J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 8 uitvoeringbesluiten 7 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2006/11/30/2006000958/justel

Titel
30 NOVEMBER 2006. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-12-2006 en tekstbijwerking tot 26-01-2018)

Bron : BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 01-12-2006 nummer :   2006000958 bladzijde : 66844       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2006-11-30/31
Inwerkingtreding : 01-12-2006

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1997000536        2000000553        1948082309       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Definities en werkingssfeer.
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - Het verzoekschrift.
Art. 3-6
HOOFDSTUK III. - De procedure van toelating.
Art. 7-11
HOOFDSTUK IV. - De procedure na toelating.
Afdeling I. - De voorafgaande maatregelen.
Art. 12-15
Afdeling II. - Het verslag en de onderzoeksmaatregelen.
Art. 16-17
Afdeling III. - De procedure na verslag.
Art. 18
Afdeling IV. - De verkorte procedures.
Art. 19
Afdeling V. - De verwijzingen naar de algemene vergadering.
Art. 20
Afdeling VI. - De terechtzitting.
Art. 21-24
Afdeling VII. - De tussengeschillen.
Art. 25-26
Afdeling VIII. - Het verzet, het derden-verzet en het verzoek tot herziening.
Art. 27
HOOFDSTUK V. - De kosten en [1 de rechtsbijstand]1.
Afdeling I. - De kosten.
Art. 28-32
Afdeling II. - [1 De rechtsbijstand]1.
Art. 33, 33/1, 34-36
HOOFDSTUK VI. - Algemene bepalingen.
Afdeling I. - De partijen in de zaak.
Art. 37-38
Afdeling II. - De verzendingen naar de Raad van State.
Art. 39-40
Afdeling III. - De verzendingen door de Raad van State.
Art. 41
Afdeling IIIbis. - [1 Elektronische procesvoering]1
Art. 42
Afdeling IV. - De berekening van de termijnen.
Art. 43-46
Afdeling V. - De beschikkingen en de arresten.
Art. 47-51
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.
Art. 52-58

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Definities en werkingssfeer.

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° gecoördineerde wetten : wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2° rechtscollege : administratief rechtscollege waarvan de beslissing wordt aangevochten;
  3° hoofdgriffier : hoofdgriffier van de Raad van State of de door hem aangewezen persoon;
  4° eerste voorzitter of voorzitter : korpschef die de (afdeling bestuursrechtspraak) leidt; <KB 2007-04-25/32, art. 97, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  5° staatsraad : lid van de Raad van State dat aangewezen is om het dossier te onderzoeken;
  6° auditeur : lid van het Auditoraat dat aangewezen is om het dossier te onderzoeken;
  7° algemene procedureregeling : besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de (afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State. <KB 2007-04-25/32, art. 97, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 2. Dit besluit is van toepassing op de cassatieberoepen ingesteld met toepassing van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten tegen beslissingen gewezen in betwiste zaken door een rechtscollege.

  HOOFDSTUK II. - Het verzoekschrift.

  Art. 3.§ 1. Het verzoekschrift waarbij cassatieberoep wordt ingesteld, wordt ingediend uiterlijk de dertigste dag na de kennisgeving van de bestreden beslissing.
  § 2. Het verzoekschrift, gedagtekend en ondertekend door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden bepaald in [1 artikel 19, vierde lid]1, van de gecoördineerde wetten, bevat :
  1° het opschrift " cassatieberoep ";
  2° de naam, de hoedanigheid, de nationaliteit en de woonplaats of zetel van de verzoekende partij;
  3° de woonplaatskeuze bedoeld in artikel 37, eerste lid;
  4° de naam en de hoedanigheid van de ondertekenaar van het cassatieberoep;
  5° de opgave van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld, met vermelding van de aard ervan, evenals van de datum en het nummer waaronder het bij het rechtscollege ingestelde beroep, ingeschreven is;
  6° de naam en het adres van de verwerende partij voor het rechtscollege;
  7° de opgave van de datum waarop de beslissing van het rechtscollege ter kennis is gebracht van de verzoekende partij in cassatie;
  8° een beknopt feitenrelaas;
  9° een uiteenzetting van de cassatiemiddelen;
  10° de opgave van het taalstatuut van de verzoekende partij, wanneer de wet die op haar van toepassing is, bepaald welke taal ze moet gebruiken voor de Raad van State;
  11° de in artikel 21, § 2, eerste lid, bedoelde taal voor het verhoor.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 30, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 4.Bij het verzoekschrift worden gevoegd :
  1° een kopie van de beslissing van het rechtscollege waartegen het cassatieberoep wordt ingesteld;
  2° de inventaris bedoeld in artikel 40, eerste lid;
  3° de stukken genummerd overeenkomstig de inventaris bedoeld in artikel 40, eerste lid;
  4° in de gevallen waarin de verzoekende partij een rechtspersoon is, een kopie van haar statuten [1 ...]1;
  5° de in artikel 39, derde lid, bedoelde kopieën van het verzoekschrift.
  ----------
  (1)<KB 2014-01-28/02, art. 50, 005; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 5.Wordt niet op de rol ingeschreven en wordt als niet-ingediend beschouwd ieder cassatieberoep :
  1° dat niet ondertekend is door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 19, [1 vierde lid]1, van de gecoördineerde wetten;
  2° dat, in voorkomend geval, geen woonplaatskeuze in België bevat;
  3° waarbij niet de stukken genoemd in artikel 4 zijn gevoegd.
  In geval van toepassing van het eerste lid, stuurt de hoofdgriffier een brief naar de verzoekende partij waarin hij aangeeft waarom de zaak niet op de rol wordt ingeschreven en de verzoekende partij vraagt haar beroep te regulariseren binnen vijf dagen.
  De verzoekende partij die haar beroep binnen vijf dagen na ontvangst van de in het tweede lid bedoelde vraag regulariseert, wordt geacht dit te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending ervan.
  Een beroep dat niet volledig of te laat wordt geregulariseerd, wordt niet op de rol ingeschreven.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 31, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 6.[1 Bij het inschrijven van het cassatieberoep op de rol, worden het recht en de bijdrage waarvan sprake is in artikel 66, 6°, en 70, § 1, eerste lid, 2°, van de algemene procedureregeling voldaan overeenkomstig artikel 71 van dezelfde regeling met dien verstande dat bij niet-betaling geen advies van het auditoraat vereist is.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 32, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  HOOFDSTUK III. - De procedure van toelating.

  Art. 7.[2 Nadat het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, van de algemene procedureregeling overeenkomstig artikel 6 zijn betaald]2, verzoekt de hoofdgriffier, met alle middelen en tegen ontvangstmelding, het rechtscollege [2 hem]2 het dossier van de zaak toe te sturen.
  Het rechtscollege stuurt, met alle middelen en tegen ontvangstmelding, het dossier van de zaak toe binnen twee werkdagen. Het stuurt ook een [1 ...]1 kopie van de bestreden beslissing toe, [1 ...]1.
  ----------
  (1)<KB 2014-01-13/03, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 01-02-2014>
  (2)<KB 2017-12-25/29, art. 33, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 8. De eerste voorzitter of de voorzitter wijst de zaak onverwijld toe.

  Art. 9. De hoofdgriffier verstuurt het verzoekschrift en het dossier onverwijld naar de staatsraad die, bij wege van beschikking en zonder terechtzitting, uitspraak doet over de toelaatbaarheid van het beroep.

  Art. 10. In de gevallen genoemd in artikel 92, § 2, van de gecoördineerde wetten maakt de eerste voorzitter of de voorzitter de zaak bij beschikking aanhangig bij de verenigde kamers of bij de algemene vergadering van de (afdeling bestuursrechtspraak), waarbij deze uiterlijk binnen acht dagen na deze aanhangigmaking worden bijeengeroepen. <KB 2007-04-25/32, art. 97, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 11. De beschikking van niet-toelaatbaarheid sluit de procedure onherroepelijk af.
  De hoofdgriffier brengt de beschikking van niet-toelaatbaarheid onverwijld ter kennis van de partijen.
  De hoofdgriffier deelt de beschikking van niet-toelaatbaarheid mee aan het rechtscollege en bezorgt tegelijkertijd het dossier van de zaak terug aan het rechtscollege. Hij voegt daarbij een kopie van het verzoekschrift.

  HOOFDSTUK IV. - De procedure na toelating.

  Afdeling I. - De voorafgaande maatregelen.

  Art. 12. De hoofdgriffier brengt de beschikking van toelaatbaarheid ter kennis van de partijen en brengt hen ervan op de hoogte dat het dossier van de zaak is neergelegd. Bij de kennisgeving bestemd voor de verwerende partij wordt een kopie van het verzoekschrift gevoegd.
  De hoofdgriffier bezorgt onverwijld een kopie van het verzoekschrift en van de beschikking van toelaatbaarheid aan de auditeur-generaal, die erop toeziet dat de voorafgaande maatregelen worden uitgevoerd. Hij wijst daartoe een auditeur aan.
  Op basis van de aanwijzingen van de auditeur, brengt de hoofdgriffier het verzoekschrift ter kennis van de bij de zaak voor het rechtscollege betrokken partijen, met uitzondering van die genoemd in het eerste lid, en die belang hebben om tussen te komen.
  De hoofdgriffier zendt het rechtscollege de beschikking van toelaatbaarheid en het verzoekschrift ter informatie toe.

  Art. 13. De verwerende partij beschikt over dertig dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving bedoeld in artikel 12, eerste lid, om de griffie een memorie van antwoord toe te zenden.

  Art. 14. De hoofdgriffier bezorgt een kopie van de memorie van antwoord aan de verzoekende partij, die over dertig dagen beschikt om de griffie een memorie van wederantwoord toe te zenden.
  Indien er niet tijdig een memorie van antwoord wordt ingediend, brengt de hoofdgriffier de verzoekende partij ervan op de hoogte dat ze de memorie van wederantwoord mag vervangen door een toelichtende memorie bij het verzoekschrift.
  De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie.
  De hoofdgriffier brengt de memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie ter kennis van de verwerende partij.

  Art. 15. § 1. Voor de toepassing van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, brengt de hoofdgriffier, op verzoek van de auditeur, de partijen ter kennis dat de staatsraad bij zijn uitspraak de ontstentenis van het vereiste belang zal vaststellen, tenzij één van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord.
  Indien geen van de partijen vraagt om gehoord te worden, stelt de staatsraad bij zijn uitspraak de ontstentenis vast van het vereiste belang.
  Indien een partij vraagt om gehoord te worden, roept de staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. De staatsraad doet, nadat hij de partijen en het advies van de auditeur heeft gehoord, onverwijld uitspraak over de ontstentenis van het vereiste belang.
  § 2. Wanneer de hoofdgriffier de memorie van antwoord ter kennis brengt van de verzoekende partij of wanneer hij haar ter kennis brengt dat binnen de voorziene termijn geen dergelijke memorie is ingediend, maakt hij melding van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, alsook van paragraaf 1 van dit artikel.

  Afdeling II. - Het verslag en de onderzoeksmaatregelen.

  Art. 16. Nadat de voorafgaande maatregelen zijn uitgevoerd, maakt de auditeur een verslag op waarin hij een standpunt inneemt over de beslechting van het geschil.
  Te dien einde voert hij rechtstreeks briefwisseling met alle overheden en kan hij zowel aan deze als aan de partijen alle dienstige gegevens en documenten vragen. De artikelen 16 tot 25 van de algemene procedureregeling zijn van toepassing.
  Dit gedagtekend en ondertekend verslag wordt aan de kamer bezorgd.

  Art. 17. Elk aanvullend verslag bedoeld in artikel 24 van de gecoördineerde wetten, wordt gedagtekend en ondertekend aan de kamer bezorgd.

  Afdeling III. - De procedure na verslag.

  Art. 18.§ 1. Wanneer de auditeur concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is of moet worden verworpen, brengt de hoofdgriffier het verslag ter kennis van de verzoekende partij, die dertig dagen de tijd heeft om te vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord.
  Indien de verzoekende partij niet vraagt om te worden gehoord, bezorgt de hoofdgriffier het dossier aan de kamer, opdat deze de afstand van geding kan toewijzen, overeenkomstig artikel 21, [1 zevende lid]1, van de gecoördineerde wetten. Het verslag van de auditeur wordt samen met het arrest ter kennis gebracht van de partijen die het nog niet zouden hebben ontvangen.
  Indien de verzoekende partij vraagt om te worden gehoord, bepaalt de staatsraad bij beschikking de datum waarop de partijen moeten verschijnen.
  De hoofdgriffier maakt melding van deze paragraaf bij de kennisgeving, aan de verzoekende partij, van het verslag waarin wordt geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk is of moet worden verworpen.
  § 2. Wanneer de auditeur niet concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is of moet worden verworpen, bepaalt de kamervoorzitter of de staatsraad die hij aanwijst meteen bij beschikking de datum van de terechtzitting waarop het beroep zal worden behandeld.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Afdeling IV. - De verkorte procedures.

  Art. 19. Wanneer blijkt dat het beroep doelloos is geworden of slechts korte debatten vereist, bezorgt de auditeur zijn verslag onmiddellijk aan de kamer.
  De staatsraad roept de verzoeker, de verwerende partij en de tussenkomende partij op om op korte termijn te verschijnen.
  Indien de staatsraad het eens is met de conclusies van het verslag van de auditeur, wordt de zaak definitief beslecht. In het tegenovergestelde geval, wordt de procedure voortgezet overeenkomstig de artikelen 13 tot 18.

  Afdeling V. - De verwijzingen naar de algemene vergadering.

  Art. 20. Wanneer de staatsraad van oordeel is dat met het oog op een eenvormige rechtspraak een verwijzing naar de algemene vergadering van de (afdeling bestuursrechtspraak) noodzakelijk is, brengt hij de eerste voorzitter of de voorzitter daarvan onverwijld op de hoogte. <KB 2007-04-25/32, art. 97, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De eerste voorzitter of de voorzitter beslist of er aanleiding is om de verwijzing naar de algemene vergadering te bevelen.
  Indien het verslag over de zaak reeds is opgemaakt, maakt de eerste voorzitter of de voorzitter de zaak aanhangig bij de algemene vergadering van de (afdeling bestuursrechtspraak) bij beschikking waarin deze binnen een minimumtermijn van vijftien dagen wordt bijeengeroepen en waarbij de staatsraad wordt aangewezen die belast is met de verslaggeving op de terechtzitting. Indien er nog geen verslag is opgemaakt, wordt te werk gegaan overeenkomstig de artikelen 13 tot 18 voordat enige oproeping voor de terechtzitting wordt gedaan. <KB 2007-04-25/32, art. 97, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Er wordt te werk gegaan overeenkomstig het derde lid in de gevallen bedoeld in artikel 92, § 1, tweede en derde lid, van de gecoördineerde wetten.

  Afdeling VI. - De terechtzitting.

  Art. 21. § 1. De hoofdgriffier brengt de beschikking tot bepaling van de rechtsdag ten minste vijftien dagen vóór de datum van de terechtzitting ter kennis van de auditeur, alsook van alle partijen.
  Bij de oproeping van de partijen worden de processtukken gevoegd die ze nog niet in hun bezit zouden hebben.
  § 2. Wanneer de in het verzoekschrift vermelde taal voor het verhoor niet het Nederlands, het Frans of het Duits is en de verzoekende partij niet het Nederlands of het Frans heeft gekozen als taal voor het onderzoek van haar asielaanvraag door het bestuur, roept de hoofdgriffier een tolk op indien de kamer beslist deze partij te horen.
  De tolkkosten worden bepaald overeenkomstig de artikelen 73 tot 75 van de algemene procedureregeling.

  Art. 22. De terechtzittingen van de kamer die zitting houdt krachtens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten zijn openbaar.
  De kamer kan, ambtshalve of op verzoek van één de partijen, bevelen dat de zaak met gesloten deuren wordt behandeld wanneer openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de zeden, wanneer enig ander wettig belang zulks vereist of wanneer het dossier stukken bevat die vertrouwelijk zijn bevonden.
  De behandeling met gesloten deuren wordt bevolen bij een gemotiveerde beslissing.

  Art. 23. De debatten worden geleid door de kamervoorzitter of de staatsraad die hem vervangt.
  De aanwezigen wonen de zitting bij met onbedekt hoofd, eerbiedig en in stilte.
  Hetgeen de kamervoorzitter of de hem vervangende staatsraad met het oog op de handhaving van de orde beveelt, wordt stipt en terstond uitgevoerd.
  Dezelfde voorschriften worden nageleefd in de plaatsen waar, hetzij de staatsraden, hetzij de auditeurs de functies van hun ambt waarnemen.

  Art. 24. Een andere staatsraad dan degene die eventueel de onderzoeksverrichtingen heeft gesteld, vat de toedracht van de zaak en de middelen van de partijen samen.
  De partijen en hun advocaten kunnen mondelinge opmerkingen naar voren brengen.
  Geen andere middelen mogen worden aangevoerd dan die welke, al naar het geval, in het verzoekschrift of in de memories zijn uiteengezet.
  De staatsraad en de auditeur stellen de vragen die nodig zijn voor het advies en het arrest.
  Aan het einde van de debatten geeft de auditeur zijn advies over de zaak.
  De kamervoorzitter of de hem vervangende staatsraad verklaart daarna de debatten voor gesloten en neemt de zaak in beraad.

  Afdeling VII. - De tussengeschillen.

  Art. 25. Wat de tussengeschillen betreft, wordt te werk gegaan overeenkomstig de artikelen 51 en 55 tot 65 van de algemene procedureregeling.

  Art. 26.De bij de zaak voor het rechtscollege betrokken partijen, met uitzondering van die genoemd in artikel 12, eerste lid, mogen in het geding tussenkomen overeenkomstig artikel 21bis van de gecoördineerde wetten. [1 Het recht waarvan sprake is in artikel 70, § 2, van de algemene procedureregeling wordt voldaan overeenkomstig artikel 71 van dezelfde regeling.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-30/02, art. 10, 006; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Afdeling VIII. - Het verzet, het derden-verzet en het verzoek tot herziening.

  Art. 27.De artikelen 40 tot 50sexies van de algemene procedureregeling zijn van toepassing. [1 Het recht waarvan sprake is in artikel 70, § 1, 3°, van de algemene procedureregeling wordt voldaan overeenkomstig artikel 71 van dezelfde regeling.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-30/02, art. 11, 006; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  HOOFDSTUK V. - De kosten en [1 de rechtsbijstand]1.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 35, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Afdeling I. - De kosten.

  Art. 28.De kosten omvatten :
  1° [1 de rechten waarvan sprake is [3 in artikel 66, 1°,]3 van de algemene procedureregeling]1
  2° de honoraria en voorschotten van de deskundigen;
  3° het getuigengeld.
  [1 4° de verblijf- en reiskosten veroorzaakt door onderzoeksdaden;]1
  [2 5° de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten;]2
  [3 6° de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.]3
  ----------
  (1)<KB 2014-01-30/02, art. 12, 006; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<KB 2014-03-28/04, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 02-04-2014>
  (3)<KB 2017-12-25/29, art. 36, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 29.Is het beroep ingediend door een privaatrechtelijk persoon, dan kan de Raad van State de consignatie van een voorschot gelasten om de honoraria en voorschotten van de deskundigen en het getuigengeld te dekken.
  Is het beroep ingediend door een publiekrechtelijk persoon, dan worden [1 de in artikel 70 van de algemene procedureregeling bedoelde rechten en de in artikel 28, 6°, bedoelde bijdrage in debet begroot, en worden]1 de honoraria en voorschotten van de deskundigen en het getuigengeld door de federale overheidsdienst Financiën voorgeschoten en als uitgaven in de rekeningen ten bezware van de begroting van de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken geboekt.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 37, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 30. De Raad van State begroot de kosten en doet uitspraak over de bijdrage in de betaling ervan in de beschikking van niet-toelaatbaarheid of in het eindarrest.

  Art. 31.De federale overheidsdienst Financiën vordert de inning van de door de hoofdgriffier in debet begrote rechten [1 en de in debet begrote bijdrage bedoeld in artikel 28, 6°,]1 en van de andere kosten die deze dienst heeft voorgeschoten.
  Te dien einde zendt de hoofdgriffier aan [1 de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en invordering van de niet fiscale schuldvorderingen]1 een afschrift van de beschikking van niet-toelaatbaarheid of van het eindarrest, samen met een omstandige opgave van de in te vorderen bedragen.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 38, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 32.[1 De artikelen 67, 72 tot 77, en 84/1]1 van de algemene procedureregeling zijn van toepassing.
  ----------
  (1)<KB 2014-03-28/04, art. 7, 007; Inwerkingtreding : 02-04-2014>

  Afdeling II. - [1 De rechtsbijstand]1.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 39, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 33.Iedere partij kan het voordeel van [2 de rechtsbijstand]2 vragen voor de honoraria, voorschotten of rechten bedoeld in artikel 28, [1 1, 2, 3° en 4°]1.
  Het voordeel van [2 de rechtsbijstand]2 kan worden toegekend aan :
  1° iedere persoon die bijstand ontvangt van een centrum dat maatschappelijke hulp verstrekt op overlegging van een attest van dit centrum;
  2° iedere persoon die opgesloten, gevangen gehouden of vastgehouden wordt op een bepaalde plaats;
  3° iedere minderjarige op overlegging van een identiteitsbewijs of van enig ander document dat zijn staat bewijst;
  4° iedere persoon die aantoont dat hij juridische tweedelijnsbijstand ontvangt in de zin van artikel 508/1 van het Gerechtelijk Wetboek;
  5° iedere andere persoon die aan de hand van bewijskrachtige documenten bewijst dat zijn inkomsten ontoereikend zijn.
  ----------
  (1)<KB 2014-01-30/02, art. 14, 006; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<KB 2017-12-25/29, art. 40, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 33/1.[1 Voor cassatieberoepen [2 wordt de rechtsbijstand van rechtswege toegestaan wanneer]2 daartoe besloten is door het rechtscollege dat de bestreden beslissing heeft genomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-30/02, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<KB 2017-12-25/29, art. 41, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 34.De kamervoorzitter bij dewelke de zaak aanhangig is of de staatsraad die hij aanwijst, doet zonder rechtspleging uitspraak over [1 het verzoek tot rechtsbijstand]1.
  Zo daartoe grond bestaat hoort hij de partijen.
  Zijn beslissing is niet vatbaar voor enig beroep.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 42, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 35.De kamervoorzitter bij dewelke de zaak aanhangig is of de staatsraad die hij aanwijst, kan [1 de rechtsbijstand]1 toestaan voor de door hem te bepalen akten en verrichtingen.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 43, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 36.[1 Als de rechtsbijstand wordt toegestaan, worden de rechten waarvan sprake is in artikel 28, 1°, door de hoofdgriffier in debet begroot en de kosten waarvan sprake is in artikel 28, 2° tot 4°, worden ten voordele van de aanvrager door de Federale Overheidsdienst Financiën voorgeschoten en als uitgaven in de rekeningen ten bezware van de begroting van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken geboekt.
   De beschikking waarbij de rechtsbijstand wordt toegestaan, geldt als betaling van het recht bedoeld in artikel 70, §§ 1 tot 3, van de algemene procedureregeling wat betreft het verrichten van de proceshandelingen voor de Raad van State.
   Ingeval het verzoek tot rechtsbijstand afgewezen wordt, beschikt de aanvrager daarvan over een termijn van dertig dagen vanaf de ontvangst van de beschikking die het verzoek tot rechtsbijstand afwijst om het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 28, 6°, overeenkomstig artikel 71, van de algemene procedureregeling te betalen, met dien verstande dat bij niet-betaling het advies van het auditoraat enkel vereist is nadat het cassatieberoep toelaatbaar werd verklaard."
   Met het oog op de invordering van de in debet begrote rechten en van de andere kosten, doet de hoofdgriffier aan de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en invordering van de niet fiscale schuldvorderingen een afschrift van de beschikking van niet-toelaatbaarheid of het eindarrest toekomen, samen met een omstandige opgave van de in te vorderen bedragen.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 44, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  HOOFDSTUK VI. - Algemene bepalingen.

  Afdeling I. - De partijen in de zaak.

  Art. 37. Met uitzondering van de administratieve overheden, kiest elke partij in een cassatieprocedure in haar eerste processtuk woonplaats in België.
  Die woonplaatskeuze geldt voor alle daaropvolgende processtukken.
  Elke wijziging van de woonplaatskeuze wordt uitdrukkelijke geformuleerd en voor elk beroep afzonderlijk en bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de hoofdgriffier, met vermelding van het volledige rolnummer van het beroep waarop de wijziging betrekking heeft.
  Bij overlijden van een partij, en behalve bij hervatting van het geding, worden alle mededelingen en kennisgevingen van de Raad van State rechtsgeldig gedaan op de gekozen woonplaats van de overledene ter attentie van de gezamenlijke rechtverkrijgenden, zonder vermelding van de namen en hoedanigheden.

  Art. 38.Het dossier van de zaak ligt voor de partijen en hun advocaten ter inzage op de griffie.
  [1 Wanneer stukken vertrouwelijk worden behandeld door het rechtscollege dat de bestreden beslissing heeft genomen, blijven zij dit ook voor de Raad van State.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-05-24/08, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 25-06-2011>

  Afdeling II. - De verzendingen naar de Raad van State.

  Art. 39.Alle processtukken en andere stukken worden bij ter post aangetekende brief naar de Raad van State verzonden.
  Alle processtukken die, in de loop van het geding, buiten termijn toekomen, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.
  Bij elk processtuk worden zes kopieën gevoegd die door de ondertekenaar eensluidend zijn verklaard.
  [1 Vierde en vijfde lid opgeheven.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-13/03, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-02-2014>

  Art. 40. Elk processtuk van de partijen gaat vergezeld van een inventaris waarin, voor elk bijgevoegd stuk, het nummer van de bijlage en een korte beschrijving van de aard ervan wordt aangegeven. De inventaris wordt ter kennis gebracht samen met het processtuk waarop hij betrekking heeft.
  Elke verwijzing, in de processtukken van de partijen, naar een overgelegd stuk, vermeldt het nummer waaronder de bijlage geďnventariseerd is en het processtuk waarbij de bijlage is gevoegd.
  De Raad van State kan te allen tijde, na de toelating van het cassatieberoep, een partij verzoeken haar processtukken in overeenstemming te brengen met het tweede lid binnen de door de Raad van State gestelde termijn.

  Afdeling III. - De verzendingen door de Raad van State.

  Art. 41. Alle kennisgevingen, mededelingen en oproepingen door de griffie worden rechtsgeldig gedaan op de gekozen woonplaats.
  De verzending van de processtukken door de Raad van State, alsook de kennisgevingen, mededelingen en oproepingen geschieden bij ter post aangetekend schrijven met ontvangstmelding; tenzij anders bepaald in de wet of in dit besluit, kunnen die zendingen evenwel bij gewone brief worden verstuurd, wanneer de ontvangst ervan geen termijn doet ingaan.

  Afdeling IIIbis. - [1 Elektronische procesvoering]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-13/03, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-02-2014>

  Art. 42.[1 Artikel 85bis van het algemeen procedurereglement is van toepassing met dien verstande dat men moet vervangen :
   1° in § 5, de verwijzing naar artikel 1 door een verwijzing naar artikel 3, § 2, van onderhavig besluit;
   2° in §§ 8 en 9, de verwijzingen naar artikel 3bis door de verwijzingen naar artikel 5 van onderhavig besluit;
   3° in §§ 11, 13 et 14, de verwijzingen naar artikel 84 door de verwijzingen naar artikel 39 van onderhavig besluit;
   4° in § 13, alinea 5, de verwijzingen naar de artikelen 36 en 37 door de verwijzingen naar de artikelen 49 en 50 van onderhavig besluit;
   5° in § 12, de verwijzing naar artikel 87, § 2 door een verwijzing naar artikel 38, tweede lid, van onderhavig besluit.
   De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing op het rechtscollege dat het aangevochten arrest heeft gewezen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-13/03, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 01-02-2014>

  Afdeling IV. - De berekening van de termijnen.

  Art. 43. De dag van de akte die het uitgangspunt is van een termijn wordt er niet in begrepen.
  De vervaldag wordt in de termijn gerekend.
  Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag.

  Art. 44. Alvorens overeenkomstig artikel 37 woonplaats is gekozen, worden de in dit besluit genoemde termijnen verlengd met dertig dagen voor personen die in een land van Europa verblijven dat niet aan België grenst en met negentig dagen voor personen die buiten Europa verblijven.

  Art. 45. De bij dit besluit bedoelde termijnen lopen tegen de minderjarigen, de ontzette personen en andere onbekwamen.
  De Raad van State kan dezen nochtans van het verval ontheffen wanneer het vaststaat dat hun vertegenwoordiging niet tijdig was verzekerd vóór het verstrijken der termijnen.

  Art. 46. In spoedeisende gevallen kan de kamer waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, na advies van de auditeur, bevelen om de voor de proceshandelingen voorgeschreven termijnen te verkorten.

  Afdeling V. - De beschikkingen en de arresten.

  Art. 47. De beschikkingen van niet-toelaatbaarheid en de arresten worden gemotiveerd. Deze beschikkingen dienen bondig gemotiveerd te zijn.
  Enkel de arresten worden uitgesproken in openbare terechtzitting.

  Art. 48. De beschikkingen van toelaatbaarheid, de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid en de arresten bevatten het dictum en de volgende vermeldingen :
  1° de naam, verblijfplaats of zetel van de partijen en de naam en hoedanigheid van de persoon die hen vertegenwoordigt of bijstaat;
  2° de toepasselijke bepalingen over het gebruik van de talen;
  3° de datum en de naam van de staatsraad of van de staatsraden die erover hebben beraadslaagd;
  4° in voorkomend geval, de gekozen woonplaats.
  De beschikkingen van niet-toelaatbaarheid en de arresten bevatten tevens de motieven waarop het dictum gebaseerd is.
  De arresten bevatten bovendien de volgende vermeldingen :
  1° de oproeping van de partijen, van hun advocaten, alsook hun eventuele aanwezigheid op de terechtzitting;
  2° de mededeling of het advies van de auditeur al dan niet eensluidend is met het arrest;
  3° dat uitspraak is gedaan in openbare terechtzitting.

  Art. 49.De beschikkingen en de arresten worden ondertekend door de kamervoorzitter of door de staatsraad belast met de zaak, alsmede door de [1 griffier]1.
  De hoofdgriffier brengt de beschikkingen en de arresten ter kennis van de partijen.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 45, 008; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 50. De beschikkingen van niet-toelaatbaarheid en de arresten zijn van rechtswege uitvoerbaar. De Koning zorgt voor de uitvoering ervan.
  De hoofdgriffier vermeldt op de expedities, na het dictum, en naargelang van het geval, één van de hierna volgende uitvoeringsformulieren :
  " De Ministers en de administratieve overheden, wat hen aangaat, zijn gehouden te zorgen voor de uitvoering van dit arrest. De daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarders zijn gehouden hiertoe hun medewerking te verlenen wat betreft de dwangmiddelen van gemeen recht. ";
  " De Ministers en de administratieve overheden, wat hen aangaat, zijn gehouden te zorgen voor de uitvoering van deze beschikking. De daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarders zijn gehouden hiertoe hun medewerking te verlenen wat betreft de dwangmiddelen van gemeen recht. ";
  " Les Ministres et autorités administratives, en ce qui les concerne, sont tenus de pourvoir ŕ l'exécution du présent arręt. Les huissiers de justice ŕ ce requis ont ŕ y concourir en ce qui concerne les voies de droit commun. ";
  " Les Ministres et autorités administratives, en ce qui les concerne, sont tenus de pourvoir ŕ l'exécution de la présente ordonnance. Les huissiers de justice ŕ ce requis ont ŕ y concourir en ce qui concerne les voies de droit commun. ";
  " Die Minister und die Verwaltungsbehörden haben, was sie anbetrifft, für die Vollstreckung der vorliegenden Anordnung zu sorgen. Die dazu angeforderten Gerichtsvollzieher haben betreffs der gemeinrechtlichen Zwangmittel ihren Beistand zu leisten. ";
  " Die Minister und die Verwaltungsbehörden haben, was sie anbetrifft, für die Vollstreckung dieses Beschlusses zu sorgen. Die dazu angeforderten Gerichtsvollzieher haben betreffs der gemeinrechtlichen Zwangmittel ihren Beistand zu leisten. "
  De expedities worden afgeleverd door de hoofdgriffier, die ze ondertekent en het zegel van de Raad van State erop aanbrengt.

  Art. 51. In geval van cassatie wordt in voorkomend geval de zaak verwezen naar het rechtscollege waarvan de beslissing is verbroken.
  De hoofdgriffier stuurt een expeditie van het arrest met het dossier naar het rechtscollege. In geval van verwijzing wordt de zaak van rechtswege aanhangig gemaakt bij het rechtscollege.
  Het arrest wordt overgeschreven in de registers van het rechtscollege waarvan de beslissing is verbroken; melding ervan wordt gemaakt op de kant van de verbroken beslissing.

  HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.

  Art. 52. Artikel 17, 2°, in zoverre het de kosten en uitgaven betreft, tot 4°, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen treedt in werking op 1 december 2006 wat betreft de beroepen bedoeld in artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten.

  Art. 53. Artikel 38 van de algemene procedureregeling wordt opgeheven.

  Art. 54. In het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het opschrift worden de woorden " van de arresten " vervangen door de woorden " van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid ";
  2° in artikel 1 worden de woorden " van de arresten " vervangen door de woorden " van de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid in cassatie en van de arresten " en worden de woorden " van de wet van 15 december 1980 " vervangen door de woorden " van de wetten ";
  3° artikel 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
  " Iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt kan op elk moment van de rechtspleging en, in voorkomend geval, totdat de debatten gesloten worden, eisen dat bij de publicatie van de beschikking van niet-toelaatbaarheid of van het arrest de identiteit van de natuurlijke personen niet mede wordt gepubliceerd. ";
  4° in artikel 2, tweede lid, worden de woorden " van het arrest " vervangen door de woorden " van de beschikking van niet-toelaatbaarheid of van het arrest ";
  5° in artikel 3, eerste lid, wordt het woord " arresten " vervangen door de woorden " beschikkingen van niet-toelaatbaarheid of arresten " en worden de woorden " de voormelde wet van 15 december 1980 " vervangen door de woorden " de wetten bedoeld in artikel 1 ";
  6° in de artikelen 4 en 6 worden de woorden " de arresten " vervangen door de woorden " de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid of de arresten ".

  Art. 55. In het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen worden opgeheven :
  1° artikel 2, 4°;
  2° artikel 31;
  3° in artikel 39, de woorden " of cassatieberoepen ".

  Art. 56. Dit besluit is van toepassing op de cassatieberoepen ingesteld vanaf 1 december 2006.
  De artikelen 3 tot 6 zijn evenwel niet van toepassing op de cassatieberoepen die vanaf 1 december 2006 zijn ingesteld tegen rechterlijke beslissingen die vóór die datum ter kennis zijn gebracht.

  Art. 57. Dit besluit treedt in werking op 1 december 2006.

  Art. 58. Onze Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en Onze Minister bevoegd voor Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 30 november 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
D. REYNDERS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 20, § 3, derde lid, en § 5, opgeheven bij de wet van 24 maart 1994 en opnieuw opgenomen bij de wet van 15 september 2006, op artikel 28, gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, en op artikel 30, vervangen door de wet van 17 oktober 1990 en gewijzigd door de wetten van 4 augustus 1996, 18 april 2000, 2 augustus 2002, 17 februari 2005 en 15 september 2006;
   Gelet op de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, inzonderheid op artikel 243, tweede lid;
   Gelet op het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State;
   Gelet op het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State;
   Gelet op het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 14 november 2006;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 24 november 2006;
   Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 1 december 2006 in werking treedt en dat de betrokken rechtsonderhorigen tijdig op de hoogte moeten worden gesteld van de bepalingen van onderhavig besluit en dat er derhalve zo spoedig mogelijk met het oog op de rechtszekerheid voor de rechtzoekende en de goede werking van het hoog administratief rechtscollege duidelijkheid wordt gecreëerd betreffende de cassatie-procedure bij de Raad van State;
   Gelet op advies 41.773/AV van de Raad van State, gegeven op 28 november 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Financiën, en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Erratum Tekst Begin

originele versie
2007000360
PUBLICATIE :
2007-05-04
bladzijde : 23745

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-12-2017 GEPUBL. OP 26-01-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 5; 6; 7; 18; 28; 29; 31; 33; 33/1; 34; 35; 36; 49)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-03-2014 GEPUBL. OP 02-04-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 28; 32)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-01-2014 GEPUBL. OP 03-02-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 26; 27; 28; 32; 33; 33/1; 36)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-01-2014 GEPUBL. OP 03-02-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 4)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-01-2014 GEPUBL. OP 16-01-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 42; 7; 39)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-05-2011 GEPUBL. OP 15-06-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 38)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-04-2007 GEPUBL. OP 30-04-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 10; 20)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING.
       Sire,
       I. Algemene opmerkingen.
       Dit ontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State werd met toepassing van artikel 6 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgesteld door de afdeling wetgeving van de Raad van State, op basis van de nieuwe bepalingen van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
       De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft een ontwerp besluit voorgesteld dat zonder onderscheid van toepassing is op alle cassatieberoepen en inzonderheid beoogt :
       1) de procedure die van toepassing is voor de wijze waarop de beroepen in cassatie worden ingesteld en op de rol worden ingeschreven;
       2) het onderzoek ten gronde van de toelaatbaar verklaarde beroepen;
       3) de wijze waarop de in artikel 30, nieuwe §§ 5 tot 7, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde rechten worden geďnd;
       4) de regels betreffende de kennisgeving, niet alleen van de tussenarresten of eindarresten in het kader van de cassatieprocedure, maar ook van de beschikkingen, zowel de beschikkingen van toelaatbaarheid van de beroepen als de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid ervan.
       Bovendien is er voor de inwerkingtreding van de bepalingen van de wet van 15 september 2006 betreffende het vaststellen van de termijn van beroep en het bepalen van de procedureregels die van toepassing zijn op de behandeling ten gronde van de toelaatbaar verklaarde cassatieberoepen, eveneens voor gekozen verscheidene machtigingen die bij artikel 17 van de wet van 15 september 2006 in artikel 30 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zijn opgenomen, en die eveneens toepassing vinden in het kader van de administratieve cassatie, reeds op 1 december 2006 in werking te laten treden, doch uitsluitend wat de administratieve cassatie betreft. Het gaat meer bepaald om artikel 30, § 1, nieuw laatste lid (mogelijkheid om een kortere termijn van verjaring van het cassatieberoep te bepalen, zonder dat deze minder dan vijftien dagen mag bedragen) en artikel 30, gewijzigde § 2, eerste lid (mogelijkheid om algemene procedureregels vast te stellen voor het behandelen van verzoekschriften die enkel korte debatten met zich meebrengen) van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
       Deze diverse machtigingen hebben weliswaar ook betrekking op de procedure inzake de behandeling van de annulatieberoepen voor de Raad van State, maar er is van uitgegaan dat het verkieslijk was ze voor de behandeling van die beroepen eerst in werking te laten treden naar aanleiding van een algemene herziening van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State (algemeen procedurereglement - APR) die eveneens de andere wijzigingen zal behelzen die noodzakelijk zijn geworden door andere bepalingen van de wet van 15 september 2006.
       Deze werkwijze stemt overigens overeen met artikel 232 van de wet van 15 september 2006 waarbij, zoals uiteengezet is in de bespreking van artikel 55 van het ontwerp, het behoud van de huidige regels voor het behandelen van de beroepen die bij de Raad van State worden ingesteld tegen individuele beslissingen genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen alleen verplicht wordt gesteld wat de beroepen tot nietigverklaring en tot schorsing betreft, maar niet wat de cassatieberoepen betreft.
       De vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State noodzaakt om andere besluiten te wijzigen :
       1° het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State (APR) behoort aldus te worden gewijzigd dat daarin niet meer wordt verwezen naar de administratieve cassatie. Artikel 38 van dat besluit dient bijgevolg te worden opgeheven;
       2° het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (procedurebesluit vreemdelingen - PRV), dient eveneens aldus te worden gewijzigd dat het, tijdens de overgangsperiode waarin het krachtens artikel 232 van de wet van 15 september 2006 van toepassing blijft, alleen nog betrekking heeft op de beroepen tot nietigverklaring en de vorderingen tot schorsing ingesteld tegen de individuele beslissingen die genomen zijn met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
       3° het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State dient eveneens aldus te worden gewijzigd dat met toepassing van artikel 28, derde lid, nieuw, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 15, 2°, van de wet van 15 september 2006, wordt bepaald in welke gevallen, in welke vorm en onder welke voorwaarden de beschikkingen uitgesproken in het kader van de toelaatbaarheidsfase van de cassatieberoepen gepubliceerd worden.
       II. Artikelsgewijze bespreking.
       Aanhef.
       1. De rechtsgrond van het voorontwerp.
       De tekst van het ontwerp vindt een rechtsgrond in artikel 20, §§ 3, derde lid, en 5, artikel 28 en artikel 30 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals ze voortvloeien uit inzonderheid de wet van 15 september 2006, alsook in artikel 243, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
       In artikel 20, § 3, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt voorgeschreven dat de Koning bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels bepaalt voor de kennisgeving van de beschikkingen van toelaatbaarheid en van niet toelaatbaarheid. Wat die beschikkingen betreft, is die bepaling de rechtsgrond van de artikelen 11, 12, 41, 42 en 49 van het ontwerp.
       In artikel 20, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt voorgeschreven dat de Koning op dezelfde wijze de procedure bepaalt voor het onderzoek van de toelaatbaarheid van de cassatieberoepen. Die bepaling is de rechtsgrond van de artikelen 7 tot 12 van het ontwerp.
       Artikel 28, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State schrijft voor dat bij een koninklijk besluit wordt bepaald volgens welke nadere regels de arresten aan de partijen ter kennis worden gebracht. Die bepaling ligt ten grondslag aan de artikelen 41, 42 en 49 van het ontwerp, voor zover daarin onderscheiden aspecten van de kennisgeving van de arresten worden geregeld.
       Krachtens artikel 28, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt de Koning de vorm waarin en de voorwaarden waaronder de arresten en beschikkingen bekendgemaakt worden. Die bepaling is de rechtsgrond van artikel 54 van het ontwerp.
       Bij artikel 30, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt de Koning ertoe gemachtigd te bepalen volgens welke nadere regels de kosten en uitgaven moeten worden voldaan. Die bepaling is de rechtsgrond van de artikelen 6 en 28 tot 36 van het ontwerp. Om die reden wordt in artikel 52 voorgesteld om, voor de cassatieberoepen, artikel 17, 2°, van de wet van 15 september 2006 in werking te laten treden wat die kosten en uitgaven betreft. Artikel 30,
       § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State biedt de Koning de mogelijkheid om voor het indienen van de cassatieberoepen een termijn van minder dan zestig dagen te bepalen. Die bepaling is onontbeerlijk voor het aannemen van artikel 3, § 1, van het ontwerp. Om die reden zou artikel 17, 3°, van de wet van 15 september 2006 in werking moeten treden wat de cassatieberoepen betreft. Dat is een van de onderwerpen van het voormelde artikel 52 van het ontwerp.
       Bij artikel 30, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt aan de Koning de bevoegdheid verleend om een procedure met korte debatten te regelen. Die bepaling ligt ten grondslag aan artikel 19 van het ontwerp. Bijgevolg dient artikel 17, 4°, van de wet van 15 september 2006 ook in werking te treden voor de cassatieberoepen.
       In artikel 30, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt aan de Koning de bevoegdheid opgedragen om te bepalen welke procedure door de afdeling Administratie moet worden gevolgd voor het onderzoek, wat de zaak ten gronde betreft, van de cassatieberoepen waarvan sprake is in artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten. Die bepaling vormt, in het geheel genomen, de rechtsgrond van alle overige bepalingen van het ontwerp.
       In de aanhef dient ook melding te worden gemaakt van artikel 243, tweede lid, van de wet van 15 september 2006, waarbij de Koning er inzonderheid toe gemachtigd wordt artikel 17, 2°, voor zover die bepaling betrekking heeft op de kosten en uitgaven, en artikel 17, 4°, van de wet van 15 september 2006 in werking te laten treden.
       2. Vermelding van de gewijzigde of opgeheven besluiten.
       Overeenkomstig hetgeen in de wetgevingstechniek gebruikelijk is, moet in de aanhef ook melding gemaakt worden van de besluiten die bij het voorontwerp worden gewijzigd.
       3. Voordragende Ministers.
       Aan de Minister van Binnenlandse Zaken is de Minister van Financiën toegevoegd in het licht van de artikelen 6 en 28 tot 36, die de medewerking impliceren van de Directie niet fiscale invordering van de federale overheidsdienst Financiën.
       Dispositief.
       Artikel 1. Dit artikel bevat een aantal definities. Het steunt gedeeltelijk op artikel 1 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna het " procedurebesluit vreemdelingen " of de " PRV " genoemd).
       Artikel 2. Artikel 2 omschrijft het toepassingsgebied van het ontwerp.
       De aandacht wordt erop gevestigd dat de cassatieprocedure alle cassatieberoepen betreft tegen beslissingen in laatste aanleg van alle administratieve rechtscolleges.
       Deze regeling zal dus van toepassing zijn op beroepen tegen beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, en later van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen. Ze zal ook van toepassing zijn op beroepen tegen beslissingen van alle andere administratieve rechtscolleges.
       Er moet inderdaad worden tegemoet gekomen aan de bedoeling van de wetgever. Uit de memorie van toelichting bij het ontwerp dat aan de basis ligt van de wet van 15 september 2006, blijkt immers dat de cassatieberoepen die toelaatbaar zijn verklaard, ongeacht de geschillenbeslechting in kwestie, " volgens de normale procedureregels van het dubbel onderzoek bij de Raad van State (zullen) worden onderzocht " (Gedr. St., Kamer, nr 51 - 2479/1, blz.42).
       Artikel 3. In artikel 3 wordt aangegeven binnen welke termijn het cassatieberoep moet worden ingesteld en wordt de inhoud van het verzoekschrift gepreciseerd. Het is gedeeltelijk overgenomen uit artikel 20 van de PRV.
       Het opschrift " cassatieberoep ", dat op het verzoekschrift moet staan, heeft uitsluitend tot doel de aandacht van de advocaat van verzoeker te vestigen op de procedurele gevolgen van een dergelijk beroep. Vervolgens moet het werk van de griffie worden vergemakkelijkt en moeten twijfels die nadelig zijn voor een goed verloop van de procedure achterwege worden gelaten.
       Deze vermelding is niet doorslaggevend. In uitzonderlijke gevallen gebeurt het dat de rechterlijke of administratieve aard van het orgaan dat de omstreden beslissing heeft genomen, wordt betwist. Deze betwisting zal gevolgen hebben voor de aard van het verzoekschrift. Wanneer een dergelijk probleem rijst, komt het aan de Raad van State toe te beslissen en, in voorkomend geval, naar de gepaste procedure te verwijzen.
       Hoewel het aan de verzoekende partij staat om in haar verzoekschrift woonplaats te kiezen, is de verplichting om de woonplaats of de zetel van die partij ook in het verzoekschrift te vermelden, eveneens behouden. Die precisering is immers onontbeerlijk, inzonderheid wanneer met toepassing van de artikelen 3, § 1, en 44 van het ontwerp moet worden nagegaan binnen welke termijn het beroep is ingediend.
       In cassatie neemt de Raad van State geen kennis van de grond van de zaken; hierop wordt uitdrukkelijk gewezen in artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De uiteenzetting van de feiten die in het verzoekschrift moet worden gegeven, kan dan ook summier zijn, hetgeen in onderdeel 8° wordt aangegeven. Bovendien mogen in de middelen niet gewoon de argumenten worden overgenomen die voor het rechtscollege uiteengezet zijn, daar de bedoeling van het cassatieberoep erin bestaat de wettigheid van de bestreden rechterlijke beslissing te onderzoeken. Daarenboven mogen in deze middelen meer bepaald niet de feitelijke middelen en de rechtsmiddelen door elkaar worden gehaald. In dit verband wordt verwezen naar de rechtspraak over de ontvankelijkheid van de cassatiemiddelen. Per slot van rekening komt het aan de verzoekende partij toe duidelijk aan te geven in welk opzicht de bestreden beslissing in tegenspraak is met de wet, of de substantiële of de op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen schendt, in de zin van artikel 14, paragraaf 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Aan de bijzondere aard van die middelen wordt herinnerd met de precisering in onderdeel 9° dat het om cassatiemiddelen moet gaan. Artikel 3,
       § 2, 9°, is geďnspireerd op artikel 2, § 2, van de APR. Het omvat, in algemene bewoordingen, alle huidige en toekomstige gevallen waarin een verzoekende partij in cassatie onderworpen is aan een wetgeving op het gebruik van de talen die een weerslag heeft op de beroepen die ze instelt. Als zodanig handelt het ook over het geval van een kandidaat-vluchteling die, krachtens het nieuwe artikel 66, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voortaan zijn beroep moet instellen in de taal die wordt bepaald overeenkomstig artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Deze taal is overigens, zoals dit thans reeds het geval is in het kader van de PRV, de taal van de behandeling van het beroep door de Raad van State, met toepassing van het voormelde artikel 51/4, waarvan het derde lid vervangen is bij artikel 191 van de wet van 15 september 2006, opdat het eveneens op de cassatieprocedure voor de Raad van State betrekking zou hebben.
       Artikel 4. Artikel 4 somt de stukken op die bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd. Het vloeit deels voort uit artikel 3 van de APR en uit artikel 20, derde lid, van de PRV.
       Vanwege de toelaatbaarheidsprocedure is het van belang dat de verzoekende partij van meet af aan een goed gestoffeerd verzoekschrift indient. Artikel 4, 1°, 2° en 3°, zou er moeten toe bijdragen dat haar aandacht op dit punt wordt gevestigd. Het zou ook het onderzoek in dit stadium moeten vergemakkelijken.
       Artikel 5. Artikel 5 vloeit deels voort uit artikel 20, derde lid, van de PRV. De vernieuwingen die het inhoudt, zijn het resultaat van voorstellen die reeds geformuleerd zijn door de algemene vergadering van de Raad van State, na een grondig onderzoek van de kwestie.
       De griffie wordt thans geconfronteerd met een groot aantal verzoekschriften die wegens de gebreken die ze bevatten niet op de rol kunnen worden ingeschreven.
       De Raad van State ontvangt regelmatig verzoekschriften die binnen de termijnen zijn ingediend, gelet op de datum waarop ze ter post aangetekend zijn, maar die om materiële redenen niet op de rol kunnen worden geplaatst. De griffie schrijft deze verzoekschriften in in wachtregisters (de GAD/F-N) en verzoekt de betrokkenen hun verzoekschrift te regulariseren. Een aantal van deze verzoekschriften wordt geregulariseerd binnen de jurisprudentieel vastgelegde termijn van vijftien dagen. Bij gebrek aan een bepaling die een dwingende termijn vaststelt, bevat de GAD/F-N evenwel oude beroepen die nog steeds eventueel moeten worden geregulariseerd. Het gebeurt immers dat de verzoekende partij op het verzoek van de griffie reageert met verschillende maanden, en zelfs jaren, vertraging. De omstandigheid dat dergelijke verzoekschriften blijven bestaan, brengt de rechtszekerheid in het gedrang in situaties die als vaststaand zouden kunnen worden beschouwd. Die omstandigheid beantwoordt evenmin aan de bedoeling van de wetgever, die erin bestond om de cassatieberoepen zo vlug mogelijk en bij voorrang hun beslag te doen krijgen. Ten slotte leiden deze verzoekschriften tot beheersproblemen bij de griffie.
       Artikel 5 bepaalt in de eerste plaats dat verzoekschriften die niet door een advocaat ondertekend zijn of die onvolledig zijn, niet op de rol worden ingeschreven. Deze regeling stemt overeen met de huidige situatie bij de geschillenbeslechting inzake vreemdelingen. Ze is des te noodzakelijker daar een onmiddellijke inschrijving op de rol de procedure van toelaatbaarheid op gang zou brengen, overeenkomstig het nieuwe artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De Raad van State zou aldus uitspraak moeten doen over verzoekschriften, waarvan niet vaststaat dat ze zullen worden geregulariseerd. Hierdoor zouden de middelen die ter beschikking worden gesteld van de instelling niet op een zinvolle manier worden aangewend. Bovendien zou het onredelijk zijn te weigeren verzoekschriften in aanmerking te nemen om de eenvoudige reden dat de woonplaatskeuze of een bijlage ontbreekt. Dergelijke beslissingen zouden afbreuk doen aan het wezen zelf van het recht op toegang tot de Raad van State. Bovendien mogen de gebreken waarvan sprake is in artikel 5, eerste lid, geen grond opleveren voor een weigering van toelating, want het komt de Koning niet toe de oorzaken van niet-toelaatbaarheid te bepalen daar er geen duidelijke machtiging in die zin is verleend. Ten slotte zou het op de rol plaatsen van de bewuste verzoekschriften, om vervolgens de uitspraak over de toelaatbaarheid uit te stellen, in tegenspraak zijn met de letter en de geest van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit zou er immers toe leiden dat de instelling de gestelde termijnen niet in acht neemt.
       Artikel 5 bepaalt vervolgens dat het beroep " als niet-ingediend wordt beschouwd ". Dit betekent dat, uit het oogpunt van de termijnen voor het instellen van beroep, het bewuste beroep nog niet geacht wordt bij de Raad van State ingesteld te zijn, hoewel het ter post aangetekend is. Deze bepaling kan niet los worden gezien van het vierde lid, krachtens hetwelk de betrokkene vijf dagen heeft om zijn beroep te regulariseren.
       Wanneer de griffie immers vaststelt dat een verzoekschrift niet op de rol kan worden ingeschreven om een van de materiële redenen die in artikel 5, eerste lid, worden aangegeven, deelt ze de verzoekende partij mee waarom de zaak niet op de rol wordt ingeschreven en vraagt ze haar beroep te regulariseren. Indien de verzoekende partij de noodzakelijke correctie aanbrengt, zonder enige andere wijziging, binnen een termijn van vijf dagen te rekenen van de ontvangst van deze vraag, wordt het verzoekschrift geacht bij de oorspronkelijke toezending te zijn ingediend. Op deze manier wordt de tijd geneutraliseerd die nodig is om de betrokkene in kennis te stellen en om het beroep te regulariseren. Het voorgestelde mechanisme schaadt dus niet de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep.
       Het spreekt vanzelf dat de materiële controle die door de griffie wordt uitgevoerd wanneer het verzoekschrift op de rol wordt ingeschreven, plaatsvindt ongeacht het gevolg dat aan het beroep zal worden gegeven bij het latere onderzoek ervan.
       Het beroep wordt daarentegen nog steeds als niet-ingediend beschouwd en wordt niet op de rol ingeschreven indien de betrokkene zijn beroep te laat of onvolledig regulariseert. Deze regeling strekt ertoe de rechtszekerheid te vrijwaren en moet worden gezien in het kader van de strekking van de artikelen 20 en 30, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het doel van deze bepalingen is te voorkomen dat beslissingen van de administratieve rechtscolleges in het gedrang kunnen worden gebracht binnen termijnen die in ieder geval meer bedragen dan twee maanden; het is de bedoeling ervoor te zorgen dat de cassatie plaatsheeft binnen een termijn die zo beperkt mogelijk is.
       Om de gevallen te beperken waarin het hierboven beschreven mechanisme toepassing zal vinden, is de Raad van State van plan alle administratieve rechtscolleges te verzoeken bij de kennisgeving van hun beslissingen de tekst te voegen van de artikelen 3 tot 5.
       Ten slotte levert het niet-betalen van het zegelrecht, in tegenstelling tot het bepaalde in artikel 3, derde lid, 1°, van de PRV, geen grond op om het verzoekschrift niet op de rol te plaatsen, daar in artikel 6 van het voorontwerp wordt bepaald, om de redenen die hierna worden uiteengezet, dat het recht met betrekking tot een cassatieberoep door de hoofdgriffier ambtshalve in debet wordt ingeschreven.
       Artikel 6. Uit artikel 30, § 5, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State volgt dat de cassatieberoepen aanleiding geven tot de betaling van een recht van 175 euro.
       Met het oog op de efficiëntie wordt voorgesteld dat recht in debet in te schrijven voor alle cassatieberoepen.
       Het pro deo is immers moeilijk verenigbaar met het mechanisme van de toelaatbaarheid.
       Een verzoekschrift dat vergezeld gaat van een pro-deoaanvraag moet thans onmiddellijk op de rol worden ingeschreven. Zulks impliceert dat de termijn om over de toelaatbaarheid van het beroep uitspraak te doen eveneens ingaat. Ingeval het pro deo wordt geweigerd, moet de betrokkene evenwel kunnen beschikken over de tijd die nodig is om het recht te kwijten (zie de artikelen 80 en 81 van de APR). De Raad van State zou bijgevolg pas na betaling van het recht in kwestie uitspraak kunnen doen over de toelaatbaarheid. Gelet op de termijn waarover de betrokkene moet kunnen beschikken om het recht te kwijten, valt te vrezen dat de termijn waarover de Raad beschikt om uitspraak te doen over de toelaatbaarheid intussen verstreken zal zijn.
       Er zou overwogen kunnen worden om met een en dezelfde beschikking uitspraak te doen over de pro-deoaanvraag en over de toelaatbaarheid. Die oplossing zou evenwel verscheidene moeilijkheden doen rijzen.
       Ten eerste behoort de weigering van het pro deo, doordat de verzoeker niet onvermogend is in de zin van artikel 30, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, niet tot de gronden van niet-toelaatbaarheid bepaald in artikel 20, § 2, tweede tot vierde lid, van dezelfde gecoördineerde wetten.
       Ten tweede zou kunnen worden overwogen om de Raad van State met eenzelfde beschikking het pro deo te laten weigeren en het beroep niet toelaatbaar te laten verklaren om redenen die specifiek zijn voor elk van beide beslissingen. Zulk een oplossing zou evenwel, bij ontstentenis van enige rechtsgrond, neerkomen op een definitieve beslissing, in cassatie, over een beroep waarvoor het recht vooraf niet gekweten is terwijl dat wel had moeten gebeuren. Ingeval de verzoeker na de kennisgeving van de weigering van het pro deo en van de verwerping van de toelaatbaarheid zou weigeren om het recht te kwijten, zou men daarenboven terechtkomen in de paradoxale situatie dat een beroep van de rol moet worden afgevoerd terwijl over de zaak zelf reeds definitief uitspraak is gedaan. Die handelwijze zou overigens geen enkele zin hebben, aangezien in dezelfde beschikking uitspraak zou worden gedaan over de niet-toelaatbaarheid van het beroep, over de weigering van het pro deo en over de kosten, welke kosten in de meeste gevallen ten laste van de verzoekende partij komen. Er valt niet in te zien waarom die verzoekende partij nog zou ingaan op de uitnodiging die de griffie naderhand aan haar zou richten om het recht voor het indienen van haar beroep te kwijten.
       Ten derde zou de Raad van State met eenzelfde beschikking het pro deo kunnen weigeren en het cassatieberoep toelaatbaar kunnen verklaren. Met het oog op de naleving van de termijn van zes maanden bepaald in artikel 20, § 4, van de gecoördineerde wetten zou de Raad de procedure ten gronde onmiddellijk moeten inzetten. Met andere woorden, de griffie zou van de voornoemde beschikking en van het verzoekschrift kennis moeten geven aan de verwerende partij en ze zou haar moeten verzoeken om een memorie van antwoord in te dienen. Ze zou het verzoekschrift eveneens moeten toesturen aan de derden-belanghebbenden en hen erop wijzen dat zij binnen een termijn van dertig dagen om tussenkomst kunnen verzoeken. Het beroep zou evenwel nog van de rol kunnen worden afgevoerd ingeval de verzoeker het recht niet kwijt. In dat geval zou de Raad van State tevergeefs uitspraak hebben gedaan over de toelaatbaarheid en zou hij de verwerende partij en de derden-belanghebbenden ervan op de hoogte moeten brengen dat er geen reden is om een memorie van antwoord in te dienen of eventueel om een tussenkomst te verzoeken. Een zodanige situatie zou zich voordoen wanneer die processtukken misschien reeds opgesteld of zelfs verzonden zouden zijn. Die oplossing zou de efficiëntie evenmin ten goede komen.
       Kortom, de omstandigheid dat de Raad van State met eenzelfde beschikking uitspraak zou doen over de pro-deoaanvraag en over de toelaatbaarheid, zou de verzoeker ertoe kunnen brengen om zich naar artikel 30, § 5, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en naar de bepalingen betreffende het pro deo te gedragen naar gelang van de aanwijzingen die bij de beschikking worden verstrekt over zijn slaagkansen. Zulk een mogelijkheid wordt, in cassatie, niet geboden door het voormelde artikel 30.
       Deze constatatie zou a fortiori gelden indien de Raad van State over de vraag inzake de toelaatbaarheid uitspraak zou doen alvorens zich over de pro-deoaanvraag uit te spreken.
       Uit statistisch oogpunt dient overigens te worden geconstateerd dat voor het gerechtelijk jaar 2005-2006 de meerderheid (meer dan 92 percent) van de cassatieberoepen gericht tegen een beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen vergezeld ging van een pro-deoaanvraag en dat die verzoeken in het merendeel van de gevallen (90 percent van de ingediende verzoeken) ingewilligd zijn. Het ambtshalve in debet inschrijven van die beroepen zou de procedure dan ook vereenvoudigen overeenkomstig de geest van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
       Per slot van rekening mag artikel 6, dat van algemene toepassing is, niet het bezwaar opleveren dat het een omgekeerde discriminatie veroorzaakt.
       Artikel 7. De artikelen 7 tot 11 regelen de procedure van toelating van de cassatieberoepen.
       Artikel 7 is geďnspireerd op het nieuwe artikel 20, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Daarin wordt bepaald dat het verzoek dat de hoofdgriffier aan het administratief rechtscollege richt, kan worden verstuurd met alle middelen, bijgevolg ook per drager, voorzover de ontvangst van dat verzoek met zekerheid kan worden gemeld. Zulks is noodzakelijk om te kunnen nagaan of het rechtscollege de termijn van twee werkdagen voor het toesturen van het dossier in acht neemt. Een soortgelijke opmerking geldt voor de nadere regels voor het overzenden van het dossier door het rechtscollege en zulks, wat betreft het bepalen van de ingangsdatum van de termijn van acht dagen (een maand bij wijze van overgangsmaatregel), vanaf de ontvangst van het dossier, waarbinnen over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep uitspraak moet worden gedaan.
       De verwerende partij wordt in het stadium van het onderzoek van de toelaatbaarheid niet ingelicht omtrent het instellen van een cassatieberoep. De zeefprocedure verloopt immers zonder debat op tegenspraak. Bovendien heeft het cassatieberoep geen schorsende kracht. Meer nog, de procedure van toelaatbaarheid verloopt uitsluitend op grond van het verzoekschrift en van het dossier van het rechtscollege. Voor het overige wordt de administratie omtrent geschillen in asielzaken ingelicht via het wachtregister (koninklijk besluit van 1 februari 1995 tot vaststelling van de in het wachtregister vermelde informatiegegevens en tot aanwijzing van de overheden die bevoegd zijn om die gegevens in het wachtregister in te voeren).
       Dat het administratief rechtscollege de voor de Raad van State aangevochten beslissing via elektronische weg meedeelt wordt eveneens voorgeschreven teneinde de behandeling ervan te vergemakkelijken.
       Gelet op de graad van duidelijkheid van het nieuwe artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State het overigens niet nodig geacht de toelaatbaarheidsprocedure nader te reglementeren. Hoewel in artikel 20, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State verwezen wordt naar het dossier van het rechtscollege, is het evenwel beter om in het besluit te spreken van het dossier van de zaak om duidelijk tot uiting te laten komen dat het niet louter om een proceduredossier gaat, maar wel om het volledige dossier dat het rechtscollege in het kader van de kwestieuze zaak heeft aangelegd.
       Ze heeft het evenmin nodig geacht in het besluit eraan te herinneren dat de termijn waarbinnen de aangewezen staatsraad uitspraak moet doen over de toelaatbaarheid van het beroep voorlopig op één maand wordt vastgesteld, met toepassing van artikel 217, tweede lid, van de wet van 15 september 2006. Hoe dan ook zal de Koning achteraf nog regelgevend moeten optreden om overeenkomstig het eerste lid van datzelfde artikel die termijn terug te brengen tot acht dagen.
       Artikel 8. Dit artikel neemt in wezen artikel 5, eerste lid, van de APR over.
       Artikel 9. Artikel 9 vloeit rechtstreeks voort uit het nieuwe artikel 20, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
       De niet-dwingende termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep wordt in artikel 9 niet gepreciseerd doordat hij rechtstreeks bij de wet wordt vastgesteld : acht dagen; bij wijze van overgangsmaatregel, een maand.
       Artikel 10. Dit artikel bepaalt de termijn voor de bijeenroeping van de verenigde kamers of van de algemene vergadering. Het voert artikel 92, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit wat de zeefprocedure betreft.
       Artikel 11. Artikel 11 handelt over de beschikking van niet-toelaatbaarheid. De kennisgeving van de beschikking van niet-toelaatbaarheid zal geschieden overeenkomstig de artikelen 41 en 42; er wordt verwezen naar de commentaar bij die artikelen.
       Hoewel in de Franse tekst van het nieuwe artikel 20, § 3, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt gewerkt met het begrip " ordonnance (...) directement signifiée aux parties ", is ervoor geopteerd om in het besluit het begrip " notification " te blijven hanteren, wat de klassieke wijze van mededeling door de griffie van de Raad van State is, inzonderheid voor arresten gewezen met toepassing van artikel 28, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het begrip " notification " komt overigens overeen met de Nederlandse tekst van artikel 20, § 3, derde lid, van dezelfde gecoördineerde wetten (" kennisgeving ").
       Artikel 12. Artikel 12 handelt over de beschikking van toelaatbaarheid. De kennisgeving ervan zal geschieden overeenkomstig artikel 41; er wordt verwezen naar de commentaar bij dat artikel.
       De kennisgeving van de beschikking van toelaatbaarheid samen met het verzoekschrift, doet de termijn ingaan waarbinnen de verwerende partij haar memorie van antwoord moet indienen.
       Het tweede lid vloeit voort uit artikel 5, tweede lid, van de APR.
       Het derde lid geeft uitvoering aan artikel 21bis, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
       Het vierde lid strekt ertoe de aandacht van het rechtscollege te vestigen op de problemen die de bestreden beslissing zou kunnen doen rijzen. Aldus kan het rechtscollege, in voorkomend geval, daarmee rekening houden bij het nemen van de daaropvolgende beslissingen voordat de Raad van State zijn arrest heeft gewezen. Alleen de beroepen die kunnen " leiden tot cassatie " zullen immers toelaatbaar verklaard worden. Ze moeten dus op zijn minst verdedigbare grieven bevatten. Het past het rechtscollege daarvan in kennis te stellen.
       Artikel 13. Artikel 13 vloeit voort uit artikel 21 van de PRV. De termijn van dertig dagen kan verklaard worden door de noodzaak om de termijn van zes maanden in acht te nemen waarbinnen de Raad van State uitspraak moet doen ten gronde.
       Artikel 14. Artikel 14, eerste en tweede lid, vloeit voort uit de artikelen 7 en 8 van de APR. De termijn van 30 dagen is die welke voorkomt in de PRV. Hij is nodig om de voornoemde termijn van zes maanden in acht te kunnen nemen.
       Het derde lid is nieuw. Er wordt voorgeschreven dat de memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie de vorm van een samenvattende memorie aanneemt. Het doel is de werklast van de Raad van State te verlichten, aangezien deze uitspraak moet doen binnen een beperkte termijn, zonder dat daarom de behandeling van de andere beroepen, waarvan sommige eveneens prioritair zijn, op haar beloop kan worden gelaten.
       De samenvattende memorie dient de argumenten van het verzoekschrift en van de memorie van wederantwoord als een geordend geheel weer te geven. De verzoekende partij, die moet worden bijgestaan door een advocaat, wordt er aldus toe gebracht een allesomvattend overzicht in te dienen, dat de uiteenzetting van de feiten bevat, haar eventuele antwoorden op excepties van niet-ontvankelijkheid en haar middelen in één enkele, pertinente argumentering. De memorie mag zich dus niet beperken tot een loutere compilatie. Dit systeem gaat terug op een voorontwerp van wet houdende onder meer de invoeging van een artikel 748bis in het Gerechtelijk Wetboek, waarover de afdeling Wetgeving op 22 augustus 2006 advies 41.063/2/V heeft verstrekt. De afdeling Wetgeving heeft in dat advies geen enkel fundamenteel bezwaar geuit ten aanzien van de verplichting voor de partijen om een syntheseconclusie in te dienen.
       Het gevolg van de verplichting om een samenvattende memorie in te dienen is dat de Raad van State in beginsel geen uitspraak meer hoeft te doen op basis van de uiteenzetting van de feiten en middelen vervat in het verzoekschrift. De Raad van State kan evenwel terugvallen op het verzoekschrift om een vraagstuk omtrent de ontvankelijkheid van het beroep of van de middelen te beslechten (bijvoorbeeld om uit te maken of een middel vervat in de memorie van wederantwoord een nieuw middel is).
       Artikel 15. Dit artikel is overgenomen van artikel 14bis van de APR.
       Artikel 16. Dit artikel vloeit voort uit artikel 12 van de PRV.
       Aangezien de Raad van State uitspraak moet doen binnen een termijn van zes maanden, kan niet worden voorzien in de indiening van laatste memories. Gelet op de consistentie van de in cassatie aanvaarde verzoekschriften moet de auditeur in die context nader anticiperen op problemen tijdens de terechtzitting om heropening van de debatten te voorkomen. De auditeur kan er aldus toe gebracht worden in het bijzonder gebruik te maken van zijn onderzoeksbevoegdheid en, zo nodig, de verwerende partij verzoeken schriftelijk toelichtingen te verstrekken op basis van de memorie van wederantwoord.
       Artikel 18. Dit artikel stemt overeen met artikel 24 van de PRV. De termijn waarbinnen de verzoekende partij moet verzoeken om de voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord wordt, overeenkomstig artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, evenwel vastgesteld op dertig dagen in plaats van vijftien dagen zoals thans bepaald in artikel 24 van de PRV. In het kader van de procedure van administratieve cassatie beschikt de Koning immers niet meer over de vereiste machtiging om een bij de wet vastgestelde termijn in te korten.
       Artikel 19. Dit artikel stemt overeen met artikel 26 van de PRV.
       De formule " doelloos " is om drie redenen gekozen. Ten eerste omdat een verzoekschrift dat reeds bij de aanvang doelloos is, niet verder mag gaan dan de fase van toelaatbaarheid. Ten tweede omdat een cassatieberoep doelloos kan worden in de loop van de procedure, bijvoorbeeld ingeval verzet, derden-verzet of een vordering tot herziening door een partij bij het rechtscollege of door een derde die geen partij is in het cassatieberoep, wordt ingewilligd. Er dient immers op gewezen te worden dat verzet, derden-verzet of herziening denkbaar is wanneer het niet om een beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat (artikel 39/67 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen). Ten derde moet in de geschillen betreffende vreemdelingenzaken rekening worden gehouden met artikel 55, § 2, van de voornoemde wet van 15 december 1980, dat bepaalt dat een beroep dat bij de Raad van State ingesteld is tegen een beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder voorwerp wordt verklaard wanneer de verzoeker die gemachtigd werd tot een verblijf van onbeperkte duur niet binnen de termijn van zestig dagen, te rekenen vanaf de afgifte van de verblijfsvergunning van onbeperkte duur, om de voortzetting van de procedure heeft verzocht.
       Het begrip " korte debatten ", dat toepasselijk wordt verklaard op alle geschillen waarvan de afdeling Administratie kennis moet nemen, is niet nieuw. Thans voorziet artikel 30, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State daarin reeds in het kader van de bijzondere procedureregels die de Koning kan vaststellen voor het behandelen van beroepen tegen een beslissing die genomen wordt met toepassing van de wetten op de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Er dient dus te worden verwezen naar de rechtspraak van de afdeling Administratie van de Raad van State in het kader van de artikelen 26 en 27 van de PRV. Zo kan de procedure van de korte debatten worden toegepast wanneer de verzoekende partij afstand doet van het geding.
       Artikel 20. Dit artikel neemt een aantal bepalingen over van de artikelen 30 tot 32 van de APR en houdt rekening met de aanpassingen die bij artikel 39 van de wet van 4 augustus 1996 en bij de artikelen 48 en 49 van de wet van 15 september 2006 zijn aangebracht in artikel 92 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
       Artikel 21. De eerste paragraaf is overgenomen van artikel 25 van de PRV. De tweede paragraaf stemt overeen met artikel 35 van hetzelfde besluit. Het spreekt vanzelf dat de verwijzing naar de artikelen 73 tot 75 van de APR geen betrekking heeft op de verplichting om een verslag neer te leggen, welke verplichting zonder voorwerp is wat de tolkkosten betreft.
       Artikel 22. Het eerste lid is overgenomen van artikel 26 van de APR.
       Het tweede en het derde lid zijn eveneens overgenomen van artikel 26 van de APR. Ze houden bovendien rekening met het nieuwe artikel 27 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
       Artikel 23. Dit artikel vloeit voort uit artikel 27 van de APR.
       Artikel 24. Dit artikel is ontstaan uit artikel 29 van de APR.
       Daaruit volgt dat artikel 24, derde lid, krachtens welke bepaling op de terechtzitting " geen andere middelen mogen worden aangevoerd dan die welke in het verzoekschrift of in de memories zijn uiteengezet ", verstaan dient te worden overeenkomstig de rechtspraak ontwikkeld door de afdeling Administratie van de Raad van State in verband met artikel 29, derde lid, van de APR, inzonderheid wat betreft de mogelijkheid om op de terechtzitting een middel van openbare orde aan te voeren. Deze bepaling dient eveneens te worden gelezen in samenhang met andere bepalingen van het voorontwerp. Wanneer artikel 14, derde lid, behoort te worden toegepast, mag de verzoekende partij aldus op de terechtzitting geen andere middelen aanvoeren dan die welke in de samenvattende memorie zijn uiteengezet. Wanneer de auditeur daarentegen beslist gebruik te maken van de procedure met korte debatten waarin artikel 19 voorziet, ook al heeft de verzoekende partij nog niet de mogelijkheid gehad een samenvattende memorie in te dienen, kan de verzoekende partij op de terechtzitting uiteraard geen andere middelen aanvoeren dan die welke in het verzoekschrift zijn uiteengezet.
       Het vierde lid legt een praktijk vast. Het is overigens geďnspireerd op artikel 4, zesde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, alsook op artikel 37, § 4, van de PRV.
       De aandacht wordt er tenslotte op gevestigd dat artikel 37, § 1, tweede lid, van de PRV niet is overgenomen (verwerping wegens afwezigheid op de terechtzitting). Er is immers rekening mee gehouden dat de cassatieberoepen die voorkomen op de terechtzitting, de fase van de zeefprocedure voorbij zijn. In deze context zouden de arresten bovendien een bijzonder jurisprudentieel belang moeten vertonen. Er valt overigens niet in te zien welke de bepaling van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, zou zijn waarbij aan de Koning de bevoegdheid zou worden opgedragen om te bepalen dat verstek geven op de terechtzitting in het kader van een administratief cassatieberoep dat toelaatbaar is verklaard van rechtswege tot de verwerping van het beroep zou leiden.
       Artikelen 25 en 26. Deze artikelen regelen de wijze waarop de rechtspleging bij een tussengeschil moet verlopen. Er wordt verwezen naar de APR.
       Aangezien het om een cassatieprocedure gaat, wordt de mogelijkheid om tussen te komen die wordt geboden aan de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak, beperkt tot de personen die geen verzoekende of verwerende partij zijn bij de Raad van State, maar die eveneens partij zijn geweest bij het administratief rechtscollege en die, gelet op de beslissing van dit rechtscollege, niet voldoen aan de voorwaarden om rechtstreeks een cassatieberoep in te stellen bij de Raad van State.
       Het in debet inschrijven van het zegelrecht dat verschuldigd is voor de tussenkomst is noodzakelijk om de afloop van de procedure niet te vertragen in geval van weigering van het pro deo en om de taak van de griffie te verlichten (zie de bespreking van artikel 6 hierboven).
       Artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State regelt op een vrij gedetailleerde wijze de rechtspleging ten aanzien van de derden-belanghebbenden, wanneer de auditeur een verslag indient waarin geconcludeerd wordt dat het beroep doelloos is of kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk niet-gegrond of kennelijk gegrond (terloops wordt opgemerkt dat de wetgever het genoemde artikel 21bis niet heeft aangepast aan de nieuwe terminologie die voortvloeit uit artikel 17, 4°, van de wet van 15 september 2006).
       Artikel 29 van de PRV heeft deze aangelegenheid anders geregeld op grond van de machtiging die vervat is in artikel 30, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
       Het is niet mogelijk deze bepaling over te nemen. In de eerste plaats voorziet artikel 17, 5°, van de wet van 15 september 2006 in de opheffing van dit artikel 30, § 2, tweede lid. Verder zou de voorgelegde tekst van toepassing moeten zijn op alle cassatiegeschillen.
       Artikel 27. De procedure ingeval verzet, derden-verzet of een vordering tot herziening wordt ingesteld tegen een arrest, wordt geregeld door verwijzing naar de relevante bepalingen van de APR.
       Er wordt op gewezen dat artikel 20, § 3, vierde lid, nieuw, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de mogelijkheid uitsluit om zulke beroepen in te stellen tegen de beschikkingen van toelaatbaarheid of van niet-toelaatbaarheid.
       In artikel 27, tweede zin, wordt bepaald dat de verzoekschriften tot verzet, tot derden-verzet en tot herziening in debet worden ingeschreven.
       Het in debet inschrijven van de cassatieberoepen en de verzoekschriften tot tussenkomst wordt inzonderheid gerechtvaardigd door de artikelen 20 en 30 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, alsook door de noodzaak om binnen de kortst mogelijke termijn uitspraak te doen over de cassatieberoepen, vooral in het stadium van de toelaatbaarheid.
       Alhoewel die rechtvaardigingen niet opgaan voor de verzoekschriften vermeld in het eerste lid, wordt het niettemin nodig geacht om die werkwijze ook voor die verzoekschriften te hanteren ter wille van het parallellisme en de vereenvoudiging van de procedures.
       Bijgevolg is het niet nodig om artikel 71 van de APR in grote lijnen over te nemen in artikel 33 van het ontwerp en om te voorzien in een pro-deoprocedure die aan die verzoekschriften is aangepast.
       Artikel 28. Dit artikel bepaalt de categorieën van kosten. Het artikel vloeit voort uit artikel 66 van de APR, daarbij rekening houdend met het nieuwe artikel 30, §§ 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
       Artikel 29. Dit artikel is ontstaan uit artikel 68, eerste en tweede lid, van de APR.
       Bovendien wordt gememoreerd dat alle cassatieberoepen in debet worden ingeschreven.
       Artikel 30. Dit artikel vloeit voort uit artikel 68, derde lid, van de APR.
       Het houdt rekening met de omstandigheid dat de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid het geding afsluiten.
       Artikel 31. Dit artikel vloeit voort uit artikel 69 van de APR.
       Artikel 32. Er wordt niet verwezen naar artikel 72, eerste lid, van de APR, daar de inhoud ervan voortaan opgenomen is in artikel 30, § 8, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
       Artikel 33. Dit artikel vloeit voort uit artikel 33 van de PRV. Het houdt rekening met het feit dat het rolrecht in debet wordt ingeschreven.
       Bovendien heeft het alleen betrekking op de pro-deoaanvragen die in de loop van het geding na de toelating van het beroep zijn ingediend, wanneer het noodzakelijk is een deskundigenonderzoek te verrichten of een getuigenverhoor te houden. De in artikel 33 vermelde pro-deoaanvragen kunnen immers niet worden ingediend in de fase van het onderzoek naar de toelaatbaarheid, die beoordeeld wordt " op inzage van het verzoekschrift en het rechtsplegingsdossier ".
       Artikel 34. Dit artikel stemt overeen met artikel 80 van de APR.
       Artikel 35. Dit artikel vloeit voort uit artikel 82 van de APR.
       Artikel 36. Het eerste lid vloeit voort uit artikel 83 van de APR. Het houdt rekening met het feit dat het rolrecht in debet wordt ingeschreven.
       Het tweede lid stemt overeen met artikel 83bis van dezelfde regeling.
       Artikel 37. De eerste twee leden van dit artikel vloeien voort uit artikel 34, eerste lid, van de PRV. Het adres waarnaar de kennisgeving van de processtukken moet worden gezonden, moet duidelijk worden aangegeven, daar anders gehandeld moet worden volgens de administratieve weg voorgeschreven bij artikel 84, zesde lid, van de APR, die traag en onzeker is. De administratieve overheden waarvan in het eerste lid sprake is, zijn die welke als zodanig bedoeld zijn in de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het betreft dus de Belgische administratieve overheden.
       Het derde lid vloeit voort uit de moeilijkheden waarmee de griffie te maken heeft. De erin voorgeschreven formaliteit beoogt de rechtszekerheid van de door de Raad van State gedane kennisgevingen te garanderen.
       Het vierde lid stemt overeen met artikel 92 van de APR.
       Artikel 38. Dit artikel neemt artikel 87 van de APR over.
       Artikel 39. Artikel 39 regelt de manier waarop de partijen al hun processtukken moeten zenden naar de Raad van State.
       De eerste drie leden vloeien voort uit artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, uit artikel 84, eerste lid, van de APR en uit artikel 30, eerste lid, van de PRV.
       De verplichting om bij ieder processtuk zes kopieën in papiervorm te voegen wordt verklaard door de hoge kostprijs die het maken van die kopieën zou meebrengen voor de Raad van State indien deze zelf daarvoor zou moeten zorgen. De wetgever heeft deze formaliteit trouwens reeds voorgeschreven wat betreft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
       Het vierde en het vijfde lid regelen de overzending, door de partijen, van een elektronische kopie van alle processtukken. Deze kopie komt dus bovenop de papieren kopieën waarvan hierboven sprake is.
       Uit het vierde lid volgt dat de mededeling van een elektronische kopie van de processtukken verplicht is voor de overheidsinstellingen, ongeacht of ze als verzoekende, verwerende dan wel als tussenkomende partij optreden. Zulks geldt ook voor de administratieve rechtscolleges. Zo bepaalt artikel 7, tweede lid, dat het administratief rechtscollege een elektronische kopie van zijn beslissing meedeelt overeenkomstig het becommentarieerde artikel 39. De overheidsinstellingen moeten ook " voor zover mogelijk " een elektronische kopie van hun dossiers meedelen. Dat betekent dat ze daartoe alleen verplicht zijn indien en voor zover ze over een elektronische versie van die dossiers beschikken.
       Uit het vierde lid volgt eveneens dat de elektronische mededeling van een kopie van de processtukken en van de bijlagen niet verplicht is voor privaatrechtelijke personen.
       Het vijfde lid bepaalt welk formaat moet worden gebruikt. Het pdf-formaat is het meest gangbare formaat voor uitwisseling van documenten. Bovendien is het mogelijk om in dat formaat documenten op te maken dank zij programmatuur die kosteloos beschikbaar wordt gesteld op het internet.
       Er wordt tevens gewezen op het feit dat niet het loutere beeldformaat van de processtukken moet worden overgezonden, maar een elektronische kopie waarbij woorden of uitdrukkingen kunnen worden opgezocht in de tekst en waarbij de knip- en plakfunctie kan worden gebruikt.
       Tot slot zijn het vierde en het vijfde lid van artikel 5 ingegeven door een besluit van de Franse Minister van Justitie van 27 mei 2005 met betrekking tot een proefproject inzake de invoering en de mededeling van verzoekschriften en memories, alsmede inzake de kennisgeving via elektronische weg bij de Raad van State (JORF nr. 125 van 31 mei 2005).
       Die bepalingen zijn ook ingegeven door de praktijk van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Het Hof stelt op zijn site een e-mailadres (ECJ.Registry@curia.europa.eu) ter beschikking van de partijen. Bovendien staat het volgende te lezen in punt 1 van de Praktische aanwijzingen betreffende rechtstreekse beroepen en hogere voorzieningen : " In geval van indiening per e-mail wordt alleen een gescande kopie van het ondertekende origineel aanvaard. Een zuiver elektronisch bestand of een bestand met een elektronische handtekening of een per computer gecreëerde facsimilehandtekening voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 37, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering. De documenten dienen te zijn gescand met een resolutie van 300 DPI en, voor zoveel mogelijk, door middel van de programma's Acrobat of Readiris 7 Pro in PDF-formaat (beeld plus tekst) te zijn opgeslagen ".
       Artikel 40. Dit artikel is ontstaan uit artikel 86 van de APR. Het is ook geďnspireerd op artikel 37, § 4, van de procedureregeling van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en op de punten 40 en 42 van de Praktische aanwijzingen betreffende rechtstreekse beroepen en hogere voorzieningen van dat Hof.
       Het doel is de behandeling van de dossiers te vergemakkelijken. De precieze verwijzing naar bijgevoegde stukken zou ook de overtuigingskracht van de argumenten van de partijen moeten vergroten.
       Voor zover als nodig, wordt eraan herinnerd dat het Europees Hof voor de rechten van de mens aanvaardt dat de rechtspleging voor de cassatiegerechten met een groter formalisme verloopt.
       Het verzoekschrift dat geen inventaris bevat, wordt op basis van artikel 5, eerste lid, geacht niet-ingediend te zijn. Hetzelfde geldt voor het verzoekschrift dat niet vergezeld gaat van alle geďnventariseerde stukken.
       Krachtens het derde lid hebben de magistraten van de Raad van State, en meer bepaald de auditeurs, de mogelijkheid de partijen te verzoeken hun memories in overeenstemming te brengen met de verplichting om duidelijk aan te geven naar welke stukken ze in hun argumentatie verwijzen. Om de procedure niet onnodig te rekken, zou slechts in geval van reële noodzaak van deze mogelijkheid gebruik mogen worden gemaakt.
       Artikel 41. Artikel 41 regelt de aangelegenheid van de verzending van de processtukken door de Raad van State.
       Het eerste lid stemt overeen met artikel 34, tweede lid, van de PRV; het tweede lid neemt artikel 84, tweede lid, van de APR over.
       Artikel 42. Dit artikel regelt onder welke voorwaarden de Raad van State van elektronische post gebruik kan maken om kennisgevingen of mededelingen te doen. Het beantwoordt aan een van de verwachtingen van de regering.
       Krachtens paragraaf 1 kan de administratieve overheid vragen om via elektronische post kennis te krijgen van de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid en van de arresten. In dat geval geeft de griffie van de Raad van State aan die overheid van die beslissingen niet langer kennis op de gebruikelijke wijze van de aantekening ter post.
       In de kennisgeving via elektronische weg van de beschikkingen van toelaatbaarheid is niet voorzien omdat hoe dan ook een kopie van het verzoekschrift behoort te worden toegezonden. Die toezending doet evenwel de termijn ingaan waarbinnen de verwerende partij (meestal de overheid) haar memorie van antwoord behoort in te dienen. Bedoeling is om elk risico van verwarring te voorkomen en dus eveneens elk risico op moeilijkheden die uit twee afzonderlijke kennisgevingen zouden kunnen voortvloeien.
       Hoe dan ook wordt in paragraaf 2 bepaald dat de advocaten van alle partijen in het cassatieberoep kunnen vragen om, bij wijze van mededeling en louter ter informatie, een elektronische kopie te krijgen van de beschikking van niet-toelaatbaarheid en van het arrest. Zulk een mededeling heeft geen enkel rechtsgevolg.
       Dezelfde mogelijkheid wordt geboden aan het rechtscollege opdat het, in voorkomend geval, een specifieke gegevensbank kan aanleggen.
       In paragraaf 3 wordt geregeld op welke wijze de elektronische mededelingen en kennisgevingen zullen geschieden. De Raad van State zal een e mailaccount openen voor elke administratieve overheid, elk rechtscollege en elke advocaat die de Raad daarom verzoekt. Die elektronische postbus zal alleen door de Raad van State gevoed kunnen worden. Ze zal, zoals elke andere mail-account, kunnen worden toegevoegd aan programma's voor het beheer van elektronische berichten zoals Outlook, Eudora, enz. Dit systeem biedt een aantal waarborgen, zoals die op basis waarvan de Raad van State de mogelijkheid heeft zich ervan te vergewissen dat de mededeling of de kennisgeving wel heeft plaatsgevonden. Het zou ook de mogelijkheid moeten bieden om vast te stellen op welk ogenblik de partij in kwestie die berichten geraadpleegd heeft.
       Om redenen van volume is het niet mogelijk deze faciliteit aan te bieden aan alle particulieren die bij de Raad van State in rechte zouden optreden.
       In paragraaf 4 wordt rekening gehouden met het geval dat ondanks de genomen voorzorgsmaatregelen de kennisgeving of mededeling langs elektronische weg zou mislukken.
       In paragraaf 5 wordt aangegeven op welk tijdstip de zendingen van de Raad van State geacht worden ter kennis te zijn gebracht. Het eerste lid vindt zijn oorsprong in artikel 84, derde tot vijfde lid, van de APR. In het tweede lid wordt rekening gehouden met het feit dat de kennisgevingen en mededelingen via elektronische weg geprogrammeerd kunnen worden om 's avonds of 's nachts verstuurd te worden.
       Artikel 43. Dit artikel vindt zijn oorsprong in artikel 88 van de APR.
       Artikel 44. Dit artikel is overgenomen van artikel 89 van de APR. Het houdt evenwel rekening met de aan privaatrechtelijke personen, verzoekende of verwerende partijen, opgelegde verplichting om keuze van woonplaats te doen. De termijnen worden enkel verlengd voordat die personen woonplaatskeuze hebben kunnen doen, welke woonplaats moet worden opgegeven in hun eerste processtuk.
       Artikel 45. Dit artikel stemt overeen met artikel 90 van de APR.
       Artikel 46. Dit artikel stemt overeen met artikel 91 van de APR.
       Artikel 47. Dit artikel is de tegenhanger van artikel 33 van de APR.
       Hoewel de verplichting om de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid te motiveren reeds vervat is in de gecoördineerde wetten op de Raad van State (artikelen 20, § 3, derde lid, en 28, eerste lid), heeft deze bepaling tot doel een duidelijk onderscheid te maken tussen de motivering van de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid, welke motivering beknopt dient te zijn, en de motivering van de arresten, welke motivering beknopt kan zijn maar niet noodzakelijk beknopt hoeft te zijn. Overigens blijkt uit deze bepaling dat de beschikkingen van toelaatbaarheid niet gemotiveerd behoeven te worden.
       Artikel 48. In dit artikel worden de vermeldingen opgesomd die moeten voorkomen in de beschikkingen van toelaatbaarheid, in de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid en in de arresten. Het artikel vloeit voort uit artikel 34 van de APR.
       Artikel 49. Dit artikel stemt overeen met de artikelen 35 en 36 van de APR.
       Artikel 50. Dit artikel is overgenomen van artikel 37 van de APR, dat is aangepast om rekening te houden met de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid.
       Aangezien de beschikkingen van toelaatbaarheid interlocutoir zijn en geen enkele dwangmaatregel impliceren, dienen ze niet voorzien te zijn van een uitvoeringsbepaling.
       Artikel 51. Dit artikel stemt overeen met artikel 38 van de APR, dat overigens wordt opgeheven (zie artikel 53, infra). Er wordt evenwel niet langer bepaald dat de zaak naar het administratief rechtscollege moet worden verwezen telkens als de afdeling Administratie van de Raad van State de bij haar bestreden beslissing van het administratief rechtscollege verbreekt. De nieuwe bewoordingen van artikel 51 (" in voorkomend geval ") laten toe rekening te houden met alle gevallen, zowel de uitzonderingen waarin de wet uitdrukkelijk voorziet, als de gevallen waarbij geen verwijzing na cassatie nodig is, omdat niet vereist is dat het rechtscollege opnieuw uitspraak doet over de zaak. Artikel 52. Overeenkomstig artikel 243, tweede lid, van de wet van 15 september 2006, laat artikel 52 onderdelen van artikel 17 van dezelfde wet in werking treden, uitsluitend wat de cassatieberoepen betreft.
       Kortom, voor de cassatieberoepen is het onontbeerlijk de volgende artikelen in werking te laten treden :
       - artikel 17, 2°, in verband met de kosten en uitgaven, om te kunnen kiezen voor de oplossing van het inschrijven in debet van de beroepen en de verzoekschriften tot tussenkomst, wegens de problemen die het indienen van pro-deoaanvragen zou doen rijzen (zie de artikelen 6, 25, 27 en 31 van het ontwerp en de commentaar erbij);
       - artikel 17, 3°, om een termijn van één maand voor het instellen van een cassatieberoep te kunnen vaststellen (artikel 3, § 1, van het ontwerp);
       - artikel 17, 4°, om de procedure met korte debatten te kunnen regelen (artikel 19 van het ontwerp).
       Artikel 53. Artikel 53 trekt de consequenties uit het ontwerpen van een specifieke procedureregeling voor cassatie. Het heft artikel 38 op dat wordt overgenomen in artikel 51 van het ontwerp.
       Artikel 54. Artikel 54 brengt een aantal wijzigingen aan in het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State om voortaan rekening te kunnen houden met de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid. Omwille van de rechtszekerheid wordt erin gepreciseerd dat voortaan het verzoek om de identiteit van de natuurlijke personen niet mee te publiceren in de beschikking van niet-toelaatbaarheid of in het arrest moet worden ingediend vooraleer de debatten worden gesloten.
       Artikel 55. Dit artikel heft alle artikelen van de PRV betreffende de administratieve cassatie op. Voortaan heeft het nog alleen betrekking op vorderingen tot schorsing en beroepen tot nietigverklaring ingesteld tegen (individuele) bestuurshandelingen gesteld met toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
       Artikel 232 van de wet van 15 september 2006 maakt deze bepaling noodzakelijk. Volgens dit artikel immers, dat op 1 december 2006 in werking treedt, " (blijft) de Raad van State (...) bevoegd om op grond van de [bestaande] bepalingen, kennis te nemen van de beroepen tot nietigverklaring en tot schorsing inzake individuele beslissingen die genomen zijn met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ".
       Dit artikel betekent a contrario dat vanaf 1 december 2006 de Raad van State niet meer " bevoegd blijft " om te oordelen over cassatieberoepen ingesteld tegen beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op basis van de PRV die thans van kracht is, welke beroepen overigens, zoals alle andere gevallen van administratieve cassatie, zullen worden onderworpen aan de zeefprocedure met ingang van 1 december 2006.
       Daarentegen blijven de bepalingen van de PRV van toepassing op het onderzoek van de administratieve cassatieberoepen die vóór 1 december 2006 ingesteld worden tegen beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen.
       Artikel 56. De ontworpen tekst zou van toepassing moeten zijn op cassatieberoepen ingesteld vanaf 1 december 2006. Deze regeling past in het verlengde van artikel 235, § 4, derde lid, van de wet van 15 september 2006.
       Ter wille van rechtszekerheid mogen de artikelen 3 tot 6 niet van toepassing zijn op de cassatieberoepen, ingesteld vanaf 1 december 2006, tegen rechterlijke beslissingen die vóór deze datum ter kennis zijn gebracht. In andere geschillenberechtingen dan die in vreemdelingenzaken bedraagt de termijn voor het instellen van een cassatieberoep thans immers zestig dagen (artikel 4, derde lid, van de APR), terwijl die in de toekomst slechts dertig dagen zal bedragen. Bovendien verschillen de artikelen 3 tot 6 van het ontwerp van de artikelen 2 en 3 van de APR en van artikel 20 van de PRV, aangezien men die bepalingen heeft moeten aanpassen aan de aard van de cassatie, aan de verplichting om binnen bepaalde termijnen uitspraak te doen en aan de bedoeling om het voorontwerp op alle geschillenberechtingen toe te passen. Daaruit volgt dat voor het verzoekschrift nieuwe vormvoorschriften moeten worden nageleefd wat de inhoud en de bijlagen betreft, en dat dit vereiste niet ter kennis van de betrokkenen zal zijn gebracht bij kennisgevingen die voor 1 december 2006 zullen hebben plaatsgevonden.
       Er dient bijgevolg te worden voorkomen dat de aanwijzingen met betrekking tot de wijze waarop cassatieberoep kan worden ingesteld, en die vermeld worden in de kennisgevingen van de rechterlijke beslissingen, toegezonden vóór 1 december 2006, de rechtzoekenden misleiden.
       Deze werkwijze werd al toegepast bij de inwerkingtreding van de PRV.
       Wij hebben de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars,
       De Minister van Binnenlandse Zaken,
       P. DEWAEL
       De Minister van Financiën,
       D. REYNDERS

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 8 uitvoeringbesluiten 7 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie