J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
8 NOVEMBER 2001. - Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Straatsburg op 8 november 2001

Bron :
BUITENLANDSE ZAKEN, BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Publicatie : 19-06-2009 nummer :   2009A15028 bladzijde : 42823       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2001-11-08/67
Inwerkingtreding : 01-07-2009

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I.
Art. 1-6
HOOFDSTUK II.
Art. 7-29
HOOFDSTUK III.
Art. 30-35
BIJLAGEN.
Art. N1-N2

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I.

  Artikel 1. - Toepassingsgebied
  Artikel 1 van het Verdrag wordt vervangen door de volgende bepalingen : " 1. De Partijen verbinden zich ertoe om, overeenkomstig de regels van dit Verdrag en zo spoedig mogelijk, elkaar in zo ruim mogelijke mate wederzijdse rechtshulp te verlenen in enige procedure die betrekking heeft op strafbare feiten waarvan de bestraffing, op het tijdstip waarop de rechtshulp wordt gevraagd, tot de bevoegdheid behoort van de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij.
  2. Dit Verdrag is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van beslissingen tot vrijheidsbeneming of van veroordelingen, noch op militaire delicten die niet tevens strafbare feiten naar de gewone strafwet zijn.
  3. Rechtshulp kan eveneens worden verleend in procedures wegens feiten die volgens het nationaal recht van de verzoekende Partij of de aangezochte Partij strafbaar zijn als inbreuken op voorschriften vervolgd door de bestuurlijke autoriteiten, waarvan de beslissing aanleiding kan geven tot verhaal voor een bevoegd gerecht, inzonderheid in strafzaken.
  4. Rechtshulp wordt niet geweigerd louter omdat een rechtspersoon in de verzoekende Partij aansprakelijk kan worden gesteld voor de betrokken feiten. ".

  Art. 2. Aanwezigheid van autoriteiten van de verzoekende Partij
  Artikel 4 van het Verdrag wordt aangevuld met de volgende tekst, zodat het oorspronkelijke artikel 4 het eerste lid vormt en de onderstaande bepalingen het tweede lid : " 2. Verzoeken die strekken tot de aanwezigheid van deze autoriteiten of betrokkenen mogen niet worden geweigerd ingeval deze aanwezigheid beoogt dat de tenuitvoerlegging van het verzoek om rechtshulp beter beantwoordt aan de noden van de verzoekende Partij, zodat bijkomende verzoeken om rechtshulp kunnen worden voorkomen. ".

  Art. 3. Tijdelijke overbrenging van gedetineerden naar het grondgebied van de verzoekende Partij
  Artikel 11 van het Verdrag wordt vervangen door de volgende bepalingen : " 1. Ingeval de verzoekende Partij om de verschijning in persoon verzoekt van een persoon die van zijn vrijheid is beroofd ten behoeve van een onderzoek, met uitzondering van zijn verschijning om te worden berecht, wordt de betrokkene tijdelijk overgebracht naar het grondgebied van deze Partij, op voorwaarde dat hij binnen de door de aangezochte Partij vastgestelde termijn wordt teruggezonden en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 12 van dit Verdrag, voor zover dit toepassing kan vinden.
  De overbrenging kan worden geweigerd :
  a) indien de gedetineerde niet erin toestemt;
  b) indien zijn aanwezigheid vereist is in een strafprocedure op het grondgebied van de aangezochte Partij;
  c) indien zijn overbrenging de duur van zijn detentie zou kunnen verlengen, of
  d) indien andere dwingende overwegingen zich tegen zijn overbrenging naar het grondgebied van de verzoekende Partij verzetten.
  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2 van dit Verdrag wordt in het geval bedoeld in het eerste lid, doortocht van een gedetineerde door het grondgebied van een derde Staat toegestaan. Het daartoe strekkende verzoek van het ministerie van Justitie van de verzoekende Partij aan het ministerie van Justitie van de Partij waaraan toestemming om doortocht wordt verzocht, moet vergezeld gaan van de daarvoor van belang zijnde stukken. Enige Partij kan weigeren doortocht van zijn onderdanen toe te staan.
  3. De overgebrachte persoon blijft in hechtenis op het grondgebied van de verzoekende Partij en, in voorkomend geval, op het grondgebied van de Partij waaraan toestemming tot doortocht is verzocht, tenzij de Partij die instemt met de overbrenging van de gedetineerde om zijn invrijheidstelling verzoekt. ".

  Art. 4. Communicatiemiddelen
  Artikel 15 van het Verdrag wordt vervangen door de volgende bepalingen : " 1. Verzoeken om rechtshulp, alsook enige spontane informatie worden door het ministerie van Justitie van de verzoekende Partij schriftelijk gericht aan het ministerie van Justitie van de aangezochte Partij en op dezelfde wijze teruggezonden. Zij kunnen evenwel rechtstreeks door de rechterlijke autoriteit van de verzoekende Partij worden gericht aan de rechterlijke autoriteit van de aangezochte Partij en op dezelfde wijze teruggezonden.
  2. De verzoeken bedoeld in artikel 11 van dit Verdrag en in artikel 13 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag worden in alle gevallen door het ministerie van Justitie van de verzoekende Partij gericht aan het ministerie van Justitie van de aangezochte Partij en op dezelfde wijze teruggezonden.
  3. Verzoeken om rechtshulp met betrekking tot procedures bedoeld in artikel 1, derde lid, van dit Verdrag kunnen eveneens rechtstreeks door de bestuurlijke of rechterlijke autoriteit van de verzoekende Partij worden gericht aan de bestuurlijke of rechterlijke autoriteit van de aangezochte Partij, naar gelang van het geval, en op dezelfde wijze worden teruggezonden.
  4. Verzoeken om rechtshulp krachtens de artikelen 18 of 19 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag kunnen eveneens rechtstreeks door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij aan de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij worden gericht.
  5. De verzoeken bedoeld in artikel 13, eerste lid, van dit Verdrag kunnen rechtstreeks door de betrokken rechterlijke autoriteiten aan de bevoegde dienst van aangezochte Partij worden gericht, de antwoorden kunnen rechtstreeks door deze dienst worden teruggezonden. De verzoeken bedoeld in artikel 13, tweede lid, van dit Verdrag worden door het ministerie van Justitie van de verzoekende Partij gericht aan het ministerie van Justitie van de aangezochte Partij.
  6. De verzoeken om een afschrift van de vonnissen en maatregelen bedoeld in artikel 4 van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag kunnen rechtstreeks aan de bevoegde autoriteiten worden gericht. Enige Verdragsluitende Partij kan te allen tijde, door een verklaring aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, de autoriteiten aangeven die hij bevoegd acht voor de toepassing van dit lid.
  7. In spoedeisende gevallen en ingeval dit Verdrag rechtstreekse toezending toestaat, kan zulks geschieden door toedoen van de Internationale Politieorganisatie (Interpol).
  8. Enige Partij kan te allen tijde door een verklaring aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa zich het recht voorbehouden de tenuitvoerlegging van verzoeken om rechtshulp of van sommige ervan aan een of meer van de volgende voorwaarden te onderwerpen :
  a) een afschrift van het verzoek moet naar de erin aangewezen centrale autoriteit worden gestuurd;
  b) het verzoek moet worden gericht tot de centrale autoriteit die erin wordt aangewezen, behalve in geval van dringende noodzakelijkheid;
  c) in geval van een rechtstreekse toezending wegens dringende noodzakelijkheid, moet tegelijkertijd een afschrift aan bedoeld ministerie van Justitie worden bezorgd;
  d) sommige of alle verzoeken om rechtshulp moeten aan dit ministerie worden gericht op een andere wijze dan die bedoeld in dit artikel.
  9. Verzoeken om rechtshulp of enige andere mededeling krachtens dit Verdrag of de aanvullende protocollen kunnen worden gedaan door middel van elektronische communicatiemiddelen of door middel van enig ander telecommunicatiemiddel, op voorwaarde dat de verzoekende Partij bereid is op enig tijdstip, op verzoek, een schriftelijk bewijs van de toezending, alsook het origineel voor te leggen. Niettemin kan enige Verdragsluitende Staat te allen tijde door een verklaring aan de Secretaris-generaal de voorwaarden aangeven waaronder hij bereid is per e-mail of enig ander telecommunicatiemiddel ontvangen verzoeken te aanvaarden en ten uitvoer te leggen.
  10. Dit artikel laat de bepalingen van bilaterale overeenkomsten of regelingen welke tussen de Verdragsluitende Partijen van kracht zijn en volgens welke is voorzien in de rechtstreekse toezending van verzoeken om rechtshulp tussen autoriteiten van de Partijen, onverlet. ".

  Art. 5. Kosten
  Artikel 20 van het Verdrag wordt vervangen door de volgende bepalingen : " 1. De Partijen eisen geen wederzijdse terugbetaling van de kosten die voortvloeien uit de toepassing van het Verdrag of de aanvullende protocollen, met uitzondering van :
  a) kosten veroorzaakt door het optreden van deskundigen op het grondgebied van de aangezochte Staat;
  b) kosten veroorzaakt door de overbrenging van gedetineerden overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag of artikel 11 van het Verdrag;
  c) aanzienlijke of buitengewone kosten.
  2. De kosten voor het aanleggen van de video- of telefoonverbinding, de kosten in verband met het ter beschikking stellen van de video- of telefoonverbinding in de aangezochte Partij, de vergoeding van de tolken waarvoor zij zorgt en de aan de getuigen betaalde vergoedingen alsook hun verplaatsingsonkosten in de aangezochte Partij worden door de verzoekende Partij evenwel terugbetaald aan de aangezochte Partij, tenzij de Partijen anders overeenkomen.
  3. De Partijen plegen overleg teneinde de voorwaarden te bepalen voor de betaling van de kosten die krachtens de bepalingen van het eerste lid, c), van dit artikel kunnen worden geŽist.
  4. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 10, derde lid, van dit Verdrag. ".

  Art. 6. Rechterlijke autoriteiten
  Artikel 24 van het Verdrag wordt vervangen door de volgende bepalingen : " Enige Staat geeft bij de ondertekening of bij de neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door een verklaring aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, aan welke autoriteiten hij beschouwt als rechterlijke autoriteiten in de zin van dit Verdrag. Daarna kan hij op enig tijdstip en op dezelfde wijze de bewoordingen van zijn verklaring wijzigen. ".

  HOOFDSTUK II.

  Art. 7. Uitgestelde tenuitvoerlegging van verzoeken
  1. De aangezochte Partij kan de inwilliging van een verzoek uitstellen ingeval gevolg eraan geven een negatieve weerslag kan hebben op een onderzoek, op vervolging of op enige andere aanverwante procedure gevoerd door haar autoriteiten.
  2. Alvorens rechtshulp te weigeren of uit te stellen onderzoekt de aangezochte Partij, desgevallend na de verzoekende Partij te hebben geraadpleegd, of gedeeltelijk of onder voorbehoud van de voorwaarden die zij noodzakelijk acht erop kan worden ingegaan.
  3. Enige beslissing om de rechtshulp uit te stellen wordt met redenen omkleed. De aangezochte Partij brengt de verzoekende Partij eveneens op de hoogte van de redenen die de rechtshulp onmogelijk maken of aanzienlijk kunnen vertragen.

  Art. 8. Procedure
  Ongeacht het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag, voldoet de aangezochte Partij aan een verzoek ingeval het een bepaalde door de wetgeving van de verzoekende Partij opgelegde formaliteit of procedure voorschrijft, zelfs indien zij niet vertrouwd is met de gevraagde formaliteit of procedure, voor zover zulks niet strijdig is met haar fundamentele rechtsbeginselen, tenzij in dit Protocol anders is bepaald.

  Art. 9. Verhoor per videoconferentie
  1. Ingeval een persoon die zich op het grondgebied van een Partij bevindt door de rechterlijke autoriteiten van een andere Partij als getuige of deskundige moet worden verhoord en het niet wenselijk of onmogelijk is dat de te verhoren persoon in persoon verschijnt op haar grondgebied, kan laatstgenoemde Partij vragen dat het verhoor per videoconferentie wordt afgenomen overeenkomstig het 2e tot het 7e lid.
  2. De aangezochte Partij stemt in met het verhoor per videoconferentie voor zover het gebruik van deze methode niet strijdig is met haar fundamentele rechtsbeginselen en zij beschikt over de technische middelen die het verhoor mogelijk maken. Ingeval de aangezochte Partij niet beschikt over de nodige technische middelen voor een videoconferentie, kunnen deze door de verzoekende Partij ter beschikking worden gesteld, met de instemming van de aangezochte Partij.
  3. Verzoeken om verhoor per videoconferentie bevatten naast de gegevens bedoeld in artikel 14 van het Verdrag, de reden waarom het niet wenselijk of mogelijk is dat de getuige of deskundige in persoon verschijnt op het verhoor, de naam van de rechterlijke autoriteit en van de personen die het verhoor afnemen.
  4. De rechterlijke autoriteit van de aangezochte Partij dagvaardt de betrokkene volgens de in haar wetgeving bepaalde vorm.
  5. De volgende regels zijn van toepassing op het verhoor per videoconferentie :
  a) het verhoor vindt plaats in aanwezigheid van een rechterlijke autoriteit van de aangezochte Partij, indien nodig met bijstand van een tolk. Deze autoriteit is eveneens verantwoordelijk voor de identificatie van de verhoorde persoon en voor de naleving van de fundamentele rechtsbeginselen van de aangezochte Partij. Ingeval de rechterlijke autoriteit van de aangezochte Partij van oordeel is dat de fundamentele rechtsbeginselen van de aangezochte Partij niet worden nageleefd tijdens het verhoor, treft zij onverwijld de nodige maatregelen opdat het verhoor overeenkomstig voornoemde beginselen wordt voortgezet;
  b) de bevoegde autoriteiten van de verzoekende en de aangezochte Partij treffen desgevallend maatregelen inzake de bescherming van de te verhoren persoon;
  c) het verhoor wordt rechtstreeks door of onder leiding van de rechterlijke autoriteit van de verzoekende Partij afgenomen, overeenkomstig haar nationaal recht;
  d) op verzoek van de verzoekende Partij of de te verhoren persoon zorgt de aangezochte Partij ervoor dat de persoon indien nodig wordt bijgestaan door een tolk;
  e) de te verhoren persoon kan een beroep doen op de verschoningsrechten die hem door de wet van de aangezochte Partij of door die van de verzoekende Partij worden toegekend.
  6. Onverminderd alle maatregelen die overeengekomen zijn ter bescherming van personen, stelt de rechterlijke autoriteit van de aangezochte Partij na afloop van het verhoor een proces-verbaal op met vermelding van de datum en de plaats van het verhoor, de identiteit van de verhoorde persoon, de identiteit en de hoedanigheid van alle andere personen van de aangezochte Partij die aan het verhoor hebben deelgenomen, alle eventuele eedafleggingen en de technische omstandigheden waarin het verhoor heeft plaatsgevonden. De bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij zendt dit document over aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij.
  7. Enige Partij treft de nodige maatregelen opdat, ingeval getuigen of deskundigen op haar grondgebied worden verhoord overeenkomstig dit artikel en weigeren te getuigen hoewel zij daartoe verplicht zijn, of valse verklaringen afleggen, haar nationaal recht wordt toegepast zoals in geval van een verhoor in het kader van een nationale procedure.
  8. Ingeval de Partijen dit wensen kunnen zij, indien nodig en met de instemming van hun bevoegde rechterlijke autoriteiten, de bepalingen van dit artikel eveneens toepassen op verhoren per videoconferentie waarbij de strafrechtelijk vervolgde persoon of de verdachte betrokken is. In dat geval moeten de betrokken Partijen een regeling bereiken over de beslissing de videoconferentie te houden en de wijze waarop zij verloopt, in overeenstemming met hun nationaal recht en met de internationale instrumenten ter zake. Verhoren waarbij de strafrechtelijk vervolgde persoon of de verdachte betrokken is, kunnen worden afgenomen als zij daarin toestemmen.
  9. Enige Verdragsluitende Staat kan te allen tijde, door een verklaring aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, verklaren dat hij geen beroep wenst te doen op de in het achtste lid van dit artikel bedoelde mogelijkheid om de bepalingen van dit artikel eveneens toe te passen op de verhoren per videoconferentie waarbij de strafrechtelijk vervolgde persoon of de verdachte is betrokken.

  Art. 10. Verhoor per teleconferentie
  1. Ingeval een persoon die zich op het grondgebied van een Partij bevindt door de rechterlijke autoriteiten van een andere Partij als getuige of deskundige moet worden verhoord, kan laatstgenoemde partij ingeval zijn nationaal recht daarin voorziet om bijstand van de eerstgenoemde Partij verzoeken opdat het verhoor per videoconferentie af te nemen overeenkomstig het 2e tot het 7e lid.
  2. Een verhoor kan alleen per teleconferentie worden afgenomen ingeval de getuige of de deskundige daarin toestemt.
  3. De aangezochte Partij stemt in met het verhoor per teleconferentie op voorwaarde dat deze methode niet strijdig is met haar fundamentele rechtsbeginselen.
  4. Verzoeken om verhoor per teleconferentie bevatten naast de gegevens bedoeld in artikel 14 van het Verdrag, de naam van de rechterlijke autoriteit en van de personen die het verhoor afnemen alsook een vermelding dat de getuige of de deskundige bereid is deel te nemen aan een verhoor per teleconferentie.
  5. De praktische afspraken inzake het verhoor worden overeengekomen door de betrokken Partijen. Ingeval de aangezochte Partij deze nadere regels aanvaardt, verbindt zij zich ertoe :
  a) de betrokken getuige of deskundige in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van het verhoor;
  b) te zorgen voor de identificatie van de getuige of van de deskundige;
  c) vast te stellen dat de getuige of de deskundige instemt met het verhoor per teleconferentie.
  6. De aangezochte Staat kan zijn instemming verlenen onder voorbehoud van de volledige of de gedeeltelijke toepassing van de relevante bepalingen van artikel 9, vijfde en zevende lid.

  Art. 11. Overzending van gegevens op eigen initiatief
  1. Onverminderd hun eigen onderzoeken of procedures, kunnen de bevoegde autoriteiten van een Partij zonder voorafgaand verzoek de gegevens verzameld in het kader van hun eigen onderzoek overzenden aan de bevoegde autoriteiten van een andere Partij, ingeval zij van oordeel zijn dat de mededeling van deze gegevens de Partij waarvoor zij bestemd zijn kan helpen onderzoeken of procedures in te stellen of tot een goed einde te brengen, of ingeval deze inlichtingen ertoe kunnen leiden dat deze Partij een verzoek indient krachtens het Verdrag of de aanvullende protocollen.
  2. De Partij die de inlichtingen verstrekt, kan overeenkomstig haar nationaal recht bepaalde voorwaarden stellen inzake de aanwending door de Partij waarvoor zij bestemd zijn.
  3. De Partij waarvoor de gegevens bestemd zijn, is verplicht deze voorwaarden na te leven.
  4. Enige Verdragsluitende Staat kan te allen tijde door een verklaring aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa verklaren dat hij zich het recht voorbehoudt zich niet te onderwerpen aan de voorwaarden opgelegd krachtens het tweede lid van dit artikel door de Partij die de gegevens verschaft, tenzij hij vooraf op de hoogte is gebracht van de aard van de te verschaffen informatie en hij aanvaardt dat deze hem wordt overgezonden.

  Art. 12. Teruggave
  1. Op verzoek van de verzoekende Partij en onverminderd de rechten van derden te goeder trouw kan de aangezochte Partij voorwerpen die door een strafbaar feit zijn verkregen ter beschikking stellen van de verzoekende Partij met het oog op de teruggave ervan aan hun rechtmatige eigenaar.
  2. In het kader van de toepassing van de artikelen 3 en 6 van het Verdrag kan de aangezochte Partij, voor of na de overhandiging van de voorwerpen aan de verzoekende Partij, afstand doen van de voorwerpen ingeval zulks de teruggave van deze voorwerpen aan hun rechtmatige eigenaar kan bevorderen. De rechten van derden te goeder trouw blijven onverlet.
  3. Ingeval de aangezochte partij afstand doet van de voorwerpen voor hun terugzending aan de verzoekende Partij, maakt zij geen aanspraak op enige waarborg of op enig ander verhaal dat voortvloeit uit de belasting- of douanewetgeving op deze voorwerpen.
  4. Een afstand overeenkomstig het tweede lid laat het recht van de aangezochte Partij om belastingen of douanerechten te eisen van de rechtmatige eigenaar, onverlet.

