J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 33 uitvoeringbesluiten 11 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2002/10/02/2002002263/justel

Titel
2 OKTOBER 2002. - Koninklijk besluit betreffende de aanduiding en de uitoefening van de staffuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten. <Opschrift vervangen bij KB 2006-02-02/37, art. 1, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-10-2002 en tekstbijwerking tot 03-03-2017)

Bron : PERSONEEL EN ORGANISATIE
Publicatie : 09-10-2002 nummer :   2002002263 bladzijde : 45571       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2002-10-02/33
Inwerkingtreding : 09-10-2002 A15

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :2002002233       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - De staffuncties en hun juridische aard.
Art. 2
HOOFDSTUK III. - De selectie, de werving en de aanstelling van de houders van een staffunctie.
Afdeling I. - Algemene bepaling.
Art. 3
Afdeling II. - De selectie.
Art. 4-7
Afdeling III. - De werving.
Art. 8
Afdeling IV. - De aanstelling.
Art. 9
HOOFDSTUK IV. - Nadere regels betreffende de uitoefening van de staffuncties.
Afdeling I. - [1 De bestuursovereenkomst en de bestuursplannen]1
Art. 10, 10bis
Afdeling II. - Nadere regelen betreffende de uitvoering van de staffuncties.
Art. 11-14
HOOFDSTUK V. - De evaluatie van de houder van een staffunctie.
Afdeling I. - Duur van de evaluatiecyclus <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>
Art. 15
Afdeling II. - Onderwerp van de evaluatie <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>
Art. 16
Afdeling III. - Actoren van de evaluatie <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>
Art. 17
fdeling IV. - Verloop van de evaluatiecyclus <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>
Onderafdeling 1. - De functioneringsgesprekken <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>
Art. 18
Onderafdeling 2. - Het evaluatiegesprek <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>
Art. 18bis
fdeling V. - Het evaluatieverslag en de toegekende vermelding <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>
Art. 19
Afdeling VI. - Het evaluatiedossier <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>
Art. 19bis
Afdeling VII. - Beroepsmogelijkheden <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>
Art. 19ter
HOOFDSTUK VI. [1 - Einde van het mandaat, niet-hernieuwing ervan en tijdelijke vervanging.]1
Afdeling I. - Einde van het mandaat.
Onderafdeling I. - Einde van rechtswege [1 en tijdelijke vervanging]1.
Art. 20
Onderafdeling II. - Vroegtijdige beëindiging.
Art. 21, 21bis, 22
Afdeling II. - Niet-hernieuwing.
Art. 23, 23bis
HOOFDSTUK VII. - Hernieuwing van het mandaat.
Art. 24
HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepaling.
Art. 25
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen.
Art. 26-27

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.

  Artikel 1. (Dit besluit is van toepassing op de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst.) (...). <KB 2006-02-02/37, art. 2, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002> <KB 2007-08-17/63, art. 18, 007; Inwerkingtreding : 28-10-2007>

  HOOFDSTUK II. - De staffuncties en hun juridische aard.

  Art. 2.§ 1. (De staffuncties zijn de volgende :) <KB 2006-02-02/37, art. 3, 1°, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
  1° de functioneel directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie;
  2° de functioneel directeur van de stafdienst Begroting en Beheerscontrole;
  3° de functioneel directeur van de stafdienst Informatie- en Communicatie Technologie;
  4° het hoofd van de Interne auditdienst.
  [1 Meerdere staffuncties binnen eenzelfde federale overheidsdienst kunnen worden samengevoegd op vraag van de betrokken minister, mits akkoord van de ministers van Ambtenarenzaken en Begroting.]1
  Bijkomende staffuncties kunnen door Ons in het organogram voorzien worden, op voorstel van de betrokken minister en mits akkoord van de ministers van Ambtenarenzaken en Begroting.
  De staffuncties in de federale overheidsdiensten (of de programmatorische federale overheidsdiensten) worden in twee groepen verdeeld : <KB 2006-02-02/37, art. 3, 2°, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
  -de staffuncties op het niveau -1, inzonderheid de staffuncties bedoeld in het § 1, (...), <KB 2007-08-17/63, art. 19, 1°, 007; Inwerkingtreding : 28-10-2007>
  - de staffuncties op het niveau -2.
  § 2. De staffuncties op het niveau -1 verhouden zich tot de managementfuncties in de volgende hiërarchische orde :
  1° de voorzitter van het directiecomité;
  2° de houder van een managementfunctie -1 en de houders van een staffunctie op het niveau -1;
  § 3. De staffuncties op het niveau -2 verhouden zich tot de managementfuncties in de volgende hiërarchische orde :
  1° de houder van een managementfunctie -1 (of de voorzitter); <KB 2006-02-02/37, art. 3, 3°, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
  2° de houders van een managementfuncties -2 en de houders van een staffunctie op het niveau -2;
  § 4. (...). <KB 2007-08-17/63, art. 19, 2°, 007; Inwerkingtreding : 28-10-2007>
  § 5. Alle staffuncties worden uitgeoefend in het kader van een mandaat, zijnde een hernieuwbare tijdelijke aanwijzing overeenkomstig artikel 9.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-10/55, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  HOOFDSTUK III. - De selectie, de werving en de aanstelling van de houders van een staffunctie.

  Afdeling I. - Algemene bepaling.

  Art. 3. Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk zijn de regels die toepasselijk zijn op de selectie en de werving van het rijkspersoneel van toepassing op de selectie en de werving van de houders van een staffunctie.

  Afdeling II. - De selectie.

  Art. 4. <KB 2004-06-15/32, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 07-07-2004> Om deel te nemen aan de vergelijkende selecties voor een staffunctie moeten de kandidaten houder zijn van een functie (van niveau A) of kunnen deelnemen aan een vergelijkende selectie voor een functie (van niveau A). <KB 2004-08-04/30, art. 163, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  De kandidaten voor een staffunctie dienen een nuttige professionele ervaring van minstens vijf jaar te bewijzen.

  Art. 5. <KB 2004-06-15/32, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 07-07-2004> § 1. De kandidaten voor een staffunctie moeten voldoen aan de functiespecifieke ervarings- en kennisvoorwaarden bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de te begeven staffunctie.
  § 2. De functiebeschrijving en het competentieprofiel van een binnen een federale overheidsdienst (of een programmatorische federale overheidsdienst) te begeven staffunctie worden bepaald : <KB 2006-02-02/37, art. 4, 1°, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
  1° voor de staffunctie op niveau -1, door de minister, op voorstel van de voorzitter van het directiecomité (of van de voorzitter); <KB 2006-02-02/37, art. 4, 2°, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
  2° voor de staffunctie op niveau -2, door de minister, op voorstel van de voorzitter van het directiecomité (of van de voorzitter) en de houder (van de staffunctie op het niveau -1). <KB 2005-04-12/33, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 16-05-2005> <KB 2006-02-02/37, art. 4, 3°, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>

  Art. 6.§ 1. [1 De kandidaturen worden ingediend bij de afgevaardigd bestuurder van SELOR - Selectiebureau van de federale overheid, die de toelaatbaarheid ervan onderzoekt.
   De kandidaten die toelaatbaar zijn verklaard leggen een computergestuurde assessmentproef af die de generieke managementcompetentie meet en aangepast is aan het niveau van de te begeven functie. Drie niveaus worden gedefinieerd :
   1° het niveau dat de wegingklassen 7 en 6 bevat;
   2° het niveau dat de wegingklassen 5 en 4 bevat;
   3° het niveau dat de andere wegingklassen bevat.
   Een kandidaat die niet geslaagd is voor de computergestuurde assessmentproef voor een niveau wordt gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het afleggen van deze proef, uitgesloten van het opnieuw afleggen van dezelfde proef of een proef voor een hoger niveau.
   Er wordt vrijstelling van de computergestuurde assessmentproef toegekend, gedurende 2 jaar berekend vanaf de datum van het slagen voor deze proef, voor elke andere management- of staffunctie van hetzelfde of een lager niveau.
   Er wordt eveneens vrijstelling toegekend aan de houders van een management- of een staffunctie van hetzelfde of een hoger niveau.]1
  § 2. [1 De kandidaten die geslaagd zijn voor de computergestuurde assessmentproef leggen voor de selectiecommissie een mondelinge proef af uitgaande van een praktijkgeval dat betrekking heeft op de te begeven staffunctie. De proef heeft tot doel zowel de specifieke competenties als de managementvaardigheden te evalueren die vereist zijn voor de uitoefening van deze functie.]1
  [1 § 2bis. De afgevaardigd bestuurder van SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid, bepaalt de methodologie voor de computergestuurde assessmentproeven en voor de mondelinge proef en controleert de toepassing ervan.]1
  § 3. Na [1 ...]1 de proef bedoeld in § 2 en na de vergelijking van de diploma's en verdiensten van de kandidaten, worden de kandidaten ingedeeld, hetzij in groep A " zeer geschikt ", hetzij in groep B " geschikt ", hetzij in groep C " minder geschikt ", hetzij in groep D " niet geschikt ". Deze indeling wordt gemotiveerd.
  In de groep A en de groep B worden de kandidaten gerangschikt.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-10/55, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 7.<KB 2004-06-15/32, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 07-07-2004> § 1. De selectiecommissie wordt samengesteld uit :
  1° de afgevaardigd bestuurder van SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid of zijn afgevaardigde, voorzitter;
  2° (één externe expert) inzake management; <KB 2006-02-02/37, art. 5, 1°, 005 ; Inwerkingtreding : 22-02-2006>
  3° (één externe expert) inzake human resources management; <KB 2006-02-02/37, art. 5, 1°, 005 ; Inwerkingtreding : 22-02-2006>
  4° twee externe experts met ervaring of een bijzondere kennis van de materie die eigen is aan de te begeven functie;
  5° (twee ambtenaren) uit een andere federale overheidsdienst of federale programmatorische overheidsdienst dan degene waarvoor een selectieprocedure voor een (staffunctie) wordt georganiseerd, uit een federaal ministerie, uit een openbare instelling van sociale zekerheid, uit een federale wetenschappelijke instelling, uit een federale instelling van openbaar nut of uit diensten van de Gewest- of Gemeenschapsregeringen of uit de Colleges van de Gemeenschapscommissies, die functies uitoefenen die minstens gelijkwaardig zijn aan de te begeven (staffunctie). <KB 2005-04-12/33, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 16-05-2005> <KB 2006-02-02/37, art. 5, 2°, 005 ; Inwerkingtreding : 22-02-2006>
  6° [1 ...]1
  [1 De taalpariteit wordt verzekerd binnen elk van de categorieën van leden van de selectiecommissie bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°. Het lid bedoeld in het eerste lid, 2° behoort tot een andere taalaanhorigheid dan die van het lid bedoeld in het eerste lid, 3°. De taalaanhorigheid van de leden, bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4°, wordt bepaald door de taal van het getuigschrift of het diploma dat bewijst dat men geslaagd is voor de studies die in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de competentie die nodig is voor de expertiseopdracht. De taalaanhorigheid van de leden, bedoeld in het eerste lid, 5°, wordt bepaald door de taalrol van de ambtenaar of door toepassing van de artikelen 35 tot 41 van de gewone wet van 9 augustus 1980 over de institutionele hervormingen.]1
  De profielen van de [1 ...]1 leden van de selectiecommissie bedoeld in het eerste lid, 2°, 4° en 5°, [1 ...]1 worden bepaald in samenspraak met de betrokken minister, op voorstel van de voorzitter van het betrokken directiecomité (of van de betrokken voorzitter). <KB 2006-02-02/37, art. 5, 4°, 005 ; Inwerkingtreding : 22-02-2006>
  Wanneer een staffunctie vacant wordt verklaard voor kandidaten van twee taalrollen, dient de voorzitter van de selectiecommissie hetzij de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, hetzij te worden bijgestaan door een ambtenaar die deze kennis heeft bewezen.
  (Indien een staffunctie uitsluitend vacant wordt verklaard voor kandidaten van één enkele taalrol, of indien er enkel kandidaten van één enkele taalrol overblijven na het onderzoek van de ontvankelijkheid van de kandidaturen door SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid, wordt de selectiecommissie samengesteld door één enkele vertegenwoordiger per categorie van leden bedoeld in het eerste lid, 2°, 3°, 4° en 5°. Ze behoren tot dezelfde taalrol of taalaanhorigheid als deze van de kandidaat. De voorzitter van de selectiecommissie, als hij tot die taalrol of tot deze taalaanhorigheid behoort, dient niet te worden bijgestaan door een ambtenaar bedoeld in het vierde lid.) <KB 2006-02-02/37, art. 5, 5°, 005 ; Inwerkingtreding : 22-02-2006>
  § 2. De afgevaardigd bestuurder van SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid - deelt de samenstelling van de selectiecommissie [1 ...]1 mee aan de Minister die bevoegd is voor ambtenarenzaken. Deze brengt dadelijk de regeringssleden op de hoogte, die over een termijn van zeven werkdagen beschikken om hem hun bezwaren kenbaar te maken. In dit geval legt de Minister die bevoegd is voor ambtenarenzaken, een volledig dossier ter beslissing voor aan de Ministerraad, nadat hiervan een kopie werd overgemaakt aan het betrokken regeringslid.
  Als de Ministerraad op basis van het dossier dat voorgelegd werd door de Minister die bevoegd is voor ambtenarenzaken, een lid van de selectiecommissie wraakt, benoemt SELOR - Selectiebureau van de federale overheid - een ander lid; in dat geval is het eerste lid van toepassing.
  § 3. De selectiecommissie kan slechts op geldige wijze overgaan tot het horen van de kandidaten en tot de deliberatie voorzover de meerderheid van de leden aanwezig is, minstens twee van de leden tot de taalrol van de kandidaat behoren en elke categorie van leden bedoeld in § 1, eerste lid, 2° tot 5° vertegenwoordigd is.
  Alleen de commissieleden die hebben deelgenomen aan het horen van al de kandidaten, kunnen deelnemen aan de deliberatie met het oog op de indeling van de kandidaten in de groepen A, B, C of D en op hun rangschikking in de groepen A en B. Geen enkel lid kan zich onthouden.
  Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.
  § 4. De kandidaten worden ingelicht over hun indeling in groep A, B, C of D en hun rangschikking in de groepen A en B (...) <KB 2006-02-02/37, art. 5, 6°, 005 ; Inwerkingtreding : 22-02-2006>
  ----------
  (1)<KB 2014-04-10/55, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Afdeling III. - De werving.

  Art. 8. <KB 2004-06-15/32, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 07-07-2004> SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid - deelt het resultaat van de procedure bedoeld in artikel 6, mee aan de voorzitter van het directiecomité (of aan de voorzitter). <KB 2006-02-02/37, art. 6, 1°, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
  Met de kandidaten van groep A wordt een aanvullend onderhoud georganiseerd. Dit onderhoud heeft tot doel hen te vergelijken wat betreft hun ervaring en hun functiespecifieke kennis zoals bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de te begeven staffunctie. Dit onderhoud wordt geleid :
  1° voor de werving van de houder van de staffunctie op niveau -1, door de voorzitter van het directiecomité (of de voorzitter); <KB 2006-02-02/37, art. 6, 2°, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
  2° voor de werving van de houder van de staffunctie op niveau -2, (door de houder van de staffunctie op het niveau -1) en de voorzitter van het directiecomité (of de voorzitter). <KB 2005-04-12/33, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 16-05-2005> <KB 2006-02-02/37, art. 6, 3°, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
  Een verslag van elk onderhoud wordt opgemaakt en bij het aanstellingsdossier gevoegd.
  Bij afwezigheid van de voorzitter van het directiecomité (o van de voorzitter) wordt hij vervangen door de bevoegde Minister of Staatssecretaris, bij het aanvullend onderhoud voor de werving van de houder van de staffunctie op niveau -1, en door de daartoe door de bevoegde Minister of Staatssecretaris aangewezen () voor de werving van de houder van de staffunctie op niveau -2. <KB 2005-04-12/33, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 16-05-2005> <KB 2006-02-02/37, art. 6, 4°, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
  Bij uitputting van groep A wordt de procedure herhaald voor de kandidaten van groep B.

  Afdeling IV. - De aanstelling.

  Art. 9. § 1. De kandidaten, gekozen overeenkomstig artikel 8, worden voor een periode van zes jaar aangesteld door de Koning, op voorstel van de betrokken minister, na voordracht door de voorzitter van het directiecomité (of door de voorzitter). <KB 2006-02-02/37, art. 7, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
  § 2. In afwijking van § 1, eerste lid hebben de ambtenaren van Buitenlandse Zaken die deel uitmaken van de externe loopbanen en aangeduid worden in een staffunctie, de keuze tussen een mandaat van vier jaar of zes jaar.
  § 3. In afwijking van de artikelen 28 tot 33quinquies van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, moeten de houders van een staffunctie geen stage doormaken.

  HOOFDSTUK IV. - Nadere regels betreffende de uitoefening van de staffuncties.

  Afdeling I. - [1 De bestuursovereenkomst en de bestuursplannen]1
  ----------
  (1)<KB 2016-07-15/01, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2016; zie ook overgangsbepalingen art.13 en 14>

  Art. 10.
  <Opgeheven bij KB 2016-07-15/01, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2016; zie ook overgangsbepalingen art.13 en 14>

  Art. 10bis.[1 Artikel 11bis van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten is van toepassing op de houders van een staffunctie.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-07-15/01, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2016; zie ook overgangsbepalingen art.13 en 14>

  Afdeling II. - Nadere regelen betreffende de uitvoering van de staffuncties.

  Art. 11. Tijdens de duur van hun mandaat, is, behoudens de afwijkende bepalingen in onderhavig besluit, het statuut van het rijkspersoneel van toepassing op de houders van een staffunctie.
  (Voor de toepassing van het statuut van het Rijkspersoneel maken de houders van een staffunctie deel uit van niveau A. Ze staan hiërarchisch boven de klasse A5.) <KB 2004-08-04/30, art. 164, 003; Inwerkingtreding : 01-12-2004>

  Art. 12. De houder van een staffunctie die op het ogenblik van zijn indienstneming vast benoemd is in de overheidsdiensten, bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 22 juli 1993 houdende diverse maatregelen inzake ambtenarenzaken, wordt, in afwijking van de bepalingen van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, in ambtshalve verlof voor opdracht van algemeen belang geplaatst voor de duur van het mandaat. Zijn betrekking kan vacant verklaard worden na twee jaar en intussen kan er enkel in voorzien worden door middel van contractuele tewerkstelling of hogere functies.

  Art. 13.De houder van een staffunctie oefent zijn taak voltijds uit.
  Tijdens zijn mandaat kan hij :
  1° geen verlof voor loopbaanonderbreking krijgen, uitgezonderd deze die het ouderschapsverlof, de palliatieve verzorging en de zorgen in geval van ernstige ziekte betreffen;
  2° geen verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen van de federale wetgevende kamers, van de gewest- en gemeenschapsraden of van de provincieraden of om een ambt uit te oefenen in een cel beleidsvoorbereiding of het kabinet van een minister of een staatssecretaris of in het kabinet van de voorzitter of van een lid van de regering van een Gemeenschap, van een Gewest, van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van het College van de Franse Gemeenschapscommissie;
  3° geen verlof krijgen voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking van een overheidsdienst;
  4° geen verlof krijgen voor onthaal en opleiding;
  5° geen verlof krijgen om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps burgerlijke veiligheid als vrijwillige indienstnemer bij dit korps;
  6° geen verlof krijgen om minder-validen en zieken te vergezellen en bij te staan;
  7° geen verlof voor opdracht van algemeen belang krijgen;
  8° [1 geen toelating verkrijgen om zijn functies uit te oefenen met verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid, met de vierdagenweek met en zonder premie en halftijds te werken vanaf 50 of 55 jaar;]1
  9° geen afwezigheid van lange duur voor persoonlijke aangelegenheden verkrijgen;
  10° geen verloven krijgen zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de rijksdiensten en in het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten.
  ----------
  (1)<KB 2012-09-20/02, art. 19, 008; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Art. 14. § 1. Op basis van het resultaat van de functieweging voor een in dezelfde groep geklasseerde functie genieten de houders van een staffunctie een gelijk bruto jaarlijks beloningspakket.
  Het functiewegingssysteem, de objectieve criteria die aan de basis liggen van dit systeem en de beloningsmethodiek zijn bepaald in koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
  § 2. Het bruto jaarlijks beloningspakket van de houders van een staffunctie bevat :
  1° een maandelijkse brutowedde;
  2° deelname aan een aanvullende pensioenregeling, gefinancierd door persoonlijke en werkgeversbijdragen.
  § 3. Bovenop de in de §§ 1 en 2 vermelde bezoldigingen, kan het beloningspakket in een forfaitaire terugbetaling voorzien voor gemaakte onkosten en het ter beschikking stellen van een dienstvoertuig dat voor privé-doeleinden mag gebruikt worden.

  HOOFDSTUK V. - De evaluatie van de houder van een staffunctie.

  Afdeling I. - Duur van de evaluatiecyclus <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>

  Art. 15.[1 Elke houder van een staffunctie wordt tijdens zijn mandaat jaarlijks geëvalueerd. De evaluatieperiode loopt van 1 januari tot 31 december.
   De eerste evaluatiecyclus start echter bij de aanvang van het mandaat en eindigt op 31 december van het eerste volledige kalenderjaar.
   De laatste evaluatiecyclus start echter op 1 januari van het laatste volledige kalenderjaar en eindigt zes maanden vóór het verstrijken van het mandaat.
   Elke cyclus wordt met een tussentijdse evaluatie afgesloten. De laatste cyclus echter wordt met een eindevaluatie afgesloten."
   Indien de houder van een staffunctie meer dan de helft van evaluatieperiode afwezig is bekomt hij geen evaluatie en is artikel 19, § 9 van toepassing.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-07-15/01, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2016; zie ook overgangsbepalingen art.13 en 14>

  Afdeling II. - Onderwerp van de evaluatie <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>

  Art. 16.<KB 2005-04-12/33, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 16-05-2005> De tussentijdse evaluaties en de eindevaluatie van de houder van de staffunctie hebben betrekking op :
  1° [1 de verwezenlijking van de strategische of operationele doelstellingen die werden vastgelegd in de in artikel 10bis bedoelde bestuursovereenkomst en bestuursplan, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de staffunctie;]1
  2° de wijze waarop die doelstellingen al dan niet werden behaald;
  3° de persoonlijke bijdrage van de houder van de staffunctie aan de verwezenlijking van die doelstellingen;
  4° de geleverde inspanningen om zijn competenties te ontwikkelen;
  [1 5° de tijdige realisatie en de kwaliteit van het geheel van evaluaties, doorgevoerd binnen de dienst waarover hij de verantwoordelijkheid heeft.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-07-15/01, art. 5, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2016; zie ook overgangsbepalingen art.13 en 14>

  Afdeling III. - Actoren van de evaluatie <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>

  Art. 17. <KB 2005-04-12/33, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 16-05-2005> § 1. De evaluatie van de houders van staffuncties wordt uitgevoerd door :
  1° de voorzitter van het directiecomité (of de voorzitter), eerste evaluator genoemd en de betrokken minister of staatssecretaris, tweede evaluator genoemd, wat de houder van een staffunctie op het niveau -1 betreft; <KB 2006-02-02/37, art. 9, 1°, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
  2° de houder van de staffunctie op het niveau -1, eerste evaluator genoemd, en de voorzitter van het directiecomité (of de voorzitter), tweede evaluator genoemd, wat de houder van een staffunctie op het niveau -2 betreft. <KB 2006-02-02/37, art. 9, 2°, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
  § 2. In afwijking van § 1, als een stafdienst gemeenschappelijk is aan meerdere federale overheidsdiensten, wordt de evaluatie van de houder van de staffunctie op het niveau -1 uitgevoerd door de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst bevoegd voor het activiteitsgebied van de geëvalueerde, eerste evaluator genoemd, en door de minister of de staatssecretaris, bevoegd voor deze federale overheidsdienst en tweede evaluator genoemd.
  § 3. Voor een externe ondersteuning inzake evaluatietechnieken kunnen de in §§ 1 en 2 bedoelde evaluatoren een beroep doen op de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie.

  fdeling IV. - Verloop van de evaluatiecyclus <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>

  Onderafdeling 1. - De functioneringsgesprekken <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>

  Art. 18.<KB 2005-04-12/33, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 16-05-2005> Tijdens elke evaluatiecyclus vinden er op initiatief van de houder van de staffunctie of de eerste evaluator, telkens wanneer dat noodzakelijk blijkt, functioneringsgesprekken plaats.
  In het geval van een stafdienst gemeenschappelijk aan meerdere federale overheidsdiensten, kunnen de voorzitters van het directiecomité en de betrokken voorzitters de eerste evaluator vragen dat hij een functioneringsgesprek organiseert over de kwesties die hen aanbelangen. Zij wonen dat gesprek van rechtswege bij.
  De functioneringsgesprekken hebben betrekking op alles wat met het functioneren van de houder van de staffunctie te maken heeft, alsook op de doelstellingen [1 vastgelegd in de bestuursovereenkomst en bestuursplan, waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de staffunctie]1, de eventuele aanpassingen die daaraan moeten worden aangebracht en hun verwezenlijking.
  ----------
  (1)<KB 2016-07-15/01, art. 6, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2016; zie ook overgangsbepalingen art.13 en 14>

  Onderafdeling 2. - Het evaluatiegesprek <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>

  Art. 18bis.[1 § 1. Op het einde van elke evaluatiecyclus nodigt de eerste evaluator de houder van de staffunctie uit voor een evaluatiegesprek.
   De tweede evaluator alsook een door de eerste evaluator aangewezen secretaris kunnen aan dat gesprek deelnemen.
   In alle gevallen heeft er, vóór het evaluatiegesprek, overleg plaats tussen de eerste en tweede evaluator.
  [2 § 1bis. Als voorbereiding op het evaluatiegesprek maakt de houder van de staffunctie een zelfevaluatie op. Die wordt ten laatste twintig werkdagen vóór de vastgestelde datum van het gesprek aan de eerste evaluator bezorgd.
   § 1ter. De eerste evaluator bereidt het evaluatiegesprek voor door de zelfevaluatie van de houder van de staffunctie te toetsen op consistentie en onderbouwing. Hij vergelijkt ze met de elementen waarover hij beschikt, die resulteren uit feiten en geobserveerd gedrag tijdens de dagelijkse opvolging van het functioneren van de geëvalueerde. Bovendien verzamelt hij alle bijkomende informatie die kan bijdragen tot een billijke en objectieve evaluatie.]2
   § 2. Als een stafdienst gemeenschappelijk is aan meerdere federale overheidsdiensten vraagt de eerste evaluator het advies aan de betrokken voorzitters van het directiecomité of voorzitters. Als dezen hun advies niet overmaken binnen een periode van tien werkdagen, wordt dit advies niet meer vereist.
   Als de betrokken voorzitters van het directiecomité en de andere betrokken voorzitters dat wensen, nemen zij deel aan het evaluatiegesprek.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-10/55, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 19-05-2014>
  (2)<KB 2016-07-15/01, art. 7, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2016; zie ook overgangsbepalingen art.13 en 14>

  fdeling V. - Het evaluatieverslag en de toegekende vermelding <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>

  Art. 19.<KB 2005-04-12/33, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 16-05-2005> § 1. Na afloop van het evaluatiegesprek stelt de eerste evaluator een ontwerp van beschrijvend evaluatieverslag op en doet [1 ...]1 een voorstel met betrekking tot de vermelding. Hij overlegt met de tweede evaluator die zijn opmerkingen kan formuleren. Vervolgens stelt hij het beschrijvend evaluatieverslag op en kent de [1 ...]1 vermelding toe.
  § 2. Als een stafdienst gemeenschappelijk is aan meerdere federale overheidsdiensten, overlegt de eerste evaluator met de voorzitters van het directiecomité en de andere betrokken voorzitters om te komen tot een gemeenschappelijke evaluatie. Na dit overleg wordt een ontwerp van evaluatieverslag en een [1 voorstel]1 van vermelding binnen zeven werkdagen door de eerste evaluator voor advies medegedeeld aan de voorzitters van het directiecomité en aan de andere betrokken voorzitters. Deze beschikken over een termijn van zeven werkdagen om hun advies te formuleren en hun opmerkingen bekend te maken. Wanneer deze termijn verstreken is, wordt het advies niet meer vereist. De eerste evaluator voegt de eventuele opmerkingen in, stelt nadien het beschrijvend evaluatieverslag op en kent de [1 vermelding]1 toe.
  § 3. Het evaluatieverslag wordt door de tweede evaluator medeondertekend en wordt, met bewijs van ontvangst, medegedeeld aan de geëvalueerde binnen twintig werkdagen die volgen op het evaluatiegesprek.
  § 4. [1 Elke evaluatie wordt afgesloten met één van de volgende vermeldingen : "uitstekend", "voldoet aan de verwachtingen", "te ontwikkelen", of "onvoldoende".]1
  § 5. [1 De evaluatie wordt besloten met de vermelding "onvoldoende" als eruit blijkt dat de doelstellingen, [2 vastgelegd in de in artikel 10bis bedoelde bestuursovereenkomst en bestuursplan, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de staffunctie]2, niet werden verwezenlijkt.]1
  § 6. [1 De evaluatie wordt besloten met de vermelding "te ontwikkelen" als eruit blijkt dat de doelstellingen [2 vastgelegd in de in artikel 10bis bedoelde bestuursovereenkomst en bestuursplan, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de staffunctie]2, slechts gedeeltelijk zijn verwezenlijkt.]1
  § 7. [1 De evaluatie wordt besloten met de vermelding "voldoet aan de verwachting" als eruit blijkt dat de meeste doelstellingen [2 vastgelegd in de in artikel 10bis bedoelde bestuursovereenkomst en bestuursplan, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de staffunctie]2, werden verwezenlijkt.]1
  [1 § 7bis. De evaluatie wordt besloten met de vermelding "uitstekend" als eruit blijkt dat grotendeels de doelstellingen [2 vastgelegd in de in artikel 10bis bedoelde bestuursovereenkomst en bestuursplan, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de staffunctie]2, werden verwezenlijkt en dat sommige overtroffen werden.]1
  [1 § 7ter. Er wordt geen rekening gehouden met de doelstellingen waarvan het niet bereiken geenszins afhing van de verantwoordelijkheid van de geëvalueerde.]1
  [1 § 7quater. In voorkomend geval, kan aan een houder van een staffunctie, mits een specifieke motivering, een voor hem minder gunstige vermelding worden toegekend dan deze die zou worden toegekend met toepassing van de §§ 5 tot en met 7bis van dit artikel indien uit de evaluatie blijkt dat de houder van de staffunctie slechts een kleine persoonlijke bijdrage heeft geleverd aan het bereiken van de doelstellingen [2 vastgelegd in de in artikel 10bis bedoelde bestuursovereenkomst en bestuursplan, en waarvoor de verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan aan hem wordt toevertrouwd]2 of dat de feitelijke elementen besproken tijdens het evaluatiegesprek een negatieve weerslag hebben op de uitoefening van de staffunctie. Deze vaststellingen en elementen dienen aan bod gekomen te zijn op het evaluatiegesprek en de geëvalueerde dient de mogelijkheid te krijgen om hierop te reageren. Deze reactie dient opgenomen te worden in het evaluatieverslag.]1
  § 8. De eindevaluatie van de houder van de staffunctie wordt gestaafd met de beschrijvende evaluatieverslagen betreffende de verstreken periodes voor de tussentijdse evaluaties en de totale periode van het mandaat voor de eindevaluatie.
  (§ 9. Indien de houder van de staffunctie geen [1 evaluatie]1 heeft gekregen, wordt hem van rechtswege de vermelding [1 "voldoet aan de verwachtingen"]1 toegekend.) <KB 2006-07-18/36, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  [1 § 10. [2 ...]2 ]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-10/55, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 19-05-2014>
  (2)<KB 2016-07-15/01, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2016; zie ook overgangsbepalingen art.13 en 14>

  Afdeling VI. - Het evaluatiedossier <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>

  Art. 19bis.<Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005> § 1. Het evaluatiedossier van de houder van de staffunctie bestaat uit:
  1° een identificatiefiche met de persoonlijke gegevens en het aanstellingsbesluit;
  2° een gevalideerde functiebeschrijving;
  3° [1 de strategische of operationele doelstellingen die werden vastgelegd in de in artikel 10bis bedoelde bestuursovereenkomst en bestuursplan, en waarvoor de verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan aan hem wordt toevertrouwd;]1
  4° in voorkomend geval, de verslagen over de functioneringsgesprekken en/of ieder ander document dat inzicht verschaft in de aanpassingen, de afspraken en de schikkingen die tussen de geëvalueerde houder van de staffunctie en zijn eerste evaluator werden getroffen;
  5° de zelfevaluatie van de houder van de staffunctie;
  6° de beschrijvende evaluatieverslagen;
  7° eventueel dossier van het ingestelde beroep.
  De geëvalueerde kan documenten laten opnemen in zijn evaluatiedossier.
  De evaluatiedossiers worden bewaard bij de directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie van de betrokken federale overheidsdienst.
  § 2. Het evaluatiedossier is toegankelijk voor de geëvalueerde houder van de staffunctie, de stafdienst Personeel en Organisatie van de betrokken federale overheidsdienst alsook aan de eerste en tweede evaluator.
  In het geval van een gemeenschappelijke stafdienst aan meerdere federale overheidsdiensten is het evaluatiedossier van de houder van de staffunctie op het niveau -1 ook toegankelijk aan de andere betrokken voorzitters van het directiecomité en voorzitters.
  § 3. Na afloop van elk evaluatiegesprek wordt een kopie van het aangepaste evaluatiedossier medegedeeld aan de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie die belast is met de kwaliteitscontrole van de evaluatieprocedure van de houders van een staffunctie.
  ----------
  (1)<KB 2016-07-15/01, art. 9, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2016; zie ook overgangsbepalingen art.13 en 14>

  Afdeling VII. - Beroepsmogelijkheden <Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005>

  Art. 19ter.<Ingevoegd bij KB 2005-04-12/33, art. 6; Inwerkingtreding : 16-05-2005> § 1. De houder van de staffunctie op het niveau -1 of -2 wiens tussentijdse evaluatie resulteert in de vermelding " onvoldoende " of wiens eindevaluatie niet resulteert in de vermelding [1 "uitstekend"]1 kan, per aangetekende brief, beroep instellen bij het comité van beroep opgericht bij de Minister tot wiens bevoegdheid de Ambtenarenzaken behoort bij toepassing van artikel 19, § 2, (van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten). Het beroep wordt ingesteld binnen vijftien kalenderdagen na betekening van het evaluatieverslag.e van de houder van de staffunctie. <KB 2006-02-02/37, art. 11, 1°, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
  De voorzitter van het directiecomité (of de voorzitter) die heeft deelgenomen aan de evaluatieprocedure van de houder van een staffunctie van niveau -1 of -2, mag niet aanwezig zijn bij, noch deelnemen aan de beraadslaging van de afdeling : hij kan evenwel worden gehoord. <KB 2006-02-02/37, art. 11, 2°, 005 ; Inwerkingtreding : 09-10-2002>
  Een voorzitter mag niet aanwezig zijn bij, noch deelnemen aan de beraadslaging van de afdeling belast met het onderzoek van een beroep ingesteld door de houder van een staffunctie van niveau -1 of -2 van de federale overheidsdienst waarvan zijn programmatorische overheidsdienst afhangt.
  § 2. Het beroep is opschortend.
  § 3. De houder van de staffunctie wordt opgeroepen, uiterlijk acht werkdagen voor de zitting, ten einde zijn verweermiddelen uiteen te zetten. Hij dient persoonlijk te verschijnen. Hij mag zich laten bijstaan door een persoon naar keuze. De verdediger mag op geen enkel ogenblik en in welke hoedanigheid ook deelgenomen hebben aan de evaluatieprocedure van de houder van de staffunctie.
  Indien de houder van de staffunctie of zijn verdediger, ofschoon behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, doet het beroepsorgaan uitspraak op grond van de stukken van het dossier. Hetzelfde geldt zodra de zaak voor de tweede maal ter zitting komt, zelfs indien de houder van de staffunctie of zijn verdediger een geldige reden kan aanvoeren.
  De afwezigheid van de verdediger is, behoudens overmacht, geen reden van uitstel.
  Het beroepsorgaan hoort iedereen en verzamelt alle nodige gegevens opdat het zich met volle kennis van zaken kan uitspreken.
  § 4. Het beroepsorgaan kan slechts op een rechtsgeldige manier de houder van de staffunctie horen en beraadslagen voorzover de meerderheid van de leden aanwezig is.
  [1 De stemming is geheim. Bij staking van stemmen bestaat het advies in het voorstel om de vermelding toe te kennen die onmiddellijk hoger is dan deze die toegekend was.]1
  § 5. [1 Het beroepsorgaan brengt zijn advies uit binnen de maand die volgt op de indiening van het beroep en bezorgt het onmiddellijk aan de eerste evaluator en de verzoeker.
   De eerste evaluator en de tweede evaluator, als er een tweede evaluator is, kennen de definitieve vermelding toe binnen een termijn van vijftien kalenderdagen en delen ze onmiddellijk mee aan de geëvalueerde.]1
  § 6. Het beroepsorgaan kan zich laten bijstaan door een specialist in de evaluatiemethoden van de federale overheid.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-10/55, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  HOOFDSTUK VI. [1 - Einde van het mandaat, niet-hernieuwing ervan en tijdelijke vervanging.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-10/55, art. 8, 009; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Afdeling I. - Einde van het mandaat.

  Onderafdeling I. - Einde van rechtswege [1 en tijdelijke vervanging]1.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-10/55, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 20.[1 § 1. Het mandaat eindigt van rechtswege en zonder dat het aan de houder van de staffunctie moet worden betekend :
   1° op het einde van de periodes bedoeld in artikel 9;
   2° wanneer de houder van de staffunctie de leeftijd van 65 jaar bereikt;
   3° als de houder van de staffunctie in een andere staffunctie of in een managementfunctie wordt aangesteld, vanaf de eerste dag dat hij de nieuwe functie effectief uitoefent;
   4° als de houder effectief één van de in artikel 13 bedoelde verloven geniet.
  [2 5° wanneer de houder van de staffunctie niet het bewijs heeft geleverd van de kennis van de tweede taal, bedoeld in artikel 43ter, § 7, eerste lid, en in voorkomend geval vijfde lid van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.]2
   § 2. Als de houder van de staffunctie de leeftijd van 65 jaar bereikt tijdens het mandaat, kan hij vragen zijn mandaat te verlengen tot het einde ervan, per maximale periode van een jaar. De organen bedoeld in artikel 8, tweede lid nemen een met reden omklede beslissing. De verlengingsaanvraag wordt ingediend minstens 6 maanden voor de datum van de 65e verjaardag of van het einde van de verlenging.
   § 3. De minister of de staatssecretaris kan, op voordracht van de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter, het mandaat van de houder van de staffunctie verlengen als de procedure om hem te vervangen ingezet werd, op een regelmatige wijze vervolgd wordt maar nog niet heeft geleid tot een aanstelling. De verlenging is beperkt tot zes maanden en is hernieuwbaar.
   § 4. De minister of de staatssecretaris kan, op voordracht van de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter, voorzien in de tijdelijke vervanging van een houder van een staffunctie, bij een definitief vacant verklaarde betrekking, door een andere houder van een staffunctie of een houder van een managementfunctie of een rijksambtenaar van de klassen A4 of A5, ermee te belasten dat mandaat uit te oefenen, als de vervangingsprocedure ingezet werd, op een regelmatige wijze vervolgd wordt maar nog niet heeft geleid tot een aanstelling. Deze persoon maakt bij voorkeur deel uit van dezelfde federale overheidsdienst of dezelfde programmatorische federale overheidsdienst.
   De vervanger ontvangt gedurende deze vervanging een directiepremie van 735 euro voor de maximale duur van één jaar.
   De directiepremie wordt maandelijks uitbetaald in dezelfde mate en tegen dezelfde voorwaarden als het loon.
   Het bedrag van de premie wordt gekoppeld aan spilindex 138,01.
   § 5. Indien geen voordracht van verlenging of vervanging gedaan wordt door de voorzitter van het directiecomité of door de voorzitter, een maand voor het aflopen van het mandaat en de procedure nog niet heeft geleid tot een aanstelling, kan de minister of de staatssecretaris beslissen over de verlenging of de vervanging van de staffunctie.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-10/55, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 19-05-2014>
  (2)<KB 2017-02-24/04, art. 8, 012; Inwerkingtreding : 01-05-2017>

  Onderafdeling II. - Vroegtijdige beëindiging.

  Art. 21.§ 1. <KB 2006-07-18/36, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2006> § 1. Wanneer de evaluatie, bedoeld in artikel 16, eerste lid, leidt tot een vermelding "onvoldoende", eindigt het mandaat op de eerste dag van de maand na die waarin de vermelding werd toegekend.
  § 2. De houder van een staffunctie van wie het mandaat werd beëindigd omwille van een vermelding "onvoldoende" en die geen beroepsinkomen of rustpensioen geniet of zou kunnen genieten, ontvangt een beëindigingvergoeding.
  § 3. De beëindigingvergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de staffunctie.
  Onder jaarlijkse bezoldiging, moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
  [1 Al naargelang de vermelding "onvoldoende" wordt toegekend bij de eindevaluatie, bij de derde, vierde of vijfde tussentijdse evaluatie of bij de eerste of tweede tussentijdse evaluatie, verkrijgt de houder van de staffunctie acht maal, zes maal of drie maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid.]1
  De beëindigingvergoeding wordt maandelijks uitbetaald, mits maandelijkse voorlegging door de belanghebbende van een verklaring op eer waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode geen beroepsinkomen, of rustpensioen heeft genoten zoals bepaald in § 2. Indien door de belanghebbende een valse verklaring op eer wordt afgelegd, is deze een bedrag verschuldigd dat overeenstemt met de onterecht uitgekeerde beëindigingvergoeding (of beëindigingvergoedingen). ". <Erratum, B.S. 27.09.2006, p. 50147 en B.S. 13.10.2006, p. 54680>
  [1 § 4. In afwijking van § 3, derde lid, verkrijgt de houder van de in artikel 9, § 1, tweede lid, vermelde staffunctie, al naargelang de vermelding "onvoldoende" wordt toegekend bij de eindevaluatie of bij een tussentijdse evaluatie, zes maal of drie maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig § 3, eerste en tweede lid.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-10/55, art. 11, 009; Inwerkingtreding : 19-05-2014>

  Art. 21bis. [1 De beëindigingvergoeding is ook verschuldigd aan de houder van een staffunctie van wie het mandaat eindigt omdat hij geen bewijs heeft geleverd van de kennis van de tweede taal bedoeld in artikel 43ter, § 7, eerste lid, en in voorkomend geval het vijfde lid en die geen beroepsinkomen of rustpensioen geniet of zou kunnen genieten.
   De houder van de staffunctie krijgt tweemaal het bedrag van de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid van artikel 21, § 3. Ze wordt uitbetaald overeenkomstig het vierde lid van dezelfde paragraaf.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-02-24/04, art. 9, 012; Inwerkingtreding : 01-05-2017>
  

  Art. 22. Indien de houder van een staffunctie vraagt om zijn mandaat te beëindigen, is, zo de organen bedoeld in artikel 8 akkoord gaan, een opzegging van zes maand vereist. Deze termijn kan in onderling akkoord verkort worden. (...) <KB 2006-07-18/36, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2006>

  Afdeling II. - Niet-hernieuwing.

  Art. 23.<KB 2006-07-18/36, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2006> § 1. De houder van een staffunctie van wie de eindevaluatie aanleiding heeft gegeven tot de vermelding [1 "uitstekend"]1 of [1 "voldoet aan de verwachtingen"]1 en die, na deelname aan een nieuwe vergelijkende selectie geen nieuw mandaat krijgt of van wie de staffunctie niet meer vacant wordt verklaard, ontvangt een herintegratievergoeding.
  [2 Wanneer overeenkomstig artikel 19, § 9 aan de houder van de staffunctie aan het einde van het mandaat de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" van rechtswege wordt toegekend, is het eerste lid alleen van toepassing voor zover de laatste effectieve tussentijdse evaluatie minstens resulteerde in de vermelding "voldoet aan de verwachtingen".]2
  § 2. De herintegratievergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de staffunctie.
  Onder jaarlijkse bezoldiging, moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
  § 3. In afwijking van § 2 bestaat voor de in artikel 12 vermelde houder van een staffunctie de herintegratievergoeding uit een forfaitaire som dewelke overeenstemt met één twaalfde van het verschil tussen enerzijds, de wedde zoals vastgesteld in kolom 3 van artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde en anderzijds, het beroepsinkomen dat de houder van de staffunctie zal genieten in de maand volgend op het einde van zijn mandaat.
  De herintegratievergoeding wordt toegekend mits het afleggen door de betrokkene van een verklaring op eer met de vermelding van de maandwedde waarop hij recht heeft of recht zou hebben bij voltijdse prestaties.
  § 4. Indien de eindevaluatie aanleiding gegeven heeft tot de vermelding [1 "uitstekend"]1, verkrijgt de houder van de staffunctie bedoeld in § 1 door een éénmalige betaling twaalf keer de herintegratievergoeding berekend conform § 2 of § 3.
  Indien de eindevaluatie aanleiding gegeven heeft tot de vermelding [1 "voldoet aan de verwachtingen"]1, verkrijgt de houder van de staffunctie bedoeld in § 1 de herintegratievergoeding berekend conform § 2 of § 3 volgens de volgende modaliteiten :
  1° indien hij één mandaat volbracht heeft, verkrijgt hij tien keer het bedrag van de herintegratievergoeding door een éénmalige betaling;
  2° indien hij twee of meerdere aansluitende mandaten voor dezelfde functie volbracht heeft, verkrijgt hij twaalf keer het bedrag van de herintegratievergoeding door een éénmalige betaling.
  § 5. Indien de rechthebbende op de herintegratievergoeding binnen de 12 maanden na het einde van zijn mandaat de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is § 4 van toepassing. Niettemin wordt in dat geval het bedrag van de herintegratievergoeding, berekend conform § 2 of § 3, vermenigvuldigd met het aantal maanden tussen het einde van het mandaat en de aanvang van het pensioen.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-10/55, art. 12, 009; Inwerkingtreding : 19-05-2014>
  (2)<KB 2016-07-15/01, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2016; zie ook overgangsbepalingen art.13 en 14>

  Art. 23bis.[1 De houder van een staffunctie van wie de eindevaluatie werd besloten met de vermelding "te ontwikkelen" en die geen beroepsinkomen of rustpensioen geniet of zou kunnen genieten, ontvangt een beëindigingvergoeding.
   De beëindigingvergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de staffunctie.
   Onder jaarlijkse bezoldiging moet worden verstaan: de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
   De houder van de staffunctie verkrijgt tien maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het tweede en derde lid. De vergoeding wordt echter verminderd tot zes maal indien het mandaat minder dan zes jaar heeft geduurd.
   De beëindigingvergoeding wordt maandelijks uitbetaald, mits maandelijkse voorlegging door de belanghebbende van een verklaring op eer waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode geen beroepsinkomen of pensioen heeft genoten in de zin van het derde lid. Indien door de belanghebbende een valse verklaring op eer wordt voorgelegd, is deze een bedrag verschuldigd dat overeenstemt met de onterecht uitgekeerde beëindigingvergoeding of beëindigingvergoedingen.]1
  [2 Dit artikel is onder dezelfde voorwaarden ook van toepassing op de houder van een staffunctie van wie de eindevaluatie wordt van rechtswege afgesloten met de vermelding "voldoet aan de verwachtingen", in toepassing van artikel 19, § 9, maar die de herintegratievergoeding, bepaald in artikel 23, niet kan krijgen.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-04-10/55, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 19-05-2014>
  (2)<KB 2016-07-15/01, art. 11, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2016; zie ook overgangsbepalingen art.13 en 14>

  HOOFDSTUK VII. - Hernieuwing van het mandaat.

  Art. 24.(Wanneer een staffunctie door de betrokken minister vacant wordt verklaard en de houder ervan, van wie het mandaat verstrijkt, zijn kandidatuur stelt, geven de in artikel 8, tweede lid, bedoelde organen hem een nieuw mandaat, voor zover hij de [1 minimaal de eindvermelding "voldoet aan de verwachtingen" kreeg na het eerste mandaat en "uitstekend" na het tweede of volgende mandaten]1.) <KB 2005-04-12/33, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 16-05-2005>
  In afwijking van de bepalingen van Hoofdstuk III, Afdelingen II en III, wordt hij in dit geval geacht voldaan te hebben (aan de vergelijkende selectie, bedoeld in artikel 6,) zonder dat een nieuwe selectieprocedure moet worden georganiseerd. <KB 2004-06-15/32, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 07-07-2004>
  [1 Artikel 9 is van toepassing.
   Het eerste lid is alleen van toepassing als de functiebeschrijving noch grondig werd gewijzigd, noch in een andere klasse werd gewogen.]1
  [2 Wanneer overeenkomstig artikel 19, § 9 aan de houder van de staffunctie aan het einde van het mandaat de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" van rechtswege wordt toegekend, is het eerste lid alleen van toepassing voor zover de laatste effectieve tussentijdse evaluatie minstens resulteerde in de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" tijdens het eerste mandaat en de vermelding "uitstekend" tijdens het tweede of de volgende mandaten.]2
  ----------
  (1)<KB 2014-04-10/55, art. 14, 009; Inwerkingtreding : 19-05-2014>
  (2)<KB 2016-07-15/01, art. 12, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2016; zie ook overgangsbepalingen art.13 en 14>

  HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepaling.

  Art. 25. (opgeheven) <KB 2004-06-15/32, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 07-07-2004>

  HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen.

  Art. 26. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

  Art. 27. Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 2 oktober 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Begroting,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen,
L. VAN DEN BOSSCHE.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet;
   Gelet op het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 21 maart 2002;
   Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 18 april 2002;
   Gelet op het protocol nr. 132/2 van 27 mei 2002 van het Gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten;
   Gelet op het protocol nr. 417 van 16 mei 2002 van het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten;
   Gelet op het besluit van de Ministerraad over het verzoek aan de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van een maand;
   Gelet op het advies nr. 33.696 van de Raad van State, gegeven op 23 augustus 2002 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Begroting en Onze Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-02-2017 GEPUBL. OP 03-03-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 20; 21bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-07-2016 GEPUBL. OP 20-07-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 10bis; 15; 16; 18; 18bis; 19; 19bis; 23; 23bis; 24)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-04-2014 GEPUBL. OP 23-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 10bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-04-2014 GEPUBL. OP 09-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 6; 7; 15; 18bis; 19; 19ter; 20; 21; 23; 23bis; 24)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-09-2012 GEPUBL. OP 25-09-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 13)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-08-2007 GEPUBL. OP 18-10-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-07-2006 GEPUBL. OP 22-08-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 19TER; 20; 21; 22; 23)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-02-2006 GEPUBL. OP 22-02-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : OPSCHRIFT; 1; 2; 5; 7-10; 17; 18BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 19TER; 21; 23)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-04-2005 GEPUBL. OP 06-05-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 7; 8; 10; 15-18; 18BIS; 19)
    (GEWIJZIGDE ART. : 19BIS; 19TER; 21; 24)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-08-2004 GEPUBL. OP 16-08-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 11)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-06-2004 GEPUBL. OP 07-07-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 5; 6; 7; 8; 24; 25)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       Het ontwerp van besluit dat wij de eer hebben ter ondertekening aan Uwe Majesteit voor te leggen wil de principes bepalen voor de aanduiding en de uitoefening van de staffuncties binnen de federale overheidsdiensten.
       Inleiding
       Het nieuwe management van de federale overheidsdiensten staat of valt met goed uitgebouwde stafdiensten. De stafdiensten staan in voor het operationeel beleid inzake geldmiddelen, mensen en het gebruik van informatie- en communicatietechnologie. Zij voeren binnen hun domein niet alleen de beleidslijnen van het management uit, maar onderbouwen ook vanuit hun specifiek technische kennis en vaardigheden de beheersfunctie van het management.
       Daarnaast wordt ook de auditfunctie gecreëerd, die een heel eigen rol binnen de federale overheidsdienst vervult. Zij levert een toegevoegde waarde, enerzijds door redelijke zekerheid te verstrekken over de mate waarin de federale overheidsdienst zijn werking beheerst, en anderzijds door advies te verstrekken om de werking van de overheidsdienst te verbeteren. Bij wijze van een afzonderlijk koninklijk besluit dat tevens de opdrachten van de Auditdienst zal bepalen, zal de selectieprocedure bepaald in onderhavig besluit aangevuld of gewijzigd worden waarbij zal rekening gehouden worden met de specificiteit van de interne auditfunctie.
       Artikelsgewijze bespreking
       HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied
       De stafdiensten worden enkel uitgebouwd binnen de horizontale en verticale federale overheidsdiensten. Programmatorische overheidsdiensten zullen geen stafdiensten hebben. Dit valt te verklaren vanuit het feit dat zij gebonden zijn aan de prioriteiten die een Regering zich stelt en dus een quasi-tijdsgebonden karakter hebben, naast een beperkte structuur. Zij zullen een beroep kunnen doen op de technische competenties binnen de stafdiensten van de federale overheidsdiensten waaruit zij voortkomen zoals voorzien in het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst.
       HOOFDSTUK II. - De staffuncties en hun juridische aard
       In elke federale overheidsdienst worden dus volgende basisstafdiensten uitgebouwd : " Personeel en Organisatie ", Informatie- en Communicatietechnologie ", " Budget en beheerscontrole " en tenslotte " Interne audit ", en worden uiteraard ook de corresponderende staffuncties voorzien.
       In functie van de eigenheid van de federale overheidsdiensten, wordt echter ook de mogelijkheid geboden bijkomende staffuncties in te stellen, op voorstel van de betrokken minister en na advies van de Ministers van Ambtenarenzaken en Begroting.
       Dit zal uiteraard moeten gebeuren binnen de beschikbare budgettaire middelen, vervat in de toegekende beheersenveloppe. De bijkomende staffuncties zullen formeel moeten figureren in een gewijzigd organogram.
       Onder deze bijkomende staffuncties vallen ook de staffuncties op niveau -2, waarop hoofdzakelijk de FOD Financiën een beroep zal doen, gelet op hun ruime deconcentratie.
       De staffuncties in de federale overheidsdiensten worden in twee groepen verdeeld :
       - de staffuncties op het niveau -1, inzonderheid de staffuncties " Personeel en Organisatie", "Begroting en Beheerscontrole" en "Informatie- en Communicatietechnologie";
       - de staffuncties op het niveau -2.
       De staffuncties op het niveau -1 verhouden zich tot de managementfuncties in de volgende hiërarchische orde :
       1° de voorzitter van het directiecomité;
       2° de houders van een managementfunctie -1 en de houders van een staffunctie op het niveau -1;
       De staffuncties op het niveau -2 verhouden zich tot de managementfuncties in de volgende hiërarchische orde :
       1° de houder van een managementfunctie -1;
       2° de houders van een managementfuncties -2 en de houders van een staffunctie op het niveau -2;
       Omwille van hun nauwe verwevenheid met het management van de federale overheidsdienst, zetelen de houders van de staffuncties " Personeel en Organisatie", "Begroting en Beheerscontrole" en "Informatie- en Communicatietechnologie" in het Directiecomité van de overheidsdienst.
       Dit zal niet het geval zijn voor het hoofd van de stafdienst " Interne audit " en behelst derhalve een afwijking van het bovenvermeld koninklijk besluit van 7 november 2000 die zal verwerkt worden in het auditbesluit. Om de onafhankelijkheid van zijn functie te waarborgen, zal hij of zij geen operationele leidinggevende taken uitoefenen binnen de auditen entiteiten en derhalve geen deel uitmaken van het Directiecomité.
       De staffuncties worden, net zoals de managementfuncties, uitgeoefend via een mandaat. Ook hier geldt, misschien nog meer dan voor de managementfuncties, dat de technische en organisatorische bekwaamheden waarvan de houders van deze functies blijk moeten geven, aan een voortdurende evolutie en dus aanpassing onderworpen zijn. Derhalve lijkt het mandaat de meest aangewezen manier om deze permanente functies in te vullen.
       HOOFDSTUK III. - De selectie, de werving en de aanstelling van de houders van een staffunctie
       Afdeling I. - Algemene bepaling
       De selectie van de kandidaten gebeurt volgens de algemene regels die voor de werving en selectie van statutaire ambtenaren gelden, behoudens de afwijkingen of toevoegingen in dit ontwerp. Dit betekent onder meer dat de selectie wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van Selor, bijgestaan door externe deskundigen en dat de kandidaten dienen te voldoen aan de bepalingen betreffende selectie en werving die vervat zijn in het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, zoals bijvoorbeeld de burgerlijke en politieke rechten genieten.
       Afdeling II. - Selectie
       Algemene voorwaarden
       Met het oog op het aantrekken van de meest geschikte kandidaten wordt de toegang opengesteld voor kandidaten, intern zowel als extern aan het federaal administratief Openbaar Ambt.
       Er wordt geen leeftijdsvereiste opgelegd. Mandaten kunnen ook worden toegekend aan personen die tijdens het mandaat de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Zij zullen dan ook hun mandaat voor het einde van de zes jaar beëindigen.
       Twee basisvereisten worden wel gesteld, nl. dat de kandidaten een functie van niveau 1 uitoefenen of kunnen deelnemen aan een vergelijkende selectie voor een functie van niveau 1, en dat zij minstens vijf jaar nuttige professionele ervaring kunnen voorleggen.
       Dit vraagt dus enerzijds van de externen dat zij houder zijn van een diploma dat in aanmerking komt voor de werving in een functie van niveau 1, opgenomen in Bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, met andere woorden dat zij houder zijn van een universitair diploma of een daarmee gelijkgesteld diploma.
       Anderzijds wordt van hen vijf jaar nuttige professionele ervaring gevraagd. Het aantal jaren ervaring wordt afgestemd op de ervaring gevraagd aan de experten in human ressources, de pioniers van het nieuwe personeelsbeleid die reeds werden aangesteld.
       Onder "nuttige professionele ervaring" wordt verstaan, beroepservaring die gerelateerd wordt aan de functiebeschrijving, het competentieprofiel en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheden.
       Functiespecifieke voorwaarden
       De selectie van de houders van de staffuncties zal objectief gebeuren aan de hand van een uitgewerkte functiebeschrijving en competentieprofiel. Deze zijn definitief op het ogenblik van de publicatie van de organisatie van de vergelijkende selectie, met andere woorden de vacantverklaring van de betrokken staffunctie.
       Het competentieprofiel omschrijft niet alleen de specifieke competenties, maar ook generieke en gedragsmatige competenties, gelinkt aan de functie.
       De functiebeschrijving en het competentieprofiel worden bepaald, voor wat betreft de staffunctie op niveau -1, door de minister, op voorstel van de voorzitter van het Directiecomité.
       Voor de staffunctie op niveau -2, zullen zij vastgesteld worden door de minister, op voorstel van de voorzitter van het Directiecomité en de betrokken houder van de managementfunctie -1.
       Selectieprocedure
       De selectieprocedure bestaat enkel uit een mondelinge proef voor een selectiecommissie, die eventueel wordt aangevuld met een schriftelijke proef. De nadruk ligt hier immers minder op de organisatorische en managementcapaciteiten van de kandidaat, zodat een assessment in deze weinig toegevoegde waarde brengt. Uiteraard zal tijdens het interview wel gefocust worden op de generieke en gedragsmatige competenties, omschreven in het competentieprofiel.
       Een uitzondering wordt echter ingebouwd voor de staffunctie Personeel en Organisatie binnen de Federale Overheidsdienst Financiën. Precies omwille van de omvang van deze stafdienst is het aangewezen ook de management- en organisatorische capaciteiten van de kandidaten te toetsen. Zij zullen dan ook de selectieprocedure voorzien voor een managementfunctie -1 moeten doorlopen.
       Voor het overige staat Selor eveneens in voor het toezicht op het goede verloop van de gehele selectieprocedure.
       Selectiecommissie
       Elke selectiecommissie wordt, per te begeven staffunctie voor elke federale overheidsdienst, samengesteld per taalrol.
       Met selectiecommissie wordt bedoeld de Nederlandstalige en Franstalige selectiecommissie die per te begeven staffunctie voor elke federale overheidsdienst wordt samengesteld. De selectie gebeurt dus per taalrol.
       Bij de samenstelling van elke selectiecommissie zal de afgevaardigd bestuurder van Selor rekening houden met de functiespecifieke elementen die voorkomen in de functiebeschrijving en het competentieprofiel en zorgen dat de competenties van de leden van elke selectiecommissie van die aard zijn dat deze de aanwezigheid van die functiespecifieke elementen in het profiel van de kandidaat kunnen evalueren. De profielen van de leden van de selectiecommissie worden in samenspraak met de betrokken functionele minister, zolang de voorzitter van het Directiecomité niet is aangeduid, of met deze laatste bepaald. Elke selectiecommissie wordt voorgezeten door de afgevaardigd bestuurder van Selor of zijn gedelegeerde en bestaat minimaal voor de helft plus één uit experten uit de brede overheidssector en non-profit sector.
       De voorzitters van de Franstalige en Nederlandstalige selectiecommissie overleggen om de gelijkwaardigheid in de gehanteerde aanpak van de Franstalige en Nederlandstalige selectiecommissie af te toetsen.
       De vergelijkende selectie
       De vergelijkende selectie bestaat uit twee stappen :
       SELOR gaat na of de kandidaat voldoet aan de algemene en bijzondere toelatingsvoorwaarden. Indien dit niet het geval is, wordt hij uitgesloten.
       Elke Selectiecommissie interviewt elke kandidaat en gaat in casu zijn functiespecifieke competenties, vermeld in de desbetreffende functiebeschrijving en competentieprofiel, na. Desgevallend organiseert zij nog een schriftelijke proef. Zij kent aan elke kandidaat een beoordeling toe, namelijk "zeer geschikt, "geschikt", "minder geschikt en "niet-geschikt".
       Vervolgens maakt elke Selectiecommissie de eindevaluatie op en delen ze de kandidaten in in 4 groepen A, B, C of D. Bovendien worden de kandidaten in groep A en groep B gerangschikt op basis van hun resultaat behaald op de mondelinge en desgevallend de schriftelijke proef. Wanneer kandidaten gelijkwaardig worden bevonden, worden die kandidaten ex aequo gerangschikt. Zij sturen deze eindevaluatie aan de aanstellende overheid.
       De kandidaten worden na elke indeling en/of rangschikking ingelicht over hun resultaat.
       Validatie door Selor
       SELOR valideert de resultaten van de vergelijkende selectie en maakt zich daartoe na uitoefening van de kwaliteitsbewaking de resultaten van elke stap in de vergelijkende selectie eigen of niet.
       Als organisator en coördinator waakt Selor erover dat een gelijke norm wordt gehanteerd voor beide taalrollen, zodanig dat is gegarandeerd dat kandidaten van een gelijkaardig niveau van beide taalrollen kunnen deelnemen aan de selectieprocedure.
       Afdeling III. - Werving
       De Franstalige en Nederlandstalige kandidaten, gerangschikt in groep A hebben een onderhoud met, naargelang de staffunctie, de voorzitter van het directiecomité, of de voorzitter van het directiecomité en de houder van de betrokken managementfunctie -1.
       Van de gesprekken wordt een verslag opgemaakt dat wordt gevoegd in het aanstellingsdossier. Dit onderhoud heeft verder tot doel de gerangschikte Nederlandstalige en de Franstalige kandidaten te vergelijken en dit aan de hand van de vooraf opgestelde functiebeschrijving en competentieprofiel. Deze vergelijking is noodzakelijk teneinde een keuze te maken tussen een Nederlandstalige en Franstalige kandidaat zo het taalkader deze keuze niet bepaalt.
       Teneinde te voldoen aan de bepalingen van de taalwetgeving inzake bestuurszaken zal bij het gesprek, wanneer diegene die het onderhoud leidt van de andere taalrol dan de kandidaat en ééntalig is, aan betrokkene een wettelijk tweetalige van de taalrol van de kandidaat worden toegevoegd. Teneinde te verzekeren dat aan deze verplichting wordt voldaan, zal SELOR, dat instaat voor de kwaliteitscontrole van de selectie, bij de overmaking van de namen van de geselecteerden in groep A, desgevallend in groep B, steeds de interviewer hierop wijzen.
       Bij uitputting van groep A, wordt dezelfde procedure herhaald voor de kandidaten van groep B. Onder uitputting wordt verstaan, het feit dat er geen kandidaten in groep A ingedeeld werden of dat de kandidaten van groep A niet willen of kunnen hun functie opnemen.
       Afdeling IV. - De aanstelling
       De staffuncties worden uitgeoefend in het kader van een mandaat van zes jaar.
       De houders van een staffunctie worden aangesteld door de Koning, op voorstel van de betrokken minister, na voordracht door de voorzitter van het directiecomité.
       Zij doen geen stage.
       HOOFDSTUK IV. - Nadere regels betreffende de uitoefening van de staffuncties
       Afdeling I. - Het managementplan van de houder van een staffunctie
       Het zijn de partijen die het gesprek gevoerd hebben die de verdere inhoudelijke invulling van de staffunctie zullen uitwerken. Die inhoudelijke invulling zal gebeuren aan de hand van het opstellen van concrete prestatiedoelstellingen.
       De voorzitter van het Directiecomité kan beslissen of zij zullen opgenomen worden in een management- en operationeel plan, dan wel enkel onder de vorm van afgesproken prestatiedoelstellingen in het kader van de evaluatie.
       In het geval geopteerd wordt voor een management- en operationeel plan, zal het operationeel plan een jaarlijks plan vormen, voortrollend over drie jaar, dat de concrete prestaties en resultaatgebieden omschrijft. In dit operationeel plan worden zowel jaarlijkse doelstellingen opgenomen (bvb. specifieke outputs, processen), managementdoelen (bvb. training, IT) en financiële doelstellingen als een aantal doelstellingen op het vlak van efficiëntie- en kwaliteitsverbetering.
       Het omvat eveneens een budgettaire invulling op jaarbasis van het managementplan.
       Afdeling II. - Nadere regelen betreffende de uitoefening van de staffuncties
       Het statuut van de rijksambtenaren is, behoudens wat bepaald is in onderhavig besluit, van toepassing op de houders van een staffunctie. Zo zijn de rechten en plichten van de rijksambtenaren en de tuchtregeling op hen van toepassing.
       Tijdens de duur van zijn mandaat wordt de vastbenoemde ambtenaar in verlof voor opdracht van ambtswege geplaatst. Hij behoudt dus al zijn rechten. Zijn betrekking kan slechts na twee jaar vacant verklaard worden.
       Sociaal zekerheidsstatuut
       De houders van een staffunctie die extern zijn aan het federaal administratief Openbaar Ambt of reeds contractueel personeelslid waren, vallen eveneens onder het sociaal zekerheidsstatuut van de statutaire ambtenaren van de Staat, behoudens wat de sector pensioenen betreft. Dit betekent bijvoorbeeld op vlak van ziekteuitkering dat na de betaling van het gewaarborgd maandloon, zij geen ziekteuitkering van hun mutualiteit ontvangen maar gewoon doorbetaald worden.
       Alle houders van een staffunctie bouwen tijdens hun mandaat een privé-pensioen en een extra-legaal pensioen op.
       Op de toekenning en de berekening van het pensioen van de vastbenoemde ambtenaar zal artikel 4 van de wet van 10 januari 1974 (BS 4 april 1974) " tot regeling van de in aanmerkingneming van bepaalde diensten en van met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden voor het toekennen en berekenen van pensioenen ten laste van de Staatskas " van toepassing zijn.
       De houder van een staffunctie - vastbenoemde ambtenaar - is krachtens dit besluit in verlof voor opdracht van ambtswege geplaatst dat gelijkgesteld wordt met de administratieve stand " dienstactiviteit " om hem in staat te stellen de staffunctie uit te oefenen en kan op grond van die beroepswerkzaamheid aanspraak maken op een rustpensioen of rente in de privé-sector. Voor de berekening van zijn ambtenarenpensioen tellen de jaren gepresteerd als houder van een staffunctie mee maar de verhoging van zijn ambtenarenpensioen die deze meetelling met zich meebrengt, zal in de regel lager zijn dan het opgebouwde privé-pensioen en extra-legaal pensioen gezien de hoge verloning. Hij zal derhalve in de regel het privé-pensioen en het extra-legaal pensioen krijgen en een ambtenarenpensioen zonder rekening te houden met het aantal jaren gepresteerd als houder van een staffunctie. Hij krijgt dus steeds het hoogste bedrag.
       Bij het einde van het mandaat vallen de externen onder artikel 7 van de wet 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen en zal de overheid derhalve gezien zij tijdens de uitoefening van hun mandaat geen sociale bijdragen betalen voor de sector uitkeringen van de verplichte ziekteverzekering en de werkloosheidsverzekering, de nodige sociale bijdragen dienen te storten. Bijvoorbeeld wat betreft het genot van werkloosheidsuitkering is het zo dat wie ouder is dan 50 jaar, 24 maanden dient bij te dragen zelfs bij de beëindiging van rechtswege van het mandaat.
       Verloven
       De houder van een staffunctie oefent zijn functie voltijds uit. Hij geniet dus het verlofstelsel van de rijksambtenaar onder voorbehoud van de beperkingen voorzien in onderhavig besluit.
       Beloning
       De beloning zal op een evenwichtige wijze gebeuren, wat betekent een gelijkwaardige bruto beloning voor een gelijkwaardige functie.
       Functies van hetzelfde niveau zijn niet noodzakelijk gelijkwaardige functies naar beloning toe. Elke functie wordt gewogen naar de uit te voeren taken en toegekende verantwoordelijkheden. Het functie-wegingssysteem, de objectieve criteria die aan de basis liggen van dit systeem en de beloningsmethodiek, werden bepaald bij het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties en tot vaststelling van hun wedde.
       Het beloningspakket omvat een maandwedde en een extra-legaal pensioen. Zij kunnen bovenop het vastgestelde beloningspakket een onkostenvergoeding genieten en een dienstwagen die ze eveneens voor privé-doeleinde mogen gebruiken, krijgen. Dit betekent niet dat elke houder van een staffunctie d'office een auto heeft maar dit dient geval per geval nagegaan te worden naargelang de noodzaak, de vraag en de beschikbare budgettaire middelen.
       HOOFDSTUK V. - De evaluatie van de houder van een staffunctie
       De houders van een staffunctie krijgen een eerste evaluatie op het einde van het eerste jaar van hun mandaat. Daarna worden zij tweejaarlijks geëvalueerd, met een globale eindevaluatie zes maand voor het einde van hun mandaat. Een dergelijke evaluatiecyclus biedt het voordeel dat hun evaluatie tussen de tweejaarlijkse evaluatie van de voorzitter van het Directiecomité en de overige houders van een managementfunctie valt, zodat een directe en onmiddellijke beïnvloeding tussen de verschillende evaluaties zich niet zal voordoen.
       Gelet op de te bereiken doelstellingen en gelet op hun bijzondere positie - zeker wat betreft de personeelsleden van de federale ministeries en overheidsdiensten - wordt een andere invulling gegeven aan een evaluatie " onvoldoende ", namelijk in relatie tot de staffunctie.
       Gezien hun bijzondere verantwoordelijkheden, met name de concrete strategische en/of operationele doelstellingen die geformuleerd staan in de vooropgestelde prestatiedoelstellingen of de respectieve managementplannen en operationele plannen, zal de evaluatie daarop moeten focussen. De beoordeling van de houders van een staffunctie zal bijgevolg gebaseerd zijn enerzijds op de behaalde resultaten met betrekking tot de vooropgestelde doelstellingen en anderzijds op de manier waarop de werkzaamheden werden ondernomen.
       De evaluatie beperkt zich tot de uitoefening van de staffunctie. Het onvoldoende functioneren binnen de staffunctie heeft inderdaad slechts gevolgen voor die functie, wat blijkt uit de gevolgen van de evaluatie " onvoldoende ". Er wordt enkel een einde gesteld aan het mandaat. Het leidt voor vastbenoemde ambtenaren niet tot een voorstel tot ontslag als ambtenaar.
       Een ander bijzonder aspect is dat de mandaathouder zes maanden voor het einde van zijn mandaat een globale eindevaluatie krijgt. Deze evaluatie houdt rekening met de uiteindelijke resultaten.
       De voorzitter van het Directiecomité evalueert de houder van een staffunctie -1. De evaluatie van de houder van de staffunctie -2 gebeurt in samenspraak met de betrokken managementfunctie -1.
       HOOFDSTUK VI. - Einde van het mandaat en de niet-hernieuwing ervan
       Het mandaat neemt van rechtswege een einde bij het verstrijken van de termijn en kan bij de toekenning van een evaluatie " onvoldoende " vroegtijdig beëindigd worden.
       In 's lands belang, en om de continuïteit van de openbare dienst te verzekeren, is een verlenging van het mandaat tot de datum van aanstelling van zijn opvolger mogelijk, en dit voor een termijn van maximum zes maanden.
       Er kunnen zich volgende situaties voordoen :
       1° beëindiging met een evaluatievermelding " onvoldoende " :
       a) de vastbenoemde ambtenaar van het federaal administratief Openbaar Ambt wordt gereaffecteerd in een passende statutaire functie indien deze "onvoldoende" wordt toegekend bij de tweede tussentijdse evaluatie; de eerste twee jaar kan hij namelijk gezien zijn verlof voor opdracht terugkeren naar zijn oude functie;
       b) de houder van een staffunctie extern aan het federaal administratief Openbaar Ambt (incl. de ex-contractuele personeelsleden) heeft recht op een beëindigingsvergoeding, door Ons bepaald;
       2° einde van het mandaat van rechtswege zonder toekenning van een " onvoldoende " en zo na deelname aan een vergelijkende selectie, er geen voorstel tot nieuw mandaat volgt :
       a) de vastbenoemde ambtenaar van het federaal administratief Openbaar Ambt heeft het recht op vrijwillig ontslag uit zijn statutair ambt met genot van een herintegratievergoeding, door Ons bepaald, of reaffectatie in een passende statutaire functie;
       b) de houder van een staffunctie extern aan het federaal administratief Openbaar Ambt (incl. de ex-contractuele personeelsleden) heeft recht op een herintegratievergoeding, door Ons bepaald.
       HOOFDSTUK VII. - Hernieuwing van het mandaat
       Indien uit de uitoefening van zijn functie blijkt dat de houder van een staffunctie ontegensprekelijk aan de gestelde generieke en specifieke voorwaarden voldoet, wat geconcretiseerd wordt in een eindevaluatie " zeer goed ", wordt het mandaat hernieuwd op basis van door beide partijen overeengekomen nieuwe prestatiedoelstellingen of een nieuw managementplan zonder dat deze staffunctie open wordt verklaard.
       Er wordt met andere woorden geen nieuwe selectie georganiseerd. De eerste selectie wordt geacht geldig te zijn voor het sluiten van het nieuwe mandaat. Ten opzichte van de overheid, heeft de houder van de staffunctie van wie het eerste mandaat is afgelopen, dus een recht op een nieuwe mandaatperiode bij een eindvermelding " zeer goed ".
       HOOFDSTUK IX. - Overgangsbepalingen
       Zolang de voorzitter van het Directiecomité niet is aangesteld,
       1° zullen de functiebeschrijvingen en competentieprofielen voor de verschillende staffuncties worden vastgesteld door de betrokken minister, met methodologische ondersteuning van de bevoegde dienst van de minister bevoegd voor Ambtenarenzaken;
       2° zullen de profielen van de leden van elke selectiecommissie opgesteld worden in samenspraak met de minister;
       3° zullen de commissies worden samengesteld door de Afgevaardigd bestuurder van Selor;
       4° zal de minister het aanvullend onderhoud met de kandidaten van groep A, desgevallend B, voeren en de gekozen kandidaat voordragen.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       Van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaar,
       De Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen,
       L. VAN DEN BOSSCHE
       ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE
       De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste vakantiekamer, op 21 juni 2002 door de Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Besturen verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de aanduiding en de uitoefening van de staffuncties in de federale overheidsdiensten", heeft op 23 augustus 2002 het volgende advies gegeven :
       Strekking en rechtsgrond van het ontwerp
       1. Het om advies voorgelegde ontwerpbesluit bevat de basisregels betreffende de staffuncties in de horizontale en verticale federale overheidsdiensten.
       De staffuncties worden opgesomd in artikel 2 en er wordt bepaald dat zij worden uitgeoefend binnen het raam van een mandaat.
       Het ontworpen besluit bevat bepalingen betreffende de verschillende onderdelen van het statuut van de houders van een staffunctie, namelijk de selectie, de werving en de aanstelling (artikelen 3 tot 9), nadere regels betreffende de uitoefening van de functie (artikelen 10 tot 14), de evaluatie (artikelen 15 tot 19), de beëindiging van het mandaat (artikelen 20 tot 23) en de hernieuwing ervan (artikel 24), een wijzigings- en een overgangsbepaling en slotbepalingen (artikelen 25 tot 28).
       2. Het ontwerp wijzigt het statuut van het rijkspersoneel. Het vindt rechtsgrond in de artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet.
       Voorafgaande opmerking
       Samen met het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten, is het besluit dat thans in ontwerpvorm voorligt bestemd om in de plaats te komen van de bepalingen van het koninklijk besluit van 2 mei 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten. Het laatstgenoemde besluit, waarvan de tenuitvoerlegging werd geschorst bij het arrest nr. 98.735, Jadot, van 7 september 2001 van de Raad van State, afdeling administratie, werd inmiddels door het eerstgenoemde besluit ingetrokken.
       Het ontworpen besluit beoogt voornamelijk tegemoet te komen aan de wettigheidsbezwaren die in het zo-even vermelde arrest ten aanzien van een aantal bepalingen van het koninklijk besluit van 2 mei 2001 werden geuit, en bevat derhalve geen volledig nieuwe regeling van de staffuncties. Een aantal bepalingen zijn dan ook identiek aan bepalingen die voorkwamen in het koninklijk besluit van 2 mei 2001.
       Met betrekking tot de laatstgenoemde bepalingen kan worden volstaan met een verwijzing naar de opmerkingen die dienaangaande werden gemaakt in het advies 31.372/1 dat de Raad van State, afdeling wetgeving, op 22 maart 2001 heeft uitgebracht over het ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 2 mei 2001 (1)
       ( (1) Belgisch Staatsblad , 8 mei 2001, 14960. )
       Onderzoek van de tekst
       Aanhef
       De aanhef moet worden aangevuld met een verwijzing naar het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten, dat door artikel 15 wordt gewijzigd, en naar het door artikel 25 te wijzigen koninklijk besluit (zie de opmerking bij dat artikel).
       Artikel 1
       1. Nu het blijkens het verslag aan de Koning enkel in de bedoeling ligt om stafdiensten uit te bouwen in de horizontale en verticale overheidsdiensten, en niet in de programmatorische overheidsdiensten, kan in artikel 1 best worden gerefereerd aan hoofdstuk 1 van het erin vermelde koninklijk besluit van 7 november 2000, in plaats van aan dat koninklijk besluit in zijn geheel. Het is immers dat hoofdstuk dat betrekking heeft op de horizontale en verticale overheidsdiensten.
       2. Het verdient aanbeveling om in artikel 1 gewag te maken van de van het ontworpen besluit afwijkende bepalingen uit het koninklijk besluit van... betreffende de interne audit binnen de federale overheidsdiensten, dat in ontwerpvorm het voorwerp uitmaakt van het advies 33.695/1/V van heden..
       Artikel 2
       1. In tegenstelling tot wat het geval is in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001, wordt in artikel 2 geen melding gemaakt van het begrip "groepen van functies" en van de daaraan gekoppelde hiërarchische orde.
       Nu onder meer uit de artikelen 6, § 2, en 8, tweede lid, blijkt dat de staffuncties op de niveaus -1 en -2 te situeren vallen, is het aangewezen om ook in de voorliggende regeling het begrip "groepen van functies" op te nemen en de daaraan gekoppelde hiërarchische orde te bepalen.
       2. In artikel 2, eerste lid, dienen de streepjes te worden vervangen door de vermeldingen "1°", "2°", "3°" en "4°".
       3. In artikel 2, derde lid, dient te worden verwezen naar artikel 9 in plaats van naar artikel 10. Het is immers in artikel 9 dat de aanwijzing voor het mandaat nader wordt geregeld.
       4. Het eerste deel van artikel 2, vierde lid, heeft geen normatieve inhoud en kan derhalve beter uit het ontwerp worden weggelaten.
       De bepaling van het tweede deel van het bedoelde lid (" uitgezonderd... " ) kan beter verwerkt worden in artikel 1 van het ontwerp (zie opmerking 2 bij dat artikel). Overigens is het zo dat bepaalde regels uit het besluit dat thans in ontwerpvorm voorligt wél van toepassing zullen zijn op het hoofd van de Interne auditdienst (zie artikel 6 van het ontwerp van koninklijk besluit betreffende de interne audit binnen de federale overheidsdiensten, waarover de Raad van State heden het advies 33.695/1/V uitbrengt).
       Artikel 4
       1. Wat betreft het organiseren van de vergelijkende selecties per taalrol, kan worden verwezen naar de opmerking uit het advies 32.344/1 van 11 oktober 2001 betreffende een gelijkaardige bepaling, toepasselijk op de kandidaten voor een managementfunctie. Die opmerking luidt :
       " Een van de wijzigingen die door het ontwerpbesluit ten aanzien van het koninklijk besluit van 2 mei 2001 wordt aangebracht, is dat er een afzonderlijke selectie plaatsvindt al naargelang het gaat om Nederlandstalige dan wel om Franstalige kandidaten.
       Beginsel blijft evenwel dat de te begeven managementfunctie moet toekomen aan de meest geschikte kandidaat. Van dit beginsel kan enkel worden afgeweken wanneer zulks noodzakelijk is om te voldoen aan de dwingende bepalingen van de taalwetgeving (...).
       Vraag is evenwel of het systeem van een parallelle selectie van, enerzijds, Nederlandstalige kandidaten en, anderzijds, Franstalige kandidaten aan de benoemende overheid wel toelaat om, in de gevallen waar de keuze tussen de kandidaten niet wordt bepaald door de vereisten van de taalwetgeving, op een volledig objectieve en gelijke basis de titels en verdiensten van de onderscheiden kandidaten tegenover elkaar af te wegen. De andere samenstelling van de twee selectiecommissies draagt onvermijdelijk de mogelijkheid in zicht nuances in de maatstaven van beoordeling en verschillen in appreciatie bij de beoordeling zelf voorkomen, terwijl het gegeven dat slechts een rangschikking binnen elke taalgroep wordt opgemaakt, een vergelijking tussen kandidaten van verschillende taalgroepen bemoeilijkt. In dit verband wordt de stellers van het ontwerp erop gewezen dat in het reeds genoemde arrest nr. 48.735 de afwezigheid van een rangschikking tussen de kandidaten mee in aanmerking werd genomen om te besluiten tot een schending van het beginsel van de gelijkheid inzake de toegang tot openbare ambten (2)".
       ( (2) Te dien aanzien moet er worden op gewezen dat de selectie per taalgroep niet kan worden verantwoord door de zorg voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de betrokken taalgroep binnen het bestuur. Aan die zorg wordt immers tegemoet gekomen door de taalwetgeving zelf. Het is slechts wanneer een bepaalde functie zowel door een Nederlandstalige als door een Franstalige kan worden bezet - en bijgevolg het vrijwaren van het door de taalwetgeving beoogde evenwicht niet noodzaakt tot de aanwijzing van een kandidaat die tot een vooraf bepaalde taalgroep behoort - dat het aan de orde gestelde gelijkheidsprobleem zich kan voordoen. )
       Die opmerking geldt mutatis mutandis voor de kandidaten voor een staffunctie.
       2. Er kan worden aanbevolen om, eventueel in het verslag aan de Koning, te specificeren waaruit de "validering" van resultaten van elke stap in de vergelijkende selectie bestaat.
       Artikel 6
       In de Nederlandse tekst van de inleidende zin van artikel 6, § 2, vervange men het woord "wordt" door het woord "worden". In de Franse tekst van dezelfde inleidende zin vervange men de woorden "est déterminée" door de woorden "sont déterminés".
       Artikel 7
       1. In een opsomming mogen geen tussenzinnen voorkomen omdat zij de leesbaarheid van de betrokken tekst bemoeilijken en bij latere wijzigingen aanleiding kunnen geven tot verwarring. De redactie van artikel 7, §§ 2 en 3, moet derhalve worden aangepast.
       2. In artikel 7, § 2, schrijve men "mondelinge, en, in voorkomend geval, schriftelijke proef" in plaats van "mondelinge en/of schriftelijke proef". Er wordt immers steeds een mondelinge proef georganiseerd, en daarnaast eventueel ook nog een schriftelijke proef.
       3. De gemachtigde verklaart dat in artikel 7, § 3, 4°, eerste lid, de woorden "leidinggevende vaardigheden" moeten worden vervangen door de woorden "generieke en gedragsmatige competenties".
       4. In artikel 7, § 4, moet tevens worden vermeld dat de kandidaten worden ingelicht over hun indeling in een groep.
       Artikel 11
       Het verdient aanbeveling om de hiërarchische verhouding van de houders van een staffunctie met de bestaande rangen te bepalen, naar analogie van de regeling opgenomen in artikel 12, tweede lid, tweede volzin, van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001.
       In de Franse tekst van het tweede lid dienen de woorden "fonction de management" vervangen te worden door de woorden "fonction d'encadrement".
       Artikel 15
       In artikel 15 dient de datum van het erin vermelde koninklijk besluit nog te worden ingevuld, zijnde 2 augustus 2002.
       Artikel 19
       1. Er is geen reden om voor de houders van een staffunctie niet te voorzien in de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een eindevaluatie die niet resulteert in een eindvermelding "zeer goed", gezien deze mogelijkheid wel bestaat voor de houders van een managementfunctie (zie artikel 19 van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001).
       Artikel 19 dient derhalve op dit punt te worden aangevuld.
       2. Men vervange in artikel 19 de vermeldingen "1." , "2." en "3." door de vermeldingen "1°", "2°" en "3°".
       Artikel 21
       1. In artikel 21, § 2, schrijve men "tussentijdse evaluatie" (3) in plaats van "tweejaarlijkse evaluatie". De eerste evaluatie heeft immers plaats op het einde van het eerste jaar van het mandaat (zie artikel 16, eerste lid).
       ( (3) Om in overeenstemming te zijn met de terminologie van artikel 19 van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 gebruike men in de Franse tekst van de artikelen 16, tweede lid, 17, eerste lid, en 19, van het ontworpen besluit beter de term "intermédiaire" in plaats van "interimaire". )
       2. Krachtens artikel 21, § 3, eerste lid, wordt de houder van een staffunctie van wie het mandaat vroegtijdig werd beëindigd omwille van een vermelding "onvoldoende", gereaffecteerd in een passende functie hem voorgesteld door de bevoegde dienst van zijn federale overheidsdienst.
       Vraag is hoe deze bepaling zich verhoudt tot het bepaalde in artikel 12 wanneer de vermelding "onvoldoende" wordt toegekend na de eerste tussentijdse evaluatie, die na een jaar plaatsvindt. De in dat artikel opgenomen regel dat de betrekking van de houder van een staffunctie slechts kan worden vacant verklaard na twee jaar lijkt er immers van uit te gaan dat de houder van een staffunctie gedurende twee jaar kan terugkeren naar zijn oorspronkelijke betrekking.
       Artikel 25
       Op de vraag van de auditeur-verslaggever naar de invloed op artikel 25 van de wijziging van. de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, antwoordde de gemachtigde van de regering wat volgt :
       " Op heden dient deze wijziging niet meer aangebracht te worden in het KB van 19 juli 2001, genomen in uitvoering van artikel 43 van de taalwetgeving bestuurszaken maar in het koninklijk besluit van 16 juli 2002 tot vaststelling, met het oog op de toepassing van artikel 43ter van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, van de betrekkingen van de ambtenaren van de centrale diensten van de federale overheidsdiensten, die eenzelfde taaltrap vormen. Bovenvermeld KB van 16 juli 2002 wordt namelijk eveneens begin september samen met de wet gepubliceerd.
       Het artikel 25 luidt dan als volgt :
       " In artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 tot vaststelling, met het oog op de toepassing van artikel 43ter van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, (...) van de betrekkingen van de ambtenaren van de centrale diensten van de federale overheidsdiensten, die eenzelfde taaltrap vormen, worden in de tweede taaltrap tussen de woorden 29 oktober 2001 en de woorden 'de betrekking' de woorden de staffuncties, bedoeld in het koninklijk besluit van @ september 2002 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de staffuncties in de federale overheidsdiensten ingevoegd ".
       Artikelen 27 en 28
       De artikelen 27 en 28 dienen te worden ondergebracht in een afzonderlijk hoofdstuk IX, met als opschrift "Slotbepalingen".
       Het opschrift van hoofdstuk VIII moet dan luiden "Overgangsbepaling" in plaats van "Overgangsbepalingen".

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 33 uitvoeringbesluiten 11 gearchiveerde versies
    Franstalige versie