J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 12 uitvoeringbesluiten 17 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2006/03/22/2006003247/justel

Titel
22 MAART 2006. - Wet betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiėle instrumenten.
(NOTA : art. 4, 11, 12 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij KB 2007-04-27/85, art. 117, 119, 120, 002; Inwerkingtreding : onbepaald)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-04-2006 en tekstbijwerking tot 05-08-2020)

Bron : FINANCIEN
Publicatie : 28-04-2006 nummer :   2006003247 bladzijde : 22598       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2006-03-22/50
Inwerkingtreding : 01-07-2006

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Doel. - Toepassingsgebied. - Definities.
Art. 1-4
HOOFDSTUK II. - Inschrijvings- en bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 5-6
Afdeling 2. - Procedure en voorwaarden van inschrijving.
Art. 7-13
HOOFDSTUK III. - Specifieke bepalingen ter bescherming van de spaarders en beleggers.
Art. 14-16
HOOFDSTUK IV. - Organisatie van het toezicht en administratieve maatregelen.
Art. 17, 17/1, 18-20
HOOFDSTUK V. - Sancties.
Art. 21-23
HOOFDSTUK VI. - Overgangsbepalingen.
Art. 24, 24bis, 24ter
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.
Art. 25-26

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Doel. - Toepassingsgebied. - Definities.

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  Art. 2. Deze wet regelt de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheid van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten, het aanbieden van bank- en beleggingsdiensten door gereglementeerde ondernemingen, de informatie die aan het publiek dient te worden verstrekt bij de uitoefening van die werkzaamheden, alsook het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.

  Art. 3. Deze wet is van toepassing op de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten en de gereglementeerde ondernemingen, die in Belgiė werkzaam zijn of beogen te zijn.

  Art. 4.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° " bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten " : de werkzaamheden die bestaan in het met mekaar in contact brengen van spaarders en beleggers enerzijds en gereglementeerde ondernemingen anderzijds, met inbegrip van de promotie, met het oog op het tot stand brengen voor rekening van een gereglementeerde onderneming van een of meerdere van de volgende banken beleggingsdiensten :
  a) het in ontvangst nemen van deposito's en andere terugbetaalbare gelden, [2 in de zin van artikel 4, 1), van de [4 wet van 25 april 2014]4;]2
  b) [5 de beleggingsdiensten en activiteiten in de zin van artikel 2, 1°, 1, 5 en 7 van de wet van 25 oktober 2016]5
  c) [3 de voorstelling van rechten van deelneming van openbare instellingen voor collectieve belegging, als gedefinieerd in artikel 3, 2°, van de wet over het collectief beheer van beleggingsportefeuilles of, naargelang van het geval, artikel 3, 4°, van de wet betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, op welke wijze ook, om de cliėnt of de potentiėle cliėnt ertoe aan te zetten die effecten te kopen of erop in te schrijven;]3
  d) de kapitalisatieverrichtingen in de zin van het koninklijk besluit op de kapitalisatieondernemingen; worden niet als bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten beschouwd, de werkzaamheden rechtstreeks uitgeoefend door een gereglementeerde onderneming, waarvoor zij een vergunning heeft gekregen overeenkomstig de [4 wet van 25 april 2014]4, de wet op de beleggingsondernemingen, de wet collectief beheer beleggingsportefeuilles [3 ...]3 [3 of de wet betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders]3;
  2° " de tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten " : elke rechtspersoon of elke natuurlijke persoon werkzaam als zelfstandige in de zin van de sociale wetgeving, die, zelfs occasioneel, werkzaamheden van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten uitoefent of wil uitoefenen;
  3° " agent in bank- en beleggingsdiensten " : de tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten die handelt in naam en voor rekening van één enkele gereglementeerde onderneming;
  4° " makelaar in bank- en beleggingsdiensten " : de tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten die geen agent in bank- en beleggingsdiensten is, en in de keuze van de gereglementeerde onderneming niet gebonden is ingevolge een vaste band met één of meerdere van deze ondernemingen;
  5° " gereglementeerde onderneming " : een kredietinstelling als gedefinieerd [2 in artikel 1, § 3, van de [4 wet van 25 april 2014]4;]2 een beleggingsonderneming als gedefinieerd in [5 artikel 3 van de wet van 25 oktober 2016]5; een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging en een instelling voor collectieve belegging, als gedefinieerd in, respectievelijk, [3 artikel 3, 1°, en artikel 3, 12°,]3 van de wet collectief beheer beleggingsportefeuilles; [3 ...]3 [3 of een beheerder of een AICB, als respectievelijk gedefinieerd in de artikelen 3, 13°, en 3, 2° van de wet betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders]3 [6 of een alternatieve-financieringsplatform die beleggingsdiensten verleent]6;
  6° " bevoegde autoriteit " : de autoriteit of autoriteiten belast met de gehele of gedeeltelijke toepassing en toezicht op de naleving van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen;
  7° [5 wet van 25 april 2014: wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen;]5
  8° " de verzekeringswet " : [7 de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen]7;
  9° [5 wet van 25 oktober 2016: wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies;]5
  10° " de wet betreffende het toezicht op de financiėle sector " : de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiėle sector en de financiėle diensten;
  11° " de wet collectief beheer beleggingsportefeuilles " : de [3 wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;]3;
  12° [3 "de wet betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders" : de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;]3
  13° [7 "richtlijn 2014/65/EU": de richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiėle instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU;]7
  14° " [1 FSMA]1 " : Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen;
  15° " onafhankelijk orgaan " : het onafhankelijk orgaan bedoeld in de wet van 24 maart 2003 tot instelling van een basisbankdienst.
  ----------
  (1)<KB 2011-03-03/01, art. 331, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2011>
  (2)<W 2014-04-25/09, art. 86, 009; Inwerkingtreding : 07-05-2014>
  (3)<W 2014-04-19/62, art. 403, 011; Inwerkingtreding : 27-06-2014>
  (4)<W 2016-10-25/04, art. 135, 012; Inwerkingtreding : 28-11-2016>
  (5)<W 2016-10-25/04, art. 136, 012; Inwerkingtreding : 28-11-2016>
  (6)<W 2017-11-21/08, art. 129, 015; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (7)<W 2019-05-02/25, art. 140, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  HOOFDSTUK II. - Inschrijvings- en bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden.

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 5.§ 1. Geen enkele persoon mag in Belgiė de activiteit van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten uitoefenen, zonder vooraf ingeschreven te zijn in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten dat door de bevoegde autoriteit wordt bijgehouden. [3 De activiteit van verbonden agent in de zin van richtlijn 2014/65/EU kan in Belgiė evenwel worden uitgeoefend door agenten die niet in Belgiė zijn gevestigd en zijn ingeschreven in het register van de verbonden agenten in de lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij gevestigd zijn.]3
  Het door de bevoegde autoriteit bijgehouden register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten wordt onderverdeeld in de categorieėn " makelaars in bank- en beleggingsdiensten " en " agenten in bank- en beleggingsdiensten ".
  Een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten kan slechts in één van de voormelde categorieėn worden ingeschreven.
  (Onder een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte ressorterende beleggingsondernemingen of kredietinstellingen mogen in Belgiė, overeenkomstig de bepalingen van de [3 richtlijn 2014/65/EU]3, beroep doen op met toepassing van het eerste lid ingeschreven tussenpersonen die in hun naam en voor hun rekening optreden.
  [3 De in Belgiė gevestigde agenten in bank- en beleggingsdiensten die, overeenkomstig de voornoemde richtlijn, de in artikel 4, 1°, b), bedoelde beleggingsdiensten verrichten in naam en voor rekening van een beleggingsonderneming of een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, worden gelijkgesteld met een bijkantoor wanneer in Belgiė een bijkantoor is gevestigd in de zin van artikel 2, 26) van de wet van 25 oktober 2016. In ieder geval zijn de voorschriften bepaald door de artikelen 10 en 70 tot 82 van de wet van 25 oktober 2016 en door de artikelen 590 en 592 tot 600 van de wet van 25 april 2014 van toepassing.]3
  [2 ...]2
  § 2. De gereglementeerde ondernemingen die in Belgiė werkzaam zijn, mogen geen beroep doen op een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten die niet is ingeschreven overeenkomstig het bepaalde bij § 1.
  Indien zij niettemin beroep doen op een niet ingeschreven tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten zijn zij burgerrechtelijk aansprakelijk voor de handelingen die deze tussenpersoon verricht in het kader van zijn activiteit van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten.
  ----------
  (1)<W 2016-10-25/04, art. 137, 012; Inwerkingtreding : 28-11-2016>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 130, 015; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (3)<W 2019-05-02/25, art. 141, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 6. Niemand mag de titel dragen van makelaar in banken beleggingsdiensten of van makelaar met verwijzing naar de activiteit van bank- en/of beleggingsdiensten, van agent in bank- en beleggingsdiensten of van agent of gevolmachtigd agent met verwijzing naar de activiteit van bank- en/of beleggingsdiensten, tenzij hij overeenkomstig het bepaalde bij artikel 5, § 1, is ingeschreven in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten, respectievelijk, in de categorie " makelaars in bank- en beleggingsdiensten " en de categorie " agenten in bank- en beleggingsdiensten ". Evenmin mag iemand de titel dragen van tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten, tenzij hij overeenkomstig het bepaalde bij artikel 5, § 1, in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten in een van de voormelde categorieėn is ingeschreven.

  Afdeling 2. - Procedure en voorwaarden van inschrijving.

  Art. 7.§ 1. Elke aanvraag om inschrijving in het in artikel 5, § 1, eerste lid, bedoelde register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten wordt gericht aan de bevoegde autoriteit. In zijn aanvraag moet de kandidaat aanduiden in welke categorie hij wenst ingeschreven te worden.
  De Koning is bevoegd om bij besluit, genomen na advies van de bevoegde autoriteit, de vormen en voorwaarden te bepalen waaraan elke aanvraag om inschrijving in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten moet voldoen en de wijze waarop de bevoegde autoriteit de inschrijvingsaanvragen behandelt.
  De aanvrager moet zijn aanvraag staven met de nodige documenten die aantonen dat hij aan alle voorwaarden voldoet.
  [4 ...]4
  § 2. Binnen zestig kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag en van alle vereiste documenten beslist de bevoegde autoriteit de kandidaat al dan niet in het register in te schrijven in de door hem gevraagde categorie. De bevoegde autoriteit brengt haar beslissing ter kennis van de aanvrager [1 ...]1. In geval van weigering moet de bevoegde autoriteit deze beslissing motiveren. Elke wijziging van de gegevens van de in deze paragraaf vermelde documenten moet onverwijld aan de bevoegde autoriteit worden medegedeeld, onverminderd het recht van deze om bij de betrokkene alle nodige informatie in te winnen of bewijskrachtige documenten op te vragen.
  [3 De gereglementeerde ondernemingen, de tussenpersonen en de in artikel 9, 1°, bedoelde personen brengen de bevoegde autoriteit inzonderheid onverwijld op de hoogte van elk feit of element dat een wijziging inhoudt van de bij de aanvraag tot inschrijving verstrekte informatie, en dat een invloed kan hebben op de voor de uitoefening van de betrokken functie vereiste geschiktheid of professionele betrouwbaarheid.
   Overeenkomstig de artikelen 8, eerste lid, 9 en 17, § 1, kan de bevoegde autoriteit, wanneer zij in het kader van de uitvoering van haar toezichtsopdracht op de hoogte is van een dergelijk feit of element, dat al dan niet met toepassing van het tweede lid is verkregen, de naleving van de in artikelen 8, eerste lid, 3° en 9, 1°, bedoelde vereisten herbeoordelen.]3
  § 3. De lijst van de ingeschreven tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten wordt door de bevoegde autoriteit op haar website bekendgemaakt. Zij zorgt voor een regelmatige actualisering van de website op basis van de haar beschikbare gegevens. [2 De FSMA stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten in kennis van de inschrijvingen van de makelaars in bank- en beleggingsdiensten.]2
  De website vermeldt voor iedere tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten, de gegevens noodzakelijk voor zijn identificatie, de datum van inschrijving, de categorie waarin hij is ingeschreven, desgevallend de datum van schrapping, evenals alle andere informatie die de bevoegde autoriteit nuttig acht voor een correcte informatie van het publiek. De website vermeldt voor iedere agent in bank- en beleggingsdiensten de naam van zijn principaal. De bevoegde autoriteit bepaalt de voorwaarden waaronder de vermelding van schrapping van een tussenpersoon wordt weggelaten van de website.
  ----------
  (1)<W 2017-04-18/03, art. 43, 013; Inwerkingtreding : 04-05-2017>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 131, 015; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (3)<W 2017-12-05/04, art. 8, 016; Inwerkingtreding : 28-12-2017>
  (4)<W 2019-05-02/25, art. 142, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 8.Om in het register van de tussenpersonen in banken beleggingsdiensten bedoeld in artikel 5, § 1, te worden ingeschreven en die inschrijving te behouden, moet de betrokken persoon :
  1° de vereiste beroepskennis bezitten;
  2° een voldoende financiėle draagkracht waarborgen;
  3° een voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid bezitten;
  4° [5 zich niet bevinden in één van de gevallen opgesomd in artikel 20 van de [7 wet van 25 april 2014]7;]5
  5° in het bezit zijn van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering; van deze vereiste van beroepsaansprakelijkheidsverzekering zijn evenwel de [9 agenten]9 in bank- en beleggingsdiensten vrijgesteld, voor zover de gereglementeerde ondernemingen voor wie zij optreden, die aansprakelijkheid onvoorwaardelijk op zich nemen;
  6° zich ervan onthouden deel te nemen aan werkzaamheden van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten die strijdig zijn met Belgische wettelijke en reglementaire bepalingen;
  7° enkel handelen voor rekening van ondernemingen die de vereiste erkenning hebben;
  8° [10 aansluiten bij Ombudsfin, de gekwalificeerde entiteit voor de buitengerechtelijke regeling van consumentengeschillen inzake financiėle diensten, in de zin van boek XVI van het Wetboek van economisch recht. Hij dient ofwel zelf toegetreden te zijn tot die klachtenregeling, ofwel lid te zijn van een beroepsvereniging die is toegetreden. De tussenpersoon dient bij te dragen tot de financiering van bedoelde klachtenregeling en in te gaan op elk verzoek om informatie dat hij in het kader van die regeling ontvangt;]10
  9° het bepaalde bij hoofdstuk III naleven;
  10° [4 de bijdragen in de werkingskosten van de FSMA betalen, vastgesteld overeenkomstig artikel 56 van de wet betreffende het toezicht op de financiėle sector.]4
  
  (NOTA : voor de jaarlijkee bijdrage in de werkingskosten, zie de uitvoeringbesluiten
  
  [1 11° [8 voldoen aan de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, aan de uitvoeringsbesluiten ervan en aan de uitvoeringsbesluiten van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiėle stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, voor zover deze wetgeving van toepassing is op de betrokken tussenpersoon en de inhoud van de uitvoeringsbesluiten van de voornoemde wet van 11 januari 1993 niet in strijd is met de voornoemde wet van 18 september 2017.]8]1
  [6 12° een professioneel e-mailadres hebben opgegeven aan de FSMA waarnaar zij op rechtsgeldige wijze alle individuele of collectieve mededelingen kan versturen die zij, ter uitvoering van deze wet [11 of enige andere wettelijke of reglementaire bepaling waarop zij toeziet]11, verricht.]6
  De Koning is bevoegd om :
  1° bij besluit, genomen na advies van de bevoegde autoriteit, de vorm en de inhoud te bepalen van de vereisten bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, en 5°; Hij kan voorzien in overgangsmaatregelen;
  2° [10 ...]10
  De tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten [10 ...]10 dienen de bevoegde autoriteit, volgens modaliteiten door haar [10 ...]10 bepaald, met inbegrip van de periodiciteit, de naleving aan te tonen van het bepaalde bij het eerste lid.
  ----------
  (1)<W 2009-07-31/33, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 18-08-2009>
  (2)<KB 2011-03-03/01, art. 331, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2011>
  (3)<W 2012-12-13/03, art. 85, 007; Inwerkingtreding : 30-12-2012>
  (4)<W 2013-07-30/16, art. 59, 008; Inwerkingtreding : 09-09-2013>
  (5)<W 2014-04-25/09, art. 87, 009; Inwerkingtreding : 07-05-2014>
  (6)<W 2014-04-19/39, art. 38, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017; ZIE <KB 2017-03-09/24, art. 1,2°>
  (7)<W 2016-10-25/04, art. 135, 012; Inwerkingtreding : 28-11-2016>
  (8)<W 2017-09-18/06, art. 171, 014; Inwerkingtreding : 16-10-2017>
  (9)<W 2017-11-21/08, art. 132, 015; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (10)<W 2019-05-02/25, art. 143, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2019>
  (11)<W 2020-07-20/12, art. 27, 018; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 9.De tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten met de hoedanigheid van rechtspersoon worden bovendien slechts ingeschreven, en hun inschrijving wordt slechts gehandhaafd, op voorwaarde dat :
  1° de personen die met de effectieve leiding worden belast [1 ...]1 [1 zich niet bevinden in een van de gevallen [2 die zijn opgesomd in artikel 20 van de [3 wet van 25 april 2014]3,]2 ]1 [4 en over de voor de uitoefening van hun functie vereiste passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid beschikken]4;
  2° de bevoegde autoriteit in kennis is gesteld van de identiteit van, en, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid, overtuigd is van de geschiktheid van de personen die over de tussenpersoon de controle [2 in de zin van [4 artikel 3, 26°, van de wet van 25 april 2014]4]2 uitoefenen; bedoelde tussenpersonen informeren de bevoegde autoriteit over elke wijziging in deze controle.
  [4 3° de personen belast met de effectieve leiding die de facto de verantwoordelijkheid hebben over de werkzaamheid van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten, moeten de beroepskennis bezitten als bedoeld in artikel 8, eerste lid, 1°.]4
  ----------
  (1)<W 2010-04-06/21, art. 31, 005; Inwerkingtreding : 03-05-2010>
  (2)<W 2014-04-25/09, art. 88, 009; Inwerkingtreding : 07-05-2014>
  (3)<W 2016-10-25/04, art. 135, 012; Inwerkingtreding : 28-11-2016>
  (4)<W 2019-05-02/25, art. 144, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 10.§ 1. Onverminderd het bepaalde bij de artikelen 8 en 9, wordt een tussenpersoon bovendien slechts ingeschreven in de categorie " agenten in bank- en beleggingsdiensten " en wordt zijn inschrijving in deze categorie slechts gehandhaafd, op voorwaarde dat hij, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, voor het geheel van zijn werkzaamheden voor rekening van een gereglementeerde onderneming, in naam en voor rekening handelt van één enkele principaal.
  Bij zijn aanvraag om inschrijving vermeldt de in het eerste lid bedoelde tussenpersoon de naam en plaats van vestiging van de maatschappelijke zetel van zijn principaal.
  Het bepaalde bij het eerste lid is niet van toepassing op de bemiddeling met betrekking tot kredietverlening [2 in de zin van artikel 4, 2) en 3), van de [4 wet van 25 april 2014]4.]2
  § 2. [1 Een agent in bank- en beleggingsdiensten mag geen mandaat of volmacht hebben op een rekening van zijn cliėnten, tenzij van inwonende gezinsleden en van handelsvennootschappen waarvan hij effectief leider is, noch zelf financiėle instrumenten of rekeningboekjes van cliėnten bijhouden of in open bewaargeving houden.]1
  § 3. De samenwerking tussen de agent in bank- en beleggingsdiensten en zijn principaal maakt het voorwerp uit van een schriftelijke overeenkomst. De overeenkomst legt de door de agent na te leven boekhoudkundige en administratieve procedures vast. De overeenkomst bepaalt uitdrukkelijk dat de agent slechts aan bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten kan doen in naam en voor rekening van de principaal, en bepaalt welke andere werkzaamheden dan bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten met het mandaat van agent in bank- en beleggingsdiensten mogen gecumuleerd worden en/of de procedure die dient gevolgd voor het bekomen van de toestemming daartoe van de principaal, onverminderd het bepaalde bij artikel 12. De Koning is bevoegd om bij besluit, genomen na advies van de bevoegde autoriteit, vast te stellen welke andere bepalingen in deze overeenkomsten moeten worden opgenomen, teneinde de veiligheid van de uitgevoerde verrichtingen te verzekeren.
  § 4. De agent in bank- en beleggingsdiensten handelt voor wat zijn activiteit van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten betreft onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van zijn principaal. De principaal oefent toezicht uit op de naleving door de agent in bank- en beleggingsdiensten van de bepalingen van deze wet en de in uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.
  [3 Als de principaal kennis heeft van elementen die twijfel kunnen doen rijzen over de naleving van de in deze wet vastgestelde inschrijvingsvoorwaarden door een van zijn agenten of een andere tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten op wie hij een beroep doet of gedaan heeft, brengt hij die elementen onverwijld ter kennis brengen van de FSMA.
   De gereglementeerde ondernemingen stellen de FSMA ook in kennis van het feit dat iemand zich voordoet als tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten zonder in het in deze wet vermelde register te zijn ingeschreven.]3
  [1 § 5. Wanneer de bevoegde autoriteit vaststelt dat de samenwerking tussen een agent in bank- en beleggingsdiensten en zijn principaal wordt beėindigd, schrapt zij de betrokken agent uit het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten, na hem daarvan vooraf in kennis te hebben gesteld.]1
  [5 Als een gereglementeerde onderneming en haar agent hun samenwerking beėindigen, stellen zij de FSMA daarvan in kennis.]5
  ----------
  (1)<W 2009-07-31/33, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 18-08-2009>
  (2)<W 2014-04-25/09, art. 89, 009; Inwerkingtreding : 07-05-2014>
  (3)<W 2014-04-19/39, art. 39, 010; Inwerkingtreding : 29-05-2014; zie KB 2014-04-19/40, art. 1>
  (4)<W 2016-10-25/04, art. 135, 012; Inwerkingtreding : 28-11-2016>
  (5)<W 2017-11-21/08, art. 133, 015; Inwerkingtreding : 03-01-2018>

  Art. 11.§ 1. Onverminderd het bepaalde bij de artikelen 8 en 9, wordt een tussenpersoon bovendien slechts ingeschreven in de categorie " makelaars in bank- en beleggingsdiensten " en wordt zijn inschrijving in deze categorie slechts gehandhaafd, op voorwaarde dat hij zijn beroepswerkzaamheden uitoefent buiten elke exclusieve agentuurovereenkomst of elke andere juridische verbintenis die hem verplicht zijn hele productie of een bepaald deel ervan te plaatsen bij een bepaalde gereglementeerde onderneming. Bij zijn aanvraag om inschrijving voegt hij een verklaring op erewoord waarin hij dit bevestigt.
  [2 Bovendien moet hij de volgende verplichtingen naleven:
   1° [3 de beleggingsdiensten als bedoeld in artikel 4, 1°, b), zijn beperkt tot de beleggingsdiensten en -activiteiten in de zin van artikel 2, 1°, 1 en 5 van de wet van 25 oktober 2016, met betrekking tot effecten en rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging;]3
   2° hij mag op geen enkel ogenblik in contanten of op rekening gelden en financiėle instrumenten ontvangen en bijhouden, of in een debetpositie staan ten aanzien van de spaarder of belegger; hij mag geen mandaat of volmacht hebben op rekening van zijn cliėnten, tenzij van inwonende gezinsleden, noch zelf waarden of rekeningboekjes van cliėnten bijhouden of in open bewaargeving houden.]2
  [3 § 1/1. Daarnaast, en onverminderd de bepalingen van de artikelen 8 en 9, zijn de volgende artikelen van de wet van 26 oktober 2016 mutatis mutandis van toepassing op de makelaars in bank- en beleggingsdiensten:
   - artikel 22;
   - artikel 23, § 1, derde lid, § 2 en 3;
   - artikel 25, § 1, 1°, 3°, 6° en 10° en § 2;
   - artikel 25/1, § 1, eerste en tweede lid en § 3;
   - artikel 25/2, § 1, 3° en § 5 tot 7;
   - [4 artikelen 26, § 2, en 5, en 26/1, § 2]4;
   - artikel 32, § 1;
   - artikel 34, § 1, 2, 6 en 7;
   - artikel 35, § 4 en 5;
   - en artikel 36, § 1, § 5, tweede en derde lid, § 6, tweede en derde lid en §§ 7, 9 en 10,
   alsook de bepalingen van de besluiten en reglementen en van de overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU vastgestelde overeenkomstige gedelegeerde handelingen, die ter uitvoering daarvan zijn genomen.]3
  § 2. De samenwerking tussen een makelaar in banken beleggingsdiensten en de gereglementeerde onderneming met dewelke hij handelt, maakt het voorwerp uit van een schriftelijke overeenkomst. De overeenkomst bevat de door de makelaar na te leven boekhoudkundige en administratieve procedures.
  De Koning is bevoegd om bij besluit, genomen na advies van de bevoegde autoriteit, te bepalen welke andere bepalingen in deze overeenkomsten moeten worden opgenomen, teneinde de veiligheid van de uitgevoerde verrichtingen te verzekeren.
  ----------
  (1)<W 2009-07-31/33, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 18-08-2009>
  (2)<W 2016-10-25/04, art. 138, 012; Inwerkingtreding : 28-11-2016>
  (3)<W 2017-11-21/08, art. 134, 015; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (4)<W 2019-05-02/25, art. 145, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 12.§ 1. Een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten kan, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten uitoefenen in combinatie met :
  1° het eigen bedrijf van gereglementeerde onderneming;
  2° voor eigen rekening, de werkzaamheden [1 in de zin van artikel 4, 4), 5) en 7) tot en met 14), van de [2 wet van 25 april 2014]2,]1 onverminderd het bepaalde in 3°;
  3° [3 het verstrekken:
   - voor eigen rekening, van beleggingsdiensten als bedoeld in artikel 2, 1° van de wet van 25 oktober 2016 en, voor rekening van derden, van dergelijke beleggingsdiensten met uitzondering van de beleggingsdiensten als bedoeld in artikel 4, 1°, en
   - voor eigen rekening, van nevendiensten als bedoeld in artikel 2, 2° van de wet van 25 oktober 2016
   Bovendien mag een makelaar in bank- en beleggingsdiensten niet optreden als tussenpersoon voor de nevendiensten als bedoeld in artikel 2, 2°, 1) van de wet van 25 oktober 2016.]3
  [4 Een makelaar in bank- en beleggingsdiensten kan bovendien in afwijking van het eerste lid, voor eigen rekening diensten van beleggingsadvies aanbieden bedoeld in artikel 2, 1°, 5) van de wet van 25 oktober 2016, met betrekking tot effecten en rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging.
   De Koning kan specifieke organisatorische regels evenals gedragsregels opleggen aan de makelaars in bank- en beleggingsdiensten die voor eigen rekening diensten van beleggingsadvies aanbieden.]4
  4° voor eigen rekening of voor rekening van een derde, de verrichtingen bedoeld in [3 artikel 102 en 103 van de wet van 25 oktober 2016]3.
  § 2. Onverminderd het bepaalde bij § 1, kan een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten naast bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten andere beroepsactiviteiten uitoefenen, op voorwaarde dat :
  1° de beroepsactiviteiten zijn reputatie, alsook deze van de gereglementeerde onderneming voor rekening van dewelke hij als tussenpersoon optreedt, niet in het gedrang brengen;
  2° de beroepsactiviteiten organisatorisch en boekhoudkundig volledig gescheiden zijn van de werkzaamheden van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten; de tussenpersoon dient in zijn contacten met het publiek bij de uitoefening van deze beroepsactiviteiten elke verwijzing naar zijn werkzaamheden van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten te vermijden, tenzij deze contacten enkel notoriteit beogen;
  de voorwaarde van organisatorische scheiding is niet van toepassing met betrekking tot de beroepsactiviteiten die hij uitoefent als tussenpersoon optredend voor een gereglementeerde onderneming, als ingeschreven tussenpersoon in verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling, of inzake bemiddeling met betrekking tot kredietverlening [1 in de zin van artikel 4, 2), 3) en 6), van de [2 wet van 25 april 2014]2;]1
  3° hij de vereiste toestemming heeft bekomen bedoeld in artikel 10, § 3.
  De bevoegde autoriteit kan minimumvoorwaarden vaststellen met het oog op de nadere bepaling van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden.
  § 3. Een makelaar in bank- en beleggingsdiensten kan bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten slechts uitoefenen in combinatie met verzekeringsbemiddeling inzake producten behorende tot de takken 21, 23 en 26 in de zin van de verzekeringswet, die uit economisch oogpunt overwegend gemeenschappelijke karakteristieken vertonen met spaar- of beleggingsinstrumenten, op voorwaarde dat hij en de verzekeringsonderneming voor rekening van dewelke hij als verzekeringstussenpersoon optreedt, in een schriftelijke overeenkomst vastleggen dat de tussenpersoon met betrekking tot de voormelde producten op geen enkel ogenblik, noch in contanten, noch op rekening, gelden mag ontvangen en bijhouden die afkomstig zijn van of toebehoren aan een verzekeringsnemer of een verzekerde.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/09, art. 90, 009; Inwerkingtreding : 07-05-2014>
  (2)<W 2016-10-25/04, art. 135, 012; Inwerkingtreding : 28-11-2016>
  (3)<W 2016-10-25/04, art. 139, 012; Inwerkingtreding : 28-11-2016>
  (4)<W 2016-10-25/04, art. 145, 012; Inwerkingtreding : 28-11-2016>

  Art. 13. Personen die in een gereglementeerde onderneming op welke wijze ook in contact staan met het publiek met het oog op het te koop aanbieden van bank- en beleggingsdiensten in de zin van artikel 4, 1, a), b), c) en d), met inbegrip van de promotie, en de personen die bij een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten zich rechtstreeks met bemiddeling in dergelijke bank- en beleggingsdiensten bezig houden, inzonderheid iedere persoon die daartoe op welke wijze ook in contact staat met het publiek, moeten voldoen aan de vereisten van beroepskennis als bepaald door de Koning bij besluit genomen na advies van de bevoegde autoriteit.
  De werkgever bewaart de lijst van de in het eerste lid bedoelde personen en stukken inzake beroepskennis, en houdt deze ter beschikking van de bevoegde autoriteit.

  HOOFDSTUK III. - Specifieke bepalingen ter bescherming van de spaarders en beleggers.

  Art. 14.§ 1. [1 De tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten dienen zich op loyale, billijke en professionele wijze in te zetten voor de belangen van hun cliėnteel. De door hen verstrekte informatie moet correct, duidelijk en niet misleidend zijn.
   De tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten dienen, bij hun bemiddelingsactiviteit, de gedragsregels na te leven die van toepassing zijn op gereglementeerde ondernemingen [2 , en meer bepaald de gedragsregels als voorgeschreven door de artikelen 27 tot 28 van de wet betreffende het toezicht op de financiėle sector]2 [3 , alsook door de bepalingen van de besluiten en reglementen en van de overeenkomstig richtlijn 2014/65/EU vastgestelde overeenkomstige gedelegeerde handelingen, die ter uitvoering daarvan zijn genomen]3. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen op advies van de FSMA, [2 met inachtneming van de Europese richtlijnen en verordeningen,]2 voor de makelaars in bank- en beleggingsdiensten voorzien in een aangepaste versie van deze gedragsregels of bepaalde van deze regels geheel of gedeeltelijk buiten toepassing verklaren, om rekening te houden met de specificiteit van de rol van makelaar.]1
  [2 De makelaars in bank- en beleggingsdiensten dienen, bij hun bemiddelingsactiviteit, ook de regels na te leven tot voorkoming van belangenconflicten, als van toepassing op de gereglementeerde ondernemingen, met name de regels die zijn voorgeschreven door artikel 27, § 4, van de wet betreffende het toezicht op de financiėle sector [3 , alsook door de bepalingen van de besluiten en reglementen en van de overeenkomstig richtlijn 2014/65/EU vastgestelde overeenkomstige gedelegeerde handelingen, die ter uitvoering daarvan zijn genomen]3.]2
  [1 § 1erbis. De tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten bemiddelen enkel in bank- en beleggingsdiensten met betrekking tot producten waarvan zij, alsook de personen die zij tewerkstellen als bedoeld in artikel 13, de essentiėle kenmerken kennen en in staat zijn deze aan de cliėnten toe te lichten.
   De gereglementeerde ondernemingen bieden enkel bank- en beleggingsdiensten aan met betrekking tot producten waarvan de personen die zij tewerkstellen als bedoeld in artikel 13, de essentiėle kenmerken kennen en in staat zijn deze aan de cliėnten toe te lichten.]1
  § 2. [2 Onverminderd de bepalingen van artikelen 27 tot 28 van de wet betreffende het toezicht op de financiėle sector, is de Koning bevoegd om bij besluit genomen na advies van de bevoegde autoriteit, ter uitvoering van paragraaf 1 of paragraaf 1bis, regels ter voorkoming van belangenconflicten vast te stellen die de agenten in bank- en beleggingsdiensten moeten naleven.]2
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/16, art. 60, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2017-11-21/08, art. 135, 015; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (3)<W 2019-05-02/25, art. 147, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 15. § 1. De tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten verstrekt zijn cliėnt en potentiėle cliėnt ten minste de volgende informatie :
  a) zijn identiteit en adres;
  b) zijn inschrijvingsnummer in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten en de categorie waarin hij is ingeschreven;
  c) indien hij optreedt als agent in bank- en beleggingsdiensten, de naam van zijn principaal;
  d) indien hij optreedt als makelaar in bank- en beleggingsdiensten, de namen van de gereglementeerde ondernemingen voor wiens rekening hij gemachtigd is op te treden, en het verbod bedoeld in artikel 11, § 1, tweede lid, 3°;
  e) indien hij eveneens optreedt als verzekerings- of herverzekeringstussenpersoon inzake producten die behoren tot de takken 21, 23 en 26, het in artikel 12, § 3, bedoelde verbod om gelden te ontvangen en bij te houden;
  f) de naam en het adres van de bevoegde instantie aangewezen in uitvoering van artikel 8, tweede lid, 2°.
  De tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten vermeldt op zijn briefpapier en op de andere documenten betreffende zijn bemiddelingsactiviteit in bank- en beleggingsdiensten die van hem uitgaan, steeds de informatie bedoeld in het eerste lid, a), b) en c). Hij maakt van zijn inschrijving als bedoeld in het eerste lid, b), melding op de eenvormige wijze bepaald door de bevoegde autoriteit, en mag slechts op die wijze of in de bewoordingen bepaald door de bevoegde autoriteit van zijn inschrijving gewag maken.
  § 2. De Koning is bevoegd om bij besluit, genomen na advies van de bevoegde autoriteit, te bepalen welke andere informatie tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten aan hun cliėnten en potentiėle cliėnten moeten verstrekken, en onder welke vorm.

  Art. 16. De Koning is bevoegd om bij besluit, genomen na advies van de bevoegde autoriteit, te bepalen welke bepalingen van hoofdstuk III en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen van toepassing zijn op de bij artikel 13 bedoelde personen.

  HOOFDSTUK IV. - Organisatie van het toezicht en administratieve maatregelen.

  Art. 17.§ 1. Onverminderd het bepaalde bij artikel 25, tweede lid, wordt de [1 FSMA]1 als bevoegde autoriteit aangewezen.
  De [1 FSMA]1 kan alle voor de uitvoering van haar toezichtopdracht noodzakelijke inlichtingen vorderen, binnen de termijn die zij vaststelt [2 evenals alle opnames van telefoonverkeer en elektronische communicatie of ander dataverkeer die in het bezit zijn van een makelaar in bank- en beleggingsdiensten]2. Zij kan daartoe, onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende de onschendbaarheid van de woning en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, eveneens ter plaatse inspecties verrichten, en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in het bezit van de tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten of gereglementeerde onderneming.
  § 2. Met het oog op een goede toepassing van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen werkt de [1 FSMA]1 samen met de autoriteiten van andere landen met een gelijkaardige opdracht inzake toezicht op bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten, en kan zij met deze autoriteiten vertrouwelijke informatie uitwisselen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 75 en 77, §§ 1 en 2, van de wet van 2 augustus 2002.
  ----------
  (1)<KB 2011-03-03/01, art. 331, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2011>
  (2)<W 2019-05-02/25, art. 148, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 17/1.[1 Bij beslissing die met een aangetekende zending of tegen ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht, schrapt de FSMA de inschrijving van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten die hun activiteiten die overeenstemmen met de verleende inschrijving niet binnen zes maanden na hun inschrijving hebben aangevat, die hiervan afstand doen [2 , die failliet zijn verklaard,]2 of die hun activiteiten hebben stopgezet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-04-18/03, art. 44, 013; Inwerkingtreding : 04-05-2017>
  (2)<W 2019-05-02/25, art. 149, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 18.§ 1. Wanneer de [2 FSMA]2 vaststelt dat een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, identificeert zij deze tekortkomingen en stelt de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. Zij kan die termijn verlengen.
  [4 Bij deze gelegenheid kan de FSMA het uitoefenen van een deel of het geheel van de activiteit van de tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten verbieden en de inschrijving in het register schorsen tot zij heeft vastgesteld dat de tekortkomingen werden verholpen.]4
  Indien de [2 FSMA]2 na het verstrijken van deze termijn vaststelt dat de tekortkomingen niet zijn verholpen, schrapt zij de inschrijving van de betrokken tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten.
  De schrapping houdt het verbod in de gereglementeerde werkzaamheid uit te oefenen en de titel te voeren.
  § 2. In afwijking van het bepaalde bij § 1, wanneer de [2 FSMA]2 vaststelt dat een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten het bepaalde bij artikel 8, eerste lid, 2°, 5°, 7°en 10°, niet nakomt, maant zij deze aan de tekortkoming te verhelpen binnen de termijn die zij bepaalt. Zij kan die termijn zo nodig verlengen.
  Indien na deze termijn de tekortkoming niet is verholpen, vervalt de inschrijving van de tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten in het register van rechtswege. De [2 FSMA]2 brengt de betrokken tussenpersoon hiervan op de hoogte.
  [1 § 3. In geval van faillietverklaring van een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten schrapt de [2 FSMA]2 de betrokken tussenpersoon uit het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten en stelt zij de betrokkene daarvan in kennis.]1
  [3 § 4. De beslissingen van de FSMA als bedoeld in dit artikel, hebben voor de betrokken tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten uitwerking vanaf de datum van hun kennisgeving aan deze tussenpersoon via een ter post aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs.
   § 5. De FSMA kan de genomen maatregelen, op kosten van de tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten, publiceren in kranten en tijdschriften van haar keuze, of op plaatsen die zij kiest en voor de duur die zij bepaalt. De FSMA kan de genomen maatregelen eveneens op haar website publiceren.]3
  ----------
  (1)<W 2009-07-31/33, art. 11, 004; Inwerkingtreding : 18-08-2009>
  (2)<KB 2011-03-03/01, art. 331, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2011>
  (3)<W 2017-11-21/08, art. 136, 015; Inwerkingtreding : 03-01-2018>
  (4)<W 2019-05-02/25, art. 150, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 19.Wanneer de [1 FSMA]1 vaststelt dat een gereglementeerde onderneming niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, kan zij de maatregelen nemen die de wetgevingen die het statuut van de betrokken gereglementeerde onderneming regelen haar toestaan te nemen.
  ----------
  (1)<KB 2011-03-03/01, art. 331, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2011>

  Art. 20.Het directiecomité van de [1 FSMA]1 kan de notificatie van beslissingen tot inschrijving of tot weigering van inschrijving in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten, alsmede van beslissingen tot wijziging, aanmaning, schorsing en schrapping van inschrijving, opdragen aan een door haar aangeduid lid van het personeel van de [1 FSMA]1.
  [2 De FSMA kan de in het vorige lid bedoelde beslissingen op rechtsgeldige wijze ter kennis brengen aan de hand van een voorgedrukt formulier voorzien van een handtekening gereproduceerd door middel van een mecanografisch procedé.]2
  ----------
  (1)<KB 2011-03-03/01, art. 331, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2011>
  (2)<W 2014-04-19/39, art. 40, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2015 (zie KB 2014-04-19/40, art. 3; gewijzigd bij KB 2015-06-28/02, art. 2)>

  HOOFDSTUK V. - Sancties.

  Art. 21.§ 1. Onverminderd de toepassing van strengere in het Strafwetboek gestelde straffen, wordt met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 200 euro tot 2 000 euro of met één van die straffen alleen gestraft, hij die met bedrieglijk opzet :
  - de werkzaamheid van tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten uitoefent zonder ingeschreven te zijn overeenkomstig het bepaalde bij artikel 5;
  - het bepaalde bij artikel 6 niet naleeft;
  - aan een werknemer de opdracht heeft gegeven bank- en beleggingsdiensten te koop aan te bieden zonder dat die werknemer aan de in deze wet gestelde voorwaarden voldoet;
  - met een niet-ingeschreven tussenpersoon in banken beleggingsdiensten een agentuur- of makelaarovereenkomst aangaat en/of bank- en beleggingsdiensten verricht via een niet-ingeschreven tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten;
  - nalaat om wijzigingen mee te delen aan de bevoegde autoriteit met betrekking tot informatie die deel uitmaakt van zijn inschrijvingsdossier in uitvoering van het bepaalde bij Hoofdstuk II;
  - het bepaalde bij artikel 10, §§ 1, 2 en 3, artikel 11, artikel 12, artikel 14 en artikel 15 niet nakomt.
  Aan de personen die wegens een van bovenvermelde misdrijven veroordeeld worden, kan een definitieve of tijdelijke sluiting worden opgelegd van een deel van de lokalen of van alle lokalen die worden gebruikt voor de uitoefening van de werkzaamheid van tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten. Indien de voormelde misdrijven te wijten zijn aan nalatigheid, worden zij gestraft met geldboete van 100 euro tot 250 euro.
  § 2. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn toepasselijk op de misdrijven bedoeld in deze wet.
  § 3. Elke persoon die weigert aan de bevoegde autoriteit de door hem gevraagde inlichtingen en bescheiden te verstrekken die nodig zijn voor de controle op de toepassing van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, of zich tegen de onderzoeksmaatregelen verzet of een valse verklaring aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot vijftien dagen en met geldboete van 100 euro tot 1 000 euro of met één van die straffen alleen.
  [1 § 4. Ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van de overtreding van deze wet of een van de bepalingen als bedoeld in artikel 19 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, tegen een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten of een persoon belast met de effectieve leiding bij een dergelijke tussenpersoon, in de zin van deze wet, en ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van een overtreding van deze wet tegen iedere andere natuurlijke of rechtspersoon, moet ter kennis worden gebracht van de FSMA door de gerechtelijke autoriteit waar dit aanhangig is gemaakt.
   Iedere strafvordering op grond van in het eerste lid bedoelde misdrijven moet door het openbaar ministerie ter kennis worden gebracht van de FSMA.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-19/39, art. 41, 010; Inwerkingtreding : 29-05-2014; zie KB 2014-04-19/40, art. 1>

  Art. 22.§ 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de [1 FSMA]1 een persoon die geen gevolg geeft aan de aanmaningen die hem krachtens deze wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten of reglementen worden gegeven :
  1° een dwangsom opleggen [2 die per kalenderdag vertraging niet meer mag bedragen dan 5.000 euro, noch meer dan 75.000 euro, of in het geval van een gereglementeerde onderneming 2.500.000 euro, voor de miskenning van dezelfde aanmaning]2;
  2° openbaar maken dat deze geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij heeft vastgesteld te conformeren aan de voorschriften van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten of reglementen.
  § 2. Het bepaalde bij artikel 23, [2 § 2]2, is van overeenkomstige toepassing op de invordering van dwangsommen.
  ----------
  (1)<KB 2011-03-03/01, art. 331, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2011>
  (2)<W 2013-07-30/16, art. 61, 008; Inwerkingtreding : 09-09-2013>

  Art. 23.[1 § 1. Onverminderd de overige maatregelen bepaald door de wet, kan de FSMA, indien zij een inbreuk vaststelt door een tussenpersoon in bank- en beleggingsdiensten op de bepalingen van deze wet of van de besluiten of reglementen genomen ter uitvoering ervan, een administratieve boete opleggen die niet meer mag bedragen dan 75.000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten.
   Onverminderd de overige maatregelen bepaald door de wet, kan de FSMA, indien zij een inbreuk vaststelt door een gereglementeerde onderneming op de bepalingen van deze wet of van de besluiten of reglementen genomen ter uitvoering ervan, een administratieve boete opleggen die niet meer mag bedragen dan 2.500.000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten.
   § 2. De boetes opgelegd met toepassing van dit artikel worden ten voordele van de Schatkist geļnd door de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/16, art. 62, 008; Inwerkingtreding : 09-09-2013>

  HOOFDSTUK VI. - Overgangsbepalingen.

  Art. 24.§ 1. De tussenpersonen die bij de inwerkingtreding van deze wet reeds een jaar voltijds of drie jaar deeltijds de werkzaamheid van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten uitoefenen, krijgen een voorlopige toelating om die werkzaamheden verder uit te oefenen in de hoedanigheid van agent in bank- en beleggingsdiensten.
  Om de voorlopige toelating te behouden moeten de in het eerste lid bedoelde tussenpersonen binnen zes maanden te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet bij de [1 FSMA]1 een aanvraag indienen.
  De aanvraag moet vergezeld gaan van de nodige bewijsstukken waaruit blijkt dat de tussenpersonen voldoen aan de in artikel 8, eerste lid, 2°, 4°en 5°, en de in artikel 10, § 1, tweede lid, gestelde vereisten. De voorlopige toelating vervalt van rechtswege wanneer dat bewijs niet wordt geleverd.
  Het behoud van de voorlopige toelating is eveneens onderworpen aan de betaling van het bij artikel 8, 10°, bepaalde jaarlijks inschrijvingsrecht. Bij gebreke van betaling van dit recht binnen de door de [1 FSMA]1 toegestane termijn, vervalt de voorlopige toelating van rechtswege.
  De tussenpersonen die een voorlopige toelating hebben, kunnen overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 bij de [1 FSMA]1 een aanvraag indienen tot definitieve inschrijving in het register, zodra zij de nodige documenten voorleggen die aantonen dat zij ook voldoen aan de in artikel 8, 1, gestelde kennisvereiste.
  (NOTA :
  - Zonder afbreuk te doen aan artikelen 22 en 23 van het koninklijk besluit van 22 mei 2005 betreffende de dekking van de werkingskosten van de [1 FSMA]1, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 mei 2007, wordt het bedrag van het inschrijvingsrecht verschuldigd krachtens het artikel 24, § 1, voor het boekjaar 2008 als volgt vastgesteld :
   - het basisbedrag : 183,50 euro;
   - het bijkomend bedrag : 27,53 euro; zie MB 2008-05-08/31, art. 1; Inwerkingtreding : 16-05-2008)
  § 2. De in de § 1 bepaalde voorlopige toelating vervalt van rechtswege uiterlijk de eerste dag van de vijfentwintigste maand volgend op die van de inwerkingtreding van deze wet.
  ----------
  (1)<KB 2011-03-03/01, art. 331, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2011>

  Art. 24bis.<W 2007-05-09/41, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-07-2006; de inhoud van vorig art. 24bis werd vernummerd als art. 24ter> § 1. In afwijking van het bepaalde bij artikel 5 kunnen de tussenpersonen bedoeld in artikel 4, 2°, voor hun werkzaamheid van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten als bedoeld in artikel 4, 1°, d), opteren voor een aanvraag om inschrijving in het register van de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen. In zijn aanvraag moet de kandidaat aanduiden in welke categorie van het register van de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen hij ingeschreven wenst te worden.
  De in het eerste lid bedoelde tussenpersonen voegen bij hun aanvraag om inschrijving een attest waaruit blijkt dat de kapitalisatieonderneming voor rekening van dewelke zij de in artikel 4, 1°, d), bedoelde kapitalisatieverrichtingen uitvoeren, zich akkoord verklaart met de aanvraag tot inschrijving in het register van de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen.
  Wanneer de in het eerste lid bedoelde tussenpersoon reeds ingeschreven is in het register van de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen deelt hij zijn keuze als bedoeld in het eerste lid aan de [1 FSMA]1 mee en voegt hij daarbij het in het tweede lid bedoelde attest toe. Onverminderd het bepaalde bij artikel 9, § 1, vierde lid, van de in het eerste lid bedoelde wet van 27 maart 1995, kan deze melding collectief gebeuren door de kapitalisatieonderneming, voor de tussenpersonen die voor haar rekening de bij artikel 4, 1°, d), werkzaamheden uitoefenen.
  Een tussenpersoon kan voor de uitoefening van de in artikel 4, 1°, d), bedoelde werkzaamheden slechts in één enkel register ingeschreven zijn.
  De bepalingen van de in het eerste lid bedoelde wet van 27 maart 1995 en de in uitvoering ervan genomen besluiten zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de tussenpersonen die van de in het eerste lid bedoelde optie gebruik maken, met uitzondering van het bepaalde bij artikel 8 van die wet. De [1 FSMA]1 is bevoegd om nader te bepalen hoe de verwijzingen in de wet van 27 maart 1995 naar het bedrijf van verzekeringsonderneming en het bedrijf van verzekeringsbemiddeling moeten worden toegepast op het bedrijf van kapitalisatieonderneming en het bedrijf van bemiddeling in kapitalisatieverrichtingen.
  § 2. De bij paragraaf 1 bepaalde overgangsbepalingen houden op van kracht te zijn op de datum van opheffing van het koninklijk besluit op de kapitalisatieondernemingen, onverminderd de in het opheffingsbesluit bepaalde overgangsbepalingen, en uiterlijk op 31 december 2009.
  ----------
  (1)<KB 2011-03-03/01, art. 331, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2011>

  Art. 24ter. <Ingevoegd bij W 2007-05-09/41, art. 2; Inwerkingtreding : 01-07-2006; vernummering van vorig art. 24bis> De volgende bepalingen van deze wet zijn niet van toepassing op De Post naamloze vennootschap van publiek recht :
  1° artikel 10, § 3, tweede, derde en vierde zin;
  2° artikel 12, § 1, 2°;
  3° artikel 12, § 1, 4°;
  4° artikel 12, § 2, 2°;
  5° artikel 12, § 2, 3°.

  HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.

  Art. 25.De Koning oefent de bevoegdheden die Hem zijn toegekend door de bepalingen van deze wet uit op voordracht van de minister van Financiėn, en in de mate dat zij ook verzekeringsbemiddeling betreffen, ook op voordracht van de minister van Economie.
   De Koning kan bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, na advies van de [1 FSMA]1, binnen de perken van de Europese wetgeving bepaalde of alle bevoegdheden die bij deze wet aan de [1 FSMA]1 als bevoegde autoriteit worden toegekend overdragen aan een andere instantie die als bevoegde autoriteit zal optreden in de zin van deze wet.
  ----------
  (1)<KB 2011-03-03/01, art. 331, 006; Inwerkingtreding : 01-04-2011>

  Art. 26. Deze wet treedt in werking op 1 juli 2006. In afwijking van het eerste lid bepaalt de Koning de datum van inwerkingtreding van artikel 5, § 1, laatste lid.
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 5, § 1, vierde lid tot zesde lid vastgesteld op 01-11-2007, door KB 2007-06-03/46, art. 105)
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 22 maart 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiėn,
D. REYNDERS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 20-07-2020 GEPUBL. OP 05-08-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • WET VAN 02-05-2019 GEPUBL. OP 21-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 5; 7; 8; 9; 11; 12; 14; 17/1; 18)
  • originele versie
  • WET VAN 05-12-2017 GEPUBL. OP 18-12-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • WET VAN 21-11-2017 GEPUBL. OP 07-12-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 5; 7; 8; 10; 11; 14; 18)
  • originele versie
  • WET VAN 18-09-2017 GEPUBL. OP 06-10-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • WET VAN 18-04-2017 GEPUBL. OP 24-04-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 17/1)
  • originele versie
  • WET VAN 25-10-2016 GEPUBL. OP 18-11-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 8; 9; 10; 12; 5; 11; )
    (GEWIJZIGD ART. : 12)
  • originele versie
  • WET VAN 19-04-2014 GEPUBL. OP 17-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 4)
  • originele versie
  • WET VAN 19-04-2014 GEPUBL. OP 28-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 8; 10; 20; 21)
  • originele versie
  • WET VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 07-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 8; 9; 10; 12)
  • originele versie
  • WET VAN 30-07-2013 GEPUBL. OP 30-08-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 8; 14; 22; 23)
  • originele versie
  • WET VAN 13-12-2012 GEPUBL. OP 20-12-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-03-2011 GEPUBL. OP 09-03-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 8; 17; 18; 19; 20; 22; 23; 24; 24bis; 25)
  • originele versie
  • WET VAN 06-04-2010 GEPUBL. OP 23-04-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 9)
  • originele versie
  • WET VAN 31-07-2009 GEPUBL. OP 08-09-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 8; 10; 11; 18; 23)
  • originele versie
  • MINISTERIEEL BESLUIT VAN 08-05-2008 GEPUBL. OP 16-05-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 8; 24)
  • originele versie
  • WET VAN 09-05-2007 GEPUBL. OP 15-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 24BIS; 24TER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-04-2007 GEPUBL. OP 31-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 11; 12) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-04-2007 GEPUBL. OP 31-05-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 5)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 24BIS)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 2003-2004 : Senaat : Stukken. - 3 - 377, nr. 1 : Wetsvoorstel van de heer Willems. - 3-377, nr. 2 : Amendementen. Zitting 2005-2006 : Stukken. - 3-377, nrs. 3 en 4 : Amendementen. - 3-377, nr. 5 : Verslag. - 3-377, nr. 6 : Tekst aangenomen door de commissie. - 3-377, nr. 7 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers. Handelingen. - 12 januari 2006. Kamer van volksvertegenwoordigers : Stukken. - 51 2213, 001 : Ontwerp overgezonden door de Senaat. - 51 2213, nr. 002 : Verslag. - 51 2213, nr 003 : Tekst verbeterd door de commissie. - 51 2213, 004 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd. Integraal verslag. - 8 en 9 maart 2006.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 12 uitvoeringbesluiten 17 gearchiveerde versies
    Franstalige versie