichting "luchtcontrole".".]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 343, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 237/1. [1 In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   1° in het tweede lid, gewijzigd bij de wet van 26 april 2009, worden de woorden "7 en 9, §§ 1, 2 en 2bis, de artikelen 9bis" vervangen door de woorden "7, 9, 9bis";
   2° artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
   "Voor zover deze bepalingen niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze wet en voor zover de reglementaire bepalingen niet onverenigbaar zijn met de reglementaire bepalingen genomen in uitvoering van deze wet is het artikel 10bis, tweede lid, van de wet van 23 december 1955 toepasselijk op kandidaat-hulpofficier piloot of ATC.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 344, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 237/2. [1 In artikel 5, §§ 1 en 2, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 16 juli 2005, wordt het woord "korps" telkens vervangen door het woord "vakrichting".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 345, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 237/3. [1 In artikel 16 van dezelfde wet worden de woorden "de aanvullingsofficieren van het korps" vervangen door de woorden "de beroepsofficieren van niveau B van de vakrichting".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 346, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 237/4. [1 In artikel 18 van dezelfde wet worden de woorden "in het beroepskader van het korps" vervangen door de woorden "als beroepsofficier van niveau A van de vakrichting".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 347, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 237/5. [1 In artikel 19 van dezelfde wet worden de woorden "in het aanvullingsskader van het korps" vervangen door de woorden "als beroepsofficier van niveau B van de vakrichting".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 348, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 237/6. [1 Het opschrift van de wet van 6 februari 2003 betreffende het vrijwillig ontslag vergezeld van een geïndividualiseerd beroepsomschakelingsprogramma ten behoeve van bepaalde militairen en houdende sociale bepalingen, wordt vervangen als volgt :
   "Wet van 6 februari 2003 houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven"."]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 349, 006; Inwerkingtreding : 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  HOOFDSTUK XX. - Wijziging van de wet van 6 februari 2003 betreffende het vrijwillig ontslag vergezeld van een geïndividualiseerd beroepsomschakelingsprogramma ten behoeve van bepaalde militairen en houdende sociale bepalingen.

  Art. 238.[1 In dezelfde wet worden opgeheven :
   1° de artikelen 2 tot 6;
   2° artikel 7, gewijzigd bij de wet van 16 juli 2005;
   3° artikel 8;
   4° artikel 9, gewijzigd bij de wet van 16 juli 2005;
   5° de artikelen 10, 11 en 12;
   6° artikel 13, gewijzigd bij de wet 16 juli 2005;
   7° de artikelen 22 en 23."]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 350, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 238/1. [1 In artikel 26 van dezelfde wet worden de woorden "met betrekking tot het beroepschakelingsprogramma" opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 351, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  HOOFDSTUK XXI. - Wijziging van de wet van 25 februari 2003 houdende de inrichting van de functie van veiligheidsbeambte met het oog op de uitvoering van taken die betrekking hebben op de politie van hoven en rechtbanken en de overbrenging van gevangenen.

  Art. 239. Artikel 5, eerste lid, van de wet van 25 februari 2003 houdende de inrichting van de functie van veiligheidsbeambte met het oog op de uitvoering van taken die betrekking hebben op de politie van hoven en rechtbanken en de overbrenging van gevangenen, vervangen bij de wet van 20 juli 2006, wordt vervangen als volgt :
  " In afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen wordt elk jaar doorgebracht in dienstactiviteit in de hoedanigheid van veiligheidsbeambte aangerekend naar rata van 1/50 van de referentiewedde die als grondslag dient voor de vaststelling van het rustpensioen. ".