  Art. 13. Tijdelijke overbrenging van gedetineerden naar het grondgebied van de aangezochte Partij
  1. Ingeval de bevoegde autoriteiten van de betrokken Partijen daarover overeenstemming hebben bereikt, kan een Partij die heeft verzocht om een onderzoeksmaatregel waarvoor de aanwezigheid van een op haar grondgebied gedetineerde persoon vereist is, deze persoon tijdelijk overbrengen naar het grondgebied van de Partij waar het onderzoek moet plaatsvinden.
  2. De regeling voorziet in de nadere regels voor de tijdelijke overbrenging van de persoon en in de termijn binnen welke hij moet worden teruggezonden naar het grondgebied van de verzoekende Partij.
  3. Ingeval voor de overbrenging de instemming van de betrokkene vereist is, wordt aan de aangezochte Partij onverwijld een verklaring van instemming of een afschrift ervan bezorgd.
  4. De overgebrachte persoon moet in hechtenis blijven op het grondgebied van de aangezochte Partij en, in voorkomend geval op het grondgebied van de Partij van doortocht, tenzij de Partij die de overbrenging van de gedetineerde toestaat, om zijn invrijheidstelling verzoekt.
  5. De periode van hechtenis op het grondgebied van de aangezochte Partij wordt in mindering gebracht op de duur van de hechtenis die de betrokkene op het grondgebied van de verzoekende Partij moet ondergaan.
  6. Artikel 11, tweede lid, en artikel 12 van het Verdrag zijn van overeenkomstige toepassing.
  7. Enige Verdragsluitende Staat kan te allen tijde door een verklaring aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa verklaren dat voor de verwezenlijking van de regeling bedoeld in het eerste lid van dit artikel, de toestemming bedoeld in het derde lid van dit artikel vereist is of onder bepaalde in de verklaring bedoelde voorwaarden vereist is.

  Art. 14. Persoonlijke verschijning van veroordeelde en overgebrachte personen
  Het bepaalde in de artikelen 11 en 12 van het Verdrag is eveneens van overeenkomstige toepassing op personen gedetineerd op het grondgebied van de aangezochte Partij, naar aanleiding van hun overbrenging voor het volbrengen van een op het grondgebied van de verzoekende Partij uitgesproken straf, ingeval hun persoonlijke verschijning door de verzoekende Partij wordt gevraagd met het oog op de herziening van het vonnis.

  Art. 15. Taal van de processtukken en van de mee te delen rechterlijke beslissingen
  1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op enig verzoek om mededeling gedaan krachtens artikel 7 van het Verdrag of artikel 3 van het Aanvullend Protocol.
  2. De processtukken en de rechterlijke beslissingen worden steeds meegedeeld in de taal of de talen waarin zij werden overgelegd.
  3. Ingeval de autoriteit die aan de stukken ten grondslag ligt weet, of redenen heeft om aan te nemen dat de geadresseerde enkel een andere taal kent, moeten de stukken of ten minste de belangrijkste delen ervan, vergezeld gaan van een vertaling in die taal, zulks onverminderd de bepalingen van artikel 16 van het Verdrag.
  4. De processtukken en de rechterlijke beslissingen moeten ten behoeve van de autoriteiten van de aangezochte Partij vergezeld gaan van een kort overzicht van de inhoud ervan, vertaald in de taal of de talen van die Partij, zulks onverminderd de bepalingen van artikel 16 van het Verdrag.

  Art. 16. Mededeling over de post
  1. De bevoegde rechterlijke autoriteiten van enige Partij kunnen rechtstreeks, over de post, de processtukken en de rechterlijke beslissingen meedelen aan de personen die zich op het grondgebied van enige andere Partij bevinden.
  2. De processtukken en de rechterlijke beslissingen gaan vergezeld van een nota waarin wordt aangegeven dat de geadresseerde bij de in de nota vermelde autoriteit informatie kan inwinnen over zijn rechten en verplichtingen met betrekking tot de mededeling van de stukken. De bepalingen van artikel 15, derde lid, van dit Protocol zijn van toepassing op deze nota.
  3. De bepalingen van de artikelen 8, 9 en 12 van het Verdrag zijn naar analogie van toepassing op de mededeling over de post.
  4. De bepalingen van artikel 15, eerste, tweede en derde lid, van dit Protocol zijn eveneens van toepassing op de mededeling over de post.

  Art. 17. Grensoverschrijdende observatie
  1. De ambtenaren van een van de Partijen die, in het kader van een gerechtelijk onderzoek, in hun land een persoon observeren van wie wordt vermoed dat hij heeft deelgenomen aan een strafbaar feit dat aanleiding kan geven tot uitlevering, of een persoon ten aanzien van wie ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat hij kan leiden tot de identificatie of tot de lokalisatie van de supra bedoelde persoon, zijn gemachtigd deze observatie voort te zetten op het grondgebied van een andere Partij, ingeval deze Partij met de grensoverschrijdende observatie heeft ingestemd op grond van een vooraf gedaan verzoek om wederzijdse rechtshulp. De machtiging kan aan voorwaarden worden onderworpen.
  Op verzoek wordt de observatie toevertrouwd aan ambtenaren van de Partij op het grondgebied waarvan zij plaatsvindt.
  Het in het eerste lid bedoelde verzoek om rechtshulp moet worden gericht aan een autoriteit aangewezen door elke van beide Partijen, die bevoegd is om de machtiging waarom is verzocht te verlenen of over te zenden.
  2. Ingeval om bijzonder spoedeisende redenen niet om de voorafgaande machtiging van een andere Partij kan worden verzocht, worden de observerende ambtenaren die optreden in het kader van een gerechtelijk onderzoek, gemachtigd om de observatie van een persoon van wie wordt vermoed dat hij de in het zesde lid bedoelde strafbare feiten heeft gepleegd, voort te zetten over de grens, onder de onderstaande voorwaarden :
  a) het overschrijden van de grens wordt tijdens de observatie onmiddellijk meegedeeld aan de autoriteit van de Partij aangewezen in het vierde lid, op het grondgebied waarvan de observatie wordt voortgezet;
  b) een verzoek om rechtshulp gedaan overeenkomstig het eerste lid, waarin de redenen ter verantwoording van de grensoverschrijding zonder voorafgaande toestemming worden uiteengezet, wordt onverwijld overgezonden.
  De observatie wordt beŽindigd zodra de Partij op het grondgebied waarvan zij plaatsvindt, daarom verzoekt ten gevolge van de mededeling bedoeld in punt a, van het verzoek bedoeld in punt b, of ingeval de machtiging niet is verkregen binnen vijf uur na het overschrijden van de grens.
  3. De observatie bedoeld in het eerste en het tweede lid kan enkel worden uitgeoefend onder de volgende algemene voorwaarden :
  a) de observerende ambtenaren moeten het bepaalde in dit artikel en in het recht van de Partij op het grondgebied waarvan zij optreden in acht nemen; zij moeten de aanwijzingen van de plaatselijk bevoegde autoriteiten volgen;
  b) onder voorbehoud van de situaties bedoeld in het tweede lid, zijn de ambtenaren tijdens de observatie in het bezit van een document waaruit blijkt dat machtiging werd verleend;
  c) de observerende ambtenaren moeten te allen tijde hun officiŽle hoedanigheid kunnen bewijzen;
  d) de observerende ambtenaren kunnen tijdens de observatie hun dienstwapen dragen, behoudens uitdrukkelijke andere beslissing van de aangezochte Partij; het mag enkel worden aangewend in geval van wettige zelfverdediging;
  e) het binnendringen in woningen en het betreden van niet voor het publiek toegankelijke plaatsen is niet toegestaan;
  f) de observerende ambtenaar kunnen de geobserveerde persoon noch staande houden, noch aanhouden;
  g) van enig optreden wordt verslag uitgebracht bij de autoriteiten van de Partij op het grondgebied waarvan het heeft plaatsgevonden; de persoonlijke verschijning van de observerende ambtenaren kan vereist zijn;
  h) de autoriteiten van de Partij van herkomst van de observerende ambtenaren verlenen hun medewerking aan het onderzoek dat volgt op het optreden waaraan zij hebben deelgenomen, daaronder begrepen gerechtelijke procedures, ingeval de autoriteiten van de Partij op het grondgebied waarvan de observatie heeft plaatsgevonden daarom verzoeken.
  4. Enige Partij kan op het tijdstip van ondertekening of bij de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door een verklaring aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, aangeven welke ambtenaren en autoriteiten zij aanwijst met betrekking tot het eerste en het tweede lid van dit artikel. Vervolgens kan enige Partij te allen tijde en op dezelfde wijze, de bewoordingen van haar verklaring wijzigen.
  5. De Partijen kunnen op bilateraal vlak het toepassingsgebied van dit artikel uitbreiden en ter uitvoering van dit artikel bijkomende bepalingen goedkeuren.
  6. De observatie zoals bedoeld in het tweede lid kan enkel plaatsvinden in geval van een van de volgende strafbare feiten :
  - moord;
  - doodslag;
  - brandstichting,
  - verkrachting,
  - valsmunterij;
  - diefstal en heling met verzwarende omstandigheden;
  - oplichting;
  - schaking en ontvoering;
  - mensensmokkel;
  - illegale handel in verdovende middelen en in psychotrope stoffen;
  - inbreuken op de wettelijke bepalingen inzake wapens en explosieven;
  - vernieling door middel van explosieven;
  - illegaal vervoer van toxische en schadelijk afvalstoffen;
  - smokkel van vreemdelingen,
  - seksueel misbruik van kinderen.

  Art. 18. Gecontroleerde afleveringen
  1. Enige Partij verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat op verzoek van een andere Partij, op haar grondgebied gecontroleerde afleveringen in het kader van strafonderzoeken naar strafbare feiten die aanleiding kunnen geven tot uitlevering, worden toegestaan.
  2. De beslissing een beroep te doen op gecontroleerde afleveringen wordt in ieder geval afzonderlijk genomen door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij, met inachtneming van het nationaal recht van die Partij.
  3. De gecontroleerde afleveringen worden uitgevoerd volgens de procedures omschreven in de aangezochte Partij. Het recht om te handelen en om het optreden te leiden en te controleren berust bij de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij.
  4. Enige Partij kan op het tijdstip van ondertekening of bij de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door een verklaring aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, aangeven welke ambtenaren en autoriteiten zij aanwijst met betrekking tot dit artikel. Vervolgens kan enige Partij te allen tijde en op dezelfde wijze, de bewoordingen van haar verklaring wijzigen.

  Art. 19. Infiltratie
  1. De verzoekende Partij en de aangezochte Partij kunnen overeenkomen elkaar onderlinge bijstand te verlenen ten behoeve van de strafonderzoeken gevoerd door ambtenaren die optreden onder een valse of een fictieve identiteit (infiltratie).
  2. De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij beslissen in ieder geval afzonderlijk over het antwoord dat wordt gegeven op het verzoek, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met het nationaal recht en de nationale procedures. Beide Partijen bepalen, met inachtneming van hun nationaal recht en hun nationale procedures, de duur van de infiltratie en de wijze waarop zij wordt uitgevoerd, alsmede het juridische statuut van de betrokken ambtenaren.
  3. De infiltratie vindt plaats overeenkomstig het nationaal recht en de nationale procedures van de Partij op het grondgebied waarvan zij wordt uitgevoerd. De betrokken Partijen werken samen met het oog op de voorbereiding en de leiding ervan, alsmede met het oog op het nemen van maatregelen voor de veiligheid van ambtenaren die optreden onder een valse of een fictieve identiteit.
  4. Enige Partij kan op het tijdstip van ondertekening of bij de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, door een verklaring aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, aangeven welke ambtenaren en autoriteiten zij aanwijst met betrekking tot dit artikel. Vervolgens kan enige Partij te allen tijde en op dezelfde wijze, de bewoordingen van haar verklaring wijzigen.

  Art. 20. Gemeenschappelijke onderzoeksteams
  1. De bevoegde autoriteiten van ten minste twee Partijen kunnen in onderlinge overeenstemming een gemeenschappelijk onderzoeksteam instellen met nauwkeurig omschreven doelstellingen en voor een beperkte periode, die kan worden verlengd met de instemming van alle Partijen, teneinde strafonderzoeken te voeren in een of meer van de Partijen die het team instellen. De samenstelling van het team wordt in de overeenkomst vermeld.
  Een gemeenschappelijk onderzoeksteam kan inzonderheid worden ingesteld ingeval :
  a) in het kader van een door een Partij gevoerde onderzoeksprocedure om strafbare feiten op te sporen, moeilijke onderzoeken moeten worden gevoerd die de inzet vergen van aanzienlijke middelen die eveneens betrekking hebben op andere Partijen;
  b) diverse Partijen onderzoeken voeren naar strafbare feiten die, gelet op de feiten die eraan ten grondslag liggen, een gezamenlijk en gecoŲrdineerd optreden in de betrokken Partijen vergen.
  Enige betrokken Partij kan verzoeken een gemeenschappelijk onderzoeksteam in te stellen. Het team wordt ingesteld in een van de Partijen waarin het onderzoek moet worden gevoerd.
  2. Naast de gegevens bedoeld in de relevante bepalingen van artikel 14 van het Verdrag, bevatten de verzoeken tot instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam voorstellen inzake de samenstelling ervan.
  3. Het gemeenschappelijk onderzoeksteam is onder de volgende algemene voorwaarden actief op het grondgebied van de Partijen die het instellen :
  a) de leider van het team is een vertegenwoordiger van de aan het strafonderzoek deelnemende bevoegde autoriteit van de Partij op het grondgebied waarvan het team optreedt. De leider van het team handelt binnen de perken van zijn bevoegdheid overeenkomstig het nationaal recht;
  b) het team treedt op overeenkomstig het recht van de Partij waarin het optreedt. De leden van het team en de gedetacheerde leden van het team verrichten hun taken onder de verantwoordelijkheid van de persoon bedoeld in punt a, rekening houdend met de voorwaarden bepaald door hun eigen autoriteiten in de overeenkomst houdende instelling van het team;
  c) de Partij op het grondgebied waarvan het team optreedt, treft de voor het functioneren noodzakelijke organisatorische voorzieningen.
  4. In dit artikel worden de leden van het gemeenschappelijk onderzoeksteam uit de Partij op het grondgebied waarvan het team optreedt omschreven als " leden ", de leden uit andere Partijen dan de Partij op het grondgebied waarvan wordt opgetreden worden omschreven als " gedetacheerde leden ".
  5. De gedetacheerde leden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam hebben het recht aanwezig te zijn bij onderzoeksmaatregelen in de Partij waarin wordt opgetreden. De leider van het team kan om bijzondere redenen evenwel anders beslissen met inachtneming van het recht van de Partij op het grondgebied waarvan het team optreedt.
  6. De gedetacheerde leden van het gemeenschappelijk onderzoeksteam kunnen, overeenkomstig het recht van de Partij waarin zij optreden, door de leider van het team worden belast met bepaalde onderzoeksmaatregelen voor zover de bevoegde autoriteiten van de Partij waarin zij optreden en van de Partij die tot de detachering is overgegaan, daarmee instemmen.
  7. Ingeval het gemeenschappelijk onderzoeksteam het noodzakelijk acht dat in een van de Partijen die het team heeft ingesteld onderzoeksmaatregelen worden genomen, kunnen de door die Partij bij het team gedetacheerde leden hun bevoegde autoriteiten verzoeken die maatregelen te nemen. De betrokken Partij neemt die maatregelen in overweging onder de voorwaarden die van toepassing zouden zijn ingeval erom zou zijn verzocht in het kader van een nationaal onderzoek.
  8. Ingeval het gemeenschappelijk onderzoeksteam bijstand nodig heeft van een andere Partij dan die welke het hebben opgericht, of van een derde Staat, kan het verzoek om rechtshulp door de bevoegde autoriteiten van de Partij waarin het team optreedt worden gericht aan de bevoegde autoriteiten in de andere betrokken Staat, overeenkomst de relevante instrumenten of regelingen.
  9. Een gedetacheerd lid bij een gemeenschappelijk onderzoeksteam kan, overeenkomstig zijn nationaal recht en binnen de perken van zijn bevoegdheden, aan het team de gegevens verstrekken die beschikbaar zijn in de Partij die hem heeft gedetacheerd, zulks met het oog op de strafonderzoeken die door het team worden gevoerd.
  10. De gegevens die een lid of een gedetacheerd lid op regelmatige wijze verkrijgt terwijl hij deel uitmaakt van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en die door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Partijen niet op andere wijze kunnen worden verkregen, kunnen worden aangewend :
  a) voor het doel waarvoor het team is ingesteld;
  b) voor de opsporing van, het onderzoek naar en de vervolging van andere strafbare feiten, met de voorafgaande instemming van de Partij waarin de gegevens zijn verkregen. Die instemming kan enkel worden geweigerd in de gevallen waarin dergelijke aanwending strafonderzoeken in de betrokken Partij in gevaar brengt, of ten aanzien waarvan een Partij wederzijdse rechtshulp kan weigeren;
  c) ter voorkoming van een onmiddellijk en ernstig gevaar voor de openbare veiligheid, onverminderd de bepalingen van punt b), ingeval nadien een strafonderzoek wordt ingesteld;
  d) voor andere doeleinden voor zover daarover overeenstemming is bereikt tussen de Partijen die het team hebben ingesteld.
  11. De bepalingen van dit artikel laten bestaande bepalingen of regelingen inzake de instelling of het optreden van gemeenschappelijke onderzoeksteams onverlet.
  12. Voor zover zulks mogelijk is krachtens het recht van de betrokken Partijen of de bepalingen van een tussen hen toepasbaar juridisch instrument, kunnen regelingen worden gesloten zodat andere personen dan vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de Partijen die het gemeenschappelijk onderzoeksteam instellen, deelnemen aan de werkzaamheden van het team. De rechten die krachtens dit artikel zijn verleend aan de leden en aan de bij het team gedetacheerde leden zijn niet van toepassing op die personen, tenzij uitdrukkelijk anders is overeengekomen.

  Art. 21. Strafrechtelijke aansprakelijkheid van ambtenaren
  Tijdens een optreden bedoeld in de artikelen 17, 18, 19 en 20, worden de ambtenaren van een andere Partij dan de Partij waarin het optreden plaatsvindt, met ambtenaren van die Partij gelijkgesteld, wat betreft de strafbare feiten die tegen of door hen zou kunnen worden begaan, tenzij de betrokken Partijen daarover anders zijn overeengekomen.

  Art. 22. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid van ambtenaren
  1. Ingeval ambtenaren van een Partij overeenkomstig de artikelen 17, 18, 19 en 20 optreden op het grondgebied van een andere Partij, is eerstgenoemde Partij overeenkomstig het recht van de Partij op het grondgebied waarvan zij optreden, aansprakelijk voor de schade die zij aldaar veroorzaken tijdens hun optreden.
  2. De Partij op het grondgebied waarvan de in het eerste lid bedoelde schade wordt veroorzaakt, neemt op zich deze schade te vergoeden op de wijze waarop hij zulks zou hebben gedaan ingeval de schade door haar eigen ambtenaren zou zijn toegebracht.
  3. De Partij waarvan de ambtenaren op het grondgebied van een andere Partij enige schade hebben veroorzaakt, betaalt deze laatste het volledige bedrag terug dat aan de slachtoffers of aan hun rechthebbenden is uitgekeerd.
  4. Onder voorbehoud van de uitoefening van haar rechten ten aanzien van derden en met uitzondering van het bepaalde in het vijfde lid, ziet elke Partij, in het geval bedoeld in het eerste lid, ervan af het bedrag van de door haar geleden schade op een andere Partij te verhalen.
  5. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing voor zover de Partijen niet anders zijn overeengekomen.

  Art. 23. Getuigenbescherming
  Ingeval een Partij overeenkomstig het Verdrag of een van de Protocollen een verzoek om wederzijdse rechtshulp doet betreffende een getuige die het risico loopt te worden geÔntimideerd of moet worden beschermd, stellen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij en van de aangezochte Partij alles in het werk om de maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van de betrokken persoon, zulks overeenkomstig hun nationaal recht.

  Art. 24. Voorlopige maatregelen
  1. Op verzoek van de verzoekende Partij, kan de aangezochte Partij overeenkomstig haar nationaal recht, voorlopige maatregelen nemen om de bewijsmiddelen te vrijwaren, een bestaande toestand te handhaven of bedreigde juridische belangen te beschermen.
  2. De aangezochte Partij kan het verzoek gedeeltelijk of onder voorbehoud van voorwaarden inwilligen, inzonderheid door de tijdsduur van de genomen maatregelen te beperken.

  Art. 25. Vertrouwelijkheid
  De verzoekende Partij kan de aangezochte Partij erom verzoeken erop toe te zien dat het verzoekschrift en de inhoud ervan vertrouwelijk blijven, tenzij zulks niet verenigbaar is met de tenuitvoerlegging van dat verzoekschrift. Ingeval de aangezochte Partij de voorschriften inzake vertrouwelijkheid niet kan naleven, stelt zij de verzoekende Partij daarvan onverwijld in kennis.

  Art. 26. Gegevensbescherming
  1. De persoonsgegevens die een Partij meedeelt aan een andere Partij uit hoofde van de tenuitvoerlegging van een verzoek gedaan krachtens het Verdrag of een van de protocollen, kunnen worden gebruikt door de Partij waaraan zij zijn verstrekt :
  a) ten behoeve van de procedures waarop het Verdrag of een van de protocollen van toepassing is,
  b) voor andere gerechtelijke of administratieve procedures die rechtstreeks verband houden met de procedures bedoeld onder a.;
  c) ter voorkoming van een onmiddellijk en ernstig gevaar voor de openbare veiligheid.
  2. Dergelijke gegevens kunnen anderszins worden gebruikt, na voorafgaande toestemming van de Partij die de gegevens heeft meegedeeld of van de betrokken persoon.
  3. Enige Partij kan de mededeling van gegevens verkregen uit hoofde van de tenuitvoerlegging van een verzoek krachtens het Verdrag of een van de protocollen weigeren ingeval :
  - dergelijke gegevens krachtens haar nationaal recht worden beschermd; en
  - de Partij waaraan de gegevens zouden moeten worden meegedeeld niet is gebonden door het Verdrag inzake de bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, opgemaakt te Straatsburg op 28 januari 1981, tenzij laatstgenoemde Partij zich ertoe verbindt die gegevens dezelfde bescherming te bieden als eerstgenoemde Partij.
  4. Enige Partij die gegevens meedeelt verkregen uit hoofde van de tenuitvoerlegging van een verzoek gedaan krachtens het Verdrag of een van de protocollen, kan eisen dat de Partij waaraan de gegevens worden meegedeeld haar op de hoogte brengt van het gebruik dat ervan is gemaakt.
  5. Enige Partij kan door een verklaring aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa eisen dat, in het kader van procedures waarvoor zij de mededeling of het gebruik van persoonsgegevens had kunnen weigeren of beperken overeenkomstig het bepaalde in het Verdrag of in de protocollen, de persoonsgegevens die zij aan een andere Partij meedeelt door laatstgenoemde Partij ten behoeve van de procedures bedoeld in het eerste lid, enkel kunnen worden gebruikt met haar voorafgaande toestemming.

  Art. 27. Administratieve autoriteiten
  Enige Partij kan te allen tijde door een verklaring aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, aangeven welke autoriteiten zij beschouwt als administratieve autoriteiten in de zin van artikel 1, derde lid, van het Verdrag.

  Art. 28. Band met andere verdragen
  De bepalingen van dit Protocol vormen geen beletsel voor meer gedetailleerde regels in bilaterale of multilaterale overeenkomsten gesloten tussen de Partijen met toepassing van artikel 26, derde lid, van het Verdrag.

  Art. 29. Minnelijke regeling
  Het Europees Comitť voor Strafrechtelijke Vraagstukken zal de uitlegging en de toepassing van het Verdrag en van de protocollen volgen en indien nodig de minnelijke regeling van enige moeilijkheid inzake de toepassing ervan vergemakkelijken.

  HOOFDSTUK III.

  Art. 30. Ondertekening en inwerkingtreding
  1. Dit Protocol staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa die Partij zijn bij het Verdrag of het hebben ondertekend. Het moet worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. Een ondertekenaar kan dit Protocol niet bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren zonder vooraf of tegelijkertijd het Verdrag te hebben bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring moeten worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Raad van Europa.
  2. Dit Protocol treedt in werking de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de neerlegging van de derde akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
  3. Ten aanzien van enige ondertekende Staat die zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring later neerlegt, treedt het Protocol in werking de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van neerlegging.

  Art. 31. Toetreding
  1. Enige Staat die geen lidstaat is, maar is toegetreden tot het Verdrag, kan toetreden tot het Protocol na de inwerkingtreding ervan.
  2. Die toetreding geschiedt door de neerlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-generaal van de Raad van Europa.
  3. Voor enige toetredende Staat, treedt het Protocol in werking de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de neerlegging van de akte van toetreding.

  Art. 32. Territoriale toepassing
  1. Enige Staat kan op het tijdstip van de ondertekening van dit Protocol of van de neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het grondgebied of de grondgebieden aangeven waarop bedoeld Protocol van toepassing is.
  2. Enige Staat kan op enige latere datum, door een verklaring aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, de toepassing van dit Protocol uitbreiden tot enige ander grondgebied omschreven in deze verklaring. Ten aanzien van dit grondgebied treedt het Protocol in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van ontvangst van de verklaring door de Secretaris-generaal.
  3. Enige verklaring gedaan uit hoofde van de twee voorgaande leden kan, met betrekking tot enig grondgebied aangegeven in de verklaring, worden ingetrokken door een aan de Secretaris-generaal gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-generaal.

  Art. 33. Voorbehoud
  1. Enig voorbehoud van een Partij ten opzichte van een bepaling van het Verdrag of van het Protocol is tevens van toepassing op dit Protocol, tenzij deze Partij op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding een tegenovergesteld voornemen kenbaar maakt. Zulks geldt eveneens voor enige verklaring gedaan ten aanzien van of krachtens een bepaling van het Verdrag of van het Protocol.
  2. Enige Staat kan op het tijdstip van de ondertekening of bij de neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren dat hij zich het recht voorbehoudt een of meer bepalingen van de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, geheel of gedeeltelijk, niet te aanvaarden. Geen enkel ander voorbehoud is toegestaan.
  3. Enige Staat kan het voorbehoud dat het heeft gemaakt overeenkomstig de voorgaande leden geheel of gedeeltelijk intrekken, door een verklaring aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa, die ingaat op het tijdstip van de ontvangst.
  4. Een Partij die voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot een van de artikelen bedoeld in het tweede lid van dit artikel, kan de naleving van die bepaling door een andere Partij niet verlangen. Ingeval het voorbehoud gedeeltelijk of voorwaardelijk is, kan zij de toepassing van die bepaling verlangen voor zover zij die bepaling zelf heeft aanvaard.

  Art. 34. Opzegging
  1. Enige Partij kan, voor zover zij betrokken Partij is, dit Protocol opzeggen door een kennisgeving gericht aan de Secretaris-generaal van de Raad van Europa.
  2. Deze opzegging wordt van kracht de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum waarop de Secretaris-generaal de opzegging heeft ontvangen.
  3. De opzegging van de Overeenkomst leidt automatisch tot de opzegging van dit Protocol.

  Art. 35. Kennisgevingen
  De Secretaris-generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad van Europa en enige Staat die is toegetreden tot dit Protocol in kennis van :
  a) enige ondertekening;
  b) de neerlegging van enige akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
  c) enige datum van inwerkingtreding van dit protocol, overeenkomstig de artikelen 30 en 31;
  d) enige andere akte, verklaring, kennisgeving of mededeling die verband houdt met dit Protocol.
  Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
  Gedaan te Straatsburg op 8 november 2001 in de Engelse en Franse taal, zijn de beide teksten gelijkelijk authentiek, in ťťn enkel exemplaar, dat zal worden neergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-generaal van de Raad van Europa doet hiervan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift toekomen aan elke lidstaat van de Raad van Europa, alsmede aan elke Staat die geen lid is, maar tot het Verdrag is toegetreden.
  

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 1. - Voorbehouden en verklaringen
  Voorbehoud bij Artikel 3
  " Wat artikel 3 van het Protocol betreft, zal de regering van het Koninkrijk BelgiŽ de in dit artikel bepaalde tijdelijke overbrenging slechts toestaan wanneer sprake is van personen die op haar grondgebied een definitieve straf uitzitten, met uitsluiting van personen in voorlopige hechtenis. "
  Verklaring bij Artikel 4
  " Met toepassing van het achtste lid van artikel 4 van het Protocol verklaart de regering van het Koninkrijk BelgiŽ dat ze verplicht stelt dat de verzoeken om rechtshulp worden toegezonden aan de centrale autoriteit voor wederzijdse rechtshulp van de Federale Overheidsdienst Justitie, tenzij er sprake is van dringende noodzakelijkheid. "
  Verklaring bij Artikel 11
  " Met toepassing van het vierde lid van artikel 11 van dit Protocol verklaart de regering van het Koninkrijk BelgiŽ dat ze zich het recht voorbehoudt geen gevolg te geven aan de op grond van het tweede lid van hetzelfde artikel door de informatieverstrekkende Partij gestelde voorwaarden, tenzij zij vooraf is ingelicht over de aard van de te verstrekken informatie en de toezending ervan heeft aanvaard. "
  Voorbehoud bij Artikel 13
  " De regering van het Koninkrijk BelgiŽ zal de in het artikel 13 bedoelde tijdelijke overbrenging slechts toestaan wanneer het gaat om een persoon die op haar grondgebied een straf uitzit en indien bijzondere overwegingen zich hiertegen niet verzetten. "
  Verklaring bij Artikel 13
  " Met toepassing van het zevende lid van artikel 13 van het Protocol verklaart de regering van het Koninkrijk BelgiŽ dat zij de in dit artikel bedoelde tijdelijke overbrenging slechts zal toestaan wanneer de gedetineerde daarin toestemt en het gaat om een persoon die op haar grondgebied een definitieve straf uitzit, met uitsluiting van personen in voorlopige hechtenis. "
  Voorbehoud bij Artikelen 17, 18, 19 en 20
  " Met betrekking tot de artikelen 17, 18, 19 en 20 van het Protocol is de regering van het Koninkrijk BelgiŽ voornemens gebruik te maken van de in artikel 33, tweede lid, geboden mogelijkheid om het beroep op grensoverschrijdende observatie, gecontroleerde aflevering, infiltratie en gemeenschappelijke onderzoeksteams alleen te aanvaarden voor de volgende strafbare feiten : wapen- en drugshandel, mensenhandel, pedofilie en terrorisme.
  Het beroep op deze drie bijzondere opsporingsmethoden op Belgisch grondgebied moet overigens uitsluitend door de bevoegde Belgische ambtenaren ten uitvoer worden gelegd.
  Met toepassing van het vierde lid van dezelfde artikelen 17, 18, 19 en 20 verklaart de regering van het Koninkrijk BelgiŽ dat de federale procureur wordt aangewezen als bevoegde Belgische rechterlijke autoriteit voor de tenuitvoerlegging van de verzoeken om rechtshulp waarbij sprake is van een beroep op dergelijke bijzondere opsporingsmethoden. "
  Verklaring bij Artikel 26
  " Met toepassing van het vijfde lid van artikel 26 van het Protocol verklaart de regering van het Koninkrijk BelgiŽ dat ze eist dat, in het kader van procedures waarvoor BelgiŽ de mededeling of het gebruik van persoonsgegevens had kunnen weigeren of beperken overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag of de protocollen, de persoonsgegevens die zij aan een andere Partij meedeelt, door laatstgenoemde Partij enkel voor de in het eerste lid van artikel 26 van het Protocol bedoelde doeleinden kunnen worden gebruikt met haar voorafgaande toestemming. "
  

  Art. N2. Bijlage 2. - Lijst der gebonden staten
  

  
  
  
Staten/OrganisatieDatum AuthentificatieType instemmingDatum instemmingDatum interne inwerkingtreding
  
ALBANIE13/11/2001Bekrachtiging20/06/200201/02/2004
  
ANDORRA Onbepaald 
  
ARMENIE03/03/2009Onbepaald 
  
AZERBEIDZJAN Onbepaald 
  
BOSNI” EN HERZEGOVINA17/05/2006Bekrachtiging07/11/200701/03/2008
  
BULGARIJE08/11/2001Bekrachtiging11/05/200401/09/2004
  
BelgiŽ08/11/2001Bekrachtiging09/03/200901/07/2009
  
CYPRUS08/11/2001Onbepaald 
  
DENEMARKEN08/11/2001Bekrachtiging15/01/200301/02/2004
  
DUITSLAND08/11/2001Onbepaald 
  
ESTLAND26/11/2002Bekrachtiging09/09/200401/01/2005
  
FINLAND09/10/2003Onbepaald 
  
FRANKRIJK08/11/2001Onbepaald 
  
GEORGIE Onbepaald 
  
GRIEKENLAND08/11/2001Onbepaald 
  
HONGARIJE15/01/2003Onbepaald 
  
IERLAND08/11/2001Onbepaald 
  
IJSLAND08/11/2001Onbepaald 
  
ISRAEL EN DE PALESTIJNSE GEBIEDEN Toetreding20/03/200601/07/2006
  
ITALIE Onbepaald 
  
KROATIE09/06/2004Bekrachtiging28/03/200701/07/2007
  
LETLAND24/09/2003Bekrachtiging30/03/200401/07/2004
  
LIECHTENSTEIN Onbepaald 
  
LITOUWEN09/10/2003Bekrachtiging06/04/200401/08/2004
  
LUXEMBURG30/01/2008Onbepaald 
  
MACEDONIE (VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE REP.)08/11/2001Bekrachtiging16/12/200801/04/2009
  
MALTA18/09/2002Onbepaald 
  
MOLDAVIE Onbepaald 
  
MONACO Onbepaald 
  
MONTENEGRO07/04/2005Bekrachtiging20/10/200801/02/2009
  
NEDERLAND08/11/2001Onbepaald 
  
NOORWEGEN08/11/2001Onbepaald 
  
OEKRAINE08/11/2001Onbepaald 
  
OOSTENRIJK Onbepaald 
  
POLEN11/09/2002Bekrachtiging09/10/200301/02/2004
  
PORTUGAL08/11/2001Bekrachtiging16/01/200701/05/2007
  
ROEMENIE08/11/2001Bekrachtiging29/11/200401/03/2005
  
RUSLAND Onbepaald 
  
SAN MARINO Onbepaald 
  
SERVIE07/04/2005Bekrachtiging26/04/200701/08/2007
  
SERVIE-MONTENEGRO Bekrachtiging 
  
SLOVAKIJE12/05/2004Bekrachtiging11/01/200501/05/2005
  
SLOVENIE07/04/2005Onbepaald 
  
SPANJE Onbepaald 
  
TSJECHISCHE REP.18/12/2003Bekrachtiging01/03/200601/07/2006
  
TURKIJE Onbepaald 
  
VERENIGD KONINKRIJK08/11/2001Onbepaald 
  
ZWEDEN08/11/2001Onbepaald 
  
ZWITSERLAND15/02/2002Bekrachtiging04/10/200401/02/2005

(Voor de Wet, zie CN : 2009-02-18/35.)

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De lidstaten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend,
   Gelet op hun verplichtingen ingevolge het statuut van de Raad van Europa;
   Verlangende meer bij te dragen tot de bescherming van de rechten van de mens, tot de verdediging van de rechtsstaat en tot de ondersteuning van het democratische weefsel van de maatschappij;
   Overwegende dat het daartoe wenselijk is hun individuele en gezamenlijke capaciteit tegen de criminaliteit te reageren, te versterken;
   Vastbesloten het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, opgemaakt te Straatsburg op 20 april 1959 (hierna te noemen " het Verdrag "), alsook het aanvullend Protocol bij dit Verdrag, opgemaakt te Straatsburg op 17 maart 1978, in bepaalde opzichten te verbeteren en aan te vullen;
   Rekening houdend met het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, opgemaakt te Rome op 4 november 1950, alsook met het Verdrag tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, opgemaakt te Straatsburg op 28 januari 1981,
   Zijn als volgt overeengekomen :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie