J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2006/12/21/2006001046/justel

Titel
21 DECEMBER 2006. - Koninklijk besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2006 en tekstbijwerking tot 22-05-2017)

Bron : BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 28-12-2006 nummer :   2006001046 bladzijde : 75381       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2006-12-21/36
Inwerkingtreding : 28-12-2006

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Bepalingen die van toepassing zijn op alle beroepen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-9
HOOFDSTUK I/1. [1 - Pro deo, de wijze van inning van het rolrecht en van de geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep]1
Art. 9/1, 9/2
Art. 9/2bis TOEKOMSTIG RECHT
Art. 9/3
HOOFDSTUK II. - De voorafgaande maatregelen, de terechtzitting en de verwijzing naar de algemene vergadering.
Afdeling 1. - De voorafgaande maatregelen.
Art. 10-11
Afdeling 2. - De terechtzitting.
Art. 12-14
Afdeling 3. - De verwijzing naar de.
Art. 15
HOOFDSTUK III. - De arresten.
Afdeling 1. - De inhoud van het arrest.
Art. 16
Afdeling 2. - Betekening en uitvoering van de arresten.
Art. 17-18
Afdeling 3. - De publicatie van arresten.
Art. 19-22
HOOFDSTUK IV. - De tussengeschillen.
Afdeling 1. - Inschrijving wegens valsheid.
Art. 23
Afdeling 2. - De hervatting van het rechtsgeding.
Art. 24
Afdeling 3. - De afstand van het geding.
Art. 25
Afdeling 4. - De verknochtheid.
Art. 26
Afdeling 5. - De wraking.
Art. 27-30
TITEL II. - Specifieke bepalingen voor de beroepen tot nietigverklaring, tot schorsing en tot het bevelen van voorlopige maatregelen.
HOOFDSTUK I. - Het beroep tot nietigverklaring.
Art. 31
HOOFDSTUK II. - De vordering tot schorsing.
Afdeling 1. - De procedure.
Art. 32-35
Afdeling 2. - De gezamenlijke behandeling van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring.
Art. 36
Afdeling 3. - De afzonderlijke behandeling van de vordering tot schorsing.
Art. 37-42
Afdeling 4. - Bijzondere regels bij een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid.
Art. 43
HOOFDSTUK III. - Vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen.
Art. 44-48
HOOFDSTUK IV. - De opheffing of intrekking van de schorsing en van de andere voorlopige maatregelen.
Art. 49-50
TITEL III. - Slotbepalingen.
Art. 51-53

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Bepalingen die van toepassing zijn op alle beroepen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° de wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  2° de Raad : de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zoals bedoeld in artikel 39/1 van de wet van 15 december 1980;
  3° de voorzitter : de voorzitter van de bevoegde kamer of de door deze aangewezen rechter.

  Art. 2. § 1. Dit besluit is van toepassing op de beroepen bedoeld in artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980.
  § 2. Dit besluit mag verkort worden geciteerd als " Procedurereglement Raad voor Vreemdelingenbetwistingen " of " PR RvV ".

  Art. 3.§ 1. Alle processtukken worden aan de Raad toegezonden bij ter post aangetekende brief.
  In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid bedoeld in artikel 39/82 en in artikel 39/84 van de wet van 15 december 1980, kan in afwijking van het eerste lid, de verzoekende partij haar vordering tot schorsing of haar vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen :
  1° hetzij, per fax verzenden, waarbij ze die fax uiterlijk op de terechtzitting met haar handtekening moet authentiseren, zoniet wordt de zaak van de rol geschrapt;
  2° hetzij per bode bezorgen aan de griffie, tegen ontvangstbewijs op de dagen en uren waarop de griffie toegankelijk moet zijn voor het publiek.
  In afwijking van het eerste lid, kan de verwerende partij het administratief dossier en haar nota met opmerkingen per bode bezorgen aan de griffie, tegen ontvangstbewijs.
  In afwijking van het eerste lid, kan in het geval voorzien in artikel 39/69, § 2, van de wet van 15 december 1980, de directeur van de strafinrichting of van de plaats waar de verzoeker wordt vastgehouden, of zijn gemachtigde, het ontvangen verzoekschrift bezorgen aan de griffie, hetzij per bode tegen ontvangstbewijs, hetzij per fax. In dat laatste geval laat hij het originele verzoekschrift onverwijld bezorgen aan de griffie. Indien daarentegen dit origineel niet werd bezorgd, dan wordt de verzoeker gevraagd de fax te authentificeren ter terechtzitting.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. [2 De afschriften per elektronische post zoals bedoeld in artikel 39/69, § 1, derde lid, 7°, artikel 39/72, § 1, lid 2 en artikel 39/81, lid 2 en 8 van de wet van 15 december 1980 worden, in de vorm van een bestand als bijlage bij een e-mail aan de Raad gestuurd op het volgende adres :
   procedure.rvv-cce@ibz.fgov.be
   De elektronische afschriften, zoals bedoeld in het vorige lid, dienen te beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
   1° Elke mail heeft slechts betrekking op één beroep en op één procedurestuk.
   2° De hieronder aangegeven afkortingen en referenties, worden gescheiden door een liggend streepje " - ", worden zowel gebruikt voor het veld " onderwerp " van de mail als voor de naam het bijgevoegde bestand.
   a) voor de afschriften zoals bedoeld in artikel 39/69, § 1, derde lid, 7°, van de wet van 15 december 1980 : de afkorting " REQ ", gevolgd door het dossiernummer bij de Dienst Vreemdelingenzaken, gevolgd door de naam van de verzoeker;
   b) voor de afschriften zoals bedoeld in artikel 39/69, § 1, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 : de afkorting " REGUL ", gevolgd door het refertenummer zoals vermeld in de regularisatiebrief die door de griffie werd verzonden, gevolgd door de naam van de verzoeker;
   c) voor de afschriften zoals bedoeld in artikel 39/72, § 1, tweede lid, en artikel 39/81, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 : het rolnummer gevolgd door de afkorting " NOT ", gevolgd door de naam van de verzoeker, gevolgd door de afkorting " CG " of " DVZOE " indien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen respectievelijk de minister of zijn gemachtigde de verwerende partij is of gevolgd door de naam van de stad/gemeente die werd aangeduid als verwerende partij;
   d) voor de afschriften zoals bedoeld in artikel 39/81, achtste lid, van de wet van 15 december 1980 : het rolnummer gevolgd door de afkorting " SYNT ", gevolgd door de naam van de verzoeker;
   In het geval er meerdere verzoekers zijn, zal enkel naar de persoon die als eerste wordt vermeld in het verzoekschrift, worden verwezen.
   3° Het elektronische afschrift van het procedurestuk wordt doorgestuurd in het formaat " Portable Document Format Archivable (.pdf/A) " of in het formaat " OpenDocument Texte (.odt) ".]2
  ----------
  (1)<KB 2011-01-24/04, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 10-01-2011>
  (2)<KB 2014-01-26/01, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-02-2014>

  Art. 4. § 1. [1 ...]1
  § 2. [1 ...]1
  § 3. De datum van het postmerk of, bij verzending bij fax, de datum die het toestel van de Raad vermeldt op de fax, heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst of voor de weigering.
  ----------
  (1)<KB 2011-01-24/04, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 10-01-2011>

  Art. 5. Zo een partij overlijdt, en behoudens hervatting van rechtsgeding, worden alle mededelingen en betekeningen uitgaande van de Raad geldig aan de rechthebbenden gedaan aan de gekozen woonplaats van de overledene, gezamenlijk en zonder vermelding van namen en hoedanigheden.

  Art. 6. Bij iedere nota, verzoek tot tussenkomst, schriftelijk verslag of replieknota bedoeld in respectievelijk de artikelen 39/72, §§ 1 en 2, en 39/76, § 1, vijfde en zesde lid van de wet van 15 december 1980, alsook bij ieder processtuk bedoeld in dit besluit, met uitzondering van het verzoekschrift waarvan zes afschriften gevoegd dienen te worden, worden vier afschriften gevoegd.
  De neerlegging van bijkomende afschriften kan bevolen worden door de Voorzitter.

  Art. 7. De tot de Raad gerichte processtukken bevatten een inventaris van de stavingsstukken en het administratieve dossier wordt toegezonden met een inventaris van de stukken die het bevat.

  Art. 8. De stukken waarvan de partijen willen gebruik maken worden in originele vorm of onder vorm van een kopie voorgelegd en dienen, indien zij in een andere taal dan deze van de rechtspleging werden opgesteld, vergezeld te zijn van een voor eensluidend verklaarde vertaling.
  Bij gebreke aan een dergelijke vertaling, is de Raad niet verplicht deze documenten in overweging te nemen.

  Art. 9. Indien met toepassing van artikel 57/23bis, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 de vertegenwoordiger in België van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen of diens gemachtigde, een schriftelijk advies verstrekt aan de Raad dat betrekking heeft op een asielverzoek waarvan het beroep aanhangig is bij de Raad, dan wordt dit met vermelding van de datum van ontvangst, bij het rechtsplegingsdossier gevoegd van het betrokken beroep. De partijen ontvangen hiervan een kopie.

  HOOFDSTUK I/1. [1 - Pro deo, de wijze van inning van het rolrecht en van de geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-03-16/01, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-04-2011>

  Art. 9/1. [1 Iedere partij in een procedure voor de Raad kan het voordeel van het pro deo vragen bij haar verzoekschrift.
   Het voordeel van het pro deo wordt toegekend aan :
   1° iedere persoon die bijstand ontvangt van een openbaar centrum dat maatschappelijke hulp verstrekt op overlegging van een attest van dit centrum;
   2° iedere persoon die opgesloten, gevangen gehouden of vastgehouden wordt op een bepaalde plaats in het Rijk, op overlegging van een attest van de inrichting waarin hij van zijn vrijheid is beroofd;
   3° iedere minderjarige op overlegging van een identiteitsbewijs of van enig ander document dat zijn staat bewijst;
   4° iedere persoon die juridische tweedelijnsbijstand ontvangt in de zin van artikel 508/1 van het Gerechtelijk Wetboek, op overlegging van een attest waaruit blijkt dat deze juridische bijstand hem werd toegekend;
   5° iedere andere persoon die over onvoldoende financiële middelen beschikt om het rolrecht te voldoen op overlegging van bewijskrachtige documenten die bewijzen dat zijn inkomsten ontoereikend zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-03-16/01, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-04-2011>

  Art. 9/2.[1 De betaling bedoeld in artikel 39/68-1, § 5, eerste lid, geschiedt uitsluitend rechtsgeldig door de storting op een rekening bij de Raad die wordt meegedeeld in de in artikel 39/68-1 van de wet van 15 december 1980 bedoelde beschikking. Bij deze storting dient verplichtend het refertenummer dat wordt opgegeven in deze beschikking vermeld te worden. Enkel stortingen in euro met vermelding van het refertenummer zijn geldig.
   De tussenkomende partij betaalt op de wijze bepaald in het eerste lid, het op grond van artikel 39/68-1, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 verschuldigde rolrecht binnen een termijn van acht dagen, die ingaat op de dag van kennisgeving van de in artikel 39/68-1, § 3 van de wet van 15 december 1980 bedoelde beschikking]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-03-16/01, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-04-2011>

  Art. 9/2bis TOEKOMSTIG RECHT.


   [1 De betaling bedoeld in artikel 39/68-1bis, § 4, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, geschiedt uitsluitend rechtsgeldig door de storting op een rekening bij de Raad die wordt meegedeeld in de in artikel 39/68-1bis, § 3, eerste lid, van dezelfde wet bedoelde beschikking. Bij deze storting dient verplichtend het refertenummer dat wordt opgegeven in deze beschikking vermeld te worden. Enkel stortingen in euro met vermelding van het refertenummer zijn geldig."
   De bepaling ingevoegd door het vorige lid kan door de Koning worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen.]1

----------
  (1)<Ingevoegd W 2017-04-26/05, art. 8, 005; Inwerkingtreding : onbepaald>
  

  Art. 9/3. De geldboete, bedoeld bij artikel 39/73-1 van de wet van 15 december 1980, wordt geïnd door de aangestelden van de administratie der Registratie en Domeinen overeenkomstig de bepalingen van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek die op het beslag en de tenuitvoerlegging betrekking hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-03-16/01, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-04-2011>

  HOOFDSTUK II. - De voorafgaande maatregelen, de terechtzitting en de verwijzing naar de algemene vergadering.

  Afdeling 1. - De voorafgaande maatregelen.

  Art. 10. Indien met toepassing van artikel 39/69, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980, de zaak niet op de rol wordt geplaatst, dan noteert de griffie de ontvangst in een daartoe voorzien register [1 ...]1. [1 ...]1
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2011-03-16/01, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-04-2011>

  Art. 11. De eerste voorzitter wijst de zaak aan de bevoegde kamer toe.
  De voorzitter van de bevoegde kamer verdeelt de zaken tussen de rechters die er deel van uitmaken.

  Afdeling 2. - De terechtzitting.

  Art. 12. De aanwezigen wonen de zitting bij eerbiedig en in stilte; hetgeen de voorzitter met het oog op de handhaving van de orde beveelt, wordt stipt en terstond uitgevoerd.
  Hetzelfde voorschrift wordt nageleefd in de plaatsen waar de leden van de Raad de functies van hun ambt waarnemen.

  Art. 13. De persoonlijk ter terechtzitting verschijnende verzoeker die niet wordt bijgestaan door een advocaat of die toelichting verstrekt op verzoek van de voorzitter, geeft zijn mondelinge opmerkingen ter terechtzitting in de taal van de rechtspleging dan wel in de taal die hij heeft vermeld in het verzoekschrift overeenkomstig artikel 39/69, § 1, tweede lid, 5°, van de wet van 15 december 1980.
  De griffie roept een tolk op indien de vreemdeling, overeenkomstig artikel 39/69 § 1, tweede lid, 5° van de wet van 15 december 1980, in zijn verzoekschrift aangeduid heeft dat hij zijn opmerkingen zal laten kennen in een andere taal dan deze van de rechtspleging.
  De kosten voor het tolken zijn ten laste van de Staat.

  Art. 14. De voorzitter brengt verslag uit over de zaak.
  De partijen dragen hun opmerkingen mondeling voor.
  De voorzitter ondervraagt de partijen indien dit noodzakelijk is.
  Aan het einde van de debatten, verklaart de voorzitter de debatten voor gesloten en neemt de zaak in beraad.

  Afdeling 3. - De verwijzing naar de.

  Art. 15. Wanneer met toepassing van artikel 39/12 van de wet van 15 december 1980 de algemene vergadering wordt bijeengeroepen, dan bepaalt de eerste voorzitter, bij beschikking de dag en het uur van de terechtzitting waarop het beroep zal worden behandeld.
  De griffie handelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 39/75 van de wet van 15 december 1980 en de bepalingen van dit besluit.

  HOOFDSTUK III. - De arresten.

  Afdeling 1. - De inhoud van het arrest.

  Art. 16. Het arrest bevat de gronden en het beschikkend gedeelte en vermeldt :
  1° de namen, de gekozen woonplaats van partijen en, in voorkomend geval, de naam en de hoedanigheid van de persoon die deze vertegenwoordigt of bijstaat;
  2° de bepalingen op het gebruik der talen, die zijn toegepast;
  3° de oproeping van partijen en van hun advocaten, alsmede hun eventuele aanwezigheid op de terechtzitting;
  4° de uitspraak in openbare terechtzitting, de datum daarvan en de naam van het lid of de leden van de Raad die er over hebben beraadslaagd.

  Afdeling 2. - Betekening en uitvoering van de arresten.

  Art. 17. De arresten worden door de griffie aan de partijen betekend.
  De arresten die de uitdrukkelijke of vermoedelijke afstand bekrachtigen of die de afwezigheid van het vereiste belang vaststellen in toepassing van de artikelen 25, 38 en 39, alsook de arresten waarin besloten wordt dat er geen uitspraak meer gedaan moet worden, zijn het voorwerp van een toezending bij gewone brief van een ongezegeld afschrift.

  Art. 18. De arresten zijn van rechtswege uitvoerbaar. De Koning verzekert hun uitvoering. De griffie brengt op de uitgiften, na het beschikkend gedeelte, en naar gelang van het geval, een der hiernavolgende uitvoeringsformulieren aan :
  " De ministers en de administratieve overheden, wat hen aangaat, zijn gehouden te zorgen voor de uitvoering van dit arrest. De daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarders zijn gehouden hiertoe hun medewerking te verlenen wat betreft de dwangmiddelen van gemeen recht. "
  " Les ministres et autorités administratives, en ce qui les concerne, sont tenus de pourvoir à l'exécution du présent arrêt. Les huissiers de justice à ce requis ont à y concourir en ce qui concerne les voies de droit commun. "
  " Die Minister und die Verwaltungsbehörden haben, was sie anbetrifft, für die Vollstreckung dieses Beschlusses zu sorgen. Die dazu angeforderten Gerichtsvollzieher haben betreffs der gemeinrechtlichen Zwangsmittel ihren Beistand zu leisten. "
  De uitgiften worden afgegeven door de hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier, die ze tekent en ze met het zegel van de Raad bekleedt.

  Afdeling 3. - De publicatie van arresten.

  Art. 19. De arresten zijn steeds te raadplegen op de griffie.
  Behoudens de betekeningen gedaan bij toepassing van de bepalingen van dit besluit, geeft de aflevering door de griffie van een uitgifte, van een afschrift of van een uittreksel, hetzij getekend of niet, aanleiding tot de betaling van een recht van 0,5 euro per bladzijde, te berekenen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 273 en 274 van het Wetboek der registratie-, griffie- en hypotheekrechten.
  Het recht wordt gekweten op de wijze bepaald in de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 13 december 1968 betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffies der hoven en rechtbanken.

  Art. 20. De arresten worden onder voorbehoud van depersonalisatie gepubliceerd behoudens een andersluidende beslissing van de eerste voorzitter van de Raad of een door hem aangewezen rechter.
  De arresten worden niet gepubliceerd wanneer zij geen belang hebben voor de rechtspraak of het juridisch onderzoek of wanneer hun publicatie de openbare orde of de veiligheid van personen in het gedrang kan brengen.
  De eerste voorzitter waakt er over dat het geheel van de voor de rechtspraktijk relevante rechtspraak op gedepersonaliseerde wijze ter beschikking staat op het in artikel 21 bedoelde informatienetwerk dat toegankelijk is voor het publiek.

  Art. 21. De eerste voorzitter houdt rekening met de recente technologische ontwikkelingen bij het bepalen van het informatienetwerk dat toegankelijk is voor het publiek waardoor dit kennis zal kunnen nemen van de arresten.

  Art. 22. De arresten worden gepubliceerd in de taal of talen waarin zij worden uitgesproken. Ook de eventuele vertaling ervan wordt gepubliceerd.

  HOOFDSTUK IV. - De tussengeschillen.

  Afdeling 1. - Inschrijving wegens valsheid.

  Art. 23. Zo een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt de partij die het stuk heeft overgelegd door de rechter, of door de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, verzocht zonder verwijl te verklaren of zij volhardt in haar bedoeling er gebruik van te maken.
  Zo de partij op deze vraag niet ingaat, of zo zij verklaart dat zij van het stuk geen gebruik wenst te maken, wordt het verworpen.
  Zo zij verklaart dat zij er gebruik wil van maken, oordeelt de rechter of de kamer bij de welke de zaak aanhangig is zonder verwijl.
  Wanneer de rechter of de kamer bij de welke de zaak aanhangig is, oordeelt dat het van valsheid beticht stuk geen invloed heeft op haar eindbeslissing, wordt er geen rekening mee gehouden.
  Indien de rechter of de kamer bij de welke de zaak aanhangig is,van oordeel is dat het stuk van wezenlijk belang is voor de beslissing, dan oordeelt de voorzitter over de bewijskracht van het stuk.

  Afdeling 2. - De hervatting van het rechtsgeding.

  Art. 24. In de gevallen waarin grond bestaat tot hervatting van het rechtsgeding, geschiedt zulks door de rechtsopvolger door middel van een verzoekschrift dat een uiteenzetting van de redenen van hervatting bevat en dat voor het overige voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 39/69, § 1, eerste lid, en tweede lid, 1s°, tot en met 3° en 5° tot en met de 7°.
  De griffie zendt een kopie van die verzoekschrift naar de tegenpartij.

  Afdeling 3. - De afstand van het geding.

  Art. 25. Wanneer uitdrukkelijk wordt afgezien van het beroep, doet de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, zonder verwijl over de afstand uitspraak en dit onverminderd de toepassing van artikel 39/73 van de wet van 15 december 1980.

  Afdeling 4. - De verknochtheid.

  Art. 26. Zo er grond toe bestaat bij eenzelfde arrest uitspraak te doen over verscheidene zaken die bij verschillende kamers aanhangig zijn, kan de eerste voorzitter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de partijen, bij beschikking de kamer aanwijzen die van de zaken zal kennis nemen. Deze beschikking wordt door de griffie aan de partijen betekend.
  Geldt het zaken die bij dezelfde kamer aanhangig zijn, kan de samenvoeging er van door de voorzitter van deze kamer bevolen worden.

  Afdeling 5. - De wraking.

  Art. 27. Ieder lid van de Raad bedoeld in artikel 39/4 van de wet van 15 december 1980 dat weet dat hem een grond van wraking treft, moet de kamer verwittigen; zij beslist of hij zich al dan niet moet onthouden.

  Art. 28. Hij die wil wraken moet het doen zodra hij van de wrakingsgrond kennis heeft gekregen.

  Art. 29. De wraking wordt bij gemotiveerd verzoekschrift gevraagd.

  Art. 30. Nadat de wrakende partij en het gewraakte lid zijn gehoord, wordt zonder verwijl over de wraking uitspraak gedaan.

  TITEL II. - Specifieke bepalingen voor de beroepen tot nietigverklaring, tot schorsing en tot het bevelen van voorlopige maatregelen.

  HOOFDSTUK I. - Het beroep tot nietigverklaring.

  Art. 31. Indien het een beroep tot nietigverklaring betreft tegen een beslissing bedoeld in artikel 39/79 van de wet van 15 december 1980, geeft de griffie onmiddellijk, na ontvangst van het beroep dat op de rol werd ingeschreven, kennis ervan aan de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde.

  HOOFDSTUK II. - De vordering tot schorsing.

  Afdeling 1. - De procedure.

  Art. 32. Het enig verzoekschrift bedoeld in artikel 39/82, § 3, van de wet van 15 december 1980 bevat :
  1° de vermeldingen die met toepassing van artikel 39/78 van de wet van 15 december 1980 vervat moeten zijn in het verzoekschrift tot nietigverklaring;
  2° een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

  Art. 33. De griffie zendt onverwijld een afschrift van de vordering tot schorsing aan de verwerende partij.

  Art. 34. De verwerende partij bezorgt de griffie binnen acht dagen na kennisgeving van de vordering tot schorsing het administratief dossier, waarbij ze een nota met opmerkingen kan voegen.
  Een te laat ingediende nota met opmerkingen wordt uit de debatten geweerd.

  Art. 35. Zodra het administratief dossier is binnengekomen of, indien er geen werd ontvangen, bij het verstrijken van de in artikel 34 bepaalde termijn, bepaalt de voorzitter bij beschikking en binnen korte tijd de dag van de terechtzitting waarop de vordering tot schorsing wordt behandeld.
  De griffie geeft onverwijld kennis van de beschikking waarbij de rechtsdag wordt bepaald aan de partijen.
  Bij de kennisgeving aan de partijen wordt de nota met opmerkingen gevoegd als daarvan nog geen kennis is gegeven. Tevens wordt vermeld of een administratief dossier is neergelegd.

  Afdeling 2. - De gezamenlijke behandeling van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring.

  Art. 36. De vordering tot schorsing als het beroep tot nietigverklaring worden samen behandeld indien blijkt dat de vordering tot nietigverklaring slechts korte debatten vereist.
  Beide vorderingen worden behandeld volgens de procedure die geldt voor de behandeling van het beroep tot nietigverklaring.
  Indien na de debatten de voorzitter van oordeel is dat de zaak slechts korte debatten vereist, wordt in dit geval de zaak definitief beslecht.

  Afdeling 3. - De afzonderlijke behandeling van de vordering tot schorsing.

  Art. 37. Indien artikel 36 niet kan worden toegepast, dan wordt de vordering tot schorsing los van het beroep tot nietigverklaring behandeld.

  Art. 38. Het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing wordt onverwijld ter kennis gebracht van de partijen.
  Bij de kennisgeving van het arrest maakt de griffie melding van de gevolgen die door artikel 39/82, § 5 en 6, van de wet van 15 december 1980 aan de afwezigheid van een aanvraag tot voortzetting van de procedure binnen de voorgeschreven termijn worden verbonden.

  Art. 39. § 1. Wanneer naar aanleiding van een arrest waarbij een schorsing is bevolen, de verwerende partij niet binnen de in artikel 39/82, § 5, van de wet van 15 december 1980 gestelde termijn bij een ter post aangetekende brief of per bode tegen ontvangstbewijs een verzoek tot voortzetting van de procedure indient, stelt de griffie de partijen ervan in kennis dat de Raad uitspraak zal doen over de nietigverklaring van de handeling waarvan de schorsing is bevolen. Na de kennisgeving beschikken de partijen over een termijn van acht dagen waarbinnen ze kunnen vragen om te worden gehoord.
  Als geen van de partijen vraagt te worden gehoord, kan de voorzitter de handeling vernietigen, zonder dat ze daarbij aanwezig zijn.
  Als een partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter de partijen op om spoedig te verschijnen.
  § 2. Wanneer naar aanleiding van een arrest waarbij een vordering tot schorsing is afgewezen, de verzoekende partij niet binnen de in artikel 39/82 § 6, van de wet van 15 december 1980 gestelde termijn bij een ter post aangetekende brief een verzoek tot voortzetting van de procedure indient, stelt de griffie haar ervan in kennis dat de Raad de afstand van het geding zal uitspreken, tenzij ze binnen een termijn van vijftien dagen vraagt te worden gehoord.
  Als ze niet vraagt te worden gehoord, spreekt de voorzitter de afstand van het geding uit.
  Als ze vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter de partijen bijeen om spoedig te verschijnen voordat de voorzitter uitspraak doet over de afstand van het geding.
  Indien verscheidene verzoekende partijen eenzelfde vordering tot schorsing en eenzelfde beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld en als slechts sommigen onder hen een verzoek tot voortzetting van de procedure hebben ingediend, worden de anderen geacht afstand te doen van het geding en wordt in het arrest over het beroep tot nietigverklaring ook uitspraak gedaan over de afstand van het geding door degenen die geen verzoek tot voortzetting van de procedure hebben ingediend.

  Art. 40.[1 Indien de schorsing van de tenuitvoerlegging is bevolen dan kan de verwerende partij de voortzetting van de procedure vragen binnen de acht dagen na de kennisgeving van het arrest.
   Indien de verwerende partij tijdig de voortzetting van de procedure heeft gevraagd, dan wordt de verzoekende partij hiervan op de hoogte gesteld door de griffie en verloopt de procedure overeenkomstig de artikelen 39/73 tot en met 39/75 en 39/81 van de wet van 15 december 1980.
   In dat geval gebeurt de beoordeling van de zaak op basis van de reeds ingediende procedurestukken onverminderd de toepassing van artikel 39/60 van de wet van 15 december 1980.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-01-24/04, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2011>

  Art. 41.[1 Indien de schorsing van de tenuitvoerlegging niet is bevolen dan kan de verzoekende partij de voortzetting van de procedure vragen binnen de acht dagen na de kennisgeving van het arrest.
   Indien de verzoekende partij tijdig de voortzetting van de procedure heeft gevraagd en desgevallend het verschuldigde rolrecht heeft betaald, dan wordt de verwerende partij hiervan op de hoogte gesteld door de griffie en verloopt de procedure overeenkomstig de artikelen 39/73 tot en met 39/75 en 39/81 van de wet van 15 december 1980.
   In dat geval gebeurt de beoordeling van de zaak op basis van de reeds ingediende procedurestukken onverminderd de toepassing van artikel 39/60 van de wet van 15 december 1980.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-01-24/04, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2011>

  Art. 42. Wanneer de schorsing wordt bevolen wegens machtsafwending, beveelt het arrest de verwijzing van de zaak naar de algemene vergadering.

  Afdeling 4. - Bijzondere regels bij een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid.

  Art. 43. § 1. Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, dan bevat de vordering tot schorsing bedoeld in artikel 32 de in artikel 32 bepaalde gegevens alsook een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen.
  In het opschrift van het verzoekschrift dient te worden vermeld dat het een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid betreft. Is aan deze pleegvorm niet voldaan, dan wordt dit verzoekschrift geacht enkel een beroep tot nietigverklaring te bevatten.
  De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet een afschrift van de bestreden akte bevatten en vergezeld zijn van zes afschriften ervan.
  De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid die niet vergezeld is van de bestreden akte wordt tot aan de ontvangst ervan voorlopig niet op de rol geplaatst. Bij verzuim brengt de griffier dit onverwijld ter kennis van de verzoeker op het in de vordering aangegeven fax- of telefoonnummer.
  Ongeacht of een vordering tot uiterst dringende noodzakelijkheid afzonderlijk dan wel in één en dezelfde akte is gesteld met het beroep tot nietigverklaring, verloopt de procedure overeenkomstig de §§ 2 en 3.
  § 2. De voorzitter kan de partijen, bij beschikking eventueel te zijnen huize oproepen op het door hem bepaalde uur, zelfs op de feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur.
  In de kennisgeving van de beschikking wordt in voorkomend geval vermeld of het administratief dossier werd neergelegd.
  Indien de verwerende partij het administratief dossier niet van te voren heeft overgezonden, overhandigt ze het ter terechtzitting aan de voorzitter, die de terechtzitting schorst om aan de partijen de gelegenheid te geven er inzage van te nemen.
  De Raad kan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het arrest bevelen.
  De procedure verloopt voor het overige overeenkomstig de artikelen 38 tot 42.
  § 3. Indien de schorsing bij voorraad is bevolen zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord, dan roept de voorzitter ze op om binnen drie dagen voor de bevoegde kamer te verschijnen.

  HOOFDSTUK III. - Vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen.

  Art. 44. Zolang de vordering tot schorsing aanhangig is, kan bij een afzonderlijk verzoekschrift een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen worden ingediend.
  De vordering wordt ondertekend door de partij of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 39/56 van de wet van 15 december 1980. De vordering wordt gedagtekend en bevat :
  1° de naam, nationaliteit, de gekozen woonplaats van de verzoekende partij en het kenmerk van haar dossier bij de verwerende partij zoals vermeld op de bestreden beslissing;
  2° de vermelding van de beslissing waarvan de schorsing wordt gevorderd;
  3° de beschrijving van de gevorderde voorlopige maatregelen;
  4° een uiteenzetting van de feiten die aantonen dat de voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om de belangen van de partij die ze vordert, veilig te stellen;
  5° in voorkomend geval, een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen.
  In het opschrift van het verzoekschrift dient te worden vermeld dat het een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid betreft. Is aan deze pleegvorm niet voldaan, dan wordt deze vordering afgedaan overeenkomstig artikel 46.
  De vordering wordt slechts onderzocht als er zes eensluidend verklaarde afschriften zijn bijgevoegd.

  Art. 45. De griffie zendt onverwijld een afschrift van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen aan de andere partijen.

  Art. 46. § 1. Elke partij kan binnen acht dagen na de kennisgeving van het verzoekschrift aan de griffie een aanvullend dossier en een aanvullende nota met opmerkingen over de gevorderde voorlopige maatregelen zenden.
  Een te laat ingediende aanvullende nota wordt uit de debatten geweerd.
  § 2. Zodra de aanvullende nota met opmerkingen of het aanvullend dossier is ingekomen of, indien er geen is ingekomen, zodra de in § 1 bepaalde termijn van acht dagen verstreken is, bepaalt de voorzitter vervolgens bij beschikking en binnen korte tijd de dag van de terechtzitting waarop de vordering tot het bevelen van de voorlopige maatregelen wordt behandeld.
  De griffie geeft onverwijld kennis van de beschikking waarbij de rechtsdag wordt bepaald aan de partijen. Bij de kennisgeving wordt de aanvullende nota met opmerkingen gevoegd zo er een is ingediend.

  Art. 47. In het belang van een goede rechtsbedeling kan de voorzitter beslissen dat de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen samen met de vordering tot schorsing wordt behandeld en afgedaan.

  Art. 48. Indien de indiener van een vordering tot schorsing ook uiterst dringende voorlopige maatregelen vordert, is artikel 44, eerste en tweede lid, van toepassing op zijn verzoek. Artikel 46 is er niet op van toepassing.
  Voor het overige verloopt de procedure overeenkomstig artikel 43, §§ 2 en 3.

  HOOFDSTUK IV. - De opheffing of intrekking van de schorsing en van de andere voorlopige maatregelen.

  Art. 49. Met het oog op de toepassing van artikel 39/82, § 3, vijfde lid, van de wet van 15 december 1980 stelt de griffie de partijen ervan in kennis dat de schorsing en in voorkomend geval, de voorlopige maatregelen worden opgeheven omdat na het verstrijken van de normale beroepstermijn van 30 dagen geen enkel verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend waarin de middelen worden aangevoerd die ze gerechtvaardigd hadden, tenzij een van de partijen vraagt om te worden gehoord.
  Als een partij binnen een termijn van acht dagen vraagt te worden gehoord, dan roept de voorzitter de partijen op om spoedig te verschijnen. De Raad doet uitspraak over de opheffing van de schorsing en, in voorkomend geval, van de voorlopige maatregelen.
  Als geen enkele partij vraagt te worden gehoord, stelt de kamer de opheffing van de schorsing en, in voorkomend geval, van de voorlopige maatregelen bij arrest vast.
  In de in het eerste lid bedoelde kennisgeving van de griffie wordt melding gemaakt van artikel 39/82, § 3, vijfde lid, van de wet van 15 december 1980 en van dit artikel.

  Art. 50. § 1. De in artikel 39/82, § 2, tweede lid, en artikel 39/84, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 bedoelde vordering tot intrekking of tot wijziging van het arrest dat de schorsing of voorlopige maatregelen beveelt, wordt ingesteld door middel van een verzoekschrift ondertekend door een van de partijen of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 39/59 van de wet van 15 december 1980.
  § 2. Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat :
  1° de opgave van het arrest waarvan de intrekking of de wijziging wordt gevorderd;
  2° een uiteenzetting van de feiten en de motieven die de intrekking of de wijziging rechtvaardigen.
  § 3. De griffie zendt onverwijld een afschrift van het verzoekschrift aan de andere partijen.
  § 4. Iedere partij kan binnen acht dagen na de kennisgeving van het verzoekschrift, aan de griffie een aanvullend dossier en een nota met opmerkingen overzenden.
  De griffie zendt een exemplaar van de nota aan de andere partijen.
  Een te laat ingediende nota met opmerkingen wordt uit de debatten geweerd.
  § 5. De voorzitter bepaalt bij beschikking de dag van de terechtzitting waarop de vordering tot intrekking of tot wijziging door de Raad wordt behandeld.
  De griffie geeft kennis van de beschikking waarbij de rechtsdag wordt bepaald aan de partijen.

  TITEL III. - Slotbepalingen.

  Art. 51. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de beroepen bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ingediend vanaf 1 december 2006 alsook op de reeds ingediende beroepen waarvoor op voormelde datum, nog geen dag der terechtzitting werd bepaald.

  Art. 52. Dit besluit treedt in werking op de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 53.Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 21 december 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, inzonderheid op de artikelen 39/65, 39/68, 39/69, § 3, 39/71, 39/82, §§ 5 tot en met 7, 39/84 en 39/85 ingevoegd bij wet van 15 september 2006;
   Gelet op wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, inzonderheid op artikel 235;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 19 oktober 2006;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 27 oktober 2006;
   Gelet op het advies 41.59714 van de Raad van State, gegeven op 29 november 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 26-04-2017 GEPUBL. OP 22-05-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 9/2bis) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-01-2014 GEPUBL. OP 30-01-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-03-2011 GEPUBL. OP 21-03-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 9/1-9/3; 10)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-01-2011 GEPUBL. OP 01-02-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 40; 41)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       De procedureregels voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen worden in hoofdzaak geregeld door de artikelen 39/10 (samenstelling van de zetel), 39/11 en 39/12 (verwijzing naar de algemene vergadering met het oog op het verzekeren van de eenheid van rechtspraak), 39/16 tot en met 39/18 (taalgebruik door de partijen) en 39/56 tot en met 39/85 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de vreemdelingen (hierna : wet van 15 december 1980), zoals ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
       Alhoewel de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in hoofdzaak is geregeld bij wet, heeft de wetgever evenwel bepaalde procedurele aangelegenheden gedelegeerd naar de Koning. De desbetreffende bepalingen zijn :

       
       - Artikel 39/68 van de wet van 15 december 1980 machtigt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de rechtspleging vast te leggen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Luidens de memorie van toelichting bij de wet van 15 september 2006 is dit een sleutelbepaling die de overige, niet in de wet van 15 december 1980, bepaalde procedureregels dient te bevatten. Het artikel sluit woordelijk aan bij artikel 30 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
       - de artikelen 39/65, 39/69, § 3, 39/71, 39/82, §§ 5 tot en met 7, 39/84 en 39/85 van dezelfde wet. De uitvoering van deze bepalingen is begrepen in dit algemeen procedurereglement.
       Aan de machtiging verleend bij artikel 39/65, tweede lid, tweede zin, van de wet van 15 december 1980 is voorlopig in dit besluit nog geen uitvoering gegeven. Luidens deze bepaling kan het procedurereglement de gevallen bepalen waarin kan worden volstaan met een kennisgeving aan de in het geding zijnde administratieve overheden van het dispositief en het voorwerp, alsook de vorm waarin en de voorwaarden waaronder deze beperkt kennisgeving geschiedt en de wijze waarop deze uitspraken voor deze partij in hun totaalversie toegankelijk zijn. De Regering heeft geopteerd om vooralsnog geen uitvoering te geven aan deze bepaling en geen specifieke regels te voorzien inzake de kennisgeving van de arresten van de Raad. De reden is tweevoudig : in de eerste plaats is het niet wenselijk dat zulks overhaast geschiedt in het raam van de inplaatsstelling van een nieuw administratief rechtscollege met een compleet nieuwe procedure. Bovendien is voorzien in een analoge regeling wat de bekendmaking betreft van de beschikkingen (in cassatie) en de arresten van de Raad van State. Het lijkt de Regering aangewezen dat in het belang van de verzoeker in het algemeen en van de partijen in het bijzonder, beide regelingen zo veel als mogelijk op elkaar aansluiting vinden. De Raad van State suggereert in zijn advies om de nieuwe regeling over te nemen die is vervat in artikel 42 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de hogere cassatieprocedure bij de Raad van State (Belgisch Staatsblad 1 december 2006). Gelet op het feit dat deze regeling op heden uiteraard nog geen toepassing kent enerzijds en anderzijds de veronderstelling dat de toevloed aan geschillen hoger zal liggen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dan bij de Raad van State, verkiest de Regering de door de Raad van State bepaalde regeling pas in te voeren na een eerste evaluatie van de nieuwe voor de Raad van State bepaalde in cassatieberoepen geldende regeling.
       De reden waarom voorliggend besluit noch de rolrechten, noch de kosten en uitgaven bepaalt en waarom geen tussenkomst van de vreemdeling in de annulatieprocedure is voorzien, is uiteengezet in het advies van de Raad van State.
       Aangezien het belangrijkste deel van de procedure in de wet van 15 december 1980 is geregeld, mag dit procedurereglement niet op zich alleen gelezen worden. Ongeacht het streven naar een zo groot mogelijke leesbaarheid van het voorliggende procedurereglement, werden evenwel in overeenstemming met de traditionele legistieke regels ter zake, bepalingen die alleen maar een hogere norm in herinnering brengen, niet opgenomen ten einde verwarring te vermijden. Zo werd bijvoorbeeld de, vanuit het principe van de gelijke behandeling van de partijen belangrijke regel dat de partijen en hun advocaat gedurende de in de beschikking tot vaststelling van de rechtsdag bepaalde termijn ter griffie inzage kunnen nemen van het dossier, niet opgenomen, omdat deze bepaling in artikel 39/61 van de wet van 15 december 1980 staat.
       Aldus moeten de procedureregels vervat in de genoemde wet van 15 december 1980 in acht worden genomen, ook al wordt er niet naar verwezen.
       Bij de conceptie van het voorliggend ontwerp is in belangrijke mate uitgegaan van de procedurereglementen die thans van toepassing zijn op de procedures voor de Raad van State : het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State en het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Dit sluit aan bij de uitdrukkelijke wil van de wetgever (Gedr. St. Kamer 2005-2006, nr. 2479/001, 116).
       Het voorliggende besluit is als volgt opgebouwd :

       
       - Titel I bevat de bepalingen die van toepassing zijn op alle beroepen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Worden achtereenvolgens behandeld : de algemene bepalingen (hoofdstuk I); de voorafgaande maatregelen, de terechtzitting en de verwijzing naar de algemene vergadering de terechtzitting (hoofdstuk II); de arresten (hoofdstuk III) en de tussengeschillen (hoofdstuk IV);
       - Titel II bevat de specifieke bepalingen voor de beroepen tot nietigverklaring, tot schorsing en tot het bevelen van voorlopige maatregelen. Worden achtereenvolgens behandeld : het beroep tot nietigverklaring (hoofdstuk I); de vordering tot schorsing (hoofdstuk 2); de vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen (hoofdstuk 3); de opheffing of intrekking van de schorsing en van de andere voorlopige maatregelen (hoofdstuk 4);
       - titel III bevat de slotbepalingen.
       Artikelsgewijze bespreking
       Artikel 1
       Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen die de lezing van het besluit vereenvoudigen.
       Artikel 2
       Dit artikel bepaalt het toepassingsgebied van het voorliggende besluit en voorziet bovendien in een reglementaire afkorting van het procedurereglement.
       Om deels rekening te houden met de vormelijke opmerking van de Raad van State werd het artikel opgedeeld in twee paragrafen.
       Artikel 3
       Deze bepaling bevat de voor de praktijk belangrijke regeling inzake de kennisgeving van stukken gericht aan de Raad of uitgaande van de Raad : de kennisgevingen zijn veelal bepalend voor de termijnregeling. Dit artikel geeft bovendien specifiek uitvoering aan de artikelen 39/69, § 3, en 39/71, van de wet van 15 december 1980.
       Zoals hierna wordt toegelicht, is de ontworpen regeling in belangrijke mate overgenomen uit de toepasselijke procedureregelingen voor de Raad van State.
       Het artikel is als volgt geredigeerd :

       
       § 1 bevat de regeling inzake de kennisgeving van de processtukken aan de Raad. De algemene regel is vervat in het eerste lid dat is overgenomen van artikel 84 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State. De datum van het postmerk heeft bewijskracht voor de verzending (zie infra, § 3) zodat de datum van ontvangst op de griffie van de Raad geen belang heeft (R.v.St., O., nr. 70.408, 18 december 1997; R.v.St., T., nr. 70.406, 18 december 1997). Een verzoekschrift of enig ander procedurestuk kan dus in beginsel niet geldig ter griffie worden neergelegd, noch in de brievenbus van de Raad gedeponeerd worden en evenmin bij gewone brief of anderszins, bijvoorbeeld bij taxipost (zie b.v. R.v.St., X, nr. 76.720, 29 oktober 1998; R.v.St., H., nr. 91.398, 6 december 2000; R.v.St., H. nr. 91.398, 6 december 2000; R.v.St., A., nr. 100.857, 14 november 2001 (vordering tot schorsing); R.v.St., R.v.St., M. en cst., nr. 115.714, 11 februari 2003 (nietigverklaring); R.v.St., D., nr. 124.386, 17 oktober 2003 (memories); R.v.St., D. en cst., nr. 118.955, 30 april 2003 (tussenkomst), toegezonden worden (vaste en overvloedige rechtspraak : zie J. BAERT en G. DEBERSAQUES, Raad van State. Ontvankelijkheid, Brugge, die Keure, 1996, 371 - 378). De ratio legis is een vaste, onbetwistbare datum te hebben van de indiening van het processtuk. Voor de interpretatie van de pleegvorm en inzonderheid voor het bepalen van de sanctieregeling bij het verzuim van deze formaliteit kan worden verwezen naar de rechtspraak ter zake van de Raad van State (Ibid, inz. nr. 420). Inzonderheid kan onder verwijzing naar een vaste rechtspraak van de Raad van State, worden aangenomen dat het met een niet ter post aangetekend verzoekschrift ingestelde beroep toch ontvankelijk is wanneer de ontvangst ervan door de Raad, binnen de voor het instellen van het beroep gestelde termijn vaste datum verkrijgt ten gevolge van een door de Raad ter post aangetekende verzending van een stuk van de procedure waarin melding wordt gemaakt van het niet-aangetekend verzonden stuk (b.v. de mededeling uitgaande van de griffie van een afschrift van het verzoekschrift aan de verwerende partij) (zie b.v. R.v.St., V., nr. 78.645, 10 februari 1999; R.v.St., A., nr. 100.857, 14 november 2001; R.v.St., S., nr. 101.894, 17 december 2001; R.v.St., I., nr. 106.429, 7 mei 2002; R.v.St., R.v.St., M. en cst., nr. 115.714, 11 februari 2003) of van een navolgend aangetekend schrijven van de verzoeker (zie b.v. R.v.St., X, nr. 76.720, 29 oktober 1998).
       Het tweede lid voorziet in een uitzondering wanneer in het raam van een annulatievoorziening de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt gehanteerd (zie artikel 39/82 en artikel 39/84 van de wet van 15 december 1980). De Regering heeft geopteerd de regeling over te nemen die thans ter zake bestaat voor de Raad van State inzake het vreemdelingencontentieux en dat werd ingevoerd bij artikel 19, tweede lid, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad 15 juli 2000). Zoals reeds in het verslag aan de Koning bij voornoemd koninklijk besluit is vermeld (Belgisch Staatsblad 15 juli 2000, 24799), houdt " authentiseren " in dat de verzoeker het originele exemplaar van het faxbericht dat zich in het griffiedossier bevindt, op de terechtzitting ondertekent. Zonder deze ondertekening is er immers geen door de partij ondertekend procedurestuk voorhanden op de Raad : een fax is immers niet meer dan een niet-ondertekende kopie van een origineel en heeft in principe geen enkele bewijskracht. Ook een gefaxte handtekening is een kopie en enkel het " eensluidend verklaren " van de fax ter terechtzitting met een handtekening verleent die fax de waarde van het origineel. (waarbij overigens dit origineel ondertekend moet zijn daar de authentificatie niet strekt ter compensatie van een niet vervulde voorwaarde inzake de ontvankelijkheid zoals de ondertekening van het verzoekschrift : R.v.St., M., nr. 159.310, 30 mei 2006; zie ook R.v.St., X., nr. 145.405, 9 juni 2005). Verzuimt de verzoeker dit te doen, dan wordt de zaak van de rol geschrapt (zie b.v. R.v.St., X., nr. 102.395, 29 december 2001, R.W. 2001-2002, 1474, noot I. OPDEBEEK; R.v.St., X., nr. 102.554, 16 januari 2002.). Om dit in de rechtspraak gehanteerde rechtsgevolg voor de rechtzoekende voldoende duidelijk te maken, wordt dit bovendien in de tekst duidelijk opgenomen. Nieuw is wel dat, naar keuze, de verzoeker in het geval van uiterst dringende noodzakelijkheid zijn verzoekschrift ook kan neerleggen ter griffie tegen ontvangstbewijs. Naar analogie met bijvoorbeeld artikel 52 Ger.W. is omwille van reden van duidelijkheid ten aanzien van de verzoeker die mogelijks minder bekend is met de procedure, de (logische) regel opgenomen dat dit enkel kan tijdens de uren en dagen dat de griffie open moet zijn. Deze zullen opgenomen worden in het in artikel 39/9, § 2, bedoelde reglement van orde.
       Het derde lid herneemt de klassieke regeling (zie b.v. artikel 19, derde lid, van het genoemde koninklijk besluit van 9 juli 2000) inzake de neerlegging van de nota en het administratief dossier. Uiteraard geschiedt in de regel deze neerlegging ook tijdens de openingsuren van de griffie, doch niet steeds : zo is het in het raam van een vordering tot schorsing, ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet uit te sluiten dat het dossier (met eventueel een nota) wordt afgegeven aan de dienstdoende voorzitter via de met wacht zijnde conciërge. Uiteraard belet niets dat de verwerende partij haar stukken via de gemene wijze (aangetekend) bezorgd aan de Raad.
       Het laatste lid van § 1 bepaalt ten slotte het bijzondere geval waarin een verzoeker die ter beschikking van de regering wordt gesteld of zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in artikel 74/8 van de wet van 15 december 1980, zijn verzoekschrift afgeeft aan de directeur van de strafinrichting of aan de directeur van de welbepaalde plaats waar hij zich bevindt (artikel 39/69 van de wet van 15 december 1980). Deze laatste dient luidens voormelde bepaling dit verzoekschrift onmiddellijk toe te sturen aan de Raad. Dit kan derhalve hetzij aangetekend (§ 1, eerste lid) hetzij per bode tegen ontvangstbewijs, hetzij per fax. Aangezien er in dat laatste geval evenmin een ondertekend (origineel) exemplaar voorhanden is, moet dit onverwijld worden overgezonden aan de Raad. Indien op het ogenblik van de terechtzitting dit origineel niet voorligt, dan heeft dit - zoals de Raad van State opmerkt - geen enkel negatief gevolg voor de verzoeker. Wel wordt de verzoeker gevraagd de fax te authentificeren. De bedoeling is dat in hoofde van alle partijen en van de rechter zekerheid bestaat dat het verzoekschrift identiek is aan het origineel ingediende verzoekschrift.
       § 2. Deze § bepaalt de regeling van de stukken uitgaande van de Raad. De algemene regeling is vervat in het eerste en het tweede lid, die op hun beurt een herneming zijn van dezelfde regeling die geldt voor de Raad van State (artikel 84, tweede lid, van het voornoemde besluit van de Regent van 23 augustus 1948).
       Het derde lid herneemt de regeling bij uiterst dringende noodzakelijkheid zoals die thans is vervat in de procedureregeling voor de Raad van State (artikel 19, eerste lid, tweede zin, van het genoemde koninklijk besluit van 9 juli 2000). Ze wordt logischerwijze uitgebreid tot de gevallen waar toepassing wordt gemaakt van de versnelde procedure in de zin van artikel 39/77 van de wet van 15 december 1980. Duidelijkheidshalve wordt gevraagd om in deze hypothese het faxnummer op te geven om onnodig tijdsverlies in deze dringende rechtsplegingen te vermijden.
       Indien een partij woonplaatskeuze heeft gedaan bij de raadsman kunnen de betekeningen, om pragmatische redenen, ook per fax geschieden.
       Het verzuim van het vermelden van het faxnummer leidt op zichzelf niet tot nietigheid, maar kan uiteraard tot gevolg hebben dat de betrokken partij niet of niet tijdig op de hoogte is van de plaats en het tijdstip van de terechtzitting.
       Het laatste lid regelt de kennisgeving aan de minister van Binnenlandse zaken.
       § 3. Deze regeling herneemt de identieke regeling die thans geldt voor de Raad van State (artikel 40, tweede lid, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000).
       Artikel 4
       Deze bepaling regelt de termijnregeling, m.n. de dies a quo (de dag van het ingaan van de termijn : eerste lid), de dies ad quem (de einddatum) en de weigering van ontvangst. De regeling is overgenomen van de artikelen 84, derde t.e.m. vijfde lid, en 88 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948. Voor de interpretatie ervan wordt verwezen naar de rechtspraak van de Raad van State (zie b.v. J. BAERT en G. DEBERSAQUES, o.c., 384 - 386). Zo wordt in de rechtspraak het begrip " wettelijke feestdag " beschouwd als die dagen dewelke zijn vastgelegd overeenkomstig de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen (R.v.St., Kramplitz, nr. 102.951, 28 januari 2002).
       Een termijnverlenging/-verkorting zoals die thans bestaat in de artikelen 89 à 91 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 is niet voorzien daar de wet een duidelijke beroepstermijn heeft voorzien.
       Artikel 5
       Dit artikel is de herneming van artikel 92 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948.
       Artikel 6
       Deze bepaling is enkel van toepassing op de processtukken die vermeld zijn in dit procedurereglement. Zij vormt de overname van artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000, met dit verschil dat er slechts vier afschriften in plaats van zes dienen gevoegd te worden. Inzake het verzoekschrift is een regeling opgenomen in artikel 39/69, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980.
       Ingevolge de bemerking van de Raad van State wordt verduidelijkt dat het de Voorzitter is die kan eisen dat bijkomende afschriften van de processtukken worden voorgelegd. Het spreekt voor zich dat het de Voorzitter is die bepaalt welke maatregelen genomen dienen te worden indien dit niet gebeurt. Hij kan onder andere eisen dat de afschriften alsnog worden overgemaakt en de bevoegde stafhouder (met het oog op eventuele sancties) contacteren indien een raadsman stelselmatig onvoldoende afschriften overmaakt of niet ingaat op de vraag bijkomende afschriften neer te leggen.
       Artikel 7
       De (logische) verplichting tot het voegen van een inventaris bij de processtukken is overgenomen van artikel 86 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948. De miskenning van deze vereiste is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid.
       Artikel 8
       Deze bepaling is een overname van artikel 13, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen.
       De taal van de procedurestukken (verzoekschrift, nota, enz.) is geregeld in artikel 39/18, van de wet van 15 december 1980 wat de verzoeker betreft en in artikel 39/17, van dezelfde wet wat de verwerende partij betreft.
       Artikel 9
       Luidens het artikel 57/23bis, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 kan de vertegenwoordiger in België van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen of diens gemachtigde, uit eigen beweging een schriftelijk advies verstrekken aan de Raad. Luidens de memorie van toelichting bij het artikel 195 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor de Vreemdelingenbetwistingen dat deze bepaling invoegde, brengt deze bepaling de prerogatieven van de vertegenwoordiger in België van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen in overeenstemming met de voorschriften van de richtlijn 2005/85/EG (Gedr. St. Kamer, 2005-2006, nr. 2479/001, 142). Luidens artikel 21, 1, c), van de richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (Pb.L. 13 december 2005, 326/13) kan de UNHCR bij de uitoefening van zijn toezichthoudende taak in het kader van artikel 35 van het Verdrag van Genève, in elke fase van de procedure aan de bevoegde autoriteiten zijn zienswijze geven in verband met individuele asielverzoeken.
       Indien de UNHCR in het raam van de voornoemde bevoegdheden een schriftelijk advies verstrekt in verband met een individuele asielverzoek, dan moet dit opgenomen worden in het dossier. Van deze toevoeging moeten de partijen in kennis gesteld worden en zij ontvangen een afschrift van het stuk. Dit wordt geregeld in deze bepaling.
       Artikel 10
       Artikel 39/69, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 voorziet in een aantal gevallen waarin een verzoek niet op de rol wordt geschreven. In de toelichting bij deze bepaling is gesteld dat zolang aan deze vereisten niet is voldaan, de beroepstermijn verder loopt. Aansluitend bij het advies van de Raad van State, wordt in deze toelichting gesteld dat in de procedureregeling de modaliteiten zouden worden opgenomen volgens dewelke de verzoeker op de hoogte zal worden gebracht van het feit dat zijn verzoekschrift niet in aanmerking wordt genomen (Gedr. St. Kamer 2005-2006, nr. 2479/001, 130).
       Deze kennisgeving maakt het voorwerp uit van deze bepaling.
       De griffie zal onmiddellijke en ten laatste de eerstvolgende werkdag na de ontvangst van het verzoekschrift dat niet op de rol kan worden ingeschreven de verzoekende partij hiervan verwittigen.
       De verzoekende partij beschikt vervolgens over één werkdag, te rekenen vanaf de ontvangst van het bericht van de griffie, om de tekortkoming recht te zetten. Indien de beroepstermijn is verstreken en de verzoekende partij naliet de werkdag volgend op de dag van ontvangst van het bericht van de griffie haar fout te herstellen, dan kan het verzoekschrift niet meer op de rol geplaatst worden.
       Artikel 11
       Dit artikel is overgenomen van artikel 5, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948.
       Artikel 12
       Dit artikel neemt artikel 27 over van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948. Deze bepaling is identiek aan de artikelen 759 en 763 van het Gerechtelijk Wetboek.
       Artikel 13
       In het geval waarin een verzoeker " persoonlijk " - i.e. zonder bijstand van of niet vertegenwoordigd door een advocaat - verschijnt of indien deze toelichting dient te verstrekken op verzoek van de voorzitter, wat zich voornamelijk in asielzaken kan voordoen, drukt hij zich uit in de taal van de rechtspleging of in de taal die hij heeft opgegeven in zijn verzoekschrift.
       De Raad kan indien nodig - naar analogie bijvoorbeeld met artikel 30 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken is zulks niet nodig indien de rechter de taal verstaat - voorzien in een tolk. De tolk legt de in artikel 39/63 van de wet van 15 december 1980 bepaalde eed af in handen van de voorzitter.
       Naar analogie met artikel 39/18, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 zijn de kosten voor het tolken ten laste van de Staat.
       Artikel 14
       Dit artikel is analoog aan het bepaalde in artikel 4 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State.
       Met betrekking tot het asielcontentieux kan er wel gewezen worden op het feit dat de rechter de mogelijkheid heeft om de partijen te ondervragen.
       Artikel 15
       Deze bepaling regelt de procedure voor de algemene vergadering die wordt bijeengeroepen met het oog op het vrijwaren of herstellen van de eenheid van rechtspraak (artikel 39/12 van de wet van 15 december 1980).
       Artikel 16
       Artikel 16 bevat de wettelijke inhoud van een arrest. Het is overgenomen van artikel 32 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948. dat de inhoud bepaalt van een arrest van de Raad van State. Geoordeeld wordt dat beide artikels zo veel als mogelijk dezelfde vormen en inhoud hebben.
       Artikel 17
       Dit artikel bepaalt de wijze van kennisgeving van de arresten en geeft specifiek uitvoering aan artikel 39/65, tweede lid, eerste zin van de wet van 15 december 1980. De regeling is overgenomen van deze die geldt inzake de kennisgeving van de arresten van de Raad van State (artikel 34 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948).
       Artikel 18
       Dit artikel bepaalt de uitvoerbare kracht van de arresten. De regeling is identiek aan die welke geldt inzake de arresten van de Raad van State. De regeling is dan ook overgenomen van artikel 36 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948.
       Artikel 19
       Deze bepaling regelt de publicatie en bekendmaking aan derden van de rechtspraak.
       Waar dit inzake de procedure voor de Raad van State niet uitdrukkelijk is bepaald, wordt expliciet gesteld dat alle arresten steeds te consulteren zijn ter griffie.
       Het tweede lid bepaalt de mogelijkheid tot het nemen van afschriften ter griffie. De ontworpen regeling is identiek aan die welke thans geldt voor de Raad van State (artikel 72 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948. Ook de te voldoende retributie en de wijze waarop die dient te worden voldaan is identiek.
       De Raad van State werpt op dat de zegelrechten op korte termijn zullen afgeschaft worden. Dit heeft echter geen gevolgen voor de ontworpen bepaling.
       Artikelen 20 t.e.m. 22
       Deze bepalingen regelen de publicatie van de arresten van de Raad.
       De regering is van oordeel dat de eerste voorzitter er daadwerkelijk moet over waken dat het geheel van de relevante rechtspraak op gedepersonaliseerde wijze ter beschikking staat op de website, ten einde de praktizijnen de mogelijkheid te bieden de rechtspraak van de Raad te kennen en te analyseren. In tegenstelling tot hetgeen geldt inzake de publicatie bij de Raad van State, wordt dit principe uitdrukkelijk in de tekst als taakstelling ten aanzien van de eerste voorzitter bepaald.
       Het is de eerste voorzitter die beslist dat een arrest geen enkel belang heeft voor de rechtspraak of het juridisch onderzoek en die oordeelt of het aangewezen is om een arrest niet te publiceren omdat het van die aard is dat het de openbare orde of de veiligheid van personen in het gedrang zou kunnen brengen. Deze bevoegdheid van de eerste voorzitter is beperkt door de verplichting die op hem rust om de relevante rechtspraak te publiceren. Bijvoorbeeld, indien verscheidene arresten die op hetzelfde ogenblik worden gewezen voorzien in een zelfde oplossing, dan is de eerste voorzitter niet verplicht het geheel van de gewezen arresten te publiceren.
       Tot slot wordt in tegenstelling tot hetgeen geldt inzake de Raad van State, niet langer voorzien in de publicatie via cd-rom. De praktijk in de Raad van State toont aan dat die niet alleen omslachtig is, maar bovendien in de praktijk niet de vereiste resultaten geeft. Het blijkt dat een publicatie op de publieke website - aangevuld met een " papieren " beschikbaarstelling via de griffie - het meest performant is en tegemoet komt aan de eisen en wensen van het publiek.
       Artikel 23
       Deze bepaling voorziet in een regeling wanneer de Raad geconfronteerd wordt met een stuk dat van valsheid wordt beticht. De procedure wordt dus niet geschorst, maar de rechter of de kamer beslist over de bewijskracht ervan. Deze regeling wijkt af van de regeling die bestaat voor de Raad van State gezien het specifiek karakter van het vreemdelingencontentieux.
       Artikel 24
       Deze bepaling regelt de hervatting van het geding. Geopteerd wordt voor een eenvoudige regeling zoals die is bepaald in artikel 58 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 en dit ongeacht de reden van gedinghervatting.
       Artikel 25
       De (verkorte) procedure inzake de afstand van het geding wordt overgenomen uit de procedureregeling van de Raad van State (artikel 59 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948). Deze regeling doet geen afbreuk aan de depistage van onontvankelijke beroepen, beroepen waarvan afstand wordt gedaan.
       Het nut van artikel 25 situeert zich in de gevallen waarin wordt afgezien van het beroep buiten de hypotheses voorzien in artikel 39/73, § 1, eerste lid van de wet. Concreet wordt het geval beoogd waarin afstand wordt gedaan nadat de rechter overeenkomstig het laatstgenoemde artikel de selectie heeft gedaan.
       Artikel 26
       De regeling inzake de verknochtheid wordt integraal overgenomen uit de procedureregeling voor de Raad van State (artikel 60 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948).
       Artikelen 27 t.e.m. 30
       Deze bepalingen regelen nader de wrakingsregeling (artikel 39/56 van de wet van 15 december 1980). De bepalingen zijn overgenomen van de artikelen 61 t.e.m. 65 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948.
       Artikel 31
       Ten aanzien van de beslissingen waarvoor het annulatieberoep van rechtswege schorsend is (artikel 39/79 van de wet van 15 december 1980) is dit de spiegelbepaling van artikel 39/70 van de wet van 15 december 1980. De ratio legis - de minister die instaat voor de repatriëring zo vlug als mogelijk in te lichten van een schorsend beroep - is hier immers dezelfde.
       De annulatieprocedure is wettelijk geregeld (artikel 39/81 van de wet van 15 december 1980). Dezelfde procedure m.i.v. het onderscheid tussen de gewone en de verkorte procedure wordt gehanteerd als inzake beroepen in volle rechtsmacht. Aldus kent de Raad maar één procedure, met uitzondering van de specifieke procedure voor het geval waarin de verzoekende partij de schorsing (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) en/of voorlopige maatregelen vordert.
       Artikel 32
       Dit artikel bepaalt de inhoud van de vordering tot schorsing. Benevens de vermeldingen die een verzoekschrift tot nietigverklaring moet bevatten - de vordering tot schorsing is overigens in te dienen in één akte met het beroep tot nietigverklaring (artikel 39/82, § 3, eerste lid, wet van 15 december 1980) zodat het uiteraard volstaat dat de " enige akte " aan deze vereisten voldoet - moet ook een uiteenzetting worden gegeven van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging aan de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Dit is een explicitering van de vereiste vervat in artikel 39/82, § 3, voorlaatste lid, van de wet van 15 december 1980 en identiek aan de vereisten die ter zake gelden voor de Raad van State. Voor het verzuim van deze voorwaarde kan derhalve worden aangesloten bij de rechtspraak van de Raad van State.
       Artikelen 33 t.e.m.35
       Deze artikelen bepalen, in uitvoering van artikel 39/82, § 7, van de wet van 15 december 1980, de procedure inzake een schorsingsberoep. De ontworpen procedure is overgenomen van deze die thans voor de Raad van State geldt (artikel 5 t.e.m.7 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000).
       Artikel 36
       De regeling inzake de behandeling door de Raad van vorderingen tot schorsing is duidelijk overgenomen van de regeling vervat in het koninklijk besluit van 9 juli 2000 (artikel 26).
       Net als de voornoemde regeling die haar effectiviteit heeft bewezen, is het uitgangspunt dat een vordering tot schorsing alleen maar afzonderlijk (i.e. los van de onderliggende annulatievordering) onderzocht en beoordeeld kan worden indien het niet mogelijk is gebruik te maken van de verkorte annulatieprocedure. Het is de bedoeling om zo veel mogelijk situaties te vermijden waarbij er slechts over het schorsingsverzoek en niet over het geheel van de procedure wordt gestatueerd.
       Artikel 36 - dat duidelijk is geïnspireerd op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000- stelt een dergelijke verkorte annulatieprocedure in die zowel verzoeker als de verwerende partij voordeel kunnen opleveren.
       De verkorte procedure (artikel 36) is bestemd voor de beroepen waarvoor, in de fase van de nietigverklaring, slechts korte debatten nodig zijn. Het gaat om zaken waarvan de oplossing, ook al ligt die niet onmiddellijk voor de hand, toch gemakkelijk gevonden kan worden in een kort debat.
       De gewone schorsingsprocedure (zie supra) is derhalve alleen bestemd voor de zaken die ten gronde problemen opleveren waarvoor grondigere debatten en een grondiger onderzoek vereist zijn.
       Zulk een indeling van procedures is op het niveau van de schorsingsprocedure reeds mogelijk bij het vreemdelingencontentieux, waar het mogelijk is een onderscheid te maken tussen de eenvoudige en de complexe zaken.
       Het begrip zaken die slechts korte debatten behoeven is nader toegelicht in de memorie van toelichting van de wet van 15 september 2006 (zie inzonderheid Gedr. St. Kamer, 2005-2006, nr. 2479/001, 48) en in het verslag aan de Koning bij het voornoemde koninklijk besluit van 9 juli 2000.
       Artikelen 37 t.e.m. 39
       Naar analogie met het bepaalde in artikel 4 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 wordt een vordering tot schorsing alleen los van de vordering tot nietigverklaring behandeld indien de procedure voor zaken die slechts korte debatten vereisten niet mogelijk is. Dit is bepaald in artikel 37.
       Artikel 38 bepaalt de kennisgeving van de eindarresten gewezen op een vordering tot schorsing die afzonderlijk wordt behandeld. De regeling is overgenomen van de bestaande regeling voor de Raad van State (zie artikel 19 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State en artikel 18, § 1, laatste lid, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000). De wijze van kennisgeving is hiervoor in de inleidende bepalingen geregeld.
       Artikel 39 geeft uitvoering aan artikel 39/82, § 5 en § 6. De ontworpen regeling is overgenomen van artikel 18, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000.
       Artikel 40
       Artikel 40 geeft uitvoering aan artikel 39/82, § 7, eerste lid, in fine, van de wet van 15 december 1980. Ze betreft de hypothese waarin de bestreden beslissing is geschorst.
       De verwerende partij heeft aldus vier verweermogelijkheden :

       
       - ofwel wenst ze het beroep ten gronde niet voort te zetten : in dit geval dient ze geen (tijdig) verzoek tot voortzetting in (artikel 39, § 1);
       - ofwel wil de verwerende partij het beroep voortzetten doch onthoudt ze zich van aanvullend verweer. In dat geval dient ze tijdig een verzoek tot voortzetting in (artikel 39, § 1);
       - ofwel wil de verwerende partij niet alleen voortzetten, maar ook een aanvullend inhoudelijk verweer doen. In dat geval dient ze binnen dezelfde termijn van acht dagen als het verzoek tot voortzetting een memorie in. In voorkomend geval kan zij ook het administratief dossier vervolledigen. De tijdige memorie kan het verzoek tot voortzetting vervangen (artikel 40) zodat de verwerende partij niet verplicht is gelijktijdig twee procedureakten te stellen.
       - ofwel wil de verwerende partij voortzetten, maar beperkt ze zich in haar verweer tot het aanvullen van het administratief dossier. In dat geval dient ze binnen dezelfde termijn van acht dagen het administratief dossier te vervolledigen.
       Heeft de verwerende partij een memorie ingediend, dan dient vanuit de rechten van verdediging ook de verzoekende partij de kans hebben schriftelijk te repliceren. Dit kan door tijdig een repliekmemorie in te dienen. Dit is geen verplichting, doch een te laat ingediende repliekmemorie wordt uit de debatten geweerd.
       Artikel 41
       Deze bepaling betreft de hypothese waarin de schorsing niet is bevolen.
       De procedure is gespiegeld op deze in artikel 40 en komt tegemoet aan de eis van de Raad van State dat beide gevallen gelijk berechtigd moeten worden.
       Artikel 42
       Deze bepaling beoogt het specifieke geval waarin de kamer in het raam van een vordering tot schorsing, de schorsing beveelt wegens machtsafwending (artikel 39/82, § 7, tweede lid, wet van 15 december 1980). De ontworpen regeling is overgenomen van de bestaande regeling voor de Raad van State (artikel 21, §§ 1 en 3, van het koninklijk besluit van 5 december 1991).
       Artikel 43
       Deze bepaling voorziet in een aantal specifieke regels indien een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is ingediend.
       § 1 bepaalt de inhoud van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Concreet dient aan de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid te worden toegevoegd.
       De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt op de rol ingeschreven. Aangezien de overlegging van de bestreden beslissing van essentieel belang is voor de behandeling van de procedure, wordt hierop uitzondering gemaakt. Wel wordt de verzoeker op het opgegeven faxnummer (zie artikel 3, § 2, derde lid) hiervan onverwijld op de hoogte gesteld zodat hij de kans wordt geboden om dit verzuim nog recht te zetten of - in het zeer uitzonderlijke geval dat het om een mondelinge beslissing zou gaan - dit nader toe te lichten.
       § 2 regelt de procedure. Zij is overgenomen van artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000. De procedure verloopt voor het overige overeenkomstig de regels die gelden inzake de afzonderlijke afdoening van de vordering tot schorsing.
       § 3 regelt het zeer specifieke geval waarin een schorsing zou zijn bevolen zonder dat alle partijen werden gehoord (artikel 39/82, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980). De regelgeving is overgenomen van artikel 34, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991.
       Tot slot werden, wat de opschriften van de verzoekschriften betreft, de artikelen 43 en 44 aangepast aan de opmerking van de Raad van State. Op de suggestie om artikel 50 ook op deze wijze aan te passen wordt niet ingegaan : er is slechts één modaliteit van verzoekschrift en de inhoud van dergelijk verzoekschrift is voldoende typerend om ieder vergissing met een andere vordering uit te sluiten.
       Artikel 44 t.e.m.48
       Deze artikelen bepalen de procedure inzake het vorderen van voorlopige maatregelen. De procedure is overgenomen van de artikelen 9 t.e.m.14 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000.
       Artikel 49
       Deze bepaling beoogt het specifieke geval waarin de schorsing en de voorlopige maatregelen worden ingetrokken indien blijkt dat er geen tijdig beroep tot vernietiging is ingediend waarin de middelen worden aangevoerd die de schorsing of de voorlopige maatregelen gerechtvaardigd hadden (artikel 39/82, § 3, vijfde lid, van de wet van 15 december 1980). De procedure is overgenomen van artikel 15 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000.
       Artikel 50
       Deze bepaling beoogt het specifieke geval waarin een uitspraak waarbij de schorsing is bevolen, kan worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de partijen (in artikel 39/82, § 2, tweede lid, en artikel 39/84, vierde lid van de wet van 15 december 1980).
       De ontworpen procedure is identiek aan die welke geldt voor de Raad van State (artikel 35 t.e.m.40 van het koninklijk besluit van 5 december 1991).
       Artikel 51-52
       De inwerkingtreding van het voorliggend besluit is bepaald op de datum van de publicatie in het Belgisch Staatsblad. Het procedurereglement dient, in eerste instantie, toegepast te worden door de VBV (artikel 235 van de wet van 15 september 2006). Het zal uiteraard maar van toepassing zijn op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de dag waarop die overeenkomstig artikel 231 van de wet van 15 september 2006 bevoegd is geworden om kennis te nemen van de beroepen bedoeld in artikel 39/1 van de wet van 15 december 1980.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       Van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaar,
       De Minister van Binnenlandse Zaken,
       P. DEWAEL
       Advies 41.597/4 van de afdeling wetgeving van de Raad van State
       De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 31 oktober 2006 door de Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit " houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ", heeft, na de zaak te hebben onderzocht op de zittingen van 24 en 29 november 2006, op laatst vermelde datum het volgende advies gegeven :

       
       Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
       Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
       Algemene opmerkingen
       Naar aanleiding van het verzoek van de afdeling wetgeving om in het licht van sommige wetsbepalingen (1) precies aan te geven waarom het voorliggende ontwerp geen regeling bevat voor, enerzijds, het rolrecht, de kosten en uitgaven, de nadere regels voor het verlenen van het voordeel van het pro Deo, en voor, anderzijds, de mogelijkheid om bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tussen te komen in het kader van een annulatieprocedure, heeft de gemachtigde van de minister het volgende te kennen gegeven :

       
       ( (1) Het gaat meer bepaald om de artikelen 39/68, 39/69, § 1, derde lid, 3°, en 39/78, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, hierna te noemen de " wet van 15 december 1980 ". )
       " 1. Pro deo
       [...]. Het procedurereglement voorziet niet in een kostenregeling die verdeeld wordt naar gelang een partij het beroep wint dan wel verlies (b.v. de tolk is lastens de begroting; er zijn geen rolrechten, ...). Het is in deze context dan ook voorlopig niet nodig te voorzien in een regeling van de rolrechten noch in het voorzien van een pro deo. De aanwijzing van een advocaat geschiedt immers door het bureau en niet door de Raad voor vreemdelingenbetwistingen. De bepalingen in de vreemdelingenwet die voorzien in een kosten en pro deo regeling moeten dan ook voorlopig niet worden uitgevoerd. Hoe dan ook lijkt het ons waarschijnlijk dat het invoeren van een belasting zoals rolrechten een wetgevend initiatief vereist.
       2. Tussenkomst.
       a. Tussenkomst moet volgens het Hof van Cassatie steeds een wettelijke grondslag hebben.
       b. De wet van 1980 voorziet in een beroep van de minister tegen een beslissing van de cgvs. Dit blijkt uit artikel 39/56 van de wet van 1980. Enkel in de hypothese van het tweede lid van 39/56 is aldus een tussenkomst van de vreemdeling mogelijk : Indien de minister een beroep indient tegen een voor de vreemdeling gunstige beslissing van de cgvs, dan kan de betrokken vreemdeling uiteraard tussenkomen. Dit vindt uitvoering in de artikelen 39/71 (toezenden kopie aan vreemdeling) en 39/72 (de eigenlijke tussenkomst).
       c. In nietigverklaring voorziet de vreemdelingenwet in principe (zie hierna) niet in een beroepsmogelijkheid van de minister tegen een beslissing inzake het vreemdelingencontentieux. Dit is vanuit het standpunt van de wetgever logisch : in het immigratie- (en dus annulatie) contentieux gaat de beslissing niet uit van een van de minister onafhankelijke (asiel)instantie (de cgvs) maar wel van hemzelf of van een door hem gemachtigde ambtenaar. Daarom heeft de wetgever niet voorzien in een beroepsmogelijkheid voor de minister. Deze regeling (artikel 39/72) onderscheidt zich op dat vlak van de procedureregeling voor de Raad van State van het artikel 21bis van de Raad van State-wet. Voor de Raad voor vreemdelingenbetwistingen kan enkel een vreemdeling tussenkomen, voor de Raad van State iedereen die belang heeft bij de oplossing.
       In het annulatiecontentieux kan dus het beroep enkel uitgaan van de vreemdeling die doet blijken van een belang (artikel 39/56). Een tussenkomst van een vreemdeling is dus niet mogelijk. Dus moeten er - spijts het feit dat artikel 39/81 verwijst naar de bepalingen inzake de tussenkomst - in het procedurereglement niets voorzien worden voor de tussenkomst ter zake, daar deze bepalingen zonder inhoud zouden zijn.
       c. Er zou kunnen worden betoogd dat de algemeenheid van artikel 39/56, tweede alinea aan de minister toelaat een beroep in te dienen tegen een beslissing van de cgvs waartegen een annulatieberoep open staat (ipv een vol beroep) : zie artikel 39/2, § 1, derde alinea vreemdelingenwet en artikel 57/6, eerste alinea, 2°, zoals ingevoegd bij artikel 58 van de mono-wet van 15/9/06. Dit geval is echter theoretisch daar de beslissingen die de cgvs neemt met toepassing van deze bepaling, beslissingen van niet-inoverwegingneming zijn. Het is de betrokken EG-vreemdeling die een belang heeft om daar tegen op te komen met een annulatieberoep. In deze context is een tussenkomst zinledig. "
       Deze preciseringen dienen in het verslag aan de Koning te worden opgenomen.
       Bijzondere opmerkingen
       Aanhef
       1. De rechtsgrond van het ontworpen besluit is te vinden in de artikelen 39/65, 39/68, 39/69, § 3, 39/71, 39/82, § 5 en 7, 39/84 en 39/85 van de wet van 15 december 1980, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, hierna te noemen de " wet van 15 september 2006 ".
       Het eerste lid behoort dienovereenkomstig te worden herzien.
       2. In het zesde lid behoort te worden geschreven " artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, ".
       Dispositief
       Artikel 2
       Van het tweede lid dient een afzonderlijk artikel te worden gemaakt, aangezien het doel ervan verschilt van dat van het eerste lid.
       Artikel 3
       1. In artikel 3, § 1, vierde lid, van het ontwerp wordt bepaald dat de directeur van de strafinrichting of van de plaats (2) waar de verzoeker wordt vastgehouden, of zijn gemachtigde, het verzoekschrift dat hij van verzoeker heeft ontvangen, kan bezorgen aan de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, hetzij per bode tegen ontvangstbewijs, hetzij per fax, in welk geval het originele verzoekschrift onverwijld aan de griffie wordt bezorgd.
       ( (2) Lees " welbepaalde plaats ", overeenkomstig artikel 74/6 van de wet van 15 december 1980. )
       Zoals in het ontwerp van verslag aan de Koning wordt aangegeven, is zulks vereist opdat de griffie in het bezit komt van een ondertekend (origineel) exemplaar van het verzoekschrift.
       In de ontworpen tekst wordt niet aangegeven wat de gevolgen zijn van het niet-overzenden van het origineel verzoekschrift aan de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het spreekt evenwel vanzelf dat dit verzuim voor de verzoeker geen enkel ongunstig gevolg mag meebrengen, aangezien die uiteraard niet verantwoordelijk kan worden geacht voor een vergissing of een verzuim van een lid van het bestuur.
       Deze precisering zou in het verslag aan de Koning moeten voorkomen.
       Als de steller van het ontwerp het evenwel noodzakelijk acht te eisen dat ingeval de directeur van de strafinrichting of zijn gemachtigde het origineel niet heeft overgezonden, verzoeker of diens raadsman het faxbericht uiterlijk op de terechtzitting authenticeert op straffe van afvoering van de rol (3), behoort de ontworpen bepaling in die zin te worden herzien.
       ( (3) Vergelijk met artikel 3, § 1, tweede lid, 1°, van het ontwerp. )
       2. In artikel 3, § 2, derde lid, van het ontwerp wordt bepaald dat de processtukken, betekeningen, kennisgevingen en oproepingen door de Raad van State rechtsgeldig kunnen geschieden per fax ingeval van een procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid of van een versnelde procedure en dat de partijen daartoe in het processtuk hun faxnummer vermelden.
       Volgens het ontwerp van verslag aan de Koning is deze bepaling overgenomen uit
       " de regeling bij uiterst dringende noodzakelijkheid zoals die thans is vervat in de procedureregeling voor de Raad van State (artikel 19, eerste lid, tweede zin, van het genoemde koninklijk besluit van 9 juli 2000). "
       De steller van het ontwerp wordt er evenwel opmerkzaam op gemaakt dat dit artikel 19 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, hierna te noemen het " koninklijk besluit van 9 juli 2000 ", niet de precisering bevat dat de partijen in hun processtukken hun faxnummer moeten vermelden.
       De Raad van State gaat er dan ook van uit dat de ontworpen bepaling, ondanks de bewoordingen ervan, aldus moet worden geïnterpreteerd dat op zich geen enkele straf staat op het niet-vermelden, door de partijen, van het faxnummer in hun processtukken.
       Deze precisering dient in het verslag aan de Koning voor te komen.
       Artikel 4
       Er behoort te worden aangegeven dat dit artikel alleen van toepassing is op de verzendingen bij ter post aangetekende brief met ontvangstmelding, aangezien alleen daardoor de termijnen ingaan.
       Artikel 6
       1. Naar luid van het eerste lid worden " bij ieder processtuk bedoeld in dit besluit... vier afschriften gevoegd ".
       Voor zover deze bepaling, door de algemene bewoordingen ervan, eveneens betrekking heeft op de stukken die de beroepen bedoeld in artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980 (4) bevatten, is deze bepaling niet in overeenstemming met artikel 39/69, § 1, derde lid, 2°, waarin geëist wordt dat bij het beroep " zes afschriften ervan gevoegd " worden, waarbij de niet-naleving van die regel bestraft wordt met het niet inschrijven op de rol.
       ( (4) Zie inzonderheid artikel 2 van het ontwerp. )
       In de Nederlandse versie van het ontwerp van verslag aan de Koning wordt aan die regel weliswaar als volgt herinnerd :

       
       " Inzake het verzoekschrift is een regeling opgenomen in artikel 39/69, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 " (5).
       ( (5) De Franse tekst van deze passage van het ontwerp van verslag aan de Koning, naar luid waarvan " (p)ar rapport à la requête, une réglementation a été reprise de l'article 39/69, § 1, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 ", stemt niet alleen niet overeen met de Nederlandse tekst, maar wekt de verkeerde indruk dat in artikel 6 van het ontwerp de regel vervat in artikel 39/69, § 1, derde lid, 2°, van de wet van 15 december 1980 zou zijn overgenomen. )
       Blijkbaar wordt aldus verwezen naar de overweging die voorkomt op bladzijde 2 en 3 van het ontwerp van verslag aan de Koning waarin wordt gesteld dat, aangezien een groot deel van de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geregeld wordt bij de wet van 15 december 1980 en aangezien in een verordeningstekst geen regels behoren te worden opgenomen die uit de wet voortspruiten, de procedureregels die reeds vervat zijn in de wet van 15 december 1980 niet in het ontwerp worden opgenomen.
       Deze wetgevingstechnische aanpak ontslaat de steller van het ontwerp er evenwel niet van het dispositief aldus op te stellen dat voorkomen wordt dat het strijdig is met de wet, hetgeen in casu het geval is wat het aantal afschriften betreft dat bij de beroepen dient te worden gevoegd.
       Het eerste lid dient dan ook aldus te worden herzien dat voorbehoud wordt gemaakt voor het geval bepaald in artikel 39/69, § 1, derde lid, 2°, van de wet van 15 december 1980.
       2. Het tweede lid behoort aldus te worden aangevuld dat gepreciseerd wordt wie de neerlegging van extra afschriften kan bevelen.
       3. De ontworpen bepaling voorziet niet in een straf ingeval de afschriften of de extra afschriften waarvan daarin sprake is niet worden ingediend. Daaruit behoort te worden afgeleid dat op de niet-naleving van die bepaling geen enkele straf staat (6).
       ( (6) Vergelijk met artikel 39/69, § 1, derde lid, 2°, van de wet van 15 december 1980, krachtens welke de beroepen waarbij geen zes afschriften ervan gevoegd zijn niet op de rol worden ingeschreven. )
       Deze precisering zou in het verslag aan de Koning moeten voorkomen.
       Artikel 7
       Door het in onderlinge samenhang lezen van artikel 6 en artikel 7 zou de indruk kunnen ontstaan dat alleen de in artikel 7 vermelde " verzoekschriften en nota's " een inventaris dienen te bevatten als daarbij stukken zijn gevoegd, terwijl zulks niet zou gelden voor de overige processtukken vermeld in artikel 6, namelijk de verzoeken tot tussenkomst, de schriftelijke verslagen en alle andere processtukken.
       Aangezien zulks blijkbaar niet de bedoeling is, zou het beter zijn om, zoals in artikel 6, eveneens gewag te maken van " ieder processtuk bedoeld in dit besluit ".
       Artikel 9
       1. Wat bedoeld wordt met het begrip " datum van inschrijving " in de eerste zin, in fine, is niet duidelijk.
       Er dient te worden aangegeven om welke inschrijving het gaat.
       2. De afdeling wetgeving merkt op dat het dispositief van de voorliggende bepaling niet het idee weergeeft dat in de bespreking ervan geuit wordt, namelijk dat met het advies van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen alleen rekening kan worden gehouden als dat advies op de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen binnenkomt voordat de debatten gesloten zijn in de zaak waarop dat advies betrekking heeft. Dat is een leemte die opgevuld moet worden.
       Hoofdstuk II
       Hoofdstuk II heeft als opschrift " Het onderzoek en de terechtzitting ". Uit de wet volgt evenwel dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen " geen eigen onderzoeksbevoegdheid " (7) heeft. Overigens bevat hoofdstuk II van het ontworpen besluit drie afdelingen met respectievelijk als opschrift " De voorafgaande maatregelen ", " De terechtzitting " en " De verwijzing naar de algemene vergadering ".
       ( (7) Artikelsgewijze bespreking (Gedr. St., Kamer, 2005-2006, nr. 51-2479/1, blz. 96), waarin wordt gesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen " noch zijn administratie, noch derden, noch de CGVS (kan) opleggen een aanvullend onderzoek te doen " (Adde, blz. 117). )
       Het opschrift behoort dienovereenkomstig te worden herzien.
       Artikel 10
       In artikel 10 van het ontwerp wordt bepaald dat, als het verzoekschrift met toepassing van artikel 39/69, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 niet op de rol wordt ingeschreven, het verzoekschrift met inbegrip van de eventuele bijlagen door de griffie aan de verzoeker wordt teruggezonden en wel onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van vijf werkdagen vanaf de ontvangst ervan op de griffie. In het ontwerp van verslag aan de Koning wordt aangegeven dat aldus, in aansluiting op het advies van de afdeling wetgeving over het voorontwerp dat tot de wet van 15 september 2006 heeft geleid (8), de nadere regels worden bepaald volgens welke de verzoeker op de hoogte zal worden gebracht van het feit dat zijn verzoekschrift niet in aanmerking wordt genomen (9).
       ( (8) In haar advies 39.717/AV, uitgebracht op 21 februari 2006, over een voorontwerp van wet dat tot de wet van 15 september 2006 heeft geleid, heeft de algemene vergadering van de afdeling wetgeving van de Raad van State immers opgemerkt dat de beroepstermijn verder blijft lopen in de gevallen bepaald in het ontworpen artikel 39/69, waarin een verzoekschrift niet op de rol wordt geplaatst en dat dan ook moet worden verondersteld dat de verzoeker op de een of andere wijze ervan op de hoogte zal worden gebracht dat het verzoekschrift niet in aanmerking is genomen (Gedr. St., Kamer, 2005-2006, nr. 51-2479/1, blz. 130). )
       ( (9) In het kader van de procedure die de griffie van de Raad van State krachtens artikel 20 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 toepast, worden onvolledige verzoekschriften in een wachtregister ingeschreven en worden de verzoekers uitdrukkelijk verzocht ze aan te vullen [zie het verslag aan de Koning dat voorafgaat aan dat koninklijk besluit van 9 juli 2000 (Belgisch Staatsblad van 15 juli 2000) opmerking bij artikel 3 (blz. 24.796); zie eveneens J. Vanhaeverbeek, Les procédures particulières au contentieux des étrangers devant le Conseil d'Etat, Brussel, Die Keure, 2005, blz. 95]. )
       De nadere regels die aldus in het ontworpen besluit worden vastgesteld, geven evenwel aanleiding tot de drie volgende opmerkingen :

       
       - doordat het verzoekschrift en de eventuele bijlagen ervan aan de verzoeker worden teruggezonden, wordt de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de onmogelijkheid geplaatst om naderhand, ingeval van betwisting, aan te tonen dat de beslissing om het verzoekschrift niet op de rol te plaatsen gegrond is;
       - de terugzending door de griffie is aldus uitgewerkt dat de redenen van de weigering van inschrijving op de rol niet worden vermeld;
       - wat er ook van aan is, die formaliteiten kunnen weliswaar van die aard zijn dat ze de betrokkene in staat stellen zich ervan te vergewissen dat zijn verzoekschrift niet op de rol is ingeschreven, maar bieden hem evenwel niet de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn te zorgen voor de regularisatie van het verzoekschrift, zelfs als dat verzoekschrift zou zijn ingediend binnen de beroepstermijn van vijftien of dertig dagen, gesteld in artikel 39/57 van de wet van 15 december 1980 (10). Aldus opgevat lopen de formaliteiten waarin de steller van het ontwerpbesluit voorziet het gevaar beschouwd te worden als een beperking van de toegang tot de rechter op zulk een wijze of in zulk een mate dat zulks het wezen zelf aantast van dat recht op toegang en zulks temeer daar het gaat om het eerste jurisdictioneel beroep dat de betrokkene kan aanwenden (11).
       ( (10) Zo zal de verzoeker die zijn verzoekschrift de tiende dag van de termijn van vijftien dagen heeft ingediend, kennelijk niet meer kunnen zorgen voor de regularisatie van zijn verzoekschrift door tijdig een nieuw verzoekschrift in te dienen, als de griffie hem van de niet-inschrijving op de rol van het oorspronkelijke verzoekschrift op de hoogte zou brengen met een brief verstuurd de vijfde werkdag vanaf de ontvangst van dat verzoekschrift. )
       ( (11) Hierbij wordt eraan herinnerd dat het recht op een (werkzaam) jurisdictioneel beroep inzonderheid verankerd is in :

       
       - artikel 39 van richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus;
       - artikel 31 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG;
       - en in artikel 20, lid 2, van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen. )
       Bijgevolg moeten, om iedere betwisting terzake te voorkomen en het recht op een werkzaam jurisdictioneel beroep te waarborgen, naar het voorbeeld van wat staat in het ontwerp van koninklijk besluit " tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State " waarover de algemene vergadering van de afdeling wetgeving op 28 november 2006 advies 41.773/AV heeft uitgebracht, de volgende regels worden vastgesteld :

       
       - de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bewaart een spoor van het verzoekschrift dat daarbij is ingediend en dat voorlopig niet op de rol kon worden ingeschreven om de redenen genoemd in artikel 39/69, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980;
       - verzoeker wordt bij een brief van de griffie verzocht zijn verzoekschrift binnen een welbepaalde fatale termijn te regulariseren;
       - het verzoekschrift dat binnen de toegemeten termijn geregulariseerd is, wordt geacht ingediend te zijn op de datum van de eerste verzending ervan.
       Artikel 14
       In het eerste en het derde lid moeten, gezien de definitie van " voorzitter " in artikel 1, 3°, van het ontworpen besluit, de woorden " of een rechter " geschrapt worden.
       Artikel 16
       1. Aan het slot van onderdeel 1° moeten de woorden " of bijstaat " worden toegevoegd.
       2. In onderdeel 4° schrijve men " de naam van het lid of de leden van de Raad die ".
       Artikel 17
       1. Zoals bevestigd wordt in de commentaar op artikel 17 in het ontwerp van verslag aan de Koning, zorgt deze bepaling voor de tenuitvoerlegging van de machtiging vervat in de eerste zin van artikel 39/65, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd bij artikel 162 van de wet van 15 september 2006, luidens hetwelk
       " een tussen- of een einduitspraak [van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen] (...) aan de partijen ter kennis (wordt) gebracht volgens de modaliteiten bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad ".
       In het ontwerp van verslag aan de Koning staat dat de steller van het ontwerp ervoor geopteerd heeft om vooralsnog geen uitvoering te geven aan de machtiging verleend bij artikel 39/65, tweede lid, tweede zin, van de voornoemde wet van 15 december 1980 (12), luidens hetwelk
       ( (12) Ontwerp van verslag aan de Koning, blz. 2. )
       " dit koninklijk besluit (...) eveneens de gevallen (kan) bepalen waarin kan worden volstaan met een kennisgeving aan de in het geding zijnde administratieve overheden van het dispositief en het voorwerp, alsook de vorm waarin en de voorwaarden waaronder deze beperkte kennisgeving geschiedt en de wijze waarop deze uitspraken voor deze partij in hun totaalversie toegankelijk zijn ".
       Eén van de redenen die in het ontwerp van verslag aan de Koning worden gegeven om die machtiging niet ten uitvoer te leggen is dat " is voorzien in een analoge regeling wat de bekendmaking betreft van de beschikkingen (in cassatie) en de arresten van de Raad van State " en dat het " de Regering aangewezen (lijkt) dat in het belang van de verzoeker in het algemeen en van de partijen in het bijzonder, beide regelingen zo veel als mogelijk op elkaar aansluiting vinden. "
       De " analoge regeling " waarop gealludeerd wordt is de regeling waarvan sprake in artikel 20, § 3, derde lid, tweede zin, en artikel 28, tweede lid, tweede zin, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de artikelen 8 en 15 van de wet van 15 september 2006.
       Toen de afdeling wetgeving van de Raad van State al geadieerd was omtrent het voorliggende ontwerp, is op 31 oktober 2006 door de algemene vergadering van de afdeling wetgeving van de Raad van State een voorontwerp van koninklijk besluit " tot uitvoering van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor vreemdelingenbetwistingen (toelaatbaarheidsprocedure in cassatie) " uitgewerkt (13) en overgezonden aan de Eerste Minister.
       ( (13) Advies 41.439/AV, gegeven op 31 oktober 2006. )
       De algemene vergadering stond voor de vraag hoe in dat voorontwerp de vereenvoudigde kennisgeving waarin is voorzien in de tweede zin van de nieuwe artikelen 20, § 3, derde lid, en 28, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, tot stand kon worden gebracht.
       In de toelichtende nota die het voorontwerp voorafgaat staat daarover het volgende :

       
       " Aangezien onder de hierna beschreven voorwaarden inderdaad kan worden overwogen om door het verzenden van elektronische berichten kennis te geven of mededeling te doen van beschikkingen of arresten die toch al in elektronische vorm bestaan, lijkt het noch om redenen van kostprijs noch ter wille van de snelheid van de procedure nodig te overwegen om van die documenten slechts een uittreksel per elektronische post te verzenden.
       In het voorontwerp van besluit wordt dan ook gekozen voor de mogelijkheid om de integrale tekst van de beschikking of het arrest per elektronische post te verzenden " (14).
       ( (14) Onderdeel 4.2. )
       Uit deze uitleg volgt dat de tenuitvoerlegging van de eerste zin van de nieuwe artikelen 20, § 3, derde lid, en 28, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die op algemene wijze betrekking heeft op de wijze waarop de beschikkingen en de arresten ter kennis worden gebracht van de partijen, voldoende is om de Koning in staat te stellen te zorgen voor een vereenvoudigde kennisgeving daarvan via een elektronische overzending van de volledige tekst van de beschikkingen en de arresten, waarbij het niet nodig is deze kennisgeving te beperken tot het loutere mededelen van het dictum en het voorwerp van de beschikkingen of de arresten, zoals bepaald in de tweede zin van deze wetsbepalingen.
       Dat heeft geleid tot artikel 42 van het ontwerp van koninklijk besluit dat het onderwerp is van het voornoemde advies 41.773/AV.
       Aanbevolen wordt in het voorliggende ontwerp een soortgelijke bepaling in te voegen, die haar rechtsgrond zou putten uit artikel 39/65, tweede lid, eerste zin, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd bij artikel 162 van de wet van 15 september 2006.
       2. Luidens het ontwerp van verslag aan de Koning zou de ontworpen bepaling identiek zijn aan artikel 34 (lees : artikel 36) van de algemene procedureregeling vóór de Raad van State (15). Eigenlijk heeft de steller van de tekst nagelaten aan het einde van het tweede lid de woorden " bij gewone brief " toe te voegen.
       ( (15) Namelijk het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State. )
       De tekst moet met die woorden worden aangevuld.
       Artikel 19
       In het tweede en het derde lid van de voorliggende bepaling wordt verwezen naar bepalingen of naar een besluit tot uitvoering van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
       De aandacht van de steller van het ontwerp wordt erop gevestigd dat in een voorontwerp van wet dat onlangs voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State is voorgelegd, voorzien is in de opheffing van dat wetboek, en dit vanaf een door de Koning te bepalen datum (16).
       ( (16) Zie advies 41.194/2 gegeven op 25 september 2006 over een voorontwerp van wet " tot invoering van het Wetboek diverse rechten en taksen ingevolge de opheffing van het Wetboek der zegelrechten en de wijziging van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, en de wetsartikels die daarnaar verwijzen in het Burgerlijk wetboek, het Gerechtelijk wetboek, het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, de wet tot oprichting van een Kruispuntbank voor ondernemingen en de wet betreffende sommige buiten het Rijk opgemaakte akten van burgerlijke stand ". )
       Artikel 20
       Er zou moeten worden gepreciseerd of de in het eerste lid bedoelde beslissing om een arrest niet bekend te maken, alleen kan worden genomen in de gevallen vermeld in het tweede lid, dan wel of de beoordeling discretionair is, met inachtneming van het derde lid.
       Artikel 23
       In het kader van de valsheidsprocedure verleent artikel 23 van het ontworpen koninklijk besluit de rechter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bevoegdheid om al dan niet rekening te houden met een stuk dat hij vooraf van wezenlijk belang geoordeeld heeft voor zijn beslissing, wanneer een partij dat stuk van valsheid beticht.
       In het ontwerp van verslag aan de Koning wordt gewag gemaakt van het feit dat beslist is zich te baseren op de procedure vastgesteld in artikel 43 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, hierna het " koninklijk besluit van 5 december 1991 ".
       De steller van het ontwerpbesluit ziet evenwel over het hoofd dat het koninklijk besluit van 5 december 1991 alleen de schorsingsprocedure voor de Raad van State regelt en dat artikel 43 van dat besluit uitdrukkelijk preciseert dat de beslissing om een van valsheid beticht stuk al dan niet in aanmerking te nemen, slechts bij voorraad wordt genomen, in het kader van de schorsingsprocedure en dus niet vooruitloopt op hetgeen omtrent dat stuk wordt beslist in het kader van de annulatieprocedure. In verband met deze procedure dient artikel 51 van de algemene procedureregeling te worden gememoreerd, met toepassing waarvan de Raad van State, wanneer een van valsheid beticht stuk " van wezenlijk belang is voor de oplossing van het geschil ", de uitspraak behoort uit te stellen " tot het bevoegd rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan ".
       De ontworpen bepaling moet bijgevolg worden herzien opdat rekening wordt gehouden met de situatie waarin de door de rechter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te nemen beslissing, geen beslissing bij voorraad (17) is, maar een definitieve.
       ( (17) Te weten het geval waarin bij de rechter ofwel een vordering tot schorsing of een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen volgens de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingesteld, dan wel het geval waarin hij de vordering tot gewone schorsing ingesteld met hetzelfde verzoekschrift als het annulatieberoep, afzonderlijk moet onderzoeken. )
       Artikel 24
       De afdeling wetgeving stelt de vraag of het niet verkieslijk zou zijn de hervatting van het rechtsgeding te laten geschieden met een verzoekschrift in plaats van met een verklaring ter griffie door de rechtsopvolger.
       Er zou eveneens moeten worden aangegeven welke vermeldingen moeten voorkomen op het verzoek om het geding te hervatten, ongeacht of het schriftelijk dan wel mondeling wordt geformuleerd, inzonderheid wat de keuze van woonplaats betreft.
       Artikel 25
       Noch uit het dispositief van artikel 25, noch uit de bespreking ervan, kan worden opgemaakt in welk opzicht artikel 25 verschilt van artikel 39/73, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980, dat de kamervoorzitter of de aangewezen rechter reeds verplicht de beroepen waarvan afstand wordt gedaan, bij voorrang te onderzoeken.
       Artikel 32
       1. Het eerste lid, dat niets toevoegt aan artikel 39/82, § 3, van de wet van 15 december 1980, moet vervallen.
       2. Het tweede lid, dat het enige lid wordt, moet als volgt worden geredigeerd :

       
       " Het enig verzoekschrift waarvan sprake is in artikel 39/82, § 3, van de wet van 15 december 1980 bevat :

       .. ".
       Artikel 35
       In het derde lid is enerzijds, in de Nederlandse tekst, sprake van " de schorsingsnota met opmerkingen ", anderzijds, in de Franse tekst, van " la note d'observation et les remarques ". Deze inconsistentie dient te worden weggewerkt. Ongetwijfeld moet elke verwijzing naar " remarques " worden weggelaten.
       Artikel 36
       In het derde lid is het beter te schrijven :

       
       " Indien de voorzitter van oordeel is (verder zoals in het ontwerp). "
       Dezelfde opmerking geldt voor geheel het ontwerp.
       Artikelen 39 en 40
       Uit de gezamenlijke lezing van artikel 39/82, § 5, van de wet van 15 december 1980 en van de artikelen 39, § 1, eerste lid, en 40, tweede lid (18), van het ontwerp volgt dat na de uitspraak van een schorsingsarrest, alleen door de indiening door de tegenpartij van een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging of van een memorie, binnen acht dagen te rekenen van de kennisgeving van het schorsingsarrest, voorkomen wordt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onmiddellijk uitspraak doet over het beroep tot nietigverklaring op basis van artikel 39, § 1, van het ontwerp en dat de procedure wordt gestart waarin artikel 40 van het ontwerp voorziet.
       ( (18) In artikel 40, tweede lid, van het ontwerp moeten de woorden " artikel 35, § 1 " worden vervangen door de woorden " artikel 39, § 1 ". )
       Zoals artikel 40, derde lid, van het ontwerp is geredigeerd, zou de indiening van een aanvullend administratief dossier hetzelfde gevolg hebben, ongeacht of de verwerende partij een verzoek tot voortzetting van de procedure dan wel een memorie indient.
       De steller van het ontwerp moet zijn bedoeling op dit punt verduidelijken.
       Indien het de bedoeling is dat alleen de indiening van een verzoek tot voortzetting van de procedure of van een memorie binnen acht dagen te rekenen van de kennisgeving van het schorsingsarrest dat gevolg heeft, dienen de woorden " of het administratief dossier heeft vervolledigd " in artikel 40, derde lid, van het ontwerp te vervallen, met dien verstande dat wordt bepaald dat, wanneer bij de indiening van een verzoek tot voortzetting van de procedure een aanvullend dossier wordt overgezonden, het voornoemde artikel 40, derde lid, toegepast wordt.
       Indien daarentegen alleen de indiening van een aanvullend dossier, zoals de indiening van een memorie, moet worden gelijkgesteld, met een verzoek tot voortzetting van de procedure, zou artikel 40, tweede lid, van het ontwerp in die zin moeten worden aangepast en zou het vervolg van de onderzochte bepaling dienovereenkomstig moeten worden aangepast.
       Artikelen 40 en 41
       1. In artikel 40, eerste lid, is het met het oog op een grotere leesbaarheid beter de eerste zin als volgt te schrijven :

       
       " Indien de schorsing van de tenuitvoerlegging is bevolen en de verwerende partij een verzoek tot voortzetting van de procedure heeft ingediend, kan deze partij binnen acht dagen na de kennisgeving van het arrest aan de hoofdgriffier, aan de griffie een memorie bezorgen en, in voorkomend geval, het administratief dossier vervolledigen. "
       Evenzo behoort in artikel 41, eerste lid, de eerste zin als volgt te worden geschreven :

       
       " Indien de schorsing van de tenuitvoerlegging niet is bevolen en de verzoekende partij een verzoek tot voortzetting van de procedure heeft ingediend, verloopt de procedure (verder zoals in het ontwerp). "
       2. Het is de afdeling wetgeving niet duidelijk om welke reden, die moet kunnen worden verantwoord in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het eerste en tweede lid van artikel 40 geen tegenhanger hebben in artikel 41, in zoverre ze bepalen dat een tijdig ingediende memorie geldt als verzoek tot voortzetting van de procedure.
       Artikel 43
       1. Zoals in artikel 39/82, § 3, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, wordt vereist dat in het opschrift van het verzoekschrift het onderwerp ervan wordt vermeld wanneer het gaat om een beroep tot nietigverklaring, of tegelijk het onderwerp van een dergelijk beroep en van een vordering tot schorsing (19), is het wenselijk dat in het opschrift van de vordering waarvan in artikel 43, § 1, sprake is, uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid.
       ( (19) Zie ook, in dezelfde zin, wat betreft de beroepen tot nietigverklaring en de vorderingen tot schorsing ingediend bij de afdeling geschillen van de Raad van State, artikel 17, § 3, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gewijzigd bij artikel 6, 3°, van de wet van 15 september 2006. )
       Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor artikel 44 van het ontwerp, dat handelt over de vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen, en voor artikel 50 van het ontwerp, dat betrekking heeft op de vordering tot intrekking of tot wijziging van het arrest dat de schorsing of voorlopige maatregelen beveelt (20).
       ( (20) Zie ook artikel 3, § 2, 1°, van het ontwerp van koninklijk besluit " tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State " waarover het voormelde advies 41.773/AV is uitgebracht. )
       2. De afdeling wetgeving wijst erop dat in paragraaf 1 niet op een exhaustieve wijze wordt vermeld welke vermeldingen de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid moet bevatten, naast de uiteenzetting van de feiten die in het bijzonder het beroep op deze procedure rechtvaardigen (21).
       ( (21) Vergelijk met de artikelen 3 en 8, § 1, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000. Zie eveneens artikel 44, tweede lid, van het voorliggende ontwerp. )
       Artikel 44
       In de Franse tekst van onderdeel 1° van het tweede lid behoren de woorden " partie requérante " te worden vervangen door de woorden " partie défenderesse ".
       Artikel 46
       In paragraaf 2, tweede lid, van de Franse tekst moeten de woorden " à l'avis " worden vervangen door de woorden " à la communication ".
       Artikelen 51 tot 54
       De artikelen 51 tot 54 van het ontwerp van koninklijk besluit wijzigen het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. Dit koninklijk besluit ontleent zijn rechtsgrond aan het huidige artikel 57/24 van de wet van 15 december 1980, waarnaar evenwel niet wordt verwezen in de aanhef van het ontworpen koninklijk besluit.
       De aandacht van de steller van het ontwerp wordt er derhalve in de eerste plaats op gevestigd dat dit in artikel 57/24 aan de Koning opgedragen bevoegdheid om de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie te bepalen, ongedaan gemaakt is door artikel 196 van de wet van 15 september 2006, met ingang van 1 december 2006, met toepassing van artikel 243, derde lid, van dezelfde wet.
       Vervolgens dient te worden opgemerkt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen met toepassing van artikel 235 van dezelfde wet van 15 september 2006 voorlopig bevoegd blijft om, met ingang van 1 december 2006, kennis te nemen van de beroepen ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en dat deze beroepen, inzonderheid, behandeld worden overeenkomstig de procedure en de voorwaarden bepaald bij de artikelen 39/9, 39/17, 39/18, 39/56 tot 39/67 en 39/69 tot 39/77 van de wet van 15 december 1980, zoals ze ingevoegd zijn bij de wet van 15 september 2006 en waarvan de inwerkingtreding is bepaald op 1 december 2006. Hieruit volgt dat de Koning met ingang van 1 december 2006 ook niet meer kan steunen, zij het bij wijze van overgang, op artikel 39/68 van de wet van 15 december 1980 (22), om het voornoemde koninklijk besluit van 19 mei 1993 te wijzigen of aan te vullen, precies doordat naar dit artikel niet uitdrukkelijk wordt verwezen in artikel 235, § 2, derde lid, van de wet van 15 september 2006.
       ( (22) Met toepassing van dit artikel komt het aan de Koning toe de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast te stellen bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. )
       Bij de huidige stand van de wetgeving beschikt de Koning dus vanaf 1 december 2006 niet meer over enige machtiging om de artikelen 51 tot 54 van het ontwerp uit te vaardigen.
       Een voorontwerp van wet " houdende diverse bepalingen " dat onlangs om advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State is voorgelegd, houdt weliswaar het voornemen in om artikel 57/24 van de wet van 15 december 1980 (23) voorlopig te herstellen, maar dit voorontwerp heeft op heden nog geen gestalte gekregen in de vorm van een wet.
       ( (23) Evenals de artikelen 57/25 tot 57/27 van dezelfde wet van 15 december 1980, die eveneens betrekking hebben op de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen (zie artikel 134 van het voorontwerp van wet " houdende diverse bepalingen " waarover op 7 en 8 november 2006 advies 41.595/2/4 uitgebracht is). )
       Uit de opmerkingen die voorafgaan volgt dat de adviesaanvraag op zijn minst te vroeg komt, in zoverre ze betrekking heeft op de artikelen 51 tot 54 van het ontworpen koninklijk besluit. Deze bepalingen zijn bijgevolg niet onderzocht in het kader van dit advies.
       Artikel 55
       In het tweede lid van paragraaf 2 is er geen overeenstemming tussen de Franse tekst, die voorziet in een kennisgeving aan de raadsman van de vreemdeling, en de Nederlandse tekst, die hierin niet voorziet.
       De Nederlandse tekst moet worden aangevuld.
       Slotopmerkingen
       1. Omwille van de leesbaarheid en, bijgevolg, van de rechtszekerheid, moeten de wetsbepalingen waarnaar het ontworpen besluit menigmaal verwijst, nauwkeuriger worden aangegeven, door in voorkomend geval de indeling en de verdere onderverdeling van het artikel waarnaar wordt verwezen te vermelden. Dit is inzonderheid het geval met de artikelen 3, § 3, en 6, eerste lid, van het ontwerp.
       2. Overeenkomstig het gebruik moet het teken " - " worden vervangen door het woord " tot " wanneer men naar een reeks artikelen wenst te verwijzen.
       3. De Franse versie van geheel het ontwerp en van het ontwerp van verslag aan de Koning vertoont tekortkomingen en vergt een grondige herziening.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
    Franstalige versie