  HOOFDSTUK XXII. - [1 Wijziging]1 van de wet van 27 maart 2003 betreffende de werving van de militairen en het statuut van de militaire muzikanten en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het personeel van Landsverdediging.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 352, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 240.[1 De artikelen 2 tot 20 van de wet van 27 maart 2003 betreffende de werving van de militairen en het statuut van de militaire muzikanten en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het personeel van Landsverdediging, gewijzigd bij de wetten van 16 juli 2005 en 30 december 2008, worden opgeheven.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 353, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK XXIII. - [1 Wijziging]1 van de wet van 16 juli 2005 houdende de overplaatsing van sommige militairen naar een openbare werkgever.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 354, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 241.[1 In de wet van 16 juli 2005 houdende de overplaatsing van sommige militairen naar een openbare werkgever, worden de volgende artikelen opgeheven :
   1° artikel 2, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 23 april 2010;
   2° artikel 3;
   3° artikel 4, gewijzigd bij de wet van 5 maart 2006;
   4° artikel 5, gewijzigd bij de wetten van 20 juli 2006 en 20 juni 2012;
   5° de artikelen 6 tot 9.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 355, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 241/1. [1 In artikel 10 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 20 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   1° in het eerste lid worden de woorden "aan de overgeplaatste militairen" vervangen door de woorden "aan de met toepassing van deze wet overgeplaatste militairen";
   2° het zesde lid wordt opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 356, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  HOOFDSTUK XXIV. - [1 Wijziging]1 van de wet van 5 maart 2006 tot vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende het statuut van de officieren van het medisch technisch korps van de medische dienst.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 357, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 242.[1 In het opschrift van de wet van 5 maart 2006 tot vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende het statuut van de officieren van het medisch technisch korps van de medische dienst worden de woorden "van het medisch technisch korps van de medische dienst" vervangen door de woorden "die behoren tot de vakrichting "medische technieken"".]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 358, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 242/1. [1 In artikel 2 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   1° in het eerste lid worden de woorden "van het medisch technisch korps van de medische dienst" vervangen door de woorden "die behoren tot de vakrichting "medische technieken"";
   2° in het tweede lid, 2° tot 5°, worden de woorden "het medisch technisch korps" vervangen door de woorden "de vakrichting "medische technieken"";
   3° in het tweede lid, 13°, worden de woorden "het medisch technisch korps" vervangen door de woorden "die behoort tot de vakrichting "medische technieken"".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 359, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 242/2. [1 In dezelfde wet wordt een artikel 3/1 ingevoegd, luidende :
   "Art. 3/1. Een officier die behoort tot de vakrichting "medische technieken" kan niet op zijn verzoek worden overgeplaatst in een andere vakrichting.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 360, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 242/3. [1 In artikel 11, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden "het medisch technisch korps" vervangen door de woorden "de vakrichting "medische technieken"".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 361, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 242/4. [1 In artikel 15 van dezelfde wet worden de woorden "van de andere korpsen" door de woorden "van de andere vakrichtingen".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 362, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 242/5. [1 In artikel 18 van dezelfde wet worden de woorden "van de andere korpsen" vervangen door de woorden "van de andere vakrichtingen".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 363, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 242/6. [1 In dezelfde wet wordt een artikel 21/1 ingevoegd, luidende :
   "Art. 21/1. Artikel 176 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, is niet van toepassing op de kandidaat-officieren van de bijzondere of laterale werving die tot de vakrichting "medische technieken" behoren"."."]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 364, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 242/7. [1 In artikel 32 van dezelfde wet worden de woorden "van het medisch technisch korps" vervangen door de woorden "die behoort tot de vakrichting "medische technieken"".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 365, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 242/8. [1 In artikel 35 van dezelfde wet worden de woorden "van het medisch technisch korps" vervangen door de woorden "die behoren tot de vakrichting "medische technieken"".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 366, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 242/9. [1 In artikel 36 van dezelfde wet worden de woorden "van het medisch technisch korps" vervangen door de woorden "die behoren tot de vakrichting "medische technieken"".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 367, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK XXV. [1 - Wijziging van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 368, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 242/10. [1 Artikel 35 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen wordt opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 369, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  HOOFDSTUK XXVI. [1 - Wijziging van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 370, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 242/11. [1 In de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel wordt een artikel 36/1 ingevoegd, luidende :
   "Art. 36/1. Om gezondheidsredenen en op voorwaarde dat de verlenging van de vorming tengevolge van het uitstel de maximum duur van de door de Koning bepaalde vormingscyclus niet overschrijdt, kan de kandidaat-EVMI een uitstel verkrijgen.".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 371, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 242/12. [1 In artikel 37 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 1° opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 372, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  TITEL X. - Overgangs- en slotbepalingen.

  Art. 243.§ 1. [1 De officier en onderofficier worden bij de inwerkingtreding van deze bepaling ingeschreven in een vakrichting. De militair die ingeschreven wordt in een vakrichting kan eveneens één of meerdere competentiepools verwerven.]1
  § 2. De inschrijving in een vakrichting gebeurt op basis van :
  1° hetzij het korps of de specialiteit van betrokken militair;
  2° hetzij van een uitgeoefende functie of van een genoten opleiding [1 ...]1 in het domein van betrokken vakrichting.
  § 3. [1 ...]1
  § 4. De [1 verwerving van]1 een competentiepool gebeurt op basis van :
  1° hetzij van een uitgeoefende functie of van een genoten opleiding in het domein van betrokken competentiepool;
  2° hetzij de opgedane ervaring in betrokken competentiepool.
  § 5. [1 De Koning bepaalt de nadere regels voor de inschrijving in de vakrichtingen, en voor de verwerving van competentiepools.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 373, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2013; zie 2013-10-01/02, art. 11, 1°>

  Art. 244.[1 Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 243, worden de beroepsvrijwilligers en de kandidaat-beroepsvrijwilligers, alsmede de aanvullings-vrijwilligers en de kandidaat-aanvullings-vrijwilligers, in dienst de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, overgeplaatst in de personeelscategorie van de vrijwilligers van het beroepskader. In functie van hun anciënniteit in de laatste graad op de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, hernomen in de linkerkolom van de tabellen I en II van bijlage A bij deze wet, worden zij, naargelang het geval, benoemd of aangesteld in de graad en bezitten zij de anciënniteit in deze graad, die overeenstemt met de rechterkolom van deze tabellen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 374, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 244/1. [1 De onderofficieren en kandidaat-onderofficieren in dienst de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, worden verdeeld in twee groepen, te weten :
   1° de onderofficieren en kandidaat-onderofficieren die, de dag vóór de datum van inwerkingtreding van deze bepaling, bezoldigd waren op basis van, naargelang het geval :
   a) tabel 10 van het koninklijk besluit van 18 maart 2003 houdende bezoldigingsregeling van de militairen van alle rangen en betreffende het stelsel van de dienstprestaties van de militairen van het actief kader beneden de rang van officier;
   b) artikel 2 van het koninklijk besluit van 6 december 2001 betreffende het verlenen van geldelijke voordelen aan sommige militairen die een paramedische functie uitoefenen;
   2° de andere onderofficieren en kandidaat-onderofficieren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 375, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 245.[1 Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 243, worden de onderofficieren en de kandidaat-onderofficieren bedoeld in artikel 244/1, 2°, overgeplaatst in de personeelscategorie van de onderofficieren van niveau C. In functie van hun anciënniteit in de laatste graad op de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, hernomen in de linkerkolom van de tabellen III, IV en V van bijlage A bij deze wet, worden zij, naargelang het geval, benoemd of aangesteld in de graad en bezitten zij de anciënniteit in deze graad, die overeenstemt met de rechterkolom van deze tabellen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 376, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 246.[1 Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 243, worden de onderofficieren en de kandidaat-onderofficieren bedoeld in artikel 244/1, 1°, overgeplaatst in de personeelscategorie van de onderofficieren van niveau B. In functie van hun anciënniteit in de laatste graad op de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, hernomen in de linkerkolom van de tabellen VI en VII van bijlage A bij deze wet, worden zij, naargelang het geval, benoemd of aangesteld in de graad en bezitten zij de anciënniteit in deze graad, die overeenstemt met de rechterkolom van deze tabellen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 377, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 246/1. [1 De officieren en kandidaat-officieren in dienst de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, worden verdeeld in twee groepen, te weten :
   1° de beroepsofficieren en kandidaat-beroepsofficieren;
   2° de aanvullingsofficieren en kandidaat-aanvullingsofficieren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 378, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 247.[1 Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 243, worden de officieren en de kandidaat-officieren bedoeld in artikel 246/1, 1°, overgeplaatst in de personeelscategorie van de beroepsofficieren van niveau A met hun graad en anciënniteit in de graad die zij hadden op de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling.
   Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 243, worden de officieren en de kandidaat-officieren bedoeld in artikel 246/1, 2°, overgeplaatst in de personeelscategorie van de officieren van niveau B. In functie van hun anciënniteit in de laatste graad op de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling, hernomen in de linkerkolom van de tabellen IX en X van bijlage A bij deze wet, worden zij, naargelang het geval, benoemd of aangesteld in de graad en bezitten zij de anciënniteit in deze graad, die overeenstemt met de rechterkolom van deze tabellen.
   De officieren en kandidaat-officieren van niveau B bedoeld in het tweede lid, genieten van de wedde van toepassing op de officieren en kandidaat-officieren van niveau A.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 379, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 248.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 380, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 249.§ 1. Indien een militair in dienst de dag vóór de dag van inwerkingtreding van deze bepaling een hogere anciënniteit bezit dan deze vermeld in één van de lijnen van de linkerkolom van de tabellen [1 I tot X]1 van bijlage A bij deze wet, dan wordt de anciënniteit in de overeenstemmende graad bedoeld in één van de lijnen van de rechterkolom van dezelfde tabellen [1 I tot X]1 evenredig verhoogd.
  Evenwel behoudt de militair, van wie de kandidatuur voor bevordering volgens anciënniteit ten minste één keer opnieuw onderzocht is geweest, zijn graad en zijn anciënniteit in deze graad. De militair die bevorderd is bij een later onderzoek, neemt rang in de graad waarin hij overgeplaatst geweest zou zijn en met de anciënniteit die hij gehad zou hebben in deze graad, indien hij benoemd was geweest op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling.
  Alle militairen die de dag vóór de datum van inwerkingtreding van deze bepaling, definitief voorbij gegaan zijn aan de bevordering, [1 met uitzondering van de beroepsonderofficieren die overgeplaatst worden in de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau B volgens de tabellen VI en VII,]1 blijven voorbij gegaan aan de bevordering, en kunnen niet meer bevorderd worden in een hogere graad.
  [1 In afwijking van artikel 37, binnen de drie jaren die volgen op de inwerkingtreding van deze bepaling, mag de militair, die de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling de leeftijd van 51 jaar niet bereikt heeft en die van de bevordering heeft afgezien, tot de hogere graad worden benoemd, voor zover hij aan de bevorderingsvoorwaarden bedoeld in deze wet voldoet voor zover hij binnen deze periode van drie jaar hiertoe een aanvraag indient.]1
  § 2. Het inkomen toegekend aan een kandidaat-militair of een militair, die in dienst is de dag vóór de dag van inwerkingtreding van deze bepaling en die overgeplaatst [1 wordt hetzij in een graad bedoeld in de rechterkolom van de tabellen I tot X van bijlage A bij deze wet of hetzij door toepassing van artikel 247, eerste lid]1, mag op geen ogenblik lager zijn dan de wedde die hij genoot vóór de overplaatsing aangevuld met, indien hij ze bekwam, de toelage voor geselecteerde bedoeld in artikel 30 van het koninklijk besluit van 18 maart 2003 houdende bezoldigingsregeling van de militairen van alle rangen en betreffende het stelsel van de dienstprestaties van de militairen van het actief kader beneden de rang van officier, de staffunctietoelage, bedoeld in artikel 31, § 2, van hetzelfde besluit, de commandotoelage bedoeld in artikel 31, § 3, van hetzelfde besluit, de vormingstoelage bedoeld in artikel 32 van hetzelfde besluit, het weddecomplement bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 6 december 2001 betreffende het verlenen van geldelijke voordelen aan sommige militairen die een paramedische functie uitoefenen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 381, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 250.De militairen aangesteld ten voorlopige titel om het ambt van een hogere graad uit te oefenen en de officieren aangesteld in een graad van opperofficier die niet voorzien is in de hiërarchie van de graden vóór de datum van inwerkingtreding van deze bepaling, behouden het voordeel van hun aanstelling [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 382, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 251.[1 De kandidaat-militairen bedoeld in de linkerkolom van de tabellen I tot X van bijlage A bij deze wet en in artikel 247, eerste lid, die in dienst zijn de dag vóór de dag van inwerkingtreding van deze bepaling, en die overgeplaatst worden in de overeenstemmende graad, naar gelang het geval, bedoeld in de rechterkolom van dezelfde tabellen I tot X, worden bij de vrijwilligers, de onderofficieren en de officieren geteld naargelang de graad waarin zij zijn aangesteld of benoemd na hun overplaatsing.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 383, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 252.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 384, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 253.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 385, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 254.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 386, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 255.[1 Behoudt van rechtswege de hoedanigheid van militair tot de datum van zijn opruststelling, de militair die tot de geschiktheidscategorie D behoort overeenkomstig artikel 69, zevende lid, voor zover :
   1° hij, op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling, naargelang het geval :
   a) de leeftijd van 45 jaar bereikt heeft;
   b) of ten minste vijfentwintig jaren dienstanciënniteit telt als militair van het actief kader;
   2° hij [2 ...]2 de vermelding "voldoende" heeft bekomen ter gelegenheid van zijn twee laatste postbeoordelingen en hij minstens deze vermelding behoudt ter gelegenheid van de latere [2 statutaire evaluaties]2.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 387, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<W 2017-07-31/24, art. 15, 019; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 256.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 388, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 257.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 389, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 258.[1 De aanvullingsonderofficieren bedoeld in artikel 245, kunnen, na overplaatsing in de categorie van de beroepsonderofficieren van niveau C, toegelaten worden tot de vervolmakingscursussen bedoeld in artikel 112, eerste lid.
   Om aan de vervolmakingscursus bedoeld in artikel 112, eerste lid, 1°, te kunnen deelnemen, moet de onderofficier bedoeld in het eerste lid aan volgende voorwaarden voldoen :
   1° in zijn nieuwe hoedanigheid van beroepsonderofficier van niveau C, een anciënniteit van ten minste vijf jaar in de graad van eerste sergeant bezitten of bekleed zijn met een hogere graad;
   2° binnen de drie jaren die volgen op de inwerkingtreding van deze bepaling, een aanvraag tot deelname aan deze cursus indienen;
   3° de leeftijd van [2 51 jaar]2 niet bereikt hebben op 31 december van het jaar van de aanvaarding van zijn aanvraag tot deelname aan deze cursus.
   De onderofficier bedoeld in het tweede lid, moet de vervolmakingscursus in het jaar van zijn aanvaarding aanvatten. Hij kan hiervoor geen uitstel bekomen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 390, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>
  (2)<W 2014-05-15/45, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 31-12-2013>

  Art. 259.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 391, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 260.§ 1. [1 ...]1
  § 2. [1 ...]1
  § 3. De officier die de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling door het bevorderingscomité of het hoog comité gunstig werd aanbevolen voor de bevordering tot een graad van hoofd- of opperofficier, maar die de dag van de inwerkingtreding van deze bepaling nog niet in deze graad benoemd is, wordt in die graad benoemd op de datum die voorzien was volgens de regelgeving die van kracht was de dag vóór de inwerkingtreding van deze bepaling.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 392, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 261.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 393, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 262.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 394, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 263.[1 Met uitzondering van de kandidaat-militairen bedoeld in artikel 264, worden de kandidaat-militairen die, op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling, een vorming volgen bedoeld in artikel 88, opgenomen in de hoedanigheid, naargelang het geval, van :
   1° kandidaat-beroepsofficier van niveau A van de normale, aanvullende of bijzondere werving indien zij, naargelang het geval, kandidaat-beroepsofficier van de normale, aanvullende of bijzondere werving waren;
   2° kandidaat-beroepsofficier van niveau B, indien zij kandidaat-aanvullingsofficier waren;
   3° kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C, indien zij kandidaat-beroepsonderofficier van de normale werving waren, houder van het diploma van secundair onderwijs of van een gelijkwaardig diploma of getuigschrift;
   4° kandidaat-beroepsonderofficier van niveau B, indien zij kandidaat-beroepsonderofficier van de bijzondere werving waren.
   De kandidaat-beroepsvrijwilligers behouden deze hoedanigheid.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 395, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 264.[1 Op de kandidaat-beroepsonderofficieren van de normale werving die aanvaard werden in een school voor onderofficieren met het oog op het behalen van een diploma van het hoger secundair onderwijs, de kandidaat-aanvullingsonderofficieren, en kandidaat-aanvullingsvrijwilligers, blijven van toepassing de bepalingen die op hen toepasselijk waren wanneer zij hun vorming begonnen zijn.
   Op de dag waarop zij hun vormingscyclus met succes beëindigen, verkrijgen de kandidaten bedoeld in het eerste lid, naargelang het geval :
   1° de hoedanigheid van beroepsonderofficier van niveau C, indien zij kandidaat-onderofficier waren;
   2° de hoedanigheid van beroepsvrijwilliger, indien zij kandidaat-aanvullingsvrijwilliger waren.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 396, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 265.[1 Met uitzondering van de kandidaat-militairen bedoeld in de artikel 263 en 264, worden de kandidaat-militairen die op datum van inwerkingtreding van deze bepaling een vorming volgen bedoeld in de artikelen 114 en 115, opgenomen in de hoedanigheid, naargelang het geval, van :
   1° kandidaat-beroepsofficier van niveau A indien zij kandidaat- beroepsofficier waren;
   2° kandidaat-beroepsofficier van niveau B, indien zij kandidaat- aanvullingsofficier waren;
   3° kandidaat-beroepsonderofficier van niveau C, indien zij kandidaat- aanvullings- of beroepsonderofficier waren.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 397, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 266.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 398, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 267.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 399, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 268.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 400, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 269.
  <Opgeheven bij W 2013-07-31/04, art. 401, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 270.[1 De kandidaat-militair die, op de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling, een vorming volgt met het oog op zijn opname in een andere personeelscategorie, zet zijn vorming verder volgens de bepalingen van afdeling 4 van Hoofdstuk II van Titel III.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 402, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 271.De aanstellingen en benoemingen van de militairen waarop de bepalingen van [1 de artikelen 263 en 270]1 toepasselijk zijn, zijn geregeld in [1 de tabellen I tot X]1 van bijlage A bij deze wet.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 403, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 271/1. [1 De militairen die een kandidatuur voor een vrijwillig ontslag vergezeld van een geïndividualiseerd beroepsomschakelingsprogramma, voor een beziging of voor een overplaatsing hebben ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijven onderworpen aan de bepalingen van kracht de dag vóór deze datum.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 404, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°>

  Art. 271/2. [1 Op de datum van inwerkingtreding van deze bepalingen wordt elke militair geacht tot de geschiktheidscategorie A te behoren, op het vlak van de postbeoordeling en van de beoordeling van de fysieke geschiktheid.".
   Bovendien, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze bepaling en in afwijking van artikel 69, blijft elke militair gedurende vijf jaar in de geschiktheidscategorie A op het vlak van de beoordeling van de fysieke geschiktheid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 405, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°>

  Art. 271/3.[1 Tot aan de door de Koning bepaalde datum kunnen de bepalingen betreffende de korpsen en de specialiteiten zoals deze de dag voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing waren, verder toegepast worden [2 in zoverre]2 dit nodig is voor het inrichten van de bevorderingscomités.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 406, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>
  (2)<W 2016-11-21/20, art. 75, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 271/4. [1 De Koning bepaalt de overgangsmaatregelen voor de toepassing van artikel 139/1, tweede lid, 2°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 407, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2013; zie KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°>

  Art. 271/5. [1 De Koning wordt gemachtigd, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bepalingen van deze wet die machtigingen verlenen aan de minister van Defensie te wijzigen of te vervangen, om deze toe te kennen aan een overheid die Hij bepaalt.
   De machtiging verleend aan de Koning bij het eerste lid verstrijkt op 30 april 2014.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-31/04, art. 408, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>

  Art. 272.De Koning bepaalt voor elk artikel van deze wet de dag waarop het in werking treedt, en uiterlijk op [1 31 december 2013]1
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 54 tot 60 vastgesteld met ingang op een onbepaalde datum bij KB 2007-11-25/30, art. 24, 1°; het is te zeggen op de dag van inwerkingtreding van het KB 2007-11-21/43)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 195 vastgesteld op 01-01-2009 door KB 2008-02-10/60, art. 1)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 194, 196 tot 206, 210 tot 212 en 239 vastgesteld op 01-01-2009 door KB 2009-01-07/32, art. 1)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 38 tot 42/1 en 243, zoals gewijzigd bij de wet van 2013-07-31/04, vastgesteld op 01-10-2013 door KB 2013-10-01/02, art. 11, 1°)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 144 tot en met 170/3, 216/1, 237/6 tot en met 238/1, 241, 241/1 et 271/1 - zoals gewijzigd bij de wet van 2013-07-31/04 - vastgesteld op 31-12-2013 door KB 2013-10-14/09, art. 9, 1°)
  ((NOTA : Inwerkingtreding van art. 141 tot en met 143 - zoals gewijzigd bij de wet van 2013-07-31/04 - vastgesteld op 31-12-2013 door KB 2013-10-14/11, art. 6, 1°)
  (NOTE : Inwerkingtreding van art. 54 tot en met 60 en 189 vastgesteld op 31-12-2013 door KB 2013-10-14/12, art. 52, 1°)
  (NOTE : Inwerkingtreding van de artikelen 114, 115, 116, 117, 118, 119, 119/1 en 119/2 vastgesteld op 31-12-2013 door KB 2013-11-07/48, art. 45, 1°)
  (NOTA : Inwerkingtreding van de artikelen 3/1, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 18, en 21, zoals gewijzigd bij de wet 2013-07-31/04 , en de artikelen 16, 17, 19 en 20 vastgesteld op 31-12-2013 door KB 2013-11-07/51, art. 48, 1°)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 70, zoals vervangen bij de wet van 2013-07-31/04 , vastgesteld op 31-12-2013 door KB 2013-11-07/52, art. 21, 1°)
  (NOTA : Inwerkingtreding van de artikelen 23 tot 25, 27, 31 en 32, 34 tot 37, 43, 61 en 62, 64 tot 65, 139 tot 139/4, 178/3 tot 184/1, 271/3 en 271/4, zoals gewijzigd bij de wet 2013-07-31/04 , vastgesteld op 31-12-2013 door KB 2013-12-26/04, art. 34, 1°)
  (NOTA : Inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 3, 1° tot 8°, 13° en 14°, 16° tot 18°, 20° tot 25°, 29° tot 30°, 32° tot 34°, 37° tot 40°, 42° tot 55°, en 61°, 44 tot 53, 68 en 69, 71 tot 77/2, 171 tot 178/2, 185 tot 188, 190 tot 192, 206/1 tot 209/1, 213 tot 216, 217 tot 225, 226/1 tot 231, 233 tot 237/5, 239 en 240, 242 tot 242/12, 244 tot 247, 249 tot 251, 255, 258, 260, § 3, 263 tot 265, 270 en 271, en 271/2, zoals gewijzigd bij de wet 2013-07-31/04 , vastgesteld op 31-12-2013 door KB 2013-12-26/05, art. 1, 1°)
  (NOTA : Inwerkingtreding van de artikelen 110 tot 113/2, zoals gewijzigd bij de wet 2013-07-31/04, vastgesteld op 31-12-2013 door KB 2013-12-26/06, art. 78, 1°)
  

  ----------
  (1)<W 2012-06-20/03, art. 19, 005; Inwerkingtreding : 30-06-2012>

  BIJLAGEN.

  Art. N1.[1 Bijlage A.]1
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-12-2016, p. 89400 )
  ----------
  (1)<W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 1N1.[1 Tabel I. - Overplaatsing van de kandidaat-beroepsvrijwilligers en van de beroepsvrijwilligers in de personeelscategorie van de vrijwilligers van het beroepskader]1
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-12-2016, p. 89400 )
  ----------
  (1)<W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 2N1.[1 - Overplaatsing van de kandidaat-aanvullingsvrijwilligers en van de aanvullingsvrijwilligers in de personeelscategorie van de vrijwilligers van het beroepskader]1
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-12-2016, p. 89400 )
  ----------
  (1)<W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 3N1.[1 Tabel III. - Overplaatsing van de kandidaat-beroepsonderofficieren en van de beroepsonderofficieren bedoeld in artikel 244/1, 2°, in de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau C]1
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-12-2016, p. 89400 )
  ----------
  (1)<W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 4N1.[1 Tabel IV. - Overplaatsing van de beroepsonderofficieren bedoeld in artikel 244/1, 2°, die na deelname aan het examen voor overgang naar de graad van eerste sergeant-majoor niet geslaagd zijn voor dit examen of die aan de deelname aan dit examen verzaakt hebben, in de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau C]1
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-12-2016, p. 89400 )
  ----------
  (1)<W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 4/1N1.
  <Opgeheven bij W 2016-11-21/20, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 5N1.[1 Tabel V. - Overplaatsing van de kandidaat-aanvullingsonderofficieren en van de aanvullingsonderofficieren bedoeld in artikel 244/1, 2°, in de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau C]1
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-12-2016, p. 89400 )
  ----------
  (1)<W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 6N1.[1 Tabel VI. - Overplaatsing van de kandidaat-beroepsonderofficieren en van de beroepsonderofficieren bedoeld in artikel 244/1, 1°, in de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau B]1
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-12-2016, p. 89400 )
  ----------
  (1)<W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 7N1.[1 Tabel VII. - Overplaatsing van de beroepsonderofficieren bedoeld in artikel 244/1, 1°, die na deelname aan het examen voor overgang naar de graad van eerste sergeant-majoor niet geslaagd zijn voor dit examen of die aan de deelname aan dit examen verzaakt hebben, in de personeelscategorie van de beroepsonderofficieren van niveau B]1
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-12-2016, p. 89400 )
  ----------
  (1)<W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 8N1.[1 Tabel VIII. Overplaatsing van de kandidaat-beroepsofficieren en van de beroepsofficieren van de normale, aanvullende of bijzondere werving in de personeelscategorie van de officieren]1
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-12-2016, p. 89400 )
  ----------
  (1)<W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 8/1N1.
  <Opgeheven bij W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 9N1.[1 Tabel IX. - Overplaatsing van kandidaat-aanvullingsofficieren en van aanvullingsofficieren die niet bedoeld zijn in tabel X in de personeelscategorie van de beroepsofficieren van niveau B]1
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-12-2016, p. 89400 )
  ----------
  (1)<W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 10N1.[1 Tabel X. - Overplaatsing van de kandidaat-aanvullingsofficieren en van de aanvullingsofficieren van het korps van het varend personeel van de luchtmacht in de personeelscategorie van de beroepsofficieren van niveau B]1
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-12-2016, p. 89400 )
  ----------
  (1)<W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 10/1N1.
  <Opgeheven bij W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 11N1.
  <Opgeheven bij W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 12N1.
  <Opgeheven bij W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 13N1.
  <Opgeheven bij W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 14N1.
  <Opgeheven bij W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 15N1.
  <Opgeheven bij W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 16N1.
  <Opgeheven bij W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 17N1.
  <Opgeheven bij W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. 18N1.
  <Opgeheven bij W 2016-11-21/20, art. 76, 012; Inwerkingtreding : 02-01-2017>

  Art. N2. Bijlage B.[1 [2 TABEL A
  

  
Type van de vorming VormingsduurDuur van de rendementsperiode
Officieren (*)  
(1)4 jaar6 jaar
(2)5 jaar7,5 jaar
(3) (**)4/5 jaar6/7,5 jaar
(4) (**)4 jaar6 jaar
(5) (**)5 jaar7,5 jaar
(6) (**)6 jaar9 jaar
(7) (**)6 jaar9 jaar
(8)-6 jaar
(9)4 jaar6 jaar
(10)-3 jaar
Onderofficieren  
(11)
   (12)
2 jaar
   4 jaar
3 jaar
   6 jaar
(13)-3 jaar
Vrijwilligers-3 jaar
(14)Universitair onderwijs of hoger onderwijs van het lange type
   Hoger onderwijs van het korte type
1,5 keer de vormingsduur (* * *)

(1) Officieren gesproten uit de faculteit sociale en militaire wetenschappen van de Koninklijke Militaire School of gelijkwaardig niveau aan een burgerinstelling.
   (2) Officieren gesproten uit de polytechnische faculteit van de Koninklijke Militaire School of gelijkwaardig niveau aan een burgerinstelling.
   (3) Officieren gesproten uit een hoger industrieel instituut. 4 jaar : Vlaamse gemeenschap; 5 jaar : Franstalige gemeenschap.
   (4) Officieren gesproten uit de hogere zeevaartschool.
   (5) Officieren-apothekers en -tandartsen.
   (6) Officieren-dierenartsen.
   (7) Officieren-geneesheren. Vanaf het academiejaar 2012. Voor het academiejaar 2012 : 7 jaar.
   (8) Hulpofficieren (...).
   (9) Officieren van niveau B, gereclasseerde kandidaat-officieren van niveau A (houder van een bachelor behaald als kandidaat-beroepsofficier van de normale werving).
   (10) Officieren van niveau B van de bijzondere werving.
   (11) Beroepsonderofficieren van de normale werving gesproten uit een school voor onderofficieren.
   (12) Beroepsonderofficieren van niveau B van de normale werving (behalen van een bachelor diploma) - Gereclasseerde kandidaat-beroepsofficier (na het behalen van een bachelor en ten gevolge van een mislukking in het taalexamen OLt).
   (13) Aanvullingsonderofficieren, gereclasseerde kandidaat-beroepsonderofficieren.
   (14) Aanvullende vorming zoals bepaald in artikel 179, § 1, 3°.
  
   (*) De beroeps- of aanvullingsofficier die met succes een vorming van piloot van het licht vliegwezen of van piloot van het luchtvarend personeel van de marine heeft gevolgd of die het hoger brevet van piloot of het brevet ATC heeft behaald, ziet zijn rendementsperiode verhoogd met 3 jaar.
   (**) Voor de officier afkomstig uit de aanvullende werving wordt enkel rekening gehouden met het aantal geslaagde jaren in de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier.
   (* * *) Met een minimum duur van de rendementsperiode van 3 jaar.]2
  
  TABEL B
  

  
Houder van het hoger brevet van piloot
  Vanaf het bekomen van het brevet, vertrek gedurende het
Terug te betalen bedrag
1ste jaar148.736,11 EUR
2de jaar148.736,11 EUR
3de jaar111.552,09 EUR
4de jaar89.241,67 EUR
5de jaar44.620,83 EUR
6de jaar29.747,22 EUR


  TABEL C
  

  
Met succes een vorming van piloot van het licht vliegwezen of van piloot van het luchtvarend personeel van de marine beëindigd
  Tijdens de rendementsperiode, vertrek gedurende het
Terug te betalen bedrag
1ste jaar30.986,69 EUR
2de jaar27.888,02 EUR
3de jaar24.789,35 EUR
4de jaar21.690,68 EUR
5de jaar18.592,01 EUR
6de jaar9.296,01 EUR


  TABEL D
  

  
Vanaf het einde van de vorming van piloot, vertrek gedurende hetHulpofficier van het korps van het varend personeel die titularis is van de luchtvaartkwalificaties bedoeld in artikel 179, § 2, vierde lidHulpofficier van het korps van het licht vliegwezen die titularis is van de luchtvaartkwalificaties bedoeld in artikel 179, § 2, vierde lid
1ste jaar148.736,11 EUR24.789,35 EUR
2de jaar111.552,09 EUR21.690,68 EUR
3de jaar89.241,67 EUR18.592,01 EUR


  [4 TABEL E]4
  
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 01-03-2019, p. 21160 )
  
  [3 ...]3
  TABEL F2
  

  
Vanaf het met succes beëindigd hebben van de professionele vorming voor het behalen van het militaire brevet van luchtverkeersleider, vertrek gedurende het :Terug te betalen bedrag
1ste jaar45.601,970 EUR
2de jaar38.001,643 EUR
3de jaar30.401,314 EUR
4de jaar22.800,986 EUR
5de jaar15.200,657 EUR
6de jaar7.600,329 EUR

]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 410, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (2)<W 2017-09-28/07, art. 9, 013; Inwerkingtreding : 15-08-2017>
  (3)<W 2018-04-30/07, art. 21, 017; Inwerkingtreding : 25-05-2018>
  (4)<W 2019-02-15/01, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 11-03-2019>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 28 februari 2007.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Landsverdediging,A. FLAHAUT
De Minister van Pensioenen,
B. TOBBACK
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

originele versie
2007007230
PUBLICATIE :
2007-09-12
bladzijde : 48328

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 20-05-2019 GEPUBL. OP 17-06-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 13; 14; 18)
  • originele versie
  • WET VAN 20-05-2019 GEPUBL. OP 11-06-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 145; 158; 160; 163/1)
  • originele versie
  • WET VAN 15-02-2019 GEPUBL. OP 01-03-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 179; N2)
  • originele versie
  • WET VAN 30-04-2018 GEPUBL. OP 15-05-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 5; 22; 25; 39; 46; 48; 52; 110; 180; 183/1; 194; N2)
  • originele versie
  • WET VAN 30-04-2018 GEPUBL. OP 15-05-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 9) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 19-11-2017 GEPUBL. OP 28-11-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 172; 174)
  • originele versie
  • WET VAN 19-11-2017 GEPUBL. OP 28-11-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 139/1; 139/2)
  • originele versie
  • WET VAN 12-11-2017 GEPUBL. OP 27-11-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 157; 158)
  • originele versie
  • WET VAN 28-09-2017 GEPUBL. OP 12-10-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 89; 97/1; N2)
  • originele versie
  • WET VAN 31-07-2017 GEPUBL. OP 31-08-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 40; 41; 66; 67; 69; 70; 72/2; 72/3; 72/5; 73; 84; 139; 178/2; 255) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 06-12-2016 GEPUBL. OP 23-12-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 10)
  • originele versie
  • WET VAN 21-11-2016 GEPUBL. OP 23-12-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 3/1; 4; 16; 21/1; 27; 37/1; 37/2; 37/4 ; 40 ; 41 ; 42 ; 53 ; 64/1 ; 69 ; 74 ; 75 ; 79/1 ; 82 ; 83/1 ; 84 ; 91NL ; 93 ; 101/2 ; 105 ; 107 ; 118NL ; 119/1NL ; 154NL ; 182 ; 195; 249; 271/3NL; N )
    (GEWIJZIGDE ART. : 37/3; 184)
  • originele versie
  • WET VAN 03-08-2016 GEPUBL. OP 01-09-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 70)
  • originele versie
  • WET VAN 15-05-2014 GEPUBL. OP 30-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 258)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-04-2014 GEPUBL. OP 24-04-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 6; 13; 21; 35; 43; 46; 47; 48; 49; 50; 51; 52; 53; 55; 56; 57; 58; 65; 70; 71; 72; 72/1; 72/2; 75; 77/1; 83/1; 93; 94; 111; 117; 118; 119/2; 139; 152; 153; 154; 158; 161; 162/3; 163/1; 164; 167; 173; 174; 176; 178/1)
  • originele versie
  • WET VAN 30-08-2013 GEPUBL. OP 04-10-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • originele versie
  • WET VAN 31-07-2013 GEPUBL. OP 20-09-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : INTITULE; 2; 3; 3/1; 4; 5; 6; 7; 8; 9; 10; 11; 12; 13; 14; 15; 18; 21; 21/1; 21/2; 22; 23; 25; 26; 27; 28; 29; 30; 31; 32; 33; 34; 35; 36; 37; 38; 38/1; 38/2; 39; 40; 41; 42; 42/1; 43; 44; 45; 46; 47; 48; 49; 50; 51; 52; 53; 55; 56; 57; 58; 59; 61; 62; 63; 64; 64/1-64/3; 65; 66; 67; 68; 69; 70; 71; 72; 72/1-72/5; 73; 74; 75; 76; 77; 77/1; 77/2; 78; 79; 79/1; 80; 81; 81/1-81/6; 82; 83; 83/1; 83/2; 84; 84/1; 85; 86; 87; 88; 89; 90; 91; 92; 93; 94; 95; 96; 97; 97/1; 97/2; 98; 98/1; 99; 100; 101; 101/1-101/4; 102; 103; 104; 104/1; 105; 106; 107; 108; 109; 110; 111; 112 )
    (GEWIJZIGDE ART. : 113; 113/1; 113/2; 114; 115; 115; 117; 118; 119; 119/1; 119/2; 120-138; 139; 139/1-139/4; 140; 141; 142; 143; 144; 145; 146; 147; 148; 149; 150; 151; 152; 153; 154; 155; 156; 156/1-156/15; 157; 158; 159; 160; 161; 162; 162/1-162/4; 163; 163/1; 164; 165; 166; 167; 168; 169; 170; 170/1-170/3; 171; 173; 174; 176; 178; 178/1-178/3; 179; 180; 181; 182; 183; 183/1; 184; 184/1; 189; 190; 191; 192; 193; 206/1-206/6; 207; 207/1-207/8; 208; 209; 209/1; NL215; 216/1; 217; 221; 223/1; 224; 225; 226; 226/1; 227; 227/1; 228; 228/1-228/7)
    (GEWIJZIGDE ART. : 229/1-229/3; 232; 233; 234; 236; 236/1-236/7; 237; 237/1-237/6; 238; 238/1; 240; 241; 241/1; 242; 242/1-242/12; 234; 244; 244/1; 245; 246; 246/1; 247; 248; 249; 250; 251; 252; 253; 254; 255; 256; 257; 258; 259; 260; 261; 262; 263; 264; 265; 266; 267; 268; 269; 270; 271; 271/1-271/5; N1; 1N1-18N1; N2)
  • originele versie
  • WET VAN 20-06-2012 GEPUBL. OP 29-06-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 272)
  • originele versie
  • WET VAN 29-12-2010 GEPUBL. OP 31-12-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 272)
  • originele versie
  • WET VAN 30-12-2008 GEPUBL. OP 11-02-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 236)
  • originele versie
  • WET VAN 11-05-2007 GEPUBL. OP 20-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 22; 53; 65; 103; 191; 192)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 2006-2007 : Kamer van Volksvertegenwoordigers : Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp, nr. 2759/1. - Errata, nrs. 2759/2, 2759/5. - Amendementen, nrs. 2759/2, 2759/4. - Verslag, nr. 2759/6. - Tekst aangenomen door de Commissie, nr. 2759/7. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgebracht naar de Senaat op 11 januari 2007. Parlementaire Handelingen. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering op 1 februari 2007. Senaat : Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp overgezonden door de Kamer, nr. 2014/1. - Amendementen, nrs. 2014/2, 2014/4. - Verslag, nr. 2014/3.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 65 uitvoeringbesluiten 20 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie