J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 66 uitvoeringbesluiten 30 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2001/07/20/2001000726/justel

Titel
20 JULI 2001. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-08-2001 en tekstbijwerking tot 28-07-2021)

Bron : BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 30-08-2001 nummer :   2001000726 bladzijde : 28809       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2001-07-20/46
Inwerkingtreding : 01-09-2001

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1963022804        1965052022       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - Politie van de ingedeelde inrichtingen.
Afdeling I. - Indeling van de inrichtingen waar handelingen uitgevoerd worden en van de beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen worden aangewend.
Art. 3-4
Afdeling II. - Vergunningsstelsel.
Art. 5-15, 15/1, 16, 16bis, 17-19
HOOFDSTUK III. - Algemene bescherming.
Afdeling I. - Basisnormen betreffende de bescherming tegen blootstelling aan ioniserende stralingen.
Art. 20-22
Afdeling II. - Fysische en medische controle.
Voorlichting en plichten van de werknemers.
Art. 23-26
Afdeling III. - Algemene beschermingsmiddelen en -procédés.
Art. 27, 27bis, 27ter, 28-32
Afdeling IV. - Radioactieve afvalstoffen.
Art. 33-37
Afdeling V. - Betreden van bepaalde installaties.
Art. 37bis
Afdeling VI. - Operationele bescherming van de externe werkers die zijn blootgesteld aan een risico van ioniserende stralingen tijdens hun werkzaamheden in een gecontroleerde zone.
Art. 37ter, 37quater, 37quinquies, 37sexies
HOOFDSTUK IV. [1 - Bepalingen omtrent de entiteiten die het Agentschap heeft opgericht met als doel aan hen geheel of gedeeltelijk zijn toezichtsopdrachten te delegeren..]1
Art. 38, 38bis, 39-44, 44bis, 44ter
HOOFDSTUK V. - In de geneeskunde of diergeneeskunde gebruikte niet-ingekapselde radionucliden.
Art. 45-47, 47bis, 48-49
HOOFDSTUK VI. [1 - Medische jury.]1
Art. 50-55
HOOFDSTUK VII. <Opgeheven bij KB 2017-10-22/04, art. 139, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
Art. 56-60
HOOFDSTUK VIII. - Kernaandrijving.
Art. 61-63
HOOFDSTUK IX. - Verbodsbepalingen en vergunningen.
Art. 64-65
HOOFDSTUK X. - Uitzonderlijke maatregelen.
Art. 66, 66bis, Art.-69
HOOFDSTUK XI. - Inrichting van het toezicht op het grondgebied en de bevolking in haar geheel en noodplanning.
Art. 70, 70/1, 71-72, 72/1, 72ter
HOOFDSTUK XII. - Erkenning van de deskundigen, de instellingen en de geneesheren.
Art. 73, 73/1, 73/2, 73/3, 74-75
HOOFDSTUK XIII-[1 - BIJZONDERE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT INGEKAPSELDE BRONNEN.]1
Art. 75/1, 75/2
(HOOFDSTUK XIV.) - Slotbepalingen. (oud HOOFDSTUK XIII) <KB 2006-05-23/33, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
Afdeling I. - Informatie.
Art. 76
Afdeling II. - Toezicht.
Art. 77-79
Afdeling III. - Straf- en slotbepalingen.
Art. 80, 80bis, 81-83
BIJLAGEN.
Art. N1-N14

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1.Toepassingsgebied.
  [3 Dit reglement is van toepassing op alle geplande of bestaande blootstellingssituaties of blootstelling in noodsituaties waarbij een risico van blootstelling aan ioniserende straling bestaat dat niet kan worden verwaarloosd vanuit het oogpunt van de stralingsbescherming of vanuit het oogpunt van de bescherming van het leefmilieu met het oog op de menselijke gezondheidsbescherming op lange termijn. Het is met name van toepassing op:
   1° de vervaardiging, de productie, de bewerking, de hantering, de verkoop, de overdracht tegen vergoeding of gratis, de berging, het gebruik, de opslag, het voorhanden hebben, het vervoer, de transit, de invoer, de uitvoer, de verwijdering en de recyclage van radioactieve stoffen of van toestellen of installaties die er bevatten;
   2° de vervaardiging, de verkoop en de overdracht tegen vergoeding of gratis, het bezit en het gebruik van elektrische apparatuur die ioniserende straling kan uitzenden en waarvan de onderdelen met een potentiaalverschil van meer dan 5 kilovolt (kV) kunnen werken;
   3° elke andere handeling met een uit ioniserende straling voortkomend risico.]3
  Het is eveneens van toepassing, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 9 en 20.3, op de beroepsactiviteiten die niet worden vermeld in het vorige lid, maar waarbij natuurlijke stralingsbronnen aanwezig zijn en die kunnen leiden tot een aanzienlijke verhoging van de blootstelling van personen, die vanuit het oogpunt van stralingsbescherming niet mag verwaarloosd worden. [3 Deze beroepsactiviteiten worden beschouwd hetzij als bestaande blootstellingssituaties, hetzij als bestaande blootstellingssituaties die als geplande blootstellingssituaties beheerd worden, hetzij als geplande blootstellingssituaties.]3
  Het is eveneens van toepassing, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 20.2, 72 en 72bis, op elke interventie in geval van een radiologische noodsituatie of in geval [3 van een bestaande blootstellingsituatie]3 ten gevolge van de nawerkingen van een radiologische noodsituatie of van een vroegere of reeds bestaande handeling of beroepsactiviteit, evenals in geval [3 van een bestaande blootstellingsituatie]3 voor welke reden dan ook, met inbegrip van de aanwezigheid van radon in woningen.
  Het is niet van toepassing :
  1. op de toestellen en installaties van het krijgswezen behalve voor wat betreft de bescherming van de werkers van de externe ondernemingen die in deze installaties aanwezig zijn;
  2. [3 op het vervoer, op Belgisch grondgebied, van toestellen of van stoffen die ioniserende straling kunnen voortbrengen, opgelegd of vergund door de Minister bevoegd voor Landsverdediging of zijn vertegenwoordiging, waargenomen door:
   a) het Belgisch leger;
   of,
   b) buitenlandse strijdkrachten.]3
  Het is evenmin van toepassing op het natuurlijk stralingsniveau, dit wil zeggen op straling tengevolge van in het menselijk lichaam aanwezige radionucliden, noch op de kosmische straling ter hoogte van het aardoppervlak, noch op de bovengrondse blootstelling aan radionucliden in de onverstoorde aardkorst.
  [3 Het is evenmin van toepassing op de blootstelling aan kosmische straling van personen die geen deel uitmaken van het lucht- of ruimtevaartpersoneel tijdens een lucht- of ruimtevaart.]3
  ----------
  (1)<KB 2009-03-24/41, art. 23, 008; Inwerkingtreding : 27-04-2009>
  (2)<KB 2017-10-22/04, art. 140, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (3)<KB 2020-07-20/16, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 2.Definities. Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder :
  
  1°) Fysische termen, grootheden en eenheden
  [10 radioactieve stof : iedere stof die een of meer radionucliden bevat, waarvan de activiteit of activiteitsconcentratie, voor zover het de stralingsbescherming betreft, niet mag worden verwaarloosd;]10
  activiteit : de activiteit A van een hoeveelheid radionuclide in een bepaalde energietoestand en op een gegeven tijdstip is het quotiënt van dN en dt, waarin dN de verwachtingswaarde van het aantal spontane kernovergangen vanuit die energietoestand gedurende het tijdsinterval dt voorstelt :
  A = dN/dt
  De eenheid van activiteit is de becquerel;
  becquerel (Bq) : de eenheid van activiteit; één becquerel komt overeen met één desintegratie per seconde :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-08-2001, p. 28933).
  geabsorbeerde dosis (D) : de geabsorbeerde energie per massa-eenheid :
  D = d epsilon/dm
  waarin :
  - d epsilon de gemiddelde energie is die door ioniserende stralingen aan de materie in een volume-element is overgedragen, en
  - dm de massa is van dit volume-element.
  In dit reglement wordt onder "geabsorbeerde dosis" de over een weefsel of orgaan gemiddelde geabsorbeerde dosis verstaan.
  De eenheid van geabsorbeerde dosis is de gray (Gy);
  gray (Gy) : de eenheid van geabsorbeerde dosis; een gray komt overeen met een joule per kilogram :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-08-2001, p. 28933).
  [10 ioniserende straling: de energie die wordt overgedragen in de vorm van deeltjes of elektromagnetische straling met een golflengte van ten hoogste 100 nanometer of een frequentie van ten minste 3x1015 hertz, waardoor rechtstreeks of onrechtstreeks ionen kunnen worden geproduceerd;]10
  
  2°) Radiologische, biologische en medische termen
  blootstelling : het feit blootgesteld te zijn aan ioniserende stralingen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen :
  - externe blootstelling : blootstelling aan stralingsbronnen die zich buiten het organisme bevinden;
  - interne blootstelling : blootstelling aan stralingsbronnen die zich binnen het organisme bevinden;
  - totale blootstelling : de som van de externe en de interne blootstelling;
  opname : de activiteit van de radionucliden die door het organisme uit het omringend milieu wordt opgenomen;
  radioactieve besmetting : besmetting van een materiaal, een oppervlak, een omgeving of een persoon door radioactieve stoffen. In het specifieke geval van het menselijk lichaam omvat deze radioactieve besmetting zowel de uitwendige besmetting van de huid als de inwendige besmetting, ongeacht de weg waarlangs de opname geschiedt;
  gezondheidsschade : het geschatte risico op een levensduurverkorting en een verminderde levenskwaliteit voor een populatie als gevolg van blootstelling aan ioniserende stralingen. Deze definitie omvat de gevolgen en de probabiliteit op gevolgen voor de levensduurverwachting en levenskwaliteit tengevolge van zowel somatische effecten en kanker (al dan niet dodelijk), als genetische effecten in de afstamming, evenals elk ander effect dat kan worden toegeschreven aan ioniserende stralingen;
  equivalente dosis (HT) : de geabsorbeerde dosis in een weefsel of orgaan T, gewogen voor de soort en de kwaliteit van de straling R. Zij wordt verkregen door :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-08-2001, p. 28933).
  waarin :
  - D T,R de in het weefsel of orgaan T gemiddelde geabsorbeerde dosis ten gevolge van de straling R voorstelt, en
  - w R de bijbehorende stralingsweegfactor is.
  Wanneer het stralingsveld is samengesteld uit meerdere stralingssoorten en energieën met verschillende wR-waarden, wordt de totale equivalente dosis HT verkregen door :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-08-2001, p. 28933).
  De desbetreffende wR-waarden staan vermeld in bijlage II. De eenheid van equivalente dosis is de sievert (Sv);
  effectieve dosis (E) : de som van de gewogen equivalente doses in alle in bijlage II vermelde lichaamsweefsels en -organen ten gevolge van inwendige en uitwendige bestraling. Zij wordt gedefinieerd door :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-08-2001, p. 28934).
  waarin :
  - D T,R de gemiddelde dosis is die door het orgaan of het weefsel T opgenomen wordt ten gevolge van de straling R;
  - w R de stralingsweegfactor is, en
  - w T de weefselweegfactor voor het weefsel of orgaan T.
  De desbetreffende wT- en wR-waarden staan vermeld in bijlage II. De eenheid van effectieve dosis is de sievert (Sv);
  sievert (Sv) : de eenheid van de equivalente dosis en de effectieve dosis. Voor fotonen en elektronen van om het even welke energie komt één sievert overeen met één joule per kilogram :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-08-2001, p. 28934).
  equivalente volgdosis (H T(tau)) : de integraal over de tijd van het equivalente-dosistempo in het weefsel of orgaan T dat door een individu ten gevolge van een opname op tijdstip t 0 zal worden opgelopen. Zij wordt verkregen door :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-08-2001, p. 28934).
  waarin :
  - H T(t) het desbetreffende equivalente-dosistempo in het orgaan of weefsel T op het tijdstip t voorstelt, en
  - tau het tijdsinterval, uitgedrukt in jaren, waarover wordt geïntegreerd.
  Wanneer tau niet gespecifieerd is, wordt voor volwassenen uitgegaan van een tijdsduur van 50 jaar en voor kinderen van het aantal nog te doorlopen jaren tot de leeftijd van 70 jaar. De eenheid van equivalente volgdosis is de sievert;
  effectieve volgdosis (E(tau)) : de som van de equivalente volgdoses in de diverse weefsels of organen (H T(tau)) ten gevolge van een opname, vermenigvuldigd met de bijbehorende weefselweegfactor w T. Zij wordt gedefinieerd door :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-08-2001, p. 28934).
  waarin tau het aantal jaren aangeeft waarover wordt geïntegreerd.
  De eenheid van effectieve volgdosis is de sievert;
  dosislimieten : de in dit reglement bepaalde maximale waarden voor de doses ten gevolge van de blootstelling van beroepshalve blootgestelde personen, leerlingen en studenten, alsook van andere personen van het publiek, aan ioniserende stralingen; ze zijn van toepassing op de som van de desbetreffende doses ten gevolge van uitwendige blootstellingen tijdens een bepaalde periode en van de volgdoses voor 50 jaar (voor kinderen tot de leeftijd van 70 jaar) ten gevolge van opnames gedurende diezelfde periode;
  [10 dosisbeperking: beperking bepaald als verwacht maximum van een individuele dosis, gebruikt voor de bepaling van de mogelijkheden bij het optimalisatieproces voor een bepaalde stralingsbron in een geplande blootstellingssituatie;]10
  collectieve dosis : de collectieve dosis (S) van een populatie of een groep blootgesteld aan een bron, een handeling of een beroepsactiviteit zoals bedoeld in dit reglement en met blootstelling als gevolg, wordt gegeven door de volgende uitdrukking :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-08-2001, p. 28934).
  waarbij H i het gemiddelde voorstelt van de opgelopen doses en de volgdoses voor het ganse organisme, voor een orgaan of voor een weefsel, door de Pi leden van de i-de deelgroep van de beschouwde populatie of groep;
  
  3°) Overige termen
  bron : radioactieve stof, toestel of installatie die ioniserende stralingen kan uitzenden of die radioactieve stoffen bevat;
  (ingekapselde bron : bron, welke wordt gevormd door radioactieve stoffen die op hechte wijze in vaste, niet-actieve stoffen zijn opgenomen, of welke is ingekapseld in een niet-actief omhulsel, dat voldoende weerstand biedt om onder normale gebruiksomstandigheden iedere verspreiding van radioactieve stoffen te voorkomen); <KB 2006-05-23/33, art. 1, 1°, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  (weesbron : een (...) bron waarvan het activiteitsniveau op het tijdstip van ontdekking de vrijstellingswaarde vastgesteld in bijlage IA overschrijdt en waarop geen reglementaire controle wordt uitgeoefend, hetzij omdat hierop nooit zulke controle is uitgeoefend, hetzij omdat het een bron betreft die is achtergelaten, verloren, zoekgeraakt, gestolen of, zonder passende kennisgeving aan de bevoegde overheid of inlichting van de [10 bestemmeling]10, is overgedragen aan een nieuwe houder; <KB 2007-06-13/31, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 06-07-2007>
  [10 hoogactieve ingekapselde bron, afgekort HAIB: ingekapselde bron waarvan de activiteit van de erin vervatte radionuclide gelijk is aan of meer bedraagt dan de waarden vermeld in bijlage VI;]10
  broncontainer : de insluiting van een hoogactieve ingekapselde bron die geen geïntegreerd onderdeel van de bron is, maar bedoeld is voor transport, verlading, opslag, enz.) <AR 2006-05-23/33, art. 1, 3°, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  natuurlijke stralingsbron : bron van ioniserende stralingen van natuurlijke aardse, of kosmische oorsprong;
  kunstmatige stralingsbron : bron van ioniserende stralingen die geen natuurlijke stralingsbron is;
  [10 afgedankte ingekapselde bron: een ingekapselde bron die niet langer wordt gebruikt, noch bestemd is om te worden gebruikt voor de handeling waarvoor een vergunning was verleend en waarvan het gebruik binnen de inrichting definitief wordt stopgezet;]10
  [1 radioactieve afvalstoffen : alle radioactieve stoffen, afkomstig van een vergunde handeling of van een beroepsactiviteit die geheel of gedeeltelijk als een niet vrijgestelde handeling wordt beschouwd met toepassing van artikel 9.3, en waarvoor binnen de inrichting geen verder gebruik is voorzien, evenals de radioactieve stoffen afkomstig van een interventie uitgevoerd met toepassing van artikel 72bis [10 of van een beschermingsmaatregel toegepast bij een radiologische noodsituatie]10;]1
  verwijdering van radioactieve afvalstoffen : de rechtstreekse lozing van radioactieve afvalstoffen in het milieu (met inbegrip van verbranding) en de verspreiding die daarvan het gevolg is, dit zonder de bedoeling het weer terug te nemen, of de opslag van radioactieve afvalstoffen in een bergingsinstallatie, stortplaatsen inbegrepen, zonder de bedoeling het weer terug te nemen;
  [1 deeltjesversneller : toestel dat, of installatie die deeltjes versnelt en ioniserende straling met een energie van meer dan 1 MeV uitzendt;]1
  activering : het proces waarbij een stabiel nuclide in een radionuclide wordt omgevormd door het materiaal waarin dit nuclide zich bevindt te bestralen met deeltjes of met hoog-energetische [10 gammastralen]10;
   [5 ...]5
  interventie : menselijke activiteit, gericht op de voorkoming of vermindering van de blootstelling van personen aan ioniserende stralingen uit bronnen die geen onderdeel van een handeling vormen of oncontroleerbaar zijn, door middel van maatregelen bij de stralingsbronnen, de blootstellingswegen en de betrokken personen zelf;
  kritieke opstelling : configuratie van splijtstoffen waarin een kettingreactie kan worden onderhouden;
  kritieke massa : hoeveelheid splijtstoffen die kan leiden tot een kritieke opstelling;
  [4 ...]4;
  beroepshalve blootgestelde personen van categorie A : beroepshalve blootgestelde personen die een effectieve dosis kunnen oplopen van meer dan 6 millisievert per 12 opeenvolgende glijdende maanden of die aan de ooglens, de huid of de ledematen een equivalente dosis kunnen oplopen die groter is dan drie tienden van de dosislimieten vastgesteld in artikel 20.1.3;
  beroepshalve blootgestelde personen van categorie B : alle personen die beroepshalve worden blootgesteld en die niet tot categorie A behoren;
  personen van het publiek : personen behorende tot de bevolking, met uitzondering van de beroepshalve blootgestelde personen, leerlingen en studenten gedurende de werkuren;
  bevolking in haar geheel : totale bevolking, dat wil zeggen de beroepshalve blootgestelde personen, de leerlingen, de studenten en de personen van het publiek;
  ongeboren kind : menselijk wezen, vanaf de conceptie tot op het ogenblik van de geboorte;
  referentiegroep van de bevolking : groep bestaande uit personen wier blootstelling aan een bron voldoende uniform is en representatief is voor die personen van de bevolking die meer aan deze bron zijn blootgesteld dan de andere leden van de bevolking;
  gecontroleerde zone : een zone waarvoor, om redenen van bescherming tegen ioniserende stralingen en ter preventie van de verspreiding van een eventuele radioactieve besmetting, een bijzondere reglementering geldt en waarvan de toegang wordt gecontroleerd; in de inrichtingen die vergund zijn krachtens de bepalingen van dit reglement, dient elke zone waarbinnen drie tienden van de jaarlijkse dosislimieten voor de beroepshalve blootgestelde personen kunnen worden overschreden, een gecontroleerde zone te zijn of erin opgenomen te zijn;
  bewaakte zone : een zone die is onderworpen aan een passend toezicht met het oog op de bescherming tegen ioniserende stralingen; in de inrichtingen die vergund zijn krachtens de bepalingen van dit reglement, moet elke zone waarbinnen een persoon een dosis kan oplopen die een van de dosislimieten vastgesteld voor de personen van het publiek overschrijdt, een bewaakte zone vormen of erin opgenomen zijn, voor zover ze niet als gecontroleerde zone wordt beschouwd;
  blootstelling bij ongeval : blootstelling van personen ten gevolge van een ongeval. Dit omvat niet de blootstelling in een noodsituatie;
  blootstelling in een noodsituatie : blootstelling van personen bij de uitvoering van een noodzakelijke snelle [10 tussenkomsten]10 om hulp te verlenen aan personen in gevaar, om te verhinderen dat een groot aantal personen wordt blootgesteld [10 , om beschermingsmaatregelen op te zetten]10 of om een waardevolle installatie of waardevolle zaken te redden, en waarbij mogelijk één van de individuele dosislimieten voor de beroepshalve blootgestelde personen, wordt overschreden. De blootstelling in noodsituaties is enkel van toepassing op vrijwilligers;
  potentiële blootstelling : blootstelling die niet met zekerheid zal optreden, maar waarvan de kans dat ze optreedt van tevoren kan worden geschat;
  interventieniveau : waarde van een equivalente dosis of een effectieve dosis, of een daarvan afgeleide waarde, waarbij interventiemaatregelen zouden moeten worden overwogen; in het kader van het rechtvaardigingsproces van de interventie, zijn deze waarden in principe van toepassing op de doses die kunnen worden vermeden door de betrokken interventie; er dient evenwel eveneens rekening gehouden te worden met het bestaan van bepaalde drempelwaarden die kunnen worden vermeden door een interventie en waarbij rekening dient te worden gehouden met de totale dosis waaraan men wordt blootgesteld via het geheel van de blootstellingswegen;
  radiologische noodsituatie : een situatie waarbij dringende beschermingsmaatregelen vereist zijn; maken deel uit van de radiologische noodsituaties, situaties die voortvloeien uit :
  - een ongeval dat zich al dan niet heeft voorgedaan op het nationaal grondgebied in installaties of bij beroepsactiviteiten waarbij radioactieve stoffen worden gebruikt en waarbij een aanzienlijke hoeveelheid radioactieve stoffen vrijkomt of kan vrijkomen, waardoor de dosislimieten die in dit reglement worden vastgesteld voor de personen van het publiek, zouden kunnen worden overschreden;
  - andere ongevallen, waarbij een aanzienlijke hoeveelheid radioactieve stoffen vrijkomt of kan vrijkomen, en waardoor de dosislimieten die in dit reglement worden vastgesteld voor de personen van het publiek, zouden kunnen worden overschreden;
  - de detectie van abnormale niveaus van radioactiviteit die rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid en/of die een overschrijding kunnen geven van de dosislimieten die in dit reglement worden vastgesteld voor de personen van het publiek;
  potentieel getroffen bevolking in geval van een radiologische noodsituatie : elke bevolkingsgroep waarvoor een noodplan voor radiologische noodsituaties werd opgesteld;
  werkelijk getroffen bevolking bij een radiologische noodsituatie : elke bevolkingsgroep waarvoor specifieke beschermingsmaatregelen worden getroffen, van zodra er zich een radiologische noodsituatie voordoet;
  leerlingen : personen die al dan niet met een leerovereenkomst binnen een onderneming een opleiding of scholing krijgen met het oog op de uitoefening van een specifiek beroep; de stagiairs dienen beschouwd te worden als leerlingen in de zin van dit reglement;
  [3 ontmanteling : het geheel van technische verrichtingen als element van de buitenbedrijfstelling, waarbij de installatie gedemonteerd wordt en de uitrustingen, structuren en componenten verwijderd en/of ontsmet worden voor vrijgave, hergebruik, recyclage of voor behandeling als radioactief afval. De ontmanteling zelf kan in meerdere fases gebeuren, met vermelding van specifieke holdpoints tussen deze fasen; en ze wordt afgerond met de activiteiten voor de karakterisering van de eindtoestand]3;
  [4 ...]4;
  [4 ...]4;
  [4 ...]4;
  doeltreffende bescherming : dusdanige beschermingsinrichting tegen ioniserende stralingen dat de door iedere persoon opgelopen dosis zo laag wordt gehouden als redelijkerwijze mogelijk is en in elk geval de dosislimieten bepaald in hoofdstuk III niet overschrijdt;
  NIRAS : Nationale Instelling voor Radioactief Afval en verrijkte Splijtstoffen, opgericht door art 179, § 2 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, gewijzigd bij de wet van 11 januari 1991 en de programmawet van 12 december 1997;
  Agentschap : Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC), opgericht door artikel 2 van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
  Wetenschappelijke Raad : de Wetenschappelijke Raad opgericht bij artikel 37 van voornoemde wet van 15 april 1994;
  erkende dosimetrische dienst : instantie die verantwoordelijk is voor de calibratie, het aflezen of de interpretatie van de individuele controletoestellen, of voor de meting van de radioactiviteit in het menselijk lichaam of in biologische stalen, of voor de bepaling van de dosis, en waarvan de bevoegdheid voor deze taak door het Agentschap wordt erkend;
  erkende bedrijfsgeneeskundige dienst : de afdeling of het departement van de dienst voor preventie en bescherming op het werk van het betrokken bedrijf, die belast is met het medisch toezicht, zoals vermeld in de koninklijke besluiten van 27 maart 1998, handelend over de interne en externe diensten voor preventie en bescherming op het werk;
  [4 ...]4;
  [8 deskundige erkend in de fysische controle]8 : persoon die de noodzakelijke kennis bezit en de nodige opleiding heeft genoten, in het bijzonder om de fysische, technische of radiochemische proeven te verrichten waarmee doses kunnen worden bepaald en om advies te kunnen geven ter waarborging van een doelmatige bescherming van personen en een juiste werking van beschermingsmiddelen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 23; de [8 deskundigen erkend in de fysische controle]8 worden door het Agentschap erkend volgens de procedure beschreven in artikel 73;
  [9 - erkende deskundige in de medische stralingsfysica: een persoon die de kennis, opleiding en ervaring heeft om op te treden of advies te geven in aangelegenheden gerelateerd aan stralingsfysica toegepast op medische blootstellingen en blootstellingen bij niet-medische beeldvorming met medisch-radiologische uitrustingen, en wiens bevoegdheid hiertoe erkend werd door het Agentschap;]9
  inrichting : een geheel van één of meerdere installaties waar een handeling of handelingen of beroepsactiviteiten bedoeld in de eerste twee leden van artikel 1 worden uitgevoerd, die zich bevinden binnen een beperkte en welomschreven geografische zone en waarvoor een zelfde exploitant verantwoordelijk is;
  installatie : een geheel van voorwerpen, toestellen voorzieningen of gebouwen die binnen een inrichting een technische eenheid vormen en waar een handeling of handelingen of beroepsactiviteiten bedoeld in de eerste twee leden van artikel 1 worden uitgevoerd;
  dienst voor preventie en bescherming op het werk : de dienst voor preventie en bescherming op het werk, zoals bepaald in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
  [2 Consumptiegoederen: apparaten of producten waarin doelbewust een of meer radionucliden zijn ingebracht, of die bij activering radionucliden voortbrengen of die ioniserende straling uitzenden, en die zonder speciale of officiële controle na verkoop aan de leden van de bevolking kunnen worden verkocht of ter beschikking gesteld.]2
  [3 buitenbedrijfstelling : het geheel van technische en administratieve verrichtingen die ondernomen worden om een einde te stellen aan activiteiten die in een inrichting vergund werden en om aan de inrichting of aan een gedeelte ervan een andere bestemming, al dan niet onderworpen aan de reglementering betreffende de stralingsbescherming en de nucleaire veiligheid, te geven. De buitenbedrijfstelling omvat de volgende fases : de beslissing tot stopzetting van de activiteiten, de eigenlijke stopzetting, de al of niet uitgestelde ontmanteling en de herindeling van de inrichting of installaties ervan in overeenstemming met het algemeen reglement.]3
  [6 - verhoogd toezicht : een tijdelijk regime van verhoogde frequentie van toezichtactiviteiten. Dergelijke activiteiten worden beschouwd als bijkomende buitengewone prestaties bedoeld in artikel 31, § 3 van de wet van 15 april 1994;
   - langdurige onderbreking van activiteiten : een periode van inactiviteit van een installatie of onderbreking van een vergunde activiteit, die de voorziene periode van stilstand bij normale uitbating of bij te voorziene bedrijfsincidenten overstijgt en die tot bijkomende veiligheidsmaatregelen kan noodzaken om de veiligheid en de beveiliging bij stilstand of heropstart te waarborgen.]6
  [7 - "Bel V: de stichting die werd opgericht bij notariële akte van 7 september 2007, bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 9 oktober 2007, of haar rechtsopvolger, die te beschouwen is als een entiteit bedoeld in artikel 14ter van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
   - Reglementering betreffende de ioniserende stralingen: de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, alsook de koninklijke en ministeriële besluiten en de besluiten van het Agentschap ter uitvoering van deze wet, met uitzondering van deze die betrekking hebben op de fysieke beveiliging van het kernmateriaal en de nucleaire installaties;
   - Gevaarlijke goederen van de klasse 7: de stoffen met inbegrip van oplossingen en mengsels, door een afzender volgens de internationale reglementeringen voor het vervoer van gevaarlijke goederen ingedeeld als radioactieve stof (klasse 7) of ingedeeld in een andere gevarenklasse waarbij de klasse 7 als nevenrisico wordt aangeduid en waaraan een UN-nummer is toegekend;
   - Oplevering (van de installaties of de handelingen): controle van de overeenstemming met de bepalingen van de reglementering betreffende de ioniserende stralingen, met de bepalingen van de oprichtings- en exploitatievergunning van de inrichting en, in voorkomend geval, met het veiligheidsverslag;
   - Agent voor de stralingsbescherming: een persoon die technisch bekwaam is op het gebied van stralingsbescherming voor een bepaalde soort handelingen of installaties om toezicht te houden op de toepassing van de maatregelen voor stralingsbescherming of om deze maatregelen ten uitvoer te leggen;
  [9 - interventionele radiologie: het gebruik van beeldvormingstechnieken op basis van röntgenstralen, om het inbrengen en sturen van instrumenten in het lichaam te vergemakkelijken en zo een diagnose te kunnen stellen of een behandeling te kunnen uitvoeren;]9]7
  [9 - Besluit medische blootstellingen: koninklijk besluit van 13 februari 2020 betreffende de medische blootstellingen en blootstellingen bij niet-medische beeldvorming met medisch-radiologische uitrustingen;
   - Besluit diergeneeskundige blootstellingen: koninklijk besluit van 9 februari 2020 betreffende de bescherming tegen ioniserende stralingen tijdens diergeneeskundige blootstellingen;
   - individuele schade: klinisch waarneembare schadelijke gevolgen bij personen of hun nakomelingen die onmiddellijk of vertraagd optreden; in het laatste geval betreft het eerder de waarschijnlijkheid dan de zekerheid dat zij optreden;
   - kwaliteitsbeheersing: de reeks verrichtingen (programmeren, coördineren, uitvoeren) die bedoeld zijn om de kwaliteit te handhaven of te verbeteren. Kwaliteitsbeheersing omvat monitoring, evaluatie en handhaving op het vereiste niveau van alle prestaties van de radiologische uitrustingen die gedefinieerd, gemeten en beheerst kunnen worden;
   - kwaliteitsborging: alle geplande en systematische handelingen die noodzakelijk zijn om voldoende zekerheid te krijgen dat een structuur, systeem, component of procedure in bedrijf naar behoren en in overeenstemming met overeengekomen normen functioneert. Kwaliteitsbeheersing maakt deel uit van kwaliteitsborging;
   - diergeneeskundige blootstelling: de blootstelling van dieren bij gebruik van ioniserende stralingen voor diagnose of therapie, verzekeringstechnische doeleinden of keuringsonderzoeken,al dan niet in het kader van een handelstransactie van een dier, alsook de blootstelling van begeleiders;
   - medische blootstelling: blootstelling van patiënten of asymptomatische personen ten behoeve van hun eigen medische diagnose of behandeling die bedoeld is om hun gezondheid of levenskwaliteit te verbeteren, alsook hun begeleiders en verzorgers, en vrijwilligers in experimenten op de menselijke persoon, evenals blootstelling van het ongeboren kind bij een gekende zwangerschap van patiënten, asymptomatische personen, begeleiders of verzorgers;
   - blootstelling bij niet-medische beeldvorming met medisch-radiologische uitrustingen: elke welbewuste blootstelling van personen bij beeldvorming met medisch-radiologische uitrustingen, waarbij het voordeel voor de gezondheid van de persoon die de blootstelling ondergaat niet vooropstaat, de blootstelling van hun begeleiders en verzorgers en de blootstelling van het ongeboren kind bij een gekende zwangerschap van deze personen, begeleiders of verzorgers;
   - gemachtigde: een gemachtigde zoals bedoeld in het Besluit Medische Blootstellingen of in het Besluit Diergeneeskundige blootstellingen;
   - practicus: een practicus zoals bedoeld in het Besluit Medische Blootstellingen of in het Besluit Diergeneeskundige Blootstellingen;]9
  [10 - radiotoxicologische analyse: meting van de hoeveelheid of concentratie aan radioactieve stoffen die aanwezig zijn in het lichaam of in biologisch materiaal dat door het lichaam wordt uitgescheiden of voortgebracht om de radiotoxiciteit te bepalen of een equivalente of effectieve volgdosis te schatten;
   - programma voor individueel dosimetrisch toezicht: organisatie van het individueel dosimetrisch toezicht voor de verschillende werkposten van een inrichting of een onderneming;
   - beschermingsmaatregelen: maatregelen, behalve remediëringsmaatregelen, om doses te vermijden of te verminderen die anders in een noodsituatie of bestaande blootstellingssituatie zouden worden ontvangen;
   - blootstelling van de bevolking: blootstelling van personen, uitgezonderd beroepshalve of medische blootstellingen;
   - referentieniveau: niveau van de effectieve dosis, de equivalente dosis, of de activiteitsconcentratie in een noodsituatie, of bestaande blootstellingssituatie waarboven de blootstelling die uit deze bloostellingssituatie voortvloeit als ongepast wordt beschouwd, hoewel het geen limiet is die niet mag worden overschreden;
   - bestaande blootstellingssituatie: een blootstellingssituatie die al bestaat op het ogenblik dat een beslissing over de controle ervan moet worden genomen en waarvoor de toepassing van dringende maatregelen niet of niet langer vereist is;
   - geplande blootstellingssituatie: een blootstellingssituatie die voortkomt uit het gepland gebruik van een stralingsbron of uit een menselijke handeling die de verspreidingsroutes wijzigt zodat zij de blootstelling of potentiële blootstelling van mens of milieu veroorzaken. Geplande blootstellingssituaties omvatten zowel normale als potentiële blootstellingen;
   - situatie van blootstelling in een noodsituatie: een situatie van blootstelling ten gevolge van een noodsituatie;
   - noodsituatie: een ongewone situatie of gebeurtenis waarbij een stralingsbron is betrokken en die onmiddellijke maatregelen vereist om ernstige negatieve gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van de mens, de levenskwaliteit, het eigendom of het milieu te beperken, dan wel een ernstig gevaar dat dergelijke enstige negatieve gevolgen kan meebrengen;
   - blootstelling bij niet-medische beeldvorming: elke welbewuste blootstelling van personen bij beeldvorming waarbij het voordeel voor de gezondheid van de persoon die de blootstelling ondergaat niet vooropstaat;
   - bouwmateriaal: elk voor de bouw bestemd product dat bedoeld is om blijvend te worden verwerkt in een bouwwerk of delen ervan, en waarvan de prestaties gevolgen hebben voor de prestaties van het bouwwerk met betrekking tot de blootstelling van de bewoners aan ioniserende straling;
   - radon: de radionuclide Rn-222 en de dochternucliden ervan;
   - opslag: de bewaring van radioactieve stoffen binnen een specifieke installatie met de bedoeling deze daar later nog weg te halen.
   - de van kracht zijnde internationale overeenkomsten en reglementen voor het vervoer van gevaarlijke goederen:
   a) het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR);
   b) het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID), dat bijlage I uitmaakt van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF);
   c) de Technische Instructies voor de veiligheid van het luchtvrachtvervoer van gevaarlijke stoffen, van de Internationale Organisatie voor Burgerluchtvaart (ICAO);
   d) de Internationale Maritieme Code voor gevaarlijke stoffen (IMDG), van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO);
   e) Europees Verdrag betreffende het Internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de Binnenwateren (ADN).]10
  [10 4° ) Definities voor de toepassing van hoofdstuk XIII - bijzondere bepalingen met betrekking tot ingekapselde bronnen
   - leverancier: elke natuurlijke of rechtspersoon die een bron levert of ter beschikking stelt;
   - houder: elke natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor een ingekapselde bron, met inbegrip van fabrikanten en leveranciers;
   - broncontainer: de insluiting van een ingekapselde bron, die geen geïntegreerd onderdeel van de bron is, maar bedoeld is voor normale uitbating of opslag.]10
  ----------
  (1)<KB 2012-04-26/65, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (2)<KB 2014-09-30/09, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 10-11-2014>
  (3)<KB 2015-08-10/22, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 07-09-2015>
  (4)<W 2014-01-26/17, art. 35, 019; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1)>
  (5)<W 2017-05-07/07, art. 14, 020; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (6)<KB 2018-05-29/10, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 28-06-2018>
  (7)<KB 2018-12-06/17, art. 2, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (8)<KB 2018-12-06/17, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (9)<KB 2020-02-09/04, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-03-2020>
  (10)<KB 2020-07-20/16, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  HOOFDSTUK II. - Politie van de ingedeelde inrichtingen.

  Afdeling I. - Indeling van de inrichtingen waar handelingen uitgevoerd worden en van de beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen worden aangewend.

  Art. 3.[7 Indeling van de inrichtingen]7.
  3.1. De inrichtingen waar handelingen bedoeld in het eerste lid van artikel 1 worden uitgevoerd, worden [3 , ook tijdens hun buitenbedrijfstelling,]3 in één van de volgende klassen ingedeeld :
  a) klasse I :
  1. de kernreactoren;
  2. [5 de inrichtingen waar splijtstoffen, natuurlijk en verarmd uraan en natuurlijk thorium uitgezonderd, worden aangewend of in bezit gehouden, indien de som van de verhoudingen tussen de massa van de hierna vermelde splijtstoffen en hun referentiemassa groter is dan de eenheid. De referentiemassa waarmee rekening moet worden gehouden voor deze berekening wordt vastgesteld op 200 g voor plutonium 239, op 200 g voor uranium 233, en op 350 g voor uranium 235;]5
  3. de inrichtingen voor opwerking van al dan niet verrijkte bestraalde kernbrandstoffen;
  4. de inrichtingen waar radioactieve afvalstoffen worden verzameld, verwerkt, geconditioneerd, opgeslagen, of in het algemeen de inrichtingen waar radioactieve afvalstoffen worden behandeld, op voorwaarde dat deze inrichtingen de belangrijkste activiteit van de onderneming uitmaken;
  5. de bergingsplaatsen van radioactieve afvalstoffen;
  b) klasse II : voor zover zij niet tot klasse I behoren :
  1. de inrichtingen waar radioactieve stoffen worden gewonnen uit bestraalde splijtstoffen en waar deze worden geconditioneerd voor de verkoop;
  2. [1 de inrichtingen waar één of meerdere deeltjesversnellers met gemeenschappelijke technische infrastructuur worden aangewend, met uitzondering van de elektronenmicroscopen;]1
  3. de inrichtingen waar één of meerdere van de volgende installaties ondergebracht zijn :
  a) de installaties waar willekeurige hoeveelheden splijtstoffen die niet werden opgenomen in klasse I worden gebruikt of in bezit gehouden (natuurlijk en verarmd uraan en natuurlijk thorium uitgezonderd);
  b) de installaties waar gebruik wordt gemaakt van de intentionele toediening of de inbrenging in het lichaam of in een van de lichaamsholten, van radioactieve stoffen, al dan niet onder ingekapselde vorm, bij mensen of bij dieren [6 ...]6;
  c) de installaties waar gebruik wordt gemaakt van toestellen die röntgenstralen voortbrengen, en waarvan de nominale piekspanning 200 kV overschrijdt, evenals de installaties waar toestellen die röntgenstralen voortbrengen, worden gebruikt voor de geneeskundige behandeling van personen, en de niet-vrijgestelde inrichtingen die radioactieve bronnen in hun bezit houden of gebruiken voor industriële radiografie of voor de behandeling van producten of voor de geneeskundige behandeling van personen [6 of de niet-medische beeldvorming]6;
  d) onverminderd de bepalingen van artikel 64, de installaties waar bij de productie en de vervaardiging van consumptieproducten of geneesmiddelen, gebruik wordt gemaakt van de intentionele toevoeging van radioactieve stoffen;
  e) de installaties, voor zover hierboven niet vermeld, waar radioactieve stoffen onder niet ingekapselde vorm gebruikt of in hun bezit gehouden worden, met inbegrip van de radioactieve afvalstoffen, waarvan de totale activiteit de vrijstellingsniveaus, vastgelegd in bijlage IA, met een factor 500 overschrijdt, rekening houdend met de toepassingscriteria die in diezelfde bijlage worden beschreven, onder meer in het geval van een mengsel van radionucliden; voor de isotopen C-14, S-35, Ca-45, Er-169, Ce-141, Pm-147, Hg-197 en de joodisotopen I-123, I-125, I-126 en I-131 bedraagt deze factor 50;
  f) de installaties, voor zover hierboven niet vermeld, waar de totale activiteit van het aangewende of in het bezit gehouden H-3, onder de vorm van afvalstoffen inbegrepen, de waarde van 5 GBq overschrijdt;
  g) de installaties, voor zover hierboven niet vermeld, waar ingekapselde bronnen worden gebruikt of in bezit gehouden, onder de vorm van afvalstoffen inbegrepen, waarin zich bepaalde hoeveelheden radionucliden bevinden waarvan de totale activiteit de vrijstellingsniveaus, vastgelegd in bijlage IA, met een factor 50.000 overschrijdt, rekening houdend met de toepassingscriteria die in diezelfde bijlage worden beschreven, ondermeer in het geval van een mengsel van radionucliden; voor Sr-90, Cs-137 en Kr-85 bedraagt deze factor 500.000;
  h) de in de punten e) en g) hierboven vermelde installaties waar radioactieve stoffen, al dan niet onder ingekapselde vorm, worden gebruikt of in bezit gehouden, onder de vorm van afvalstoffen inbegrepen, waarvan de totale activiteit de vrijstellingsniveaus in bijlage IA met een factor die kleiner is dan deze vermeld in de punten e) en g) overschrijdt, rekening houdend met de toepassingscriteria die in diezelfde bijlage worden beschreven, onder meer in het geval van een mengsel van radionucliden, maar waarvoor het Agentschap van mening is dat de bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse II van toepassing dienen te zijn of te blijven; het Agentschap kan deze gemotiveerde maatregel treffen voor een specifieke installatie of kan, via bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, bepaalde categorieën van installaties definiëren die vallen onder de toepassing van dit punt h);
  c) klasse III : voor zover zij niet tot klasse I of II behoren, de inrichtingen waar één of meerdere van de volgende installaties zijn ondergebracht :
  1. de installaties waar radioactieve stoffen worden gebruikt of in het bezit gehouden, onder de vorm van afvalstoffen inbegrepen, en dit in omstandigheden die geen aanleiding geven tot een vrijstelling, met toepassing van artikel 3.1.d);
  2. [8 de installaties waar toestellen die ioniserende stralingen kunnen voortbrengen gebruikt worden die niet vermeld worden in artikel 3.1.b) en geen aanleiding geven tot een vrijstelling met toepassing van artikel 3.1.d);]8
  d) [8 klasse IV, of de klasse die is vrijgesteld van aangifte en van vergunning: de inrichtingen waar één of meerdere van de volgende handelingen worden uitgevoerd:]8
  1. [6 [8 met uitzondering van de handelingen beschreven in de punten 3. b) en d) van het artikel 3.1.b), het in gebruik nemen of het in bezit houden van radioactieve stoffen, onder niet-ingekapselde of ingekapselde vorm, radioactieve afvalstoffen inbegrepen, waarvan:]8
   a) de totale activiteit de vrijstellingsniveaus vastgelegd in bijlage IA niet overschrijdt;
   of,
   b) voor hoeveelheden van maximum één ton, de activiteitsconcentratie de vrijstellingsniveaus vastgelegd in bijlage IA, niet overschrijdt;
   of,
   c) voor hoeveelheden groter dan één ton, de activiteitsconcentratie de niveaus vastgelegd in tabel A van bijlage IB niet overschrijdt;
   of,
   d) een studie met representatieve blootstellingscenario's aantoont dat de effectieve dosis die per jaar door een lid van de bevolking opgelopen kan worden 10 microsievert of minder is.
   De toepassingscriteria worden beschreven in de bijlagen IA en IB, onder meer in het geval van een mengsel van radionucliden.]6
  2. [8 het in gebruik nemen of het in bezit houden van toestellen, die radioactieve stoffen bevatten, voor beeldvorming van de verdeling van radioactieve stoffen in het lichaam van een persoon of dier in een installatie die gedekt wordt door artikel 3.1.b)3.b voor zover alle onderstaande voorwaarden voldaan zijn:
   - de aanwezigheid van de radioactieve stoffen is het gevolg van het gebruik van materialen voor de detectie van ioniserende stralingen die natuurlijke radionucliden bevatten;
   - de hoeveelheden van de radionucliden per toestel overschrijden in hun totaliteit of per eenheid van massa de vrijstellingsniveaus vastgelegd in bijlage IA niet;
   - de structuur van het toestel verhindert dat, bij normaal gebruik, er enige verspreiding van radioactieve stoffen in de omgeving kan zijn.]8
  3. [8 het gebruik van kathodestraalbuizen, bestemd voor de visuele beeldweergave.]8
  4. [8 het gebruik van om het even welk toestel dat werkt met een maximaal potentiaalverschil dat kleiner is of gelijk aan 30 kV, voor zover voldaan is aan alle onderstaande voorwaarden:
   - het toestel is volledig afgeschermd en de stralingsbundel is bij normaal gebruik, onderhoud van het toestel inbegrepen, niet toegankelijk waardoor er zich op geen enkel moment een lichaamsdeel in de stralingsbundel kan bevinden;
   - de afmetingen van het toestel zijn zodanig dat er zich geen persoon binnen in het toestel kan bevinden;
   - het toestel is zo ontworpen dat voorzienbare fouten, gebreken en verstoringen in het proces niet mogen leiden tot een minder veilige werking;
   - bij normaal gebruik veroorzaakt het toestel op geen enkel punt op 0,1 m van de bereikbare buitenzijde ervan een dosistempo dat groter is dan 1 microsievert per uur.
   Het Agentschap kan op haar initiatief en op kosten van de aanvrager, een verslag van een deskundige erkend in de fysische controle vragen aan de aanvrager teneinde na te gaan of er voldaan is aan de hierboven vermelde criteria.]8
  [2 5. [8 het in gebruik nemen en het in bezit houden van consumptiegoederen die radioactieve stoffen bevatten, waarvan het gebruik overeenkomstig artikel 65.3 werd toegelaten en vrijgesteld van voorafgaande vergunning.]8]2
  [8 6. Het in gebruik nemen of het in bezit houden van de radionucliden Nd-144, Sm-147, Rb-87, In-115 en Re-187, welke ook de beschouwde hoeveelheden zijn.]8
  [8 7. het in gebruik nemen of het in bezit houden van natuurlijk en verarmd uranium evenals van natuurlijk thorium voor zover deze stoffen voorkomen in hoeveelheden van minder dan of gelijk aan respectievelijk 5 MBq (uraan) en 50 kBq (thorium). In grotere hoeveelheden dan deze grenzen worden deze inrichtingen in klasse III gerangschikt.]8
  [8 De handelingen die als klasse IV worden ingedeeld zijn steeds vrijgesteld van vergunning, ook al bevinden deze zich in inrichtingen van klasse I, II of III.]8
  3.2. [9 ...]9
  [4 Art. 3.3.
   De inrichtingen van klasse II:
   a) vermeld in artikel 3.1.b), punt 1.;
   b) waar één of meer deeltjesversnellers ondergebracht zijn die voornamelijk worden gebruikt voor onderzoek of de productie van radionucliden of voor hadrontherapie, alsook de inrichtingen waar deze versnellers worden geproduceerd en/of getest;
   c) waar toestellen ondergebracht zijn die röntgenstralen van meer dan 1 MeV voortbrengen en die gebruikt worden voor industriële sterilisatie of polymerisatie;
   d) waar bestralingsinstallaties ondergebracht zijn die gebruik maken van een bron met een activiteit van 100 TBq of meer, met uitzondering van de bestralingsinstallaties voor geneeskundige of diergeneeskundige behandeling en met uitzondering van bronnen die in alle omstandigheden (exploitatie, onderhoud, ontwerpongevallen) in hun afscherming blijven;
   e) die radioactieve stoffen produceren of bronnen fabriceren, met uitzondering van Kr-85, en waarvan de totale maandelijkse geproduceerde activiteit de vrijstellingsniveaus vastgelegd in bijlage IA met een factor 500.000 overschrijdt, rekening houdend met de toepassingscriteria beschreven in diezelfde bijlage, onder meer in het geval van een mengsel van radionucliden;
   worden "inrichtingen van klasse IIA" genoemd.
   Deze inrichtingen maken integraal deel uit van klasse II. De reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op klasse II zijn van toepassing op klasse IIA, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald.
   Het Agentschap kan, via een in het Belgisch staatsblad gemotiveerde beslissing, bepaalde specifieke types van installaties vermeld in de punten a) tot e) uitsluiten van de klasse IIA op basis van een risicoanalyse.]4
  ----------
  (1)<KB 2012-04-26/65, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (2)<KB 2014-09-30/09, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 10-11-2014>
  (3)<KB 2018-12-06/17, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (4)<KB 2018-12-06/17, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (5)<KB 2020-05-29/23, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 21-06-2020>
  (6)<KB 2020-07-20/16, art. 4, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>
  (7)<KB 2021-07-14/13, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 07-08-2021>
  (8)<KB 2021-07-14/13, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 07-08-2021>
  (9)<KB 2021-07-14/13, art. 4, 031; Inwerkingtreding : 07-08-2021>

  Art. 4.[1 Beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen worden aangewend
   4.1 Beroepsactiviteiten die een risico inhouden op een blootstelling aan radon
   De beroepsactiviteiten waarvan het Agentschap vaststelt dat ze een risico inhouden op een blootstelling aan radon worden beschouwd als een bestaande blootstellingssituatie, waarbij de radonconcentratie in de gebouwen gemeten moet worden. Deze metingen moeten uitgevoerd worden conform het radonactieplan vastgesteld overeenkomstig artikel 72/1.3. Indien de radonconcentratie het jaarlijks gemiddelde referentieniveau dat bepaald werd in artikel 20.2.2, e) overschrijdt, moeten deze beroepsactiviteiten aangegeven worden aan het Agentschap, overeenkomstig artikel 9.1.
   De beroepsactiviteiten in arbeidsplaatsen waar de blootstelling van de werkers de effectieve dosis van 6 mSv per jaar, of een equivalente geïntegreerde blootstelling aan radon, bepaald in artikel 20.3, nog steeds overschrijdt, worden als geplande blootstellingssituaties beschouwd en worden overeenkomstig artikel 9.3 beheerd.
   4.2 Beroepsactiviteiten die een risico inhouden op een blootstelling aan natuurlijke radioactieve stoffen en beschouwd worden als geplande blootstellingssituaties
   De beroepsactiviteiten die een risico inhouden op externe blootstelling, opname door ingestie of inademing van natuurlijke radioactieve stoffen in bestaande of nog op te richten lokalen, bij normale arbeidsomstandigheden of normale bezettingsgraad, of gedurende het onderhoud, met inbegrip van de beroepsactiviteiten met betrekking tot de bijhorende residu- of afvalstromen die als geplande blootstellingssituaties worden beschouwd en vermeld worden in artikel 1, tweede lid, zijn de beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen worden aangewend, waarvan :
   1° de totale hoeveelheid meer bedraagt dan 1 ton;
   2° voor vaste bronnen, de activiteitsconcentratie de niveaus bepaald in bijlage VIII overschrijdt;
   3° voor vloeibare bronnen, de activiteiteitsconcentratie de niveaus bepaald in bijlage IX overschrijdt.
   Zij moeten aangegeven worden aan het Agentschap, overeenkomstig artikel 9.1.
   Het Agentschap bepaalt in welke industriële sectoren deze niveaus kunnen worden overschreden.
   Grondstoffen, producten, bijproducten of residu's van een activiteit, met inbegrip van onderdelen van installaties kunnen worden beschouwd als natuurlijke bronnen.
   Wanneer de activiteitsconcentratie de vrijstellingswaarden die van toepassing zijn voor het vervoer van natuurlijke stralingsbronnen, die bepaald werden in artikel 4 van het KB van 22 oktober 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7, overschrijdt, dan is de restrictie met betrekking tot de hoeveelheden die meer dan 1 ton bedragen niet van toepassing.
   4.3 De exploitatie van vlieg- of ruimtetuigen
   De ondernemingen die vlieg- of ruimtetuigen exploiteren dienen een aangifte te richten aan het Agentschap, overeenkomstig artikel 9.1.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Afdeling II. - Vergunningsstelsel.

  Art. 5.Algemeen vergunningsstelsel.
  5.1. Oprichtings- en exploitatievergunning
  [4 De inrichtingen van klasse I, II en III moeten over een oprichtings- en exploitatievergunning beschikken die is afgeleverd door de hierna bepaalde overheid. De vergunning wordt verleend aan de exploitant.]4
  (De vergunning kan voorwaarden bevatten die onder meer betrekking kunnen hebben op :
  - de verantwoordelijkheden [4 van de exploitant en/of het ondernemingshoofd]4;
  - de minimale kwalificaties van het personeel;
  - de minimale prestatiecriteria voor de bronnen de broncontainers en de aanvullende uitrustingen;
  - de procedures en communicatiekanalen bij noodgevallen;
  - te volgen werkprocedures;
  - onderhoud van de uitrusting, de bronnen en de containers,
  - de te nemen maatregelen inzake beheer van afgedankte hoogactieve ingekapselde bronnen;
  [4 - de organisatie van de fysische controle.]4) <KB 2006-05-23/33, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  5.2. Verplichtingen van de exploitanten
  De exploitanten van de inrichtingen moeten de voorwaarden van de vergunningen nakomen.
  5.3. Vergunningsduur
  De vergunningen kunnen worden verleend zonder tijdsbeperking of voor een bepaalde termijn. Ze mogen niet voor een proefperiode worden toegekend.
  5.4. [1 Overdracht van vergunningen
   5.4.1 Inrichtingen van klasse I
   De vergunningen verleend in toepassing van de artikelen 6 en 17, kunnen geheel of gedeeltelijk door Ons van de ene exploitant naar de andere worden overgedragen.
   In het geval van een gedeeltelijke overdracht doet de huidige exploitant, in toepassing van artikel 12, een aangifte van wijziging van zijn inrichting.
   De overnemer stuurt de aanvraag voor overdracht, vergezeld van het akkoord van de huidige exploitant aan het Agentschap. Het Agentschap meldt de ontvangst ervan.
   In deze aanvraag voor overdracht moeten de wijzigingen aan de inlichtingen en bescheiden zoals beschreven in het veiligheidsrapport en opgesomd in artikelen 6 of 17, naar gelang het geval, met betrekking tot de overnemer worden vermeld. In de aanvraag voor overdracht dient de overnemer aan te tonen dat hij in staat is de bestaande vergunningsvoorwaarden na te leven, evenals de wijze waarop dit gerealiseerd wordt.
   Met betrekking tot de overdracht vraagt het Agentschap het advies aan NIRAS inzake de aspecten die betrekking hebben op diens bevoegdheden. NIRAS beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van het dossier of vanaf het bekomen van bijkomende informatie indien het hierom verzoekt, of binnen een langere termijn die het dient te rechtvaardigen, om haar gemotiveerd advies met betrekking tot de overdracht mee te delen.
   Wanneer NIRAS binnen de voorziene termijn geen advies verleent, wordt aangenomen dat de overdracht wat haar betreft geen aanleiding geeft tot opmerkingen.
   Indien het Agentschap van oordeel is dat een wijziging van de vergunningsvoorwaarden nodig is, dan is artikel 13 van toepassing. Indien de aanvraag van overdracht wijzigingen van de vergunde inrichting omvat, dan is artikel 12 van toepassing.
   Indien het Agentschap oordeelt dat de overnemer niet aan de vergunningsvoorwaarden en de bepalingen van de reglementering inzake de bescherming tegen ioniserende stralingen en aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 30 november 2011 houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties, kan voldoen, informeert het hierover de overnemer per aangetekende brief. De overnemer beschikt over een periode van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving om eventuele opmerkingen in te dienen en waarbij hij het recht heeft om gehoord te worden door de Wetenschappelijke Raad, indien hij binnen dezelfde termijn een verzoek daartoe indient. Rekening houdende met de gemaakte opmerkingen van de overnemer, en in voorkomend geval met het advies van de Wetenschappelijke Raad, zal het Agentschap een definitieve beslissing voorstellen.
   Onze beslissing, in de vorm van besluit getroffen, wordt mede ondertekend door de Minister tot wiens bevoegdheid de Binnenlandse Zaken behoren. De kennisgeving van de beslissing gebeurt conform artikel 6.8. Het Agentschap brengt de Wetenschappelijke Raad op de hoogte van Onze beslissing.
   5.4.2 Overige inrichtingen en vergunningen verleend in toepassing van artikel 18
   De vergunningen verleend in toepassing van de artikelen 7, 8, 9, 17 en 18 kunnen, geheel of gedeeltelijk, door het Agentschap van de ene exploitant naar de andere worden overgedragen.
   In het geval van een gedeeltelijke overdracht doet de huidige exploitant, in toepassing van artikel 12, een aangifte van wijziging van zijn inrichting.
   De overnemer stuurt de aanvraag voor overdracht, vergezeld van het akkoord van de huidige exploitant aan het Agentschap. Het Agentschap meldt de ontvangst ervan.
   In deze aanvraag voor overdracht moeten de wijzigingen aan de inlichtingen en bescheiden opgesomd in artikel 7, 8, 9, 17 of 18, naar gelang het geval, met betrekking tot de overnemer worden vermeld. In de aanvraag voor overdracht dient de overnemer aan te tonen dat hij in staat is de bestaande vergunningsvoorwaarden na te leven, evenals de wijze waarop dit zal gerealiseerd worden.
   Met betrekking tot de overdracht van de inrichtingen van klasse II vermeld in de artikelen 3.1, b), 1 en 3.1, b), 2 wint het Agentschap het advies van NIRAS in, inzake de aspecten die betrekking hebben op diens bevoegdheden. Voor de overige inrichtingen kan het Agentschap dergelijk advies eveneens inwinnen. Het advies van NIRAS wordt niet gevraagd voor de inrichtingen waar uitsluitend toestellen gebruikt worden die röntgenstralen voortbrengen.
   NIRAS beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van het dossier of vanaf het bekomen van bijkomende informatie indien het hierom verzoekt, of binnen een langere termijn die het dient te rechtvaardigen, om haar gemotiveerd advies met betrekking tot de overdracht mee te delen.
   Wanneer NIRAS binnen de voorziene termijn geen advies verleent, wordt aangenomen dat de overdracht wat haar betreft geen aanleiding geeft tot opmerkingen.
   Indien het Agentschap van oordeel is dat een wijziging van de vergunningsvoorwaarden nodig is, dan is artikel 13 van toepassing. Indien het voorstel van overdracht wijzigingen van de vergunde inrichting omvat, dan is artikel 12 van toepassing.
   Het Agentschap neemt een beslissing binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf het bekomen van de aanvraag voor overdracht, desgevallend vanaf het bekomen van het advies van NIRAS. De kennisgeving van de beslissing gebeurt conform artikel 7.5, 8.4 of 9.5, naar gelang het geval.
   Indien het Agentschap oordeelt dat de overnemer niet aan de vergunningsvoorwaarden en de bepalingen van de reglementering inzake de bescherming tegen ioniserende stralingen kan voldoen, informeert het de overnemer hierover binnen dezelfde termijn per aangetekende brief en waarbij het verduidelijkt dat hij het recht heeft om gehoord te worden binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving.
   De overnemer kan tegen de beslissing van het Agentschap beroep aan tekenen conform artikel 7.7, 8.6 of 9.6, naar gelang het geval.]1
  [2 5.4bis. Inrichtingen onder curatele of geplaatst onder voorlopige bewindvoering
   In geval van een faillissement of bij een onderneming in financiële of economische moeilijkheden, brengen de door de gerechtelijke autoriteiten aangestelde curatoren of voorlopige bewindvoerders het Agentschap hiervan onverwijld op de hoogte per aangetekende brief. Zij verwittigen tevens NIRAS, behoudens indien het gaat om een inrichting waar uitsluitend toestellen gebruikt worden die röntgenstralen voortbrengen.
   Bij een ontbinding van een rechtspersoon brengen de vereffenaars het Agentschap onverwijld op de hoogte per aangetekende brief. Zij verwittigen tevens NIRAS, behoudens indien het gaat om een inrichting waar uitsluitend toestellen gebruikt worden die röntgenstralen voortbrengen.
   Vanaf het ogenblik van hun aanstelling worden zij beschouwd als exploitant van de inrichting en onderwerpt het Agentschap de inrichting aan een verhoogd toezicht.
   Het Agentschap wint het advies van NIRAS in, inzake de aspecten die betrekking hebben op diens bevoegdheden. NIRAS geeft haar gemotiveerd advies uiterlijk binnen de dertig kalenderdagen vanaf de schriftelijke vraag om advies, of binnen een langere termijn die het dient te rechtvaardigen.
   Het advies van NIRAS wordt niet gevraagd voor de inrichtingen waar uitsluitend toestellen gebruikt worden die röntgenstralen voortbrengen.
   Indien het Agentschap van oordeel is dat een wijziging van de vergunningsvoorwaarden nodig is, dan is artikel 13 van toepassing.
   Wanneer een overname van de inrichting voorzien wordt, is artikel 5.4 van toepassing.
   Wanneer een definitieve stopzetting voorzien wordt, is artikel 17 van toepassing.]2
  5.5. [5 Vervanging van hoofd van de inrichting [8 ,]8 vervanging van hoofd van de dienst voor fysische controle [8 en vervanging van het hoofd van de dienst medische stralingsfysica]8
   Elke wijziging betreffende de aanstelling van het hoofd van de inrichting [8 ,]8 het hoofd van de dienst voor fysische controle [8 en het hoofd van de dienst medische stralingsfysica]8 dient onverwijld, via een bij de post aangetekend schrijven, ter kennis van het Agentschap te worden gebracht.]5
  5.6. Vrijstelling om zekere inlichtingen of bescheiden te verstrekken
  De overheid bevoegd voor het verlenen van de vergunning kan de vergunningsaanvrager ervan vrijstellen bepaalde van de in artikelen 6.2, 7.2 en 8.2 vermelde inlichtingen of bescheiden te verstrekken; in dat geval vermeldt de oprichtings- en exploitatievergunning expliciet de verleende afwijkingen.
  5.7. Speciaal vergunningsstelsel
  5.7.1. Mobiele installaties
  De mobiele installaties waarin proeven of materiaaltesten worden verricht of werkwijzen worden aangewend, waarbij ioniserende stralingen worden gebruikt, worden overeenkomstig dit reglement eveneens als ingedeelde inrichtingen beschouwd en zijn dus onderworpen aan de oprichtings- en exploitatievergunning overeenkomstig de hierna volgende artikelen 6 tot 9. Zij zijn evenwel vrijgesteld van de formaliteiten die verband houden met de lokalisatie van de inrichting : kadastrale plannen, topografische opname, alle geografische, demografische, hydrologische, geologische, seismografische en stedenbouwkundige gegevens alsook van de verplichtingen om een openbaar onderzoek te verrichten en het advies van de schepencolleges en van de bestendige deputatie in te winnen.
  Deze verrichtingen worden uitsluitend uitgevoerd door het personeel van de onderneming die daartoe vergund is, onder [6 het toezicht van de dienst voor fysische controle]6.
  5.7.2. Tijdelijke of bij gelegenheid uitgevoerde werkzaamheden
  Evenzo is het bij gelegenheid uitvoeren van proeven of materiaaltesten of de aanwending van werkwijzen, waarbij ioniserende stralingen worden gebruikt op een werf of in een inrichting die daartoe geen vergunning heeft, slechts toegestaan aan speciaal hiertoe vergunde ondernemingen overeenkomstig dezelfde voorwaarden als onder 5.7.1.
  5.7.3. Algemene bepalingen
  Onverminderd de voorschriften van [9 het koninklijk besluit van 22 oktober 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7]9 en de op basis hiervan opgelegde bijzondere voorwaarden worden de radioactieve stoffen, buiten de perioden waarin ze worden gebruikt, in hun verpakking bewaard in een daartoe vergunde inrichting, of [9 , voor de duur van de werken, in een daartoe door de deskundige erkend in de fysische controle goedgekeurd werfmagazijn]9, of in het voertuig.
  Bewaring in het voertuig kan enkel gebeuren op voorwaarde dat :
  - dit voertuig niet zonder bewaking achtergelaten wordt op de openbare weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats, of
  - aangetoond wordt dat maatregelen getroffen werden die een equivalente beveiliging waarborgen.
  Voor de toestellen die radioactieve stoffen bevatten dienen de afsluiter en/of het bedieningssysteem van het toestel beveiligd te zijn tegen het in werking stellen door onbevoegde personen.
  [3 5.8 Deeldossier radioactieve afvalstoffen en deeldossier ontmanteling
   5.8.1
   Een deeldossier radioactieve afvalstoffen en een deeldossier ontmanteling maken integraal deel uit van de vergunningsaanvragen in toepassing van de artikelen 6, 7, 8 en 12. Het deeldossier radioactieve afvalstoffen en het deeldossier ontmanteling zijn niet verplicht voor de inrichtingen waar uitsluitend toestellen gebruikt worden die röntgenstralen voortbrengen en voor de inrichtingen ingedeeld onder artikel 3.1, a), 5.
   5.8.2
   Onverminderd de bepalingen van het Koninklijk besluit van 18 november 2002 houdende regeling van de erkenning van uitrustingen bestemd voor de opslag, verwerking en conditionering van radioactief afval, beschrijft het deeldossier radioactieve afvalstoffen de organisatorische en technische maatregelen voor het beheer van de gegenereerde afvalstoffen. Dit dossier bevat ten minste de volgende gegevens :
   1° de te verwachten types en hoeveelheden van radioactieve afvalstoffen tijdens normale uitbating met vermelding van de voorzieningen die worden getroffen om te voldoen aan de vereisten met betrekking tot het veilig beheer ervan. Dit omvat onder andere de beschrijving van de (voor)behandeling, inclusief type installaties, van de diverse types radioactieve afvalstoffen alvorens verwijdering of overdracht naar NIRAS;
   2° de beschrijving van de opslagcondities voor de diverse types afvalstoffen in de inrichting : de type opslaginstallaties, de maximale opslagcapaciteiten en de vooropgestelde nominale benuttingsgraad van deze opslaginstallaties in normale exploitatieomstandigheden.
   5.8.3
   Het deeldossier radioactieve afvalstoffen bevat eveneens het engagement van de toekomstige exploitant om vóór de ingebruikname van de inrichting een overeenkomst met NIRAS af te sluiten inzake de aspecten die betrekking hebben op haar bevoegdheden, en tot het naleven van de daaruit voortvloeiende administratieve, technische en financiële verplichtingen.
   5.8.4
   In het deeldossier radioactieve afvalstoffen wordt aangetoond dat, met betrekking tot de opslag van de diverse types van radioactieve afvalstoffen die in de inrichting kunnen gegenereerd worden, een voldoende opslagcapaciteit voorzien wordt. Hiertoe specificeert en rechtvaardigt de aanvrager/exploitant een vooropgestelde nominale benuttingsgraad van de opslaginstallaties in normale exploitatieomstandigheden, teneinde een aanvullende opslagcapaciteit beschikbaar te hebben zodat :
   1° waar van toepassing, de radioactieve afvalstoffen verplaatst kunnen worden voor controles, onderhouds- of herstellingswerken, evenals voor andere te voorziene handelingen;
   2° bij problemen van afvoer van de afvalstoffen uit de inrichting, of door onbeschikbaarheid van verwerkingsinstallaties op of buiten de site, geen onveilige opslagcondities zouden kunnen gecreëerd worden bij het voortzetten van de normale exploitatie binnen de inrichting.
   Voor de bestaande installaties, kan een alternatieve opslaginstallatie worden gebruikt indien zij een aanvaardbaar veiligheidsniveau garandeert.
   Het deeldossier radioactieve afvalstoffen beschrijft op welke wijze de radioactieve afvalstoffen binnen een door de exploitant vooropgestelde termijn uit de opslaginstallaties kunnen worden gehaald, alsook in het kader van een tussenkomst ten gevolge van te voorziene bedrijfsincidenten.
   5.8.5
   Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 30 november 2011 houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties voor wat betreft de ontmanteling van vergunde inrichtingen of van delen ervan, omvat het deeldossier ontmanteling de beschrijving van de maatregelen die genomen worden bij het ontwerp, de bouw en de uitbating van de inrichting om de latere ontmanteling ervan te vergemakkelijken, alsook de verwachte hoeveelheden radioactief afval afkomstig van de ontmanteling.
   5.8.6
   Het deeldossier radioactieve afvalstoffen en het deeldossier ontmanteling worden opgenomen in het veiligheidsrapport van de inrichting van klasse I, zoals vereist in artikel 13 van het koninklijk besluit van 30 november 2011, houdende veiligheidsvoorschriften voor de kerninstallaties.]3
  ----------
  (1)<KB 2018-05-29/10, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 28-06-2018>
  (2)<KB 2018-05-29/10, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 28-06-2018>
  (3)<KB 2018-05-29/10, art. 5, 023; Inwerkingtreding : 28-06-2018>
  (4)<KB 2018-12-06/17, art. 6, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (5)<KB 2018-12-06/17, art. 7, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (6)<KB 2018-12-06/17, art. 8, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (7)<KB 2018-12-06/17, art. 9, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (8)<KB 2020-02-09/04, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-03-2020>
  (9)<KB 2020-07-20/16, art. 6, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 6.[1 Vergunningsstelsel van de inrichtingen van klasse I
   6.1. Overheid bevoegd voor het verlenen van de vergunning
   Overeenkomstig artikel 16 § 1 van de wet van 15 april 1994 moeten de inrichtingen van klasse I een oprichtings- en exploitatievergunning hebben, die door de Koning wordt verleend en bevestigd.
   6.1bis. Milieueffectbeoordeling inzake ioniserende stralingen
   6.1bis.1. Toepassingsgebied
   De volgende projecten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordelingsrapport :
   1° projecten die voorkomen in bijlage X;
   2° projecten die voorkomen in bijlage XI en waarvan het Agentschap na een screening oordeelt dat er ingevolge het project aanzienlijke milieueffecten inzake ioniserende stralingen te verwachten zijn of kunnen verwacht worden.
   6.1bis.2. Vrijstelling van de bepalingen inzake de milieueffectbeoordeling
   § 1. In de in artikel 27/8 van de Wet van 15 april 1994 bedoelde gevallen, kan de opdrachtgever een verzoek tot vrijstelling van de bepalingen inzake de milieueffectbeoordeling voor een project of een onderdeel hiervan richten aan het Agentschap.
   Het verzoek tot vrijstelling bevat in elk geval:
   1° een beschrijving van het project;
   2° een beschrijving - voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is - van waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project;
   3° de argumenten/redenen waarom een vrijstelling van de bepalingen inzake de milieueffectbeoordeling wordt gevraagd;
   4° de gegevens die zijn verzameld door andere vormen van beoordeling van de milieueffecten .
   De opdrachtgever richt zijn verzoek tot vrijstelling op schriftelijke wijze aan het Agentschap. Het verzoek kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag aan het Agentschap gericht worden.
   Indien het Agentschap vaststelt dat het verzoek tot vrijstelling onvolledig is, wordt dit meegedeeld aan de opdrachtgever. De opdrachtgever bezorgt de bijkomende informatie zo spoedig mogelijk aan het Agentschap.
   § 2. Het Agentschap doet uitspraak over het verzoek tot vrijstelling binnen een termijn van zestig kalenderdagen of binnen een langere periode die het moet rechtvaardigen. Deze termijn gaat in vanaf de ontvangstdatum van het volledige verzoek tot vrijstelling. De gemotiveerde beslissing van het Agentschap wordt per aangetekend schrijven naar de opdrachtgever gestuurd.
   Indien het Agentschap van oordeel is dat de gevraagde vrijstelling niet kan worden verleend, wordt dit vooraf aan de opdrachtgever meegedeeld waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
   Indien de opdrachtgever wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende kalenderdag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
   § 3. Indien het Agentschap een vrijstellingsbeslissing toekent, wordt deze beslissing door het Agentschap :
   1° overeenkomstig artikel 27/8 § 4 van de wet van 15 april 1994 ter inzage van het betrokken publiek bekendgemaakt op de website van het Agentschap;
   2° overgemaakt aan de Europese Commissie en dit uiterlijk voordat de beslissing over de vergunningsaanvraag wordt genomen.
   6.1bis.3. Screening
   § 1. De opdrachtgever stelt voor de projecten bedoeld in bijlage XI een screeningsnota op overeenkomstig het modelformulier in bijlage XII en bezorgt deze aan het Agentschap.
   De opdrachtgever houdt, voor zover relevant, rekening met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten, die zijn gedaan op grond van andere wetgeving. De opdrachtgever kan tevens een beschrijving verstrekken van kenmerken van het project en van de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.
   § 2. Het Agentschap deelt het oordeel bedoeld in artikel 6.1bis.1, 2° uiterlijk binnen 60 kalenderdagen na ontvangst van de volledige screeningsnota aan de opdrachtgever mee. Het oordeel houdt rekening met de criteria vermeld in bijlage XIII en vermeldt desgevallend de door de opdrachtgever voorgestelde maatregelen om aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden of te voorkomen.
   6.1bis.4. Scopingadvies
   § 1. De opdrachtgever kan voorafgaand aan de opmaak van een milieueffectbeoordelingsrapport aan het Agentschap een scopingadvies vragen.
   § 2. De opdrachtgever richt zijn vraag om een scopingadvies aan het Agentschap op schriftelijke wijze.
   De opdrachtgever vermeldt in zijn vraag om een scopingadvies in elk geval de volgende informatie
   1° een beschrijving van het project, met inbegrip van de locatie en de technische capaciteit ervan en met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;
   2° een beschrijving van de te onderzoeken aanzienlijke effecten voor mens en milieu die het project vermoedelijk zal hebben;
   3° in voorkomend geval, alle beschikbare informatie over de mogelijke aanzienlijke land- of gewestgrensoverschrijdende effecten van het project;
   § 3. Het Agentschap maakt in de gevallen bedoeld in artikel 27/5 §§ 6 en 7 van de Wet van 15 april 1994 de vraag om een scopingadvies voor advies over aan de adviesinstanties bedoeld in art. 6.3.4 volgens de daarin opgenomen procedure en aan de autoriteiten en gewesten bedoeld in art. 6.4 volgens de daarin opgenomen procedure.
   § 4. Het Agentschap baseert zijn scopingadvies op de naar aanleiding van het verzoek van de opdrachtgever verstrekte informatie; het houdt rekening met de resultaten van de advisering en de informatie zoals bedoeld in paragraaf 2 en 3.
   6.1bis.5. Inhoud milieueffect beoordelingsrapport
   Het milieueffectbeoordelingsrapport bevat in elk geval de volgende informatie :
   1° een beschrijving van het project met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang en andere relevante kenmerken van het project;
   2° een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project;
   3° een beschrijving van de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om de waarschijnlijk aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren;
   4° een beschrijving van de redelijke alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, die relevant zijn voor het project en de specifieke kenmerken ervan, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten van het de project;
   5° een niet-technische samenvatting van de onder 1° tot en met 4° bedoelde gegevens;
   6° alle in bijlage XIV bedoelde aanvullende informatie die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaald project of projecttype en voor de milieuaspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed.
   Het milieueffectbeoordelingsrapport waarvoor een scopingadvies werd uitgebracht, houdt rekening met het scopingadvies en bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om, rekening houdend met de bestaande kennis en beoordelingsmethodes, tot een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project te komen.
   De opdrachtgever houdt bij het opstellen van het milieueffectbeoordelingsrapport rekening met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen die zijn uitgevoerd met toepassing van de Wet van 15 april 1994 en dit reglement of andere gewestelijke, federale of Europese Uniewetgeving.
   6.1bis.6. Voorafgaande beoordeling Milieueffectbeoordelingsrapport
   § 1. Indien de opdrachtgever overeenkomstig art. 27/6 van de wet van 15 april 1994 voorafgaand aan de vergunningsaanvraag het Agentschap verzoekt om de beoordeling van het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport, maakt hij zijn verzoek samen met het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport over aan het Agentschap in afdrukbare digitale vorm.
   § .2. Het Agentschap onderwerpt het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport aan een openbaar onderzoek volgens de procedure voorzien in artikel 6.3.3.
   Gelijktijdig wordt het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport voor advies overgemaakt :
   1° aan de adviesinstanties bedoeld in artikel 6.3.4 volgens de in dat artikel opgenomen procedure, en;
   2° indien het Agentschap vaststelt dat er mogelijk aanzienlijke land- of gewestgrensoverschrijdende effecten zijn zoals bedoeld in artikel 27/5 § 6 van de Wet van 15 april 1994, aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie, de verdragspartij bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991 en de betrokken gewesten volgens de procedure bedoeld in artikel 6.4.
   § 3. Het Agentschap keurt het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport goed of af en houdt hierbij rekening met :
   1° De resultaten van het openbaar onderzoek uitgevoerd overeenkomstig art. 6.3.3;
   2° De adviezen van de adviesinstanties vermeld in art. 6.3.4;
   3° Indien van toepassing, de land- of gewestgrensoverschrijdende raadpleging overeenkomstig art. 6.4.
   Indien het Agentschap van oordeel is dat er door de opdrachtgever monitoringsmaatregelen dienen te worden nageleefd, worden deze opgenomen in de beslissing van het Agentschap.
   6.2. Te verstrekken inlichtingen en bescheiden
   De vergunningsaanvraag wordt in afdrukbare digitale vorm gericht aan het Agentschap, nadat ze werd onderzocht en goedgekeurd door een deskundige erkend in de fysische controle van klasse I.
   Tenzij deze informatie al eerder werd ingediend en nog actueel is, omvat de vergunningsaanvraag :
   1° de volgende administratieve inlichtingen :
   a) Naam, voornaam en hoedanigheid van de aanvrager;
   b) Identificatie van de exploitant : maatschappelijke benaming van de onderneming, haar maatschappelijke, administratieve en exploitatiezetels, de namen en voornamen van de bestuurders of zaakvoerders;
   c) Beschrijving van het organisatievermogen en de menselijke vaardigheden/mankracht van de exploitant om de veilige uitbating van de installatie te waarborgen;
   2° Een voorlopig veiligheidsrapport, dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 13 van het Koninklijk besluit van 30 november 2011 houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties en waarin in elk geval de volgende onderwerpen worden behandeld :
   a) Inleiding en context;
   b) Algemene beschrijving van de site, de installatie, de normale werking en de veiligheid, beknopte beschrijving van de belangrijkste kringen (vloeistofkring, elektrische kring) en het regelsysteem; de aard en hoeveelheden van radioactieve stoffen die worden aangewend;
   c) Gedetailleerde beschrijving van de site :
   i. een topografisch overzicht van het gebied dat zich binnen een straal van 500 m rond de inrichting bevindt, alsook de aanwijzingen m.b.t. de bevolkingsdichtheid binnen deze perimeter;
   ii. geologie, seismologie, hydrologie, meteorologie, klimatologie en andere relevante natuurlijke kenmerken;
   iii. economische activiteiten, inclusief de landbouw, verkeerswegen en andere relevante aspecten m.b.t. de menselijke activiteiten;
   d) Algemene aspecten van het ontwerp en essentiële veiligheidsdoelstellingen, beschrijving van de gelaagde bescherming;
   e) Gedetailleerde beschrijving van de veiligheidsfuncties en van de voor de nucleaire veiligheid belangrijke structuren, systemen en componenten met hun ontwerpbases en hun werking in alle toestanden van de installatie (normale werking, stilstand, incident- en ongevalsomstandigheden);
   f) Codes en normen die van toepassing zijn op de installatie en de voor de nucleaire veiligheid belangrijke structuren, systemen en componenten;
   g) Veiligheidsdemonstratie :
   i. deterministische analyses die aantonen dat de veiligheidscriteria en de limieten voor de radiologische gevolgen worden nageleefd, met inbegrip van een beschrijving van de marges,
   ii. probabilistische voorlopige veiligheidsanalyses voor de in de artikelen 3.1. a), 1° bedoelde inrichtingen.
   h) Organisatie van de uitbating en beschrijving van het managementsysteem;
   i) Operationele aspecten, met inbegrip van :
   i. de beschrijving van de doelstellingen van de procedures die na een ongeval moeten worden gevolgd,
   ii. de principes voor het onderhoud, de tests en inspecties,
   iii. de kwalificatie en de opleiding van het personeel,
   iv. de principes van het verouderingsbeheer.
   j) Belangrijkste uitbatingslimieten en -voorwaarden met hun technische rechtvaardiging;
   k) Beschrijving van de stralingsbescherming, inclusief de maatregelen en middelen die worden aangewend om de naleving van de basisnormen bepaald in hoofdstuk III te waarborgen;
   l) Radioactieve lozingen in normale en ongevalsomstandigheden en de voorziene operationele limieten; een voorstel van een programma voor het toezicht op het leefmilieu op en buiten de site;
   m) Voorbereiding op noodsituaties: acties op siteniveau en verbinding/coördinatie met externe organisaties;
   n) Het deeldossier radioactief afval en het deeldossier ontmanteling, bedoeld in artikel 5.8.
   3° Een beschrijving van de planning en de fases voor de bouw van de inrichting en de vervaardiging van haar componenten, met inbegrip van holdpoints en witnesspoints door de exploitant;
   4° Een beschrijving van de planning en de principes van het test- en controleprogramma in het kader van de oplevering van de inrichting;
   5° De verbintenis om een verzekeringspolis te zullen afsluiten om de burgerlijke aansprakelijkheid te dekken die uit nucleaire activiteiten voortspruit;
   6° In voorkomend geval, de beslissing over de vrijstelling van de bepalingen inzake de milieueffectbeoordeling, zoals bedoeld in artikel 6.1 bis.2;
   7° in voorkomend geval overeenkomstig art. 6.1bis.1, een milieueffectbeoordelingsrapport of een screeningsnota, samen met het oordeel van het Agentschap bedoeld in artikel 6.1bis.3', § 2;
   8° Indien artikel 37 van EURATOM verdrag van toepassing is, een nota met de "algemene gegevens" zoals bepaald in de aanbeveling 2010/635/Euratom van de Europese Commissie van 11 oktober 2010 betreffende de toepassing van artikel 37 van het Euratom-Verdrag.
   6.3. Voorafgaande raadplegingen
   6.3.1. Veiligheidsevaluatie van het Agentschap, advies van NIRAS en voorlopig voorafgaand advies van de Wetenschappelijke Raad
   § 1 Indien het Agentschap vaststelt dat de ingediende vergunningsaanvraag onvolledig is, wordt dit meegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager bezorgt de bijkomende vereiste informatie zo spoedig mogelijk aan het Agentschap.
   Na de volledigverklaring van de vergunningsaanvraag :
   1° voert het Agentschap een onafhankelijke veiligheidsevaluatie uit;
   2° maakt het Agentschap de deeldossiers radioactieve afvalstoffen en ontmanteling over aan NIRAS met de vraag om hierover een advies te geven.
   NIRAS beschikt over een termijn van vijftig kalenderdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de deeldossiers, om haar gemotiveerd advies inzake de aspecten die betrekking hebben op haar bevoegdheden, aan het Agentschap mede te delen, of een langere termijn waarvan de rechtvaardiging door het Agentschap goedgekeurd is.
   Wanneer NIRAS binnen de voorziene termijn geen advies verleent, wordt aangenomen dat de geplande inrichting wat haar betreft geen aanleiding geeft tot opmerkingen.
   Na ontvangst van het gemotiveerde advies van NIRAS, of na het verstrijken van de voorziene termijn, en op basis van de veiligheidsevaluatie en haar onderzoek van de vergunningsaanvraag, stelt het Agentschap een verslag op voor de Wetenschappelijke Raad.
   Het Agentschap maakt het vergunningsdossier, vergezeld met haar verslag en desgevallend met het gemotiveerde advies van NIRAS en de veiligheidsevaluatie, over aan de Wetenschappelijke Raad.
   De Wetenschappelijk Raad kan eisen dat de aanvrager hem het advies meedeelt van elke nationale, internationale of buitenlandse deskundige of instelling over de algemene of bijzondere aspecten van de veiligheid van de inrichting of de effecten ervan op het milieu. Hij kan dit advies eveneens rechtstreeks inwinnen.
   De Raad kan de aanvrager oproepen en horen.
   De Raad verstrekt een voorlopig voorafgaand advies. Indien dit advies gunstig is, kan het bijzondere, niet in dit reglement voorziene voorwaarden omvatten, die de Raad nodig acht om de veiligheid van de inrichting te verzekeren en de effecten ervan op het milieu te beperken.
   Het Agentschap deelt het voorlopig voorafgaand advies van de Wetenschappelijke Raad bij een ter post aangetekende brief mee aan de aanvrager. De aanvrager beschikt over een periode van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving om zijn eventuele opmerkingen in te dienen. Op zijn verzoek kan die periode door het Agentschap worden verlengd.
   § 2. Van zodra de opdrachtgever heeft laten weten dat hij geen opmerkingen heeft op het voorlopig voorafgaand advies van de Wetenschappelijke Raad, of van zodra hij een, in functie van het voorlopig voorafgaand advies van de Wetenschappelijke Raad, gewijzigd dossier heeft ingediend, of van zodra de termijn van het laatste lid van paragraaf 1 afloopt zonder dat de aanvrager opmerkingen indient, wordt een openbaar onderzoek gestart volgens de procedure beschreven in art. 6.3.3.
   Gelijktijdig wordt het dossier, bestaande uit de vergunningsaanvraag en het voorafgaand advies van de Wetenschappelijke Raad, voor advies overgemaakt :
   1° aan de adviesinstanties volgens de in artikel 6.3.4 opgenomen procedure;
   2° indien het Agentschap vaststelt dat er mogelijk aanzienlijke land- of gewestgrensoverschrijdende effecten zijn zoals bedoeld in artikel 27/5, § 6 van de Wet van 15 april 1994, aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie, de verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991 en de betrokken gewesten volgens de procedure bedoeld in artikel 6.4.
   6.3.2. Raadpleging van de Europese Commissie
   In de gevallen voorzien bij artikel 37 van het Euratom-Verdrag, wint het Agentschap het advies van de Europese Commissie in.
   De Wetenschappelijke Raad kan de Europese Commissie raadplegen over de algemene of bijzondere aspecten van de veiligheid van de inrichting of de effecten ervan op het milieu.
   6.3.3. Openbaar onderzoek
   § 1. Gedurende het openbaar onderzoek legt het Agentschap het dossier in fysieke vorm of digitaal ter inzage in haar kantoor. Daarnaast wordt hetzelfde dossier in fysieke vorm of digitaal ter inzage gelegd bij de gemeente waar het voorwerp van de aanvraag is gevestigd.
   Het dossier wordt door het Agentschap ook digitaal beschikbaar gesteld via de website van het Agentschap.
   Als het dossier een milieueffectbeoordelingsrapport omvat, behandelt het openbaar onderzoek ook de inhoud van dat rapport, tenzij dit rapport al goedgekeurd en nog actueel is.
   § 2. Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd door:
   1° de aanplakking van een affiche aan de exploitatiezetel door de betrokken gemeente;
   2° de bekendmaking van een bericht op de website van de gemeenten die zich op een afstand minder dan 5 km van het voorwerp van de aanvraag bevinden;
   3° de bekendmaking van een bericht op de website van het Agentschap;
   4° de bekendmaking van een bericht in het Belgisch Staatsblad.
   De publicatie van de berichten wordt uitgevoerd uiterlijk de dag voor de aanvang van het openbaar onderzoek.
   § 3. Het bericht bevat in elk geval het volgende :
   1° een beknopte omschrijving van het voorwerp van de aanvraag;
   2° de ligging van het voorwerp van de aanvraag;
   3° de naam van de aanvrager of exploitant. Als de aanvraag wordt ondertekend door een natuurlijk persoon namens een rechtspersoon, wordt alleen de naam van de rechtspersoon vermeld;
   4° de overheid waarbij relevante informatie kan worden verkregen en haar coördinaten;
   5° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
   6° de plaatsen waar het dossier tijdens het openbaar onderzoek ter inzage ligt en de inzagemodaliteiten;
   7° de mogelijkheid om standpunten, opmerkingen en bezwaren in te dienen over het dossier alsook de voorwaarden en modaliteiten waaronder ze ingediend kunnen worden;
   8° in voorkomend geval, een verwijzing naar de eerder gehouden openbare onderzoeken.
   § 4. Het openbaar onderzoek vangt aan op de datum aangegeven door het Agentschap en loopt voor een termijn van dertig kalenderdagen.
   Gedurende de periode waarin het openbaar onderzoek loopt, kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon standpunten, opmerkingen en bezwaren meedelen aan het Agentschap op schriftelijke wijze.
   6.3.4. Adviesinstanties
   § 1. Het Agentschap maakt het dossier in afdrukbare digitale vorm voor advies over aan de volgende instanties:
   1° de colleges van burgemeesters en schepenen van de gemeenten die zich op een afstand minder dan 5 km van het voorwerp van de aanvraag bevinden;
   2° de provincies die zich op een afstand minder dan 5 km van het voorwerp van de aanvraag bevinden;
   3° het Vlaams Gewest indien het voorwerp van de aanvraag gelegen is in het Vlaams Gewest of zich op een afstand minder dan 5 km van het Vlaams Gewest bevindt;
   4° het Waals Gewest indien het voorwerp van de aanvraag gelegen is in het Waals Gewest of zich op een afstand minder dan 5 km van het Waals Gewest bevindt;
   5° het Brussels Hoofdstedelijk Gewest indien het voorwerp van de aanvraag gelegen is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of zich op een afstand minder dan 5 km van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevindt.
   Indien het dossier een milieueffectbeoordelingsrapport omvat, behandelt de adviesaanvraag ook de inhoud van dat rapport, tenzij dit rapport al goedgekeurd en nog actueel is.
   § 2. De adviesinstanties bedoeld in paragraaf 1 verlenen hun advies binnen een vervaltermijn van dertig kalenderdagen. De termijn gaat in op de dag na de dag van ontvangst van de adviesaanvraag.
   Als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
   6.4. Land- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten
   § 1. Indien het Agentschap vaststelt dat er mogelijk aanzienlijke land- of gewestgrensoverschrijdende effecten zijn zoals bedoeld in artikel 27/5 § 6 van de Wet van 15 april 1994, wordt het dossier in afdrukbare digitale vorm ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie, de verdragspartij bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991 en/of de betrokken gewesten.
   Het Agentschap bezorgt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie, de verdragspartij bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991 en de betrokken gewesten zo spoedig mogelijk en uiterlijk de dag voor de aanvang van het openbaar onderzoek het bericht bedoeld in artikel 6.3.3, § 3.
   § 2. De belanghebbende inwoners van het betrokken gewest, de betrokken lidstaat van de Europese Unie of de verdragspartij bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991 kunnen deelnemen aan:
   1° het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 6.3.3;
   2° het openbaar onderzoek dat de bevoegde autoriteit op basis van het ontvangen dossier eventueel op haar eigen grondgebied organiseert.
   De bevoegde autoriteiten delen hun eventuele opmerkingen, samen met de resultaten van het eventueel door hun georganiseerde openbaar onderzoek, tegelijkertijd mee aan het Agentschap binnen een termijn van vijftig kalenderdagen na de datum van de terbeschikkingstelling vermeld in paragraaf 1.
   De adviesaanvraag behandelt ook de inhoud van het milieueffectbeoordelingsrapport, tenzij dit rapport al goedgekeurd en nog actueel is.
   § 3. Het Agentschap pleegt overleg met de betrokken gewesten, lidstaten van de Europese Unie en verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991 over onder andere de potentiële land- of gewestgrensoverschrijdende effecten van de inrichting en de maatregelen die worden overwogen om die effecten te beperken of teniet te doen, en komt met hen een redelijke termijn overeen waarin het overleg moet plaatsvinden.
   6.5. Beslissing Agentschap milieueffectbeoordelingsrapport
   § 1. Indien de vergunningsaanvraag een milieueffectbeoordelingsrapport omvat en indien dit rapport nog niet goedgekeurd werd of niet meer actueel is, keurt het Agentschap het milieubeoordelingsrapport goed of af en houdt hierbij rekening met :
   1° De resultaten van het openbaar onderzoek overeenkomstig art. 6.3.3;
   2° De adviezen van de adviesinstanties vermeld in art. 6.3.4;
   3° Indien van toepassing, de land- of gewestgrensoverschrijdende raadpleging overeenkomstig art. 6.4.
   § 2. Indien het Agentschap van oordeel is dat er door de opdrachtgever monitoringsmaatregelen dienen te worden nageleefd, worden deze omschreven in de beslissing van het Agentschap.
   6.6. Definitief advies van de Wetenschappelijke Raad
   Het Agentschap stelt een verslag op met daarin haar analyse van de vergunningsaanvraag en een samenvatting van de resultaten van de raadplegingen overeenkomstig art. 6.3.2, 6.3.3, 6.3.4 en desgevallend art. 6.4.
   Het Agentschap legt dit verslag voor aan de Wetenschappelijke Raad die een gemotiveerd voorlopig advies uitbrengt.
   Het advies van de Wetenschappelijke Raad wordt verstrekt binnen een termijn van negentig kalenderdagen vanaf de ontvangst van het verslag van het Agentschap, of binnen een langere termijn die de Raad moet rechtvaardigen.
   Het Agentschap deelt onmiddellijk het advies van de Wetenschappelijke Raad bij een ter post aangetekende brief aan de aanvrager mee. Indien dit advies gunstig is, kan het bijzondere voorwaarden bevatten die niet in dit reglement zijn voorzien en die de Raad nodig acht om de veiligheid van de inrichting te waarborgen en om de effecten ervan op het milieu te beperken.
   De aanvrager beschikt over een periode van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving om zijn eventuele opmerkingen in te dienen. Op zijn vraag kan deze termijn door het Agentschap verlengd worden. De aanvrager wordt door de Wetenschappelijke Raad gehoord indien hij daartoe binnen dezelfde termijn een verzoek heeft ingediend.
   Het advies van de Wetenschappelijke Raad wordt als definitief beschouwd, indien de aanvrager binnen de toegestane termijn geen bemerkingen formuleert of van zodra hij laat weten geen bemerkingen te hebben.
   Indien de aanvrager opmerkingen maakt, beraadslaagt de Wetenschappelijke Raad opnieuw en brengt hij een definitief advies uit. Rekening houdend met de opmerkingen van de aanvrager kan het definitief advies, indien dit gunstig is, nog bijzondere voorwaarden bevatten die niet opgenomen zijn in het gemotiveerd voorlopig advies bedoeld in bovenvermeld tweede lid.
   6.7. Beslissing
   Het Agentschap maakt een voorstel van beslissing over aan de Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken.
   Onze beslissing, in de vorm van besluit getroffen, wordt mede ondertekend door de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren.
   Wanneer de beslissing afwijkt van het advies van de Wetenschappelijke Raad, dient het besluit uitdrukkelijk de redenen te vermelden waarom van dat advies afgeweken wordt.
   De oprichtings- en exploitatievergunning legt in elk geval het volgende vast :
   1° de beknopte omschrijving van de te bouwen inrichting en haar locatie;
   2° de referentiedocumenten die de basis voor de vergunning van de inrichting vormen en de grondslag voor de veilige uitbating ervan zijn;
   3° de maximale radiologische inventaris, bronterm, vermogen of opslagcapaciteit die door de vergunning afgedekt is;
   4° de voorwaarden die door de exploitant moeten nageleefd worden tijdens de oprichting of de aanleg van de inrichting, de vervaardiging van haar onderdelen en de oplevering van de inrichting, met inbegrip van holdpoints en witness-points waar het Agentschap tussenkomt;
   5° in welke mate en onder welke voorwaarden er radioactieve stoffen mogen binnengebracht worden voordat de oplevering heeft plaatsgevonden.
   Als een milieueffectbeoordelingsrapport is opgemaakt bevat de oprichtings- en exploitatievergunning :
   1° de gemotiveerde beslissing van het Agentschap, zoals bedoeld in artikel 6.1bis.6 of 6.5;
   2° een beschrijving van alle kenmerken van het project of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren en, in voorkomend geval, monitoringsmaatregelen;
   3° in voorkomend geval de procedures voor de monitoring van de aanzienlijke nadelige milieueffecten die door de aanvrager uitgevoerd moeten worden.
   6.8. Kennisgeving van de beslissing
   Onze beslissing wordt medegedeeld aan het Agentschap, dat de Wetenschappelijke Raad hierover inlicht. Het Agentschap maakt een afschrift over aan :
   1° de aanvrager, bij een ter post aangetekende brief;
   2° de in toepassing van artikel 6.3.4 geconsulteerde instanties;
   3° de burgemeester van elke gemeente bedoeld in artikel 6.3.3, die de beslissing bekendmaakt door een bericht op de website van de gemeente en, indien deze op het grondgebied van zijn gemeente gelegen is, laat aanplakken aan de exploitatiezetel;
   4° de directeur van de directie Toezicht Welzijn op het Werk van het gebied;
   5° de gezondheidsinspecteur van het gebied;
   6° de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
   7° de directeur-generaal van NIRAS;
   8° in voorkomend geval, de overeenkomstig artikel 6.4 geïnformeerde lidstaten van de Europese Unie, Verdragspartijen van het Verdrag van Espoo en gewesten;
   9° het Directoraat-generaal Leefmilieu, in geval van raadpleging van de Europese commissie;
   De beslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
   6.9. Bevestigingsbesluit van de oprichtings- en exploitatievergunning van de inrichtingen van klasse I
   De krachtens artikel 6.7 verleende vergunning houdt voor de exploitant het recht in om, op eigen verantwoordelijkheid, het bouwen en inrichten van de installaties aan te vatten overeenkomstig de bepalingen van de verleende vergunning.
   Vóór de volledige of gedeeltelijke inbedrijfstelling van een inrichting van klasse I, voert het Agentschap een veiligheidsevaluatie uit van de oplevering die plaatsgevonden heeft volgens de bepalingen van artikel 23.1.5, b), punt 4. De exploitant bezorgt het Agentschap de hiertoe vereiste verslagen en documenten.
   Op basis van de veiligheidsevaluatie stelt het Agentschap een opleveringsverslag op.
   Indien het Agentschap geen volledig gunstig opleveringsverslag kan opstellen, dan stelt het de exploitant daarvan op voorhand in kennis en wijst het hem erop dat hij het recht heeft te worden gehoord binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf voornoemde kennisgeving.
   Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
   Het Agentschap stuurt het gunstig opleveringsverslag en haar conclusies onverwijld naar de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken. Deze minister stelt dan aan de Koning voor om de oprichtings- en exploitatievergunning te bevestigen.
   De inbedrijfstelling van een deel van de inrichting kan niet plaatsvinden zolang de Koning de oprichtings- en exploitatievergunning voor dat deel van de inrichting niet heeft bevestigd.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-05-29/23, art. 3, 026; Inwerkingtreding : 21-06-2020>

  Art. 7.[6 Bijzondere procedure voor de inrichtingen bedoeld in artikel 3.1.b), 1 en 2, en de inrichtingen bedoeld in artikel 7.2, 1e lid, punt 7.]6
  7.1. Overheid bevoegd voor het verlenen van de vergunning
  De inrichtingen van klasse II moeten een oprichtings- en exploitatievergunning hebben die door het Agentschap wordt verleend.
  7.2. Te verstrekken inlichtingen en bescheiden
  [3 De vergunningsaanvraag wordt gericht aan het Agentschap in vijf exemplaren, of in afdrukbare elektronische vorm, nadat ze werd onderzocht en goedgekeurd door een deskundige erkend in de fysische controle van klasse I of II die een werknemer is van de toekomstige exploitant, of van een erkende instelling voor fysische controle. Deze omvat :]3
  1. de naam, voornaam, hoedanigheid en woonplaats van de aanvrager en, eventueel, de maatschappelijke benaming van de onderneming, haar maatschappelijke, administratieve en exploitatiezetels, de namen en voornamen van de bestuurders of zaakvoerders, de identiteit van de exploitant, de naam en voornaam van het hoofd van de inrichting;
  2. [3 de aard en het voorwerp van de inrichting, de aard en de kenmerken van de uitgezonden straling, de kenmerken van de aangewende toestellen, de fysische toestand, de hoeveelheid, de activiteit van de radioactieve stoffen, de bestemming van de toestellen of van de stoffen, de plaats waar de toestellen of stoffen worden gefabriceerd, voortgebracht, in bezit gehouden of aangewend, de voorziene stralingsbeschermings- of veiligheidsmaatregelen, zowel wat de toestellen en stoffen als wat de lokalen betreft waar ze zich bevinden, de organisatie van de fysische controle van de inrichting, de aanduiding van de erkende arbeidsgeneesheer belast met het gezondheidstoezicht op de werknemers alsook, in voorkomend geval, de organisatie van de medische stralingsfysica, en in het algemeen alle voorgestelde maatregelen en middelen om de naleving van de in hoofdstuk III vastgestelde basisnormen te waarborgen, in het bijzonder deze die betrekking hebben op het optimaliseringsprincipe vermeld in artikel 20.1.1.1, punt b), en de voorziene datum van inbedrijfstelling;]3
  3. de kwalificatie en de bevoegdheid van het personeel belast met de voortbrengst, de verdeling, het gebruik en de bewaking van de stoffen en toestellen die ioniserende stralingen kunnen voortbrengen;
  4. bij benadering het aantal personen die in de verschillende sectoren van de inrichting tewerkgesteld worden;
  5. de verbintenis een verzekeringspolis te zullen afsluiten om de burgerlijke aansprakelijkheid te dekken die uit nucleaire activiteiten voortspruit;
  6. een plan opgemaakt op een schaal van ten minste 5 mm per meter, met aanduiding van de installaties en de lokalen die ze bevatten, alsook van de lokalen die op minder dan 20 m van de bronnen gelegen zijn en de bestemming van die lokalen;
  7. [3 ...]3
  [3 7.]3 voor de inrichtingen waar bepaalde hoeveelheden van radionucliden worden gebruikt of in bezit worden gehouden, en waarvan de totale activiteit de vrijstellingsniveaus vastgelegd in bijlage IA met een factor 500.000 overschrijdt, rekening houdend met de toepassingscriteria beschreven in diezelfde bijlage, onder meer in het geval van een mengsel van radionucliden, wordt een verslag opgesteld waarin de meest ernstige ongevallen die zich kunnen voordoen in de installaties, worden beschreven en waarvan de waarschijnlijkheid van voorkomen evenals de te voorziene gevolgen voor de bevolking en de werkers worden geëvalueerd;
  [3 8.]3 [1 voor zover niet opgenomen in het deeldossier radioactieve afvalstoffen en het deeldossier ontmanteling, zoals vermeld in artikel 5.8]1 de beschrijving van de behandeling en/of opslag van de eventuele radioactieve afvalstoffen, inclusief deze afkomstig van ontmanteling, alvorens verwijdering of overdracht naar NIRAS en inzonderheid :
  I. indien het vloeibare afvalstoffen betreft :
  1° het volume van het per maand alsook het maximum van het per dag geloosd afvalwater;
  2° de aard van de radionucliden die het kan bevatten en, voor elk van die nucliden, de maximale hoeveelheid per dag en per maand, uitgedrukt in becquerel;
  3° het eventueel gebruik van een bestaande afvoerleiding of van een aan te leggen afvoerleiding;
  4° een uittreksel uit het kadastraal plan of uit de stafkaart op schaal 1/10.000, dat de plaats van de lozing en het tracé van de afvoerleiding aanduidt;
  5° de doorsnede van de afvoerleiding en de aard van het materiaal waaruit zij bestaat;
  6° in geval van een rechtstreekse lozing in een waterloop, de raming van het debiet van de ontvangende waterloop bij lage waterstand;
  7° in geval van lozing in de riool :
  1. de toestand van het rioleringsstelsel in de gemeente;
  2. de toestand in verband met de zuivering van het rioolwater;
  3. een grondplan van de riolen met aanduiding van de plaats der betrokken lozing;
  4. de plaats en de inrichting van de controlekamer van de riolering;
  8° de gedetailleerde beschrijving van de inrichting voor het opslaan van de vloeibare afvalstoffen;
  II. indien het vaste afvalstoffen betreft :
  1° het volume en de maximale massa van de afvalstoffen, die per maand en per jaar te verwijderen, op te slaan of te vervoeren zijn;
  2° de chemische en fysische aard en de concentratie van de te verwijderen, op te slaan of te vervoeren afvalstoffen alsook het radioactiviteitsniveau, de radiotoxiciteit, de eventuele waarde van de kritieke massa en een raming van de warmtehoeveelheid die gedurende de duur van de opslag vrijkomt;
  3° een uittreksel uit het kadastraal plan of uit de stafkaart op schaal 1/10.000, met aanduiding van de plaats waar de vaste afvalstoffen zullen opgeslagen worden;
  4° de gedetailleerde beschrijving van de wijze waarop de vaste afvalstoffen verwijderd, opgeslagen of vervoerd zullen worden met de gedetailleerde plans van de voorgenomen gebouwen of van de toestellen die gebruikt zullen worden om die afvalstoffen te laden en te lossen, te vervoeren, te verwijderen en op te slaan;
  5° de voorgestelde maatregelen om in de bescherming te voorzien van het personeel dat belast wordt met het verwijderen, het laden en lossen, het vervoer en het opslaan van de vaste afvalstoffen en om de besmetting van de omgeving te voorkomen;
  III. indien het gasvormige effluenten betreft :
  1° het volume besmet gas dat per dag geloosd wordt en zijn temperatuur bij het lozingspunt;
  2° de aard van de radionucliden die het kan bevatten en, voor elk van die nucliden, de maximale hoeveelheid per dag en per maand, uitgedrukt in becquerel;
  3° het eventueel gebruik van een evacuatieschoorsteen en, in dat geval, zijn plaats, zijn afmetingen en de materialen waaruit hij vervaardigd is;
  4° de aanwijzingen omtrent de meteorologische en klimatologische omstandigheden van de streek en omtrent de in de streek overheersende windrichtingen;
  5° de gebruikte zuiveringstoestellen en hun verwachte doelmatigheid voor de verschillende betrokken radioactieve stoffen;
  6° de stations van de exploitant waar het toezicht op de meteorologische omstandigheden en op het radioactiviteitsniveau van de atmosfeer mogelijk is;
  [3 9.]3 [1 ...]1
  [3 10.]3 in de gevallen waarin de limieten voor de lozing (vloeibare of gasvormige) vermeld in de artikelen 34 en 36 kunnen worden overschreden (in ongevalsomstandigheden, bij bijzondere meteorologische omstandigheden of omwille van welke reden dan ook) : een verslag betreffende de radiologische gevolgen van deze vloeibare en/of gasvormige lozingen.
  [4 Art. 7.2/1 Inrichtingen van klasse IIA
   Voor de in artikel 3.3. bedoelde inrichtingen, worden de bovenstaande gevraagde inlichtingen en documenten geïntegreerd in een voorlopig veiligheidsverslag en op de volgende manier gestructureerd:
   a. Inleiding: beschrijving van de onderneming en algemene beschrijving van de inrichting
   b. Karakteristieken van de site (inplanting, bedrijfsomgeving)
   c. Beschrijving van de infrastructuur
   d. Risicoanalyses
   e. Gedetailleerde beschrijving van de veiligheidsfuncties en -systemen
   f. Afval-/lozingsbeheer
   g. Stralingsbescherming
   h. Beschrijving van de organisatie
   i. Technische specificaties
   j. Buitenbedrijfstelling en ontmanteling
   k. Intern noodplan]4
  7.3. Adviezen
  7.3.1. Algemene procedure
  [5 Voor de in artikel 3.3. bedoelde inrichtingen voert het Agentschap een veiligheidsevaluatie uit van het aanvraagdossier.]5
  [2 Na de volledigverklaring en het onderzoek ten gronde van het vergunningsdossier en, in voorkomend geval van de bijkomende informatie, maakt het Agentschap voor de klasse II inrichtingen vermeld in de artikelen 3.1, b), 1 en 3.1, b), 2 de deeldossiers radioactieve afvalstoffen en ontmanteling over aan NIRAS met de vraag om hierover een advies te geven. Voor de overige inrichtingen van klasse II kan het Agentschap dergelijk advies eveneens inwinnen.
   In voorkomend geval beschikt NIRAS over een termijn van veertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de deeldossiers, om haar gemotiveerd advies inzake de aspecten die betrekking hebben op haar bevoegdheden, aan het Agentschap mede te delen, of binnen een langere termijn die het dient te rechtvaardigen.
   Wanneer NIRAS binnen de voorziene termijn geen advies verleent, wordt aangenomen dat de geplande inrichting wat haar betreft geen aanleiding geeft tot opmerkingen.]2
  [2 Vervolgens maakt het Agentschap één exemplaar van de vergunningsaanvraag, desgevallend aangevuld met het gemotiveerd advies van NIRAS, over aan de burgemeester van de gemeente waar de inrichting gevestigd is.]2 Deze onderwerpt de aanvraag aan het advies van het schepencollege. Hij stuurt daarna het advies van het college, binnen een termijn van zestig kalenderdagen vanaf de datum van ontvangst van het dossier, terug naar het Agentschap. Indien het college geen advies verstrekt binnen de hiervoor toegestane termijn, wordt dit advies gunstig geacht; de periode van 15 juli tot 15 augustus maakt evenwel geen deel uit van die termijn.
  Indien de straal van 100 m rond de inrichting andere gemeenten bestrijkt, is de bij vorig lid voorziene procedure toepasselijk op deze gemeenten.
  7.3.2. Bijzondere procedure voor de inrichtingen bedoeld in artikel 3.1.b).1 en 2, en de inrichtingen bedoeld in artikel 7.2, 1e lid, punt 8
  [6 ...]6
  [6 Voor de inrichtingen bedoeld in artikel 3.1.b).1 en 2 en de inrichtingen bedoeld in artikel 7.2, 1e lid, punt 7 maakt het Agentschap één exemplaar van de aanvraag]6 over aan de burgemeester van de gemeente van de inrichting. Indien een straal van 500 m rond de inrichting andere gemeenten bestrijkt, stuurt het Agentschap een exemplaar van dit dossier aan de burgemeesters van die gemeenten.
  Elke burgemeester moet aan het gemeentehuis en aan de exploitatiezetel, indien deze in zijn gemeente ligt, een bericht aanplakken dat het voorwerp van de aanvraag vermeldt en dat aankondigt dat, gedurende dertig kalenderdagen vanaf de eerste dag van het aanplakken op het gemeentehuis, inzage van de aanvraag mag genomen worden en dat de eventuele klachten of opmerkingen gedurende die termijn kunnen ingediend worden. Dit openbaar onderzoek wordt in de periode van 15 juli tot 15 augustus echter opgeschort.
  Elke burgemeester onderwerpt de aanvraag en het resultaat van het openbaar onderzoek aan het advies van het schepencollege.
  Elke burgemeester stuurt het resultaat van het openbaar onderzoek en het advies van het college terug naar het Agentschap binnen een termijn van zestig kalenderdagen vanaf de datum van verzending van het dossier door het Agentschap. Indien het college geen advies verstrekt binnen de hiervoor toegestane termijn, wordt dit advies gunstig geacht; de periode van 15 juli tot 15 augustus maakt evenwel geen deel uit van die termijn.
  7.4. Beslissing van het Agentschap
  Het Agentschap kan eisen dat de aanvrager hem het advies verstrekt van een deskundige over de algemene of bijzondere aspecten van de veiligheid of de salubriteit van de inrichting of de effecten ervan op het milieu. Het kan dit advies ook rechtstreeks inwinnen.
  Het Agentschap kan de aanvrager oproepen en horen.
  Het Agentschap doet uitspraak over de aanvraag binnen een termijn van negentig kalenderdagen vanaf de verzendingsdatum van het dossier door de burgemeester(s) of binnen een langere periode die het moet rechtvaardigen.
  Indien de beslissing gunstig is, kan deze bijzondere voorwaarden bevatten die niet in dit reglement zijn voorzien en die het Agentschap nodig acht om de veiligheid en de salubriteit van de inrichting te waarborgen of om de bescherming van het milieu te verzekeren.
  Indien het Agentschap van oordeel is dat de gevraagde vergunning niet kan worden toegekend wordt dit vooraf aan de aanvrager medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
  7.5. Kennisgeving van de beslissing
  Het Agentschap maakt een afschrift van zijn beslissing over aan :
  1. de aanvrager, bij een ter post aangetekende brief;
  2. de gouverneur van de provincie;
  3. de burgemeester van de gemeente van de exploitatiezetel en, in voorkomend geval, aan de burgemeesters van de andere gemeenten die werden geraadpleegd;
  4. de geneesheer-directeur van de Medische Inspectie van het gebied;
  5. de gezondheidsinspecteur van het gebied;
  6. in voorkomend geval, de directeur-generaal van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid van het Ministerie van Economische Zaken;
  7. in voorkomend geval, de directeur-generaal van NIRAS;
  8. [6 ...]6
  9. [6 ...]6
  7.6. Aanplakking van de beslissing
  De burgemeester van elke betrokken gemeente deelt aan de bevolking de getroffen beslissing mee door aanplakking van een bericht aan het gemeentehuis en aan de exploitatiezetel indien deze op het grondgebied van zijn gemeente gelegen is. Dit bericht meldt dat een afschrift van de beslissing op het gemeentehuis ter beschikking is en dat alle belanghebbenden, overeenkomstig artikel 7.7, tegen deze beslissing beroep kunnen aantekenen.
  7.7. Beroep
  Tegen de beslissing van het Agentschap kan bij Ons beroep worden aangetekend binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de dag waarop het bericht aan de exploitatiezetel werd aangeplakt.
  Dit beroep wordt overgemaakt aan het Agentschap. Het Agentschap deelt aan de exploitant mee dat er beroep werd aangetekend en dat hij het recht heeft om door de Wetenschappelijke Raad gehoord te worden indien hij daartoe verzoekt binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving. Het Agentschap wint het advies in van de Wetenschappelijke Raad, die een advies moet verstrekken binnen de negentig kalenderdagen vanaf de ontvangst van het dossier, nadat de exploitant op zijn verzoek of op initiatief van de Raad gehoord werd. Indien dit advies gunstig is dan kan het bijzondere voorwaarden omvatten die niet voorzien zijn in dit reglement of in de betwiste beslissing.
  7.8. Beslissing na beroep
  Onze beslissing, in de vorm van besluit getroffen, wordt mede ondertekend door de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren, alsook door de Minister tot wiens bevoegdheid de economische zaken behoren voor de inrichtingen die onder toezicht staan van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid.
  De vergunning wordt geweigerd indien het advies van de Wetenschappelijk Raad ongunstig is. Wanneer het advies gunstig is, dient het eventueel weigeringsbesluit de redenen te vermelden waarom van het advies wordt afgeweken. Het advies van de Wetenschappelijke Raad wordt bij het besluit gevoegd.
  7.9. Kennisgeving van de beslissing
  Onze beslissing wordt meegedeeld aan het Agentschap, dat een afschrift overmaakt aan :
  1° de aanvrager van de vergunning en/of de personen die beroep aantekenden, bij een ter post aangetekende brief;
  2° de gouverneur van de provincie;
  3° de burgemeester van de gemeente van de exploitatiezetel en, in voorkomend geval, aan de burgemeesters van de andere gemeenten die werden geraadpleegd;
  4° de geneesheer-directeur van de Medische Inspectie van het gebied;
  5° de gezondheidsinspecteur van het gebied;
  6° in voorkomend geval, de directeur-generaal van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid van het Ministerie van Economische Zaken;
  7° in voorkomend geval, de directeur-generaal van NIRAS;
  8° [6 ...]6
  9° [6 ...]6
  Het advies van de Wetenschappelijke Raad wordt bij de beslissing gevoegd.
  ----------
  (1)<KB 2018-05-29/10, art. 8, 023; Inwerkingtreding : 28-06-2018>
  (2)<KB 2018-05-29/10, art. 9, 023; Inwerkingtreding : 28-06-2018>
  (3)<KB 2018-12-06/17, art. 13, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (4)<KB 2018-12-06/17, art. 14, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (5)<KB 2018-12-06/17, art. 15, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (6)<KB 2020-05-29/23, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 21-06-2020>

  Art. 8.Vergunningsstelsel van de inrichtingen van klasse III.
  8.1. Overheid bevoegd voor het verlenen van de vergunning van klasse III
  Voor de inrichtingen van klasse III, verleent het Agentschap de oprichtings- en exploitatievergunning, indien de exploitant een aangifte indient die beantwoordt aan de voorwaarden vermeld in artikel 8.2.
  8.2. Te verstrekken inlichtingen en bescheiden
  [3 De aangifte wordt schriftelijk, of in afdrukbare elektronische vorm aan het Agentschap gericht, nadat ze werd onderzocht en goedgekeurd door een deskundige erkend in de fysische controle van klasse I of II die een werknemer is van de toekomstige exploitant, of van een erkende instelling voor fysische controle. Deze omvat:]3
  1° de naam, voornaam, hoedanigheid en woonplaats van de aanvrager en, eventueel, de maatschappelijke benaming van de onderneming, haar maatschappelijke, administratieve en exploitatiezetels, de namen en voornamen van de bestuurders of zaakvoerders, de identiteit van de exploitant, de naam en voornaam van het hoofd van de inrichting;
  2° [3 de aard en het voorwerp van de inrichting, de aard en de kenmerken van de uitgezonden straling, de kenmerken van de aangewende toestellen, de fysische toestand, de hoeveelheid, het radioactiviteitsniveau van de radioactieve stoffen, de bestemming van de toestellen of van de stoffen, de plaats waar de toestellen of stoffen worden gefabriceerd, voortgebracht, in bezit gehouden of aangewend, de voorziene stralingsbeschermings- of veiligheidsmaatregelen, zowel wat de toestellen en stoffen, als wat de lokalen betreft waar ze zich bevinden, de organisatie van de fysische controle van de inrichting, de aanduiding van de erkende arbeidsgeneesheer belast met het gezondheidstoezicht op de werknemers alsook, in voorkomend geval, de organisatie van de medische stralingsfysica, en in het algemeen, alle voorgestelde maatregelen en middelen om de naleving van de in hoofdstuk III vastgestelde basisnormen te waarborgen, in het bijzonder deze die betrekking hebben op het optimaliseringsprincipe vermeld in artikel 20.1.1.1, punt b), en de voorziene datum van inbedrijfstelling;]3
  3° de kwalificatie en de bevoegdheid van het personeel belast met de voortbrengst, de verdeling, het gebruik en de bewaking van de stoffen en toestellen die ioniserende straling kunnen voortbrengen;
  4° bij benadering, het aantal personen die in verschillende sectoren van de inrichting tewerkgesteld worden;
  5° de verbintenis een verzekering af te sluiten om de burgerlijke aansprakelijkheid te dekken die uit nucleaire activiteiten voortspruit;
  6° een plan opgemaakt op een schaal van ten minste 5 mm per meter, met aanduiding van de installaties en van de lokalen die ze bevatten, alsook de lokalen die op minder dan 20 m van de bronnen gelegen zijn en de bestemming van die lokalen;
  7° [1 Het deeldossier radioactieve afvalstoffen en het deeldossier ontmanteling, zoals vermeld in artikel 5.8.]1
  8.3. Beslissing van het Agentschap
  [2 Na de volledigverklaring en het onderzoek ten gronde van het vergunningsdossier en, in voorkomend geval van de bijkomende informatie, kan het Agentschap de deeldossiers radioactieve afvalstoffen en ontmanteling overmaken aan NIRAS met de vraag om hierover een advies te geven.
   In voorkomend geval beschikt NIRAS over een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de deeldossiers, om haar gemotiveerd advies inzake de aspecten die betrekking hebben op haar bevoegdheden, aan het Agentschap mede te delen, of binnen een langere termijn die het dient te rechtvaardigen.
   Wanneer NIRAS binnen de voorziene termijn geen advies verleent, wordt aangenomen dat de geplande inrichting wat haar betreft geen aanleiding geeft tot opmerkingen.]2
  [2 Het Agentschap doet uitspraak over de aangifte binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de ontvangst van het gemotiveerd advies van NIRAS of binnen de zestig kalenderdagen vanaf de ontvangst van het vergunningsdossier, naargelang het geval, of binnen een langere termijn die het moet rechtvaardigen. Indien het Agentschap van oordeel is dat de vergunning niet kan worden toegekend, wordt dit aan de indiener van de aangifte medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.]2
  Indien de beslissing gunstig is, kan ze bijzondere vergunningsvoorwaarden bevatten die niet in dit reglement zijn voorzien en die het Agentschap nodig acht om de veiligheid en de salubriteit van de inrichting te waarborgen of de bescherming van het milieu te verzekeren.
  8.4. Kennisgeving van de beslissing
  Het Agentschap maakt een afschrift van zijn beslissing over aan :
  1. de indiener van de aangifte, bij een ter post aangetekende brief;
  2. de gouverneur van de provincie;
  3. de burgemeester van de gemeente van de exploitatiezetel;
  4. de geneesheer-directeur van de Medische Inspectie van het gebied;
  5. de gezondheidsinspecteur van het gebied;
  6. in voorkomend geval, de directeur-generaal van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid voor de inrichtingen die onder zijn toezicht staan;
  7. in voorkomend geval, de directeur-generaal van NIRAS.
  8.5. Beroep
  Binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving van de beslissing, kan tegen de beslissing van het Agentschap bij de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren beroep worden aangetekend.
  Dit beroep wordt overgemaakt aan het Agentschap. Het Agentschap deelt aan de exploitant mee dat er beroep werd aangetekend en dat hij het recht heeft om door de Wetenschappelijke Raad gehoord te worden indien hij daartoe verzoekt binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving. Het Agentschap wint het advies in van de Wetenschappelijke Raad, die een advies moet verstrekken binnen negentig kalenderdagen vanaf ontvangst van het dossier, nadat de exploitant op zijn verzoek of op initiatief van de Raad gehoord werd. Indien dit advies gunstig is, kan het bijzondere voorwaarden omvatten die niet voorzien zijn in dit reglement of in de betwiste beslissing.
  De Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren, doet uitspraak over het beroep.
  8.6. Kennisgeving van de beslissing
  De beslissing wordt meegedeeld aan het Agentschap, dat hiervan een afschrift overmaakt aan de personen vermeld in artikel 8.4 en, in voorkomend geval, aan de personen die beroep aantekenden.
  Het advies van de Wetenschappelijke Raad wordt bij de beslissing gevoegd.
  ----------
  (1)<KB 2018-05-29/10, art. 10, 023; Inwerkingtreding : 28-06-2018>
  (2)<KB 2018-05-29/10, art. 11, 023; Inwerkingtreding : 28-06-2018>
  (3)<KB 2018-12-06/17, art. 16, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 9.Stelsel van toepassing op de beroepsactiviteiten waar natuurlijke stralingsbronnen aangewend worden.
  9.1. [1 Aangifte aan het Agentschap
   De aangifte van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 4 wordt aan het Agentschap gericht en omvat:
   1° de naam, voornamen, hoedanigheid en woonplaats van de persoon die de aangifte indient en eventueel de maatschappelijke benaming van de onderneming, haar maatschappelijke, administratieve en exploitatiezetels, de namen en de voornamen van de bestuurders of zaakvoerders, de identiteit van de exploitant, de naam en voornaam van het hoofd van de inrichting;
   2° voor de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 4.1 :
   a) de beschrijving en het doel van de inrichting;
   b) de details van de meetomstandigheden en de resultaten van alle uitgevoerde radonanalyses;
   3° voor de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 4. 2 :
   a) de aard en het voorwerp van de inrichting;
   b) de aard en de kenmerken van de natuurlijke stralingsbronnen die aanwezig zijn of die worden aangewend;
   c) de verwijzing naar de milieuvergunning voor de inrichting, afgeleverd door de bevoegde regionale overheid;
   d) de beschrijving van de processen die kunnen leiden tot een risico op blootstelling aan natuurlijke stralingsbronnen;
   e) het aantal personen betrokken in de verschillende sectoren van de inrichting;
   f) de beschermingsmaatregelen die actueel worden genomen of aanbevolen en, desgevallend, de fysische toestand van deze natuurlijke stralingsbronnen, hun hoeveelheden, hun radioactiviteitsniveau, hun bestemming, de plaatsen waar ze in bezit worden gehouden, waar ze worden aangewend of waar ze worden opgeslagen;
   g) de maatregelen die worden getroffen inzake de karakterisatie, de behandeling, de bewaring en de verwijdering van de geproduceerde afvalstoffen.
   Het Agentschap bepaalt de modaliteiten en de inhoud van de aangifte op basis van het blootstellingsrisico.
   Het Agentschap bepaalt in welke gevallen en volgens welke modaliteiten een evaluatie van de gevolgen voor de bevolking en desgevallend voor de ecosysteem nodig is.
   Deze evaluatie kan worden uitgevoerd door de toepassing van door het Agentschap bepaalde toezichtscriteria, of door de uitvoering van een gedetailleerde impactstudie waarvan de modaliteiten door het Agentschap worden bepaald;
   4° voor de ondernemingen die vlieg- of ruimtetuigen exploiteren:
   a) de beschrijving van de meetmethodes en -omstandigheden of de schatting van de doses ten gevolge van de blootstelling van het lucht- en ruimtevaartpersoneel aan kosmische straling;
   b) de resultaten van de meting of de schatting van de blootstelling van het lucht- en ruimtevaartpersoneel aan kosmische straling.
   Het Agentschap kan in een technisch reglement de modaliteiten en de inhoud van de aangifte op basis van het blootstellingsrisico specifiëren.
   Het Agentschap bepaalt de kwaliteitscriteria met betrekking tot de dosisevaluatiemethodes en de criteria op basis waarvan de door het lucht- of ruimtevaartpersoneel opgelopen dosis kan worden beschouwd als minder dan 1 mSv per jaar.]1
  9.2. [1 Advies van de Europese Commissie
   In de gevallen bedoeld in artikel 37 van het Euratom-Verdrag wint het Agentschap het advies in van de Europese Commissie.
   Het Agentschap kan hiertoe analyses, of bijkomende metingen eisen om zodoende de aanwezige natuurlijke stralingsbronnen, of de blootstelling die er een gevolg van kan zijn beter te kunnen karakteriseren.
   Het Agentschap kan ook eisen dat de inrichting hem het advies van een deskundige de algemene of bijzondere aspecten van de veiligheid of de gezondheid in de inrichting, of de gevolgen voor het leefmilieu bezorgt. Het Agentschap kan dit oordeel eveneens rechtstreeks vragen. De kosten van dit oordeel of expertise zijn voor rekening van de natuurlijke of rechtspersoon die het dossier indient.]1
  9.3. [1 Corrigerende maatregelen
   Indien de dosisniveaus die zijn vastgesteld in artikel 20.3 voor de personen van het publiek, of de beroepshalve blootgestelde personen worden, of kunnen worden overschreden, dan kan het Agentschap corrigerende maatregelen opleggen en een termijn opleggen voor de tenuitvoerlegging van deze corrigerende maatregelen.
   De exploitanten van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 4.2 en 4.3 die onderhevig zijn aan corrigerende maatregelen of een vergunning duiden een agent voor de stralingsbescherming aan. Deze aanstelling dient het voorwerp uit te maken van een gunstig advies van het Agentschap.
   Het Agentschap kan hierbij een afwijking op de vereisten opgenomen in artikel 9.7. toestaan mits de agent voor de stralingsbescherming kan aantonen over een voldoende kennis te beschikken over de toe te passen aspecten van stralingsbescherming.
   De corrigerende maatregelen omvatten hetzij operationele maatregelen bedoeld om de blootstelling van de operatoren of de bevolking te beperken, hetzij maatregelen voor de controle en het toezicht op het effectieve blootstellingsniveau.
   Desgevallend kunnen de corrigerende maatregelen bestaan in de verplichting om een plan van stopzetting van de activiteit op te stellen en door het Agentschap te laten goedkeuren.
   Indien de dosisniveaus vastgesteld in artikel 20.3 voor de personen van het publiek, ondanks deze corrigerende maatregelen, toch nog worden, of kunnen worden overschreden, wordt er door het Agentschap opgelegd dat alle, of een gedeelte van de reglementaire voorschriften die krachtens dit reglement van toepassing zijn op handelingen, van toepassing zullen zijn voor de betrokken inrichting.
   Voor de ondernemingen die vliegtuigen exploiteren dient het ondernemingshoofd, indien de limiet van de effectieve dosis voor personen van het publiek wordt of kan worden overschreden, onverminderd de maatregelen die door het Agentschap worden opgelegd krachtens de bepalingen van dit artikel:
   1° de individuele doses van het vliegend personeel ten gevolge van de blootstelling aan kosmische straling, te bepalen;
   2° de resultaten hiervan over te maken aan het blootstellingsregister, door het Agentschap vastgestelde modaliteiten.
   3° rekening te houden met deze dosisschattingen bij het opstellen van de werkschema's, teneinde de doses van het in hoge mate blootgestelde vliegend personeel te vermijden;
   4° de betrokken werknemers en externe werkers te informeren over de gezondheidsrisico's die hun werk met zich meebrengt en over hun individuele dosis;
   5° artikel 20.1.1.3 toe te passen voor het vrouwelijke vliegend personeel.
   De onderneming duidt een agent voor de stralingsbescherming aan. Zijn aanstelling moet het voorwerp uitmaken van een gunstig advies van het Agentschap. Het Agentschap kan hierbij een afwijking op de vereisten opgenomen in artikel 9.7. toestaan mits de agent voor de stralingsbescherming kan aantonen over een voldoende kennis te beschikken over de toe te passen aspecten van stralingsbescherming.
   Voor een onderneming die vliegtuigen exploiteert, waarbij de effectieve dosis die door het luchtvaartpersoneel wordt opgelopen, door de kosmische straling, meer dan 6 mSv per jaar kan bedragen, zijn de bepalingen van dit reglement van toepassing, rekening gehouden met de bijzondere kenmerken van deze blootstellingssituatie.
   De blootstelling van ruimtevaartpersoneel aan niveaus die hoger liggen dan de dosislimieten, wordt beheerd als een blootstelling met speciale vergunning.]1
  9.4. Beslissing van het Agentschap
  Indien het Agentschap van oordeel is dat, overeenkomstig artikel 9.3, eerste lid, sommige voorschriften van dit reglement moeten nageleefd worden, wordt dit vooraf aan de indiener van de aangifte medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
  De beslissing wordt genomen in de vorm van een vergunning en kan ook bijzondere voorwaarden bevatten die niet in dit reglement zijn voorzien en die het Agentschap nodig acht om de veiligheid en de salubriteit te waarborgen of de bescherming van het milieu te verzekeren.
  9.5. Kennisgeving van de beslissing
  Het Agentschap maakt een afschrift van de vergunning over aan :
  1. de indiener van de aangifte, bij een ter post aangetekende brief;
  2. de gouverneur van de provincie;
  3. de burgemeester van de gemeente van de exploitatiezetel;
  4. de geneesheer-directeur van de Medische Inspectie van het gebied;
  5. de gezondheidsinspecteur van het gebied;
  6. in voorkomend geval, de directeur-generaal van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid voor de inrichtingen die onder zijn toezicht staan;
  7. in voorkomend geval, de directeur-generaal van NIRAS.
  9.6. Beroep
  Binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving van de vergunning, kan tegen de beslissing van het Agentschap bij de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren beroep worden aangetekend.
  Dit beroep wordt overgemaakt aan het Agentschap. Het Agentschap deelt aan de exploitant mee dat er beroep werd aangetekend en dat hij het recht heeft om door de Wetenschappelijke Raad gehoord te worden indien hij daartoe verzoekt binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving. Het Agentschap wint het advies in van de Wetenschappelijke Raad, die een advies verstrekt binnen negentig kalenderdagen vanaf ontvangst van het dossier, nadat de exploitant op zijn verzoek of op initiatief van de Raad gehoord werd. Indien dit advies gunstig is, kan het bijzondere voorwaarden omvatten die niet voorzien zijn in dit reglement of in de betwiste beslissing.
  De Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren, doet uitspraak over het beroep.
  De beslissing wordt meegedeeld aan het Agentschap, dat hiervan een afschrift overmaakt aan de personen vermeld in artikel 9.5 en, in voorkomend geval, aan de personen die beroep aantekenden.
  Het advies van de Wetenschappelijke Raad wordt bij de beslissing gevoegd.
  [1 9.7 Opleiding van de agenten voor de stralingsbescherming bedoeld in artikel 9.3
   De exploitant ziet erop toe dat de agent voor de stralingsbescherming zijn kennis en zijn bekwaamheid op peil houdt en verder ontwikkelt in het kader van een permanente vorming.
   De kosten van de opleiding zijn ten laste van de exploitant. De opleiding wordt gevolgd tijdens de werkuren.
   Voor de in artikel 4.2 bedoelde beroepsactiviteiten die, op basis van de analyse van het blootstellingsrisico van de werknemers, het voorwerp hebben uitgemaakt van corrigerende maatregelen of een vergunning, moet de agent voor de stralingsbescherming over een diploma van preventieadviseur beschikken:
   - van niveau 3 in het geval van corrigerende maatregelen;
   - van niveau 2 in het geval van een vergunning.
   Voor de beroepsactiviteiten die het voorwerp hebben uitgemaakt van een vergunning volgt de agent voor de stralingsbescherming tevens een aanvullende opleiding, met name over:
   - de verschillende natuurlijke stralingsbronnen;
   - de meetmethoden;
   - de processen die kunnen leiden tot een verrijking met natuurlijke radioactieve stoffen;
   - de beoordeling van het blootstellingsrisico;
   - de specifieke aspecten van de regelgeving inzake natuurlijke stralingsbronnen.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 8, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 10. (voorbehouden)

  Art. 11.[1 Gemengde inrichtingen
   De vergunningsaanvraag betreffende de inrichting die installaties behorend tot verschillende klassen omvat en die rechtstreeks verband houden met elkaar, wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen betreffende de hoogste klasse.
   Het Agentschap kan een technisch reglement opstellen ter beoordeling van het rechtstreeks verband tussen installaties.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-05-29/23, art. 5, 026; Inwerkingtreding : 21-06-2020>

  Art. 12.[1 Wijziging van de inrichting
   § 1. Van elke wijziging van de inrichting, waarvan het Agentschap van oordeel is dat ze een potentiële impact heeft op de stralingsbescherming of veiligheid, moet aangifte gedaan worden aan het Agentschap.
   Het Agentschap kan hiertoe een technisch reglement opmaken dat de wijzigingen die aangegeven moeten worden en de aangiftecriteria en -modaliteiten vaststelt, afhankelijk van de klasse van de inrichting en het type installaties of handelingen.
   § 2. Indien wijzigingen aan de vergunde inrichting een belangrijke impact kunnen hebben op de inhoud van het deeldossier radioactieve afvalstoffen en/of het deeldossier ontmanteling, dan moet de exploitant deze deeldossiers aanpassen, waarna ze door het Agentschap aan NIRAS voor advies overgemaakt worden. NIRAS beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen, of een langere termijn waarvan de rechtvaardiging goedgekeurd is door het Agentschap, te rekenen vanaf de ontvangst van het deeldossier of vanaf het ontvangen van bijkomende informatie indien het hierom verzoekt, om haar gemotiveerd advies inzake de aspecten die betrekking hebben op haar bevoegdheden, aan het Agentschap kenbaar te maken. Wanneer NIRAS binnen de voorziene termijn geen advies verleent, wordt aangenomen dat de geplande wijziging van de inrichting wat haar betreft geen aanleiding geeft tot opmerkingen.
   § 3. Het Agentschap beslist of de wijzigingen het voorwerp moeten uitmaken van een vergunningsaanvraag volgens de procedure voorzien in artikel 6, 7 of 8, naargelang het geval.
   Indien voor klasse II of III, de wijziging geen overgang van een lagere klasse naar een hogere klasse inhoudt, kan het Agentschap afwijken van een of meer van de formaliteiten bepaald in de artikelen 7 en 8, 15 en 15/1.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-05-29/23, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 21-06-2020>

  Art. 13. Aanvullende voorwaarden en wijziging van de vergunningsvoorwaarden.
  De overheid bevoegd voor het verlenen van de vergunning kan de vergunning aanvullen of wijzigen; voor de inrichtingen van klasse I, raadpleegt ze vooraf de Wetenschappelijke Raad.
  Bovendien kan de Wetenschappelijke Raad op eigen initiatief nieuwe voorwaarden voorstellen of op voorstel van de diensten van het Agentschap die met het toezicht zijn belast. De Wetenschappelijke Raad handelt ten aanzien van de betrokken exploitant overeenkomstig artikel 6.6.
  Het nieuwe besluit wordt bekendgemaakt en aangeplakt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 6.8, 7.5, 7.6, 8.4 of 9.5 naargelang het geval.
  Voor de inrichtingen vergund door het Agentschap, is beroep mogelijk voor de betrokkenen overeenkomstig de bepalingen van artikel 7.7, 8.5 of 9.6. Dit beroep schorst de betwiste beslissing.

  Art. 14. (voorbehouden)

  Art. 15.[1 - Inbedrijfstelling van de vergunde installaties van klasse II, klasse IIA uitgezonderd, en van klasse III
   Ingevolge de vergunning verleend voor de inrichtingen van klasse II, klasse IIA uitgezonderd, en van klasse III heeft de exploitant het recht onder zijn verantwoordelijkheid over te gaan tot het bouwen en het inrichten van de installaties overeenkomstig de bepalingen van de verleende vergunning.
   De inbedrijfstelling van de installaties mag slechts gebeuren indien de oplevering, zoals bedoeld in artikel 23.1.5 b) punt 4, volledig gunstig is en de inbedrijfstelling uitdrukkelijk toestaat.
   Voorafgaand aan de inbedrijfstelling van de installaties maakt de exploitant aan het Agentschap een document over waarin wordt verklaard dat de bepalingen van het vorige lid nageleefd zijn.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-12-06/17, art. 18, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 15/1. [1 - Inbedrijfstelling van de vergunde installaties van klasse IIA
   Ingevolge de vergunning verleend voor de inrichtingen van klasse IIA heeft de exploitant het recht om onder zijn verantwoordelijkheid over te gaan tot het bouwen en het inrichten van de installaties overeenkomstig de bepalingen van de verleende vergunning.
   Voor de volledige of gedeeltelijke inbedrijfsstelling van een inrichting van klasse IIA, voert het Agentschap, een veiligheidsevaluatie uit van de oplevering die plaatsgevonden heeft overeenkomstig artikel 23.1.5, b), punt 4°.
   Op basis van de veiligheidsevaluatie kan het Agentschap de oprichtings- en exploitatievergunning bevestigen.
   De inbedrijfstelling van de inrichting kan niet plaatsvinden zolang het Agentschap de oprichtings- en exploitatievergunning niet heeft bevestigd.
   Indien het Agentschap de oprichtings- en exploitatievergunning niet kan bevestigen, deelt het dit voorafgaandelijk aan de exploitant mee waarbij het verduidelijkt dat hij het recht heeft om gehoord te worden binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving.
   Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
   Tegen de beslissing van het Agentschap kan binnen de dertig kalenderdagen vanaf ontvangst van de beslissing van het Agentschap bij Ons beroep worden aangetekend. De in de artikelen 7.7 lid 2 tot 7.9 bepaalde procedure is van toepassing op dit beroep.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2018-12-06/17, art. 19, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  

  Art. 16. Schorsing en intrekking van de vergunningen.
  Wanneer de bepalingen van dit reglement of de voorwaarden van de oprichtings- en exploitatievergunning niet nageleefd worden, kan de overheid die naargelang het geval in eerste instantie of in beroep uiteindelijk de beslissing tot afgifte van deze vergunning heeft genomen, op initiatief van het Agentschap, de vergunning schorsen of intrekken. Voor de inrichtingen waarvoor in laatste instantie een vergunning werd afgeleverd door Ons of door de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren wint het Agentschap hiervoor eerst het advies in van de Wetenschappelijke Raad. De Wetenschappelijke Raad of het Agentschap voor de inrichtingen die door dit laatste vergund worden hoort vooraf de betrokken exploitant indien deze daartoe verzoekt binnen de vijftien kalenderdagen nadat hij hiertoe werd uitgenodigd. De beslissing tot schorsing of intrekking wordt betekend zoals bepaald in de artikelen 6, 7, 8 of 9 naargelang het geval.
  De beslissing tot schorsing of intrekking kan bepalen in welke toestand de exploitant de installatie moet brengen, onverminderd de bijkomende veiligheidsmaatregelen die hijzelf nodig oordeelt. De beslissing kan eveneens elke latere vorm van controle bepalen.
  Beroep staat bij Ons open, binnen dertig kalenderdagen vanaf de voormelde kennisgeving, wat betreft de inrichtingen van klasse II die in laatste instantie door het Agentschap werden vergund. Het wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 7.7.
  Voor inrichtingen van klasse III en beroepsactiviteiten waarvoor in laatste instantie door het Agentschap vergunning werd verleend staat beroep open bij de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren. Voor de inrichtingen van klasse III en beroepsactiviteiten waarvoor in laatste instantie vergunning werd verleend door de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren, staat beroep bij Ons open. Deze beroepen worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 8.5 of 9.6 naargelang het geval.
  De in dit artikel bedoelde beroepen schorsen schorsingsbesluiten of -akten, maar niet intrekkingsbesluiten of -akten.
  Wanneer de beslissing om de vergunning van inrichtingen, waar radioactieve stoffen of toestellen die er bevatten, aanwezig zijn, te schorsen of in te trekken definitief is, moet de exploitant of, eventueel de personen die wettelijk bevoegd zijn de vereffening ervan uit te voeren, de bepalingen van artikel 17.1 naleven.

  Art. 16bis. [1 Langdurige onderbreking van een vergunde activiteit
   Elke langdurige onderbreking van vergunde activiteiten wordt gemeld aan het Agentschap. De melding omvat de oorzaak van de onderbreking, een beschrijving van de toestand van de installaties en de organisatie en van de maatregelen die genomen worden om de installaties in een veilige toestand te brengen en te houden, evenals een beschrijving van het ingerichte onderhouds- en controleprogramma.
   De melding geeft een overzicht en planning weer van de acties die voorzien worden in geval van een heropstart van de activiteiten of van een eventuele bestemmingswijziging van de installaties.
   Na een onderbreking van vijf jaar, of vroeger wanneer het Agentschap oordeelt dat de veiligheid van de inrichting niet verder kan gegarandeerd worden, kan het Agentschap de definitieve stopzetting van de activiteiten en de ontmanteling van de betrokken installaties voorstellen met toepassing van de artikelen 13 of 16. Aan de beslissing kunnen voorwaarden gehecht worden, in het bijzonder met betrekking tot de termijn waarbinnen de ontmantelingsaanvraag, inclusief de planning en de modaliteiten van uitvoering van de ontmanteling, met toepassing van artikel 17 dient ingediend te worden. NIRAS wordt van deze beslissing onverwijld op de hoogte gebracht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2018-05-29/10, art. 13, 023; Inwerkingtreding : 28-06-2018>
  

  Art. 17.Stopzetting van activiteit en ontmanteling.
  17.1. In geval van stopzetting, om welke reden ook, van één of meerdere activiteiten van een inrichting van klasse I, II of III, of van een vergunde beroepsactiviteit, moet de exploitant of, in voorkomend geval, de personen die wettelijk bevoegd zijn de vereffening ervan uit te voeren, hiervan het Agentschap onmiddellijk op de hoogte brengen. Zij verwittigen eveneens NIRAS en de overheden vermeld in artikel 6.8, 7.5, 8.4 of 9.5 naargelang het geval. Zij moeten aan alle radioactieve stoffen een bestemming geven die de verwijdering, de recyclage of het hergebruik ervan onder bevredigende voorwaarden waarborgt, onverminderd de bepalingen van artikel 18 en andere wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de radioactieve afvalstoffen.
  De aan het Agentschap gerichte melding, bedoeld in het eerste lid, bevat minstens de aanwijzing door de exploitant van die bestemming. De overheid die bevoegd is voor het verlenen van de vergunning kan bijkomende voorwaarden opleggen of de vergunningsvoorwaarden wijzigen door dezelfde procedure te volgen als die bepaald in artikel 13.
  [2 Voor de inrichtingen van klasse I gebeurt de melding aan het Agentschap volgens de bepalingen van artikel 17/1 van het koninklijk besluit van 30 november 2011 houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties.]2
  17.2. De ontmanteling van de installaties, die behoren tot de inrichtingen van klasse I of van inrichtingen van klasse II bepaald in de artikelen 3.1.b).1 en 3.1.b).2, is onderworpen aan een voorafgaande vergunning, die door de Koning of door het Agentschap volgens volgende procedure wordt verleend.
  De vergunningsaanvraag voor de ontmanteling van de inrichtingen wordt in vijf exemplaren aan het Agentschap gericht en bevat minstens de voorstellen van de exploitant of, eventueel, van de personen die wettelijk bevoegd zijn de vereffening ervan uit te voeren, over :
  - de modaliteiten voor de ontmanteling van de installaties;
  - [1 het deeldossier radioactieve afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 5.8, en in voorkomend geval de informatie bedoeld in artikel 18.2;]1
  [2 - de identificatie van de eindtoestand;
   - alsook alle andere bepalingen die de gezondheid en de veiligheid van de werknemers en van de bevolking en de bescherming van het leefmilieu kunnen waarborgen, zowel tijdens de ontmanteling en de voorbereidende werkzaamheden als na afloop ervan;
   - voor de inrichtingen van klasse I, het veiligheidsrapport van de ontmanteling zoals vermeld in artikel 17/10 van het besluit van 30 november 2011 houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties;
   - in voorkomend geval, de beslissing over de vrijstelling van een milieueffectbeoordeling zoals bedoeld in artikel 6.1bis.2;
   - in voorkomend geval overeenkomstig art. 6.1bis.1, een milieueffectbeoordelingsrapport of een screeningsnota samen met het oordeel van het Agentschap bedoeld in artikel 6.1bis.3, § 2.]2
  Die aanvraag omvat het [1 gemotiveerd advies]1 van NIRAS inzake de aspecten die betrekking hebben op haar bevoegdheden en de voorstellen die dienaangaande door deze instelling zijn geformuleerd. Naargelang het geval, is de procedure bepaald in de artikelen 6.3 tot 6.8, 7.3 tot 7.9, van toepassing op de ontmantelingsvergunning.
  Onverminderd de bepalingen van artikel 18 is de toevoeging van een milieu-effectbeoordeling verplicht voor inrichtingen van klasse I. Wat de in het eerste lid vermelde inrichtingen van klasse II betreft, wordt overeenkomstig de regeling van artikel 7.3.2 beslist of al dan niet een milieu-effectbeoordeling moet uitgevoerd worden, eveneens onverminderd de bepalingen van artikel 18.
  17.3. Voor elk voorstel tot belangrijke wijziging in verband met de procedures, de toestand van de ontmanteling, de bestemming van de gebouwen of van de vestigingsplaats, moet een aanvraag tot vergunning worden gericht aan de bevoegde overheid die hierover uitspraak doet. De bevoegde overheid kan afwijken van één of meerdere van de in de artikelen 6 en 7 bepaalde formaliteiten overeenkomstig de modaliteiten die zijn vastgesteld in artikel 12.
  De overheid die de vergunning verleende kan bijkomende voorwaarden opleggen of de vergunningsvoorwaarden wijzigen volgens dezelfde procedure als die welke in artikel 13 is bepaald.
  17.4. Vooraleer wordt gestart met de ontmanteling van de installaties van de inrichtingen van klasse II, met uitzondering van de inrichtingen bedoeld in de artikelen 3.1.b).1 en 3.1.b).2, van de inrichtingen van klasse III, alsook van de installaties die verbonden zijn aan een vergunde beroepsactiviteit, moet de exploitant, of eventueel de personen die wettelijk bevoegd zijn de vereffening ervan uit te voeren, hiervan het Agentschap onmiddellijk op de hoogte brengen. Zij verwittigen eveneens de ambtenaren vermeld in artikel 6.8, 7.5, 8.4 of 9.5 naargelang het geval.
  Deze melding omvat minstens de aanwijzing door de exploitant van de bestemming of heraanwending van de radioactieve stoffen.
  ----------
  (1)<KB 2018-05-29/10, art. 14, 023; Inwerkingtreding : 28-06-2018>
  (2)<KB 2020-05-29/23, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 21-06-2020>

  Art. 18.Vergunningen voor verwijdering, recyclage of hergebruik van [1 vaste en vloeibare radioactieve afvalstoffen]1.
  18.1. [1 Onverminderd de bepalingen van artikel 34 maakt de verwijdering, de afvoer voor recyclage of hergebruik van vloeibare radioactieve afvalstoffen [2 , die niet geloosd kunnen worden in de riolering of oppervlaktewater,]2 afkomstig van inrichtingen van klasse I, II of III bedoeld in artikel 3, het voorwerp uit van een vergunning van het Agentschap.
   Onverminderd de bepalingen van artikel 35 maken de verwijdering, de afvoer voor recyclage of hergebruik van vaste radioactieve afvalstoffen afkomstig van inrichtingen van klasse I, II of III bedoeld in artikel 3, die niet beantwoorden aan de vrijgaveniveaus en -voorwaarden vastgesteld in bijlage IB, het voorwerp uit van een vergunning van het Agentschap.
   De verwijdering, de afvoer voor recyclage of hergebruik van radioactieve afvalstoffen afkomstig van beroepsactiviteiten vergund met toepassing van artikel 9, maken eveneens het voorwerp uit van een vergunning van het Agentschap.]1
  18.2. De aanvraag moet, in drie exemplaren [2 of in afdrukbare elektronische vorm]2, toegestuurd worden aan het Agentschap en omvat de volgende documenten :
  1° een beschrijving van de historiek van [2 de betrokken]2 [1 radioactieve afvalstoffen]1;
  2° een impactstudie waarbij wordt aangetoond dat de criteria inzake stralingsbescherming, zoals vastgesteld in punt 2 van bijlage IB en, wat betreft de [1 radioactieve afvalstoffen]1 afkomstig van inrichtingen van klasse I, II of III bedoeld in artikel 3, in punt 3 van bijlage IB, worden nageleefd en dit voor de verschillende geschikte scenario's. [2 Radioactieve afvalstoffen met een maximale jaarlijkse hoeveelheid van 1 ton waarvan de activiteitsconcentratie de waarden van bijlage IA niet overschrijdt worden vrijgesteld van een impactstudie]2;
  3° een onderzoek aangaande het eventuele nut van [2 vervalopslag]2;
  4° een onderzoek aangaande de mogelijkheden tot hergebruik van de afvalstoffen in een andere handeling die valt binnen het stelsel van de geklasseerde inrichtingen, in de zin van dit reglement;
  5° een document waarin wordt aangetoond dat de opties waarvoor de overheid het spoor van de verwijderde, gerecycleerde of hergebruikte producten kan behouden, werden overwogen en er voorrang werd aan verleend;
  6° een beschrijving van de meetprocedures en -technieken die gebruikt worden om de overeenstemming met de gevraagde concentratieniveaus voor verwijdering, recyclage of hergebruik na te gaan;
  7° de beschrijving van de middelen die worden voorzien om de bestemming van de stoffen en van het materiaal waarvoor een verwijdering naar een stortplaats of voor verbranding, recyclage of een hergebruik wordt voorzien, te garanderen.
  18.3. Beslissing van het Agentschap
  Het Agentschap kan voorschrijven dat, in het kader van de impactstudie, bijkomende scenario's het voorwerp van een diepgaande studie uitmaken.
  Het Agentschap zal voorrang verlenen aan de opties waar het de stoffen kan blijven opsporen en de totale activiteit en het totaal volume van de verwijderde, gerecycleerde of hergebruikte [1 radioactieve afvalstoffen]1 zo laag als redelijkerwijze mogelijk zijn.
  [2 De activiteitsconcentratieniveaus die vastgesteld worden in de vergunningen die door het Agentschap verleend worden, zijn zo laag als redelijkerwijze mogelijk en moeten waarborgen dat de in punt 2 en punt 3 van bijlage IB bepaalde criteria inzake stralingsbescherming worden nageleefd.]2
  Het Agentschap kan aan de vergunningen bijkomende voorwaarden verbinden die niet in dit reglement voorzien zijn en die het nodig acht om de veiligheid en de salubriteit van de onderneming, en de bescherming van het leefmilieu te waarborgen of om de naspeurbaarheid van de vrijgegeven afvalstoffen te verbeteren.
  Het Agentschap deelt het voorstel van beslissing mee aan de aanvrager, waarbij het verduidelijkt dat hij het recht heeft om gehoord te worden binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving.
  ----------
  (1)<KB 2012-04-26/65, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (2)<KB 2020-07-20/16, art. 9, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 19. Schadevergoedingen.
  De weigering, de schorsing of de intrekking van de vergunning, alsook de inbeslagname van radioactieve stoffen of toestellen, kan geen aanleiding geven tot schadevergoeding.

  HOOFDSTUK III. - Algemene bescherming.

  Afdeling I. - Basisnormen betreffende de bescherming tegen blootstelling aan ioniserende stralingen.

  Art. 20.Beperking van de doses.
  20.1. Beperking van de doses met betrekking tot handelingen
  20.1.1. Algemene bepalingen
  20.1.1.1. De beperking van de individuele en collectieve doses die resulteren uit de blootstelling aan ioniserende stralingen in het kader van handelingen dient gebaseerd te zijn op de volgende algemene principes :
  a) de verschillende soorten handelingen die kunnen leiden tot een blootstelling aan ioniserende stralingen, moeten, vooraleer ze de eerste maal worden vergund of worden aangenomen voor veralgemeend gebruik, worden gerechtvaardigd door de voordelen die ze bieden, nadat met alle voor- en nadelen werd rekening gehouden, deze op het gebied van de gezondheid inbegrepen. Daarom dient een studie ter rechtvaardiging te worden toegevoegd aan de dossiers voor de aanvraag van een vergunning met toepassing van dit reglement. De vergunning die wordt verleend geldt als rechtvaardigingsbewijs.
  De rechtvaardiging van de types van bestaande handelingen kan het voorwerp uitmaken van een herziening door het Agentschap elke keer dat nieuwe en belangrijke kennis betreffende hun doeltreffendheid of hun gevolgen werd verworven [4 ...]4;
  b) elke blootstelling dient zo laag als redelijkerwijze mogelijk te worden gehouden, rekening gehouden met economische en sociale factoren. In het kader van de optimalisering, kunnen bepaalde dosisbeperkingen als algemene regel worden opgelegd door het Agentschap voor elke bron, handeling of taak vermeld in dit reglement. Op basis van deze dosisbeperkingen kan het Agentschap andere dosisniveaus, zoals onderzoeksniveaus, vaststellen, alsook afgeleide niveaus, met de bedoeling om retrospectief na te gaan of de vastgelegde dosisbeperkingen worden nageleefd.
  In het bijzonder zijn de lozingsvergunningen, die afgeleverd worden aan de inrichtingen van klasse I en II, gebaseerd op het naleven van een dosisbeperking, voor de blootstelling van personen van het publiek, kinderen inbegrepen. Deze dosisbeperking wordt vastgesteld door de overheid die bevoegd is voor het toekennen van de vergunning, nadat de exploitant werd geraadpleegd; ze bedraagt een fractie van de limiet voor de effectieve dosis voor de personen van het publiek; ze heeft enkel betrekking op de blootstelling die verband houdt met de desbetreffende inrichting;
  [4 Voorafgaand aan de blootstelling bij niet-medische beeldvorming met andere dan medisch-radiologische uitrustingen, wordt de toestemming gezocht van de persoon die de blootstelling zal ondergaan of diens wettelijke vertegenwoordiger, nadat die correct en op een voor hem begrijpelijke manier werd geïnformeerd over de handeling, met inbegrip van de risico's die gepaard gaan met de blootstelling, evenwel rekening houdend met gevallen waarin de rechtshandhavingsautoriteiten krachtens de van toepassing zijnde regelgeving zonder instemming van de betrokkene mogen handelen.]4
  c) onverminderd de bepalingen betreffende de blootstelling met speciale vergunning, [4 de bestaande blootstellingssituaties,]4 de blootstelling bij ongeval en de blootstelling in een noodsituatie, mag de som van de opgelopen doses en van de volgdoses door de verschillende handelingen, de in deze afdeling vastgestelde dosislimieten voor de beroepshalve blootgestelde personen, de leerlingen en de studenten, alsmede de personen van het publiek, niet overschrijden.
  Het principe dat onder c) wordt vermeld is niet van toepassing op [4 medische blootstellingen, noch op blootstellingen bij niet-medische beeldvorming met medisch-radiologische uitrustingen]4. [4 ...]4
  De drie principes die worden vermeld onder a), b) en c) hierboven dienen, in het kader van het vergunningsstelsel bepaald in afdeling II van hoofdstuk II, het voorwerp uit te maken van een bijzondere aandacht zowel van de aanvrager als van de overheid, de raden en de commissies of de comités die betrokken zijn bij bovenvermeld vergunningsstelsel.
  Wanneer het Agentschap het noodzakelijk acht, kan het limieten opleggen die lager zijn dan de dosislimieten vastgesteld in deze afdeling.
  Onverminderd de bepalingen van dit reglement, zal er worden toegezien op de strikte naleving van de voorschriften van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het werk, het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk en het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de opdrachten en de werking van de comités voor preventie en bescherming op het werk.
  20.1.1.2. Overeenkomstig de principes vermeld in artikel 20.1.1.1, worden de onontbeerlijke maatregelen getroffen :
  a) om te voorkomen dat radioactieve stoffen in het organisme terechtkomen via inname, inademing of door om het even welke ongecontroleerde indringing, evenals elk rechtstreeks contact van het organisme met die stoffen;
  b) opdat de bronnen van ioniserende stralingen zouden gebruikt worden in zo perfect mogelijke veiligheidsomstandigheden;
  c) om de verspreiding van radioactieve stoffen in het leefmilieu te voorkomen en te beperken.
  20.1.1.3. [1 Geen enkele persoon onder de 18 jaar mag worden tewerkgesteld op een arbeidsplaats waardoor hij/zij in de categorie van beroepshalve blootgestelde personen zou komen te vallen. Voor de leerlingen en studenten zijn evenwel de bepalingen van artikel 20.1.5 van toepassing.
   De bescherming van het ongeboren kind mag niet minder zijn dan deze van personen van het publiek. Hieruit volgt dat van zodra de vrouw haar zwangerschap aan de exploitant bekend maakt, haar werkomstandigheden zodanig moeten zijn dat de dosis die door het ongeboren kind kan opgelopen worden zo laag als redelijkerwijze mogelijk is en lager dan 1 millisievert gedurende de totale duur van de zwangerschap.
   Geen enkele vrouw mag gedurende de periode van de borstvoeding en de zwangerschap, volgend op de bekendmaking van de zwangerschap, tewerkgesteld zijn op een plaats waar ze beroepshalve het risico loopt op radioactieve besmetting van het lichaam.
   De bepalingen van de vorige twee leden zijn eveneens van toepassing op de leerlingen, stagiaires en studenten, vanaf het ogenblik dat diegene onder wiens gezag ze staan, wordt ingelicht over hun toestand.]1
  20.1.2. Beperking van de dosis voor de bevolking in haar geheel
  Het Agentschap kan alle noodzakelijke maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de bijdrage van elke werkzaamheid tot de blootstelling van de bevolking in haar geheel gehandhaafd blijft op het minimale niveau dat voor deze werkzaamheid vereist is, gelet op de principes vermeld in artikel 20.1.1.a) en b).
  20.1.3. Dosislimieten voor beroepshalve blootgestelde personen
  De effectieve-dosislimiet voor beroepshalve blootgestelde personen wordt vastgesteld op 20 millisievert per 12 opeenvolgende glijdende maanden.
  Op voorwaarde dat deze dosislimiet wordt nageleefd, wordt de equivalente-dosislimiet voor ieder van de individuele organen of weefsels vastgesteld op 500 millisievert per 12 opeenvolgende glijdende maanden.
  Daarenboven wordt :
  - de equivalente-dosislimiet voor de ooglens vastgesteld op [4 20]4 millisievert per 12 opeenvolgende glijdende maanden;
  - de equivalente-dosislimiet voor de huid vastgesteld op 500 millisievert per 12 opeenvolgende glijdende maanden; deze limiet is van toepassing op de gemiddelde dosis over elke cm2 huid, ongeacht de totale blootgestelde oppervlakte;
  - de equivalente-dosislimiet voor de handen, de voorarmen, de voeten en de enkels vastgesteld op 500 millisievert per 12 opeenvolgende glijdende maanden.
  [4 ...]4
  20.1.4. Dosislimieten voor de personen van het publiek
  Onverminderd de bepalingen van artikel 20.1.2 dienen voor de personen van het publiek de volgende dosislimieten te worden nageleefd :
  a) de effectieve-dosislimiet voor de personen van het publiek is vastgesteld op 1 millisievert per jaar;
  b) op voorwaarde dat de in a) vastgestelde limiet wordt gerespecteerd, is :
  - de equivalente-dosislimiet voor de ooglens 15 millisievert per jaar;
  - de equivalente-dosislimiet voor de huid 50 millisievert per jaar als gemiddelde waarde voor elke oppervlakte van 1 cm2 huid, welke ook de blootgestelde oppervlakte moge wezen.
  20.1.5. Dosislimieten voor leerlingen en studenten
  Voor de leerlingen van 18 jaar of meer en voor de studenten van 18 of meer die door hun studies bepaalde bronnen moeten gebruiken, zijn de dosislimieten gelijk aan de dosislimieten die werden vastgesteld in artikel 20.1.3 voor de beroepshalve blootgestelde personen.
  Voor de leerlingen van 16 tot 18 jaar en voor de studenten van 16 tot 18 jaar die door hun studies bepaalde bronnen moeten gebruiken, is de effectieve-dosislimiet vastgesteld op 6 millisievert per jaar.
  Onverminderd deze dosislimiet is :
  - de equivalente-dosislimiet voor de ooglens [4 15]4 millisievert per jaar;
  - de equivalente-dosislimiet voor de huid 150 millisievert per jaar; deze limiet is van toepassing op de gemiddelde dosis op elke oppervlakte van 1 cm2 huid, welke ook de blootgestelde oppervlakte moge wezen;
  - de equivalente-dosislimiet voor de handen, de voorarmen, de voeten en de enkels 150 millisievert per jaar.
  Voor de leerlingen en de studenten die niet behoren tot diegenen vermeld in de leden 1 en 2, zijn de dosislimieten gelijk aan deze vastgesteld in artikel 20.1.4 voor de personen van het publiek.
  20.1.6. Blootstelling met speciale vergunning
  In uitzonderlijke omstandigheden die optreden in de loop van normale verrichtingen (behalve als gevolg van radiologische noodsituaties), kunnen de beroepshalve blootgestelde personen worden blootgesteld aan hogere waarden dan deze die worden vastgesteld in artikel 20.1.3, blootstelling met speciale vergunning genoemd, indien welbepaalde verrichtingen het vereisen en wanneer andere technieken, die een dergelijke blootstelling niet met zich meebrengen, niet kunnen worden toegepast, evenwel onder voorbehoud dat de volgende voorwaarden worden nageleefd :
  a) enkel de beroepshalve blootgestelde personen van categorie A, met naam en toenaam aangewezen en op vrijwillige basis, mogen een blootstelling met speciale vergunning ondergaan;
  b) deze blootstelling moet beperkt zijn in tijd en mag zich slechts in bepaalde arbeidszones voordoen;
  c) elke blootstelling met speciale vergunning wordt onderworpen aan twee voorafgaande schriftelijke vergunningen : enerzijds, deze van het Agentschap en anderzijds deze van de erkende geneesheer. Deze moet bij het onderzoek van de vergunningsaanvraag meer in het bijzonder rekening houden met de leeftijd en de gezondheidstoestand van de betrokken personen;
  d) de onderneming geeft een voorafgaande, uiterst nauwkeurige rechtvaardiging voor deze blootstelling en onderwerpt deze, evenals de uitvoeringsmodaliteiten van de geplande verrichting aan een diepgaand onderzoek, samen met de vrijwillige werkers, hun vertegenwoordigers, de erkende geneesheer en [3 de deskundige erkend in de fysische controle]3;
  e) de betrokken beroepshalve blootgestelde personen, evenals hun vertegenwoordigers dienen op voorhand te worden ingelicht over de risico's die ze zullen lopen en de voorzorgsmaatregelen die dienen te worden genomen opdat de blootstelling zo laag als redelijkerwijze mogelijk zou worden gehouden;
  f) de som van de opgelopen doses en van de volgdoses tengevolge van de blootstelling met speciale vergunning mag per 12 opeenvolgende glijdende maanden het dubbele van de jaarlijkse dosislimieten die in artikel 20.1.3 worden vastgesteld, niet overschrijden en evenmin, in de loop van het leven, het vijfvoud van deze dosislimieten overschrijden;
  g) de blootstelling met speciale vergunning van een beroepshalve blootgestelde persoon is verboden in de volgende gevallen :
  1) indien in de 12 maanden die voorafgaan, de jaarlijkse dosislimieten bepaald in artikel 20.1.3 voor deze persoon werden overschreden;
  2) indien deze persoon in het verleden werd blootgesteld bij ongeval of in een noodsituatie, waardoor de som van de doses hoger komt te liggen dan een vijfvoud van de jaarlijkse dosislimieten vastgesteld in artikel 20.1.3;
  3) indien deze persoon een leerling is, een student, een zwangere vrouw of een vrouw die borstvoeding geeft;
  h) indien door een blootstelling met speciale vergunning, een van de jaarlijkse dosislimieten bepaald in artikel 20.1.3 werd overschreden, dan zijn de bepalingen van [4 artikelen V.5-17 en V.5-22 in titel 5 betreffende Ioniserende stralingen van Boek V van de Codex over het welzijn op het werk]4 van toepassing en moeten de daaropvolgende blootstellingsvoorwaarden onderworpen worden aan de goedkeuring van de erkende geneesheer; in ieder geval is het louter overschrijden van de dosislimieten tengevolge van een blootstelling met speciale vergunning niet noodzakelijkerwijze een reden om de werker uit te sluiten van zijn normale werkzaamheden of om hem ergens anders te plaatsen zonder zijn toestemming;
  i) elke blootstelling met speciale vergunning dient ingeschreven te worden in het [4 gezondheidsdossier bedoeld in hoofdstuk VII betreffende de maatregelen in verband met het gezondheidstoezicht op de werknemers van Boek I, titel 4 van de Codex over het welzijn op het werk. De rechtvaardiging van deze blootstelling, de precieze omstandigheden ervan, alsook de waarden van de opgelopen doses en/of de volgdosis voor de betrokken persoon worden hierin opgenomen]4;
  j) [4 ...]4
  20.1.7. Blootstelling van werkers bij ongeval
  Indien na een blootstelling van werkers bij ongeval, één van de jaarlijkse dosislimieten vastgesteld in artikel 20.1.3 werd overschreden, dienen de erop volgende blootstellingsvoorwaarden te worden goedgekeurd door de erkende geneesheer.
  Elke blootstelling bij ongeval dient te worden opgenomen in het [4 gezondheidsdossier bedoeld in hoofdstuk VII betreffende de maatregelen in verband met het gezondheidstoezicht op de werknemers van Boek I, titel 4 van de Codex over het welzijn op het werk. De precieze omstandigheden van de blootstellingen bij ongeval, alsook de waarden van de opgelopen dosis en/of de volgdosis voor de betrokken persoon en de acties die werden genomen naar aanleiding van deze blootstellingen wordt hierin opgenomen]4.
  [4 ...]4
  Indien na een blootstelling bij ongeval één van de jaarlijkse dosislimieten vermeld in artikel 20.1.3 werd overschreden, [4 dan zijn de bepalingen in artikelen V.5-17 en V.5-22 van titel 5 betreffende Ioniserende stralingen van Boek V van de Codex over het welzijn op het werk]4 van toepassing.
  20.2. Beperking van de doses in het kader van interventies [4 en bestaande blootstellingssituaties]4
  20.2.1. Toepassing
  Dit artikel is van toepassing op de interventies bij een radiologische noodsituatie of in geval van een voortdurende blootstelling ten gevolge van de nawerkingen van een radiologische noodsituatie of van een vroegere of reeds bestaande handeling of werkzaamheid, evenals in geval van een [4 bestaande blootstellingssituatie om welke reden dan ook]4, de aanwezigheid van radon in de woningen inbegrepen.
  20.2.2. Algemene beginselen
  De volgende algemene beginselen dienen bij de uitvoering en de modaliteiten, de bepaling van de interventiezone inbegrepen, van elke interventie in acht te worden genomen :
  a) een interventie wordt enkel ondernomen indien de beperking van de schade van radiologische oorsprong voldoende is om de schade en de kosten, de sociale kosten inbegrepen, van de interventie te rechtvaardigen;
  b) de vorm, de omvang en de duur van de interventie worden geoptimaliseerd zodat het voordeel van de beperking van de schade voor de gezondheid, na verdiscontering van de interventiegebonden schade, zo groot mogelijk is;
  c) de dosislimieten vermeld in artikel 20.1 zijn niet van toepassing in geval van een interventie; in het geval echter van een voortdurende blootstelling ten gevolge van de nawerkingen op lange termijn van een radiologische noodsituatie of van het verrichten van een vroegere of een reeds lang bestaande handeling of beroepsactiviteit, [4 alsook in het geval van een bestaande blootstellingssituatie,]4 zijn de dosislimieten die in artikel 20.1.3 werden vastgesteld en de bepalingen van artikel 20.1.1.3 van toepassing voor de werkers die deelnemen aan de interventie, behalve in geval van uitdrukkelijke afwijking die door het Agentschap goedgekeurd is;
  d) de interventieniveaus die een aanwijzing vormen voor de situaties waarin een interventie gepast is, worden uitgewerkt door het Agentschap voor radiologische noodsituaties, voor de situatie van langdurige blootstelling aan radon in woningen en, indien het nodig wordt geacht door het Agentschap, voor elke andere situatie waarop dit artikel van toepassing is;
  [4 e) voor de bestaande blootstellingssituaties waarbij het gaat om een blootstelling aan radon, wordt het referentieniveau van de activiteitsconcentratie in de lucht vastgesteld op 300 Bq/m3;
   f) het referentieniveau van toepassing op de externe blootstelling aan gammastraling afkomstig van bouwmaterialen, die nog bovenop de externe blootstelling buiten komt, bedraagt 1 mSv per jaar.]4
  20.2.3. [4 Blootstellingen in noodsituatie van werknemers, externe werkers en interventiepersoneel]4
  Enkel de vrijwilligers die op voorhand worden geïnformeerd over de risico's van de interventie en over de voorzorgsmaatregelen die dienen te worden getroffen, mogen in een noodsituatie worden blootgesteld.
  Zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven en personen jonger dan 18 jaar mogen geen blootstelling in een noodsituatie ondergaan; vrouwen dienen te worden gewaarschuwd tegen de gevaren van een blootstelling aan ioniserende stralingen in geval een zwangerschap niet uitgesloten kan worden.
  Het Agentschap bepaalt de blootstellingsrichtwaarden voor radiologische noodsituaties voor de betrokken werkers en het interventiepersoneel, rekening houdend met de technische vereisten en de gezondheidsrisico's. Blootstelling boven deze blootstellingsrichtwaarden is toegestaan in uitzonderlijke omstandigheden om mensenlevens te redden, maar alleen voor vrijwilligers die zijn ingelicht over de aan hun interventie verbonden risico's. Deze blootstellingen moeten zo laag als redelijkerwijze mogelijk worden gehouden.
  De werkers en het interventiepersoneel beschikken, behalve in geval van overmacht, over de gepaste beschermingsmiddelen en over een individuele dosimetrische controle of over een dosimetrische schatting verkregen, hetzij op basis van individuele metingen die werden uitgevoerd bij andere blootgestelde personen, hetzij op basis van resultaten van het radiologisch toezicht op de plaatsen van interventie. Al deze controlemiddelen moeten het mogelijk maken om onmiddellijk een schatting te maken van de opgelopen dosis; daarenboven zal, telkens dit mogelijk is, het advies van een [2 deskundige erkend in de fysische controle]2, van een erkende geneesheer of van een persoon die bevoegd is in de stralingsbescherming worden gevraagd vóór het uitvoeren van de interventie.
  Indien, tengevolge van een blootstelling in een noodsituatie, één van de jaarlijkse dosislimieten vastgesteld in artikel 20.1.3 werd overschreden, dienen de daaropvolgende blootstellingsvoorwaarden te worden onderworpen aan de goedkeuring van de erkende geneesheer.
  Elke blootstelling in een noodsituatie dient te worden [4 opgenomen in het gezondheidsdossier als bedoeld in hoofdstuk VII betreffende de maatregelen in verband met het gezondheidstoezicht op de werknemers van Boek I, titel 4 van de Codex over het welzijn op het werk. Daartoe worden in dit document de precieze omstandigheden van deze blootstelling, alsook de waarden van de doses en/of van de volgdoses die door de betrokken persoon werden opgelopen en de maatregelen die naar aanleiding van deze blootstelling in een noodsituatie werden getroffen, opgenomen]4.
  [4 ...]4
  Indien [4 na een blootstelling in een noodsituatie één van de jaarlijkse dosislimieten vermeld in artikel 20.1.3 werd overschreden, zijn de bepalingen opgenomen in de artikelen V.5-17 en V.5-22 van titel 5 betreffende ioniserende stralingen van Boek V van de Codex over het welzijn op het werk]4 van toepassing.
  20.3. Dosisniveaus te gebruiken voor de toepassing van artikel 9.3, in het kader van de blootstelling aan natuurlijke stralingsbronnen
  De beroepsactiviteiten die aanleiding geven tot blootstelling aan natuurlijke stralingsbronnen, vallen geheel of gedeeltelijk onder de bepalingen die van toepassing zijn op de handelingen in het kader van dit reglement, overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, ingeval van :
  - beroepsactiviteiten waarbij werkers en, in voorkomend geval, personen van het publiek worden blootgesteld aan radon en zijn vervalproducten en waarbij de werkers (tijdens hun werk) of de personen van het publiek (op de werkplaats) effectieve doses kunnen oplopen die groter zijn dan [4 6 millisievert]4 per jaar of indien de jaarlijkse blootstelling aan radon [4 600]4 kBq.m-3.h overschrijdt;
  - beroepsactiviteiten gedurende dewelke of ten gevolge waarvan de werkers en/of de personen van het publiek worden blootgesteld aan stralingen door het gebruik of de opslag van materialen die natuurlijke radionucliden bevatten of ten gevolge van de productie van residuen die natuurlijke radionucliden bevatten, en die aanleiding kunnen geven tot effectieve doses die groter zijn dan 1 millisievert per jaar voor de werkers en/of indien de blootstelling van personen van het publiek kan leiden tot een overschrijding van de dosislimieten bepaald in artikel 20.1.4 voor blootstelling afkomstig van handelingen;
  - de exploitatie van vliegtuigen waarbij de blootstelling van het vliegtuigpersoneel aanleiding kan geven tot effectieve doses die groter zijn dan 1 millisievert per jaar.
  ----------
  (1)<KB 2012-04-26/65, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (2)<KB 2018-12-06/17, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (3)<KB 2018-12-06/17, art. 20, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (4)<KB 2020-07-20/16, art. 10, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 21. Bepaling van de effectieve dosis.
  In geval van uitwendige bestraling worden voor de bepaling van de desbetreffende effectieve doses en equivalente doses de in bijlage II vermelde waarden en correlaties gehanteerd.
  Bij inwendige blootstelling ten gevolge van een radionuclide of een mengsel van radionucliden worden voor de bepaling van de effectieve doses de in de bijlagen II en III vermelde waarden en correlaties gebruikt.
  Het Agentschap kan evenwel het gebruik van gelijkwaardige methoden toestaan.

  Art. 22. (voorbehouden)

  Afdeling II. - Fysische en medische controle.

  Voorlichting en plichten van de werknemers.

  Art. 23.[1 - Fysische controle
   23.1. Fysische controle van de ingedeelde inrichtingen
   De exploitant van een ingedeelde inrichting, heeft de verplichting om een dienst in te richten, die hij belast met de organisatie van en het toezicht op de fysische controle.
   Het aan ioniserende straling verbonden risico moet worden beoordeeld in het kader van het dynamisch risicobeheersingssysteem dat de exploitant of het ondernemingshoofd moet instellen krachtens boek I, titel 2 van de Codex over het welzijn op het werk.
   De opdrachten van de dienst voor fysische controle moeten, in voorkomend geval, worden uitgevoerd in overleg met de preventieadviseur(s), de erkende deskundige(n) in de medische stralingsfysica, de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer en de veiligheidsadviseur klasse 7.
   23.1.1. Gemeenschappelijke diensten voor fysische controle
   Meerdere exploitanten kunnen een gemeenschappelijke dienst voor fysische controle inrichten, mits het Agentschap goedkeuring verleent. Deze goedkeuring kan pas worden afgeleverd indien er is voldaan aan de volgende minimale criteria:
   a) de gemeenschappelijke dienst voor fysische controle heeft minstens twee deskundigen erkend in de fysische controle in dienst die deel uitmaken van het personeel van minstens één van de betrokken exploitanten;
   b) de exploitanten die een gemeenschappelijke dienst voor fysische controle oprichten dienen de toegang tot hun installaties te verlenen aan de deskundigen erkend in de fysische controle verbonden aan deze gemeenschappelijke dienst, zelfs indien deze laatste geen deel uitmaken van hun personeel;
   c) er bestaat een juridische, economische of technische link tussen de betrokken exploitanten;
   d) de inrichtingen bevinden zich op dezelfde locatie of in een beperkte geografische zone, zodat de dienst voor fysische controle voldoende aanwezig kan zijn in de verschillende inrichtingen;
   e) een schriftelijk akkoord tussen de betrokken ondernemingen of organisaties legt de verdeling van de taken, van de verantwoordelijkheden evenals de tijdsverdeling van de erkende deskundigen formeel vast;
   f) de gemeenschappelijke dienst voor fysische controle beschikt over de nodige expertise inzake de stralingsrisico's die de activiteiten in de verschillende inrichtingen met zich meebrengen;
   g) de gemeenschappelijke dienst voor fysische controle biedt één of meerdere voordelen ten opzichte van individuele diensten voor fysische controle bij de betrokken exploitanten.
   De goedkeuring kan in de tijd beperkt worden.
   Wanneer het Agentschap van oordeel is dat het de gevraagde goedkeuring niet zal kunnen verlenen, dan deelt het dit mee aan de aanvrager, met daarbij de vermelding dat deze het recht heeft om binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving te worden gehoord.
   Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
   23.1.2. Fysische controle van de inrichtingen van klasse I
   23.1.2.1. Organisatie van de fysische controle
   § 1 Het hoofd van de dienst voor fysische controle is een deskundige erkend in de fysische controle van klasse I, overeenkomstig de bepalingen van artikel 73. Hij is eveneens de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk.
   § 2 De deskundige erkend in de fysische controle organiseert de goede uitvoering van de taken opgenomen in artikel 23.1.5, punten b) en c). De functie van deskundige erkend in de fysische controle, zijnde een personeelslid van de exploitant, wordt permanent ingevuld binnen de dienst voor fysische controle.
   § 3 De exploitant die verantwoordelijk is voor meerdere inrichtingen van klasse I richt een afdeling van de dienst voor fysische controle op, in elke technische bedrijfseenheid in de zin van de wet van 4 augustus 1996 op het welzijn op het werk, die een inrichting van klasse I bevat. Deze afdeling staat onder leiding van een deskundige erkend in de fysische controle van klasse I, adjunct van het hoofd van de dienst voor fysische controle. Hij is eveneens de preventieadviseur belast met de leiding van de afdeling van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk van de betrokken technische eenheid.
   § 4 De exploitant duidt, in elk van zijn inrichtingen, onder zijn personeelsleden agenten voor de stralingsbescherming aan die de taken van fysische controle opgenomen in artikel 23.1.5 a) uitvoeren. Ze zijn functioneel afhankelijk van de dienst voor fysische controle voor wat betreft hun taken van fysische controle. De exploitant heeft evenwel de mogelijkheid een deel van deze taken, onder zijn verantwoordelijkheid en onder toezicht van zijn dienst voor fysische controle, aan agenten voor de stralingsbescherming van onderaannemers toe te vertrouwen in het kader van de uitvoering van specifieke prestaties die niet tot de gebruikelijke activiteiten van de exploitant behoren.
   § 5 De exploitant documenteert in het veiligheidsverslag van zijn inrichtingen de organisatie van de fysische controle met betrekking tot de opdrachten vermeld in artikel 23.1.5. Hier wordt in het bijzonder een beschrijving gegeven van:
   a) de aanduiding van de agenten voor de stralingsbescherming belast met de taken vermeld in artikel 23.1.5 a), alsook de vereiste basis- en voortgezette opleiding voor deze agenten;
   b) de opgestelde processen voor de verwezenlijking van de taken vermeld in artikel 23.1.5, punten b) en c);
   c) de aanduiding en de verantwoordelijkheden van de deskundigen erkend in de fysische controle.
   23.1.2.2. Toezicht op de fysische controle
   In de inrichtingen van klasse I en de voertuigen met kernaandrijving is het Agentschap belast met :
   1° de controle op de goede uitvoering van de dienst voor fysische controle zijn opdracht. Voor de voertuigen met kernaandrijving heeft de controle slechts plaats wanneer ze zich op Belgische grondgebied of in de territoriale wateren of binnenwateren bevinden;
   2° wat het vervoer betreft, de controle van:
   i. de verpakking, het laden en lossen van radioactieve stoffen en gevaarlijke goederen van klasse 7 in de inrichting;
   ii. het vervoer van radioactieve stoffen in de inrichting.
   3° het controleren en goedkeuren van de gunstige beslissingen van de dienst voor fysische controle betreffende:
   a) de punten 3° en 4° van artikel 23.1.5 b) wanneer er voor deze ontwerpen geen nieuwe vergunning nodig is volgens hoofdstuk II;
   b) punt 5° van artikel 23.1.5 b), uitsluitend voor wat betreft de experimenten, proeven, behandelingen en manipulaties in de kernreactoren of met behulp van splijtstoffen. Deze experimenten, proeven, behandelingen en manipulaties mogen niet plaatsvinden zonder deze goedkeuring.
   23.1.3. Fysische controle van de inrichtingen van klasse II en III
   23.1.3.1. Organisatie van de fysische controle
   § 1 Indien de exploitant een erkend deskundige in de fysische controle van klasse I of II onder zijn personeelsleden heeft, vertrouwt hij hem de leiding van zijn dienst voor fysische controle toe. Indien de exploitant geen dergelijke deskundige onder zijn personeelsleden heeft, vertrouwt hij de leiding van de dienst voor fysische controle toe aan een personeelslid die een vorming zoals bepaald in artikel 30.4 heeft gevolgd die de verschillende stralingsrisico's die de activiteiten waarvoor de exploitant verantwoordelijk is met zich meebrengen behandelt.
   § 2 Het hoofd van de dienst voor fysische controle coördineert en organiseert de goede uitvoering van de taken en opdrachten toegewezen aan zijn dienst. Het hoofd van de dienst voor fysische controle heeft rechtstreeks toegang tot het/de hoofd(en) van de inrichting en tot de exploitant.
   § 3 Een deskundige erkend in de fysische controle van klasse I of II voert de taken vermeld in artikel 23.1.5 b) uit. Indien de exploitant geen dergelijke deskundige onder zijn personeelsleden heeft, moet hij, onder zijn verantwoordelijkheid en op kosten van de onderneming, de in artikel 23.1.5 b) vermelde fysische controletaken toevertrouwen aan een instelling voor fysische controle, hiertoe erkend overeenkomstig de bepalingen van artikel 74. Een contract tussen de exploitant en de erkende instelling voor fysische controle wordt afgesloten voor dit doel.
   § 4 De exploitant duidt, in elk van zijn inrichtingen, onder zijn personeelsleden agenten voor de stralingsbescherming aan die de taken van fysische controle opgenomen in artikel 23.1.5 a) uitvoeren. Ze zijn functioneel afhankelijk van de dienst voor fysische controle voor wat betreft hun taken van fysische controle. Deze agenten hebben een opleiding genoten zoals bepaald in artikel 30.4.
   De exploitant heeft evenwel de mogelijkheid om een deel van deze taken, onder zijn verantwoordelijkheid en onder toezicht van zijn dienst voor fysische controle, aan agenten voor de stralingsbescherming van onderaannemers toe te vertrouwen in het kader van de uitvoering van specifieke prestaties die niet tot de gebruikelijke activiteiten van de exploitant behoren.
   § 5 De exploitant moet de nodige regelingen voorzien teneinde een ondersteuning te kunnen verzekeren door een erkende deskundige ingeval zich in zijn inrichting een incident, een ongeval of elke andere gebeurtenis met een stralingsrisico zou voordoen. Indien nodig, doet hij hiervoor een beroep op de wachtdienst van een erkende instelling voor fysische controle als er geen interne erkende deskundige beschikbaar is.
   23.1.3.2. Bezoeken van de deskundige erkend in de fysische controle
   Overeenkomstig de bepalingen van artikel 23.1.5 b), punt 12, voert een deskundige erkend in de fysische controle een evaluatiebezoek uit om de staat van de stralingsbescherming en, in voorkomend geval, de nucleaire veiligheid van de installaties te beoordelen, en dit minstens:
   a) jaarlijks, met een interval begrepen tussen 10 en 14 maanden tussen de bezoeken, in de inrichtingen van klasse III, met uitzondering van de installaties voor interventionele radiologie en de toestellen die röntgenstralen voortbrengen met een piekspanning van meer dan 100 kV en minder dan 200 kV en die gebruikt worden voor industriële radiografie, welke halfjaarlijks met een interval begrepen tussen 4 en 8 maanden tussen de bezoeken moeten worden bezocht;
   b) trimestrieel, met een interval begrepen tussen 2 en 4 maanden tussen de bezoeken, in de installaties van de inrichtingen van klasse II, met uitzondering van:
   i. de installaties in de inrichtingen van klasse IIA, welke maandelijks moeten worden bezocht;
   ii. de volledig afgeschermde toestellen die röntgenstralen met een piekspanning van meer dan 200 kV voortbrengen, de versnellers die worden gebruikt voor ionenimplantatie, de volledig afgeschermde bestralingsapparaten met een vaste bron en de radioactieve meettoestellen die geen hoogactieve ingekapselde bronnen bevatten, welke halfjaarlijks met een interval begrepen tussen 4 en 8 maanden tussen de bezoeken moeten worden bezocht.
   Een verslag vermeldt duidelijk de vaststellingen en conclusies van het bezoek, alsook de eventuele tekortkomingen die de exploitant in orde moet brengen en de termijn waarover hij beschikt om dit te doen. Het Agentschap kan de minimale inhoud van het verslag bepalen. Dit verslag wordt overgemaakt aan de exploitant, of bij ontstentenis het ondernemingshoofd en aan het hoofd van de dienst voor fysische controle. Dit verslag wordt geregistreerd in het documentatiesysteem voorzien in artikel 23.1.6.
   23.1.3.3. Toezicht op de fysische controle
   § 1 In de inrichtingen van klasse II en III is het Agentschap belast met het toezicht op de goede uitvoering van de dienst voor fysische controle zijn opdracht.
   § 2 In de inrichtingen van klasse IIA is het Agentschap belast met :
   a) de controle en goedkeuring van de gunstige beslissingen van de dienst voor fysische controle betreffende de punten 3° en 4° van artikel 23.1.5 b) wanneer er voor deze ontwerpen geen nieuwe vergunning nodig is volgens hoofdstuk II;
   b) voor wat het vervoer betreft, de controle van:
   i. de verpakking, het laden en lossen van radioactieve stoffen en gevaarlijke goederen van klasse 7 binnen de inrichting;
   ii. het vervoer van radioactieve stoffen in de inrichting.
   23.1.4. Overige inrichtingen en ondernemingen
   De bepalingen van de artikelen 23.1.1 tot 23.1.5 zijn ook van toepassing op de ondernemingen waarvan sprake in artikel 5.7, maar niet op de inrichtingen van klasse IV.
   23.1. 5 Taken met betrekking tot de fysische controle
   In de mate waarin deze relevant zijn voor de betrokken handeling omvat de fysische controle onder meer:
   a) De volgende frequente en systematische taken betreffende stralingsbescherming in de installaties:
   1. controleren of de maatregelen, regels en werkprocedures inzake stralingsbescherming nageleefd worden;
   2. zich ervan vergewissen dat de identificatie en het beheer van de radioactieve besmettingen, de aanduiding van de aard van de radioactieve stoffen die aan de basis liggen van de besmetting, hun activiteit, hun massa-, en/of volumetrische en/of oppervlakteconcentratie en hun fysicochemische toestand overeenkomstig de geldende procedures gebeuren;
   3. bepalen van de intensiteit van de straling en aanduiden van de aard van de straling in de gecontroleerde en bewaakte zones;
   4. controleren of de beschermingsmiddelen en -voorzieningen, de meetinstrumenten en de dosimeters beschikbaar zijn, in goede staat van werking verkeren en correct worden gebruikt;
   5. uitvoeren van periodieke evaluaties van de staat van de relevante veiligheids- en alarmsystemen;
   6. passende informatie verschaffen aan personen die een gecontroleerde zone betreden over de specifieke risico's van de gecontroleerde zone evenals de te volgen richtlijnen in geval van een incident of ongeval;
   7. nemen van de dringende maatregelen in geval van een incident of ongeval, inzonderheid in geval van een onverwachte verspreiding van radioactieve stoffen, en de informatie onmiddellijk overmaken aan het hoofd van de dienst voor fysische controle en de deskundige erkend in de fysische controle;
   8. toezicht uitoefenen op het verpakken, laden en lossen van radioactieve stoffen en gevaarlijke goederen van klasse 7 binnen de inrichting;
   9. regelmatig en ten minste eenmaal per jaar - controleren van de hoogactieve ingekapselde bronnen op hun integriteit en, in voorkomend geval, controleren van de uitrustingen die de bronnen bevatten teneinde na te gaan of deze nog aanwezig zijn op de plaats waar ze gebruikt worden of opgeslagen zijn en kennelijk nog in goede staat zijn;
   10. op de hoogte brengen van het hoofd van de dienst voor fysische controle en de deskundige erkend in de fysische controle van elke abnormale situatie.
   Deze taken worden uitgevoerd op basis van de door een deskundige erkend in de fysische controle goedgekeurde instructies en procedures.
   b) De volgende specifieke taken:
   1. het onderzoek en de goedkeuring van de risicoanalyse gericht op stralingsbescherming en, in voorkomend geval, nucleaire veiligheid die de exploitant of het ondernemingshoofd moet uitvoeren krachtens boek I, titel 2 van de Codex over het welzijn op het werk, die de preventiemaatregelen en de passende beschermingsmiddelen bepaalt voor de bevolking, het milieu en de organisatie in haar geheel, op het niveau van elke groep werkposten en op individueel niveau;
   2. wat de stralingsbescherming en, in voorkomend geval, de nucleaire veiligheid betreft:
   a. het onderzoek en de goedkeuring van de afbakening en de signalisatie van de gecontroleerde zones;
   b. [2 het onderzoek en de voorafgaande goedkeuring van het programma voor het individueel dosimetrisch toezicht en de radiologische controle van de werkplaats;]2
   c. het onderzoek en de oplevering van de beschermingsmiddelen en -voorzieningen evenals van de meetinstrumenten, en het onderzoek en de goedkeuring van de procedures voor het correcte gebruik ervan;
   d. het onderzoek en de goedkeuring van de procedures voor de periodieke verificatie van de staat van de relevante veiligheids- en alarmsystemen, van de doeltreffendheid van de hulpmiddelen en beschermingstechnieken, en van de ijking van de meetapparatuur;
   e. [2 het voorstellen van bijkomende beschermingsmiddelen of middelen voor het individueel dosimetrisch toezicht en van gepaste procedures, rekening houdend met het optimaliseringsprincipe bedoeld in artikel 20.1.1.1, en van de reglementaire, normatieve en technische ontwikkelingen, alsook de herzieningen van de risicoanalyse;]2
   f. het onderzoek en de goedkeuring van de werkprocedures voor wat de veiligheid en de stralingsbescherming betreft, en van de procedures die de in geval van een incident of ongeval te nemen maatregelen beschrijven;
   g. het onderzoek en de goedkeuring van de basisopleiding en de permanente vorming van de werknemers die kunnen worden blootgesteld aan ioniserende stralingen en van de agenten voor de stralingsbescherming;
  [2 h. het voorstellen om dosisbeperkingen toe te passen, rekening houdend met het optimaliseringsprincipe bedoeld in artikel 20.1.1.1, en van de reglementaire, normatieve en technische ontwikkelingen, alsook de herzieningen van de risicoanalyse;]2
   3. het onderzoek en de goedkeuring, in het kader van een vergunningsaanvraag inbegrepen, van de nieuwe installaties en handelingen of van eraan aangebrachte wijzigingen, en meer bepaald:
   a. de ontwerpen voor installaties die een blootstellings- of criticaliteitsgevaar inhouden en de inplanting ervan in de inrichting;
   b. de voorstellen tot vrijgave, met inbegrip van de meetprocedures en -technieken om de overeenstemming met de vrijgaveniveaus te na te gaan, voor zover die niet vroeger werden goedgekeurd voor dezelfde materialen en dezelfde procedures;
   c. de plannen voor het stopzetten of langdurig onderbreken van een of meer activiteiten en voor het ontmantelen van de installaties, en voor het hervatten van de activiteit(en) na een langdurige onderbreking;
   d. de plannen voor het vervoer van radioactieve stoffen in de inrichting, voor zover die niet vroeger in een zelfde vorm werden goedgekeurd;
   4. de oplevering van de nieuwe installaties en handelingen of van wijzigingen hieraan;
   5. het onderzoek en de voorafgaande goedkeuring van de experimenten, proeven, behandelingen en manipulaties die wegens hun aard of de omstandigheden gevaar zouden kunnen opleveren, voor zover die niet vroeger in een zelfde vorm werden goedgekeurd;
   6. [2 de bepaling, in overleg met de erkende arbeidsarts belast met het gezondheidstoezicht op de werknemers, externe werkers en hulpverleners in radiologische noodsituaties inbegrepen:
   a. van de resultaten van het individueel dosimetrisch toezicht, met inbegrip van de doses voortvloeiend uit inwendige blootstellingen en de doses te wijten aan blootstellingen bij ongeval, blootstellingen met speciale vergunning en blootstellingen in een noodsituatie;
   b. van de radioactieve besmettingen van personen die resulteerden in ontsmettingsmaatregelen met medische tussenkomst;]2
   7. het voorbereiden op noodsituaties en noodinterventies;
   8. [2 de bepaling, in voorkomend geval in overleg met de erkende deskundige in de medische stralingsfysica, van de omstandigheden waarin blootstellingen ten gevolge van een ongeval of incident, blootstellingen met speciale vergunning of blootstellingen in een noodsituatie zich hebben voorgedaan, en het voorstellen van te nemen maatregelen en te implementeren middelen om herhaling van blootstellingen bij ongeval en in een noodsituatie te voorkomen, en, in voorkomend geval, ervoor te zorgen dat deze worden opgenomen in het risicobeheersingssysteem;]2
   9. wat de hoogactieve ingekapselde bronnen betreft, het onderzoek en de goedkeuring van een testprogramma, zoals dichtheidstesten die voldoen aan de internationale normen, en/of voor controles om de integriteit van elke bron en de uitrustingen die deze bevatten, vast te stellen en te bewaren;
   10. het toezicht op de uitvoering van het programma voor gezondheidstoezicht, voor wat betreft de maatregelen inzake stralingsbescherming;
   11. Het verifiëren van de geschiktheid van de werkpost voor zwangere vrouwen of vrouwen die borstvoeding geven, in overleg met de erkende arbeidsgeneesheer;
   12. het periodieke bezoek ter evaluatie van de staat van de stralingsbescherming en, in voorkomend geval, van de nucleaire veiligheid, in de installaties;
   13. het onderzoek en de voorafgaande goedkeuring van de documenten met betrekking tot de veiligheid van het beheer van het radioactief afval rekening gehouden met de eisen van de beheerder van het radioactief afval, voor het verder beheer ervan in de inrichtingen voor de verwerking, conditionering of berging;
  [2 14. het onderzoek en de voorafgaande goedkeuring van de rechtvaardiging van blootstellingen met speciale vergunning als bedoeld in artikel 20.1.6, d), in overleg met de erkende arbeidsarts voor wat betreft de aspecten gerelateerd met de gezondheid van de betrokken werknemers;]2
  [2 15. het bepalen van de omstandigheden die hebben geleid tot een dosiswaarde die geen weergave is van de reële blootstelling van een werknemer, alsook het rechtzetten van deze dosiswaarde indien de fout niet inherent is aan de procedure voor dosisbepaling toegepast door de erkende dosimetrische dienst of de deskundige erkend in de fysische controle;]2
  [2 16. het toezien op de overdracht van de resultaten van het individueel dosimetrisch toezicht zoals bedoeld in artikel 30.6.]2
   Deze taken worden uitgevoerd volgens processen die zijn beschreven in gecontroleerde documenten die deel uitmaken van een geïntegreerd managementsysteem dat de vereiste prioriteit toekent aan nucleaire veiligheid en stralingsbescherming.
   c) Voor de inrichtingen bedoeld in artikel 3.1 a):
   Het onderzoek en de goedkeuring van:
   1. het door de exploitant volgens de bepalingen van artikel 3 van het besluit van 30 november 2011 houdende veiligheidsvoorschriften voor de kerninstallaties ingevoerde veiligheidsbeleid;
   2. de veiligheidsevaluaties, zoals voorzien in artikel 4.2 van hetzelfde besluit;
   3. de door de exploitant ingevoerde organisatiestructuur en de bijbehorende kwalificaties en opleidingen, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 4.3 van hetzelfde besluit;
   4. het opleidingsplan dat werd opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.1 van hetzelfde besluit;
   5. de lijst met vooronderstelde initiatorgebeurtenissen van de ontwerpbasis, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 7.4 van hetzelfde besluit;
   6. de wijzigingen aan, of afwijkingen van een van de uitbatingslimieten en -voorwaarden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 9.2 van hetzelfde besluit;
   7. het programma voor het beheer van de ervaringsfeedback, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 11.1 van hetzelfde besluit;
   8. programma's voor het onderhoud, het testen, het controleren en het inspecteren van de structuren, systemen en componenten die belangrijk zijn voor de nucleaire veiligheid, alsook hun impact op de nucleaire veiligheid, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 12.1 van hetzelfde besluit;
   9. de bijwerkingen van het veiligheidsrapport, overeenkomstig de bepalingen van artikel 13.3 van hetzelfde besluit;
   10. de syntheserapporten van de periodieke veiligheidsherzieningen, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 14.2, 2e lid, van hetzelfde besluit;
   11. de wijzigingen met een impact op de nucleaire veiligheid en de bijbehorende analyses, overeenkomstig de bepalingen van de artikels 15.1 en 15.3 van hetzelfde besluit;
   12. het intern noodplan, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 16 van hetzelfde besluit;
   13. de kwalificatie van de ontsmettings- of ontmantelingstechnieken, overeenkomstig de bepalingen van artikel 17/4 van hetzelfde besluit;
   14. het veiligheidsrapport van de ontmanteling, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 17/10 van hetzelfde besluit;
   15. de methodologie voor de karakterisering van de eindtoestand, overeenkomstig de bepalingen van artikel 17/12 van hetzelfde besluit;
   16. het finaal ontmantelingsrapport, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 17/12 van hetzelfde besluit;
   17. de lijst met de ontwerpbasisvoorvallen van interne oorsprong, zoals voorzien in artikel 20.3, 1e lid van het zelfde besluit;
   18. de lijst met buitenontwerpongevallen, zoals voorzien in artikel 21.2, 1e lid, van hetzelfde besluit;
   19. de probabilistische veiligheidsstudies, zoals voorzien in artikel 29 van hetzelfde besluit.
   23.1.6. [2 De resultaten van de proeven en alle vaststellingen, bepalingen en goedkeuringen van de dienst voor fysische controle worden gedocumenteerd in een duurzaam systeem dat het mogelijk maakt om elke invoering, validatie, wijziging en verwijdering van gegevens te traceren en om de fysieke persoon die de gegevens heeft ingevoerd, gevalideerd, gewijzigd of verwijderd te identificeren.]2
   Dit systeem omvat de inventaris vermeld in artikel 27bis en een inventaris van alle toestellen die ioniserende straling kunnen uitzenden en van andere apparatuur voor radiotherapie en nucleaire geneeskunde die aanwezig is in de inrichting en van de vloeibare en gasvormige radioactieve lozingen, alsook van de radioactieve afvalstoffen die zijn afgevoerd met inbegrip van de afvalstoffen die kunnen worden verwijderd, gerecycleerd of hergebruikt met toepassing van artikel 35.2. Deze inventarissen worden door de exploitant aan het Agentschap, op haar verzoek of volgens de door haar vastgestelde modaliteiten overgemaakt.
   De documentatie wordt gedurende dertig jaar bewaard op de zetel van de onderneming. Bij stopzetting van alle activiteiten maakt de onderneming deze documenten over aan het Agentschap.
  [2 23.1.7. § 1. De gegevens vermeld in artikel 23.1.5, b), 6., 8., 11. en 15. worden rechtstreeks gemeld aan de erkende arbeidsarts en aan het departement of de afdeling belast met het gezondheidstoezicht van de interne of externe dienst voor preventie en bescherming op het werk. Voor wat de externe werkers betreft, worden deze gegevens rechtstreeks gemeld aan de externe onderneming, aan hun erkende arbeidsarts en aan het departement of de afdeling belast met het gezondheidstoezicht van zijn interne of externe dienst voor preventie en bescherming op het werk of aan de door de zelfstandige externe werker gekozen arts. Deze melding vindt onmiddellijk plaats in noodsituaties.
   § 2. De erkende arbeidsarts wordt in kennis gesteld van de in artikel 23.1.5, b), 1., bedoelde risicoanalyse gericht op stralingsbescherming alsook van de in artikel 23.1.5, b), 2., bedoelde programma's voor het individueel dosimetrisch toezicht en programma's voor basisopleiding en permanente vorming, zodra deze worden goedgekeurd.]2
   23.2. Fysische controle van de ondernemingen die deelnemen aan het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7
   Het ondernemingshoofd van een vervoerder van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of van een organisatie die betrokken is bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of van een onderbrekingssite heeft de verplichting om een dienst in te richten, die hij belast met de organisatie van en het toezicht op de fysische controle.
   Het aan ioniserende stralingen verbonden risico moet worden beoordeeld :
   - voor wat betreft de ondernemingen of organisaties naar Belgisch recht of gevestigd in België, in het kader van het dynamisch risicobeheersingssysteem dat het ondernemingshoofd moet instellen krachtens boek I, titel 2 van de Codex over het welzijn op het werk;
   - voor de overige bedrijven of ondernemingen, in het beheersysteem dat door het ondernemingshoofd werd opgezet volgens de bepalingen van de van kracht zijnde internationale overeenkomsten en reglementen voor het vervoer van gevaarlijke goederen.
   De opdrachten van de dienst voor fysische controle moeten, in voorkomend geval, worden uitgevoerd in overleg met de preventieadviseur(s), de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer en de veiligheidsadviseur(s) klasse 7.
   23.2.1. Gemeenschappelijke diensten voor fysische controle
   Meerdere vervoerders van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of onderbrekingssites kunnen een gemeenschappelijke dienst voor fysische controle inrichten, mits de goedkeuring van het Agentschap. Deze goedkeuring kan pas worden afgeleverd indien er is voldaan aan de volgende minimale voorwaarden:
   a) de gemeenschappelijke dienst voor fysische controle heeft minstens een of meer deskundigen erkend in de fysische controle in dienst die deel uitmaken van het personeel van minstens één van de betrokken ondernemingen of organisaties;
   b) de ondernemingen of organisaties die een gemeenschappelijke dienst voor fysische controle oprichten dienen de toegang tot hun installaties te verlenen aan de deskundigen erkend in de fysische controle verbonden aan deze gemeenschappelijke dienst, zelfs indien deze laatste geen deel uitmaken van hun personeel;
   c) er bestaat een juridische, economische of technische link tussen de betrokken ondernemingen of organisaties;
   d) de ondernemingen of organisaties bevinden zich op dezelfde locatie of in een beperkte geografische zone, zodat de dienst voor fysische controle voldoende aanwezig kan zijn in de verschillende ondernemingen of organisaties;
   e) een schriftelijk akkoord tussen de betrokken ondernemingen of organisaties legt de verdeling van de taken, van de verantwoordelijkheden evenals de tijdsverdeling van de erkende deskundige(n) formeel vast;
   f) de gemeenschappelijke dienst voor fysische controle beschikt over de nodige expertise inzake de stralingsrisico's die de activiteiten in de ondernemingen of organisaties met zich meebrengen;
   g) de gemeenschappelijke dienst voor fysische controle biedt één of meerdere voordelen ten opzichte van individuele diensten voor fysische controle bij de betrokken ondernemingen of organisaties.
   Indien niet aan de voorwaarde vermeld in punt a) van het eerste lid voedoen kan worden, kan de goedkeuring toch door Agentschap worden afgeleverd, indien:
   - de betrokken ondernemingen of organisaties een interne gemeenschappelijke dienst hebben opgericht krachtens boek II, titel 2 van de Codex over het welzijn op het werk en
   - het hoofd van de dienst voor fysische controle, heeft in elk geval een opleiding in stralingsbescherming gevolgd overeenkomstig artikel 30.4 die de verschillende radiologische risico's dekt die verbonden zijn aan de vervoersactiviteiten en
   - de taken van fysische controle vermeld in artikel 23.2.6, b) worden toevertrouwd aan een erkende instelling voor fysische controle overeenkomstig artikel 74.
   De goedkeuring kan in de tijd beperkt worden.
   Wanneer het Agentschap van oordeel is dat het de gevraagde goedkeuring niet kan verlenen, dan deelt het dit mee aan de aanvrager, met daarbij de vermelding dat deze het recht heeft om binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving te worden gehoord.
   Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
   23.2.2. Organisatie van de fysische controle van de vervoersactiviteiten met gevaarlijke goederen van klasse 7
   § 1 In de ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of een bijkomend corrosiviteitsrisico vertonen volgens de internationale regelgeving inzake het vervoer van gevaarlijke goederen, is het hoofd van de dienst voor fysische controle een deskundige erkend in de fysische controle van klasse T1, overeenkomstig de bepalingen van artikel 73.
   In de ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke niet zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen noch een bijkomend corrosiviteitsrisico vertonen, in de organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7 en in de ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor een onderbrekingssite, is het hoofd van de dienst voor fysische controle een deskundige erkend in de fysische controle van klasse T1 of T2, overeenkomstig de bepalingen van artikel 73.
   Indien de onderneming of de organisatie geen dergelijke deskundige onder zijn personeelsleden heeft, vertrouwt het ondernemingshoofd de leiding van de dienst voor fysische controle toe aan:
   - voor wat betreft de ondernemingen of organisaties naar Belgisch recht of gevestigd in België, een persoon die een opleiding in stralingsbescherming heeft gevolgd overeenkomstig artikel 30.4 die de verschillende radiologische risico's dekt die verbonden zijn aan de vervoersactiviteiten. Het hoofd van de dienst voor fysische controle heeft rechtstreeks toegang tot het ondernemingshoofd;
   - voor wat betreft de overige ondernemingen of organisaties, het diensthoofd verantwoordelijk voor het vervoer van goederen van de klasse 7 die de opleidingen dient gevolgd te hebben die voorzien zijn in de bepalingen van de van kracht zijnde internationale overeenkomsten en reglementen voor het vervoer van gevaarlijke goederen.
   § 2 In de ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of een bijkomend corrosiviteitsrisico vertonen, worden de in artikel 23.2.6 b) vermelde taken uitgevoerd door een deskundige erkend in de fysische controle van klasse T1.
   In de ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke niet zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen noch een bijkomend corrosiviteitsrisico vertonen, in de organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 en in de ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor een onderbrekingssite worden de in artikel 23.2.6 b) vermelde taken uitgevoerd door een deskundige erkend in de fysische controle van klasse T1 of T2.
   Indien de onderneming of de organisatie geen dergelijke deskundige onder zijn personeelsleden heeft, moet het ondernemingshoofd, onder zijn verantwoordelijkheid en op kosten van de onderneming of de organisatie, de in artikel 23.2.6 b) vermelde fysische controle taken toevertrouwen aan een instelling voor fysische controle, hiertoe erkend overeenkomstig de bepalingen van artikel 74.
   § 3 Het ondernemings- of organisatiehoofd duidt onder zijn personeelsleden agenten voor de stralingsbescherming aan die zich toeleggen op de fysische controle van de vervoersactiviteiten overeenkomstig de bepalingen van artikel 23.2.6 a). Ze zijn verbonden aan de dienst voor fysische controle voor wat betreft hun taken van fysische controle. Deze agenten hebben een opleiding gekregen zoals bepaald in artikel 30.4.
   § 4 Het ondernemings- of organisatiehoofd moet de nodige regelingen voorzien teneinde een ondersteuning te kunnen verzekeren door een erkende deskundige ingeval zich een incident, een ongeval of elke andere gebeurtenis met een stralingsrisico zou voordoen gedurende de vervoersactiviteiten met gevaarlijke goederen van de klasse 7. Indien nodig, doet hij hiervoor een beroep op de wachtdienst van een erkende instelling voor fysische controle als er geen interne erkende deskundige beschikbaar is.
   23.2.3. Organisatie van de fysische controle voor het eenmalige vervoer en de sporadische behandelingen van gevaarlijke goederen van de klasse 7
   In het geval van een eenmalig vervoer of van sporadische behandelingen van gevaarlijke goederen van de klasse 7 zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 22 oktober 2017 betreffende het transport van gevaarlijke goederen van de klasse 7, afwijkend van de bepalingen van artikel 23.2.2, dienen het hoofd van de fysische controle en de agenten voor de stralingsbescherming geen vorming in stralingsbescherming te volgen overeenkomstig de bepaling van artikel 30.4. Echter, de erkende deskundige in de fysische controle van de klasse T1 of T2 bepaalt, verifieert, en, in voorkomend geval, verzorgt de minimale benodigde vorming aan de agenten voor de stralingsbescherming zodat zij de fysische controle van de vervoersactiviteiten kunnen verzekeren volgens de bepalingen van artikel 23.2.6, a).
   23.2.4. Bezoeken van de deskundige erkend in de fysische controle
   Overeenkomstig de bepalingen van artikel 23.2.6, b), punt 9, voert een deskundige erkend in de fysische controle een evaluatiebezoek uit om de staat van de stralingsbescherming en, in voorkomend geval, de veiligheid, van de vervoersactiviteiten die worden verricht door de vervoerder, door de organisatie die betrokken is bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of in een onderbrekingssite te beoordelen:
   a) jaarlijks, met een interval begrepen tussen 10 en 14 maanden tussen de bezoeken, in de ondernemingen die uitsluitend zijn erkend voor het vervoer van vrijgestelde colli;
   b) halfjaarlijks, met een interval begrepen tussen 4 en 8 maanden tussen de bezoeken, in de ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke niet zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen noch een corrosiviteitsrisico vertonen;
   c) driemaandelijks, met een interval begrepen tussen 2 en 4 maanden tussen de bezoeken, in de ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of een corrosiviteitsrisico vertonen;
   d) halfjaarlijks met een interval begrepen tussen 4 en 8 maanden tussen de bezoeken in de organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7;
   e) halfjaarlijks met een interval begrepen tussen 4 en 8 maanden tussen de bezoeken, in de onderbrekingssites.
   Een verslag moet duidelijk de vaststellingen, en de conclusies van het bezoek vermelden, alsook de eventuele tekortkomingen die het ondernemingshoofd in orde moet brengen en de termijnen waarover hij beschikt om dit te doen. Het Agentschap kan de minimale inhoud van het verslag vastleggen. Dit verslag wordt overgemaakt aan het ondernemingshoofd en aan het hoofd van de dienst voor fysische controle, en wordt geregistreerd in het documentatiesysteem bepaald in artikel 23.2.7.
   23.2.5. Toezicht op de fysische controle
   In de ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7, in de organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 en in de ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor een onderbrekingssite is het Agentschap belast met het toezicht op de goede uitvoering van de door de dienst voor fysische controle van zijn opdracht.
   23.2.6. Taken met betrekking tot de fysische controle
   In de mate waarin deze relevant zijn voor de betrokken handeling omvat de fysische controle onder meer:
   a) De volgende frequente en systematische taken betreffende de stralingsbescherming in de ondernemingen of organisaties :
   1. controleren of de maatregelen, regels en werkprocedures inzake veiligheid en stralingsbescherming nageleefd worden;
   2. zich ervan vergewissen dat de identificatie en het beheer van de radioactieve besmettingen, de aanduiding van de aard van de radioactieve stoffen die aan de basis liggen van de besmetting, hun activiteit, hun massa-, en/of volumetrische en/of oppervlakte concentratie, en hun fysisch-chemische toestand overeenkomstig de geldende procedures gebeuren;
   3. controleren of de beschermingsinrichtingen en -middelen, de meetinstrumenten en de dosimeters beschikbaar zijn, in goede staat van werking verkeren en correct worden gebruikt;
   4. uitvoeren van periodieke evaluaties van de staat van de relevante veiligheids- en alarmsystemen;
   5. passende informatie verschaffen aan blootgestelde werknemers over de risico's en over de richtlijnen die ze moeten volgen in geval van een incident of ongeval;
   6. nemen van de dringende maatregelen in geval van een incident of ongeval, en inzonderheid in geval van een onverwachte verspreiding van radioactieve stoffen, en de informatie onmiddellijk overmaken aan het hoofd van de dienst voor fysische controle en de deskundige erkend in de fysische controle;
   7. toezicht uitoefenen op de vervoersactiviteiten die worden verricht door de vervoerder, door de organisatie die betrokken is bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7 of in een onderbrekingssite;
   8. op de hoogte brengen van het hoofd van de dienst voor fysische controle en de deskundige erkend in de fysische controle van elke abnormale situatie.
   Deze taken worden uitgevoerd op basis van de door een deskundige erkend in de fysische controle goedgekeurde instructies en procedures.
   b) De volgende specifieke taken:
   1. het onderzoek en de goedkeuring van de risicoanalyse gericht op stralingsbescherming en, in voorkomend geval, nucleaire veiligheid die het ondernemingshoofd moet uitvoeren krachtens boek I, titel 2 van de Codex over het welzijn op het werk en die de preventiemaatregelen en de passende beschermingsmiddelen bepaalt voor de bevolking, het milieu en de organisatie in haar geheel, op het niveau van de vervoersactiviteiten die worden verricht door de vervoerder, door de organisatie die betrokken is bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of in een onderbrekingssite;
   2. wat de stralingsbescherming en, in voorkomend geval, de nucleaire veiligheid betreft :
   a. [2 het onderzoek en de voorafgaande goedkeuring van het programma voor het individueel dosimetrisch toezicht en de radiologische controle van de werkplaats;]2
   b. het onderzoek en de oplevering van de hulpmiddelen en beschermingsmiddelen, evenals van de meetinstrumenten, en het onderzoek en de goedkeuring van de procedures voor het correcte gebruik ervan;
   c. het onderzoek en de goedkeuring van de procedures voor de periodieke verificatie van de staat van de relevante veiligheids- en alarmsystemen, van de doeltreffendheid van de hulpmiddelen en beschermingstechnieken, en van de ijking van de meetapparatuur;
   d. [2 het voorstellen van bijkomende beschermingsmiddelen of middelen voor het individueel dosimetrisch toezicht en van gepaste procedures, rekening houdend met het optimaliseringsprincipe bedoeld in artikel 20.1.1.1, en van de reglementaire, normatieve en technische ontwikkelingen, alsook de herzieningen van de risicoanalyse;]2
   e. het onderzoek en de goedkeuring van de werkprocedures voor wat de veiligheid en de stralingsbescherming betreft, en van de procedures die de in geval van een incident of ongeval te nemen maatregelen beschrijven;
   f. het onderzoek en de goedkeuring van de basisopleiding en de permanente vorming van de werknemers die kunnen worden blootgesteld aan ioniserende stralingen en van de agenten voor de stralingsbescherming;
  [2 g. het voorstellen om dosisbeperkingen toe te passen, rekening houdend met het optimaliseringsprincipe bedoeld in artikel 20.1.1.1, en van de reglementaire, normatieve en technische ontwikkelingen, alsook de herzieningen van de risicoanalyse;]2
   3. het onderzoek en de goedkeuring, in het kader van een erkennings- of vergunningsaanvraag inbegrepen, van de nieuwe handelingen of van wijzigingen eraan, en meer bepaald:
   a. de ontwerpen voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7;
   b. de ontwerpen voor de oprichting van een organisatie die betrokken is bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7;
   c. de ontwerpen voor de inrichting van een onderbrekingssite of van elke onderbreking van transport voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7;
   d. de plannen voor het stopzetten of langdurig onderbreken van een of meer activiteiten of voor het ontmantelen of buiten gebruik stellen van de uitrustingen, voertuigen en/of installaties, en voor het hervatten van de activiteit(en) na een langdurige onderbreking;
   4. [2 De bepaling, in overleg met de erkende arbeidsarts belast met het gezondheidstoezicht op de werknemers, externe werkers en hulpverleners in radiologische noodsituaties inbegrepen:
   a. van de resultaten van het individueel dosimetrisch toezicht, met inbegrip van de doses voortvloeiend uit inwendige blootstelling en de doses te wijten aan blootstellingen bij ongeval, blootstellingen met speciale vergunning en blootstellingen in een noodsituatie;
   b. van de radioactieve besmettingen van personen die resulteerden in ontsmettingsmaatregelen met medische tussenkomst;]2
   5. het voorbereiden op blootstellingen en interventies in noodsituaties;
   6. [2 De bepaling, in voorkomend geval in overleg met de erkende deskundige in de medische stralingsfysica, van de omstandigheden waarin blootstellingen ten gevolge van een ongeval of incident, blootstellingen met speciale vergunning of blootstellingen in een noodsituatie zich hebben voorgedaan, en het voorstellen van te nemen maatregelen en te implementeren middelen om herhaling van blootstellingen bij ongeval en in een noodsituatie te voorkomen, en, in voorkomend geval, ervoor te zorgen dat deze worden opgenomen in het risicobeheersingssysteem;]2
   7. het toezien op de uitvoering van het programma voor gezondheidstoezicht voor wat betreft de maatregelen inzake stralingsbescherming;
   8. het verifiëren van de geschiktheid van de werkpost voor zwangere of vrouwen die borstvoeding geven, in overleg met de erkend geneesheer;
   9. het uitvoeren van periodieke bezoeken ter evaluatie van de staat van de stralingsbescherming, en in voorkomend geval van de nucleaire veiligheid van de vervoersactiviteiten die worden verricht door de vervoerder, door de organisatie die betrokken is bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of in een onderbrekingssite.
  [2 10. het onderzoek en de voorafgaande goedkeuring van de rechtvaardiging van blootstellingen met speciale vergunning als bedoeld in artikel 20.1.6, d), in overleg met de erkende arbeidsarts voor wat betreft de aspecten gerelateerd met de gezondheid van de betrokken werknemers;]2
  [2 11. het bepalen van de omstandigheden die hebben geleid tot een dosiswaarde die geen weergave is van de reële blootstelling van een werknemer, alsook het rechtzetten van deze dosiswaarde indien de fout niet inherent is aan de procedure voor dosisbepaling toegepast door de erkende dosimetrische dienst of de deskundige erkend in de fysische controle;]2
  [2 12. het toezien op de overdracht van de resultaten van het individueel dosimetrisch toezicht zoals bedoeld in artikel 30.6.]2
   Deze taken worden uitgevoerd volgens processen die zijn beschreven in gecontroleerde documenten die deel uitmaken van een geïntegreerd managementsysteem dat de vereiste prioriteit toekent aan nucleaire veiligheid en stralingsbescherming.
   23.2.7. [2 De resultaten van de proeven en alle vaststellingen, bepalingen en goedkeuringen van de dienst voor fysische controle worden gedocumenteerd in een duurzaam systeem dat het mogelijk maakt om elke invoering, validatie, wijziging en verwijdering van gegevens te traceren en om de fysieke persoon die de gegevens heeft ingevoerd, gevalideerd, gewijzigd of verwijderd te identificeren.]2
  [2 23.2.8. § 1. De gegevens vermeld in artikel 23.2.6, b), 4., 6., 8., en 11., worden rechtstreeks gemeld aan de erkende arbeidsarts en aan het departement of de afdeling belast met het gezondheidstoezicht van de interne of externe dienst voor preventie en bescherming op het werk. Voor wat de externe werkers betreft, worden deze gegevens rechtstreeks gemeld aan de externe onderneming, aan hun erkende arbeidsarts en aan het departement of de afdeling belast met het gezondheidstoezicht van zijn interne of externe dienst voor preventie en bescherming op het werk of aan de door de zelfstandige externe werker gekozen arts. Deze melding vindt onmiddellijk plaats in noodsituaties.
   § 2. De erkende arbeidsarts wordt in kennis gesteld van de in artikel 23.2.6, b), 1., bedoelde risicoanalyse gericht op stralingsbescherming alsook van de in artikel 23.2.6, b), 2., bedoelde programma's voor het individueel dosimetrisch toezicht en programma's voor basisopleiding en permanente vorming, zodra deze worden goedgekeurd.]2
   De documentatie wordt gedurende dertig jaar bewaard op de zetel van de onderneming of van de organisatie. Bij stopzetting van alle activiteiten maakt de onderneming of de organisatie deze documenten over aan het Agentschap.
   23.3. Studenten, leerlingen en stagiairs
   Onverminderd de bepalingen van titel 3 en 4 van boek X, van de Codex over het welzijn op het werk, zorgt het radiologisch controlesysteem voor een bescherming van de leerlingen, stagiairs en studenten die minstens equivalent is met deze van de werknemers.
   23.4. Aan de dienst voor fysische controle toegekende middelen
   De exploitant, of het ondernemingshoofd, moet aan zijn dienst voor fysische controle alle menselijke en materiële middelen evenals de informatie en documenten bezorgen die nodig zijn voor de uitvoering van zijn opdracht.
   Onverminderd artikel 30.1 waarborgt de exploitant, of het ondernemingshoofd, dat de deskundigen erkend in de fysische controle, voor de uitvoering van hun opdrachten, toegang krijgen tot de installaties en/of uitrustingen bedoeld in de reglementering betreffende de ioniserende stralingen.
   23.5. Bescherming van het hoofd van de dienst voor fysische controle
   De exploitant of het ondernemingshoofd kan de overeenkomst met het hoofd van de dienst voor fysische controle enkel beëindigen, of hem verwijderen uit deze functie om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening hiervan of om redenen waaruit blijkt dat hij niet bekwaam is om zijn opdrachten te vervullen.
   Het akkoord van het Comité voor preventie en bescherming op het werk is vereist wanneer een dergelijk Comité bestaat. In geval van verdeeldheid in zijn Comité voor preventie en bescherming op het werk, geeft het Agentschap een advies dat wordt gemeld aan de werkgever met een aangetekend schrijven.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-12-06/17, art. 21, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (2)<KB 2020-07-20/15, art. 23, 029; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 24.[1 Gezondheidstoezicht
   24.1 De artsen belast met het toezicht bedoeld in titel 5 betreffende ioniserende stralingen van Boek V van de codex over het welzijn op het werk moeten erkend zijn overeenkomstig artikel 75.
   De erkende arts oefent het gezondheidstoezicht niet uit op de beroepshalve blootgestelde personen die zich onder zijn gezag bevinden.
   Om het nodige personeel vrij te maken, kan het gezondheidstoezicht in een radiologische noodsituatie of voor beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen worden aangewend aan niet-erkende artsen worden uitbesteed mits dit wordt uitgeoefend onder het toezicht van een erkende arts.
   24.2 De erkende arts, in voorkomend geval in overleg met de deskundige erkend in fysische controle en onverminderd titel 5 betreffende ioniserende stralingen van Boek V van de Codex over het welzijn op het werk:
   1° onderzoekt de risicoanalyse gericht op de stralingsbescherming en maakt in voorkomend geval zijn opmerkingen en bijdragen betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers kenbaar aan de werkgever;
   2° onderzoekt de inhoud van de programma's voor de basisopleiding en permanente vorming van de werknemers en maakt zijn opmerkingen en bijdragen betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers kenbaar aan de werkgever;
   3° stelt verbeteringen voor met betrekking tot de geschiktheid van de beschermingsmiddelen en de middelen voor het individueel dosimetrisch toezicht voor wat betreft het gezondheidstoezicht op de werknemers en met name in relatie met de vereisten inzake ergonomie en arbeidshygiëne alsook met de individuele gezondheidstoestand van de werknemers;
   4° onderzoekt, en hecht zijn voorafgaande goedkeuring aan de rechtvaardiging van blootstellingen met speciale vergunning, als bedoeld in artikel 20.1.6, voor de aspecten die verband houden met het toezicht op de gezondheid van de betrokken werknemers;
   5° evalueert en interpreteert vanuit gezondheidsoogpunt de doses en besmettingen bedoeld in de artikelen 23.1.5, b), 6 en 23.2.6, b), 4;
   6° ziet erop toe dat de resultaten van het individueel dosimetrisch toezicht van de werknemers, de informatie over de precieze omstandigheden van blootstellingen bij ongeval, blootstellingen met speciale vergunning en blootstellingen in een noodsituatie, de maatregelen die werden genomen naar aanleiding van blootstellingen bij ongeval en blootstellingen in een noodsituatie, alsook de rechtvaardiging van de blootstellingen met speciale vergunning worden opgetekend in het gezondheidsdossier van de betrokken werknemers voorzien in hoofdstuk VII betreffende de maatregelen in verband met het gezondheidstoezicht op de werknemers van Boek I, titel 4 van de Codex over het welzijn op het werk;
   7° oefent regelmatig toezicht uit op de resultaten van het individueel dosimetrisch toezicht van de werknemers om snel te kunnen reageren in geval van een abnormale of hoge dosis, met name door het voorstellen van de invoering van dosisbeperkingen;
   8° evalueert in geval van een blootstelling bij ongeval van een werknemer het mogelijke effect daarvan op de gezondheid van de werknemer, en brengt advies uit over de in voorkomend geval vereiste medische behandeling na deze blootstelling.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 11, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 25.[1 Informatie en vorming van de werknemers en externe werkers, leerlingen, studenten en personen die kunnen worden blootgesteld aan ioniserende stralingen
   25.1. Algemene bepalingen
   25.1.1 Informatie
   Onverminderd de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de Codex over het welzijn op het werk, informeert de exploitant, en bij ontstentenis het ondernemingshoofd, de werknemers en externe werkers die kunnen blootgesteld worden aan ioniserende stralingen, inclusief deze die worden ingeschakeld in geval van een radiologische noodsituatie, vóór hun tewerkstelling op de werkpost, over:
   1° de arbeidsrisico's op het vlak van de gezondheid en de eventuele eerste hulp;
   2° de basisnormen in verband met de bescherming tegen de blootstelling aan ioniserende stralingen, zoals bepaald in Afdeling I van dit hoofdstuk;
   3° de regels van goede praktijk voor een doeltreffende bescherming en de te nemen collectieve en individuele voorzorgen;
   4° de betekenis van waarschuwingstekens, symbolen en vermeldingen waarvan het gebruik door dit reglement is opgelegd;
   5° de onderrichtingen in noodgeval op het niveau van de werkpost en het intern noodplan van de onderneming;
   6° het belang van de naleving van de technische, medische en administratieve voorschriften;
   7° het veilig beheer van hoogactieve ingekapselde bronnen en mogelijke risico's van het wegvallen van een passende controle hierop;
   8° de stralingsbeschermingsmethoden en voorzorgsmaatregelen die van toepassing zijn op zowel de handeling in het algemeen als elk type werkpost of taak die hun wordt toegewezen.
   De werknemers en externe werkers van het vrouwelijke geslacht worden geïnformeerd over het risico van ioniserende stralingen voor het embryo en de foetus en op de noodzaak en de plicht van een zo vroeg mogelijke aangifte van de zwangerschap. Ze worden geïnformeerd over het risico de zuigeling bij de borstvoeding te besmetten en over het belang om hun intentie om borstvoeding te geven kenbaar te maken.
   De informatie wordt regelmatig opgefrist, in functie van de noodwendigheden en minstens één maal per jaar.
   Deze informatie wordt schriftelijk ter beschikking gesteld.
   25.1.2 Vorming
   Bijkomend aan de informatie organiseert de exploitant, en bij ontstentenis het ondernemingshoofd, voldoende en aangepaste vorming voor iedere werknemer en externe werker speciaal gericht op zijn werkpost of functie, over de aanwending van toestellen en stoffen die ioniserende stralingen uitzenden.
   De exploitant die verantwoordelijk is voor hoogactieve ingekapselde bronnen zorgt dat de opleiding specifieke voorschriften voor het veilig beheer en de beveiliging ervan omvat, opdat de betrokken werknemers en externe werkers naar behoren voorbereid zijn op gebeurtenissen die de stralingsbescherming kunnen beïnvloeden.
   De vorming wordt gegeven:
   1° bij indienstneming;
   2° bij overplaatsing of verandering van functie;
   3° bij verandering van of invoering van een nieuw arbeidsmiddel;
   4° bij invoering van een nieuwe technologie.
   De vorming wordt in functie van de noodwendigheden herhaald en wordt gedocumenteerd.
   25.1.3 Aanplakking van onderrichtingen betreffende de bediening en de uitbating van de installatie
   Nauwkeurige onderrichtingen betreffende de bediening en de uitbating van de installatie, de normaal en bij ongeval te treffen voorzorgsmaatregelen en de diverse na te leven verbodsbepalingen worden zichtbaar op alle plaatsen aangeplakt waar zulks in overleg met de deskundige erkend in fysische controle noodzakelijk geacht wordt.
   25.1.4 Leerlingen en studenten
   De leerlingen en de studenten van 16 jaar of meer die zich voorbereiden op een beroep waarbij zij aan ioniserende stralingen zullen worden blootgesteld, of die uit hoofde van hun studie gebruik moeten maken van bronnen, ontvangen, vanwege de exploitant, en bij ontstentenis het ondernemingshoofd, dezelfde informatie en vorming als de werknemers.
   25.1.5 informatie en vorming van personen die geen deel uitmaken van het personeel van de onderneming
   Het ondernemingshoofd vergewist er zich van dat de personen, die niet tot het personeel van de onderneming behoren maar die in zijn onderneming zullen blootgesteld worden aan ioniserende stralingen, de nodige informatie en vorming ontvangen hebben. In het tegenovergestelde geval organiseert hij deze zelf.
   25.1.6 Modaliteiten
   De kosten van de informatie en de vorming zijn ten laste van de exploitant en bij ontstentenis van het ondernemingshoofd.
   De informatie en de vorming worden gegeven tijdens de werktijd.
   25.2 Voorafgaande informatie van werknemers en externe werkers die van tevoren geïdentificeerd werden om bij interventies in radiologische noodsituaties ingeschakeld te worden
   De werknemers en externe werkers die van tevoren geïdentificeerd werden om bij interventies in radiologische noodsituaties ingeschakeld te worden, worden geïnformeerd omtrent de risico's die hun interventies kunnen inhouden en over de voorzorgsmaatregelen die ze moeten treffen.
   De informatie is aangepast aan het type van de interventie en wordt regelmatig bijgewerkt. De informatie houdt rekening met de verschillende mogelijke noodsituaties die zich kunnen voordoen en het soort interventie. Desgevallend omvat ze ook praktische oefeningen.
   De informatie wordt regelmatig opgefrist, in functie van de noodwendigheden en minstens eens om de drie jaar.
   Van zodra er zich een noodsituatie voordoet, wordt de in het eerste lid vermelde informatie herhaald en aangevuld met de aan de omstandigheden aangepaste relevante informatie.
   De intervenanten die zich met kennis van zaken opnieuw als vrijwilliger opgeven ontvangen ook instructies wanneer het risico bestaat dat het referentieniveau wordt overschreden.
   25.3 Voorafgaande informatie van de werknemers en externe werkers die niet van tevoren geïdentificeerd werden om bij interventies in radiologische noodsituaties ingeschakeld te worden
   De werknemers en externe werkers die niet van tevoren geïdentificeerd werden om bij interventies in radiologische noodsituaties ingeschakeld te worden, worden vóór hun interventie voldoende geïnformeerd omtrent de risico's voor hun gezondheid en over de te nemen voorzorgsmaatregelen die ze in dergelijke gevallen moeten nemen.
   Deze informatie houdt rekening met de bestaande noodsituatie en de specifieke interventieomstandigheden.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 12, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 26.Plichten van de werknemers en externe werkers.
  Elke werknemer en externe werker moet de bovenstaande onderrichtingen en de bepalingen van dit reglement naleven. Het is hem verboden zich onnodig aan straling bloot te stellen, de beveiligingsmiddelen te beschadigen of weg te nemen. Hij meldt onmiddellijk, ten minste aan de dienst voor fysische controle, elke onregelmatigheid of defect aan de beschermingsmiddelen.
  Bovendien moet hij, voor zover mogelijk, zijn eigen bijdrage leveren tot zijn eigen radiologische bescherming.
  [1 Een bijzondere aandacht zal worden besteed aan de noodzaak en de plicht van een zo vroeg als mogelijke aangifte van de zwangerschap.]1
  ----------
  (1)<KB 2012-04-26/65, art. 7, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2012>

  Afdeling III. - Algemene beschermingsmiddelen en -procédés.

  Art. 27. Veiligheidsfactor.
  De ondernemingen dienen beschermingsmiddelen in het werk te stellen die toelaten een doeltreffende bescherming, zoals bepaald in artikel 2, te verzekeren.
  De toestellen en installaties die niet of niet meer beantwoorden aan de bepalingen van dit reglement moeten buiten gebruik gesteld worden tot aan de vastgestelde tekortkomingen is verholpen.
  Voor de toepassing van het eerste lid, worden de volgende veiligheidsfactoren als fundamenteel beschouwd en alleen of gezamenlijk aangewend :
  1° Bescherming door de afstand :
  In dit geval worden de onontbeerlijke maatregelen getroffen om de onvrijwillige benadering van de bronnen doelmatig te verhinderen.
  2° Bescherming door pantsering van de bronnen :
  Wanneer de pantsering het enig gebruikte beschermingsmiddel is, mag de bij aanraking van het oppervlak van de pantsering ontvangen dosis niet meer dan 0,02 millisievert per uur bedragen.
  3° Bescherming van de lokalen met schermen :
  In dit geval moeten de in de schermen aangebrachte openingen desnoods van doelmatige beschermingsmiddelen voorzien zijn.
  4° Bescherming door het voorkomen van besmettingen :
  In dit geval worden de volgende beginselen nageleefd :
  a) men gebruikt bij voorkeur ingekapselde bronnen;
  b) men gebruikt radioactieve stoffen met de zwakst mogelijke radiotoxiciteit;
  c) men gebruikt de geringst mogelijke hoeveelheden radioactieve stoffen;
  d) men vermijdt de verspreiding van radioactieve stoffen;
  e) men vermijdt verlies of diefstal van radioactieve stoffen;
  f) men vangt zorgvuldig de radioactieve afvalstoffen op;
  g) men houdt een nauwkeurige boekhouding van de radioactieve stoffen bij, wat onder meer moet toelaten ze op elk ogenblik efficiënt te lokaliseren;
  h) de uitrusting van het arbeidslokaal wordt aangepast aan de activiteit, aan de radiotoxiciteit en aan de fysische en chemische kenmerken van de in bezit gehouden of gebruikte radioactieve stoffen, alsook aan de voorziene bewerkingen;
  i) de radioactieve stoffen in niet-ingekapselde vorm worden slechts behandeld in de lokalen die zodanig ontworpen en/of uitgerust zijn dat de eventuele besmettingen gemakkelijk kunnen worden verwijderd;
  j) er wordt een zodanige werkmethode aangenomen dat het risico voor besmetting van de personen tot het minimum wordt beperkt.
  5° Bescherming door beperking van de blootstellingstijd :
  Deze bescherming kan worden verkregen door de verplaatsingssnelheid van de bron, door de snelheid waarmee de behandeling of de bewerking geschiedt of door de beperking van de werktijd en de beurtregeling van het personeel.
  Onverminderd de bepalingen van artikel 20.1 dient bij de studie en het ontwerp van beschermingsmiddelen, evenals bij hun gebruik in de bestaande installaties, bij voorrang beroep gedaan te worden op collectieve beschermingsmiddelen die het stralings- en besmettingsniveau beperken, eerder dan op individuele beschermingsmiddelen.

  Art. 27bis. [1 Inventaris
   1. De exploitant houdt een inventaris bij van alle radioactieve stoffen die in de inrichting aanwezig zijn. Voor de radioactieve bronnen en de radioactieve afvalstoffen is een permanente en nauwkeurige inventarisatie vereist.
   Het Agentschap kan de modaliteiten van deze inventaris vaststellen. Deze modaliteiten omvatten het type van vereiste informatie en de frequentie van bijwerking ervan.
   Deze inventaris wordt ter beschikking gehouden van het Agentschap en van NIRAS.
   2. Met uitzondering van de inrichtingen die daarvoor specifiek vergund werden, moet :
   1° de aanwezigheid in de vergunde inrichting van radioactieve bronnen of van andere radioactieve stoffen die gedurende 5 jaren niet meer gebruikt werden en waarvoor binnen de inrichting geen verder gebruik voorzien is, gerechtvaardigd worden. De rechtvaardiging wordt overgemaakt aan het Agentschap.
   Indien het Agentschap van oordeel is dat de rechtvaardiging onvoldoende is, kan het de exploitant verplichten om de radioactieve bronnen of de radioactieve stoffen te verwijderen uit de inrichting.
   2° wanneer binnen de vergunde inrichting een bron of stoffen worden gedeclareerd als "radioactief afval", binnen de zes maanden of volgens de modaliteiten bepaald door NIRAS en gekend door het Agentschap met betrekking tot de afvoer van dergelijke afvalstoffen, een notificatie tot afvoer van deze bron of deze stoffen ingediend worden bij NIRAS.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2018-05-29/10, art. 16, 023; Inwerkingtreding : 28-06-2018>
  

  Art. 27ter. [1 Opslag buiten gebouwen
   27ter.1 Elke opslag van radioactieve stoffen buiten gebouwen is verboden, tenzij:
   1° deze opslag vergund is krachtens artikel 6 of 17.2;
   of,
   2° onverminderd het koninklijk besluit van 22 oktober 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7, deze opslag:
   a) gebeurt in een inrichting van klasse I zoals gedefinieerd in artikel 3.1.a);
   b) geen wijziging van de inrichting uitmaakt die, krachtens artikel 12 het voorwerp moet uitmaken van een nieuwe vergunning of milieueffectbeoordeling;
   c) gerechtvaardigd is overeenkomstig de bepalingen van artikel 27ter.4;
   d) het voorwerp uitmaakt van een positieve beslissing van de dienst voor fysische controle overeenkomstig de artikelen 23.1.5, b), 4 en 23.1.2.2, 3°, a);
   e) radioactieve stoffen betreft die voldoen aan de bepalingen van artikel 27ter2.2;
   f) gebeurt in gesloten containers die voldoen aan de bepalingen van artikel 27ter.3;
   g) enkel radioactieve stoffen bevat die er niet langer blijven dan twee jaar;
   of,
   3° onverminderd het koninklijk besluit van 22 oktober 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7, deze opslag:
   a) gebeurt in een inrichting van klasse I zoals gedefinieerd in artikel 3.1.a);
   b) colli, containers of tanks betreft bedoeld in het koninklijk besluit van 22 oktober 2017 betreffende het vervoer van de gevaarlijke goederen van de Klasse 7 die maximaal 1 week buiten gebouwen worden geplaatst met het oog op hun vervoer overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 oktober 2017;
   c) het voorwerp uitmaakt van een positieve beslissing van de dienst voor de fysische controle;
   d) radioactieve stoffen betreft die voldoen aan de bepalingen van artikel 27ter2 1° en 2°.
   27ter.2 De criteria voor radioactieve stoffen bedoeld in artikels 27ter.1, 2°, e), en 3°, d), zijn de volgende:
   1° de radioactieve stoffen vast zijn, niet eenvoudig te verspreiden zijn en stabiel zijn in het milieu waarin ze zijn opgeslagen;
   2° de radioactieve stoffen geen splijtbaar materiaal of ingekapselde bronnen bevatten;
   3° de gemeten of op een gefundeerde schatting gebaseerde activiteitsconcentratie van de radioactieve stoffen niet groter is dan 1000 maal de waardes per radionuclide zoals vermeld in Tabel A van Bijlage IA. In het geval van mengsels van meer dan één radionuclide, bedraagt de som van de verhoudingen, zoals gedefinieerd in bijlage IA.6, niet meer dan 1000;
   4° de gemeten of op een gefundeerde schatting gebaseerde totale activiteit van de radioactieve stoffen in buitenopslag van een inrichting niet groter is dan 50 000 maal de waarde per radionuclide zoals vermeld in Tabel A van bijlage IA. Voor mengsels van radionucliden bedraagt de som van de verhoudingen niet meer dan 50 000;
   5° de radioactieve stoffen met een afneembare oppervlaktebesmetting hoger dan 0,4 Bq/cm2 voor beta-en gammastralers of 0,04 Bq/cm2 voor alfastralers, worden verpakt voor ze mogen worden opgeborgen in de containers bedoeld in artikel 27ter.1, 2°, f). De afneembare oppervlaktebesmetting de buitenoppervlakte van deze insluitingsbarrière bedraagt maximaal 0,4 Bq/cm2 voor beta-en gammastralers en 0,04 Bq/cm2 voor alfastralers;
   6° het equivalente dosisdebiet op contact van niet afgeschermde radioactieve stoffen niet meer bedraagt dan 2 mSv/h;
   7° deze radioactieve stoffen:
   a) onvrijwillig geproduceerd zijn;
   of
   b) uitrusting zijn waarvoor een verder gebruik is voorzien.
   of
   c) radioactief afval zijn waarvoor ofwel de verwijdering naar NIRAS reeds aanvaard is, ofwel behandeling reeds bestaat in de inrichting en op korte termijn in werking zal worden gesteld.
   De verpakking bedoeld in 5° van het voorgaande lid is niet vereist in het geval radioactieve stoffen die overeenkomstig de van kracht zijnde internationale overeenkomsten en reglementen voor het vervoer van gevaarlijke goederen geclassificeerd worden als SCO-I.
   27ter.3 De containers bedoeld in artikel 27ter.1, 2°, f) :
   1° zijn omschreven in de van kracht zijnde internationale overeenkomsten en reglementen voor het vervoer van gevaarlijke goederen;
   2° voldoen minstens aan de voorschriften voor een model van coli van het type IP-2, overeenkomstig de van kracht zijnde internationale overeenkomsten en reglementen voor het vervoer van gevaarlijke goederen;
   3° hebben een equivalent contactdosisdebiet van niet meer dan 2 mSv/h en een afwrijfbare oppervlaktebesmetting die niet meer bedraagt dan 0,4 Bq/cm2 voor de bèta- en gammastralers en 0,04 Bq/cm2 voor de alfastralers.
   27ter.4 Het rechtvaardigingsdossier voor de opslag buiten gebouwen bedoeld in 27ter.1, 2°, c) bevat minstens volgende elementen:
   1° de motivering van de noodzaak tot opslag buiten een gebouw;
   2° de verklaring van het tijdelijk karakter van de opslag buiten gebouwen;
   3° een studie betreffende de optimalisatie van de duur van de opslag van de radioactief stoffen;
   4° een plan om alle stoffen te verwijderen of over te brengen naar een gebouw;
   5° de preventieve en correctieve acties om de omvang van de stoffen in buitenopslag te beperken;
   6° de planning om deze acties uit te voeren en de controle van hun doeltreffendheid.
   27ter.5 Voor de opslag buiten gebouwen van de radioactieve stoffen beschikt de exploitant over:
   1° een geactualiseerde inventaris van de radioactieve stoffen die een overzicht bevat van de opname en verwijdering van elke radioactieve stof in de buitenopslag en die de volledige duurtijd van de buitenopslag beslaat;
   2° een aan de belasting aangepaste grondplaat;
   3° een operationeel controlesysteem, om de afwezigheid van verspreiding van de radioactieve stoffen op te volgen, minstens omvattende:
   a) periodieke controles op de afwezigheid van besmetting van de grondplaat en de containers, bedoeld in artikel 27ter.3, die minstens maandelijks plaatsvinden
   b) een systeem om effluenten te verzamelen in het kader van een regelmatige analyse ervan.
   De exploitant beschikt over de nodige manutentiemiddelen om de radioactieve stoffen terug te halen.
   De exploitant mag de containers, bedoeld in artikel 27ter.3, niet openen eens ze zich bevinden in de buitenopslag.
   27ter.6 Het agentschap kan technische reglementen opmaken met betrekking tot de modaliteiten van de inventaris bedoeld in artikel 27ter.5, 1°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2020-07-20/16, art. 14, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>
  

  Art. 28. Vorming van kritieke massa's.
  De onontbeerlijke maatregelen dienen getroffen om elke mogelijkheid van toevallige vorming van kritieke massa's te voorkomen.

  Art. 29.Bescherming van de lokalen.
  29.1. De inplanting van de gebouwen die deel uitmaken van de gecontroleerde zone of die een dergelijke zone op de site omvatten, wordt zo bestudeerd dat brand-, overstromings- of ontploffingsgevaar tot het uiterste wordt beperkt.
  29.2. In elke inrichting worden de lokalen zó ingericht dat de besmette zones snel door de personen kunnen ontruimd en onmiddellijk afgezonderd worden van het uitwendig milieu.
  29.3. De grondplannen worden zichtbaar aangeplakt bij de ingang van de lokalen van de gebouwen waar een gecontroleerde zone bestaat evenals in de administratieve gebouwen. Die plannen duiden de gecontroleerde zones, de plaats van de vaste bronnen van ioniserende straling en de normale uitgangen en de nooduitgangen aan.
  29.4. Teneinde de risico's van besmetting te verminderen, dienen de gecontroleerde en bewaakte zones die deel uitmaken van een inrichting van klasse I of een inrichting van klasse II, en waar niet-ingekapselde bronnen worden aangewend, door een blinde muur of een vrije ruimte gescheiden te worden van volgende lokalen :
  a) de zalen voor lezingen, cursussen en schouwspelen;
  b) de refters, keukens en elke andere plaats waar eetwaren worden bewaard, bereid en/of geconsumeerd;
  c) elk lokaal waar een werkzaamheid wordt uitgeoefend, die op die plaats niet onontbeerlijk is voor de werking en het gebruik van de beschouwde inrichting van klasse I of klasse II.
  Indien er echter een verbinding tussen deze twee types lokalen moet bestaan, moet deze, uit het oogpunt van het besmettingsrisico, een tenminste evenwaardige veiligheid vertonen als dewelke geboden door een vrije ruimte.
  [1 29.5 - Bijzondere aanvullende bepalingen betreffende de in het Besluit Medische Blootstellingen en in het Besluit Diergeneeskundige Blootstellingen bedoelde inrichtingen en lokalen
   29.5.1 - Algemene bepalingen
   De lokalen waar zich de in het Besluit Medische Blootstellingen en in het Besluit Diergeneeskundige Blootstellingen bedoelde bronnen van ioniserende straling en radiologische installaties bevinden of worden gebruikt, beantwoorden aan de volgende voorwaarden:
   1° langs de buitenzijde van de lokalen, op elke bereikbare plaats waar personen kunnen verblijven, mag de ontvangen dosis geen 0,02 millisievert per week bereiken, onder de gewone werkingsvoorwaarden van de installaties;
   2° de lokalen moeten op slot kunnen worden gedaan; nochtans moet het altijd mogelijk zijn deze te verlaten;
   3° met uitzondering van de lokalen van tandartsen waar een speciaal voor de intra-orale tandradiografie ontworpen toestel is opgesteld, dient het waarschuwingsteken voor ioniserende stralingen, evenals de in artikel 31 bepaalde vermeldingen, op de deuren te worden aangebracht;
   4° de personeelsleden, evenals elke persoon die zich in de omgeving van de gebruiker bevindt, zijn beschermd door middel van de in dit hoofdstuk, afdeling III, opgelegde beschermingsmiddelen en procédés. De individuele beschermingsuitrusting is beschikbaar in de lokalen van bewaring en gebruik. De nodige maatregelen worden genomen om iedere nodeloze blootstelling van de persoon die deze ondergaat te vermijden;
   5° Voor wat betreft de kamers bestemd voor de opname van patiënten die drager zijn van bronnen, moeten de wanden, rekening houdend met de bezettingsgraad van de lokalen, een dosisbeperking van 0,5 millisievert per persoon en per jaar, kunnen verzekeren voor elke persoon die geen beroepshalve blootgestelde persoon is en een taak verricht in een aangrenzend vertrek, evenals voor elke patiënt in een aangrenzende kamer (de vertrekken en kamers gesitueerd op de niveaus hoger of lager inbegrepen), zelfs in het geval van een uitzonderlijk langdurige hospitalisatie;
   6° Voor wat betreft de kamers bestemd voor de opname van dieren die drager zijn van bronnen, moeten de wanden, rekening houdend met de bezettingsgraad van de lokalen, een dosisbeperking van 0,5 millisievert per persoon en per jaar, kunnen verzekeren voor elke persoon die geen beroepshalve blootgestelde persoon is en een taak verricht in een aangrenzend vertrek.
   29.5.2 - Specifieke bepalingen
   29.5.2.1 Wat de voor de radiografie bestemde toestellen betreft:
   1° hebben de lokalen zulke afmetingen dat men zich gemakkelijk rond de tafels kan bewegen en dat de gebruiker en elke andere persoon op een voldoende afstand van de bron en de primaire bundel kunnen blijven;
   2° zijn de plaatsen waar de gebruiker en elke andere persoon zich moeten ophouden en die tijdens de verrichtingen aan straling kunnen worden blootgesteld, zoals de bediening, beschermd.
   29.5.2.2 Wat de voor tandradiografie bestemde toestellen betreft:
   1° is het toestel in het lokaal zo opgesteld dat geen van de personen die er werken of verblijven een dosis kunnen ontvangen die 0,1 millisievert per week bedraagt;
   2° is het toestel specifiek voor dat gebruik ontworpen en alleen daartoe bestemd;
   3° is het toestel van een doeltreffende bescherming voorzien;
   4° is de doorsnede van de bundel strikt beperkt tot de te radiograferen zone;
   5° is bij het nemen van de foto's de bundel zo gericht dat de blootstelling van het organisme van de patiënt tot het minimum wordt beperkt.
   29.5.2.3. Wat de voor de radiotherapie bestemde apparaten betreft:
   1° zijn de ontkleedkabines gelegen buiten de zaal waar het apparaat werkt. De bediening staat buiten de behandelingszaal. Het kijkgaatje, wanneer dit bestaat, waarborgt eenzelfde bescherming als die welke door de wanden verzekerd wordt. De patiënt kan rechtstreeks of onrechtstreeks geobserveerd worden. De patiënt, de bediening van de toestellen en de deuren die tot de radiotherapiezaal toegang verlenen, staan gedurende de werking onder bestendig toezicht van het personeel dat aangesteld is voor het toedienen van de straling.
   In het geval van een speciaal voor de contacttherapie bestemd toestel hoeven deze aanvullende schikkingen niet te worden geëist;
   2° een communicatiesysteem maakt het de patiënt mogelijk in verbinding te komen met het personeel dat het toestel bedient. Door middel van een elektronisch systeem wordt de duur van de blootstelling gecontroleerd en onderbroken na de gestelde tijd;
   3° indien in eenzelfde lokaal verscheidene apparaten zijn opgesteld, is er een voorziening die verhindert dat meer dan één apparaat tegelijk in werking wordt gesteld.
   29.5.2.4 Wat de voor de telegammatherapie bestemde toestellen betreft:
   1° zijn de bepalingen van artikel 29.5.2.3 van toepassing;
   2° zijn de toestellen ontworpen om, in elke omstandigheid, het ongecontroleerd vrijkomen of de verspreiding van de radioactieve bron te voorkomen. Er is een voorziening die toelaat zich op elk ogenblik, vanaf het bedieningsbord, rekenschap te geven van de positie van de radioactieve bronnen, en in voorkomend geval van de afsluiters.
   29.5.2.5 Wat de deeltjesversnellers betreft:
   1° zijn de bepalingen van artikel 29.5.2.3 van toepassing;
   2° wordt op de eventueel geïnduceerde radioactiviteit toezicht gehouden.
   29.5.2.6 Naast de bepalingen van artikel 29.5.1 zijn de volgende voorschriften van toepassing op de lokalen waar radionucliden gebruikt of bewaard worden:
   1° de radionucliden mogen alleen bewaard worden in lokalen die voor dit doel bestemd zijn;
   2° die lokalen beschikken over een ruimte die uitsluitend is bestemd voor het opslaan van radioactieve stoffen. Die ruimte maakt een doeltreffende bescherming mogelijk tegen de blootstelling en tegen de eventuele verspreiding van die stoffen en biedt voldoende waarborgen tegen diefstal;
   3° wanneer niet-ingekapselde bronnen in bezit gehouden en gebruikt worden, zijn de lokalen uitgerust met:
   a) de aangepaste middelen om de radioactieve stoffen, die zouden verspreid worden, snel op te vangen;
   b) de middelen om, zonder blootstelling te veroorzaken, de vloeibare of vaste radioactieve afvalstoffen die in elk stadium van het bezit of het gebruiken kunnen ontstaan, te kunnen opvangen en opslaan, zolang als het nodig is om deze afvalstoffen onschadelijk te maken of vooraleer ze naar een behandelingsinstallatie af te voeren;
   c) de middelen om de besmetting van de atmosfeer te voorkomen. Indien deze onafwendbaar is, maken geschikte voorzieningen het mogelijk alle gevaar voor besmetting van de lokalen en de omgeving te voorkomen;
   4° wanneer de hoeveelheden en de aard van de radionucliden aanleiding geven tot de indeling van de inrichting in klasse II, mogen de muren, de vloer en de werkoppervlakken van de werklokalen noch scheuren, noch voegen vertonen. Zij zijn glad, ondoordringbaar en gemakkelijk te onderhouden en te ontsmetten.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-02-09/04, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 30.Individuele bescherming van de personen [1 ...]1.
  30.1. [2 Toegang tot de gecontroleerde zones
   Het is verboden in de gecontroleerde zones te gaan of er te verblijven zonder nominatieve vergunning van het ondernemingshoofd of zijn afgevaardigde. Deze vergunning mag niet worden verleend zonder dienst- of beroepsredenen. De in deze zones toegelaten personen worden ingeschreven in een daartoe bestemd register met vermelding van hun identiteit en, in voorkomend geval, het doel van hun bezoek.
   [5 De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op de gecontroleerde zones waar de handelingen bedoeld in het Besluit Medische Blootstellingen en in het Besluit Diergeneeskundige Blootstellingen worden uitgevoerd.]5
   Voor de deskundigen erkend in de fysische controle, die belast zijn met de door dit reglement voorgeschreven taken, is slechts eenmalig een nominatieve vergunning van het ondernemingshoofd vereist. Deze vergunning is geldig tijdens en buiten de normale werkuren. Hun inschrijving in het voornoemde register mag in geen geval een belemmering zijn voor het uitvoeren van hun opdracht.]2
  30.2. Verbodsbepalingen
  Elke persoon die zich in een gecontroleerde zone bevindt waar een besmettingsgevaar bestaat, mag tijdens de duur van zijn aanwezigheid in die zone niet drinken, eten, roken of cosmetische producten gebruiken.
  Het is verboden in die zones voedsel of drank, tabak, handtassen, zakdoeken, cosmetische producten, toiletgerief en drink- en eetgerei te brengen.
  30.3. Individuele beschermingsuitrusting
  Iedere persoon die een gecontroleerde zone betreedt wordt voorzien van een aangepaste individuele beschermingsuitrusting die hij achterlaat bij de uitgang.
  Iedere persoon die een gecontroleerde zone in een inrichting van klasse I of II betreedt, waar niet-ingekapselde bronnen behandeld worden, draagt een aangepaste beschermingskledij. De beschermingskledij en -uitrusting moeten kunnen geïdentificeerd worden en elke dienst bezit een herkenbaar type ervan met betrekking tot het beoogde activiteitsniveau. Ze worden bij het ingangssas, in een ander kleedhokje dan dat voor de stadskledij, geborgen. Ze mogen in geen geval gedragen worden buiten de lokalen waarvoor ze bestemd zijn.
  Ondoordringbare handschoenen worden gedragen tijdens de bewerking waarbij gevaar voor besmetting van de handen bestaat.
  Wanneer ze niet aan de beschermingstoestellen of -middelen bevestigd zijn, worden die handschoenen gewassen voor ze uitgetrokken worden, zodra de behandeling beëindigd is.
  Iedere persoon die een wonde of huidletsel aan de handen vertoont, meldt dit onmiddellijk. Hij mag geen bewerkingen uitvoeren zonder geneeskundige machtiging.
  De werkkledij en het beschermingsmaterieel (handschoenen, maskers, enz.), worden geregeld getest met het oog op hun doeltreffendheid en hun besmettingsniveau; ze zijn het voorwerp van bijzondere voorzorgsmaatregelen tijdens het reinigen en het gebeurlijk wassen en ze ondergaan de gepaste ontsmettingen.
  [1 Iedere persoon die een loodschort als beschermingsmiddel draagt, zal bijzondere aandacht besteden aan de extra bescherming van bepaalde weefsels (bijvoorbeeld de ooglens) of organen (bijvoorbeeld de schildklier), of van specifieke lichaamsdelen (bijvoorbeeld de handen). Deze extra bescherming zal in ieder geval voorzien worden indien, door toepassing van artikel 30.6, 3de lid, de bestraling kan leiden tot doses die groter zijn dan drie tienden van de in artikel 20.1.3 vastgestelde effectieve dosislimiet of indien de bestraling kan leiden tot doses die groter zijn dan drie tienden van één van de in artikel 20.1.3 vastgestelde equivalente-dosislimieten.]1
  [5 30.3/1 Bescherming van het personeel van inrichtingen waarin de handelingen bedoeld in het Besluit Medische Blootstellingen en in het Besluit Diergeneeskundige Blootstellingen worden gesteld
   De personeelsleden van de inrichtingen waarin handelingen worden gesteld zoals bedoeld in het Besluit Medische Blootstellingen en in het Besluit Diergeneeskundige Blootstellingen, ongeacht of het gaat om practici, hun gemachtigden of enige andere personeelscategorie, hierin inbegrepen de leerlingen, stagiairs en studenten evenals het onderhoudspersoneel, genieten van de radiologische beschermingsmaatregelen voorzien in dit reglement en dit ongeacht hun statuut, de zelfstandigen inbegrepen. Zij worden onder meer onderworpen aan de bepalingen opgenomen in de artikelen 20 en 21 inzake de basisnormen betreffende de blootstelling aan ioniserende straling.
   Bijzondere aandacht wordt besteed aan de bescherming van zwangere vrouwen of vrouwen die mogelijk zwanger zijn en vrouwen tijdens de periode van borstvoeding. De bepalingen van de artikelen 20.1.1.3 en 25 worden met bijzondere aandacht toegepast onder meer op het medisch en ander personeel dat werkt als zelfstandige.]5
  30.4. [3 Opleiding van de agenten voor de stralingsbescherming
   De agenten voor de stralingsbescherming die belast zijn met de taken bedoeld in artikelen 23.1.5 a), 23.2.6 a) of met de leiding van de dienst voor fysische controle overeenkomstig de bepalingen van artikel 23.1.3.1 of 23.2.2 moeten, door middel van een getuigschrift gebaseerd op een geslaagde kennistest, kunnen bewijzen dat ze een theoretische basisopleiding van minstens 8 uur in de stralingsbescherming hebben gevolgd aangevuld met:
   - minimum 8 uur voor de inrichtingen ondergebracht in artikel 3.1.b);
   - 6 uur voor vervoersactiviteiten uitgevoerd door een vervoerder die is erkend voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of een corrosiviteitsrisico vertonen;
   - 4 uur voor vervoersactiviteiten uitgevoerd door een vervoerder die erkend is voor het vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7 welke niet zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen noch een corrosiviteitsrisico vertonen, door een organisatie die betrokken is bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of door een onderneming die verantwoordelijk is voor een onderbrekingssite;
   - alsook met een relevante praktijkervaring in de uitoefening van de fysische controle specifiek voor een bepaald type installatie of vervoer.
   De exploitant, of het ondernemingshoofd, ziet erop toe dat de agent voor de stralingsbescherming zijn kennis en zijn bekwaamheid op peil houdt en verder ontwikkelt in het kader van een permanente vorming.
   De kosten van de opleiding zijn ten laste van de exploitant, of het ondernemingshoofd. De opleiding wordt gevolgd tijdens de werkuren.
   Het Agentschap legt in een technisch reglement minimumeisen op betreffende de inhoud van de basisopleiding of van de permanente vorming in de stralingsbescherming, de nucleaire veiligheid of het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de handelingen of de installaties waarvoor/waarin de agenten voor de stralingsbescherming opdrachten moet uitvoeren.]3
  30.5. Veiligheidsmaatregelen
  Iedere in een gecontroleerde zone toegelaten persoon die nalaat of weigert zich te onderwerpen aan de reglementaire maatregelen of aan de beschermingsvoorschriften of nog aan de bevelen van [4 de agent voor de stralingsbescherming]4, wordt uit die zone verwijderd.
  30.6. [6 Individueel dosimetrisch toezicht
   30.6.1 Algemeen
   § 1 De exploitant van een krachtens hoofdstuk II vergunde inrichting of het hoofd van een onderneming zoals bedoeld in artikel 5.7, van een onderneming die betrokken is bij het vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7 of het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7, of van een onderneming die verantwoordelijk is voor een onderbrekingssite zoals bedoeld in het Koninklijk Besluit betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7, ziet erop toe dat een programma voor individueel dosimetrisch toezicht wordt vastgesteld en uitgevoerd, en draagt de kosten hiervan.
   In dit programma wordt voor elke werkpost aangegeven welke lichaamsdelen een dosimetrisch toezicht moeten ondergaan en, in voorkomend geval, welk type individuele dosimeter moet worden gebruikt, welke de toe te passen monitoringperiode is en hoe dit dosimetrisch toezicht moet worden uitgevoerd, rekening houdend met de specifieke radiologische kenmerken van de werkpost en met de aanwezige beschermingsmiddelen.
   § 2 Het dosimetrisch toezicht van leerlingen en studenten wordt op dezelfde wijze uitgevoerd als voor de beroepshalve blootgestelde personen.
   Het dosimetrisch toezicht van elke persoon die tot een inrichting of onderneming wordt toegelaten is minstens gelijkwaardig aan dat van de beroepshalve blootgestelde personen die in de bezochte zones tewerkgesteld zijn.
   30.6.2 Programma voor het individueel dosimetrisch toezicht
   30.6.2.1 Externe blootstelling
   § 1 Het programma voor het individueel dosimetrisch toezicht met betrekking tot de externe blootstelling wordt uitgewerkt door de deskundige erkend in de fysische controle, in overleg met de erkende arts belast met het gezondheidstoezicht op de werknemers, of bij ontstentenis de exploitant of ondernemingshoofd, aan de hand van een risicoanalyse van de werkpost volgens de aanbevelingen in het document Radiation Protection N° 160 van de Europese Commissie met als titel "Technical Recommendations for Monitoring Individuals Occupationally Exposed to External Radiation" gepubliceerd in 2009 en de toekomstige versies ervan.
   De keuze van de dosimeters houdt rekening met de kenmerken van de werkpost en met de prestaties van de dosimeters.
   De monitoringperiode wordt gekozen rekening houdend met de blootstellingssituatie.
   § 2 Elke beroepshalve blootgestelde persoon draagt een persoonlijke dosimeter op borsthoogte om de effectieve dosis te meten die als gevolg van de totale externe blootstelling wordt opgelopen.
   § 3 Wanneer het dragen van een loodschort nodig is, wordt de dosimeter die de effectieve dosis moet meten onder de loodschort gedragen ter hoogte van de borst.
   § 4 Indien de blootstelling, ondanks de loodschort, kan leiden tot doses die groter zijn dan drie tienden van de in artikel 20.1.3 vastgestelde effectieve dosislimiet, wordt één dosimeter boven de loodschort op kraag- of borsthoogte, en een tweede dosimeter onder de loodschort op borsthoogte gedragen. De met de effectieve dosislimiet te vergelijken dosis wordt geschat op basis van een van beide hierna vermelde algoritmes:
   1° Indien een loden bescherming ter hoogte van de schildklier wordt gedragen: Hp (10) onder de loodschort + 0,05 x Hp(10) boven de loodschort
   2° Indien geen loden bescherming wordt gedragen ter hoogte van de schildklier: Hp(10) onder de loodschort + 0,1 x Hp (10) boven de loodschort.
   Indien de effectieve dosis drie vierden van de in artikel 20.1.3 vastgestelde effectieve dosislimiet overschrijdt, dan moet nader onderzoek worden uitgevoerd om een meer nauwkeurige schatting van de effectieve dosis te bekomen.
   § 5 Personen die een effectieve dosis van meer dan 500 µSv per week kunnen oplopen, dragen ter hoogte van de borst een rechtstreeks afleesbare dosimeter of een dosimeter die het mogelijk maakt de opgelopen dosis op zijn minst dagelijks te bepalen. Het operationele systeem dat in dergelijke gevallen in werking wordt gesteld, dient op zijn minst een dagelijks dosisbeheer mogelijk te maken.
   § 6 In de nabijheid van neutronenbronnen is het verplicht een dosimeter te dragen die de opgelopen neutronendosis kan bepalen.
   Op de werkplaatsen waar het risico op een kritikaliteitsongeval bestaat, is het verplicht een kritikaliteitsdosimeter te dragen.
   § 7 Iedere persoon onderworpen aan een blootstelling met speciale vergunning of aan een blootstelling in een noodsituatie, draagt een dosimeter met alarmstelsel of, bij gebrek hieraan, een dosimeter met rechtstreekse aflezing.
   § 8 Indien de bestraling van een weefsel, van een bepaald orgaan of een specifiek lichaamsdeel in normale omstandigheden kan leiden tot doses die groter zijn dan drie tienden van één van de in artikel 20.1.3 vastgestelde equivalente-dosislimieten, dient de persoon in kwestie één of meer bijkomende dosimeters te dragen, waardoor de doses op die plaatsen kunnen worden gecontroleerd.
   Voor het individueel dosimetrisch toezicht van de ooglens, de huid en de extremiteiten moet men de voorschriften naleven van de norm "ISO 15382 (2015) - Radiological protection - Procedures for monitoring na dose to the lens of the eye, the skin and the extremities", en in het bijzonder:
   1° een voorafgaande beoordeling van de dosisniveaus wordt uitgevoerd om na te gaan of drie tienden van de overeenkomstige equivalente dosislimieten overschreden kunnen worden. Wanneer dit niet het geval is, wordt deze beoordeling om de drie jaar of bij elke verandering van techniek of activiteit opnieuw uitgevoerd. Indien bijkomende beschermingsmiddelen ontoereikend zijn om te waarborgen dat drie tienden van de desbetreffende effectieve dosislimiet niet worden overschreden, moet er gezorgd worden voor een routinematig individueel dosimetrisch toezicht;
   2° bij het routinematig individueel dosimetrisch toezicht van de ooglens moet de dosimeter zo dicht mogelijk bij het oog gedragen worden en, indien mogelijk, in contact met de huid, achter de beschermingsmiddelen en naar de blootstellingsbron gericht. Indien de dosimeter niet op een optimale plaats wordt gedragen, moet een correctiefactor worden toegepast om de dosis te schatten;
   3° Voor het routinematig individueel dosimetrisch toezicht van de extremiteiten dient de dosimeter op de meest blootgestelde plaats worden gedragen. Indien de dosimeter niet op de meest blootgestelde plaats wordt gedragen moet men een correctiefactor bepalen, rekening houdend met de afstand tussen de dosimeter en het meest blootgestelde gedeelte van de huid, en die toepassen om de dosis te schatten.
   30.6.2.2. Interne blootstelling
   Het programma voor het individueel dosimetrisch toezicht met betrekking tot interne blootstelling, wordt uitgewerkt door de deskundige erkend in de fysische controle, in overleg met de erkende arts belast met het gezondheidstoezicht op de werknemers, of bij ontstentenis de exploitant of ondernemingshoofd, aan de hand van een risicoanalyse van de werkpost.
   30.6.2.3. Alternatieve methodes
   Het individueel dosimetrisch toezicht kan plaatsvinden aan de hand van een schatting op basis van individuele metingen bij andere, in soortgelijke omstandigheden beroepshalve blootgestelde personen, op basis van de resultaten van de controle van de werkplaats of op basis van berekeningen volgens een door het Agentschap goedgekeurde methode:
   1° wanneer individuele metingen van de externe blootstelling of radiotoxicologische analyses niet mogelijk of ontoereikend zijn;
   2° in geval van een externe blootstelling aan uitsluitend bètastralers met een energie van minder dan 200 keV;
   3° voor elke andere situatie waarvoor de deskundige erkend in de fysische controle dit, in overleg met de erkende arts, of bij ontstentenis de exploitant of ondernemingshoofd, noodzakelijk of meer aangewezen acht.
   30.6.3 Bewaring van de resultaten
   De resultaten van het individueel dosimetrisch toezicht worden ingevoerd in het documentatiesysteem bedoeld in artikelen 23.1.6 of 23.2.7, naargelang het geval, waarbij de ondubbelzinnige identificatie van de betrokkenen gegarandeerd wordt. Elke beroepshalve blootgestelde persoon heeft toegang tot de hem betreffende resultaten van het individueel dosimetrisch toezicht, inclusief de resultaten van de metingen en berekeningen die werden toegepast om hun doses te schatten, alsook tot de resultaten van de dosisevaluaties die bepaald werden door middel van metingen uitgevoerd op de werkplaats.
   30.6.4 Overdracht van de resultaten aan het Agentschap
   De resultaten van het individueel dosimetrisch toezicht worden opgenomen in een dosisverslag dat wordt opgesteld overeenkomstig de door het Agentschap bepaalde modaliteiten.
   Het dosisverslag wordt overgedragen aan het blootstellingsregister. Het Agentschap bepaalt de modaliteiten voor deze overdracht.
   De overdracht gebeurt onder toezicht van de erkende deskundige voor de fysische controle, of, bij ontstentenis, van de preventieadviseur.
   30.6.5 Erkenning van de diensten die metingen voor dosimetrie uitvoeren
   § 1 De diensten die externe dosimetrie of radiotoxicologische analyses uitvoeren voor het individueel dosimetrisch toezicht van de beroepshalve blootgestelde personen moeten daartoe erkend zijn door het Agentschap.
   In geval van een radiologische noodsituatie, wanneer de capaciteit van de diensten erkend voor het uitvoeren van radiotoxicologische analyses niet toereikend is om alle vereiste analyses binnen een aanvaardbare termijn uit te voeren, dan kan het Agentschap besluiten om deze analyses door andere laboratoria te laten uitvoeren, die over voldoende materiaal, kennis en ervaring beschikken voor de correcte uitvoering van deze analyses.
   De erkenningsaanvragen worden naar het Agentschap gestuurd volgens de door het Agentschap vastgestelde modaliteiten.
   Indien het Agentschap van oordeel is dat de gevraagde erkenning niet of slechts gedeeltelijk kan worden toegekend, dan stelt het de aanvrager daar op voorhand schriftelijk van in kennis en wijst het hem erop dat hij het recht heeft te worden gehoord binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving.
   Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
   De erkenning wordt verleend voor een beperkte duur.
   De erkenningscriteria en -modaliteiten worden door het Agentschap bepaald.
   § 2 Op aanvraag van de erkende dosimetrische dienst kan de erkenning verlengd of gewijzigd worden door het Agentschap. De aanvraag tot verlenging of wijziging kan betrekking hebben hetzij op een gedeelte, hetzij op het geheel van deel- of toepassingsgebieden van de erkenning. Iedere aanvraag tot verlenging wordt ingediend overeenkomstig de modaliteiten bepaald door het Agentschap.
   § 3 Elke wijziging van organisatorische of technische aard, die de naleving van de aan haar verleende erkenning kan beïnvloeden, wordt uiterlijk binnen een termijn van één maand na het doorvoeren van de wijziging door de erkende dosimetrische dienst gemeld aan het Agentschap volgens de modaliteiten bepaald door het Agentschap.
   § 4 Indien het Agentschap vaststelt dat een erkende dosimetrische dienst:
   1° haar opdrachten niet correct uitvoert;
   2° de bepalingen van de haar verleende erkenning niet naleeft;
   3° haar verplichtingen niet correct nakomt;
   4° het voorwerp heeft uitgemaakt van een gerechtelijke uitspraak tot faillissement,
   kan het Agentschap :
   1° de betrokken erkende dosimetrische dienst aanmanen om zijn toestand binnen een gestelde termijn van maximum zes maanden in orde te brengen;
   2° de erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen;
   3° de erkenning geheel of gedeeltelijk opheffen.
   Indien het Agentschap van oordeel is dat de erkenning geheel of gedeeltelijk moet worden geschorst of opgeheven, wordt dit vooraf aan de houder van de erkenning medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
   Indien de betrokken erkende dosimetrische dienst wenst gebruik te maken van haar recht om gehoord te worden, dient zij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.]6
  30.7. [6 De bepalingen van artikel 30.1 tot 30.5 zijn niet van toepassing op de inrichtingen van klasse IV, noch op het vervoer bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 oktober 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7.
   De bepalingen van artikel 30.6 zijn niet van toepassing op inrichtingen van klasse IV.]6
  [1 30.8. Het Agentschap kan de precieze uitvoeringsmodaliteiten van de in dit artikel bedoelde maatregelen vaststellen. Deze uitvoeringsmodaliteiten worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]1
  ----------
  (1)<KB 2012-04-26/65, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (2)<KB 2018-12-06/17, art. 22, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (3)<KB 2018-12-06/17, art. 23, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (4)<KB 2018-12-06/17, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (5)<KB 2020-02-09/04, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-03-2020>
  (6)<KB 2020-07-20/16, art. 15, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 31.Waarschuwingstekens, symbolen en vermeldingen.
  31.1. Het waarschuwingsteken voor ioniserende stralingen waarvan het gebruik opgelegd wordt bij dit reglement komt overeen met het waarschuwingsteken voor radioactieve stoffen, zoals voorzien in het koninklijk besluit van 17 juni 1997 betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalisatie op het werk en bijlagen.
  De afmetingen van het waarschuwingsteken kunnen verschillen volgens de aan te duiden plaatsen of voorwerpen.
  Voor wat het symbool betreft, dat zich in het waarschuwingsteken bevindt, worden de verhoudingen geëerbiedigd die in het schema hieronder worden bepaald.
  (Symbool niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-08-2001, p. 28970).
  31.2. Het waarschuwingsteken moet voorkomen:
  a) bij elke toegang van iedere [2 bewaakte en]2 gecontroleerde zone;
  b) op de toegangsdeuren van de lokalen waarin één of meerdere radioactieve stoffen worden aangewend, opgeslagen of in bezit gehouden;
  c) op de recipiënten waarin zich radioactieve stoffen bevinden;
  d) op elk toestel dat ioniserende stralingen uitzendt, met uitzondering van de toestellen die de inrichtingen waar zij in bezit gehouden of aangewend worden kunnen doen indelen onder de inrichtingen van klasse IV bedoeld bij artikel 3.1.d) [3 ...]3.
  31.3. Onder het waarschuwingsteken moeten, zichtbaar en leesbaar, alle aanvullende inlichtingen voorkomen die bestemd zijn om de blootgestelde personen te waarschuwen voor de gevaren die zij kunnen lopen. In ieder geval worden volgende vermeldingen aangebracht:
  "Zeer hoge stralingsintensiteit", wanneer de dosis die aan de individuele personen kan worden afgeleverd gewoonlijk 1 millisievert per uur overschrijdt. In dergelijk geval gaat deze vermelding, wanneer ze op de toegangsdeur van een lokaal is aangebracht, gepaard met een geluids- en/of visuele signalisatie, behalve indien de toegang alleen mogelijk is na toelating van een bevoegd persoon of onder toezicht van de dienst voor fysische controle. Deze signalisatie werkt permanent of treedt in werking van zodra iemand de toegangsdeur van het lokaal opent of er binnentreedt.
  "Hoge stralingsintensiteit", wanneer de dosis die aan de individuele personen kan worden afgeleverd gewoonlijk 0,2 millisievert per uur overschrijdt.
  "Ioniserende stralingen", wanneer de dosis die aan de individuele personen kan worden afgeleverd gewoonlijk 20 microsievert per uur overschrijdt.
  "Gevaar voor radioactieve besmetting", wanneer niet-ingekapselde bronnen opgeslagen of aangewend worden.
  31.4. Op elke recipiënt die radioactieve stoffen bevat, moeten bovendien, op zichtbare wijze, de volgende inlichtingen voorkomen :
  a) de hoeveelheden van de verscheidene aanwezige stoffen;
  b) de fysische en chemische toestand van die stoffen;
  c) hun activiteiten;
  d) de aard van de uitgezonden straling;
  e) het dosistempo aan het buitenoppervlak of op 1 m.
  (f) voor hoogactieve ingekapselde bronnen : het unieke identificatienummer. Dit nummer wordt op de bron en de broncontainer gegraveerd of gestempeld voorzover dit praktisch uitvoerbaar is. Indien dit niet praktisch uitvoerbaar is of in geval het gaat om transportcontainers die opnieuw kunnen worden gebruikt, is op de broncontainer tenminste informatie over de aard van de hoogactieve ingekapselde bron aangebracht.) <KB 2006-05-23/33, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  Deze bepaling is niet van toepassing op de laboratoriumrecipiënten tijdens hun gebruik door een operator en zolang deze aanwezig blijft.
  [1 De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de etikettering van de primaire en secundaire verpakking van de radioactieve producten beschreven in het koninklijk besluit van 12 juli 2015, betreffende radioactieve producten voor in vitro of in vivo gebruik in de geneeskunde, in de diergeneeskunde, in een klinische proef of in een klinisch onderzoek.]1
  31.5. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de recipiënten, colli en vervoermiddelen bestemd voor het vervoer van radioactieve stoffen, voor zover hun etikettering geregeld is door [2 het koninklijk besluit van 22 oktober 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7]2.
  [2 31.6 De informatie voor vrouwen tijdens hun zwangerschap en borstvoeding worden uitgehangen op de daartoe in overleg met de deskundige erkend in fysische controle en de erkende arts geschikt geachte plaatsen.]2
  ----------
  (1)<KB 2015-07-12/04, art. 79, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2015>
  (2)<KB 2020-07-20/16, art. 16, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>
  (3)<KB 2021-07-14/13, art. 3, 031; Inwerkingtreding : 07-08-2021>

  Art. 32. Operatiezalen en verpleegruimten.
  De in klasse I ingedeelde inrichtingen beschikken over een verpleegruimte waar personen de eerste zorgen kunnen ontvangen en ontsmet worden. Bovendien sluiten ze een overeenkomst af met een naburig ziekenhuis om er zo nodig te kunnen beschikken over een operatiezaal en over hospitalisatiemogelijkheden.

  Afdeling IV. - Radioactieve afvalstoffen.

  Art. 33.Toepassingsgebied.
  [1 De radioactieve afvalstoffen worden onderworpen aan de bepalingen van deze afdeling.
   De radioactieve stoffen afkomstig van een interventie in het kader [2 van artikel 72/1 of van een noodsituatie]2 worden niet onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 33 tot 37, behoudens andersluidende beslissing van het Agentschap.]1
  De radioactieve afvalstoffen van de inrichtingen die het voorwerp uitmaken van een vergunning krachtens hoofdstuk II, wordt onderworpen aan de bepalingen van deze afdeling. De radioactieve stoffen die niet werden verzameld en die afkomstig zijn van patiënten waaraan radioactieve stoffen werden toegediend voor medische doeleinden en die, onverminderd de bepalingen van artikel 54.8.2.d), de krachtens hoofdstuk II vergunde inrichting hebben verlaten, worden niet onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 33 tot 37.
  Het Agentschap kan bepaalde verplichtingen vaststellen met betrekking tot de voorwaarden inzake de hospitalisatie, het ontslag uit het ziekenhuis en de ambulante verzorging van patiënten waaraan, voor geneeskundige doeleinden, via het metabolisme, radioactieve stoffen werden toegediend.
  Elke, zelfs potentiële, producent van radioactieve afvalstoffen moet zich inschrijven bij NIRAS en moet, in voorkomend geval, met deze instelling een overeenkomst afsluiten met betrekking tot het beheer van het geheel van de radioactieve afvalstoffen.
  Het Agentschap sluit met NIRAS een overeenkomst met het oog op de wederzijdse uitwisseling van informatie en raadpleging betreffende de aspecten van het beheer van radioactieve afvalstoffen die de uitoefening van de bevoegdheden van beide instellingen kunnen beïnvloeden.
  ----------
  (1)<KB 2012-04-26/65, art. 9, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (2)<KB 2020-07-20/16, art. 17, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 34.Opvangen, behandelen en verwijderen van vloeibare afvalstoffen.
  34.1. De lozing van vloeibare radioactieve afvalstoffen in de bodem is verboden.
  34.2. De lozing van radioactieve vloeibare afvalstoffen in de oppervlaktewateren of in de riolering is verboden wanneer de concentratie aan radionucliden, uitgedrukt in Bq/l, het duizendste overschrijdt van de limiet van de jaarlijkse opname door ingestie voor een volwassen persoon van het publiek, berekend volgens de bepalingen van Bijlage III, punt D. De waarden zijn gegeven in tabel H1 van dezelfde bijlage.
  De vergunningen afgeleverd aan de inrichtingen van klasse I en II, overeenkomstig de bepalingen van dit reglement, mogen van dit verbod afwijken. In dit geval stellen ze hetzij de ogenblikkelijke en gemiddelde maximaal toelaatbare concentraties vast van de radionucliden die in de afvalstoffen kunnen aanwezig zijn, hetzij de totale activiteit die in een bepaalde tijdsduur mag geloosd worden, hetzij beide tegelijkertijd.
  34.3. De vloeibare afvalstoffen waarvan de concentratie aan radionucliden groter is dan de limieten die worden vastgesteld in artikel 34.2, of dan de voorwaarden die worden vastgesteld in de afgeleverde vergunningen en die daarom dus niet kunnen worden geloosd, dienen te worden opgeslagen in hermetisch gesloten recipiënten waardoor er voldoende bescherming wordt geboden, met het oog op hun behandeling of met het oog op hun eventuele lozing nadat de activiteit werd teruggebracht tot de limieten bepaald in artikel 34.2 door verval of na verdunning; dit laatste procédé mag enkel worden gebruikt indien dit expliciet is toegestaan in de vergunning. In elk geval moeten de recipiënten die radioactieve vloeibare afvalstoffen bevatten, worden opgeslagen in een systeem dat eventuele lekken doeltreffend kan opvangen.
  34.4. Tijdens de ganse duur van de opslag en de behandeling, worden die maatregelen getroffen die noodzakelijk zijn om elk risico op verspreiding van radioactieve stoffen, in welke vorm ook, te vermijden en om te voorkomen dat de radioactieve vloeistoffen ongecontroleerd zouden gaan gisten. De behandeling is aangepast aan de aard, de toxiciteit en de activiteit van de aanwezige radionucliden.
  Het radioactieve slib of neerslag die worden verkregen na behandeling, worden na eventuele droging behandeld als vaste afvalstoffen.
  34.5. De totale activiteit van de vloeibare radioactieve afvalstoffen die worden geloosd moet zo laag gehouden worden als redelijkerwijze mogelijk is. Het Agentschap kan, via een algemene richtlijn gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, limieten opleggen voor de totale activiteit van de vloeibare radioactieve afvalstoffen, die binnen een bepaald tijdsbestek, door een bepaalde inrichting mogen worden geloosd.
  [1 34.6 De verwijdering, de afvoer voor recyclage of hergebruik van vloeibare radioactieve afvalstoffen afkomstig van een inrichting van klasse I, II of III, die niet geloosd kunnen worden in riolering of oppervlaktewater, zijn verboden, tenzij het Agentschap hiervoor een vergunning verleent met toepassing van artikel 18.
   Indien de verwerkingswijze voor deze vloeibare radioactieve afvalstoffen identiek is aan die van vaste radioactieve afvalstoffen, en indien het gaat om hoeveelheden van minder dan één ton per jaar, kunnen de vrijgaveniveaus vastgesteld in bijlage IB gebruikt worden en is een vergunning met toepassing van artikel 18 niet vereist. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 35.2, tweede lid, 35.3 en 35.5 van toepassing op deze vloeibare radioactieve afvalstoffen.
   Indien het gaat om radioactieve stoffen met een halveringstijd van minder dan zes maanden, is de beperking van één ton per jaar niet van toepassing.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 18, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 35.Opvangen, behandelen en verwijderen van vaste afvalstoffen.
  35.1. De vaste radioactieve afvalstoffen worden zorgvuldig verzameld in hermetisch gesloten recipiënten waardoor er een voldoende bescherming wordt geboden. Vervolgens worden ze behandeld en eventueel geconcentreerd om elk risico op verspreiding van radioactieve stoffen, onder welke vorm ook, te vermijden.
  De verwijdering van de vaste radioactieve afvalstoffen is verboden in de oppervlaktewateren, evenals in de riolen en in de collectoren.
  35.2. De verwijdering, de afvoer voor recyclage of hergebruik van vaste radioactieve afvalstoffen afkomstig van een inrichting van klasse I, II of III, bedoeld in artikel 3, zijn verboden wanneer deze niet voldoen aan de voorwaarden en de niveaus voor vrijgave vastgesteld in bijlage IB, tenzij het Agentschap hiervoor een vergunning verleent met toepassing van artikel 18.
  In de inrichtingen waar radioactieve stoffen met een halveringstijd van minder dan zes maanden worden aangewend, volstaat het niet de voorwaarden en de vrijgaveniveaus vastgesteld in bijlage IB na te leven; de verwijdering, de verwijdering naar een stortplaats of voor verbranding van deze stoffen mag alleen plaatsvinden na nagenoeg volledig verval. In elk geval is een opslag vereist gedurende een periode die ten minste gelijk is aan tien maal de halveringstijd; de opslag wordt verlengd met de vereiste tijd om een nagenoeg volledig verval te waarborgen.
  In het kader van de ontmanteling van de installaties die deel uitmaken van de inrichtingen van klasse I of van inrichtingen van klasse II, bedoeld in de artikelen 3.1.b).1 en 3.1.b).2, volgens de bepalingen vermeld in artikel 17, zijn de verwijdering, de afvoer voor recyclage of hergebruik van vaste radioactieve afvalstoffen steeds het voorwerp van een vergunning van de bevoegde overheid.
  35.3. De meetprocedures en -technieken om de overeenkomst na te gaan met de vrijgaveniveaus bepaald in bijlage IB of in de vergunning, of om een nagenoeg volledig verval te waarborgen van radioactieve stoffen met een halveringstijd van minder dan zes maand, dienen conform te zijn met de richtlijnen die desgevallend door het Agentschap werden opgesteld of goedgekeurd. Elke vrijgave is onderworpen aan het akkoord van de dienst voor de fysische controle van de exploitant en verloopt overeenkomstig de gedetailleerde schriftelijke procedures die door deze worden uitgewerkt. [1 ...]1
  35.4. De opzettelijke verdunning met niet-radioactief materiaal om zo aan de vrijgaveniveaus bepaald in bijlage IB of in de vergunning te voldoen is verboden.
  Daarenboven zal de totale activiteit van de vaste radioactieve afvalstoffen die worden verwijderd, gerecycleerd of hergebruikt, steeds op een zo laag als redelijkerwijze mogelijk niveau worden gehouden.
  35.5. De concentratie van diverse radioactieve stoffen aanwezig in bovenvermelde vaste radioactieve afvalstoffen, hun chemische en fysische aard, hun oorsprong, volume en massa, evenals hun bestemming dienen systematisch te worden geïnventariseerd door de exploitant en dienen ter beschikking gehouden van het Agentschap en van NIRAS.
  Ten laatste de 1ste maart van elk jaar sturen de exploitanten, en bij ontstentenis de ondernemingshoofden, aan het Agentschap een overzicht van de afvalstoffen die tijdens het voorbije jaar werden vrijgegeven. Het model van dat overzicht wordt vastgesteld door het Agentschap.
  De bestemming van de stoffen en het materiaal waarvoor een verwijdering naar een stortplaats of voor verbranding, een recyclage of een hergebruik zijn voorzien, dient te worden gecontroleerd en gewaarborgd door de exploitant en dit dient te worden aangetoond met de nodige documenten.
  [2 35.6 Het Agentschap kan een technisch reglement opstellen, waarin vrijgaveniveaus worden vastgelegd voor gebouwen, voor specifieke materialen of voor materialen afkomstig van specifieke handelingen, overeenkomstig de in punt 2. en punt 3. van bijlage IB bepaalde criteria. Het technisch reglement kan bijkomende voorschriften voor oppervlakteactiviteit en monitoring bevatten die nodig zijn om aan deze criteria te voldoen. Het technisch reglement houdt rekening met de overeenkomstige technische richtsnoeren van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.]2
  ----------
  (1)<KB 2018-12-06/17, art. 25, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (2)<KB 2020-07-20/16, art. 19, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 36. Behandeling en verwijdering van gasvormige radioactieve effluenten.
  36.1. De lozing van radioactieve stoffen in de atmosfeer in de vorm van gas, stofdeeltjes, rook of damp is verboden wanneer de concentratie aan radionucliden, uitgedrukt in Bq/m3 op de plaats van de uitstoot in de atmosfeer groter is dan de afgeleide limieten van de concentratie in de lucht voor de personen van het publiek berekend volgens de bepalingen van Bijlage III, punt D. De waarden zijn gegeven in tabel H2 van dezelfde bijlage.
  De vergunningen die worden afgeleverd aan de inrichtingen van klasse I en II, overeenkomstig de bepalingen van dit reglement, mogen van deze bepaling afwijken. In dat geval stellen ze de ogenblikkelijke en gemiddelde maximaal toelaatbare concentraties vast van de radionucliden die in de gasvormige uitstoot kunnen aanwezig zijn.
  36.2. De gasvormige uitstoot waarvan de concentratie aan radionucliden de limieten bepaald in artikel 36.1, of de voorwaarden vastgesteld in de afgeleverde vergunningen, overschrijdt, dient te worden gefilterd, opgeslagen, of te worden behandeld zodat de concentratie aan radionucliden in de geloosde lucht kleiner is dan de voorziene limieten.
  De vaste of vloeibare afvalstoffen die worden verkregen door de filtratie, de opslag of de behandeling, worden behandeld zoals voorzien in de artikelen 34 en 35.
  36.3. De totale activiteit van de radionucliden die in de atmosfeer worden geloosd zal zo laag gehouden worden als redelijkerwijze mogelijk is.

  Art. 37.Opslagplaatsen voor radioactieve afvalstoffen.
  37.1. De radioactieve vloeibare en vaste afvalstoffen die niet kunnen worden verwijderd, worden opgeslagen en bewaard in recipiënten die op gepaste wijze worden gesloten en opgeborgen in brandveilige lokalen, die voor dit gebruik worden voorbehouden en met een sleutel worden afgesloten, zodat elke verspreiding van radioactieve stoffen kan worden vermeden. Wanneer deze afvalstoffen worden opgeslagen met de bedoeling later te worden vrijgegeven na verval, dan dienen deze het voorwerp uit te maken van een selectieve inzameling op basis van schriftelijke procedures die werden goedgekeurd door de dienst voor fysische controle, ten einde aan de bron te sorteren en de afvalstoffen die radionucliden met lange levensduur bevatten, in het bijzonder de alfastralers en de zuivere bêtastralers, afzonderlijk te bewaren.
  37.2. Indien er uit die afvalstoffen mogelijkerwijze een gasvormige radioactieve stof kan vrijkomen, dient de opslagplaats doeltreffend te worden verlucht, mits naleving van de voorwaarden van artikel 36.1.
  37.3. [2 Radioactief afval mag enkel opgeslagen worden in de installaties of delen van de installatie die hiervoor voorzien zijn. Deze afvalstoffen worden bewaard in hermetisch afgesloten recipiënten.]2
  37.4. Er wordt een permanente en zo nauwkeurig mogelijke inventaris bijgehouden van de radioactieve afvalstoffen die werden ondergebracht in de opslagplaatsen, alsook van deze die werden verwijderd. Deze inventaris wordt ter beschikking gehouden van het personeel van het Agentschap dat belast is met het toezicht.
  [1 37.5. De exploitanten van de vergunde klasse II inrichtingen zoals vermeld in de artikelen 3.1, b), 1 en 3.1, b), 2 dienen bij het Agentschap een gemotiveerd voorstel in te dienen met betrekking tot de vooropgestelde nominale benuttingsgraad van de opslaginstallaties in normale exploitatieomstandigheden, zoals beschreven artikel 5.8.4. Hierbij wordt rekening gehouden met de bestaande omstandigheden. Het Agentschap evalueert het voorstel, en haar beslissing, die specifieke voorwaarden kan bevatten, wordt per aangetekende brief aan de exploitant overgemaakt. NIRAS wordt van deze beslissing op de hoogte gebracht. In voorkomend geval wordt artikel 12 of 13 toegepast.
   Voor de overige vergunde inrichtingen van de klasse II en voor de klasse III-inrichtingen dient deze informatie binnen de inrichting beschikbaar te zijn.
   De exploitant mag de aanvullende opslagcapaciteit, bedoeld in artikel 5.8.4, eerste lid, enkel maar gebruiken mits melding aan het Agentschap, gedaan na de voorafgaande goedkeuring van de dienst voor fysische controle. De exploitant dient de rechtvaardiging ervan toe te lichten. Hij dient aan het Agentschap een plan over te maken om de toestand binnen een termijn van maximum één jaar te regulariseren. Hij moet dit plan uitvoeren binnen de voorziene termijn.
   Indien de aanvullende opslagcapaciteit, bedoeld in artikel 5.8.4, eerste lid, gebruikt wordt voor de omstandigheden vermeld in artikel 5.8.4, 1° zijn de bepalingen van het voorgaande lid niet van toepassing.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-05-29/10, art. 17, 023; Inwerkingtreding : 28-06-2018>
  (2)<KB 2020-07-20/16, art. 21, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Afdeling V. - Betreden van bepaalde installaties.

  Art. 37bis. Vergunning tot het betreden van en verblijven op bepaalde plaatsen.
  Onverminderd de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 14 maart 1956 genomen ter uitvoering van de wet van 4 augustus 1955 betreffende de veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie, is het verboden de terreinen en gebouwen bedoeld in artikel 19 van voornoemd koninklijk besluit te betreden of er te verblijven zonder daartoe een nominatieve vergunning van de exploitant of zijn afgevaardigde te hebben verkregen.
  De personen genoemd in artikel 78, die belast zijn met het toezicht, zijn niet onderworpen aan de door deze bepaling ingevoerde vergunningsplicht.

  Afdeling VI. - Operationele bescherming van de externe werkers die zijn blootgesteld aan een risico van ioniserende stralingen tijdens hun werkzaamheden in een gecontroleerde zone.

  Art. 37ter. Algemene bepalingen.
  Het radiologisch controlesysteem van de externe werkers zorgt voor een equivalente bescherming als die waarover de werknemers beschikken die door de exploitant permanent zijn tewerkgesteld.

  Art. 37quater.[1 Verplichtingen van de externe onderneming
   De externe onderneming ziet toe op de stralingsbescherming en veiligheid van haar werknemers, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III, en is in het bijzonder verantwoordelijk voor:
   1° het naleven van de algemene beginselen inzake stralingsbescherming en de dosislimieten;
   2° het organiseren van de in artikel 25.1.1 bedoelde informatie voor haar werknemers;
   3° het op de hoogte brengen van de exploitant of, bij ontstentenis, het ondernemingshoofd of de buitenlandse onderneming, voorafgaand aan de uitvoering van een opdracht met blootstellingsrisico, van:
   a) de gegevens omtrent de onderneming:
   1. naam;
   2. vestigingseenheid adres;
   3. uniek identificatienummer in de vorm van het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO);
   b) de basisgegevens omtrent de externe werkers:
   1. naam;
   2. voornaam;
   3. geslacht;
   4. geboortedatum;
   5. uniek identificatienummer in de vorm van het rijksregisternummer of in voorkomend geval het BIS-registernummer;
   c) de resultaten van het individueel dosimetrisch toezicht van de externe werkers:
   1. de doses over de laatste vijf kalenderjaren, waarbij weergegeven, per jaar:
   i. de effectieve dosis;
   ii. in geval van een niet-eenvormige blootstelling, de equivalente dosis in de verschillende delen van het lichaam;
   iii. in geval van inwendige besmetting, de effectieve en equivalente volgdosissen;
   2. de doses over de laatste twaalf glijdende maanden, waarbij weergegeven:
   i. de monitoringperiode;
   ii. de effectieve dosis;
   iii. in geval van een niet-eenvormige blootstelling, de equivalente dosis in de verschillende delen van het lichaam;
   iv. in geval van inwendige besmetting, de effectieve en equivalente volgdosissen;
   d) de wettelijke dosislimieten indien de opdracht in het buitenland wordt uitgevoerd.
   Indien het gaat om een opdracht in het buitenland, wordt de supra in punt 3° vernoemde informatie overgemaakt volgens de modaliteiten bepaald door het Agentschap en met behulp van het stralingspaspoort.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 22, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 37quinquies.[1 Verplichtingen van de exploitant of van het ondernemingshoofd voor dewelke de opdrachten die een blootstellingsrisico inhouden worden uitgevoerd door externe werkers
   De exploitant of, bij ontstentenis, het ondernemingshoofd bij wie externe werkers een opdracht met blootstellingsrisico uitvoeren, is verantwoordelijk voor de operationele aspecten van hun stralingsbescherming in de gecontroleerde zone en bij de uit te voeren taak, en hij is in het bijzonder verantwoordelijk voor:
   1° het doen naleven van de algemene beginselen inzake stralingsbescherming en de dosislimieten;
   2° het organiseren van het individueel dosimetrisch toezicht van de externe werkers, zoals voorzien in artikel 30.6;
   3° het organiseren van de specifieke vorming voor de externe werkers, zoals bedoeld in artikel 25.1.2;
   4° het ter beschikking stellen van de nodige persoonlijke beschermingsmiddelen aan de externe werkers;
   5° het voorafgaand aan de opdracht van de externe werkers kennisnemen van de resultaten van hun individueel dosimetrisch toezicht;
   6° indien nodig, het bepalen en doen naleven van de dosisbeperkingen, rekening houdend met de voordien opgelopen dosissen, met de aard van de gecontroleerde zone en met de uit te voeren taak.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 23, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 37sexies. [1 Bijzondere of uitzonderingsregelingen
   § 1 Een externe onderneming die:
   1° voortdurend of herhaaldelijk en op basis van een contract tussenkomt bij een exploitant of een ondernemingshoofd;
   of,
   2° over een eigen dienst voor fysische controle beschikt;
   of,
   3° een externe hulpdienst is die tussenkomst in een noodsituatie,
   kan geheel of gedeeltelijk één of meer aspecten organiseren met betrekking tot de stralingsbescherming van haar werknemers tijdens de opdrachten met blootstellingsrisico die uitgevoerd worden voor deze exploitant of ondernemingshoofd.
   Deze aspecten kunnen met name betrekking hebben op:
   1° de specifieke vorming over de gecontroleerde zone en de uit te voeren taak;
   2° het individueel dosimetrisch toezicht en de overdracht van de resultaten daarvan in het blootstellingsregister als bedoeld in artikel 30.6;
   3° de terbeschikkingstelling van de nodige persoonlijke beschermingsmiddelen,
   en worden geregeld in het kader van een door beide partijen ondertekende overeenkomst.
   § 2 Het Agentschap, Bel V, de erkende instellingen voor fysische controle, NIRAS en de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg kunnen voor hun eigen werknemers instaan voor:
   1° de specifieke vorming over de gecontroleerde zone en de uit te voeren taak;
   2° het individueel dosimetrisch toezicht en de overdracht van de resultaten daarvan in het blootstellingsregister als bedoeld in artikel 30.6;
   3° de terbeschikkingstelling van de nodige persoonlijke beschermingsmiddelen.
   § 3 Indien een externe onderneming haar werknemers naar een onderneming in het buitenland stuurt:
   1° vergewist zij zich middels een overeenkomst met de buitenlandse onderneming :
   a) van de naleving van de algemene beginselen inzake stralingsbescherming, de dosislimieten en de eventueel afgesproken dosisbeperkingen;
   b) dat haar werknemers aan een individueel dosimetrisch toezicht zoals bedoeld in artikel 30.6 zijn onderworpen;
   c) dat haar werknemers vóór het begin van de opdracht met blootstellingsrisico, de specifieke vorming, zoals bedoeld in artikel 25.1.2, krijgen;
   d) dat haar werknemers over de nodige persoonlijke beschermingsmiddelen beschikken;
   2° maakt zij de resultaten van het individueel dosimetrisch toezicht van haar werknemers over aan het blootstellingsregister zoals bedoeld in artikel 30.6.4.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2020-07-20/16, art. 24, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>
  

  HOOFDSTUK IV. [1 - Bepalingen omtrent de entiteiten die het Agentschap heeft opgericht met als doel aan hen geheel of gedeeltelijk zijn toezichtsopdrachten te delegeren..]1
  ----------
  (1)<KB 2018-12-06/17, art. 26, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 38.[1 Toezichtsfuncties die geheel of gedeeltelijk aan Bel V kunnen worden toevertrouwd
   Art. 38.1. Controles en Veiligheidsevaluaties
   § 1 Voor de toepassing van dit artikel, wordt onder het jaarlijkse plan van controles en veiligheidsevaluaties verstaan: het plan voor de controles van de installaties en de veiligheidsevaluaties, bedoeld om het beheer van de stralingsbescherming en de nucleaire veiligheid door de exploitant te verifiëren. Dit plan omvat onder meer :
   1. in toepassing van de artikelen 23.1.2.2 en 23.1.3.3, de regelmatige controles van de installaties in de in de artikels 3.1 a) en 3.3 bedoelde inrichtingen;
   2. de veiligheidsevaluaties gelinkt aan:
   - de vaststellingen van de controles van de installaties;
   - de goedkeuringen van de beslissingen van de dienst voor fysische controle van de exploitanten, zoals bepaald in de artikels 23 1.2.2 en 23.1.3.3;
   - de studies en analyses uitgevoerd overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 november 2011 houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties;
   - de vergunningsaanvragen vermeld in de artikels 6.2 en 7.2;
   - de oplevering van de installaties bedoeld in de artikels 6.9 en 15/1.
   § 2 Bel V kan, via een beslissing van de raad van bestuur van het Agentschap, genomen op grond van artikel 14ter § 1 van de wet van 15 april 1994, voor een hernieuwbare termijn van minimum zes jaar geheel of gedeeltelijk belast worden met de uitvoering, op kosten van de exploitant of, bij ontstentenis, het ondernemingshoofd of de aanvrager van de vergunning, van het jaarlijkse plan van controles en van veiligheidsevaluaties.
   § 3. Elk kalenderjaar bepaalt de directeur-generaal van het Agentschap, of, bij ontstentenis, zijn vervanger, het plan van controles en veiligheidsevaluaties op basis van het voorstel van Bel V, dat uiterlijk op 31 oktober van dat jaar werd overgemaakt aan het Agentschap.
   In dit plan wordt, per inrichting, voor het volgende kalenderjaar een lijst opgesteld van :
   - de soorten controles (systematische, specifieke en thematische) die moeten worden uitgevoerd;
   - de veiligheidsevaluaties die moeten worden uitgevoerd;
   - een raming van de prestaties (uren) die vereist zijn per type controle of veiligheidsevaluatie (inclusief de voorbereiding, uitvoering, opvolging).
   § 4. Er wordt tegen 15 december van het lopende jaar aan elke exploitant van de betrokken inrichting(en) een kostenraming overgemaakt door Bel V voor de uitvoering van het plan van controles en veiligheidsevaluaties dat werd bepaald door het Agentschap. Het plan van controles en veiligheidsevaluaties met betrekking tot de betrokken inrichting(en) wordt in bijlage bij de door Bel V overgemaakte raming gevoegd.
   Een marge van 15 % per inrichting is toegestaan voor de effectieve uitvoering van het plan, dit om rekening te kunnen houden met specifieke situaties waarvoor bijkomende middelen vereist zijn. Boven deze marge bepaalt de directeur-generaal van het Agentschap, of bij ontstentenis, zijn vervanger, de update van het jaarlijkse plan van controles en veiligheidsevaluaties voor de betrokken inrichting.
   Art. 38.2. - Uitvoeringsmodaliteiten voor de toevertrouwde opdrachten.
   § 1. De directeur-generaal van Bel V is een deskundige in de fysische controle van klasse I, erkend krachtens artikel 73, van wie de erkenning de installaties en handelingen dekt waarvoor Bel V toezichtsopdrachten uitvoert. De directeur-generaal moet ten laatste één jaar na zijn indiensttreding zijn erkenning verworven hebben.
   § 2 De controles uitgevoerd door Bel V in de inrichtingen van klasse I en in de voertuigen met kernaandrijving, moeten worden uitgevoerd door deskundigen in de fysische controle van klasse I, erkend overeenkomstig de bepalingen van artikel 73. De controles uitgevoerd door Bel V in de inrichtingen van klasse IIA moeten worden uitgevoerd door deskundigen in de fysische controle van klasse I of II, erkend overeenkomstig de bepalingen van artikel 73.
   § 3. Noch Bel V, noch haar personeelsleden mogen de ontwerper of de fabrikant zijn van bronnen, toestellen, of installaties die zij controleert en er geen handel in drijven, ze niet vertegenwoordigen, of onderhouden, ze mogen evenmin de agent zijn van personen die er handel in drijven, ze vertegenwoordigen of onderhouden. Deze bepaling sluit niet uit dat er eventueel technische informatie tussen de fabrikant en Bel V kan worden uitgewisseld.
   De personeelsleden van Bel V mogen geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de inrichtingen waarvoor ze controles uitvoeren, waardoor hun objectiviteit in opspraak zou kunnen worden gebracht.
   § 4 Het is de personeelsleden van Bel V verboden om, zelfs na de beëindiging van hun functies, feiten te onthullen waarvan ze kennis gehad zouden kunnen hebben naar aanleiding van hun functies en die vanwege hun aard vertrouwelijk zijn of waren.
   § 5 Bel V organiseert een wachtrol waardoor een dringende interventie gegarandeerd kan worden bij een incident, of ongeval, of elke andere gebeurtenis die een radiologisch risico kan inhouden binnen een inrichting waarop ze controle uitoefent.
   § 6 Bel V moet een voldoende aantal gekwalificeerde en ervaren personen in dienst hebben, afgestemd op de aard van en het aantal gecontroleerde inrichtingen en de uitgevoerde activiteiten, om zo ten volle haar opdrachten te kunnen vervullen. De uitbesteding door Bel V van gespecialiseerde ondersteunende studies is onderworpen aan de toestemming van het Agentschap.
   Art. 38.3. - Toezicht van het Agentschap op de uitoefening van de toevertrouwde toezichtsopdrachten
   § 1 Teneinde toezicht te kunnen houden op de uitoefening van de opdrachten van Bel V :
   1. ziet de directeur-generaal van het Agentschap toe op de naleving van de reglementering inzake de bescherming tegen de gevaren van ioniserende straling en de naleving van het beheerscontract dat met het Agentschap wordt opgesteld. Hij ziet er inzonderheid op toe dat het door Bel V gevoerde beleid, de uitvoering van de taken van openbare dienst, vermeld in artikel 38.1, § 1, niet in het gedrang brengt;
   2. voert het Agentschap periodiek inspecties of audits uit op de toezichtsopdrachten die aan Bel V toevertrouwd werden en/of van de werking van Bel V;
   3. brengt de directeur-generaal van Bel V periodiek verslag uit bij het Agentschap over de uitvoering de aan haar overeenkomstig artikel 38.1, § 2 toevertrouwde toezichtsopdrachten.
   § 2 Het in het eerste paragraaf vernoemde beheerscontract regelt minstens de volgende aangelegenheden:
   1. modaliteiten voor de opmaak, goedkeuring, aanpassing en opvolging van het jaarlijks plan van controles en veiligheidsevaluaties;
   2. samenwerking met en ondersteuning van de activiteiten van het Agentschap;
   3. uitwerking van de strategische en de operationele plannen;
   4. het managementsysteem en competentiebeheer;
   5. de praktische modaliteiten voor toezicht van het Agentschap op Bel V.
   § 3 Bel V beschikt over een geïntegreerd managementsysteem, gebaseerd op erkende nationale of internationale normen. Dit systeem wordt effectief toegepast, geëvalueerd en voortdurend verbeterd door Bel V.
   § 4 Bel V is verplicht om vrije toegang tot haar lokalen te verlenen aan de nucleaire inspecteurs van het Agentschap die belast zijn met de uitvoering van een inspectie/audit voor het controleren van de goede uitvoering van de toezichtfuncties die haar door het Agentschap toevertrouwd werden en/of de werking van Bel V. Bel V moet de nucleaire inspecteurs van het Agentschap alle documenten en informatie die noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van hun opdracht ter beschikking houden.
   Art. 38.4. - Financiering van de toevertrouwde toezichtsopdrachten
   § 1. De prestaties voor de aan Bel V overeenkomstig artikel 38.1, § 2 toevertrouwde toezichtsopdrachten worden de exploitanten of, bij ontstentenis, de ondernemingshoofden of de aanvragers van de vergunning, aangerekend aan de gemiddelde uurtarieven van:
   - 190 euro voor de prestaties verricht voor de in artikel 3.1 a) bedoelde inrichtingen (basis 2017);
   - 138 euro voor de prestaties verricht voor de in artikel 3.3 bedoelde inrichtingen (basis 2017).
   § 2 De gemiddelde uurtarieven zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex van de maand november 2017 (105,85, basis 2013). In de loop van de maand december van elk jaar, met als aanvang december 2018, worden de bedragen aan de gezondheidsindex van de maand november van dat jaar aangepast. De aldus aangepaste en tot op de euro afgeronde bedragen zijn dan vanaf 1 januari van het daaropvolgend jaar van toepassing.
   Wanneer het cijfer na de komma 5 of meer bedraagt, dan wordt het totaalbedrag tot de hogere eenheid afgerond, wanneer het cijfer na de komma kleiner is dan 5, dan wordt het totaalbedrag tot de lagere eenheid afgerond.
   Onder gezondheidsindex wordt verstaan het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-12-06/17, art. 27, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 38bis.
  <Opgeheven bij KB 2009-03-24/41, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 27-04-2009; zie ook art. 24>

  Art. 39.
  <Opgeheven bij KB 2009-03-24/41, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 27-04-2009; zie ook art. 24>

  Art. 40.
  <Opgeheven bij KB 2009-03-24/41, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 27-04-2009; zie ook art. 24>

  Art. 41.
  <Opgeheven bij KB 2009-03-24/41, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 27-04-2009; zie ook art. 24>

  Art. 42.
  <Opgeheven bij KB 2009-03-24/41, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 27-04-2009; zie ook art. 24>

  Art. 43.
  <Opgeheven bij KB 2009-03-24/41, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 27-04-2009; zie ook art. 24>

  Art. 44.
  <Opgeheven bij KB 2009-03-24/41, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 27-04-2009; zie ook art. 24>

  Art. 44bis.
  <Opgeheven bij KB 2009-03-24/41, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 27-04-2009; zie ook art. 24>

  Art. 44ter.
  <Opgeheven bij KB 2009-03-24/41, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 27-04-2009; zie ook art. 24>

  HOOFDSTUK V. - In de geneeskunde of diergeneeskunde gebruikte niet-ingekapselde radionucliden.

  Art. 45.
  <Opgeheven bij KB 2015-07-12/04, art. 81, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 46.
  <Opgeheven bij KB 2015-07-12/04, art. 81, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 47.
  <Opgeheven bij KB 2015-07-12/04, art. 81, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 47bis.
  <Opgeheven bij KB 2015-07-12/04, art. 81, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 48.
  <Opgeheven bij KB 2015-07-12/04, art. 81, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 49.
  <Opgeheven bij KB 2015-07-12/04, art. 81, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  HOOFDSTUK VI. [1 - Medische jury.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-02-09/04, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 50.[1 § 1 De medische jury wordt samengesteld uit vertegenwoordigers van het Agentschap en uit andere personen gekozen wegens hun wetenschappelijke bekwaamheid.
   Deze personen, gekozen wegens hun wetenschappelijke bekwaamheid, kunnen onder meer zijn:
   1° deskundigen erkend in de fysische controle;
   2° deskundigen erkend in de medische stralingsfysica voor elk van de drie bevoegdheidsdomeinen;
   3° artsen erkend voor het gezondheidstoezicht op beroepshalve blootgestelde personen;
   4° practici vergund voor het gebruik van toestellen en radionucliden in het kader van de radiotherapie;
   5° practici vergund voor het gebruik van röntgenstraling voor medische beeldvorming;
   6° practici vergund voor het gebruik van radionucliden in het kader van de nucleaire geneeskunde;
   7° dierenartsen vergund voor het gebruik van niet-ingekapselde bronnen in de nucleaire diergeneeskunde;
   8° dierenartsen vergund voor het gebruik van bronnen die ioniserende stralingen kunnen uitzenden voor dierengeneeskundige externe radiotherapie en brachytherapie.
   § 2 De leden van de medische jury worden aangeduid door het Agentschap voor een hernieuwbare periode van 6 jaar. Het mandaat van het lid vervalt van rechtswege vanaf de dag dat het lid de leeftijd van 70 jaar bereikt.
   § 3 De voorzitter van de medische jury wordt door het Agentschap aangeduid onder de leden die geen deel uitmaken van het Agentschap voor een hernieuwbare periode van 3 jaar.
   § 4 Het secretariaat wordt waargenomen door een vertegenwoordiger van het Agentschap die geen deel uitmaakt van de medische jury.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-02-09/04, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 51.[1 Alle leden van de medische jury beschikken over een beslissende stem, met uitzondering van de leden die deel uitmaken van het personeel van het Agentschap. De leden van het Agentschap beschikken slechts over een raadgevende stem. Het lid van de medische jury dat een direct of indirect belang heeft bij een vraag voor advies voorgelegd aan de medische jury meldt dit aan deze laatste. De verklaring wordt opgenomen in de notulen van de vergadering. Het lid in kwestie mag niet deelnemen aan de beraadslaging over, noch aan de stemming met betrekking tot deze vraag.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-02-09/04, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 52.[1 Het Agentschap stelt de werkingsregels van de medische jury vast. De samenstelling van de medische jury wordt aangepast volgens de onderwerpen bedoeld in artikel 53. Hierbij wordt een evenwichtige verdeling tussen de verschillende expertises nagestreefd.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-02-09/04, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 53.[1 § 1 De medische jury wordt ermee belast een advies uit te brengen over de volgende onderwerpen en dit voor individuele dossiers of op generieke wijze, al naargelang de vraag van het Agentschap:
   1° de erkenningsaanvragen, de bekwaamheid en de permanente vorming inzake stralingsbescherming van de deskundigen in de medische stralingsfysica;
   2° de kwaliteit van de stage- en activiteitsverslagen van de deskundigen in de medische stralingsfysica;
   3° de erkenningsaanvragen, de bekwaamheid en de permanente vorming inzake stralingsbescherming van de artsen belast met het gezondheidstoezicht voorzien in onderhavig reglement;
   4° de kwaliteit van de stageverslagen, de persoonlijke werken en de activiteitsverslagen van de artsen belast met het gezondheidstoezicht voorzien in onderhavig reglement;
   5° de bekwaamheid en de permanente vorming inzake stralingsbescherming van de aanvrager van een vergunning voor het gebruik van toestellen en van radionucliden in het kader van de radiotherapie;
   6° de bekwaamheid en de permanente vorming inzake stralingsbescherming van de aanvrager van de vergunning voor het gebruik van de radionucliden in het kader van de nucleaire geneeskunde;
   7° de bekwaamheid en de permanente vorming inzake stralingsbescherming van de aanvrager van de vergunning voor het gebruik van de niet-ingekapselde bronnen in de nucleaire diergeneeskunde;
   8° de bekwaamheid en permanente vorming inzake stralingsbescherming van de aanvrager van de vergunning voor het gebruik van bronnen die ioniserende stralingen kunnen uitzenden voor diergeneeskundige externe radiotherapie en brachytherapie.
   § 2 De medische jury kan tevens op verzoek van het Agentschap of op eigen initiatief een advies verlenen over de geldigheidsvereisten van de opleidingen bedoeld in het Besluit Medische Blootstellingen of in het Besluit Diergeneeskundige Blootstellingen.
   § 3 Het Agentschap kan tevens een advies inwinnen over elk punt dat betrekking heeft op de toepassing van artikel 75, alsook over alle andere elementen in het Besluit Medische Blootstellingen of het Besluit Diergeneeskundige Blootstellingen.
   § 4 De adviezen van de medische jury in het kader van dit artikel zijn niet bindend.
   § 5 Het Agentschap informeert de medische jury over het gevolg dat het verleent aan de adviezen.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-02-09/04, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 54.[1 § 1 De werkingskosten van de medische jury worden ten laste genomen door het Agentschap.
   Op voorstel van de raad van bestuur van het Agentschap, bepaalt de bevoegde Minister het bedrag van de zitpenningen die de voorzitter en de leden van de medische jury ontvangen voor hun prestaties.
   § 2 De leden van de medische jury aangeduid onder het personeel van het Agentschap kunnen geen aanspraak maken op enige zitpenning of vergoeding voor hun lidmaatschap.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-02-09/04, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 55.
  <Opgeheven bij KB 2020-02-09/04, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  HOOFDSTUK VII. <Opgeheven bij KB 2017-10-22/04, art. 139, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 56.<Opgeheven bij KB 2017-10-22/04, art. 139, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 57.<Opgeheven bij KB 2017-10-22/04, art. 139, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 58.<Opgeheven bij KB 2017-10-22/04, art. 139, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 59.<Opgeheven bij KB 2017-10-22/04, art. 139, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 60.<Opgeheven bij KB 2017-10-22/04, art. 139, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  HOOFDSTUK VIII. - Kernaandrijving.

  Art. 61. Constructie.
  De constructie van een vaartuig of voertuig van welke aard ook, met kernaandrijving is onderworpen aan een door de Koning verleende voorafgaande vergunning.
  De bepalingen van artikel 5 zijn toepasselijk op het in dit artikel voorziene vergunningsstelsel.
  Bij de vergunningsaanvraag worden de in artikel 6.2. vermelde inlichtingen en bescheiden gevoegd.
  De adviezen van de Wetenschappelijke Raad en van het Agentschap worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 6. ingewonnen.
  Bij die gelegenheid wordt aan de Wetenschappelijke Raad een afgevaardigde van de Minister tot wiens bevoegdheid het vervoer behoort toegevoegd.
  Onze beslissing, in de vorm van besluit getroffen, wordt mede ondertekend door de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren en de Minister tot wiens bevoegdheid het vervoer behoort.
  Onze beslissing wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.8 medegedeeld aan de overheden genoemd in dat artikel, alsook aan het hoofd van het betrokken district van de Zeevaartinspectie.
  De bepalingen van artikel 6.9. zijn toepasselijk op de constructie van de vaar- en voertuigen waarvan sprake.

  Art. 62. Belgische en vreemde vaartuigen en voertuigen.
  62.1. Het verkeer en het stationeren van Belgische vaartuigen en voertuigen met kernaandrijving, in de Belgische territoriale wateren, territoriale zee, luchtruim of op Belgische bodem, naargelang het geval, zijn onderworpen aan een voorafgaande vergunning van het Agentschap, dat vooraf het advies vraagt van de Minister tot wiens bevoegdheid het vervoer behoort. Die vergunning kan bijzondere voorwaarden opleggen inzonderheid in verband met de begeleiding, de reisweg, het aanleggen, het landen, het stationeren, de duur hiervan, de bewaking.
  Indien het Agentschap van oordeel is dat de gevraagde vergunning niet kan worden toegekend wordt dit vooraf aan de aanvrager medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
  62.2. De buitenlandse vaartuigen en voertuigen met kernaandrijving worden alleen toegestaan en mogen alleen reizen in de Belgische territoriale wateren, territoriale zee, luchtruim of op de Belgische bodem, naargelang het geval, mits ze een voorafgaande vergunning hebben van het Agentschap, dat vooraf het advies inwint van de Minister tot wiens bevoegdheid het vervoer behoort.
  Die vergunning kan bijzondere voorwaarden opleggen inzonderheid in verband met de begeleiding, de reisweg, het aanleggen, het landen, het stationeren, de duur hiervan, de bewaking.
  Indien het Agentschap van oordeel is dat de gevraagde vergunning niet kan worden toegekend wordt dit vooraf aan de aanvrager medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.

  Art. 63. Andere wettelijke of reglementaire bepalingen.
  De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan de andere wettelijke of reglementaire bepalingen in verband onder meer met de constructie, het verkeer, het aanleggen, het landen van vaartuigen of voertuigen van alle aard.

  HOOFDSTUK IX. - Verbodsbepalingen en vergunningen.

  Art. 64.Verbodsbepalingen.
  64.1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 65., is het verboden:
  a) in de schoenhandel toestellen te gebruiken waar ioniserende stralingen bij te pas komen;
  b) om radioactieve stoffen toe te voegen aan eetwaren, schoonheidsproducten, sieraden, cosmetica, speelgoed en aan[4 consumptiegoederen]4. Dit verbod geldt eveneens voor activering. Voor wat de edelstenen, halfedelstenen en parels betreft, kan het Agentschap evenwel tolerantielimieten bepalen voor de specifieke activiteit en/of voor het dosistempo;
  (NOTA : artikel 64.1.b werd hersteld bij AR 2002-12-18/56, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 14-03-2002)
  c) (...) geneesmiddelen met ioniserende stralingen te behandelen. Evenwel is de sterilisatie van geneesmiddelen met ioniserende stralingen toegestaan, voor zover deze uitgevoerd wordt volgens de voorwaarden die bij de registratie van het geneesmiddel werden vastgesteld; <KB 2002-12-18/56, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 14-03-2002>
  d) (radioactieve stoffen te gebruiken in de opvanginrichtingen van de bliksemafleiders. De opvanginrichtingen die radioactieve stoffen bevatten, moeten verwijderd worden met toepassing van de artikelen 35.1 en 37 van dit reglement en de andere reglementaire bepalingen betreffende radioactieve afvalstoffen.
  Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II en VII kan het Agentschap de afbraak en de verwijdering van voormelde opvanginrichtingen aan bijkomende technische voorwaarden onderwerpen.) <KB 2006-01-24/33, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 02-03-2006>
  [1 e) ionisatierookmelders aan te wenden voor huishoudelijk gebruik.]1
  64.2. [2 De invoer, de uitvoer, het in bezit hebben, het te koop aanbieden, de verkoop, het onder bezwarende titel of kosteloos afstaan en het vervoer van de in artikel 64.1.a, b en d bedoelde toestellen en producten is verboden.]2
  [3 Het is verboden om ionisatierookmelders te koop aan te bieden, te verkopen, onder bezwarende voorwaarde of kosteloos af te staan aan personen die de bedoeling hebben om deze toestellen voor huishoudelijk gebruik aan te wenden.]3.
  Wat de edelstenen, de halfedelstenen en de parels betreft die niet voldoen aan de tolerantielimieten, gedefinieerd in artikel 64.1.b), kan het Agentschap de voorwaarden bepalen waaronder het vervoer, het in bezit houden, de opslag en de behandeling met de bedoeling hun specifieke activiteit te verlagen, kunnen worden vergund.
  64.3. Het is verboden radioactieve stoffen en toestellen of installaties die ioniserende straling kunnen uitzenden te gebruiken voor onderzoekingen in verband met de landbouw, de zoötechnie en de entomologie, buiten de plaatsen die speciaal ingericht zijn om elk gevaar voor de gezondheid van mens en dier te voorkomen.
  64.4. Op advies van het Agentschap, kan de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren, in geval van nood, de verdeling van bepaalde radioactieve stoffen verbieden.
  [5 64.5
   Het is verboden om gebruik te maken van Americium-241-bronnen voor de meting van de vulhoogte van recipiënten gebruikt in het kader van de vervaardiging van dranken.
   64.6
  [6 ...]6
   64.7
   Met uitzondering van de toestellen die gebruikt worden voor de analyse van de chemische samenstelling van materialen, is het verboden om voor de niet-destructieve controle van leidingen gebruik te maken van röntgentoestellen die door de operator tijdens hun werking in de hand worden gehouden.]5
  [7 64.8. Het is verboden om gebruik te maken van Americium-241-bronnen voor meting van dikte, massa of densiteit in het kader van de vervaardiging van textiel.]7
  ----------
  (1)<KB 2010-10-10/09, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2020>
  (2)<KB 2010-10-10/09, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 28-10-2010>
  (3)<KB 2010-10-10/09, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2010>
  (4)<KB 2014-09-30/09, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 10-11-2014>
  (5)<KB 2018-05-04/08, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 01-07-2018>
  (6)<KB 2020-02-09/04, art. 7, 025; Inwerkingtreding : 01-03-2020>
  (7)<KB 2020-06-04/13, art. 1, 028; Inwerkingtreding : 22-06-2020>

  Art. 65.Voorafgaande vergunningen.
  65.1. Het Agentschap kan evenwel volgens de in artikel 65.2 bepaalde regels, vergunning verlenen tot:
  a) het behandelen met ioniserende stralingen van voedingsmiddelen of geneesmiddelen of het toevoegen van radioactieve stoffen aan voedingsmiddelen, voor onderzoek;
  (b) weggelaten) <KB 2002-03-12/32, art. 27, 002; Inwerkingtreding : 14-03-2002>
  (b)) de sterilisatie door middel van ioniserende stralingen van materiaal gebruikt voor medische of heelkundige doeleinden alsook van de heelkundige hechtmiddelen en van de verbanden; <KB 2002-03-12/32, art. 24, 002; Inwerkingtreding : 14-03-2002>
  (c)) de invoer van de in (artikel 65.1.b)) bedoelde producten, onder de door die bepalingen gestelde voorwaarden en onder de door het Agentschap vastgestelde bijzondere voorwaarden. <KB 2002-03-12/32, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 14-03-2002>
  In de vergunning betreffende de activiteiten bedoeld bij de punten b), c) (...) kunnen de criteria worden vermeld voor de bepaling van het begrip " partij " die door gepaste monsterneming aan controle moet worden onderworpen. <KB 2002-03-12/32, art. 26, 002; Inwerkingtreding : 14-03-2002>
  65.2. De vergunningsaanvraag wordt, samen met de nodige verantwoordingsstukken, ingediend bij het Agentschap. Het Agentschap maakt de aanvraag over aan de Hoge Gezondheidsraad, binnen veertien kalenderdagen na ontvangst ervan, voor zover het de aanvraag volledig acht. Het Agentschap brengt de aanvrager hiervan op de hoogte.
  Binnen vier maanden na ontvangst van het dossier, verstrekt de Hoge Gezondheidsraad een gemotiveerd advies. Op gemotiveerd verzoek van die Raad, kan het Agentschap de termijn met maximum twee maanden verlengen, waarvan het de aanvrager op de hoogte brengt. Bij onthouding van de Raad binnen de voorgeschreven termijn, wordt het advies gunstig geacht.
  Door de Hoge Gezondheidsraad kunnen bijkomende inlichtingen worden geëist van de aanvrager binnen drie maanden na de ontvangst van het dossier. De termijn voor de behandeling van het dossier wordt dan opgeschort tot de gevraagde informatie wordt verkregen.
  Indien de Hoge Gezondheidsraad van oordeel is dat er geen gunstig advies kan gegeven worden, wordt dit vooraf aan de aanvrager medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om gehoord te worden binnen de door de Raad vastgestelde termijn. De beslissing van het Agentschap die de vergunning weigert of toestaat wordt ter kennis gebracht van de aanvrager binnen de dertig kalenderdagen die volgen op de ontvangst van het advies van de Hoge Gezondheidsraad of, in voorkomend geval, het verstrijken van de kennisgevingstermijn aan de Europese Commissie.
  65.3. [1 Het Agentschap kan eveneens het toevoegen van radioactieve stoffen toestaan in types van consumptiegoederen vermeld in artikel 65 op voorwaarde dat:
   - deze handeling als gerechtvaardigd beoordeeld wordt, met toepassing van artikel 20;
   - in een analyse van de radiologische impact wordt aangetoond dat aan de radiologische criteria voor vrijstelling, vastgesteld in het tweede lid van punt 3 van bijlage IA, is voldaan.
   De vergunning die het toevoegen van radioactieve stoffen in types van consumptiegoederen toelaat, vermeldt de aard van de consumptiegoederen en de toelaatbare radionucliden en hun activiteit per product.
   De vergunningsaanvraag, samen met de nodige verantwoordingsstukken, wordt bij het Agentschap ingediend door de fabrikant, de invoerder in België of de verdeler voor de Belgische markt en de procedure van artikel 65.2 is hierop van toepassing.
   Het Agentschap kan het gebruik van dergelijke consumptiegoederen vrijstellen van voorafgaande vergunning.]1
  65.4. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II en III, kan het Agentschap het gebruik van fotoluminescente bronnen of energiebronnen op basis van radioactieve stoffen aan bijkomende voorwaarden onderwerpen.
  65.5. De toegekende vergunningen worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  ----------
  (1)<KB 2014-09-30/09, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 10-11-2014>

  HOOFDSTUK X. - Uitzonderlijke maatregelen.

  Art. 66.Maatregelen in verband met de diefstal of het verlies van radioactieve stoffen.
  66.1. Iedere persoon die radioactieve stoffen in zijn bezit heeft, moet de nodige maatregelen treffen om diefstal, verlies of verduistering van die stoffen te voorkomen. Daartoe worden ondermeer de volgende voorzorgen getroffen:
  a) buiten de ogenblikken van hun gebruik, worden de bronnen veilig opgesloten of stevig bevestigd, zodat ze niet kunnen verplaatst worden zonder tussenkomst van de verantwoordelijke personen;
  b) tijdens het vervoer worden de verpakkingen van de bronnen doelmatig afgegrendeld zodat elk buiten komen of lek verhinderd wordt zonder tussenkomst van de verantwoordelijke persoon, welke ook de positie van de bron mocht zijn;
  c) de behandelingen en het vervoer van bronnen gebeuren volgens een programma dat toelaat op elk ogenblik het door de bronnen afgelegde traject juist te bepalen.
  66.2. Elke persoon die het verlies of de diefstal van radioactieve stoffen vaststelt verwittigt het hoofd van de inrichting, of bij ontstentenis het ondernemingshoofd; deze neemt onmiddellijk de noodzakelijke maatregelen om die stoffen op te zoeken en waarschuwt het coördinatie- en crisiscentrum van de regering en het territoriaal bevoegd eenvormig oproepstelsel 100. Deze verwittigen zo snel mogelijk het Agentschap. In de inrichtingen van klasse I, II en III, moet het hoofd van de inrichting, of bij ontstentenis het ondernemingshoofd eveneens het hoofd van de dienst preventie en bescherming op het werk, het hoofd van de dienst voor fysische controle en de erkende geneesheer belast met het medisch toezicht op de werknemers verwittigen.
  66.3. [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2018-12-06/17, art. 31, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 66bis.Het hoofd van elke inrichting bestemd voor de behandeling, de recyclage of het hergebruik van afvalstoffen is verplicht bij het Agentschap aangifte te doen van elk geval van detectie van een besmetting groter dan de niveaus, vastgesteld door het Agentschap. De technische en praktische aspecten (met name [1 de opslag]1), evenals de te ondernemen acties (en te organiseren opleiding), worden door het Agentschap bepaald. <KB 2006-05-23/33, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 27, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

   Art.. <ingevoegd bij KB 2006-05-23/33, art. 8; Inwerkingtreding : 01-09-2006> : Maatregelen in verband met ongeoorloofde toegang tot of ongeoorloofd gebruik van radioactieve stoffen.
  Iedere persoon die radioactieve stoffen in zijn bezit heeft of aantreft op een terrein waarvoor hij verantwoordelijk is, moet de nodige maatregelen treffen om ongeoorloofd gebruik en ongeoorloofde toegang tot die stoffen te voorkomen.
  De technische en praktische aspecten, evenals de te ondernemen acties, worden door het Agentschap bepaald.

  Art. 67.Maatregelen in verband met de ongevallen, de bewust aanvaarde uitzonderlijke blootstellingen en de blootstellingen bij ongeval.
  67.1. Onverminderd de bepalingen van artikel 29, worden de nodige voorzorgen getroffen om het risico voor brand of ontploffing en de gevolgen van een overstroming of van elke andere vorm van ramp, die de inrichting zou kunnen treffen, te voorkomen.
  De nodige voorzorgen worden bovendien getroffen om de radioactieve stoffen te beschermen tegen de gevolgen die uit bepaalde atmosferische verschijnselen kunnen voortvloeien.
  De exploitant bepaalt de bij ramp te nemen maatregelen en deelt ze mede aan het personeel van de inrichting, alsook aan de in artikel 76 bedoelde overheden en diensten.
  Die maatregelen worden zichtbaar op verscheidene plaatsen van de inrichting aangeplakt. In de inrichtingen van klasse I en II wordt aan alle personeelsleden een nota overhandigd. Die nota wordt elk jaar opnieuw uitgedeeld.
  (Na elke gebeurtenis, inclusief brand, waarbij de bron beschadigd kan zijn, laat de exploitant de integriteit van elke hoogactieve ingekapselde bron en diens broncontainer controleren door [1 een deskundige erkend in de fysische controle]1.) <KB 2006-05-23/33, art. 9, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  67.2. Telkens een gebeurtenis zich voordoet die de veiligheid of de gezondheid van personen in gevaar kan brengen, neemt het hoofd van de dienst voor fysische controle onmiddellijk alle nuttige maatregelen om het ontdekte gevaar tekeer te gaan [2 , in voorkomend geval, in overleg met de deskundige erkend in de fysische controle]2.
  Bovendien waarschuwt hij de erkende geneesheer belast met het medisch toezicht op de werknemers:
  1. telkens een beroepshalve blootgestelde persoon moet onderworpen worden aan een blootstelling in een noodsituatie in de zin van artikel 20;
  2. telkens een al dan niet beroepshalve blootgestelde persoon onderworpen werd aan een bestraling bij ongeval die de in artikel 20 vastgestelde dosislimieten overschrijdt;
  3. telkens er een ongeval gebeurt dat een ernstig gevaar voor blootstelling insluit.
  Vervolgens [2 verricht de deskundige in de fysische controle]2 een grondige studie van de omstandigheden waarin het voorval of het ongeval gebeurd is, alsook van de opgelopen doses, waarbij hij in het bijzonder gebruik maakt van de geëigende methodes voor de individuele dosimetrie. [2 De deskundige erkend in de fysische controle legt de exploitant]2, of bij ontstentenis het ondernemingshoofd een verslag voor waarin hij hem de maatregelen aanbeveelt, te nemen om elke tekortkoming te verhelpen en elke herhaling te voorkomen.
  Behalve in geval van toepassing van het nucleair noodplan, bedoeld in artikel 72.1, verwittigt [2 de exploitant]2, of bij ontstentenis het ondernemingshoofd zo spoedig mogelijk:
  a) het Agentschap [2 en communiceert overeenkomstig de door haar opgestelde modaliteiten en criteria]2;
  b) het coördinatie- en crisiscentrum van de regering en het territoriaal bevoegd eenvormig oproepstelsel 100;
  c) de technische en medische inspecties, zo er een blootstelling bij ongeval van een werknemer gebeurd is, die de in artikel 20 vastgestelde dosislimieten overschrijdt;
  d) zo er een ongeval gebeurt dat een ernstig gevaar voor blootstelling insluit, de onder a) en b) vermelde diensten, de burgemeester alsook de diensten vermeld in artikel 66.2.
  [2 Telkens een gebeurtenis zich voordoet die de stralingsbescherming, gezondheid of levenskwaliteit van een patiënt in het kader van een handeling bedoeld in [3 in het Besluit Medische Blootstellingen of het Besluit Diergeneeskundige Blootstellingen]3 in gevaar kan brengen, vergewist de practicus die verantwoordelijk is voor de handeling, zich ervan dat het Agentschap is verwittigd en de communicatie is gebeurd overeenkomstig de door haar bepaalde modaliteiten en criteria. Deze melding aan het Agentschap verleent geen vrijstelling aan de aangifteverplichtingen die krachtens dit reglement en andere regelgeving worden opgelegd.]2
  67.3. Zo er reden bestaat te vrezen dat de dosislimieten vastgesteld in artikel 20 kunnen overschreden worden, kunnen de personen vermeld in artikel 78, ieder wat hem betreft, aan de inrichtingen van klasse I, II of III, aan de vervoerondernemingen en aan de constructeurs van voertuigen met kernaandrijving, op aanmaning bevestigd door een ter post aangetekende brief, voorschrijven een medische controle in te richten, die zich uitstrekt tot personen die niet vallen onder de medische controle, opgelegd door dit reglement, en een fysische controle te organiseren buiten de gecontroleerde en bewaakte zones.
  De betrokkenen kunnen bij de Koning tegen deze beslissing in beroep gaan. Het moet ingediend worden, bij een ter post aangetekende brief, binnen een termijn van tien kalenderdagen na ontvangst van de aangetekende brief waarvan sprake in het eerste lid.
  De beslissing wordt medeondertekend door de Minister van wie de ambtenaar afhangt en door de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren.
  Het beroep schorst de betwiste beslissing niet.
  67.4. Bij een onvoorziene gebeurtenis die de gezondheid van de werknemers of van de bevolking in gevaar kan brengen, zoals een brand, een ontploffing, een overstroming, een verlies of een diefstal van radioactieve stoffen, moeten het hoofd van de inrichting, of bij ontstentenis het ondernemingshoofd, alsook iedere persoon die van het gebeurde kennis heeft, onmiddellijk de burgemeester inlichten.
  Het hoofd van de inrichting, of bij ontstentenis het ondernemingshoofd en de burgemeester moeten achtereenvolgens de volgende diensten verwittigen, in de mate dat hun tussenkomst nodig blijkt:
  a) de gemeentelijke brandweerdiensten;
  b) de mobiele colonne van de Algemene Directie van de Civiele Bescherming van de sector waartoe de inrichting behoort;
  c) de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie;
  d) alle andere diensten waarvan de lijst door het Agentschap of door de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren samen met de Minister tot wiens bevoegdheid het vervoer behoort, kan opgesteld worden.
  ----------
  (1)<KB 2018-12-06/17, art. 32, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (2)<KB 2018-12-06/17, art. 33, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (3)<KB 2020-02-09/04, art. 8, 025; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 68.Ontsmetting.
  68.1. Algemene maatregelen
  Onverminderd de maatregelen voorzien in artikel 30.3 moet het hoofd van de inrichting, of bij ontstentenis het ondernemingshoofd al de nuttige maatregelen treffen opdat voor elke besmetting de gepaste ontsmettingsmaatregelen genomen worden.
  68.2. Dringende maatregelen
  Zodra een besmetting wordt vastgesteld, moeten dringend de volgende maatregelen getroffen worden:
  1. de besmetting doen ophouden en de verspreiding ervan verhinderen;
  2. de besmette personen verwijderen na onderzocht te hebben of deze verwijdering geen verspreiding van de besmetting kan veroorzaken;
  3. indien die verwijdering een verspreiding van de besmetting kan veroorzaken, moeten de door de omstandigheden ingegeven maatregelen getroffen worden om die verspreiding te verhinderen;
  4. de besmette zone afbakenen en ieder persoon, niet belast met veiligheidsmaatregelen, verbieden die zone te betreden of te naderen.
  68.3. Ontsmetting van de personen
  Elke persoon die inwendig of uitwendig besmet wordt met radioactieve nucliden moet het voorwerp zijn van gepaste maatregelen voor zijn ontsmetting.
  De ontsmetting moet dringend en onder leiding van een ter zake bevoegd geneesheer geschieden.
  De eerste hulp mag echter verstrekt worden door een persoon vooraf speciaal door deze geneesheer opgeleid.
  [1 ...]1
  68.4. Ontsmetting van de kledingstukken
  De besmette kledij, schoenen en linnen moeten opgeborgen worden in ondoordringbare zakken, kasten of recipiënten met duidelijke vermeldingen.
  Zij mogen maar opnieuw gebruikt worden wanneer ze van de besmettende stoffen ontdaan werden in zulke mate dat hun radioactiviteit tot een als niet gevaarlijk beschouwd niveau gedaald is.
  Zolang ze besmet zijn mogen ze niet in de gewone wasserijen gereinigd worden.
  Is de ontsmetting onmogelijk dan worden ze als radioactieve afvalstoffen behandeld.
  68.5. Ontsmetting van de toestellen, lokalen en andere plaatsen
  De ontsmettingsmaatregelen moeten vooraf bestudeerd worden en mogen alleen toegepast worden door bevoegde personen en onder de verantwoordelijkheid van het hoofd van de inrichting, of bij ontstentenis het ondernemingshoofd.
  De resterende besmetting wordt gemeten en de opgenomen gegevens worden vermeld in een document dat ter beschikking blijft van de personen genoemd in artikel 78.
  De vloeistoffen, voorwerpen, enz. die gediend hebben voor de ontsmetting worden als radioactieve afvalstoffen behandeld.
  Een besmet lokaal of toestel mag maar opnieuw in gebruik worden genomen of een besmette plaats toegankelijk gemaakt wanneer:
  1. ze in zulke mate ontsmet worden dat hun radioactiviteit tot een als niet gevaarlijk beschouwd niveau gedaald is;
  2. het besmette gedeelte met een voldoende definitieve bescherming kan afgedekt worden om de stralingsintensiteit tot een toelaatbaar niveau te verminderen en om alle latere verspreiding van die besmetting te voorkomen.
  Wanneer het onmogelijk blijkt een lokaal, een plaats of een toestel te ontsmetten, moeten deze definitief afgesloten, ontoegankelijk en onbruikbaar gemaakt worden en moeten alle maatregelen genomen worden om de naleving van de dosislimieten vastgesteld in artikel 20 te verzekeren. De radioactieve afvalstoffen worden overeenkomstig de reglementaire bepalingen met het akkoord van NIRAS behandeld.
  ----------
  (1)<KB 2018-12-06/17, art. 34, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 69.Behandeling van de lijken van door radioactieve stoffen besmette personen.
  69.1. De lijken van door radioactieve stoffen besmette personen zijn het voorwerp van bijzondere voorzorgsmaatregelen om de verspreiding van die stoffen te verhinderen en zo nodig de omgeving tegen een uitwendige blootstelling te beschermen.
  69.2. [1 ...]1
  69.3. [1 Het Agentschap kan voorwaarden met betrekking tot de behandeling van lijken opleggen, in het bijzonder met betrekking tot de lijkschouwing, het begraven en het verbranden ervan, rekening houdend met de aanbevelingen van de Hoge Gezondheidsraad.]1
  69.4. [1 ...]1
  69.5. [1 ...]1
  69.6. [1 ...]1
  69.7. [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2012-04-26/65, art. 15, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2012>

  HOOFDSTUK XI. - Inrichting van het toezicht op het grondgebied en de bevolking in haar geheel en noodplanning.

  Art. 70.Controle van de radioactiviteit op het grondgebied en op de door de bevolking ontvangen doses.
  Met toepassing van de bepalingen van de artikelen 21 en 22 van de wet van 15 april 1994 wordt het Agentschap belast met de controle van de radioactiviteit van het gehele grondgebied en met het toezicht op de door de bevolking ontvangen doses.
  Te dien einde verzekert het zich, volgens noodzaak, van de medewerking van bevoegde openbare en private instellingen; de kosten die hieruit voortvloeien worden door het Agentschap gedragen. De modaliteiten van deze samenwerking worden bepaald in akkoord met de Algemene Directie van de Civiele Bescherming voor wat betreft de problemen die er verband mee houden, meer bepaald de oprichting van een meetnet en van meettoestellen.
  In normale omstandigheden slaat de controle bedoeld in het eerste lid op :
  1. de regelmatige bepaling van de natuurlijke en kunstmatige radioactiviteit van de buitenlucht, het water, de bodem [1 , de bouwmaterialen]1 en de voedselketen evenals de controle van de natuurlijke radioactiviteit (radon- en gammablootstelling) in woningen en openbare gebouwen in de zones en volgens de procedures bepaald door het Agentschap;
  2. de beoordeling op de meest realistisch mogelijke wijze, rekening houdend met het accumulatieproces van de radioactiviteit in het leefmilieu, en het toezicht van de door de bevolking ontvangen stralingsdoses, zowel in normale omstandigheden als bij ongeval. Het toezicht van de door de bevolking ontvangen doses wordt uitgeoefend:
  a) op de gehele bevolking;
  b) op de referentiegroepen van de bevolking, op alle plaatsen waar dergelijke groepen kunnen voorkomen.
  [1 De procedures voor de controle op de blootstelling aan radon in woningen en openbare gebouwen zijn conform de bepalingen van artikel 72/1.3.]1
  De dosisbepalingen die dienen te worden uitgevoerd voor de bescherming van de bevolking omvatten, rekening houdend met de radiologische hinder:
  a) de beoordeling van de uitwendige blootstelling met aanduiding, volgens het geval, van de aard van de straling;
  b) de beoordeling van de radioactieve besmettingen, met aanduiding van de aard en de fysische en chemische toestand van de besmettende radioactieve stoffen evenals de bepaling van de activiteit van de radioactieve stoffen en hun concentratie;
  c) de beoordeling van de doses welke de referentiegroepen van de bevolking zouden kunnen ontvangen in normale of uitzonderlijke omstandigheden en de specificatie van de kenmerken van deze groepen;
  d) de beoordelingsfrequentie is jaarlijks;
  e) de documenten met betrekking tot de uitwendige blootstelling of radioactieve besmetting evenals de resultaten van de beoordeling van de door de bevolking ontvangen doses dienen in archieven te worden bewaard, met inbegrip van deze die betrekking hebben op blootstellingen bij ongeval of noodgeval.
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 28, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 70/1. [1 Bescherming tegen gammastraling afkomstig van bouwmaterialen
   70/1.1 Identificatie van bouwmaterialen die als zorgwekkend zijn aangemerkt vanuit het oogpunt van de stralingsbescherming
   De bouwmaterialen die als zorgwekkend vanuit het oogpunt van de stralingsbescherming zijn aangemerkt, zijn de volgende:
   1° de bouwmaterialen die residu's bevatten waarvan de activiteitsconcentratie de in bijlage VIII vastgestelde niveaus overschrijdt;
   2° alle bouwmaterialen waarvoor er, op basis van de meetgegevens of van de gegevens m.b.t. de oorsprong van het materiaal, een redelijk vermoeden bestaat dat ze kunnen leiden tot een blootstelling die het referentieniveau bepaald in artikel 20.2.2, f) kan overschrijden; deze materialen worden aangeduid overeenkomstig de door het Agentschap vastgestelde modaliteiten;
   3° Alle andere materialen die door het Agentschap werden gedefinieerd en in een in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte lijst werden opgenomen.
   70/1.2 Index voor de activiteitsconcentratie voor gammastraling uitgezonden door bouwmaterialen
   De activiteitsconcentraties van Ra-226, K-40 en Th-232 in de bouwmaterialen gedefinieerd in artikel 70/1.1 worden vastgesteld overeenkomstig de modaliteiten bepaald door het Agentschap.
   De invoerder, producent of verdeler in België van het bouwmateriaal bezorgt deze analyseresultaten aan het Agentschap, evenals de waarden van de volgende parameters: dichtheid, dikte en voorzien gebruik van het bouwmateriaal.
   De volgende index voor activiteitsconcentratie wordt gebruikt als opsporingsmiddel om na te gaan of het in artikel 20.2.2, f) bepaalde referentieniveau niet wordt overschreden:
   I = CRa-226/ 300 + CTh-232/ 200 + CK-40/ 3000
   waarbij CRa-226, CTh-232 en CK-40 respectievelijk de activiteitsconcentraties in Bq/kg zijn van Ra-226, Th-232 en K-40. Een indexwaarde die lager ligt dan 1 houdt in dat het referentieniveau niet werd overschreden.
   De meting van de activiteitsconcentratie gebeurt door een laboratorium dat beschikt over een ISO 17025 accreditatiecertificaat voor de gebruikte techniek.
   70/1.3 Evaluatie van externe dosis
   Indien de activiteitsconcentratie-index hoger is dan 1, evalueert de invoerder, producent of verdeler in België van bouwmaterialen de externe dosis via de gepaste middelen, of verstrekt argumenten die met name gebaseerd zijn op het voorziene gebruik van de materialen, waardoor kan worden besloten dat het referentieniveau van 1 mSv per jaar niet overschreden wordt.
   De externe dosis D (in mSv/jaar) afkomstig van het bouwmateriaal kan worden geëvalueerd :
   1° met de door het Agentschap bepaalde formule;
   2° via een andere methode.
   In de laatste geval wordt deze evaluatie aan het Agentschap overgemaakt, omvattende:
   1° Een beschrijving van de methode waarin de waarden van de gebruikte parameters worden vermeld en gerechtvaardigd; deze parameters moeten worden onderworpen aan een gevoeligheidsstudie;
   2° in geval er een berekeningscode wordt gebruikt, de documentatie m.b.t. code en de validatieprocedure.
   Het Agentschap keurt de dosisevaluatie goed vooraleer het bouwmateriaal op de markt wordt gebracht.
   Wanneer het bouwmateriaal reeds op de markt is, kan het Agentschap de commercialisering ervan opschorten in afwachting van de resultaten van deze evaluatie.
   Wanneer uit de evaluatie uitgevoerd volgens de modaliteiten van dit punt blijkt dat het referentieniveau dreigt overschreden te worden, kan het Agentschap het op de markt brengen van het bouwmateriaal verbieden of er gebruiksbeperkingen voor opleggen.
   Indien de invoerder, de producent of de verdeler in België van een bouwmateriaal dat niet is opgenomen in artikel 70/1.1, vaststelt dat de activiteitsconcentratie-index groter is dan 1, dient hij de analyseresultaten hiervan aan het Agentschap over te maken, en zijn de voorschriften met betrekking tot de dosisevaluatie van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2020-07-20/16, art. 29, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>
  

  Art. 71.Toezicht op de bevolking in haar geheel;
  Het Agentschap verzamelt al de resultaten van die controles, alsook de gegevens waarvan sprake in artikel 24. Het interpreteert die resultaten, trekt er de nuttige besluiten uit en deelt de resultaten van die controles en dosisramingen jaarlijks mee aan de Europese Commissie.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 30, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 72.Noodplan voor nucleaire risico's en maatregelen ter informatie van de bevolking.
  72.1. De Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren stelt een noodplan voor nucleaire risico's voor het ganse grondgebied vast.
  Daartoe wordt, in samenwerking met het Agentschap, een ontwerp van noodplan opgemaakt en bijgewerkt door een groep deskundigen, die worden benoemd door de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren. Die groep is samengesteld uit vertegenwoordigers van het Agentschap en van de diensten en organisaties die bij de uitvoering van de in het plan vastgestelde maatregelen betrokken zijn.
  Het noodplan voor nucleaire risico's bevat ten minste:
  a) de procedures van melding en alarmering;
  b) de organisatie van de evaluatie van het stralingsgevaar;
  c) de voorbereiding van de te nemen maatregelen zowel op nationaal, op provinciaal als op gemeentelijk vlak;
  d) de vaststelling van de zone waarbinnen de te nemen maatregelen dienen voorbereid te worden wanneer de interventieniveaus voor de blootstelling van de bevolking in een radiologische noodsituatie overschreden worden of kunnen worden;
  e) de regeling van de coördinatie van de operaties, overeenkomstig artikel 4, 2e lid van het koninklijk besluit van 23 juni 1971 houdende organisatie van de opdrachten van de Algemene Directie van de Civiele Bescherming en coördinatie van de operaties bij rampspoedige gebeurtenissen, catastrofen en schadegevallen;
  f) de wijze waarop, zodra zich een radiologische noodsituatie voordoet, de werkelijk getroffen bevolking onverwijld wordt ingelicht over de noodsituatie, de te volgen gedragslijn en de maatregelen ter bescherming van de gezondheid die in dat specifieke geval voor haar van toepassing zijn;
  g) de wijze van informatieverstrekking, bij een radiologische noodsituatie en rekening houdend met de omstandigheden van dat specifieke geval, aan de personen die ingeschakeld kunnen worden bij de organisatie van de hulpverlening, over de risico's die hun interventie voor hun gezondheid zou kunnen hebben en over de in dergelijke gevallen te nemen voorzorgsmaatregelen;
  h) de procedures betreffende het doorgeven van de in de artikelen 72.1, derde lid, f), 72.2 en 72.3 bedoelde informatie en de natuurlijke en rechtspersonen voor wie de informatie bestemd is.
  Het noodplan bepaalt de autoriteiten die belast zijn met het onverwijld inlichten van de werkelijk getroffen bevolking.
  De in het derde lid, f), bedoelde informatie heeft op zijn minst betrekking op de in bijlage V, punt A vermelde punten. Deze informatie wordt medegedeeld aan de Europese Commissie alsmede aan de getroffen of potentieel getroffen Lidstaten.
  72.2. De Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren ziet erop toe dat potentieel getroffen bevolking in radiologische noodsituatie, ten minste om de vijf jaar, vooraf wordt geïnformeerd over de maatregelen ter bescherming van de gezondheid die op haar van toepassing zullen zijn, alsmede over de te volgen gedragslijn bij een radiologische noodsituatie. De verstrekte informatie heeft ten minste betrekking op de in bijlage V, punt B vermelde punten. De inhoud van deze informatie wordt bepaald in overleg met het Agentschap. Deze informatie wordt aan de betrokken bevolking verstrekt zonder dat die daarom hoeft te vragen.
  De informatie wordt voortdurend bijgewerkt. Ze wordt in elk geval verstrekt wanneer in de beschreven maatregelen significante wijzigingen worden aangebracht. Ze is permanent toegankelijk voor het publiek.
  De informatie vermeldt de autoriteiten die belast zijn met het vooraf informeren van de potentieel getroffen bevolking in radiologische noodsituatie.
  72.3. De Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren ziet erop toe dat de personen die [1 ingeschakeld te]1 worden bij de organisatie van de hulpverlening bij een radiologische noodsituatie, adequate en regelmatig bijgewerkte informatie krijgen over de risico's die hun interventie voor hun gezondheid heeft en over de in dergelijke gevallen te nemen voorzorgsmaatregelen. Deze informatie houdt rekening met de verschillende radiologische noodsituaties die zich kunnen voordoen en wordt met relevante informatie aangevuld wanneer zich een radiologische noodsituatie voordoet, rekening houdend met de omstandigheden van dat specifieke geval.
  De informatie vermeldt de autoriteiten die belast zijn met het informeren van de personen die ingeschakeld kunnen worden bij de organisatie van de hulpverlening bij een radiologische noodsituatie.
  72.4. [1 De werknemers en externe werkers die aan een blootstelling in een noodsituatie worden onderworpen worden als beroepshalve blootgestelde personen beschouwd. Ze genieten van de radiologische beschermingsmaatregelen bedoeld in hoofdstuk III, evenals van het gezondheidstoezicht voorzien in titel 5 van boek V van de Codex over het welzijn op het werk.
   De bepalingen met betrekking tot de voorafgaande medische onderzoeken bepaald in artikel V.5-4 van de Codex over het welzijn op het werk zijn niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde personen.
   Een hulpdienst die optreedt in een noodsituatie buiten de operatielocatie van een exploitant, is verantwoordelijk voor de uitvoering van de radiologische beschermingsmaatregelen voor zijn werknemers waarnaar in de eerste alinea wordt verwezen]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 31, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 72/1.[1 Interventies bij bestaande blootstellingssituatie
   Dit artikel is van toepassing op de interventies bij bestaande blootstellingssituatie ten gevolge van de nawerkingen van een radiologische noodsituatie of van een uitoefening van een handeling of van de uitoefening van een vroegere of oude beroepsactiviteit, evenals in het geval van een bestaande blootstellingssituatie ten gevolge van een totaal andere oorzaak, de aanwezigheid van radon in woningen inbegrepen.
   72/1.1 Bestaande blootstellingssituatie afkomstig van een besmette zone
   Wanneer het Agentschap een bestaande blootstellingssituatie heeft geïdentificeerd ten gevolge van de nawerkingen van een radiologische noodsituatie of van de uitoefening van een handeling, of een vroegere beroepsactiviteit, dan zorgt het er, in overleg met de betrokken beleidsinstanties, voor dat er geoptimaliseerde beschermingsstrategieën worden vastgesteld.
   Het Agentschap zorgt ervoor dat de beschermingsstrategieën voor het beheer van besmette gebieden, waar nodig, het volgende omvatten:
   1° doelstellingen, met inbegrip van lange termijndoelstellingen en de overeenkomstige referentieniveaus als bedoeld in artikel 20.2;
   2° een begrenzing van de getroffen gebieden en een inventarisatie van de getroffen leden van de bevolking;
   3° een evaluatie van de noodzaak en omvang van maatregelen die in de getroffen gebieden en voor de getroffen leden van de bevolking moeten worden genomen;
   4° een evaluatie van de noodzaak om de toegang tot de getroffen gebieden te verhinderen of te controleren, dan wel beperkingen op te leggen aan de leefomstandigheden in deze gebieden;
   5° een beoordeling van de blootstelling van de verschillende bevolkingsgroepen en de middelen die individuele personen ter beschikking hebben om hun eigen blootstellingniveau te beperken.
   Wanneer de betrokken overheid toestaat dat gebieden met langdurig besmetting weer worden bewoond en de economische activiteiten er worden hervat, ziet het Agentschap er in samenspraak met deze overheid en de belanghebbende partijen op toe dat er, zo nodig, maatregelen worden getroffen om de blootstelling voortdurend te kunnen controleren, met het oogmerk er de levensomstandigheden te bewerkstelligen die als normaal kunnen worden beschouwd, met name:
   1° het vaststellen van passende referentieniveaus;
   2° het opzetten van een infrastructuur ter ondersteuning van de verdere beschermingsmaatregelen voor zelfhulp in de getroffen gebieden, met inbegrip van informatieverstrekking, advies en toezicht;
   3° indien relevant, de remediërings-middelen;
   4° indien relevant, begrensde gebieden.
   72/1.2 Bestaande blootstellingssituatie ten gevolge van radon
   Wanneer het Agentschap een reeds bestaande, of mogelijke blootstellingssituatie heeft geïdentificeerd die het gevolg is van de aanwezigheid van radon in woningen of in de bodem, dan staat het, in functie van het blootstellingsrisico, in voor:
   1° het onderzoek naar het gehalte aan radon in de omgeving van de betrokken woningen en de afbakening van de zones waarbinnen de interventie dient plaats te grijpen;
   2° de coördinatie en de uitvoering van elke gepaste interventie, in overleg met de betrokken beleidsinstanties, het uitvaardigen van regels voor het gebruik van de terreinen en voor de constructie van de gebouwen gesitueerd in de afgebakende zones, inbegrepen.
   72/1.3 Nationaal radonactieplan
   Het Agentschap stelt een nationaal radonactieplan op om het hoofd te bieden aan de langetermijnrisico's door een blootstelling aan radon in de woningen, de voor het publiek toegankelijke gebouwen en de werkplaatsen, en dit voor alle mogelijke toegangswegen van radon, of dit nu uit de bodem, het bouwmateriaal of het water komt.
   In het actieplan zal met de volgende elementen rekening worden gehouden:
   1° strategieën voor het verrichten van surveys naar radonconcentraties binnenshuis en bodemgasconcentraties, met het oog op de raming van de verdeling van radonconcentraties binnenshuis, voor het beheer van meetgegevens en voor de vaststelling van andere relevante parameters;
   2° de aanpak, gegevens en criteria waarvan gebruik is gemaakt voor de afbakening van zones en voor de vaststelling van andere parameters die kunnen fungeren als specifieke indicatoren in situaties met een mogelijk hoge blootstelling aan radon;
   3° de vaststelling van soorten werkplaatsen en voor het publiek toegankelijke gebouwen in bepaalde gebieden, waar metingen moeten worden verricht op basis van een risicobeoordeling;
   4° de grondslag voor de vaststelling van referentieniveaus voor woningen en werkplekken;
   5° toewijzing van verantwoordelijkheden, coördinatiemechanismen en beschikbare middelen voor de uitvoering van het actieplan;
   6° strategie ter beperking van de blootstelling aan radon in woningen;
   7° strategieën voor het vergemakkelijken van corrigerende maatregelen na de bouw;
   8° strategie, met inbegrip van methoden en instrumenten, om te voorkomen dat radon in nieuwe gebouwen komt, waaronder het inventariseren van bouwmaterialen met een significante radonemissie;
   9° communicatiestrategie om het publieke bewustzijn te vergroten en lokale besluitvormers, werkgevers en werknemers te informeren over de risico's van radon, onder meer van radon in combinatie met roken.
   Het nationaal radonactieplan wordt om de 5 jaar aangepast.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 32, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 72ter. <ingevoegd bij KB 2006-05-23/33, art. 10; Inwerkingtreding : 01-09-2006> Interventiemaatregelen bij het ontdekken van weesbronnen.
  Het Agentschap staat in, eventueel in overleg met andere betrokken beleidsinstanties, voor de coördinatie van acties die leiden tot :
  1° de identificatie en de karakterisatie van de weesbron;
  2° de identificatie van de eigenaar;
  3° (de veilige behandeling en opslag van de weesbron.) <KB 2007-06-13/31, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 06-07-2007>
  4° de verklaringen die NIRAS in staat moeten stellen om de weesbron (...) ten laste te kunnen nemen als radioactief afval. <KB 2007-06-13/31, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 06-07-2007>
  Bepaalde van deze acties kunnen worden toegewezen aan een door het Agentschap erkende instelling.
  Het Agentschap legt tevens maatregelen op om de weesbron op een veilige en beveiligde manier af te voeren, op te slaan of te verwerken.
  Deze maatregelen hebben onder meer betrekking op :
  - de veiligheid en beveiliging van de weesbron,
  - stralingsbeschermingsvoorschriften ten aanzien van de bevolking en van de betrokken werkers en ten aanzien van het leefmilieu.
  - elke actie die het Agentschap nuttig of noodzakelijk acht.
  De richtlijnen van algemene aard worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

  HOOFDSTUK XII. - Erkenning van de deskundigen, de instellingen en de geneesheren.

  Art. 73.[1 Erkenning van de deskundigen
   73.1. Definities
   Worden deskundigen erkend in de fysische controle van klasse I genoemd: zij die opdrachten van fysische controle in inrichtingen van klasse I, II en III, of in voertuigen met kernaandrijving mogen uitvoeren.
   Worden deskundigen erkend in de fysische controle van klasse II genoemd: zij die opdrachten van fysische controle mogen uitvoeren in inrichtingen van klasse II en III.
   Worden genoemd deskundigen erkend in de fysische controle van klasse T1, zij die opdrachten van fysische controle of controle op de dienst voor fysische controle kunnen uitvoeren in ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7, in organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 en in ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor een onderbrekingssite.
   Worden genoemd deskundigen erkend in de fysische controle van klasse T2, zij die opdrachten van fysische controle of controle op de dienst voor fysische controle kunnen uitvoeren in ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke niet zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen noch een corrosiviteitsrisico vertonen, in organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 en in ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor een onderbrekingssite.
   73.2. Erkenningsvoorwaarden
   Om erkend te kunnen worden, moet elke deskundige voldoen aan de volgende voorwaarden :
   1. Onderdaan zijn van één van de Lidstaten van de Europese Unie;
   2. Van zijn burgerlijke en politieke rechten genieten;
   3. In het bezit zijn van één van de volgende diploma's:
   - master in de ingenieurswetenschappen
   - master in de industriële wetenschappen
   - master in de industriële ingenieurswetenschappen
   - master in de fysica
   - master in de scheikunde
   of elke andere master in de exacte wetenschappen evenals elk ander diploma dat aan de houder ervan een geschikte vorming verschaft. Voor de kandidaturen voor deskundigen van klasse I wordt het advies van de Wetenschappelijke Raad gevraagd;
   4. In het bezit zijn van een diploma of van getuigschriften van een opleiding in de stralingsbescherming en de nucleaire veiligheid. Deze opleiding omvat ten minste :
   a. voor stralingsbescherming: 12 ECTS;
   b. voor technologie en nucleaire veiligheid:
   i. 24 ECTS voor deskundigen die opdrachten uitvoeren in de inrichtingen van klasse I vermeld in artikel 3.1.a), punt 1°;
   ii. 18 ECTS voor deskundigen die opdrachten uitvoeren in andere inrichtingen van klasse I dan deze vermeld in artikel 3.1.a), punt 1°;
   iii. 100 uur voor deskundigen die opdrachten uitvoeren in inrichtingen van klasse IIA;
   iv. 50 uur voor deskundigen die opdrachten uitvoeren in de overige inrichtingen van klasse II en in inrichtingen van klasse III;
   v. 35 uren voor deskundigen die opdrachten uitvoeren in ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of een corrosiviteitsrisico vertonen, waarvan er 20 uren betrekking hebben op het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of een opleiding veiligheidsadviseur klasse 7 in België hebben gevolgd en het betreffende getuigschrift hebben behaald, en 15 uren specifiek gewijd zijn aan het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of een corrosiviteitsrisico vertonen;
   vi. 20 uur, of een opleiding veiligheidsadviseur klasse 7 hebben gevolgd in België en het betreffende getuigschrift hebben behaald, voor deskundigen die actief zijn in ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke niet zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen noch een corrosiviteitsrisico vertonen, in organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 en in ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor een onderbrekingssite.
   De deskundige mag voor de punten iii tot vi aantonen dat hij over een gelijkwaardige kennis beschikt.
   5. Afdoende praktische beroepservaring bezitten op het gebied van de stralingsbescherming en de nucleaire veiligheid of, in voorkomend geval, het vervoer van gevaarlijke goederen de van klasse 7;
   6. Voor deskundigen van klasse I, een gunstig advies van de Wetenschappelijke Raad krijgen. Deze Raad kan de aanvrager oproepen en horen. De Raad kan een technische jury samenstellen aan wie de deskundige het bewijs van zijn theoretische en praktische kennis moet leveren.
   Het Agentschap kan minimumeisen opleggen betreffende de inhoud van de vereiste aanvullende opleiding en praktische ervaring in de stralingsbescherming, de nucleaire veiligheid en het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de inrichting of de onderneming waarin de erkende deskundige opdrachten moet uitvoeren.
   73.3. Aanvraag van de erkenning
   De erkenningsaanvragen worden naar het Agentschap gestuurd.
   Ze omvatten:
   1. een curriculum vitae;
   2. elke inlichting of document waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan de eisen inzake diploma, specifieke opleiding en beroepservaring zoals bepaald in artikel 73.2;
   3. een verklaring van de werkgever van de aanvrager dat de erkenning noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn opdrachten en dat hij zich ertoe verbindt om de permanente vorming van de deskundige te zijnen laste te nemen;
   4. een beschrijving van de aard van de toestellen, installaties, handelingen of vervoersactiviteiten met gevaarlijke goederen van de klasse 7 waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;
   5. alle door het Agentschap gevraagde inlichtingen of documenten.
   De erkenningsaanvraag wordt beoordeeld door het Agentschap. Binnen een termijn van dertig kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag laat het Agentschap de aanvrager weten of zijn aanvraag al dan niet volledig is.
   Het Agentschap kan de aanvrager oproepen en horen.
   73.4. Beslissing van het Agentschap
   De erkenning wordt door het Agentschap verleend of geweigerd. Het Agentschap doet uitspraak over de aanvraag binnen een termijn van zestig kalenderdagen of binnen een langere periode die het moet rechtvaardigen. Deze termijn gaat in vanaf de ontvangstdatum van het volledige erkenningsaanvraag of vanaf de datum waarop de Wetenschappelijke Raad advies heeft uitgebracht al naar gelang van het geval. De beslissing van het Agentschap wordt per aangetekend schrijven naar de aanvrager gestuurd.
   Indien het Agentschap van oordeel is dat de gevraagde erkenning niet kan worden verleend, wordt dit vooraf aan de aanvrager meegedeeld waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
   Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
   De erkenning kan territoriaal en/of tot de aard van de toestellen, installaties, handelingen of de activiteiten voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 worden beperkt.
   De eerste erkenning wordt toegekend voor een maximale duurtijd van drie jaar. De erkenning kan toegekend worden voor een kortere periode dan aangevraagd. Deze beperking wordt gemotiveerd.
   De erkenning wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
   73.5. Hernieuwing van de erkenning
   De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning moet uiterlijk 6 maanden voor het verstrijken van de lopende erkenning worden ingediend bij het Agentschap.
   Bij de aanvraag tot hernieuwing van de erkenning, moet de deskundige het bewijs leveren dat hij zijn kennis en zijn bekwaamheid op het gebied van de stralingsbescherming, de nucleaire veiligheid en, in voorkomend geval, het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 op peil houdt en verder ontwikkelt in het kader van een permanente vorming.
   De erkende deskundige die een hernieuwing van zijn erkenning aanvraagt moet per erkenningsperiode van 3 jaar een permanente vorming kunnen aantonen van minimum 120 uur voor de deskundigen van klasse I, van minimum 60 uur voor de deskundigen van klasse II, van minimum 24 uur voor de deskundigen van klasse T1 en van minimum 20 uur voor de deskundigen van klasse T2.
   Ten minste de helft van de vereiste uren permanente vorming zijn niet georganiseerd door de werkgever van de erkende deskundige.
   Het Agentschap kan minimumeisen opleggen betreffende de permanente vorming in de stralingsbescherming, de nucleaire veiligheid en het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7.
   De aanvrager toont in zijn aanvraagdossier aan dat hij voldoet aan de eisen inzake permanente vorming, onder andere wat het aantal uren betreft.
   Daartoe worden bij de aanvraag de attesten en documenten gevoegd teneinde de inhoud van de opleidingen te kunnen beoordelen.
   Het Agentschap kan de aanvrager oproepen en horen.
   Voor erkenningen van deskundigen erkend in de fysische controle van klasse I wint het Agentschap het advies van de Wetenschappelijke Raad in.
   Het Agentschap neemt een beslissing over de aanvraag tot hernieuwing van de erkenning overeenkomstig de bepalingen van artikel 73.4.
   De verlenging van de erkenning wordt toegekend voor een maximale duurtijd van zes jaar. De erkenning kan toegekend worden voor een kortere periode dan aangevraagd. Deze beperking wordt gemotiveerd.
   73.6. Aanmaning, opschorting en opheffing van de erkenning
   Indien het Agentschap vaststelt dat een deskundige erkend in de fysische controle zijn opdrachten niet correct uitvoert of zijn verplichtingen niet correct nakomt, kan het Agentschap :
   1. de betreffende deskundige erkend in de fysische controle aanmanen om zijn toestand binnen een gestelde termijn van maximum zes maanden in orde te brengen ;
   2. de erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen;
   3. de erkenning geheel of gedeeltelijk opheffen.
   Indien het Agentschap van oordeel is dat de erkenning geheel of gedeeltelijk moet worden geschorst of opgeheven, wordt dit vooraf aan de houder van de erkenning medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
   Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
   In het geval van de gehele of gedeeltelijke opheffing van de erkenning van een deskundige erkend in de fysische controle van klasse I wint het Agentschap het advies in van de Wetenschappelijke Raad.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-12-06/17, art. 35, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 73/1. [1 Erkenning voor het opmaken van het milieueffectbeoordelingsrapport
   § 1. De personen die door de opdrachtgever worden aangeduid om het milieueffectbeoordelingsrapport op te stellen, dienen hiertoe erkend te zijn door het Agentschap.
   § 2. Om erkend te worden, dient de persoon te voldoen aan de volgende criteria :
   1) Van zijn burgerlijke en politieke rechten genieten;
   2) In het bezit zijn van een masterdiploma of een doctoraat in één van de volgende richtingen :
   a. ingenieurswetenschappen
   b. industriële wetenschappen
   c. industriële ingenieurswetenschappen
   d. fysica
   e. scheikunde
   of elke andere master of doctoraat in de exacte wetenschappen of elke ander diploma dat door het Agentschap als voldoende wordt geacht;
   3) Een opleiding, expertise of ervaring te hebben, die door het Agentschap als voldoende wordt geacht, in de volgende onderwerpen:
   a. Radiobiologie en radio-ecologie,
   b. Stralingsbescherming,
   c. Technologie en veiligheid van kerninstallaties, en
   d. De bescherming van het leefmilieu;
   4) Afdoende praktische beroepservaring bezitten op het gebied van radiologische milieueffectenbeoordeling.
   § 3. De erkenningsaanvraag wordt gericht aan het Agentschap. Deze bevat de inlichtingen of documenten die het vervullen van de criteria opgenomen in paragraaf 2 aantonen, en in elk geval een afschrift van diploma's, certificaten of andere documenten bedoeld in paragraaf 2.
   § 4. De erkenning wordt door het Agentschap verleend of geweigerd. Het Agentschap doet uitspraak over de aanvraag binnen een termijn van zestig kalenderdagen of binnen een langere periode die het moet rechtvaardigen. Deze termijn gaat in vanaf de ontvangstdatum van de volledige erkenningsaanvraag. De beslissing van het Agentschap wordt per aangetekend schrijven naar de aanvrager gestuurd.
   Indien het Agentschap van oordeel is dat de gevraagde erkenning niet kan worden verleend, wordt dit vooraf aan de aanvrager meegedeeld waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
   Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende kalenderdag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
   § 5. Het Agentschap kan de erkenning opheffen of intrekken wanneer de verplichtingen van artikel 73/2 niet worden nageleefd, of wanneer de houder niet meer voldoet aan de criteria vermeld in artikel 73/1, § 2.
   § 6. Indien het Agentschap meent een erkenning geheel of gedeeltelijk te moeten opheffen of intrekken, wordt dit vooraf aan de houder medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om gehoord te worden. Indien hij van dit recht wenst gebruik te maken, moet hij dit binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving schriftelijk laten weten aan het Agentschap.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2020-05-29/23, art. 8, 026; Inwerkingtreding : 21-06-2020>
  

  Art. 73/2. [1 Verplichting voor de houder van een erkenning
   De houder van een erkenning voor het opmaken van het milieueffectbeoordelingsrapport dient tijdens de looptijd van zijn erkenning te voldoen aan de volgende criteria:
   1) beschikken over de nodige vaardigheden en toegang tot de nodige hulpmiddelen om effecten van plannen en projecten op mens en milieu in te schatten;
   2) op de hoogte te blijven van de recentste ontwikkelingen en wetgeving.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2020-05-29/23, art. 8, 026; Inwerkingtreding : 21-06-2020>
  

  Art. 73/3. [1 Verlenging van de erkenning
   § 1. De aanvraag tot verlenging van de erkenning voor het opmaken van het milieueffectbeoordelingsrapport moet uiterlijk 6 maanden voor het verstrijken van de lopende erkenning worden ingediend bij het Agentschap.
   In de aanvraag tot hernieuwing van de erkenning, bewijst de houder van de erkenning dat hij voldaan heeft aan de verplichtingen opgenomen in artikel 73/2.
   § 2. Het Agentschap verleent of weigert de verlenging van de erkenning volgens de procedure bepaald in artikel 73/1, § 4.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2020-05-29/23, art. 8, 026; Inwerkingtreding : 21-06-2020>
  

  Art. 74.[1 Instellingen voor fysische controle
   74.1. Benaming
   Alleen de erkende instellingen voor fysische controle mogen de benaming "door het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle erkende instelling voor fysische controle", of een soortgelijke benaming, dragen.
   74.2. Erkenningsvoorwaarden
   74.2.1. Criteria betreffende de organisatie van de instelling voor fysische controle
   Om erkend te kunnen worden, moeten de instellingen volgende voorwaarden vervullen:
   1. De instelling voor fysische controle wordt opgericht volgens het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
   2. De instelling voor fysische controle heeft als maatschappelijk doel om, onder de verantwoordelijkheid van exploitanten of ondernemingshoofden, taken van fysische controle te verrichten zoals bepaald in de artikelen 23.1.5 b) en 23.2.6 b).
   Dit maatschappelijk doel wordt uitdrukkelijk vermeld in de statuten van de instelling voor fysische controle, die geen enkele bepaling mogen bevatten die strijdig is met de bepalingen van de reglementering betreffende de ioniserende stralingen;
   3. De erkende deskundigen van de instelling voor fysische controle die opdrachten van fysische controle uitvoeren zijn onafhankelijk van de exploitanten of de ondernemingshoofden waarvoor ze deze opdrachten uitvoeren. Deze onafhankelijkheid wordt gewaarborgd door de rechtspersoonlijkheid, de statuten, de organisatiestructuur en/of het managementsysteem van de instelling voor fysische controle;
   4. De instelling voor fysische controle stelt een veiligheids- en stralingsbeschermingsbeleid op, evenals een strategie voor de implementatie van dit beleid.
   Het veiligheids- en stralingsbeschermingsbeleid van de instelling voor fysische controle bepaalt en past met name de volgende principes toe :
   a. de erkende instelling werkt aan de continue verbetering van de veiligheid, de stralingsbescherming en de veiligheidscultuur;
   b. de instelling voor fysische controle garandeert haar onafhankelijkheid, onpartijdigheid en integriteit ten aanzien van de inrichtingen en activiteiten waarvoor ze opdrachten en taken van fysische controle uitvoert;
   c. de instelling voor fysische controle spant zich in om de persoon of de organisatie, die voor de inrichting of de activiteit verantwoordelijk is, te overtuigen van het onmisbare karakter van het gebruik van gerechtvaardigde en geoptimaliseerde technieken die hij voortdurend bevordert;
   5. De instelling voor fysische controle moet het bewijs leveren dat zij beschikt over een geïntegreerd managementsysteem en dat dit systeem effectief wordt toegepast, geëvalueerd en continu wordt verbeterd door de instelling. Dit geïntegreerde managementsysteem is gebaseerd op nationale of internationale normen, of op andere door het Agentschap goedgekeurde standaarden.
   De doelstellingen van dit managementsysteem zijn de volgende:
   a. verlenen van de vereiste prioriteit aan de veiligheid en de stralingsbescherming;
   b. erop toezien dat de verantwoordelijkheden van de instelling voor fysische controle correct worden opgenomen;
   c. handhaven en verbeteren van de prestatie van de instelling voor fysische controle via middelen voor de voorbereiding en planning, de ontwikkeling en uitvoering, de controle en verificatie en de aanpassing van haar activiteiten;
   d. garanderen van een homogene uitvoering van hoge kwaliteit van de taken voor fysische controle uitgevoerd door de deskundigen van de instelling;
   e. bevorderen en ondersteunen van de kennisontwikkeling, de opleiding en de veiligheidscultuur van het personeel.
   74.2.2. Criteria betreffende de dagelijkse leiding, de kwalificaties van het personeel en de middelen van de instelling voor fysische controle.
   De erkende instellingen voor fysische controle moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:
   1. In de instelling voor fysische controle wordt een persoon, die de "technisch leidinggevende" wordt genoemd, aangeduid om de opdrachten van fysische controle van de instelling bij de exploitanten en/of bij de ondernemingen die deelnemen aan het vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7 te leiden en er de operationele verantwoordelijkheid voor te dragen. Deze technisch leidinggevende is een deskundige in de fysische controle van klasse II, T1 of T2, die erkend is overeenkomstig artikel 73 en van wie de erkenning geldig is voor de installaties en handelingen waarvoor de instelling opdrachten van fysische controle uitvoert. De technisch leidinggevende moet ten laatste zes maanden na zijn indiensttreding zijn erkenning verworven hebben.
   2. De instelling voor fysische controle heeft deskundigen in dienst die erkend zijn voor de vergunde installaties/handelingen waarvoor de erkenning wordt aangevraagd. De instelling voor fysische controle moet de permanente vorming van haar deskundigen te haren laste nemen en, in voorkomend geval, de basisopleiding voor het verkrijgen van hun erkenning.
   3. De door de instelling voor fysische controle in dienst genomen erkende deskundigen zijn aan de instelling verbonden door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Hun verloning mag niet afhangen van het aantal prestaties van fysische controle of van de duur of de resultaten hiervan.
   4. De instelling voor fysische controle stelt de meetinstrumenten, dosimetrie, de gepaste individuele beschermingsuitrusting, en alle andere instrumenten of voorzieningen ter beschikking van haar deskundigen erkend in de fysische controle in een voldoende aantal voor de uitvoering van de opdrachten en taken van fysische controle die hen in de inrichtingen of ondernemingen worden toevertrouwd.
   5. De bestuurders, het personeel belast met de leiding, de deskundigen erkend in de fysische controle, evenals alle personeelsleden van de erkende instelling, zijn verplicht:
   a. om onpartijdig te handelen;
   b. om de deontologische en vertrouwelijkheidsregels van de erkende instelling na te leven;
   c. om niet aan de exploitanten of de ondernemingshoofden waarvoor ze opdrachten en taken van fysische controle uitvoert op te leggen om een beroep te doen op een bepaalde derde partij (leverancier, contractant, onderaannemer,...);
   d. om geen geschenken aan te nemen van ondernemingen, of organisaties waarvoor ze opdrachten en taken van fysische controle uitvoert, ongeacht in welke vorm;
   e. om geen enkele andere functie uit te oefenen die onverenigbaar is met hun onafhankelijk oordeel, hun onpartijdigheid en hun integriteit.
   74.2.3.
   De instelling voor fysische controle die voor de eerste keer wordt erkend, mag met haar activiteiten aanvangen voordat ze beschikt over het geheel van haar materiële en menselijke middelen, zoals gespecifieerd in de punten 74.2.2 3° en 74.2.2 4°, en over haar volledig managementsysteem, zoals gespecificeerd in artikel 74.2.1. 5°, op voorwaarde dat ze aangepast zijn aan de haar toevertrouwde opdrachten en taken van fysische controle.
   74.3. Procedure voor de toekenning, wijziging of hernieuwing van de erkenning van de instellingen
   74.3.1. Erkenningsaanvraag
   De aanvraag tot het bekomen, wijzigen of hernieuwen van de erkenning wordt naar het Agentschap gestuurd. De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning moet uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de lopende erkenning naar het Agentschap worden gestuurd.
   De aanvraag tot het bekomen, wijzigen of hernieuwen van de erkenning vermeldt duidelijk de klasse(n) van de inrichting(en), de handelingen, de stoffen, de toestellen, de installaties of de vervoersactiviteiten met gevaarlijke goederen van de klasse 7 waarvoor de instelling opdrachten van fysische controle wil uitvoeren, alsook het gewenste grondgebied.
   De volgende documenten moeten bij de aanvraag tot het bekomen, wijzigen of hernieuwen van de erkenning worden gevoegd :
   1. een organigram van de instelling en een lijst van de personen die in de instelling actief zijn;
   2. een afschrift van de statuten van de instelling voor fysische controle;
   3. een schriftelijke verklaring dat de burgerlijke aansprakelijkheid van de instelling voor fysische controle gedekt wordt door het verzekeringscontract bedoeld in artikel 74.4 lid 1 of, bij een eerste erkenning, een verbintenis om zo'n contract af te sluiten alvorens met haar activiteiten te beginnen;
   4. een beschrijving van het managementsysteem bedoeld in artikel 74.2.1, punt 5, of, bij een eerste erkenning, een intentieverklaring en een actieplan;
   5. een inventaris van de materiële middelen die de instelling gebruikt of nog moet aanschaffen in het kader van haar opdrachten;
   6. alle aanvullende informatie die het Agentschap nuttig acht.
   De aanvraag tot het bekomen, wijzigen of hernieuwen van de erkenning wordt onderzocht door het Agentschap.
   Binnen een termijn van 30 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag laat het Agentschap de instelling weten of haar aanvraag al dan niet volledig is. Deze kennisgeving vermeldt alle onvolledige punten van de aanvraag. De aanvraag wordt onderzocht op basis van de bij het aanvraagdossier gevoegde documenten en van alle inspecties en onderzoeken die het Agentschap nodig acht.
   Zodra de aanvraag volledig is, stuurt het Agentschap het dossier naar de Wetenschappelijke Raad die een advies moet uitbrengen binnen 90 kalenderdagen na ontvangst van het dossier of binnen een langere periode die het moet rechtvaardigen.
   74.3.2. Beslissing van het Agentschap
   De instelling behoudt haar originele erkenning tot het moment dat het Agentschap heeft beslist over de aanvraag tot hernieuwing of wijziging van de erkenning.
   Het Agentschap doet uitspraak over de aanvraag binnen een termijn van 60 kalenderdagen, na het advies van de Wetenschappelijke Raad, of binnen een langere periode die het moet rechtvaardigen.
   Indien het Agentschap van oordeel is dat de gevraagde erkenning niet kan worden verleend, wordt dit vooraf aan de aanvrager medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
   Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
   Het Agentschap stelt de instelling per aangetekend schrijven in kennis van de beslissing, met vermelding van de redenen.
   De erkenning kan territoriaal en/of in functie van de aard van de toestellen, installaties, handelingen of de activiteiten voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 worden beperkt.
   De beslissing om de erkenning te verlenen, te wijzigen of te hernieuwen wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
   74.4. Verplichtingen en onverenigbaarheden
   De instelling voor fysische controle wordt gedekt door een verzekeringscontract voor burgerlijke aansprakelijkheid, afgesloten bij een verzekeringsonderneming zoals bedoeld in de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.
   De instelling voor fysische controle moet aan de nucleaire inspecteurs van het Agentschap alle documenten en gegevens ter beschikking stellen die zij nodig hebben om hun opdracht goed uit te voeren.
   De instelling voor fysische controle past een reglement van het Agentschap toe, die minstens het volgende bepaalt:
   a) de principes van het type managementsysteem en de processen die het Agentschap voor de instellingen voor fysische controle geschikt acht;
   b) de modaliteiten waarop incidenten en ongevallen door de instelling voor fysische controle moeten worden gemeld;
   c) de inhoud van de verslagen die de instelling voor fysische controle voor het Agentschap opmaakt, evenals de termijn waarbinnen deze aan het Agentschap moeten worden overgemaakt.
   De instelling voor fysische controle bepaalt en respecteert de deontologische regels om elk belangenconflict te vermijden.
   De instelling voor fysische controle past haar organisatiestructuur aan om de naleving van deze deontologische regels te garanderen.
   Behalve in geval van een dringende interventie in het kader van met het Agentschap vastgelegde overeenkomsten, is het verboden voor instelling voor fysische controle om :
   a) bronnen en toestellen die ioniserende straling uitzenden, te gebruiken of te bezitten en
   b) vervoersactiviteiten met gevaarlijke goederen van de klasse 7 te verrichten
   voor rekening van derden.
   Het is de technisch leidinggevende, de erkende deskundigen en de medewerkers van de instelling voor fysische controle verboden, zelfs na het beëindigen van hun functie, om feiten kenbaar te maken waarvan zij door hun functie kennis hebben gekregen en die vanwege hun aard vertrouwelijk, geheim of zeer geheim zijn. Deze bepaling wordt opgenomen in de arbeidsovereenkomst van de betrokkenen.
   De instelling voor fysische controle richt een permanente wachtdienst in om een snelle ondersteuning te kunnen waarborgen in geval van een incident, een ongeval of enige andere gebeurtenis met een stralingsrisico die zich voordoet in een inrichting of tijdens het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 en waarvoor zij de opdrachten van fysische controle uitvoert.
   74.5 Werking
   De erkende deskundige van een instelling voor fysische controle maakt en ondertekent een verslag voor elk bezoek of elke opdracht die hij uitvoert in het kader van de fysische controle. Dit verslag wordt overgemaakt aan het hoofd van de dienst voor fysische controle en aan de exploitant of het ondernemingshoofd.
   Op vraag van de exploitant, sturen de instellingen voor fysische controle, overeenkomstig de door het Agentschap opgestelde modaliteiten, de inventaris vermeld in artikel 27bis en een inventaris van alle toestellen die ioniserende straling kunnen uitzenden en van andere apparatuur voor radiotherapie en nucleaire geneeskunde die aanwezig is in de inrichtingen waarin zij opdrachten van fysische controle uitvoeren, naar het Agentschap.
   De opdrachten, taken en verantwoordelijkheden die door een exploitant of een ondernemingshoofd aan een deskundige erkend in de fysische controle van de erkende instelling worden toevertrouwd in het kader van de artikels 23.1.5 b), 23.2.6 b) van het Algemeen Reglement mogen door de instelling voor fysische controle niet aan een derde partij worden gedelegeerd.
   Het uitbesteden van gespecialiseerde ondersteunende studies is uitsluitend toegestaan in uitzonderlijke gevallen of om bepaalde deeltaken te vervullen waarvoor bijzondere middelen vereist zijn. De identiteit en de kwalificaties van de onderaannemers en de voorwaarden van de onderaanneming worden meegedeeld aan het Agentschap en aan de betreffende exploitant of ondernemingshoofd.
   De instelling voor fysische controle moet onmiddellijk het volgende schriftelijk meedelen aan het Agentschap:
   a) elke wijziging van haar statuten;
   b) elke wijziging in de vertegenwoordiging van haar statutaire organen;
   c) elke vervanging van de technisch leidinggevende;
   d) elke wijziging in het bestand van erkende deskundigen;
   e) elke organisatorische of technische wijziging die een effect kan hebben op de naleving van de erkenningscriteria.
   74.6 Aanmaning, opschorting en opheffing van de erkenning
   Indien het Agentschap vaststelt dat een instelling voor fysische controle haar opdrachten niet correct uitvoert, haar verplichtingen niet nakomt, een inbreuk pleegt op de onverenigbaarheden of de erkenningsvoorwaarden niet naleeft, kan het Agentschap:
   1. de betreffende instelling voor fysische controle aanmanen om haar toestand binnen een gestelde termijn van maximum zes maanden in orde te brengen;
   2. de erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen;
   3. de erkenning geheel of gedeeltelijk opheffen.
   De erkenning kan tevens geheel of gedeeltelijk worden geschorst indien blijkt dat de instelling voor fysische controle gedurende een periode van drie jaar geen enkele of slechts een marginale activiteit heeft verricht op één of meer gebieden waarop haar erkenning betrekking heeft.
   Indien het Agentschap van oordeel is dat de erkenning moet worden opgeheven of geschorst, wordt dit vooraf aan de instelling voor fysische controle medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat zij het recht heeft om binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
   Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
   In het geval van de gehele of gedeeltelijke opheffing van de erkenning wint het Agentschap het advies in van de Wetenschappelijke Raad.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-12-06/17, art. 36, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 75.[1 Erkenning van de artsen
   75.1. Het gezondheidstoezicht bedoeld in artikel 24 wordt verricht door artsen die erkend zijn door het Agentschap.
   De lijst van de erkende artsen wordt jaarlijks in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
   75.2 Erkenningscriteria voor artsen
   75.2.1 § 1. Om erkend te worden voor het uitoefenen van het gezondheidstoezicht in inrichtingen van klasse II en III, voldoet de kandidaat aan de volgende voorwaarden:
   1° wettelijk gemachtigd zijn om de arbeidsgeneeskunde te mogen uitoefenen;
   2° met succes een gepaste vorming van universitair niveau gevolgd hebben die minstens 150 lesuren theorie en minstens 45 lesuren praktijk omvat;
   3° Met succes een stage van minstens 160 uur voltooid hebben, gespreid over maximaal één jaar.
   § 2. De opleiding behandelt volgende onderwerpen:
   1° fysische en radiochemische basisbegrippen met betrekking tot radioactiviteit en ioniserende straling;
   2° gebruik van radioactieve stoffen en ioniserende straling in het kader van industriële en medische toepassingen;
   3° principes, regelgeving en methoden inzake stralingsbescherming en dosimetrie;
   4° studie van de gevolgen van de blootstelling aan ioniserende straling voor de gezondheid met inbegrip van de ethische gevolgen, door middel van de radiobiologie, radiogenetica, radiotoxicologie, radiopathologie en epidemiologie;
   5° gezondheidstoezicht zoals bedoeld in artikel 24 met inbegrip van de diagnostische en therapeutische aspecten betreffende de risico's van besmetting en bestraling, met name in geval van een radiologisch incident of ongeval.
   § 3. De stage gebeurt onder nauw toezicht van een academische stagemeester-coördinator met minstens acht jaar beroepservaring inzake stralingsbescherming en, voor elke stageplaats, ten minste één aan de stageplaats verbonden stagemeester.
   Iedere aan de stageplaats verbonden stagemeester voldoet aan de volgende voorwaarden:
   1° zelf werkzaam zijn als erkende arts in inrichtingen van klasse II en III;
   2° minstens acht jaar relevante ervaring hebben als erkende arts werkzaam in inrichtingen van klasse II en III;
   3° jaarlijks het gezondheidstoezicht van meer dan honderd beroepshalve blootgestelde personen in inrichtingen van klasse II en III verzekeren;
   4° ervaring hebben met de verschillende types van werkomstandigheden en met de risico's waarmee de beroepshalve blootgestelde personen worden geconfronteerd in inrichtingen van klasse II en III.
   De academische stagemeester-coördinator en de aan de stageplaats verbonden stagemeesters zien er samen op toe dat de stagecriteria worden nageleefd.
   Voor aanvang van de stage stelt de stagiair in overleg met de academische stagemeester-coördinator een stageplan op dat per stageplaats, de aan de stageplaats verbonden stagemeesters, het aantal stage-uren en de te verwachten risico's vermeldt.
   De stage vindt plaats in minstens twee verschillende inrichtingen van klasse II of III die samen alle risico's die voorkomen in de inrichtingen van klasse II en III omvatten;
   De stage maakt de stagiair vertrouwd met alle risico's die voorkomen in de inrichtingen van klasse II en III, en met name met:
   1° de uitwendige blootstelling eigen aan deze inrichtingen;
   2° de uitwendige en inwendige besmetting eigen aan deze inrichtingen.
   De stage wordt besteed aan:
   1° het bezoeken van werkposten met risico's inherent aan de blootstelling aan ioniserende stralingen in de inrichtingen van klasse II en III om zich vertrouwd te maken met de volgende werkzaamheden:
   a) het uitvoeren van risicoanalyses inherent aan ioniserende straling;
   b) het onderzoek van de aangewende of te voorziene preventiemaatregelen ten opzichte van de risico's inherent aan ioniserende straling;
   c) de verificatie van de toepassing van de rechtvaardiging van de handeling, de optimalisering van de bescherming en de officiële dosislimieten;
   2° het gezondheidstoezicht bepaald in artikel 24 in inrichtingen van klasse II en III om zich vertrouwd te maken met de volgende werkzaamheden:
   a) de interpretatie en evaluatie van de dosissen bedoeld in artikel 24.3, 5);
   b) de opsporing en medische interpretatie van de biologische effecten, mogelijk gerelateerd aan de blootstelling aan ioniserende straling door het gebruik van de geschikte diagnostische hulpmiddelen;
   c) het correcte gebruik van apparaten bestemd voor de controle en meting van interne en externe besmetting van personen;
   d) het uitvoeren van therapeutische procedures in geval van besmetting met radioactieve stoffen of bestraling met ioniserende straling;
   3° de informatie te verstrekken aan de werknemers en externe werkers zoals bedoeld in artikel 25;
   4° het bezoeken van laboratoria voor externe dosimetrie, interne dosimetrie of biologische dosimetrie, centra gespecialiseerd in de behandeling van besmetting met radioactieve stoffen of bestraling met ioniserende straling of centra gespecialiseerd in de verwerking van radioactief afval.
   Gedurende de stage onderhoudt de stagiair contact met de erkende deskundige voor de fysische controle van de inrichting waar de stage plaatsvindt. De stagiair vergezelt de erkende deskundige tijdens bezoeken aan werkposten en maakt zich vertrouwd met de rol van de erkende deskundige en de relatie die de erkende arts met hem onderhoudt onderhoudt.
   De stagiair maakt een stageverslag op van maximaal 50 pagina's met inbegrip van de eventuele bijlagen waarin de volgende onderwerpen worden behandeld:
   1° een persoonlijke beschrijving van de uitgevoerde bezoeken aan werkposten en geneeskundige onderzoeken;
   2° voor ieder type van werkpost een persoonlijke analyse van de risico's inherent aan de ioniserende straling;
   3° een persoonlijke bespreking van de historiek van eventuele incidenten die zich tijdens de stage of in het verleden hebben voorgedaan en de opvolging ervan;
   4° een overzicht van de medische opvolgingsprocedure die de stagiair zelf voorziet voor elk risico, alsook de aanwijzingen waar specifiek moet op gelet worden bij elk risico;
   5° de persoonlijke verslagen van de bezoeken aan externe inrichtingen of instellingen;
   6° een persoonlijke evaluatie van de tijdens de stage opgedane ervaring waaruit blijkt dat de kandidaat de nodige vaardigheden ter uitvoering van het gezondheidstoezicht bedoeld in artikel 24 heeft eigen gemaakt.
   Het verslag moet medeondertekend worden door de academische stagemeester-coördinator.
   75.2.2 § 1. Om erkend te worden voor het uitoefenen van het gezondheidstoezicht in inrichtingen van klasse I voldoet de kandidaat aan de voorwaarden van artikel 75.2.1 en aan de volgende bijkomende voorwaarden:
   1° met succes een bijkomende vorming gevolgd hebben die minstens 50 lesuren theorie omvat;
   2° met succes een stage van minstens 750 uur voltooid hebben, gespreid over maximaal dertig maanden.
   § 2. De vorming heeft betrekking op de verschillende aspecten van stralingsbescherming in inrichtingen van klasse I;
   In de vorming komen de volgende risico's aan bod:
   1° uitwendige blootstelling eigen aan inrichtingen van klasse I;
   2° uitwendige en inwendige besmetting eigen aan inrichtingen van klasse I;
   3° criticaliteit.
   De vorming kan ad hoc worden samengesteld door het bijwonen van seminaries, studiedagen en specifieke opleidingssessies in binnen- en buitenland.
   § 3. Voor elke stageplaats, gebeurt de stage onder nauw toezicht van ten minste een stagemeester verbonden aan de stageplaats, die voldoet aan de volgende voorwaarden:
   1° zelf werkzaam zijn als erkende arts in een inrichting van klasse I;
   2° minstens vijf jaar relevante ervaring hebben als erkende arts werkzaam in inrichtingen van klasse I;
   3° jaarlijks het gezondheidstoezicht van meer dan honderd beroepshalve blootgestelde personen in inrichtingen van klasse I verzekeren;
   4° ervaring hebben met de verschillende types van werkomstandigheden en met de risico's waarmee de beroepshalve blootgestelde personen worden geconfronteerd in inrichtingen van klasse I.
   Vóór de aanvang van de stage stelt de stagiair in overleg met de stagemeesters een stageplan op dat per stageplaats de aan de stageplaats verbonden stagemeesters, het aantal stage-uren, en de te verwachten risico's vermeldt.
   Als er een professionele band bestaat tussen de aan de stageplaats verbonden stagemeester en de stagiair, of als de stagiair door een contract aan de stageplaats verbonden is, wordt dit vermeld in het stageplan.
   Het stageplan wordt voorafgaandelijk aan de stage ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap, dat hierover het advies inwint van de medische jury.
   Iedere wijziging van het stageplan wordt onverwijd aan het Agentschap gemeld.
   De stage vindt plaats in één of meerdere inrichtingen van klasse I en maakt de stagiair vertrouwd met de volgende risico's:
   1° uitwendige blootstelling eigen aan inrichtingen van klasse I;
   2° uitwendige en inwendige besmetting eigen aan inrichtingen van klasse I;
   3° criticaliteit.
   De stage wordt besteed aan:
   1° het bezoeken van werkposten met risico's inherent aan de blootstelling aan ioniserende straling in de inrichtingen van klasse I om zich vertrouwd te maken met de volgende werkzaamheden:
   a) het uitvoeren van risicoanalyses inherent aan ioniserende straling;
   b) het onderzoek van de aangewende of te voorziene preventiemaatregelen ten opzichte van de risico's inherent aan ioniserende straling;
   c) de verificatie van de toepassing van de rechtvaardiging van de handeling, de optimalisering van de bescherming en de officiële dosislimieten;
   2° het gezondheidstoezicht bepaald in artikel 24 in inrichtingen van klasse I, om zich vertrouwd te maken met de volgende werkzaamheden:
   a) de interpretatie en evaluatie van de dosissen bedoeld in artikel 24.3, 5);
   b) de opsporing en medische interpretatie van de biologische effecten, mogelijk gerelateerd aan de blootstelling aan ioniserende straling door het gebruik van de geschikte diagnostische hulpmiddelen;
   c) het correcte gebruik van apparaten bestemd voor de controle en meting van interne en externe besmetting van personen;
   d) het uitvoeren van therapeutische procedures in geval van besmetting met radioactieve stoffen of bestraling met ioniserende straling;
   3° de informatie te verstrekken aan de werknemers en externe werkers, zoals bedoeld in artikel 25;
   4° het deelnemen aan:
   a) een oefening in het kader van het nucleair en radiologisch noodplan voor het Belgische grondgebied;
   b) wetenschappelijke vergaderingen betreffende het gezondheidstoezicht bepaald in artikel 24 in inrichtingen van klasse I;
   5° het bezoeken van:
   1. inrichtingen belast met de verwerking, de opslag of de berging van radioactieve afvalstoffen;
   2. instanties belast met het ingrijpen bij nationale of grensoverschrijdende incidenten.
   Gedurende de stage onderhoudt de stagiair contact met de erkende deskundige voor de fysische controle van de inrichting waar de stage plaatsvindt. De stagiair vergezelt de erkende deskundige tijdens bezoeken aan werkposten en maakt zich vertrouwd met de rol van de erkende deskundige en de relatie die de erkende arts met hem onderhoudt.
   De stage kan deels in het buitenland plaatsvinden, op voorwaarde dat dit is opgenomen in het stageplan.
   De stagiair maakt een stageverslag op van maximaal 100 pagina's met inbegrip van de eventuele bijlagen waarin de volgende onderwerpen worden behandeld:
   1° een persoonlijke beschrijving van de uitgevoerde bezoeken aan werkposten en geneeskundige onderzoeken;
   2° voor ieder type van werkpost een persoonlijke analyse van de risico's inherent aan ioniserende straling;
   3° een persoonlijke bespreking van de historiek van eventuele incidenten die zich tijdens de stage of in het verleden hebben voorgedaan en de opvolging ervan;
   4° een overzicht van de medische opvolgingsprocedure die de stagiair zelf voorziet voor elk risico, alsook de aanwijzingen waar specifiek moet op gelet worden bij elk risico;
   5° de persoonlijke verslagen van de bezoeken aan externe inrichtingen of instellingen;
   6° een persoonlijke evaluatie van de tijdens de stage opgedane ervaring waaruit blijkt dat de kandidaat zich de nodige vaardigheden ter uitvoering van het gezondheidstoezicht bedoeld in artikel 24 heeft eigen gemaakt.
   Het verslag moet medeondertekend worden door de aan de stageplaatsen verbonden stagemeesters.
   75.3 Aanvraagprocedure voor het bekomen van een erkenning
   De aanvraag tot erkenning als arts bevoegd voor het uitoefenen van het gezondheidstoezicht wordt gericht aan het Agentschap.
   Bij de aanvraag worden de volgende documenten gevoegd:
   1° een attest van inschrijving in de orde der artsen van maximum zes maanden oud;
   2° het bewijs dat is voldaan aan de vereiste bedoeld in punt 2° van artikel II.3-30 van de Codex over het welzijn op het werk;
   3° een diploma, getuigschrift of certificaat van de opleiding bedoeld in artikel 75.2.1;
   4° een verslag van de stage bedoeld in artikel 75.2.1 en een stageattest ondertekend door de stagemeesters.
   De aanvraag tot erkenning voor het uitoefenen van het gezondheidstoezicht bepaald in artikel 24 in inrichtingen van klasse I omvat aanvullend:
   1° een getuigschrift, diploma of certificaat van de bijkomende vorming bedoeld in artikel 75.2.2 of, indien geen getuigschrift kan worden voorgelegd, het programma van de bijkomende vorming;
   2° een verslag van de bijkomende stage bedoeld in artikel 75.2.2.2 en een stageattest ondertekend door de stagemeesters;
   3° een grondige en persoonlijke analyse en evaluatie van één of meerdere specifieke maatregelen van stralingsbescherming welke worden toegepast in inrichtingen van klasse I, waar van toepassing met inbegrip van verbeteringsvoorstellen.
   75.4. Verlenging van een erkenning
   De erkende arts houdt zijn kennis en bekwaamheid op het gebied van het gezondheidstoezicht bedoeld in artikel 24 op peil en ontwikkelt deze door de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten en door middel van een permanente vorming van universitair of equivalent niveau die voldoet aan de criteria bepaald door het Agentschap met betrekking tot het aantal uren, wetenschappelijke inhoud en type van activiteiten.
   De erkende arts brengt de exploitant tijdig op de hoogte van het verstrijken van de lopende erkenning en de eventuele aanvraag tot verlenging, teneinde de exploitant toe te laten de nodige maatregelen te nemen opdat het gezondheidstoezicht ononderbroken wordt verzekerd.
   De aanvraag tot verlenging van de erkenning wordt ingediend bij het Agentschap uiterlijk drie maanden voor de vervaldatum van de lopende erkenning.
   Ze omvat:
   1° een activiteitenverslag voor de voorbije erkenningsperiode van maximaal 30 pagina's met inbegrip van de eventuele bijlagen en bestaande uit de volgende persoonlijke beschrijvingen:
   a) de analyse van de risico's inherent aan de ioniserende straling en de beschrijving van de beschermingsmethodes voor de verschillende werkposten;
   b) de beschrijving van het gezondheidstoezicht van de opgevolgde werknemers;
   c) de analyse van de dosimetrie van de opgevolgde werknemers en externe werkers;
   d) de beschrijving van de aan de werknemers en externe werkers krachtens artikel 25 verstrekte informatie;
   e) de beschrijving van eventuele incidenten, ongevallen en anomalieën;
   f) de vermelding van een eventuele voor de volgende erkenningsperiode voorziene uitbreiding van de activiteiten van de kandidaat.
   2° een overzicht van de activiteiten in het kader van de permanente vorming.
   Het Agentschap bepaalt de modaliteiten voor de verslaggeving.
   75.5 De kandidaat van wie de erkenningsperiode onderbroken werd en die opnieuw erkend wil worden, dient hiertoe een aanvraag in bij het Agentschap.
   Artikel 2, vierde lid, van het koninklijk besluit van 27 oktober 2009 tot bepaling van de bedragen en de betalingswijze van de retributies geheven met toepassing van de reglementering betreffende de bescherming tegen ioniserende straling is van toepassing op deze aanvraag.
   Afhankelijk van de duur van de onderbreking kan het Agentschap besluiten dat de kandidaat zijn kennis moet actualiseren.
   In dat geval stelt de kandidaat een programma op voor het op peil brengen van zijn kennis.
   Dit programma wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap dat hierover het advies vraagt aan de medische jury.
   Bij de aanvraag worden de volgende documenten gevoegd:
   1° een activiteitenverslag voor de voorbije erkenningsperiode van maximaal 30 pagina's met inbegrip van de eventuele bijlagen en bestaande uit de volgende persoonlijke beschrijvingen:
   a) de analyse van de risico's inherent aan de ioniserende straling en de beschrijving van de beschermingsmethodes voor de verschillende werkposten;
   b) de beschrijving van het gezondheidstoezicht van de opgevolgde werknemers;
   c) de analyse van de dosimetrie van de opgevolgde werknemers en externe werkers;
   d) de beschrijving van de aan de werknemers en externe werkers krachtens artikel 25 verstrekte informatie;
   e) de beschrijving van eventuele incidenten, ongevallen en anomalieën;
   f) de vermelding van een eventuele voor de volgende erkenningsperiode voorziene uitbreiding van de activiteiten van de kandidaat.
   Het Agentschap bepaalt de modaliteiten van de verslaggeving.
   2° een overzicht van de activiteiten in het kader van de permanente vorming;
   3° in voorkomend geval, het bewijs dat het programma voor het op peil brengen van zijn kennis werd doorlopen.
   75.6 Afgifte en modaliteiten van de erkenning
   De erkenning wordt door het Agentschap verleend of geweigerd na advies van de medische jury, ongeacht of het een aanvraag tot verlenging of een nieuwe erkenning betreft.
   Indien het Agentschap van oordeel is dat er geen erkenning kan worden verleend, wordt dit onverwijld aan de kandidaat medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om gehoord te worden indien hij daarom binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving verzoekt.
   De kandidaat wordt in voorkomend geval gehoord door het Agentschap dat bij zijn beslissing rekening houdt met de bijkomende elementen die naar aanleiding van de hoorzitting worden verstrekt.
   De erkenning bepaalt duidelijk de voorwaarden met betrekking tot de geldigheidsduur, de klasse en de aard van de inrichtingen waarvoor de erkenning wordt verleend.
   De erkenning die wordt verleend bij een eerste aanvraag heeft een geldigheidsduur van maximum drie jaar.
   De erkenning kan verlengd worden met een periode van maximaal zes jaar.
   Indien de verlengingsaanvraag wordt ingediend na de vervaldatum van de vorige erkenning, heeft de erkenning een geldigheidsduur van maximum drie jaar.
   De geldigheidsduur van de erkenning en de aard van de inrichtingen waar het gezondheidstoezicht mag uitgevoerd worden, kunnen beperkt worden op advies van de medische jury of indien elementen uit het aanvraagdossier dit verantwoorden.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 33, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  HOOFDSTUK XIII-[1 - BIJZONDERE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT INGEKAPSELDE BRONNEN.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 34, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 75/1.[1 Fabrikanten van ingekapselde bronnen
   Iedere fabrikant van ingekapselde bronnen is ertoe gehouden:
   1° een uniek bronnummer op de ingekapselde bron te graveren of te stempelen indien dit praktisch uitvoerbaar is;
   2° de broncontainer en, voor zover praktisch mogelijk, de bron zelf te markeren en te etiketteren met een passend waarschuwingsteken voor het stralingsgevaar;
   3° een foto te verstrekken van elk gefabriceerd ontwerp van een bron, de typische broncontainer, de transportverpakking, de apparatuur en de uitrusting aan de exploitant die deze bron heeft verworven;
   4° voor elke ingekapselde bron schriftelijke documentatie te voorzien. Deze omvat minstens het uniek bronnummer en informatie betreffende de verplichtingen waarvan sprake in punt 1° en 2° en de foto's waarvan sprake in punt 3° ;
   5° te zorgen dat bij overdracht elke ingekapselde bron vergezeld gaat van de schriftelijke documentatie waarvan sprake in punt 4°.
   Van de verplichting in punt 3° kan worden afgeweken, indien kan worden aangetoond dat deze praktijk een inbreuk zou zijn op het basisprincipe opgenomen in artikel 20.1.1.1, b). In dat geval worden vervangende identificatiegegevens vastgesteld.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 34, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 75/2.[1 Ingekapselde bronnen
   75/2.1 De inventaris bedoeld in artikel 27bis bevat de gegevens van elke ingekapselde bron.
   Wanneer afzonderlijke ingekapselde bronnen een fysische entiteit vormen en als dusdanig enkel in deze configuratie kunnen gebruikt worden en in normale omstandigheden enkel door de fabrikant in deelcomponenten kunnen gescheiden worden, kunnen deze bronnen als één enkel item worden beschouwd.
   75/2.2 Elke afgedankte ingekapselde bron wordt binnen de vijf jaar na de uitgebruikname opnieuw in gebruik genomen of fysiek overgedragen.
   75/2.3 In het geval van een fysieke overdracht van een ingekapselde bron van de ene houder naar de andere moet de exploitant voor elke afgedankte ingekapselde bron in het bezit zijn van een overnamecertificaat.
   75/2.4 Een afgedankte ingekapselde bron waarvan de geldigheid van het `speciale vorm'-certificaat dreigt te vervallen binnen de evacuatieperiode van 5 jaar na uitgebruikname, waarvan sprake in art. 75/2.2, wordt vóór het verval van de effectieve geldigheid van het `speciale vorm'-certificaat overgedragen.
   75/2.5 Een overdracht van een bron kan slechts plaatsvinden nadat de houder zich er op voorhand van heeft vergewist dat de toekomstige houder een vergunning heeft.
   75/2.6 Het uniek bronnummer waarvan sprake in artikel 75/1, 1° is steeds aangebracht op de broncontainer die de bron bevat. Indien dit praktisch niet uitvoerbaar is, wordt een alternatieve aanpak gehanteerd die de identificatie van de aanwezige bron in de broncontainer mogelijk maakt.
   75/2.7 Indien geen uniek bronnummer toegekend werd door de fabrikant kent de exploitant een uniek bronnummer toe. Dit uniek bronnummer blijft ongewijzigd gedurende de gehele levensduur van de bron.
   75/2.8 De schriftelijke documentatie waarvan sprake in artikel 75/1, 4° en 75/2.7 wordt bij overdracht overgemaakt aan de nieuwe houder.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 34, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  (HOOFDSTUK XIV.) - Slotbepalingen. (oud HOOFDSTUK XIII) <KB 2006-05-23/33, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2006>

  Afdeling I. - Informatie.

  Art. 76. De exploitanten van de inrichtingen van klasse I, II en III en de constructeurs van vaartuigen en voertuigen met kernaandrijving moeten het bestaan van hun inrichting, de aard van de verschillende opslagplaatsen, de aard van de activiteit van de inrichting en de gevaren de exploitatie eigen, ter kennis brengen van :
  1° de burgemeester, alsook de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie;
  2° de gemeentelijke brandweer en het centrum van de gewestelijke groep waarvan ze afhangt;
  3° de Algemene Directie van de Civiele Bescherming.
  Hiertoe maken zij hen de relevante documenten over.

  Afdeling II. - Toezicht.

  Art. 77. Het medisch toezicht over de werknemers en de voorwaarden van de arbeidshygiëne in de bij dit reglement bedoelde inrichtingen wordt gecontroleerd door de geneesheren van de Administratie van de Arbeidshygiëne en -geneeskunde.

  Art. 78. Onverminderd de andere bepalingen van dit reglement, houdt de exploitant bedoeld in artikel 5.2 het volledig dossier van de vergunningsaanvraag, alsook de besluiten en akten ter uitvoering van dit reglement ter beschikking van :
  a) de personeelsleden van het Agentschap die belast zijn met het toezicht;
  b) de in artikel 77 genoemde geneesheren.

  Art. 79.Uitvoeringsmaatregelen.
  79.1. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 67, treffen de burgemeesters, die een toestand vaststellen die de gezondheid of de veiligheid van de werknemers of van de bevolking in gevaar brengt, de nodige maatregelen om dat gevaar te weren. Behalve bij uiterste dringendheid, winnen ze vooraf het advies van het Agentschap in.
  Zij lichten onmiddellijk, naargelang het geval, de in artikel 78 bedoelde personen in, alsook de Algemene Directie van de Civiele Bescherming. In geval van noodzaak bevelen zij de evacuatie van het personeel en van het publiek of de ontruiming van de buurt.
  79.2. De burgemeesters laten de niet vergunde inrichtingen sluiten of treffen de gepaste maatregelen, het advies van het Agentschap volgend.
  Zij handelen op dezelfde wijze wanneer een van de in artikel 78 bedoelde personen hen een toestand meldt die de gezondheid of de veiligheid van de werknemers of van de bevolking in gevaar zou brengen.
  De exploitant kan bij de Koning beroep aantekenen binnen een termijn van vijftien kalenderdagen. Dit beroep schorst de getroffen beslissing niet.
  79.3. [1 ...]1
  Het Agentschap kan maatregelen treffen om de gevaarlijke bronnen onschadelijk te maken en inzonderheid hun verwijdering en hun opslag op een aangepaste plaats bevelen. In voorkomend geval verwittigt het Agentschap NIRAS.
  79.4. Tegen de maatregelen die door de leden van de controledienst van het Agentschap worden getroffen wegens het niet naleven van de wettelijke of reglementaire bepalingen, evenals van de bijzondere vergunnings- of goedkeuringsvoorwaarden, kan binnen een termijn van vijftien kalenderdagen beroep worden aangetekend bij de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren.
  Het beroep dient bij een ter post aangetekend schrijven gestuurd te worden aan de Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren.
  De Minister beschikt over een termijn van drie maanden om een beslissing te treffen.
  ----------
  (1)<W 2014-03-19/26, art. 22, 015; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Afdeling III. - Straf- en slotbepalingen.

  Art. 80. Vaststelling en beteugeling van de inbreuken.
  De inbreuken op dit reglement worden opgespoord, vastgesteld en vervolgd, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle.

  Art. 80bis. Opheffingsbepalingen.
  Het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen wordt opgeheven.
  Het ministerieel besluit van 20 mei 1965 tot vaststelling van de samenstelling van de Commissie voor erkenning van apothekers, van de regels betreffende haar werking, alsmede van de bevoegdheidscriteria, ter uitvoering van artikel 47, lid 2, van het koninklijk besluit van 28 februari 1963, houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, wordt opgeheven.

  Art. 81.Overgangsbepalingen.
  81.1. Algemene overgangsbepalingen
  Voor zover niet anders bepaald blijven de vergunningen, de erkenningen en goedkeuringen en de verbodsbepalingen die met toepassing het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen zijn vastgesteld, van kracht, in voorkomend geval, tot het einde van hun geldigheidsduur.
  De aanvragen tot vergunning of erkenning, die werden ingediend vr het in werking treden van dit besluit, worden behandeld overeenkomstig de bepalingen die van kracht waren op de datum waarop ze volgens diezelfde bepalingen geldig werden ingediend. Evenwel worden de opdrachten die toevertrouwd waren aan de Dienst voor Bescherming tegen Ioniserende Stralingen van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en aan de Dienst voor de Technische Veiligheid van Kerninstallaties van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid overgedragen aan het Agentschap.
  81.2. Overgangsbepalingen betreffende hoofdstuk II
  De speciale commissie, ingesteld door artikel 6 van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, wordt belast met de opdrachten van de wetenschappelijke raad, in afwachting dat de leden van deze raad worden benoemd.
  Binnen een termijn van maximaal één jaar volgend op de dag van de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, moet de exploitant van een inrichting van klasse I of II bij de overheid, die bevoegd is om de vergunningen af te leveren, een dossier indienen waarin hij voorstelt een wijziging door te voeren van de lozingslimieten die aan zijn inrichting werden opgelegd, dit om deze te doen overeenstemmen met de dosislimieten voor de personen van het publiek gedefinieerd in artikel 20 van dit besluit of waarin hij het behoud van deze lozingslimieten rechtvaardigt. Het advies van een erkende instelling zal bij dit dossier worden gevoegd.
  De vergunningen die zijn afgeleverd overeenkomstig het besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen blijven geldig. Alle uitbreidingen of wijzigingen van de inrichting of de stopzetting van zijn activiteit zijn evenwel onderworpen aan de bepalingen van dit reglement.
  Daarenboven worden de inrichtingen, waar bepaalde werkzaamheden werden uitgevoerd die vóór het in werking treden van dit besluit niet vergunningsplichtig waren en waarvoor met toepassing van dit reglement een vergunning vereist wordt, van rechtswege onderworpen aan de bepalingen van hoofdstuk II. De exploitatie, en in voorkomend geval de ontmanteling, kan evenwel zonder voorafgaande vergunning worden voortgezet, mits bij het Agentschap, binnen het jaar dat volgt op het in werking treden van dit besluit, een aanvraag wordt ingediend volgens de artikelen 6.2, 7.2, 8.2 of 17, naargelang het geval. Het Agentschap onderzoekt de vergunningsaanvraag overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 6, 7, 8 of 17, naargelang het geval. De bevoegde overheid doet uitspraak volgens de regels bepaald in diezelfde artikelen.
  In geval een bestaande inrichting door het in werking treden van de artikelen 3 en 5 van dit besluit overgaat naar een hogere klasse, moet de vergunningsaanvraag bij het Agentschap worden ingediend binnen een termijn van 1 jaar volgend op de dag van de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad. De reglementaire bepalingen inzake de fysische en medische controle, die gelden voor de nieuwe klasse, zijn evenwel van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  De aangiften vermeld in artikel 9 moeten gedaan worden binnen een termijn van 2 jaar volgend op de dag van de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
  [11 Aan de opleidingsvereisten opgenomen in artikel 9.7. moet worden voldaan op 1 september 2022.]11
  [6 De bepalingen bedoeld in artikel 37.5, lid 1, treden één jaar na hun invoeging in dit besluit in werking. De bepalingen bedoeld in artikel 37.5, lid 2, treden twee jaar na hun invoeging in dit besluit in werking.]6
  81.3. Overgangsbepalingen betreffende hoofdstuk III
  Voor de toepassing van de twaalf opeenvolgende glijdende maanden, zoals bedoeld in artikel 20.1.3 wordt als eerste maand genomen de eerste volledige maand volgend op de dag van inwerkingtreding van dit besluit.
  De verplichte erkenning van de dosimetrische diensten, bedoeld in artikel 30.6 van dit besluit, wordt van kracht 2 jaar volgend op de dag waarop de door het Agentschap vastgelegde erkenningscriteria en -modaliteiten worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
  [7 Voor de inrichtingen vermeld in de artikelen 3.1.a) en 3.3 die reeds vergund zijn op 1 januari 2019 treden de bepalingen van de artikelen 23.1.2, 23.1.3 en 30.4 in werking op 1 januari 2020. Voor de overige inrichtingen die reeds vergund zijn op 1 januari 2019 treden de bepalingen van de artikelen 23.1.3 en 30.4 in werking op 1 januari 2021.
   De bepalingen van artikel 23.1.1 treden in werking op 1 juli 2019.
  [9 Voor de bij het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 betrokken ondernemingen of organisaties die reeds vergund of erkend zijn op 1 januari 2019 overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VII van dit reglement of van het koninklijk besluit van 22 oktober 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 treden de bepalingen van het artikel 23.2. in werking op 1 juli 2020 en van het artikel 30.4. op 1 januari 2021.]9
   Tot aan de inwerkingtreding van voornoemde bepalingen blijft de bestaande regelgeving van kracht.]7
  [11 De bepalingen van artikel 27/2 zijn van toepassing vanaf de zesde maand na de invoeging van deze bepalingen in dit besluit. De opslag buiten gebouwen die plaatsvindt vóór deze datum gebeurt overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren vóór de invoeging van deze bepalingen in dit besluit.]11
  81.4. [1 ...]1.
  81.5. [5 ...]5.
  81.6. (Overgangsbepalingen en tijdelijke bepalingen betreffende hoofdstuk VI
  81.6.1. De vergunningen bedoeld in hoofdstuk VI, die werden verleend vóór 8 november 2006, blijven geldig tot de vervaldatum ervan, voor zover geen enkele activiteitswijziging is gebeurd die valt buiten de limieten die in de vergunning worden aangegeven.
  81.6.2. De bepalingen bedoeld in artikel 51.1.1., 2e lid, d, worden van kracht op 1 juni 2007.
  Tot 1 juni 2007 worden de in artikel 51.1.1., 2e lid, d, bedoelde medische blootstellingen met het oog op biomedische en medische research, voor wat hun rechtvaardiging betreft, onderzocht door het voor deze research ingestelde comité voor ethiek, in toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot vaststelling van de normen waaraan de ziekenhuizen en hun diensten moeten beantwoorden; de practici die de medische verantwoordelijkheid dragen voor de medische blootstelling voor biomedische en medische onderzoeksdoeleinden dienen rekening te houden met de Europese aanbevelingen hieromtrent.
  81.6.3. Voor de toestellen voor de radiodiagnose van personen bedoeld in artikel 51.6.2., § 1, die aangekocht werden vóór 1 maart 2002, bepaalt het Agentschap, rekening houdend met de omvang van de blootstelling, de categorieën van toestellen die moeten uitgerust worden met een systeem dat toelaat de gedurende de radiologische procedure door de patiënt opgelopen dosis te bepalen, alsook de modaliteiten voor de aanpassing van de toestellen.
  81.6.4. De bepalingen bedoeld in artikel 51.6.2., § 3, worden van kracht op 1 juni 2007.
  Tot 1 juni 2007 wordt voor de in 51.6.2., § 3 bedoelde medische blootstellingen een aangepaste radiologische uitrusting en toebehoren gebruikt.
  81.6.5. De bepalingen bedoeld in artikel 51.6.3. worden van kracht op 1 januari 2011.
  Tot 1 januari 2011 worden de toestellen bedoeld in artikel 50.2.1. die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik in de diergeneeskunde, goedgekeurd door het Agentschap dat hiertoe de criteria vastlegt.
  Ingeval van typetoestellen dient de producent of de invoerder de goedkeuringsaanvraag in op een formulier waarvan het model door het Agentschap is vastgesteld. Indien het Agentschap oordeelt dat de gevraagde goedkeuring niet kan worden verleend, dan informeert het de aanvrager hiervan op voorhand, met de expliciete vermelding dat hij het recht heeft om binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving te worden gehoord.
  In afwachting van de bepaling of de goedkeuring door het Agentschap van de aanvaardbaarheidscriteria, krachtens artikel 51.6.5, moeten de aanvaardbaarheidscriteria gedefinieerd in de publicatie Stralingsbescherming 91 van de Europese Commissie (Luxemburg, 1997) worden gebruikt.
  81.6.6. Voor de deskundigen in de medische stralingsfysica gelden de volgende overgangsbepalingen :
  a) De personen die op 3 november 1997 in het ziekenhuismilieu werkzaam waren in één van de drie bijzondere gebieden van de medische stralingsfysica, zonder te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 51.7.3 kunnen door het Agentschap worden erkend als deskundige in de medische stralingsfysica in hun bevoegdheidsgebied(en) wanneer zij over een gelijkwaardige bekwaamheid beschikken en voor zover zij hun aanvraag tot erkenning of tot goedkeuring hadden ingediend vóór 4 mei 1998.
  De bekwaamheid van de aanvrager wordt beoordeeld in functie van de diploma's, certificaten en titels en in functie van elk wetenschappelijk of professioneel element dat hij kan bewijzen.
  Het Agentschap bepaalt eventueel de aanvullende opleiding die het noodzakelijk oordeelt om de erkenning te kunnen verlenen. Het advies van de jury voorzien in artikel 54.9 is vereist voor iedere aanvraag.
  b) De personen die voor 3 november 1997 een opleiding op het gebied van stralingsfysica volgden die niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 51.7.3. b), kunnen na voltooiing van hun opleiding erkend worden als deskundige in de medische stralingsfysica wanneer hun opleiding wordt goedgekeurd door het Agentschap na advies van de jury bepaald in artikel 54.9 en voor zover zij hun aanvraag tot erkenning of tot goedkeuring hadden ingediend vóór 4 mei 1998; "
  [3 c) Gedurende twee jaar te rekenen vanaf de publicatie van dit besluit wordt een certificaat dat behaald wordt voor een opleiding die minstens aan de bepalingen van artikel 51.7.3.1., eerste en tweede lid, voldoet, aanvaard om te voldoen aan artikel 51.7.3.1, derde lid. Deze periode van 2 jaar kan door beslissing van het FANC hernieuwd worden.]3
  81.6.7. De bepalingen bedoeld in artikel 51.7.1., lid 1, worden van kracht op 1 juni 2007.
  Tot 1 juni 2007, en onverminderd de bepalingen van artikel 23 en van het koninklijk besluit van 5 april 1991 houdende vaststelling van de normen waaraan een dienst radiotherapie moet voldoen om erkend te worden als zware medisch-technische dienst zoals bedoeld in artikel 44 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, ziet de in artikel 51.7.1. bedoelde exploitant van inrichtingen waarin installaties voor radiodiagnose, radiotherapie of nucleaire geneeskunde in vivo voorkomen, erop toe te beschikken over de bijstand van deskundigen in de medische stralingsfysica voor de organisatie van en het toezicht op de maatregelen die nodig zijn om de stralingsbescherming van de patiënt en de kwaliteitsbeheersing van de apparatuur te verzekeren.
  81.6.8. De bepalingen bedoeld in artikel 51.7.3. worden van kracht op 1 juni 2007.
  Tot 1 juni 2007 doorloopt de in artikel 51.7.3., lid 1, b, bedoelde kandidaat voor de erkenning als medisch stralingsfysicus in meerdere bevoegdheidsgebieden, een stage van minstens één jaar voor de radiotherapie.
  Tot 1 juni 2007 volgt de in artikel 51.7.3., bedoelde kandidaat voor de deskundige in de medische stralingsfysica, een gepaste specifieke opleiding voor medische blootstelling van kinderen, uitgevoerd in het kader van een bevolkingsonderzoeksprogramma, of medische blootstellingen waarbij aan de patiënt hoge doses worden toegediend, zoals bij interventionele radiologie, computertomografie en radiotherapie, hierin inbegrepen de nucleaire geneeskunde bestemd voor therapeutische doeleinden.
  81.6.9. De bepalingen bedoeld in artikel 53 worden van kracht op 1 juni 2007. Tot 1 juni 2007 gelden volgende bepalingen :
  1° Onverminderd de bepalingen van de wetten en reglementen betreffende de geneeskunde, de veiligheid en de hygiëne van de werknemers, de veiligheid, de hygiëne en het comfort van de zieken, mogen de in artikel 50.2 bedoelde bronnen van ioniserende stralingen en radiologische uitrustingen alleen worden gebruikt door de houders van het wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, of de academische graad van arts of het diploma van dierenarts en die hiervoor vergund zijn door het Agentschap.
  De vergunning kan beperkt zijn :
  a. in de tijd;
  b. tot bepaalde bronnen van ioniserende stralingen en radiologische uitrustingen;
  c. tot bepaalde toepassingsvormen van de ioniserende stralingen.
  De apothekers en licentiaten in de scheikunde, die vooraf bevoegd worden geacht om bioklinische analyses uit te voeren, enerzijds krachtens het koninklijk besluit van 5 november 1964 tot vaststelling van de voorwaarden voor de machtiging van de apothekers die bevoegd zijn om bioklinische analyses te verrichten en anderzijds krachtens het koninklijk besluit van 23 juni 1975 betreffende de erkenning van licentiaten in de wetenschappen, groep scheikundige wetenschappen, met het oog op het uitvoeren van bioklinische laboratoriumonderzoeken, kunnen eveneens een vergunning verkrijgen van het Agentschap.
  Deze is beperkt tot de radionucliden in niet-ingekapselde vorm bestemd voor diagnostische doeleinden en mag slechts toegekend worden voor zover het in vitro analyses betreft en de belanghebbenden de voorschriften bedoeld in 12° tot en met 15° in acht nemen.
  De licentiaten in de tandheelkunde en de houders van een bekwaamheidsgetuigschrift van tandarts kunnen van het Agentschap een vergunning verkrijgen voor het gebruiken van röntgenstralen voortbrengende toestellen die speciaal voor de tandradiografie zijn ontworpen.
  De in vorige leden bedoelde vergunningen worden enkel verleend aan de personen die tijdens hun opleiding een bekwaamheid op het gebied van de stralingsbescherming hebben verworven, alsmede een passende opleiding hebben genoten die is afgestemd op de technieken toegepast in de medische of tandheelkundige radiologie, de radiotherapie of de nucleaire geneeskunde.
  Voor medische blootstelling van kinderen, uitgevoerd in het kader van bevolkingsonderzoeksprogramma's, of waarbij aan de patiënt hoge doses worden toegediend, zoals bijvoorbeeld bij interventionele radiologie, computertomografie en radiotherapie, hierin inbegrepen de nucleaire geneeskunde bestemd voor therapeutische doeleinden, dient daarenboven een gepaste specifieke opleiding te zijn gevolgd.
  Op verzoek van het Agentschap of op eigen initiatief mag de in artikel 54.9 bedoelde jury adviezen uitbrengen over de geldigheidsvoorwaarden van de in deze regeling vermelde vormingen.
  2° Ieder ander persoon dan die vergund met toepassing van 1° mag de in artikel 50.2 bedoelde bronnen van ioniserende stralingen en radiologische uitrustingen alleen gebruiken voor geneeskundige doeleinden volgens de instructies en onder de werkelijke controle en verantwoordelijkheid van personen die vergund zijn met toepassing van 1°.
  Wat de tandheelkunde betreft, zijn de licentiaten in de tandheelkunde en de houders van een bekwaamheidsgetuigschrift van tandarts er toe gehouden persoonlijk de tandradiografiëen uit te voeren.
  De exploitant van de inrichting ziet erop toe dat de in het eerste lid van 1° bedoelde help(st)ers een opleiding hebben genoten die overeenstemt met hun beroepsbezigheden.
  Op eenvoudige vraag van het Agentschap, moet de exploitant bij machte zijn om voor elk van deze help(st)ers, een diploma, een getuigschrift of een attest van bekwaamheid voor te leggen, waaruit blijkt dat zij een gepaste opleiding hebben gevolgd van een niveau dat op zijn minst overeenstemt met dat van het niet-universitair hoger onderwijs, en dat in totaal minstens 50 uur omvat, waarvan ten minste 10 uur praktijk, en dat zij met succes een kenniscontrole betreffende deze opleiding hebben ondergaan.
  Bovenvermelde opleiding heeft betrekking op de aangewende technieken, de medische gevolgen van de blootstelling aan ioniserende stralingen, de praktische regels van de stralingsbescherming, met inbegrip van hun fysische grondslagen, de wetgeving inzake stralingsbescherming, de kwaliteitsborging en, in het bijzonder de procedures inzake de kwaliteitsbeheersing van de gebruikte toestellen. De opleiding besteedt een bijzondere aandacht aan de medische blootstelling van kinderen, of aan deze uitgevoerd in het kader van medische bevolkingsonderzoeksprogramma's, of waarbij aan de patiënt hoge doses worden toegediend, zoals bijvoorbeeld bij interventionele radiologie, computertomografie en radiotherapie.
  Voor de nucleaire geneeskunde en/of de radiotherapie dient daarenboven een gepaste aanvullende opleiding van 10 uur te zijn gevolgd.
  De exploitant waakt er over dat de in 2° bedoelde personen van een permanente vorming in de betrokken materie genieten.
  3° De vergunningen voor het gebruik van röntgenstralen voor medische en tandheelkundige diagnose en de vergunningen voor het gebruik van toestellen en radionucliden in het kader van de radiotherapie, worden afgeleverd rekening houdend met, enerzijds, de bekwaamheid van de aanvrager, en anderzijds, de aard en de gebruiksomstandigheden van deze toestellen of stoffen. De bekwaamheid van de aanvrager wordt beoordeeld volgens zijn diploma's, getuigschriften en titels en volgens elk wetenschappelijk of professioneel element waarvan hij het bewijs kan leveren.
  4° Voor wat het gebruik van röntgenstralen voor medisch-diagnostische doeleinden betreft wordt de vergunning enkel toegekend aan de artsen die een diploma, een getuigschrift of een attest van bekwaamheid in het diagnostisch gebruik van röntgenstralen kunnen voorleggen waaruit blijkt dat zij een opleiding van universitair niveau hebben genoten welke minstens 45 uren theorie en 30 uren praktijk omvat en hierover met succes een kenniscontrole hebben ondergaan.
  De hierboven bedoelde opleiding slaat op de in de radiologie aangewende technieken, de medische gevolgen van de blootstelling aan ioniserende stralingen, de praktische regels van stralingsbescherming met inbegrip van hun fysische grondslagen, de wetgeving inzake stralingsbescherming, de methodes voor het meten van stralingen, de schatting en beoordeling van de doses waaraan de patiënt tijdens radiologische onderzoeken blootstaat.
  Voor wat betreft het gebruik van röntgenstralen voor botdensitometrie via dubbele energie röntgenstralen-absorptiometrie door middel van een toestel met ingebouwde, vaste röntgenbuis, kan evenwel een vergunning worden verleend aan de artsen die een diploma, een getuigschrift of een attest van bekwaamheid kunnen voorleggen, waaruit blijkt dat zij een specifiek op deze toepassing gerichte opleiding inzake stralingsbescherming van universitair niveau hebben genoten welke ten minste 8 uren omvat en hierover met succes een kenniscontrole hebben ondergaan.
  De artsen die vóór 1 juli 1994 werden erkend als houders van de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de röntgendiagnose worden geacht voldaan te hebben aan de hiervoor beschreven opleidingsvereisten.
  5° De artsen die röntgenstralen voor medisch-diagnostische doeleinden aanwenden zijn ertoe gehouden hun kennis en bekwaamheid op het gebied van de stralingsbescherming op peil te houden en te vervolmaken, in het kader van een permanente vorming op universitair niveau.
  6° Voor wat het gebruik van röntgenstralen voor de tandradiografie betreft, wordt de vergunning enkel verleend aan de practici die een diploma of een getuigschrift of een attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat zij een opleiding in de stralingsbescherming van universitair niveau hebben genoten en hierover met succes een kenniscontrole hebben ondergaan.
  De hierboven bedoelde opleiding slaat op de medische gevolgen van de blootstelling aan ioniserende stralingen, de praktische regels van stralingsbescherming met inbegrip van hun fysische grondslagen en de methodes voor het meten van stralingen, de wetgeving inzake stralingsbescherming en de schatting en de beoordeling van de doses waaraan de patiënt blootstaat, evenals hun distributie, naargelang de aangewende technieken voor tandradiografische onderzoeken.
  De practici die vóór 1 juli 1994 gekwalificeerd waren om de tandheelkunde te beoefenen, worden geacht voldaan te hebben aan de hiervoor beschreven opleidingsvereisten.
  De gebruikers van röntgenstralen voor tandradiografie zijn er echter wel toe gehouden hun kennis en bekwaamheid op het gebied van de stralingsbescherming op peil te houden en te vervolmaken, in het kader van een permanente vorming van universitair niveau.
  7° Wat betreft het gebruik van toestellen en het in bezit houden en het gebruik van radionucliden in het kader van de radiotherapie, wordt de vergunning enkel verleend aan geneesheren-specialisten die een diploma, een getuigschrift of een attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat zij een opleiding van universitair niveau hebben gevolgd die minstens 120 uren theorie en 80 uren praktijk omvat en is afgestemd op de kernfysica, de methodes voor het meten van stralingen, de radiochemie, de stralingsbescherming, de wetgeving inzake stralingsbescherming, de radiotoxicologie, de radiobiologie en de dosimetrie in de radiotherapie, en dat zijn hierover met succes een kenniscontrole hebben ondergaan.
  De artsen die vóór 1 juli 1994 werden erkend als houder van de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de radiotherapie of radio- en radiumtherapie, worden geacht aan de hiervoor beschreven opleidingsvereisten te hebben voldaan.
  Het Agentschap kan het verlenen van een vergunning afhankelijk maken van de naleving van de voorwaarden, die door hem kunnen worden bepaald en die o.a. betrekking hebben op de voorwaarden voor de hospitalisatie en voor het ontslaan uit het ziekenhuis van patiënten die via metabolische weg met radionucliden werden behandeld en eveneens op de voorwaarden inzake de ambulante behandeling van deze patiënten.
  8° Van de personen die vergund zijn vóór 1 juli 1994 en die een wijziging melden van hun adres en/of van de plaats(en) waar zij hun activiteit uitoefenen wordt aangenomen dat zij voldaan hebben aan de gepaste opleidingsvoorwaarden beschreven in 4°, 6° of 7°, al naargelang hun vergunning werd verleend voor doeleinden van medische radiodiagnostiek, van tandradiografie of van radiotherapie.
  9° De vergunningsaanvraag wordt bij aangetekend schrijven gericht aan het Agentschap.
  Indien het Agentschap van oordeel is dat de gevraagde vergunning niet kan worden toegekend, wordt dit vooraf aan de aanvrager medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
  10° Voor de gebruikers van toestellen en van radionucliden in het kader van de radiotherapie, maakt de bekwaamheid van de aanvrager op het gebied van de stralingsbescherming en in de voormelde disciplines het voorwerp uit van een advies van de jury bedoeld in artikel 54.9.
  11° Voor elke wijziging van werkzaamheden, buiten de beperkingen die door de vergunning worden aangegeven, dient een nieuwe aanvraag ingediend.
  12° Voor het in bezit houden of het gebruik van de radionucliden bestemd voor de in vivo of in vitro diagnostiek of voor de therapie in het kader van de nucleaire geneeskunde is een vergunning vereist die door het Agentschap wordt verleend en die voorbehouden is aan de in 1°, lid 1 en 3, bedoelde personen.
  Die vergunning slaat op de aard en op de hoeveelheid van de radionucliden die deze personen mogen in bezit houden en gebruiken, afhankelijk van de plaatsen en lokalen van bewaring en van gebruik, evenals op de toepassingsvormen die deze personen mogen aanwenden.
  Het Agentschap kan het verlenen van een vergunning afhankelijk maken van de naleving van de voorwaarden, die door hem kunnen worden bepaald en die o.a. betrekking hebben op de voorwaarden voor de hospitalisatie en voor het ontslaan uit het ziekenhuis van patiënten die via metabolische weg met radionucliden werden behandeld en eveneens op de voorwaarden inzake de ambulante behandeling van deze patiënten.
  13° De aanvraag voor de vergunning bedoeld in 12° wordt bij een ter post aangetekend schrijven gericht aan het Agentschap op een formulier waarvan het model door het Agentschap is vastgesteld.
  Indien het Agentschap van oordeel is dat de gevraagde vergunning niet kan worden toegekend, wordt dit vooraf aan de aanvrager medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
  14° De vergunningen bedoeld in 12° worden enkel verleend aan de aanvragers die een getuigschrift of een attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat zij een opleiding van universitair niveau hebben gevolgd die minstens 120 uren theorie en 80 uren praktijk omvat en slaat op de kernfysica, de methodes voor het meten van stralingen, de radiochemie, de stralingsbescherming, de wetgeving inzake stralingsbescherming, de radiotoxicologie, de radiobiologie en de radiofarmacie, en met succes een kenniscontrole hebben ondergaan.
  Van de personen vergund vóór 1 juli 1994 die een nieuwe vergunning vragen om reden van wijziging van de plaats(en) waar zij hun activiteit uitoefenen, wordt aangenomen dat zij voldoen aan de opleidingsvoorwaarden beschreven in het voorgaande lid.
  De artsen die vóór 1 juli 1994 erkend zijn als houder van de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de nucleaire geneeskunde of in de klinische biologie en in de nucleaire in vitro geneeskunde evenals de apothekers-biologen of gelijkgestelden die vóór 1 juli 1994 bevoegd waren voor de in vitro toepassingen van radionucliden, worden geacht aan de hierboven beschreven opleidingsvereisten te hebben voldaan.
  De bekwaamheid van de aanvrager van de vergunning maakt het voorwerp uit van een advies van de jury bedoeld in artikel 54.9 en heeft betrekking op de diploma's, getuigschriften en titels.
  Voor de artsen slaat het advies bovendien ook op elk door de betrokkene ter overtuiging ingediend element, dat door de jury bedoeld in artikel 54.9 bevredigend wordt geacht. Voor de dierenartsen verstrekt de jury een advies op grond van de wetenschappelijke en beroepselementen die de aanvrager voorlegt.
  15° Elke wijziging van de werkzaamheden die valt buiten de beperkingen die door de vergunning worden aangegeven, evenals elke verandering van plaats waar de activiteit wordt uitgeoefend, geeft aanleiding tot een nieuwe aanvraag voor een speciale vergunning.
  81.6.10. De bepalingen bedoeld in artikel 54.9. worden van kracht op 1 juni 2007.
  Tot 1 juni 2007 wordt de medische jury bedoeld in artikel 54.9. samengesteld uit vertegenwoordigers van het Agentschap en uit persoonlijkheden gekozen wegens hun wetenschappelijke bekwaamheid : specialisten in de stralingsbescherming, deskundigen in de medische stralingsfysica in de drie gebieden bedoeld in artikel 51.7 (radiotherapie, nucleaire geneeskunde in vivo, radiologie), artsen erkend als houder van de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de radiotherapie-oncologie, van geneesheer-specialist in de röntgendiagnose, van geneesheer-specialist in de nucleaire geneeskunde en van geneesheer-specialist in de klinische biologie en in de nucleaire in vitro geneeskunde en apothekers-biologen of gelijkgestelden bevoegd voor de in vitro toepassingen van radionucliden.
  Tot 1 juni 2007 gelden de volgende werkingsregels voor de medische jury bedoeld in artikel 54.9. :
  De leden van de jury mogen worden gekozen uit de medische jury bedoeld in artikel 75.2.8 of daarbuiten. De samenstelling van deze jury wordt aangepast volgens de behandelde onderwerpen teneinde een evenwichtige vertegenwoordiging van de hogergenoemde gebieden te verzekeren.
  Indien de jury van oordeel is dat er geen gunstig advies kan gegeven worden, wordt dit aan de aanvrager medegedeeld waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om door de jury gehoord te worden indien hij daartoe verzoekt binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving.
  Het Agentschap kan het advies van de jury inwinnen voor elk onderwerp dat betrekking heeft op de toepassing van de artikelen 50 tot en met 55.2.) <KB 2007-05-17/31, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 08-11-2006>
  [4 81.6.11. De bepalingen bedoeld in artikel 53.3.3, derde en vijfde lid, worden van kracht op 1 juli 2010.]4
  81.7. Overgangsbepalingen betreffende hoofdstuk VII
  De vergunningen, nog geldig op de datum van de inwerkingtreding van dit reglement, toegekend krachtens hoofdstuk VII van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, blijven geldig tot hun vervaldatum. Een aanvraag overeenkomstig de nieuwe bepalingen van dit hoofdstuk kan evenwel ingediend worden met het oog op de aanpassing van een bestaande vergunning.
  [2 81.7bis. De bepaling bedoeld in artikel 64.1, e), wordt van kracht op 1 januari 2020.
   De bepaling bedoeld in artikel 64.2, 2e lid, wordt van kracht op 1 november 2010.
   De vergunningen afgeleverd in het kader van artikel 65.3. zijn, voor wat betreft de toestellen bedoeld in artikel 64.1.e), geldig tot 1 januari 2020.]2
  [10 De exploitanten, bedoeld in artikel 64.8 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, die een oprichtings- en exploitatievergunning bezitten voor het gebruik van één of meerdere Americium-241 bronnen voor meting van dikte, massa of densiteit van textiel, mogen deze Americium-241 bronnen blijven gebruiken tot en met 31 december 2025.
   Deze exploitanten moeten hun Americium-241 bronnen verwijderen en het bewijs leveren van deze verwijdering uiterlijk op 31 december 2026.]10
  81.8. Overgangsbepalingen betreffende hoofdstuk XII
  De bepalingen van artikel 73.2, eerste lid,9 worden van kracht 3 jaar volgend op de dag van de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad; binnen een termijn van ten hoogste drie jaar na de inwerkingtreding van dit reglement, moeten alle deskundigen die in het bezit zijn van een erkenning afgeleverd krachtens artikel 73 van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, een nieuwe erkenningsaanvraag indienen.
  De erkende deskundigen van klasse III die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit erkend zijn met toepassing van het koninklijk besluit van 28 februari 1963, mogen overeenkomstig de bepalingen van hun erkenning de controles in de inrichtingen van klasse III verderzetten tot op de vervaldatum van hun erkenning of tot maximum 6 jaar na de inwerkingtreding van dit besluit indien hun erkenning zonder beperking van de geldigheidsduur werd toegekend. Wanneer de erkenning vervalt tijdens de periode van een jaar volgend op de inwerkingtreding van dit reglement, wordt de erkenning ambtshalve verlengd tot op het einde van die periode van één jaar.
  Tijdens deze overgangsperiode kunnen ze de erkenning als deskundige van klasse II aanvragen; het Agentschap houdt in het bijzonder rekening met de verworven ervaring bij de beoordeling van de opportuniteit tot erkenning als deskundige van klasse II.
  [8 De erkenningen die geldig zijn op 1 januari 2019 en die zijn verleend krachtens artikel 73 blijven geldig tot hun vervaldag.
   Het Agentschap kan voor deskundigen die voor de eerste keer een erkenning aanvragen, een gelijkwaardige kennis in aanmerking nemen voor wat betreft de diploma's en opleidingen bedoeld in de artikelen 73.2 punt 3, 73.2 punt 4.a, 73.2 punten 4.b, i en ii, indien deze werd verworven voor 1 januari 2010.
   De deskundigen in de fysische controle die erkend zijn op 1 januari 2019 worden vrijgesteld van de eisen inzake de basisopleiding bedoeld in artikel 73.2, punten 3 en 4.]8
  ----------
  (1)< KB 2009-03-24/41, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 27-04-2009>
  (2)<KB 2010-10-10/09, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 28-10-2010>
  (3)<KB 2012-04-26/65, art. 17, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (4)<KB 2012-04-26/65, art. 18, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2012>
  (5)<KB 2015-07-12/04, art. 81, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2015>
  (6)<KB 2018-05-29/10, art. 18, 023; Inwerkingtreding : 28-06-2018>
  (7)<KB 2018-12-06/17, art. 39, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (8)<KB 2018-12-06/17, art. 40, 024; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (9)<KB 2020-06-02/04, art. 1, 027; Inwerkingtreding : 22-06-2020>
  (10)<KB 2020-06-04/13, art. 2, 028; Inwerkingtreding : 22-06-2020>
  (11)<KB 2020-07-20/16, art. 35, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 82.Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
  [1 De bepalingen van de artikelen 9.7, 30.6.2 en 70/1.2 treden in werking op de eerste dag van de maand na afloop van een termijn van één jaar te rekenen van de dag van de invoeging van deze bepalingen in dit besluit.
   De normen voor bouwmaterialen vervat in de artikelen 20.2.2, 70 en 70/1 treden in werking op de eerste dag van de maand na afloop van een termijn van twee jaren te rekenen van de dag van de invoeging van deze bepalingen in dit besluit.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 36, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 83. Onze Minister tot wiens bevoegdheid de economie behoort, Onze Minister tot wiens bevoegdheid de binnenlandse zaken behoren, Onze Minister tot wiens bevoegdheid de energie behoort, Onze Minister tot wiens bevoegdheid de financiën behoren, Onze Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort, Onze Minister tot wiens bevoegdheid de tewerkstelling en de arbeid behoren, Onze Minister tot wiens bevoegdheid het vervoer behoort, zijn ieder wat hen betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1.[1 Bijlage 1A. Vrijstelling van aangifte]1
  
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-08-2020, p. 61452 )
  
  Gewijzigd door:
  
  <KB 2021-07-14/13, art. 5, 031; Inwerkingtreding : 07-08-2021>
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 37, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>
  

  Art. 1N1.[1 Bijlage IB
   Bijlage IB: Radioactieve afvalstoffen: voorwaarden en niveaus voor vrijgave bij onbeperkte hoeveelheden
   1. In de hierna volgende tabel A worden de waarden gegeven die, in het kader van de toepassing van de artikelen 34.6 en 35.2 moeten worden gebruikt voor de verwijdering of de afvoer met het oog op recyclage of hergebruik van vaste radioactieve afvalstoffen afkomstig van een inrichting van klasse I, II of III, bedoeld in artikel 3. Deze waarden worden vrijgaveniveaus genoemd.
   In tabel A hierna worden tevens de vrijstellingswaarden vermeld die moeten worden gebruikt voor de toepassing van artikel 3.1, d) voor hoeveelheden van meer dan 1 ton.
   2. De basiscriteria die gediend hebben of moeten dienen voor de berekening van de vrijgaveniveaus en van de waarden die voorkomen in de vergunningen die door het Agentschap verleend worden met toepassing van artikel 18, zijn de volgende:
   a) de door deze handeling veroorzaakte individuele radiologische risico's zijn voldoende laag om niet aan de reglementering onderworpen te zijn;
   b) het soort handeling werd als gerechtvaardigd beschouwd; en
   c) de handeling is intrinsiek veilig.
   3. Daarenboven moet er, in alle mogelijke omstandigheden, aan het volgende criterium worden voldaan:
   - de effectieve dosis die per jaar door eender welke persoon opgelopen kan worden ingevolge een vrijgestelde handeling, is minder dan 10 microsievert per jaar.
   4. Voor wat betreft de radionucliden die niet voorkomen in de tabel, stelt het Agentschap de gepaste activiteitsconcentratieniveaus vast, uitgaande van de criteria vermeld in de punten 2 en 3 van deze bijlage. De waarden die aldus worden vastgesteld, vervolledigen deze van de tabellen.
   5. De in tabel A vermelde niveaus en de hierna vermelde voorwaarden zijn niet van toepassing op het voedsel dat besmet werd als gevolg van een radiologische noodsituatie en op de interventiesituaties bedoeld in de artikelen 72 en 72bis. Zij zijn evenmin van toepassing op de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 4, tenzij het Agentschap daar anders over beslist.
   6. De conformiteit met de vrijgaveniveaus voor radioactief afval vermeld in tabel A moet worden geverifieerd door metingen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 35.3.
   7. Wanneer het mengsels van radionucliden betreft, dient aan de volgende voorwaarde te worden voldaan:
   ∑j Cj / Cj,L ≤ 1
   waarbij: Cj de activiteitsconcentratie is van de radionuclide j in de afvalstoffen en Cj,L het vrijgaveniveau uit tabel A is voor radionuclide j.
   In geval van een mengsel van radionucliden met hun vervalproducten, kunnen de vervalproducten in deze formule buiten beschouwing worden gelaten indien er bij de vaststelling van de vrijgaveniveaus rekening werd mee gehouden en indien ze de activiteit bij evenwicht niet overschrijden.]1
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 38, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. N2.[1 Bijlage II.]1
  
   ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-08-2020, p. 61467 )
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 39, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. N3. Bijlage III.
  (Tekst en tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-08-2001, p. 29210-29355).
  
  Gewijzigd door:
  
  <KB 2020-07-20/16, art. 40, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. N4.
  <Opgeheven bij KB 2009-03-24/41, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 27-04-2009>

  Art. N5. Bijlage V. Informatie in het kader van de noodplannen.
  A. Informatie bij stralingsgevaar bedoeld in artikel 72.1
  1. De bij stralingsgevaar feitelijk getroffen bevolking dient, in het licht van de uitvoering van het noodplan voor nucleaire risico's, snel en bij herhaling de volgende informatie te krijgen :
  a) informatie over het zich voordoende geval van stralingsgevaar en, voor zover mogelijk, over de kenmerkende gegevens ervan (zoals oorsprong, omvang, te verwachten verloop);
  b) beschermingsinstructies die naar gelang van het geval :
  - Met name betrekking kunnen hebben op de volgende aspecten : beperken van het verbruik van bepaalde levensmiddelen die besmet kunnen zijn, eenvoudige, hygiëne- en ontsmettingsregels, binnenshuis blijven, distributie en gebruik van beschermende stoffen, maatregelen in geval van evacuatie;
  - In voorkomend geval vergezeld kunnen gaan van instructies voor bepaalde bevolkingsgroepen;
  c) adviezen voor samenwerking in het kader van de door de bevoegde autoriteiten geformuleerde instructies of verzoeken.
  2. Indien het stralingsgevaar wordt voorafgegaan door een vooralarmfase, dient de bevolking die kan worden getroffen in geval van stralingsgevaar, reeds in deze fase informatie en instructies te krijgen, die de volgende vorm kunnen aannemen :
  - verzoek aan de betrokken bevolking naar de radio of de televisie te luisteren;
  - voorbereidende instructies voor inrichtingen met bijzondere collectieve taken;
  - aanbevelingen aan bijzonder betrokken beroepen.
  3. Indien daartoe voldoende tijd beschikbaar is, moeten deze informatie en instructies worden aangevuld met een herhaling van de basiskennis over radioactiviteit en de effecten daarvan op mens en milieu.
  B. Informatie vooraf, bedoeld in artikel 72.2
  1. Basiskennis over radioactiviteit en effecten daarvan op mens en milieu.
  2. De verschillende in aanmerking genomen gevallen van stralingsgevaar en hun gevolgen voor bevolking en milieu.
  3. Voorgeschreven noodmaatregelen om de bevolking bij stralingsgevaar te alarmen, te beschermen en haar hulp te bieden.
  4. Passende informatie over de gedragslijn die de bevolking bij stralingsgevaar zou moeten volgen.

  Art. N6.[1 Bijlage VI.]1
  
   ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-08-2020, p. 61486 )
  ----------
  (1)<KB 2020-07-20/16, art. 41, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. N7.
  <Opgeheven bij KB 2020-07-20/16, art. 42, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. N8. [1 Bijlage VIII. - Niveaus voor de vrijstelling van aangifte voor vaste natuurlijke stralingsbronnen ]1
  
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-08-2020, p. 61491 )
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2020-07-20/16, art. 43, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>
  

  Art. N9. [1 Bijlage IX. - Niveaus voor de vrijstelling van aangifte voor vloeibare natuurlijke stralingsbronnen]1
  
   ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-08-2020, p. 61495 )
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2020-07-20/16, art. 44, 030; Inwerkingtreding : 29-08-2020>
  

  Art. N10. [1 Bijlage X. - Lijst van projecten onderworpen aan een milieueffectbeoordelingsrapport conform artikel 6.1bis.1, 1° :
   1. Kerncentrales en andere kernreactoren, met inbegrip van de ontmanteling of buitengebruikstelling van dergelijke centrales of reactoren, (met uitzondering van onderzoeksinstallaties voor de productie en verwerking van splijt- en kweekstoffen, met een constant vermogen van ten hoogste 1 thermische kW);
   2. Installaties voor de opwerking van bestraalde kernbrandstof;
   3. Installaties die ontworpen zijn :
   a. voor de productie of de verrijking van kernbrandstof;
   b. voor de behandeling van bestraalde kenbrandstof of hoog radioactief afval;
   c. voor de definitieve verwijdering van bestraalde kernbrandstof;
   d. uitsluitend voor de definitieve verwijdering van radioactief afval;
   e. uitsluitend voor de (voor meer dan 10 jaar geplande) opslag van bestraalde kernbrandstof of radioactief afval op een andere plaats dan het productieterrein;
   4. Wijziging of uitbreiding van in deze bijlage X opgenomen projecten, wanneer die wijziging of uitbreiding voldoet aan de in deze bijlage X opgenomen drempelwaarden, voor zover deze bestaan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2020-05-29/23, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 21-06-2020>
  
  

  Art. N11. [1 Bijlage XI. - Lijst projecten onderworpen aan screening conform artikel 6.1bis.1 2° :
   1. Installaties voor de behandeling en de opslag van radioactief afval (niet onder bijlage X vallende projecten).
   2. Wijziging of uitbreiding van projecten opgesomd in bijlage X of in deze bijlage waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd en die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (niet in bijlage X opgenomen wijziging of uitbreiding).
   3. Projecten opgesomd in bijlage X die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2020-05-29/23, art. 10, 026; Inwerkingtreding : 21-06-2020>
  
  

  Art. N12. [1 Bijlage XII. - Het formulier bedoeld in artikel 6.1bis.3 § 1 omvat :
   1° Een beschrijving van het project, met in het bijzonder :
   a) een beschrijving van de fysieke kenmerken van het gehele project en, voor zover relevant, van sloopwerken;
   b) een beschrijving van de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn.
   2° Een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project.
   3° Een beschrijving - voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is - van waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van :
   a) de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen, indien van toepassing;
   b) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit.
   4° Voor zover relevant wordt rekening gehouden met de criteria van bijlage XIII bij het verzamelen van de informatie overeenkomstig de punten 1° tot en met 3°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2020-05-29/23, art. 11, 026; Inwerkingtreding : 21-06-2020>
  
  

  Art. N13. [1 Bijlage XIII. - De beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 6.1bis.3 § 2 zijn :
   1° Kenmerken van de projecten. Bij de kenmerken van de projecten moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen :
   a. de omvang en het ontwerp van het gehele project;
   b. de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten;
   c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit;
   d. de productie van afvalstoffen;
   e. verontreiniging en hinder;
   f. risico op zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis;
   g. de risico's voor de menselijke gezondheid, bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling.
   2° Locatie van de projecten. Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen :
   a. het bestaande en goedgekeurde grondgebruik;
   b. de relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan;
   c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden :
   - wetlands, oeverformaties, riviermondingen;
   - kustgebieden en het mariene milieu;
   - berg- en bosgebieden;
   - natuurreservaten en -parken;
   - gebieden die zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen krachtens de Europese beschermingsregels van soorten en habitats ;
   - gebieden waarin de milieukwaliteitsnormen, in de wetgeving vastgesteld en relevant voor het project, al niet worden nagekomen of worden beschouwd als niet-nagekomen;
   - gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid;
   - landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang;
   3° Soort en kenmerken van het potentiële effect. De waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van projecten moeten, in samenhang met de criteria van de punten 1° en 2°, in aanmerking worden genomen, met aandacht voor het effect van het project op de in artikel 27/4, § 1 van de wet van 15 april 1994 uitgezette factoren, met inachtneming van :
   a. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten, inclusief het geografisch gebied en de omvang van de bevolking die getroffen kan worden;
   b. de aard van het effect;
   c. het land- of gewestgrensoverschrijdende karakter van het effect;
   d. de intensiteit en de complexiteit van het effect;
   e. de waarschijnlijkheid van het effect;
   f. de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect;
   g. de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande of goedgekeurde projecten;
   h. de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2020-05-29/23, art. 12, 026; Inwerkingtreding : 21-06-2020>
  
  

  Art. N14.[1 Bijlage XIV. - De informatie, bedoeld in artikel 6.1bis.5 6° betreft :
   1. Beschrijving van het project, met in het bijzonder :
   a. een beschrijving van de locatie van het project;
   b. een beschrijving van de fysieke kenmerken van het gehele project, indien relevant met inbegrip van de vereiste sloopwerken, en de eisen met betrekking tot landgebruik tijdens de bouw- en bedrijfsfasen;
   c. een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de bedrijfsfase van het project (met name productieprocessen), bijvoorbeeld energievraag en energieverbruik, aard en hoeveelheden van de gebruikte materialen en natuurlijke hulpbronnen (waaronder water, land, bodem en biodiversiteit);
   d. een prognose van de soort en de hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies (zoals water-, lucht-, bodem- en ondergrondverontreiniging, geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling) en de hoeveelheden en soorten tijdens de bouw- en bedrijfsfasen geproduceerde afvalstoffen.
   2. Een beschrijving van de door de opdrachtgever onderzochte redelijke alternatieven (bijvoorbeeld met betrekking tot het projectontwerp, de technologie, locatie, omvang en schaal), die relevant zijn voor het voorgestelde project en de specifieke kenmerken ervan, en een opgave van de belangrijkste redenen voor het selecteren van de gekozen optie, met inbegrip van een vergelijking van de milieueffecten.
   3. Een beschrijving van de relevante aspecten van de huidige toestand van het milieu (referentiescenario) en een schets van de mogelijke ontwikkeling daarvan als het project niet wordt uitgevoerd voor zover natuurlijke veranderingen van het referentiescenario redelijkerwijs kunnen worden beoordeeld op basis van de beschikbaarheid van milieu-informatie en wetenschappelijke kennis.
   4. Een beschrijving van de in artikel 27/4, § 1, tweede lid van de Wet van 15 april 1994 uiteengezette factoren waarop het project van aanzienlijke invloed kan zijn: bevolking, menselijke gezondheid, biodiversiteit (bijvoorbeeld fauna en flora), land (bijvoorbeeld ruimtebeslag), bodem (bijvoorbeeld organisch materiaal, erosie, verdichting, afdekking), water (bijvoorbeeld hydromorfologische veranderingen, kwantiteit en kwaliteit), lucht, klimaat (bijvoorbeeld broeikasgasemissies, effecten die van belang zijn voor adaptatie), materiële goederen, cultureel erfgoed, inclusief architectonische en archeologische aspecten, en het landschap.
   5. Een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van, onder meer:
   a. de bouw en het bestaan van het project, met inbegrip van, voor zover relevant, sloopwerken;
   b. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de duurzame beschikbaarheid van deze hulpbronnen;
   c. de uitstoot van verontreinigende stoffen, geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling, het ontstaan van milieuhinder en het verwijderen en terugwinnen van afvalstoffen;
   d. de risico's voor de menselijke gezondheid, het cultureel erfgoed of het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen of rampen);
   e. de cumulatie van effecten met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten, waarbij rekening wordt gehouden met alle bestaande milieuproblemen met betrekking tot gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn en waarop het project van invloed kan zijn, of met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
   f. het effect van het project op het klimaat (bijvoorbeeld de aard en de omvang van emissies van broeikasgassen) en de kwetsbaarheid van het project voor klimaatverandering;
   g. de gebruikte technologieën en stoffen.
   De beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten moet betrekking hebben op de directe en, in voorkomend geval, de indirecte, secundaire, cumulatieve en land- of gewestgrensoverschrijdende effecten op korte termijn, middellange termijn en lange termijn, permanente en tijdelijke, positieve en negatieve effecten van het project. Bij deze beschrijving moet rekening worden gehouden met de op Unie- of op lidstaatniveau vastgestelde doelstellingen inzake milieubescherming, die relevant zijn voor het project.
   6. Een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die gebruikt zijn voor de identificatie en de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van een overzicht van de moeilijkheden (bijvoorbeeld technische gebreken of ontbrekende kennis) die zijn ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie en de belangrijkste onzekerheden.
   7. Een beschrijving van de geplande maatregelen om alle geïdentificeerde aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen, te beperken of zo mogelijk te compenseren en, in voorkomend geval, van eventuele voorgestelde monitoringsregelingen (bijvoorbeeld de voorbereiding van een post project analyse). In deze beschrijving moet worden uitgelegd in welke mate aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd, met betrekking tot zowel de bouwfase als de bedrijfsfase.
   8. Een beschrijving van de verwachte aanzienlijke nadelige milieueffecten van het project die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico's op zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie. Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van beschikbare relevante informatie die is verkregen via overeenkomstig Europese of nationale wetgeving uitgevoerde relevante beoordelingen, mits aan de vereisten inzake milieueffectbeoordeling wordt voldaan. In voorkomend geval moet deze beschrijving de geplande maatregelen ter voorkoming of verzachting van de aanzienlijke nadelige milieueffecten van dergelijke gebeurtenissen omvatten, evenals details inzake paraatheid en voorgenomen reactievermogen bij dergelijke noodsituaties.
   9. Een niet-technische samenvatting van de overeenkomstig punten 1 tot en met 8 verstrekte informatie.
   10. Een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het rapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2020-05-29/23, art. 13, 026; Inwerkingtreding : 21-06-2020>
  
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, op 20 juli 2001.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Mobiliteit en Vervoer,
Mevr. I. DURANT
De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu,
Mevr. M. AELVOET
De Minister van Binnenlandse Zaken,
A. DUQUESNE
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
De Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek,
Ch. PICQUE
Voor de Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling,
O. DELEUZE, afwezig,
De Minister van Mobiliteit en Vervoer,
Mevr. DURANT

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, inzonderheid op artikel 179, § 2, gewijzigd door de wet van 11 januari 1991 en de wet van 12 december 1997;
   Gelet op de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle, gewijzigd door het koninklijk besluit van 7 augustus 1995 en door de wetten van 12 december 1997, 15 januari 1999, 3 mei 1999 en 10 februari 2000;
   Gelet op het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 17 mei 1966, 22 mei 1967, 23 december 1970, 23 mei 1972, 24 mei 1977, 12 maart 1984, 21 augustus 1985, 16 januari 1987, 11 februari 1987, 12 februari 1991, 6 september 1991, 17 juni 1992, 7 september 1993, 23 december 1993, 2 oktober 1997 en 3 mei 1999;
   Gelet op het ministerieel besluit van 20 mei 1965 tot vaststelling van de samenstelling van de Commissie voor erkenning van apothekers, van de regels betreffende haar werking, alsmede van de bevoegdheidscriteria, ter uitvoering van artikel 47, lid 2, van het koninklijk besluit van 28 februari 1963, houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, gewijzigd door het ministerieel besluit van 17 juli 1987;
   Gelet op de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, gewijzigd door de richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997;
   Gelet op de richtlijn 89/618/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1989 betreffende de informatie van de bevolking over de bij stralingsgevaar toepasselijke maatregelen ter bescherming van de gezondheid en over de alsdan te volgen gedragslijn;
   Gelet op de richtlijn 90/641/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 december 1990 inzake de praktische bescherming van externe werkers die gevaar lopen aan ioniserende straling te worden blootgesteld tijdens hun werk in een gecontroleerde zone;
   Gelet op de richtlijn 92/3/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 februari 1992 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen tussen Lidstaten en naar en vanuit de Gemeenschap;
   Gelet op de beschikking van de Commissie van 1 oktober 1993 tot vaststelling van het in de richtlijn 92/3/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen bedoelde uniforme document voor toezicht en controle op de overbrenging van radioactieve afvalstoffen;
   Gelet op de richtlijn 94/55/EG van de Raad van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, en de latere aanpassingen;
   Gelet op de richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren;
   Gelet op de richtlijn 96/49/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, en de latere aanpassingen;
   Gelet op de richtlijn 97/43/Euratom van de Raad van 30 juni 1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot intrekking van Richtlijn 84/466/Euratom;
   Gelet op het voorstel van algemene regels voor de vrijgave van zeer laag radioactieve vaste stoffen & toelichting bij het voorstel van de nationale instelling voor radioactief afval en verrijkte splijtstoffen van 9 september 1997;
   Gelet op de aanbevelingen van de groep van deskundigen opgericht met toepassing van artikel 31 van het Euratom-verdrag, gegeven in 2000 en gepubliceerd onder de titel 'Practical use of the concepts of clearance and exemption part I, Guidance on general clearance levels for practices (Radiation Protection 122)';
   Gelet op het advies van de Hoge Gezondheidsraad, gegeven op 29 november 1999;
   Gelet op het advies van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk, gegeven op 19 november 1999;
   Gelet op de aanmelding bij de Europese Commissie, gegeven op 17 mei 2000;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 1 maart 2000 en 5 oktober 2000;
   Gelet op het besluit van de Ministerraad van 6 oktober 2000 over het verzoek aan de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van een maand;
   Gelet op het advies nr. 30.809/3 van de Raad van State, gegeven op 22 juni 2001;
   Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid, van Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer, van Onze Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, van Onze Minister van Justitie, van Onze Minister van Financiën, van Onze Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, van Onze Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-07-2021 GEPUBL. OP 28-07-2021
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 31; N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2020 GEPUBL. OP 19-08-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 3.1; 4; 5.7.3; 7.2; 9; 18; 20; 24; 25; 26; 27ter; 30; 31; 33; 34; 35; 36; 37; 37quater; 37quinquies; 37sexies; 64; 65; 66bis; 70; 70/1; 71; 72; 72bis; 75; 75/1-75/2.8; 81; 82; N1; 1N1; N2; N3; N6; N7; N8; N9)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2020 GEPUBL. OP 19-08-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 23.1.5; 23.1.6; 23.1.7; 23.2.6; 23.2.7; 23.2.8)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-06-2020 GEPUBL. OP 12-06-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 64; 81.7bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-06-2020 GEPUBL. OP 12-06-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 81.3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-05-2020 GEPUBL. OP 11-06-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 3.1; 6; 7; 11; 12; 17; 73/1; 73/2; 73/3; N10; N11; N12; N13; N14)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-02-2020 GEPUBL. OP 20-02-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 5.5; 29; 30; 50-54; 55; 64.6; 67.2; 75.3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-12-2018 GEPUBL. OP 21-12-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 20.2.3; 3; 5; 6; 7; 8; 12; 15; 20; 23; 30; 35; 38; 50; 51; 54; 66:67:68; 73; 74)
    (GEWIJZIGD ART. : 81)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-05-2018 GEPUBL. OP 18-06-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 5; 6; 7; 8; 12; 16bis; 17; 23; 27bis; 37; 81)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-05-2018 GEPUBL. OP 24-05-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 64)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-10-2017 GEPUBL. OP 30-10-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 56-60; 1; 23)
  • originele versie
  • WET VAN 07-05-2017 GEPUBL. OP 29-05-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-08-2015 GEPUBL. OP 28-08-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-07-2015 GEPUBL. OP 12-08-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 31; 51; 45-49; 81)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-09-2014 GEPUBL. OP 31-10-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 56; 64; 65)
  • originele versie
  • WET VAN 19-03-2014 GEPUBL. OP 06-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 79)
  • originele versie
  • WET VAN 26-01-2014 GEPUBL. OP 10-03-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • originele versie
  • VARIA VAN 05-02-2014 GEPUBL. OP 13-02-2014
    (GEWIJZIGD ART. : N1)
  • originele versie
  • VARIA VAN 02-04-2013 GEPUBL. OP 08-04-2013
    (GEWIJZIGD ART. : N1)
  • originele versie
  • VARIA VAN 05-06-2012 GEPUBL. OP 12-06-2012
    (GEWIJZIGD ART. : N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-04-2012 GEPUBL. OP 01-06-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 18; 20; 23; 25; 26; 30; 33; 50; 51; 53; 69; 72bis; 81)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-10-2010 GEPUBL. OP 28-10-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 64; 81)
  • originele versie
  • VARIA VAN 09-07-2009 GEPUBL. OP 20-08-2009
    (GEWIJZIGD ART. : N1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-03-2009 GEPUBL. OP 22-04-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 73)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-03-2009 GEPUBL. OP 17-04-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 38-44TER; 81; N4; 1; 57; 58)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-06-2007 GEPUBL. OP 26-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 72TER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-05-2007 GEPUBL. OP 25-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 50; 51; 52; 53; 54; 55; 75; 81)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-05-2006 GEPUBL. OP 31-05-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 5; 23; 25; 31; 66BIS; 66TER)
    (GEWIJZIGDE ART. : 67; 72TER; 75BIS-75TER; N6; N7)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-01-2006 GEPUBL. OP 20-02-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 64)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-12-2002 GEPUBL. OP 17-01-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 64)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-03-2002 GEPUBL. OP 14-03-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 64; 65)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       Wij hebben de eer hierbij het algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en van het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen ter ondertekening aan Zijne Majesteit voor te leggen. Het beoogt in eerste instantie de uitvoering van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle.
       Dit nieuwe algemeen reglement komt in de plaats van het Koninklijk Besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, dat genomen werd in uitvoering van de wet van 29 maart 1958 betreffende de bescherming van de bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren. Deze wet werd opgeheven door voornoemde wet van 15 april 1994. Het Koninklijk Besluit van 28 februari 1963 werd op 2 oktober 1997 gewijzigd, in hoofdzaak om het in overeenstemming te brengen met een aantal Europese Richtlijnen :
       
       - de Richtlijn 84/466/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 september 1984 tot vaststelling van fundamentele maatregelen met betrekking tot de stralingsbescherming van personen die medisch worden onderzocht of behandeld;
       - de Richtlijn 89/618/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1989 betreffende de informatie van de bevolking over de bij stralingsgevaar toepasselijke maatregelen ter bescherming van de gezondheid en over de alsdan te volgen gedragslijn;
       - de Richtlijn 90/641/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 december 1990 inzake de praktische bescherming van externe werkers die gevaar lopen aan ioniserende straling te worden blootgesteld tijdens hun werk in een gecontroleerde zone;
       - de Richtlijn 92/3/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 februari 1992 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen tussen Lid-Staten en naar en vanuit de Gemeenschap, alsook de beschikking van de Commissie van 1 oktober 1993 tot vaststelling van het uniforme document waarvan sprake in deze Richtlijn.
       Het nieuwe algemeen reglement beoogt tevens de omzetting van de volgende, meer recente Europese Richtlijnen :
       
       - de Richtlijn 94/55/EG van de Raad van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, en de latere aanpassingen;
       - de Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren;
       - de Richtlijn 96/49/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, en de latere aanpassingen;
       - de Richtlijn 97/11/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 maart 1997 tot wijziging van de Richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten;
       - de Richtlijn 97/43/Euratom van de Raad van 30 juni 1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot intrekking van Richtlijn 84/466/Euratom.
       Daarenboven werden enkele kleinere wijzigingen aangebracht ten einde de Europese Commissie volledig tevreden te stellen met de omzetting van vroegere Richtlijnen.
       In een eerste deel van dit verslag wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste voorgestelde wijzigingen in vergelijking met het Koninklijk Besluit van 28 februari 1963 zoals het gewijzigd werd op 2 oktober 1997, die betrekking hebben op de uitvoering van de wet van 15 april 1994; in een tweede deel wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste wijzigingen die het gevolg zijn van de omzetting van de Europese Richtlijnen
       Uitvoering van de wet van 15 april 1994
       Vooraf dient er op gewezen dat de aanpassing van het algemeen reglement aan de bepalingen van de wet van 15 april 1994 reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een ontwerp van Koninklijk Besluit dat door de Ministerraad werd goedgekeurd en dat voor advies werd voorgelegd aan de Raad van State. Met de ondertekening van dit Besluit werd evenwel gewacht tot de oprichting van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) en het operationeel worden ervan. Aangezien het tijdstip van operationeel worden van het FANC bleek samen te vallen met de limietdatum voor omzetting van de Richtlijn betreffende de basisnormen, werd geopteerd voor een volledig nieuw algemeen reglement dat aan beide doelstellingen zou beantwoorden : enerzijds de overdracht en toekenning van bevoegdheden aan het FANC en anderzijds opnemen van de nieuwe Europese basisnormen inzake stralingsbescherming.
       Om de overgang naar het nieuwe algemeen reglement voor de gebruiker gemakkelijker te laten verlopen werd de structuur van het algemeen reglement (verdeling in hoofdstukken en nummering van de artikelen) niet fundamenteel gewijzigd. Met het advies van de Raad van State, dat op 1 augustus 1996 werd uitgebracht, werd bij de opstelling van het voorliggende algemeen reglement zeer nauwgezet rekening gehouden, evenals met de uitdrukkelijke wens van de Ministerraad om stelselmatig het hoorrecht van de aanvragers in te bouwen in de gevallen waar geen gunstig gevolg aan een aanvraag tot vergunning, goedkeuring of erkenning kan gegeven worden.
       Als belangrijkste aanpassingen van het algemeen reglement, die het gevolg zijn van de uitvoering van de wet van 15 april 1994 en die rekening houden met de recente evoluties, dienen vermeld :
       
       - de overdracht van de bevoegdheden inzake controle op de naleving van de bepalingen van het algemeen reglement aan het FANC;
       - de overdracht van de opdrachten van de gespecialiseerde diensten van de Ministeries van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu (Dienst voor Bescherming tegen Ioniserende Stralingen) en Tewerkstelling en Arbeid (Dienst voor de technische veiligheid van de kerninstallaties) naar het FANC;
       - de procedure voor het verlenen van de oprichtings- en exploitatievergunningen van de inrichtingen van klasse 1 verloopt nu in twee stappen, elk afgesloten door een koninklijk besluit; ook voor de ontmanteling is een vergunning bij koninklijk besluit vereist;
       - de oprichtings- en exploitatie vergunningen van de inrichtingen van klasse 2 en 3 worden verleend door het FANC; voor de ontmanteling van sommige inrichtingen van klasse 2 is ook een vergunning vereist, te verlenen door het FANC;
       - het is niet langer de exploitant die oordeelt of een wijziging van zijn inrichting belangrijk is en het voorwerp moet uitmaken van een nieuwe vergunning, maar het FANC;
       - de taken van de Speciale Commissie worden overgenomen door de Wetenschappelijke Raad waarvan sprake in artikel 37 van de wet van 15 april 1994;
       - het is ook het FANC dat voortaan de vergunningen verleent voor de invoer, de doorvoer en het vervoer van radioactieve stoffen, grensoverschrijdende overbrenging van radioactieve afvalstoffen inbegrepen, alsook voor de invoer, fabricatie en verdeling van radiopharmaca;
       - voor wat betreft het beheer van radioactief afval wordt voorzien dat het FANC een overeenkomst afsluit met NIRAS, met het oog wederzijdse uitwisseling van informatie en raadpleging betreffende de aspecten die de uitoefening van de bevoegdheden van beide instellingen kunnen beïnvloeden.
       Omzetting van de Europese Richtlijnen
       Zoals hiervoor vermeld, beoogt dit besluit ook nog een andere doelstelling : het algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen volledig in overeenstemming brengen met de Europese Richtlijnen die betrekking hebben op ioniserende stralingen en daarbij zoveel mogelijk rekening houden met de aanbevelingen en mededelingen van de Commissie en met de door haar gepubliceerde technische gidsen.
       Zoals wij het eerder gesteld hebben, werden door de wijzigingen van 2 oktober 1997 aan het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen de Richtlijnen, die op dat ogenblik moesten omgezet zijn, nagenoeg volledig omgezet. Enkele aanvullingen waren evenwel nog nodig, aangezien de Europese Commissie in een aanvullend gemotiveerd advies aan het Koninkrijk België betreffende de Richtlijn 84/466/Euratom van oordeel was dat de omzetting van deze Richtlijn van de Raad van 3 september 1984 (tot vaststelling van fundamentele maatregelen met betrekking tot de stralingsbescherming van personen die medisch onderzocht worden) onvolledig was. Deze omzetting wordt door voorliggend koninklijk besluit vervolledigd. Hierbij dient evenwel opgemerkt dat aan sommige opmerkingen van de Commissie, die trouwens betwistbaar zijn naar inhoud, niet meer door een wijziging van het reglement kan tegemoet gekomen worden, omdat zij betrekking hadden op overgangsbepalingen die voor een bepaalde termijn van toepassing waren, termijn die inmiddels verstreken is (aan de artsen die gebruik maken van toestellen die röntgenstralen uitzenden werd uitstel toegekend voor het vervolledigen van hun vorming inzake stralingsbescherming).
       Aan de eisen gesteld in de Richtlijnen 96/49/EG (van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor) en 94/55/EG (van de Raad van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg) werd reeds tegemoet gekomen in de Belgische reglementering, maar er diende nog een expliciete verwijzing naar deze Richtlijnen opgenomen te worden. Dit is ook gebeurd in voorliggend koninklijk besluit.
       Tenslotte wordt met voorliggend koninklijk besluit de volledige omzetting gerealiseerd van de Richtlijn 97/11/EG (tot wijziging van de Richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten) althans wat de radiologische aspecten betreft.
       Met betrekking tot de Europese regelgeving is de belangrijkste doelstelling van voorliggend koninklijk besluit evenwel de omzetting van twee nieuwe richtlijnen tot herschikking van de stralingsbescherming : de Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren en de Richtlijn 97/43/Euratom van de Raad van 30 juni 1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot intrekking van Richtlijn 84/466/Euratom. De limietdatum voor omzetting van deze Richtlijnen in het nationaal recht van de Lidstaten is 13 mei 2000.
       Het ontwerp tot omzetting van deze twee richtlijnen werd voor advies voorgelegd aan de Hoge Gezondheidsraad en de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk, alsook aan een aantal belanghebbende organisaties. Bij de redactie van het voorliggende ontwerp werd met de ontvangen adviezen rekening gehouden. Het ontwerp werd daarna ter kennis gebracht van de Europese Commissie voor eventuele aanbevelingen binnen een termijn van drie maanden, zoals voorzien in artikel 33 van het Euratom-verdrag. De Commissie heeft geen aanbevelingen uitgebracht binnen de gestelde termijn, maar behoudt zich wel het recht voor om later tussen te komen.
       Het ontwerp werd goedgekeurd op de Ministerraad van 6 oktober 2000 waarna het werd voorgelegd aan de Raad van State. Deze bracht zijn advies uit op 24 april 2001. Het ontwerp werd aangepast rekening houdend met de opmerkingen van het advies.
       Wat de inhoud betreft van de omzetting van de twee nieuwe richtlijnen, kan er een algemene opmerking worden gemaakt, namelijk dat dit besluit zo trouw mogelijk datgene wat in de richtlijnen wordt voorgeschreven, overneemt, maar dat er evenwel keuzes dienden te worden gemaakt. Er dient inderdaad aan te worden herinnerd dat de richtlijnen doelstellingen vastleggen maar dat ze de toepassingsmodaliteiten overlaten aan de lidstaten. Dit is de reden waarom een uitgebreide raadpleging van alle betrokken milieus noodzakelijk was m.b.t. alle materies waarvoor de richtlijnen een grote beslissingsvrijheid laten aan de lidstaten. In dit opzicht dient er te worden gesignaleerd dat er door de Commissie een mededeling evenals verschillende technische gidsen werden gepubliceerd om de lidstaten te helpen bij deze omzetting en om, ondanks de aanzienlijke ruimte die door deze richtlijnen gelaten werd voor de subsidiariteit, tot een maximale harmonisering te komen van de wetgeving en de praktijken in de lidstaten van de Europese Unie. Het ontwerp werd grotendeels geïnspireerd door deze documenten. Daarnaast heeft het Agentschap de mogelijkheid om later bepaalde details of technische procedures vast te stellen, in het bijzonder op het gebied van de materies die nog volop evolueren. Dit gezegd zijnde, kan er in het algemeen worden opgemerkt dat de keuzes die in de huidige reglementering werden gemaakt, in de eerste plaats werden gebaseerd op beschouwingen inzake de gezondheidszorg en dat er voorrang werd verleend aan de ethische principes inzake verantwoordelijkheid, voorzorg en billijkheid.
       Het punt dat het gevoeligst ligt, is dat van de vrijgave in het milieu of dat van de recyclage van zeer laagradioactief vast afval (afkomstig bijvoorbeeld van de ontmanteling van installaties). De Europese Richtlijn laat dit toe, mits een vergunning of mits het naleven van bepaalde vrijgaveniveaus, maar de keuze van deze niveaus wordt overgelaten aan de lidstaten, hetgeen het risico op discrepanties met zich meebrengt. Gelukkig werden in 2000 Europese aanbevelingen terzake opgesteld door de groep van deskundigen opgericht met toepassing van artikel 31 van het Euratom-verdrag en gepubliceerd onder de titel 'Practical use of the concepts of clearance and exemption - part I, Guidance on general clearance levels for practices (Radiation Proctection 122)'. Er dient te worden opgemerkt dat alle Belgische groeperingen die werden geraadpleegd, voorstander waren van strenge voorwaarden en vrijgaveniveaus. In dit besluit werd er geopteerd om de aanbevelingen van bovenvermeld Europees document over te nemen. Bij niet naleving van deze strenge niveaus, mag om het even welke vorm van verwijdering, recyclage of hergebruik van vast radioactief afval enkel plaatsvinden na een volledig verval van de radioactiviteit of, nadat het Agentschap hiervoor de toelating heeft gegeven. De voorwaarden en de vrijgaveniveaus die door het Agentschap worden vastgesteld, zijn onderworpen aan een ganse reeks dwingende regels die door dit besluit worden opgelegd en die tot doel hebben te garanderen dat de meettechnieken afgestemd zijn, dat de dosis waaraan de bevolking (en hun afstammelingen) wordt blootgesteld, beperkt wordt tot een minimum en dat een maximale naspoorbaarheid van de afvalstoffen kan worden verkregen. Er dient opgemerkt dat er voor afval afkomstig van de ontmanteling van nucleaire installaties of van het uitoefenen van beroepsactiviteiten waar natuurlijke stralingsbronnen aangewend worden, steeds een toelating wordt geëist.
       Een laatste algemene opmerking is dat de effectieve toepassing van de bepalingen van de twee Europese richtlijnen vereist dat er een versterking komt, enerzijds van het personeel en anderzijds van de middelen van de verantwoordelijke diensten, hetgeen het belang aantoont van een koppeling van deze omzetting aan de inwerkingtreding van het Agentschap.
       De voornaamste veranderingen die zich, ingevolge deze omzettingen, in vergelijking met de vroegere situatie, voordoen, kunnen op de volgende manier worden samengevat :
       
       - een verruiming van het toepassingsgebied van het reglement :
       
       - op het gebied van de natuurlijke stralingsbronnen : het algemene reglement is voortaan, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4, 9 en 20.3, eveneens van toepassing op de beroepsactiviteiten die de " toevallige " aanwezigheid van natuurlijke stralingsbronnen tot gevolg hebben (d.w.z. omwille van redenen die niets te zien hebben met de radioactieve eigenschappen van de natuurlijke radionucliden) en die kunnen leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling van de werkers of van de bevolking. Bij wijze van voorbeeld kan de blootstelling aan radon in werklokalen worden genoemd, of het geval van ondernemingen die fosfaten produceren en de exploitatie van vliegtuigen. Deze ondernemingen worden onderworpen aan een aangiftestelsel en het Agentschap kan hen opleggen om het geheel, of een gedeelte, van de regels in acht te nemen die van toepassing zijn voor de ingedeelde inrichtingen, wanneer bepaalde dosisniveaus, vastgesteld in artikel 20.3, worden overschreden;
       - op het gebied van de erfenissen van het verleden : hier worden in de artikelen 20.2, 72 en 72bis - duidelijker dan in het verleden - de principes die in geval van interventies in radiologische noodsituaties moeten worden nageleefd, vastgelegd. Hier wordt de notie " interventie bij langdurige blootstelling ten gevolge van nawerkingen van een radiologische noodsituatie " expliciet uitgebreid tot de langdurige blootstelling tengevolge van een vroegere of reeds bestaande handeling of werkzaamheid evenals van alle andere oorzaken, hierin inbegrepen de aanwezigheid van radon in de woningen. Het feit dat er rekening wordt gehouden met radon in de woningen, is niet vereist door de richtlijn maar maakt het voorwerp uit van een Europese aanbeveling; ze verleent aan het Agentschap een juridisch kader waarbinnen een beleid terzake kan worden gevoerd;
       - een verscherping van de basisnormen inzake stralingsbescherming :
       
       - de nieuwe normen die door de Richtlijn 96/29/Euratom worden opgelegd, verhogen de bescherming van de blootgestelde werkers, van de bevolking, de leerlingen en studenten, evenals de bescherming in geval van moederschap en borstvoeding. In het kader van de bedrijfswereld (studies en stages inbegrepen), mag de bescherming van het ongeboren kind, dat voortaan wordt beschouwd als een lid van de bevolking dat onvrijwillig aan ioniserende stralingen wordt blootgesteld, niet lager liggen dan deze van de andere leden van de bevolking. Strengere dosislimieten worden vastgesteld (in artikel 20) voor alle categorieën van blootgestelde personen en bij de berekening van de interne doses zal er meer rekening worden gehouden met de leeftijd van de blootgestelde personen (artikel 21 en bijlagen II en III). De rechtvaardiging van de types van bestaande handelingen kan steeds worden herzien door het Agentschap telkens er nieuwe en belangrijke kennis inzake hun doeltreffendheid of hun gevolgen wordt verworven. Een nieuwe notie wordt ingevoerd : de dosisbeperking. Dit is een bijkomende beperking die wordt opgelegd ten aanzien van de te verwachten individuele doses die door een bron, een handeling of een bepaalde taak zouden kunnen worden veroorzaakt en dit zelfs terwijl de dosislimieten worden nageleefd. De lozingsvergunningen die afgeleverd worden aan de inrichtingen van klasse I en II zullen moeten gebaseerd zijn op het naleven van een dosisbeperking voor de blootstelling van personen van het publiek, hierin inbegrepen de kinderen. Bij de berekening van de door de bevolking opgelopen doses dient expliciet rekening te worden gehouden met het accumulatieproces van de radioactiviteit in het leefmilieu;
       - nieuwe verplichtingen worden ingevoerd inzake de individuele dosimetrie van de blootgestelde werkers, ten einde de naleving van de dosislimieten beter te kunnen waarborgen, onder andere voor de handen en de ooglens; er is eveneens een erkenning voorzien voor de dienst die voor deze dosimetrie verantwoordelijk is (artikel 30.6);
       - voor verschillende categorieën van personen, met name de deskundigen bevoegd in de fysische controle, worden de vereisten op het gebied van opleiding inzake stralingsbescherming uitgebreid;
       - een meer coherent systeem wordt ingevoerd voor de vrijstellingen (bronnen met beperkte radioactiviteit waarvoor geen aangifte, noch een vergunning van de betrokken inrichtingen nodig is, artikel 3 en bijlage IA). Alle vrijstellingswaarden werden zodanig berekend dat ze beantwoorden aan de strenge criteria inzake de doses. Er is een systeem voorzien dat zal dienen als kader waarin de verwijdering van bepaalde van deze bronnen zal worden geplaatst;
       - een uitbreiding van de bepalingen inzake de opvang, behandeling en verwijdering van radioactief afval (artikelen 33 tot 37) :
       
       - de maximale toegelaten concentraties voor de lozing van vloeibare en gasvormige radioactieve stoffen in het water en in de lucht worden aangepast aan de nieuwe (strengere) dosislimieten voor de bevolking en aan de nieuwe beschikbare wetenschappelijke gegevens. Het Agentschap kan via een algemene richtlijn, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, maxima opleggen m.b.t. de totale activiteit van de vloeibare radioactieve stoffen die in een bepaalde tijdsduur mag geloosd worden;
       - wat de vaste radioactieve afvalstoffen betreft, herinneren we eraan dat elke verwijdering, recyclage of elk hergebruik enkel kan worden uitgevoerd na een volledige afname van de radioactiviteit of mits de toelating van het Agentschap. In het reglement wordt een hele reeks verplichtende regels vastgesteld met de bedoeling de dosis voor de leden van de bevolking (en voor hun afstammelingen) te minimaliseren en om zodoende een maximale naspoorbaarheid van de afvalstoffen te bekomen;
       - een duidelijke uitbreiding van de bepalingen met het oog op de beperking van de collectieve dosis veroorzaakt door een medische blootstelling (afdeling VI) :
       
       - uitbreiding van het toepassingsgebied binnen de medische branche : de bepalingen van het reglement zijn expliciet van toepassing op de blootstelling van patiënten voor diagnosestelling of een behandeling, de blootstelling van personen voor bedrijfsgeneeskundige controles, de blootstelling van personen bij bevolkingsonderzoeksprogramma's, de blootstelling van gezonde personen of van patiënten die vrijwillig deelnemen aan medische of biomedische diagnostische of therapeutische onderzoeksprogramma's, de blootstelling van personen ten behoeve van medisch-juridische procedures. Deze zijn eveneens van toepassing op personen die, met kennis van zaken en uit eigen vrije wil, maar niet beroepshalve, andere personen bijstaan die een medisch onderzoek of een medische behandeling ondergaan;
       - verscherpte toepassing van het rechtvaardigingsprincipe : alle individuele medische blootstellingen moeten kunnen worden gerechtvaardigd. Zowel aan de verwijzende geneesheer als aan de practicus worden duidelijke verantwoordelijkheden toegekend om ervoor te zorgen dat onnodige en niet gerechtvaardigde blootstellingen worden vermeden. De tussenkomst van de commissies voor ethiek, ingesteld voor de medische research, wordt uitgebreid en beter bepaald;
       - verscherpte toepassing van het optimaliseringsprincipe : alle doses tengevolge van medische blootstellingen voor radiologische doeleinden, met uitzondering van radiotherapeutische procedures, moeten, rekening gehouden met economische en sociale factoren, zo laag worden gehouden als - gelet op de noodzaak om de vereiste diagnostische gegevens te verkrijgen - redelijkerwijze mogelijk is. Een ganse reeks bepalingen van dit besluit werd uitgevaardigd om dit principe doeltreffend toe te passen. De doses waaraan de patiënt wordt blootgesteld, dienen te worden geëvalueerd en vergeleken met referentieniveaus; daarnaast moeten er procedures voor de kwaliteitsborging worden opgesteld; hieraan moeten de deskundigen die erkend zijn in de stralingsfysica actief meewerken. Voor alle apparaten en voor elk type van handeling moeten er schriftelijke procedures worden opgesteld. Alle toestellen bestemd voor de radiodiagnostiek, met uitzondering van de apparaten voor de intra-orale tandradiografie, moeten uitgerust zijn met een systeem, ten minste wanneer dit in de handel voorhanden is, waardoor de gecumuleerde dosis, die door de patiënt in de loop van het radiologische onderzoek wordt opgelopen, kan worden beoordeeld;
       - het behoud en de uitbreiding van de verplichtingen inzake opleiding in stralingsbescherming van het medisch en het paramedisch personeel, waarbij een verhoogde waakzaamheid aan de dag moet worden gelegd voor de bescherming van de kinderen.
       Men moet er zich tenslotte van bewust zijn dat een aantal van deze nieuwe voorschriften niet van vandaag op morgen kunnen toegepast worden. Er werd daarom voorzien in een reeks overgangsmaatregelen om de overgang zonder al te veel moeilijkheden te laten verlopen.
       Wij hebben de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars,
       De Vice-Eerste Minister en Minister van de Werkgelegenheid,
       Mevr. L. ONKELINX
       De Minister van Mobiliteit en Vervoer,
       Mevr. I. DURANT
       De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu,
       Mevr. M. AELVOETS
       De Minister van Binnenlandse Zaken,
       A. DUQUESNE
       De Minister van Justitie,
       M. VERWILGHEN
       De Minister van Financiën,
       D. REYNDERS
       De Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek,
       Ch. PICQUE
       Voor de Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling, afwezig,
       De Minister van Mobiliteit en Vervoer,
       Mevr. I. DURANT
       ADVIES 30.809/3 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE
       De Raad van State, afdeling wetgeving, derde kamer, op 19 oktober 2000 door de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen", heeft, na de zaak te hebben onderzocht op de zittingen van 24 april 2001 en 22 juni 2001, op laatstvermelde datum het volgende advies gegeven :
       
       STREKKING EN ANTECEDENTEN VAN HET ONTWERP
       1. Het voor advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt tot gedeeltelijke uitvoering (1) van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. De ontworpen regeling zal in de plaats komen van die van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen.
       ( (1) Zie in dit verband ook het ontwerp van koninklijk besluit tot inwerkingstelling van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle, waarover de Raad van State op 24 april 2001 advies 30.808/3 heeft gegeven. )
       Het ontwerpbesluit, dat dertien hoofdstukken omvat, regelt in grote trekken hetgeen volgt :
       
       - in hoofdstuk I worden het toepassingsgebied en een aantal definities bepaald (artikelen 1 en 2 van het ontwerp);
       - hoofdstuk II heeft betrekking op de indeling van de inrichtingen en van de beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen worden aangewend (artikelen 3 en 4) en op het vergunningsstelsel voor die inrichtingen en activiteiten (artikelen 5 tot 19);
       - hoofdstuk III bevat algemene beschermingsmaatregelen en regelt in het bijzonder de basisnormen betreffende de bescherming tegen blootstelling aan ioniserende stralingen (artikelen 20 tot 22), de fysische en medische controle, de voorlichting en de plichten van de werknemers (artikelen 23 tot 26), de algemene beschermingsmiddelen en -procédés (artikelen 27 tot 32), het beheren van radioactieve afvalstoffen (artikelen 33 tot 37), het betreden van bepaalde installaties (artikel 37bis), alsmede de operationele bescherming van de externe werkers die zijn blootgesteld aan een risico van ioniserende stralingen tijdens hun werkzaamheden in een gecontroleerde zone (artikelen 37ter tot 37quinquies);
       - hoofdstuk IV heeft betrekking op de invoer, de uitvoer, de doorvoer en de distributie van radioactieve stoffen (artikelen 38 tot 44ter);
       - hoofdstuk V betreft de in de geneeskunde of diergeneeskunde gebruikte niet-ingekapselde radionucliden (artikelen 45 tot 49);
       - hoofdstuk VI betreft de geneeskundige toepassingen van de ioniserende stralingen (artikelen 50 tot 55);
       - hoofdstuk VII heeft betrekking op het vervoer van radioactieve stoffen (artikelen 56 tot 60);
       - hoofdstuk VIII betreft de kernaandrijving (artikelen 61 tot 63);
       - hoofdstuk IX bevat een aantal verbodsbepalingen die van toepassing zijn, tenzij voor de betrokken activiteiten een vergunning werd verkregen (artikelen 64 en 65);
       - hoofdstuk X heeft betrekking op uitzonderlijke maatregelen in geval van diefstal en verlies van of ongevallen met radioactieve stoffen (artikelen 66 tot 69);
       - hoofdstuk XI bevat bepalingen in verband met de inrichting van het toezicht op het grondgebied en de bevolking in haar geheel en in verband met de noodplanning (artikelen 70 tot 72bis);
       - hoofdstuk XII regelt de erkenning van de deskundigen, van de instellingen waaraan bepaalde opdrachten kunnen worden toegewezen, en van de geneesheren (artikelen 73 tot 75);
       - hoofdstuk XIII bevat een aantal slotbepalingen, o.m. in verband met de informatieplicht van de exploitanten, de samenwerking met de gewesten, de uitoefening van het toezicht, en de bestraffing van de inbreuken op het reglement (artikelen 76 tot 83).
       2.1. Een belangrijk deel van de bepalingen van het voorliggende ontwerp van besluit hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een advies (24.835/8) van de afdeling wetgeving van de Raad van State (2). Het betrokken ontwerp heeft overigens niet tot een koninklijk besluit geleid.
       ( (2) Zie advies 24.835/8 van 9 mei 1996 over een ontwerp van koninklijk besluit "houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen". )
       2.2. Een groot deel van de bepalingen van het koninklijk besluit van 2 oktober 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van ioniserende stralingen en tot gedeeltelijke inwerkingstelling van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (3), worden eveneens in het voorliggende ontwerp overgenomen.
       ( (3) Over het ontwerp dat het koninklijk besluit van 2 oktober 1997 is geworden, heeft de Raad van State op 16 mei 1997 advies 26.402/8 gegeven. )
       3. Het voornoemde ontwerp 24.835/8 beoogde de omzetting van een aantal Europese Richtlijnen (4). In vergelijking met dat ontwerp beoogt het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit ook nog de omzetting van twee Euratomrichtlijnen, met name Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren, en Richtlijn 97/43/Euratom van de Raad van 30 juni 1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot intrekking van Richtlijn 84/466/Euratom.
       ( (4) Het betreft de in het vierde en het zesde tot het achtste lid van de aanhef van het voorliggende ontwerpbesluit bedoelde richtlijnen. )
       Rechtsgrond van het ontworpen besluit
       1. Het ontworpen besluit vindt zijn rechtsgrond hoofdzakelijk in de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. Meer bepaald wordt uitvoering gegeven aan de artikelen 3 (deels in combinatie met de artikelen 19 en 20), 7, 11, 17 (in combinatie met de artikelen 16 en 37) en 29 (in combinatie met artikel 28), die de Koning machtigen om uitvoeringsmaatregelen te nemen, en aan de artikelen 15, 18, 21, 22, 23, 25 en 26, waaraan op grond van artikel 108 van de Grondwet uitvoering wordt gegeven (5).
       ( (5) Verschillende bepalingen van de wet van 15 april 1994 die rechtsgrond bieden aan het ontworpen besluit, worden pas in werking gesteld door het ontworpen koninklijk besluit tot inwerkingstelling van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle (ontwerp 30.808/3). Het spreekt vanzelf dat onderhavig ontwerp niet eerder dan het ontwerp 30.808/3 in werking kan treden. Zie daaromtrent ook opmerking 1 bij artikel 82 van het ontwerp, hierna. )
       2. De bepalingen die rechtstreeks of onrechtstreeks verplichtingen opleggen aan de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen (NIRAS) vinden rechtsgrond in artikel 179, § 2, van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980.
       Voorafgaande vormvereisten
       1. Overeenkomstig artikel 33 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) moeten de lidstaten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die tot doel hebben de "basisnormen" (6) te doen naleven, aan de Europese Commissie mededelen, opdat deze daarover aanbevelingen zou kunnen doen.
       ( (6) Dit zijn de basisnormen die de Raad van de Europese Gemeenschappen vaststelt voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werknemers tegen de aan de ioniserende straling verbonden gevaren (artikelen 30 en 31 van het Euratomverdrag). )
       De desbetreffende bepalingen zijn op 17 mei 2000 aan de Commissie genotificeerd, en op 12 september 2000 heeft de Commissie haar opmerkingen aan de Belgische regering meegedeeld.
       De gemachtigde ambtenaar heeft medegedeeld dat in sommige bepalingen van het ontwerp nog substantiële wijzigingen werden aangebracht na de notificatie aan de Europese Commissie. Het betreft de artikelen 18, 30.4, 35, 51.2.3, 53.3.2, 53.3.5, 53.4.1 en 77, en bijlage IB.
       De laatstgenoemde bepalingen zullen mede onderzocht worden, onder voorbehoud evenwel dat ze alsnog genotificeerd worden aan de Europese Commissie overeenkomstig artikel 33 van het Euratomverdrag.
       2. Bij de afdeling administratie van de Raad van State zijn twee beroepen tot nietigverklaring ingediend tegen het koninklijk besluit van 2 oktober 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van ioniserende stralingen en tot gedeeltelijke inwerkingstelling van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle (7).
       ( (7) Deze beroepen zijn ingeschreven op de algemene rol onder de nummers 76.820 en 76.876. )
       Een van de middelen, aangevoerd in deze verzoekschriften, heeft betrekking op het niet raadplegen van een aantal instanties, met name de Hoge Raad voor de volksgezondheid (8), de Hoge Raad voor de veiligheid, de gezondheid en de verfraaiing van de werkplaatsen (9), de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk, de Nationale Arbeidsraad, de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen en de Academiën voor geneeskunde.
       ( (8) Thans de Hoge Gezondheidsraad. )
       ( (9) Thans de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk. )
       De hoofdstukken IV en VI van het voorliggende ontwerp handelen over dezelfde aangelegenheden als het voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1997. Het gaat namelijk om de hoofdstukken i.v.m. "invoer, uitvoer, doorvoer en distributie van radioactieve stoffen" en i.v.m. "geneeskundige toepassingen van ioniserende stralingen".
       Van de niet geraadpleegde organen aangehaald in de voornoemde vernietigingsberoepen zijn voor het voorliggende ontwerp evenmin geraadpleegd : de Nationale Arbeidsraad, de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen en de Academiën voor geneeskunde.
       Gelet op de hangende annulatieberoepen, spreekt de afdeling wetgeving zich niet uit, wat het voorliggende ontwerp betreft, over het al dan niet verplicht karakter van de raadpleging van de voornoemde instanties.
       Algemene opmerkingen
       1. In verband met de artikelen 6.2.9, 7.3.2 en 11.2 van het voorliggende ontwerp dienen de volgende opmerkingen, die de Raad van State reeds eerder heeft gemaakt bij de gelijkluidende artikelen van het voornoemde ontwerp 24.835/8, in herinnering te worden gebracht en te worden bevestigd :
       
       "5.1. Artikel 6, § 1, II, tweede lid, 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, bepaalt uitdrukkelijk dat de federale overheid bevoegd is voor "de bescherming tegen ioniserende stralingen, met inbegrip van het radioactief afval". Die bevoegdheid vormt een uitzondering op de principiële bevoegdheid van de Gewesten in verband met het leefmilieu en het waterbeleid.
       Zoals het Arbitragehof reeds in 1988 besliste, op grond van de oorspronkelijke versie van artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, sluit de genoemde federale bevoegdheid niet uit dat de Gewesten inrichtingen waarin stoffen of apparaten aanwezig zijn die ioniserende stralingen kunnen uitzenden, aan een bouwvergunning onderwerpen, en in het kader daarvan een milieu-effectbeoordeling voorschrijven (10). Die bevoegdheid is, tijdens de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 16 juli 1993, uitdrukkelijk bevestigd (11). Ondertussen heeft ook het Arbitragehof de bevoegdheid terzake van de Gewesten in herinnering gebracht (12).
       ( (10) Arbitragehof, 24 mei 1988, nr. 54, overw. 6.B.12.c. )
       ( (11) Parl. St., Senaat, 1992-93, nr. 558/1, p. 21. )
       ( (12) Arbitragehof, 12 juli 1995, nr. 57/95, overw. B.6. )
       Inzake de bescherming tegen ioniserende stralingen oordeelde het Hof in 1988 dat de bijzondere wet zich er destijds tegen verzette dat die bescherming, die gedeeltelijk de leefmilieubescherming omvatte, voor wat betreft de vergunningen zou worden gesplitst over verscheidene overheden; de Gewesten werden bijgevolg niet bevoegd geacht om, in het kader van hun bevoegdheid inzake leefmilieu, voor nucleaire inrichtingen in een stelsel van vergunningen te voorzien (13). Die opvatting is door de bijzondere wetgever van 1993 niet gehandhaafd. Zoals uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 16 juli 1993 blijkt, doet de gewijzigde bepaling van artikel 6, § 1, II, van de bijzondere wet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Gewesten "om lozingsvergunningen toe te kennen of te weigeren voor lozingen van niet-radioactieve stoffen door nucleaire installaties op hun grondgebied"; uiteraard mogen de Gewesten "bij hun beslissingen over bouwvergunningsaanvragen (lees : over die lozingsvergunningsaanvragen) ... enkel rekening houden met overwegingen die verband houden met de bescherming van het leefmilieu en niet met overwegingen die verband houden met bescherming tegen ioniserende stralingen" (14).
       ( (13) Arbitragehof, 24 mei 1988, nr. 54, overw. 6.B.10 en 6.B.12.b. )
       ( (14) Parl. St., Senaat, 1992-93, nr. 558/1, p. 21. )
       Inmiddels heeft het Arbitragehof bevestigd dat de Gewesten bevoegd zijn om een inrichting te onderwerpen aan een milieuvergunning waarvan het onderwerp tot de milieudoelstellingen beperkt is, die van de bescherming tegen ioniserende stralingen uitgezonderd (15); zij kunnen ook een effectbeoordeling voorschrijven, die zich echter niet mag uitstrekken tot de gevolgen voor het leefmilieu die de bevoegde federale overheden in acht moeten nemen op het gebied van de bescherming tegen ioniserende stralingen (16).
       ( (15) Arbitragehof, 12 juli 1995, nr. 57/95, overw. B.12.2. )
       ( (16) Zelfde arrest, overw. B.8. )
       De federale overheid is derhalve slechts bevoegd ten aanzien van de aspecten van het milieubeleid welke de bescherming tegen ioniserende stralingen betreffen. Binnen die grenzen kan zij de activiteiten van nucleaire inrichtingen aan een vergunning of een milieu-effectbeoordeling onderwerpen; meer in het algemeen kan zij regelend optreden ten aanzien van "alle emissies van radio-isotopen in het milieu, met inbegrip van deze afkomstig van niet-nucleaire installaties" (17).
       ( (17) Parl. St., Senaat, 1992-93, nr. 558/1, p. 21. )
       5.2. Een aantal bepalingen van het ontwerp kunnen vragen doen rijzen in verband met de respectieve bevoegdheid van de federale overheid en de Gewesten.
       5.2.1. Zo bepaalt artikel 6.2.9 dat een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor een inrichting van klasse I een milieu-effectrapport moet bevatten; met betrekking tot bepaalde inrichtingen van klasse II kan volgens artikel 7.3.2 een milieu-effectrapport gevraagd worden door de Wetenschappelijke Raad of het Agentschap.
       In zoverre het bedoelde milieu-effectrapport zich beperkt tot een beschrijving van de effecten op het leefmilieu die verband houden met de bescherming tegen ioniserende stralingen, is de federale overheid bevoegd om de genoemde regels te bepalen.
       Hiermee moet dan wel meteen vastgesteld worden dat de ontworpen bepalingen niet volstaan voor een volledige omzetting van de Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. Die richtlijn vereist immers, met betrekking tot alle projecten "die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben" (artikel 1, lid 1), dat die onderworpen worden aan een voorafgaande milieu-effectbeoordeling, welke een globale beoordeling moet bevatten van de gevolgen van het project op een aantal factoren en op de interactie tussen die factoren (artikel 3). Zulke globale beoordeling veronderstelt dat daarbij de doelstellingen én van leefmilieu in het algemeen én van stedenbouw en ruimtelijke ordening betrokken worden (18).
       ( (18) Rdpl. P. Gilliaux, advies vr R.v.St., 5 oktober 1994, Stad Hoei, nr. 47.438 (lees : 49.438), Amén.-Env., 1995, (187), 188. )
       Een dergelijke globale beoordeling vereist te dezen het sluiten van een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de Gewesten (19).
       ( (19) E. Orban de Xivry, "Politique de l'énergie, évaluation des incidences sur l'environnement, permis d'environnement : une étape supplémentaire", noot onder Arbitragehof, 12 juli 1995, nr. 57/95, Amén.-Env., 1995, (245), 247. )
       5.2.2. Artikel 11.2 van het ontwerp bevat bepalingen in verband met inrichtingen die vallen onder de toepassing zowel van de reglementering inzake de hinderlijke inrichtingen als van de ontworpen regeling.
       Volgens het eerste lid van artikel 11.2 mogen die inrichtingen (in bepaalde omstandigheden) "enkel vergund worden door de overheid die bevoegd is voor het verlenen van de vergunning voor de krachtens dit reglement ingedeelde inrichtingen". Deze bepaling komt erop neer dat de bevoegdheid van de gewestelijke overheden inzake leefmilieu door de federale overheid eenzijdig terzijde geschoven wordt. Zulke regeling houdt een miskenning in van de bevoegdheidsregels.
       In het tweede lid wordt weliswaar een overleg met de gewestelijke overheid opgelegd. Dit overleg doet echter niets af aan de bevoegdheidsoverschrijding in het eerste lid. Overigens kan de federale overheid de gewestelijke overheden niet opleggen aan een overleg deel te nemen.
       Artikel 11.2 dient dan ook grondig herschreven te worden of uit het ontwerp te worden weggelaten".
       2. In verscheidene bepalingen van het ontwerp wordt verwezen naar de personeelsleden van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (hierna : Agentschap) die met het toezicht belast zijn; soms wordt in dit verband verwezen naar de personen bedoeld in artikel 78 van het ontwerp (zie bijvoorbeeld de artikelen 37.4, 37bis, 43, laatste lid, 67.3, 68.5, 79.1, 79.2, 79.3 en 79.5).
       In artikel 78, eerste lid, van het ontwerp worden echter enkel de personen belast met het arbeidsgeneeskundig toezicht aangewezen. De aanwijzing van de personen die bevoegd zijn om de andere vormen van toezicht op de naleving van de wet van 15 april 1994 en haar uitvoeringsbesluiten uit te oefenen, maakt het voorwerp uit van een afzonderlijk ontworpen koninklijk besluit, waarover de Raad van State op 27 februari 2001 advies 31.003/3 heeft gegeven (20).
       ( (20) Ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de bevoegdheden en de aanduiding van de leden van het departement toezicht en controle van het Federaal Agentschap voor nucleaire controle belast met het toezicht op de naleving van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle". )
       Volgens de gemachtigde ambtenaar hebben de verwijzingen in het voorliggende ontwerp nu eens betrekking op de artsen én de leden van de controledienst, dan weer op één van die twee categorieën toezichthoudende ambtenaren.
       De artikelen van het ontwerp waarin dergelijke verwijzingen voorkomen, dienen vanuit een dubbel oogpunt te worden nagekeken : enerzijds om te preciseren welke met het toezicht belaste personen bedoeld worden, anderzijds om de tekst van het ontwerp af te stemmen op die van het ontworpen besluit 31.003/3.
       3. Bij het ontwerp zijn een aantal algemene wetgevingstechnische opmerkingen te maken (21).
       ( (21) Zie ook hierna de bijzondere wetgevingstechnische opmerkingen bij het artikelsgewijze onderzoek van het ontwerp. )
       3.1. De indeling van het ontwerp in artikelen gebeurt niet op de wetgevingstechnisch gebruikelijke manier. Soms wordt de nummering van de artikelen onderbroken; dit is het geval met de artikelen 10, 14 en 22, die "voorbehouden", d.i. niet-bestaande artikelen zijn. Soms komen bis-, ter-,...-artikelen voor (zie de artikelen 37bis tot 37quinquis, 38bis, 44bis, 44ter en 72bis).
       Ook de indeling van de artikelen zelf gebeurt niet op de gebruikelijke manier. In plaats van de indeling in paragrafen, wordt in het ontwerp een indeling in subartikelen gehanteerd, waarbij elk subartikel in feite een afzonderlijk artikel zou kunnen vormen.
       Hierop gewezen, heeft de gemachtigde ambtenaar het volgende verklaard :
       
       " De door ons in het ontwerp van (koninklijk besluit) weerhouden nummering is niet klassiek. Wij wensen evenwel deze nummering te behouden om volgende redenen :
       
       - overeenstemming met het KB van 1963 (22);
       ( (22) Bedoeld wordt het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, dat bij het ontworpen besluit (artikel 81.1) wordt opgeheven. )
       - omwille van "duidelijkheid" voor diegene op wie het reglement van toepassing is.
       De indeling volgens de traditionele wetgevingstechniek zou onoverzichtelijk zijn omwille van de lengte van de tekst. Het voordeel van de huidige nummering is dat ieder onderdeel van een hoofdstuk, artikel, lid of paragraaf perfect af te lijnen is. Dit maakt citeren overzichtelijk".
       Omwille van de complexiteit en de omvang van het voorliggende ontwerp, kan de Raad van State die uitleg aanvaarden.
       3.2. In de Nederlandse tekst van het ontwerp dient het woord "alinea" te worden vervangen door het woord "lid" (zie bijvoorbeeld de artikelen 3.1, inleidende zin, 4, 20.1.5 en 81.5, vierde lid).
       3.3. Bij verwijzingen naar andere artikelen in het ontwerp staan vaak de woorden "van dit reglement" (zie bijvoorbeeld de artikelen 2, 3.1, 7.2.11, 8.1, 9.3, 18.3 en 20.1.1.1) of "van dit besluit" (zie bijvoorbeeld artikel 81.5) achter de betrokken artikelen. Die woorden zijn overbodig, en kunnen dus telkens worden weggelaten.
       Bijzondere opmerkingen
       Aanhef
       1. In het eerste lid van de aanhef schrijve men "wetten van 12 december 1997" in plaats van "wetten van 2 december 1997".
       2. In het tweede lid van de aanhef voege men het jaartal "1987" in na "16 januari". In fine vervange men voorts de woorden "23 december en 2 oktober 1997" door "23 december 1993, 17 oktober 1996, 2 oktober 1997 en 3 mei 1999".
       3. Wat het derde lid van de aanhef betreft, moet worden opgemerkt dat artikel 179, § 2, van de wet van 8 augustus 1980 is vervangen bij de wet van 11 januari 1991 en gewijzigd bij de wet van 12 december 1997.
       In het genoemde lid wordt verwezen naar een bepaling die mede rechtsgrond biedt aan het ontworpen besluit. Het gaat bovendien om de oudste van de twee wetten die rechtsgrond bieden. Daaruit volgt dat het derde lid verplaatst moet worden, opdat dit lid het eerste lid zou vormen.
       4. Wat het vierde lid van de aanhef betreft, moet worden opgemerkt dat de daarin vermelde richtlijn 84/466/Euratom met ingang van 13 mei 2000 is opgeheven (zie artikel 15 van richtlijn 97/43/Euratom, waarnaar verwezen wordt in het dertiende lid van de aanhef).
       Het vierde lid van de aanhef dient dan ook te worden weggelaten.
       5. In het vijftiende lid van de aanhef schrijve men "29" in plaats van "30" (november 1999).
       6. In het zestiende lid van de aanhef schrijve men "19 november 1999" in plaats van "13 december 1999".
       7. In het laatste lid van de aanhef kunnen het nummer (30.809/3) en de datum (22 juni 2001) van het voorliggende advies vermeld worden.
       8. De aanmelding bij de Europese Commissie van 17 mei 2000, de adviezen van de inspectie van financiën van 1 maart en 5 oktober 2000, alsmede de beslissing van de Ministerraad van 6 oktober 2000 dienen eveneens in de aanhef te worden vermeld.
       Artikel 1
       In de inleidende zin van het eerste lid van dit artikel wordt in de Nederlandse tekst in de zinsnede "wanneer de natuurlijke radionucliden worden of zijn aangewend omwille van hun radioactieve eigenschappen, ..." het woord "aangewend" gebruikt, terwijl in de inleidende zin van artikel 2, lid 1, van de voornoemde Richtlijn 96/92/Euratom het woord "bewerkt" voorkomt. In de Franse tekst van het ontwerp en van de Richtlijn wordt telkens het woord "traités" gebruikt.
       Hierop gewezen, heeft de gemachtigde ambtenaar verklaard dat het woord "aangewend" beter wordt vervangen door "bewerkt".
       Dezelfde opmerking geldt voor de definitie van "handeling" in artikel 2, c, van het ontwerp.
       Artikel 2
       1. Artikel 2 bevat een groot aantal definities, gerangschikt per rubriek. Die rubrieken zijn ingedeeld in a, b, c, ..., terwijl de definities zelf eenvoudig één na één opgesomd worden.
       Vanuit wetgevingstechnisch oogpunt verdient het aanbeveling de bedoelde rubrieken te nummeren met Arabische cijfers (1°, 2°, 3°,...), en de definities binnen elke rubriek in te delen in a, b, c, ..., aa, bb, cc, ...
       2. De definitie van het begrip "ioniserende straling" (artikel 2, a) komt overeen met de omschrijving gegeven in artikel 1 van de voornoemde Richtlijn 96/92/Euratom. De definitie komt daarentegen niet overeen met die welke voor hetzelfde begrip gegeven wordt in artikel 1 van de wet van 15 april 1994. Blijkens dat artikel geldt die definitie overigens voor de toepassing van de wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan.
       Gewezen op het verschil tussen de twee definities, heeft de gemachtigde ambtenaar het volgende verklaard :
       
       "(les) deux définitions traduisent pratiquement la même réalité scientifique avec des mots différents; celle de la directive est exprimée plus scientifiquement : au pire elle est légèrement plus restrictive et incluse dans celle de la loi (vu chiffres précis cités) mais elle ne la déborde sûrement pas. Si cela pose vraiment un problème, une solution qui rapprocherait scientifiques et juristes, européens et belges, pourrait être de commencer par la définition de la loi et de poursuivre en disant " En tout cas, cette définition inclut les ... ", suivi de la définition européenne".
       De Raad van State kan het eens zijn met die laatste suggestie. De definitie van "ioniserende straling" in artikel 2, a, zal dan in die zin moeten worden herwerkt.
       3. De definitie van "radioactieve afvalstoffen" (artikel 2, c) is niet dezelfde als die vervat in artikel 2, eerste streepje, van Richtlijn 92/3/Euratom van de Raad van 3 februari 1992 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen tussen lidstaten en naar en vanuit de Gemeenschap.
       4. In de Nederlandse tekst van de definitie van "handeling" (artikel 2, c) schrijve men "van een kunstmatige of van een natuurlijke stralingsbron" in plaats van "van een artificiële of van een natuurlijke stralingsbron", gelet op de eerder gegeven definitie van het begrip "kunstmatige stralingsbron".
       5. In de definities van "beroepshalve blootgestelde personen", "gecontroleerde zone" en "bewaakte zone" (alle in artikel 2, c) is telkens, in vergelijking met de overeenkomstige definities vervat in de voornoemde Richtlijn 96/92/Euratom, een bijkomend element verwerkt. In dat bijkomend element is sprake van "het stelsel van de handelingen".
       Volgens de gemachtigde ambtenaar is het de bedoeling hiermee te verwijzen naar de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het ontwerp, en naar het "stelsel" uitgewerkt in de artikelen 9 en 20.3 van het ontwerp.
       Zoals de teksten geredigeerd zijn, is de betekenis van de bedoelde toevoeging onvoldoende duidelijk. Bovendien rijst de vraag of die toevoeging wel verenigbaar is met de richtlijn. De stellers van het ontwerp dienen de voornoemde definities dan ook opnieuw te bekijken.
       Artikel 3
       1. Men redigere de inleidende zin van artikel 3.1 als volgt :
       
       "De inrichtingen, die handelingen stellen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, worden in één van de volgende klassen ingedeeld :
       ".
       2. Volgens artikel 3.1 worden de nucleaire inrichtingen ingedeeld in vier klassen, waarvan het toepassingsgebied telkens wordt omschreven.
       Uit artikel 6.2, 9., van het ontwerp blijkt dat de inrichtingen van klasse I onderworpen zijn aan het vereiste van een milieu-effectbeoordeling. Met de genoemde bepaling wordt, wat de nucleaire inrichtingen betreft, de omzetting in het interne recht beoogd van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (23).
       ( (23) Artikel 4, lid 1, van Richtlijn 85/337/EEG bepaalt dat de in bijlage I bij de richtlijn genoemde projecten onderworpen zijn aan een milieu-effectbeoordeling. )
       Het is echter niet meteen duidelijk of de inrichtingen bedoeld in bijlage I van de richtlijn, in zoverre die geacht kunnen worden stoffen te verwerken die ioniserende stralingen kunnen uitzenden (zie i.h.b. de inrichtingen bedoeld in bijlage I, punten 2, tweede streepje, en 3), alle begrepen zijn in de opsomming van inrichtingen behorend tot klasse I, in de zin van het ontwerp (zie artikel 3.1, a, van het ontwerp). In het ontwerp wordt immers een enigszins andere omschrijving van de inrichtingen gegeven dan in de richtlijn.
       De stellers van het ontwerp dienen zich ervan te vergewissen dat de inrichtingen bedoeld in bijlage I van de Richtlijn, die onder de toepassing van de wet van 15 april 1994 vallen, wel degelijk behoren tot de inrichtingen van klasse I. Indien dit niet het geval zou zijn, dient artikel 3.1 van het ontwerp aangevuld te worden.
       Artikel 4
       1. In artikel 4, 1., derde streepje, stemmen de Nederlandse en de Franse tekst niet helemaal overeen ("wanneer dit zich bevindt"/"s'ils sont situés").
       Volgens de gemachtigde ambtenaar stemt de Franse tekst overeen met de bedoeling van de stellers van het ontwerp. Men schrijve dan ook in de Nederlandse tekst : "wanneer ze zich bevinden ... ".
       2. Artikel 4, 3., redigere men als volgt :
       
       "3. de exploitatie van vliegtuigen.".
       Artikel 6
       1. Artikel 6.2, 9., beoogt de omzetting in het interne recht van artikel 5, lid 3, van de voornoemde Richtlijn 85/337/EEG.
       Die omzetting is echter onvolkomen. Zo bepaalt artikel 5, lid 3, derde en vierde streepje, van de voornoemde de richtlijn dat de door de opdrachtgever te verstrekken informatie o.m. moet bevatten :
       
       "- de nodige gegevens om de voornaamste milieueffecten die het project vermoedelijk zal hebben, te kunnen bepalen en beoordelen;
       - een schets van de voornaamste alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven voor zijn keuze, met inachtneming van de milieueffecten".
       Die gegevens zijn als zodanig niet terug te vinden in de opsomming vervat in artikel 6.2, 9., van het ontwerp.
       2.1. Luidens artikel 6.9, eerste lid, zal het Agentschap "of de erkende instelling dat (lees : die) het daartoe aanwijst", overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 april 1994, op verzoek en ten laste van de exploitant, overgaan tot de oplevering van de installatie.
       Verder wordt in artikel 6.9, eerste lid, laatste volzin, en tweede lid, enkel gehandeld over het opleveringsverslag dat door het Agentschap wordt opgesteld. Allicht is het de bedoeling dat, als een erkende instelling is aangewezen om tot de oplevering over te gaan, het ook die instelling is die het verslag opstelt. De tekst van het eerste en het tweede lid zou op dit punt aangevuld moeten worden.
       2.2. In de laatste volzin van artikel 6.9, eerste lid, wordt bepaald dat, indien het Agentschap geen volledig gunstig opleveringsverslag kan opstellen, dit vooraf aan de exploitant wordt medegedeeld, "waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen de vijftien kalenderdagen gehoord te worden".
       Er moet worden gepreciseerd wanneer de bedoelde termijn van vijftien dagen begint te lopen.
       2.3. In artikel 6.9, tweede lid, wordt bepaald dat het Agentschap "binnen de vijftien kalenderdagen" zijn verslag aan de minister overmaakt.
       Ook hier zou bepaald moeten worden vanaf welk ogenblik die termijn begint te lopen. In de Franse tekst vervange men de woorden "jours calendrier" door "jours civils".
       Artikel 9
       1. In artikel 9.4, eerste lid, schrijve men : "Indien het Agentschap van oordeel is dat, overeenkomstig artikel 9.3, eerste lid, sommige voorschriften van dit reglement moeten worden ... (verder zoals in het ontwerp)".
       2. Men redigere de inleidende zin van artikel 9.5 als volgt :
       
       "Het Agentschap maakt een afschrift van de vergunning over aan :
       ".
       3.1. Volgens artikel 9.6, eerste lid, kan tegen de beslissing van het Agentschap beroep worden aangetekend. Uit de toelichting van de gemachtigde ambtenaar blijkt dat het de bedoeling is dat ook derden, zoals buurtbewoners, een beroep zouden kunnen instellen.
       Het ontwerp voorziet echter niet in een bekendmaking van de beslissing van het Agentschap. Er bestaat dan ook geen enkele waarborg dat derden op de hoogte zullen zijn van het bestaan van de beslissing, laat staan van het ogenblik waarop de vergunning ter kennis is gebracht van de personen bedoeld in artikel 9.5. Op die manier zou het recht van de derden om beroep in te stellen eerder illusoir kunnen zijn.
       3.2. Onder voorbehoud van een aanpassing van de tekst van artikel 9.6, eerste lid, ten gevolge van opmerking 3.1, schrijve men in dat lid : "Binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving van de vergunning, kan ...".
       3.3. In het vierde lid van hetzelfde artikel 9.6 dient te worden verwezen naar artikel 9.5 in plaats van naar artikel 8.4. De gemachtigde ambtenaar is het hiermee eens.
       Artikel 12
       Dit artikel heeft o. m. betrekking op de wijziging of de uitbreiding van een inrichting van klasse I. Overeenkomstig artikel 4, lid 2, en bijlage II, punt 13, eerste streepje, van de hiervóór vermelde Richtlijn 85/337/EEG kan voor een wijziging of uitbreiding van projecten van bijlage I of II bij de richtlijn, die worden uitgevoerd en die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, een milieu-effectrapport worden opgelegd. Artikel 4, lid 3, van de richtlijn bepaalt dat bij de beslissing om al dan niet zulk rapport op te leggen, rekening gehouden moet worden met de selectiecriteria opgesomd in bijlage III bij de richtlijn.
       Die bepalingen worden niet volledig omgezet in artikel 12 van het ontwerp. Met name ontbreekt een opsomming van de criteria op grond waarvan het Agentschap moet beslissen of al dan niet een nieuwe vergunning, en dus een milieu-effectrapport, vereist is; ook ontbreekt een opsomming van de criteria op grond waarvan de minister een afwijking van het vereiste inzake een milieu-effectrapport kan toestaan.
       Artikel 13
       Men redigere het derde lid van dit artikel als volgt :
       
       "De kennisgeving en de aanplakking van het nieuwe besluit vinden plaats overeenkomstig de artikelen 6.8, 7.5, 7.6, 8.4 of 9.5 (niet 9.6), naargelang het geval.".
       Artikel 18
       De gemachtigde ambtenaar stelt voor artikel 18.1 duidelijkheidshalve te redigeren als volgt :
       
       "18.1. De verwijdering en de afvoer voor recyclage of hergebruik van vaste radioactieve afvalstoffen afkomstig van inrichtingen van klasse I, II of III bedoeld in artikel 3 (...), die niet beantwoorden aan de (voorwaarden en niveaus voor vrijgave) vastgesteld in bijlage IB (...), dienen het voorwerp uit te maken van een vergunning van het Agentschap.
       De verwijdering en de afvoer voor recyclage of hergebruik van vaste radioactieve afvalstoffen, afkomstig van beroepsactiviteiten, vergund met toepassing van artikel 9 (...), dienen eveneens het voorwerp uit te maken van een vergunning van het Agentschap.".
       Artikel 20
       1.1. De Nederlandse en de Franse tekst van artikel 20.1.1.1, eerste lid, a, eerste lid, stemmen niet helemaal overeen ("vooraleer ze de eerste maal worden ingevoerd of vergund"/"avant leur première adoption ou leur première autorisation"). De Franse tekst leunt het nauwst aan bij die van artikel 6, lid 1, van de voornoemde Richtlijn 96/29/Euratom. De Nederlandse tekst van het ontwerp dient derhalve aangepast te worden : men vervange daarin het woord "ingevoerd" door het woord "verricht", dat ook in de richtlijn voorkomt.
       1.2. In hetzelfde artikel 20.1.1.1, eerste lid, a, eerste lid, is het niet duidelijk hoe deze bepaling, die voorschrijft dat er een rechtvaardigingsstudie moet worden toegevoegd aan de dossiers voor de aanvraag van een vergunning, zich verhoudt tot de bepalingen van hoofdstuk II, die de vergunningsaanvraag regelen. Indien de bedoelde rechtvaardiging een bijkomende "te verstrekken inlichting" is, in de zin van de artikelen 6.2, 7.2 en 8.2 van het ontwerp, verdient het aanbeveling daarvan uitdrukkelijk melding te maken in die artikelen.
       2. In de Nederlandse tekst van artikel 20.1.1.1, zevende lid, schrijve men "koninklijk besluit van 27 maart 1998" in plaats van "koninklijk besluit van 27 maart 1988".
       Dezelfde opmerking geldt voor artikel 25, eerste lid, van het ontwerp, ook wat de Franse tekst betreft.
       3.1. In artikel 20.1.1.3, derde lid, wordt de term "interne besmetting" gebruikt. Artikel 10, lid 2, van voornoemde Richtlijn 96/29/Euratom hanteert echter de uitdrukking "radioactieve besmetting van het lichaam". Die laatste uitdrukking is duidelijker; ze sluit ook beter aan bij de term "radioactieve besmetting", die wordt gedefinieerd in artikel 2, b, van het ontwerp.
       Het verdient dan ook aanbeveling de woorden "interne besmetting" te vervangen door "radioactieve besmetting van het lichaam".
       3.2. In het vierde lid van hetzelfde artikel 20.1.1.3 worden de "stagiaires" vermeld. Volgens de definitie van het begrip "leerlingen" in artikel 2, c, van het ontwerp, zijn zij reeds vervat in het begrip "leerlingen".
       Men schrappe derhalve het woord "stagiaires" in de ontworpen bepaling.
       4. In artikel 20.1.7, vierde lid, dient volgens de gemachtigde ambtenaar, naar analogie van de artikelen 20.1.6, h, en 20.2.3, verwezen te worden, niet naar artikel 18 van het koninklijk besluit van 25 april 1997, maar naar de artikelen 18 tot 23 van dat besluit.
       5. Men redigere de Nederlandse tekst van artikel 20.2.2, d, als volgt :
       
       "d) de interventieniveaus die een aanwijzing vormen voor de situaties waarin een interventie gepast is, worden uitgewerkt door het Agentschap voor ... (verder zoals in het ontwerp)".
       Artikel 21
       In het derde lid van dit artikel wordt aan het Agentschap een subdelegatie van verordenende bevoegdheid gegeven om "het gebruik (op te leggen) van methodes die wetenschappelijk meer up-to-date zijn, via een omzendbrief die in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd".
       Weliswaar heeft die machtiging volgens de gemachtigde ambtenaar betrekking op een zeer technische materie, waarbij niet aan de norm wordt geraakt maar wel aan de meetmethode, die aan constante evolutie onderhevig is. Toch moet worden opgemerkt dat een dergelijke subdelegatie te verregaand is, omdat ze erop neerkomt dat een koninklijk besluit in feite zal kunnen worden gewijzigd door een verordening van het Agentschap.
       Volgens artikel 108 van de Grondwet is het maken van de verordeningen die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, in beginsel zaak van de Koning. Afwijkingen van die principiële regeling, waarbij de Koning zijn verordenende bevoegdheid zou delegeren aan een openbare instelling, die geen politieke verantwoording moet afleggen tegenover de Kamer van volksvertegenwoordigers, kunnen enkel aanvaard worden voor regelingen die van zeer bijkomstige aard zijn. Dit lijkt met de hier bedoelde delegatie van bevoegdheid echter niet het geval te zijn, aangezien de regeling ten principale wordt opgenomen in het ontworpen koninklijk besluit zelf.
       De conclusie lijkt dan ook te zijn dat het tweede zinsdeel van artikel 21, derde lid, moet worden weggelaten.
       Artikel 30
       Luidens artikel 30.6, elfde lid, tweede volzin, van het ontwerp "zullen (daarenboven) de maatregelen getroffen worden om elke werknemer toegang te verlenen tot de meetresultaten die op hem betrekking hebben".
       Die bepaling houdt, volgens de gemachtigde ambtenaar, de omzetting in van artikel 38, lid 2, van de voornoemde Richtlijn 96/29/Euratom, naar luid waarvan "elke lidstaat ... de nodige maatregelen verplicht (stelt) om ervoor te zorgen dat de werkers op hun verzoek toegang hebben tot de resultaten van hun verzoek toegang hebben tot de resultaten van hun individuele controle, inclusief de resultaten van de metingen die eventueel zijn gebruikt om die te schatten, of tot de resultaten van de aan de hand van metingen op de werkplek verrichte bepalingen van de door hen ontvangen doses".
       Zoals de aangehaalde bepaling van het ontwerp is geredigeerd, wordt het aan de exploitant van de inrichting overgelaten om te bepalen welke maatregelen genomen moeten worden om aan de werknemers de toegang tot de bedoelde meetresultaten te verlenen. Om in overeenstemming te zijn met artikel 38, lid 2, van de richtlijn, zou echter in het ontwerp zelf bepaald moeten worden dat elke werknemer toegang heeft tot de meetresultaten die op hem betrekking hebben; bovendien zou bepaald moeten worden dat die resultaten mede de resultaten omvatten die in artikel 38, lid 2, nader zijn vermeld ("inclusief de resultaten ... " ).
       Artikel 33
       In het eerste lid van dit artikel dient te worden verwezen naar artikel 54.8.2, d, in plaats van naar artikel 54.8.1.
       Artikel 34
       In artikel 34.2, eerste lid, moet het zinsdeel "Onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de niet-radioactieve vloeibare afvalstoffen" worden weggelaten. Die woorden hebben immers geen betekenis in de context van de ontworpen bepaling, die handelt over een eenvoudig verbod tot lozing van radioactieve vloeibare afvalstoffen.
       Mutatis mutandis geldt deze opmerking eveneens voor de artikelen 35.2, eerste lid, en 36.1, eerste lid, van het ontwerp.
       Artikel 35
       1. Artikel 35.2 bevat een aantal bepalingen die dubbel gebruik maken met bepalingen die elders in het ontwerp voorkomen.
       De gemachtigde ambtenaar stelt voor om artikel 35.2 te redigeren als volgt, mede in het licht van haar tekstvoorstel voor artikel 18.1 (zie hiervóór) :
       
       "Onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de vaste radioactieve of niet-radioactieve afval, zijn de verwijdering en de afvoer ... verboden wanneer deze niet voldoen aan de voorwaarden en de niveaus voor vrijgave vastgesteld in bijlage IB (...), tenzij het Agentschap hiervoor een vergunning verleent met toepassing van artikel 18 (...).
       In de inrichtingen waar radioactieve stoffen ...
       In het kader van de ontmanteling van de installaties ... volgens de bepalingen vermeld in artikel 17 (...), zijn de verwijdering en de afvoer met het oog op ...".
       2. Volgens de gemachtigde ambtenaar is, in het kader van gesprekken met de gewesten, gebleken dat artikel 35.5 nog een aanvulling behoeft.
       De tekst die aan artikel 35.5, eerste lid, van het ontwerp moet worden toegevoegd, luidt als volgt : "Ten laatste (op 1 maart) van elk jaar sturen de ondernemingshoofden aan het Agentschap een overzicht van de afvalstoffen die tijdens het voorbije jaar werden vrijgegeven. Het model van dat overzicht wordt vastgesteld door het Agentschap. ".
       Deze toevoeging is volgens de gemachtigde ambtenaar nodig, opdat het Agentschap de in artikel 35.5, eerste lid, bedoelde gegevens zou kunnen meedelen aan de gewesten.
       Artikel 44bis
       In het derde lid van dit artikel wordt de datum "5 november 1997" vermeld. Het is de bedoeling te verwijzen naar de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 2 oktober 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 en tot gedeeltelijke inwerkingstelling van de wet van 15 april 1994. In dat geval moet verwezen worden naar "3 november 1997".
       Overigens hoort de bepaling van artikel 44bis, derde lid, het voorwerp uit te maken van een afzonderlijke overgangsbepaling, onder te brengen in artikel 81 van het ontwerp.
       Artikel 47
       In het tweede lid van dit artikel wordt aan het Agentschap een subdelegatie van bevoegdheid verleend om de samenstelling en de werkingsregels te bepalen van de commissie die bij het Agentschap is ingesteld, en die belast is met de beoordeling van de bekwaamheid van de apothekers die wensen erkend te worden door het Agentschap, voor de uitoefening van de controle bedoeld in hoofdstuk V van het ontwerp.
       Het vaststellen van de bedoelde regels kan moeilijk beschouwd worden als het regelen van een aangelegenheid van zeer bijkomstige aard. Die bedoelde regels moeten derhalve in het ontwerp zelf worden vastgesteld (zie de opmerking bij artikel 21 van het ontwerp).
       Artikel 50
       Artikel 50.1, dat een aantal definities bevat, beoogt de omzetting in het interne recht van een groot deel van de bepalingen van artikel 2 van de voornoemde Richtlijn 97/43/Euratom.
       Er moet worden vastgesteld dat een aantal definities van de richtlijn niet voorkomen in artikel 50.1 van het ontwerp. Sommige van die definities worden omgezet in artikel 2 van het ontwerp (zie de definities van de begrippen "dosisbeperking", "blootstelling" en "medisch-fysisch deskundige"). Van een aantal andere in de richtlijn bepaalde definities is terecht geoordeeld dat een omzetting niet vereist is (zie de definities van de begrippen "bevoegde autoriteiten", "houder", "inspectie", ""bedrijfsgeneeskundige controle" en "verwijzend persoon").
       De definitie van het begrip "individuele schade", in artikel 2 van de richtlijn, wordt in het ontwerp niet omgezet. Weliswaar bevat artikel 2, b, van het ontwerp een omschrijving van het begrip "gezondheidsschade". Die definitie, die betrekking heeft op de schade geleden door een hele populatie, stemt niet overeen met die van het begrip "individuele schade". Op dit punt dient het ontwerp dan ook aangevuld te worden. Daarbij zal er uiteraard voor gewaakt moeten worden dat er geen onverenigbaarheid bestaat tussen de twee definities.
       Artikel 51
       1. Volgens artikel 51.1.1, tweede lid, a, dient elk nieuw type handeling die een blootstelling voor medische of diergeneeskundige doeleinden met zich brengt, "overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 20.1.1.1.a), eerste alinea (lees : artikel 20.1.1.1, eerste lid, a, eerste lid),... te worden gerechtvaardigd alvorens het voor de eerste maal wordt vergund".
       In artikel 20.1.1.1, eerste lid, a, eerste lid, wordt de rechtvaardiging opgelegd vooraleer een handeling de eerste maal wordt "ingevoerd (lees : "verricht"(24)) of vergund". Het is niet duidelijk waarom in artikel 51.1.1, tweede lid, a, enkel sprake is van het voor de eerste maal vergunnen van een type handeling, en niet meer van het voor de eerste maal verrichten van een type handeling.
       ( (24) Zie opmerking 1.1 bij artikel 20. )
       Die vaststelling klemt des te meer, nu in artikel 3, lid 1, tweede alinea, a, van Richtlijn 97/43/Euratom - welke bepaling met artikel 51.1.1, tweede lid, a, van het ontwerp wordt omgezet - sprake is van de rechtvaardiging van nieuwe soorten handelingen die medische blootstelling meebrengen, "alvorens zij algemeen worden aanvaard". Die laatste uitdrukking lijkt een ruimere draagwijdte te hebben dan die welke gebruikt wordt in artikel 51.1.1, tweede lid, a, van het ontwerp.
       De stellers van het ontwerp dienen na te gaan of de laatstgenoemde bepaling niet aangepast moet worden.
       2. In artikel 51.1.1, tweede lid, c, van het ontwerp wordt o.m. bepaald dat, in het geval van een vrouw in de vruchtbare leeftijd, zowel de voorschrijvende arts als de practicus bij haar moeten informeren "naar de mogelijkheid van een zwangerschap".
       Om in overeenstemming te zijn met artikel 10, lid 1, a, van de voornoemde Richtlijn 97/43/Euratom, dient de aangehaalde bepaling van het ontwerp te worden aangevuld met de verplichting om te informeren naar de mogelijkheid of de vrouw "borstvoeding geeft". De gemachtigde ambtenaar is het hiermee eens.
       3. In artikel 51.2.2 dient verwezen te worden naar artikel 50.2.2, "eerste lid, a), b), c) en e)".
       Mutatis mutandis geldt deze opmerking eveneens voor artikel 51.2.3, inleidende zin.
       4. In artikel 51.2.2, laatste volzin, wordt niet gepreciseerd wie het onderzoek ter plaatse moet uitvoeren.
       De genoemde bepaling beoogt de omzetting van artikel 6, lid 5, van de voornoemde Richtlijn 97/43/Euratom, waarin sprake is van een "plaatselijke inspectie". Rekening houdend met de definitie van het begrip "inspectie" in artikel 2 van de richtlijn, dient het onderzoek derhalve te gebeuren door "een bevoegde autoriteit". In de geest van de wet van 15 april 1994 moet het onderzoek dan ook allicht uitgevoerd worden door het Agentschap. Die precisering kan best in het ontwerp aangebracht worden.
       5. In artikel 51.3, eerste lid, moet in fine worden verwezen naar de artikelen 53, 54.3 en 54.5, c, in plaats van naar de artikelen 53 en 54 in hun geheel.
       6. In artikel 51.3, tweede lid, is de verwijzing naar artikel 51.3 van het ontwerp verkeerd. Er dient volgens de gemachtigde ambtenaar te worden verwezen naar de artikelen 51.7 en 53.2.
       7. De bepalingen van artikel 51.7 nemen in grote mate de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 over, die bij artikel 7 van het voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1997 zijn gewijzigd.
       Zoals hiervoren reeds werd opgemerkt, zijn twee annulatieberoepen tegen het voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1997 aanhangig bij de afdeling administratie van de Raad van State (25).
       ( (25) Zie daaromtrent voetnoot 7. )
       De omstandigheid dat die beroepen aanhangig zijn, staat eraan in de weg dat de afdeling wetgeving advies geeft over de betwiste rechtspunten.
       Dezelfde opmerking geldt voor de artikelen 53 tot 55 van het ontwerp, alsmede voor artikel 81.5, welke bepalingen ook rees grotendeels voorkomen in het koninklijk besluit van 28 februari 1963, zoals gewijzigd bij het voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1997.
       Artikelen 56 tot 60
       Deze bepalingen vormen hoofdstuk VII van het ontwerp, dat betrekking heeft op het vervoer van radioactieve stoffen. In verband met een gelijkaardige regeling in het voornoemde ontwerp L. 24.835/8, heeft de Raad van State in zijn advies van 9 mei 1996 het volgende opgemerkt :
       
       "Dit hoofdstuk regelt de afgifte van vergunningen voor het vervoer van radioactieve stoffen. Volgens artikel 56 is een vergunning vereist voor elk vervoer, met uitzondering van bepaalde soorten vervoer bedoeld in het tweede lid. Artikel 57 voorziet in drie soorten vergunningen : een "algemene vergunning", te verlenen aan bepaalde vervoerders; een "bijzondere vergunning", eveneens te verlenen aan bepaalde vervoerders, met betrekking tot een "toevallig" vervoer; en een "speciale vergunning", te verlenen voor een welbepaald vervoer dat aan de nader bepaalde omschrijving beantwoordt.
       Artikel 4 van de wet van 15 april 1994 bepaalt dat radioactieve stoffen enkel vervoerd mogen worden door "personen " daartoe "erkend" door het Agentschap. Die bepaling is in de wet ingeschreven om het vervoer voor te behouden aan personen die over "aangepast materieel" beschikken (26).
       ( (26) Eerste verslag namens de Senaatscommissie, Parl. St., Senaat, 1992-93, nr. 610/2, p. 29. )
       Die "erkenning" is te onderscheiden van de "vergunning" voor het vervoer van radioactieve stoffen. Zulks blijkt onder meer uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 14 juli 1983 tot wijziging van de wet van 29 maart 1958 betreffende de bescherming van de bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren, waarbij een artikel 4bis, met grotendeels dezelfde inhoud als artikel 4 van de wet van 15 april 1994, in de wet van 29 maart 1958 werd ingevoegd.
       In het voor advies aan de Raad van State voorgelegde voorontwerp luidde de desbetreffende bepaling als volgt :
       
       "Het vervoer van radioactieve stoffen of toestellen die er bevatten mag slechts uitgevoerd worden door vervoerders die hiervoor erkend werden.
       De Koning is gemachtigd om te bepalen welk vervoer van radioactieve stoffen daarenboven aan een vergunning onderworpen is".
       In zijn advies L. 15.312/8 van 21 april 1983 merkte de Raad van State op dat het tweede lid overbodig was, omdat de Koning de aldaar bedoelde bevoegdheid reeds putte in artikel 2, eerste lid, van de wet van 29 maart 1958, welke bepaling in essentie overeenstemt met artikel 3, tweede lid, van de wet van 15 april 1994. Het tekstvoorstel dat de Raad met betrekking tot het bedoelde artikel maakte, bleef dan ook beperkt tot het eerste lid van de oorspronkelijke tekst (27). De regering en de Kamers hebben dat voorstel overgenomen. Uit de memorie van toelichting bij het neergelegde wetsontwerp blijkt dat daarmee geenszins afgestapt werd van de idee "dat enkel erkende vervoerders radioactieve stoffen of toestellen die er bevatten, mogen vervoeren en dat, zoals voorzien in de internationale reglementen, bepaalde transporten aan een vergunning onderworpen zijn" (28).
       ( (27) Parl. St., Kamer, 1982-83, nr. 646/1, (3), 6. )
       ( (3) Over het ontwerp dat het koninklijk besluit van 2 oktober 1997 is geworden, heeft de Raad van State op 16 mei 1997 advies 26.402/8 gegeven. )
       ( (28) Parl. St., Kamer, 1982-83, nr. 646/1, p. 2. )
       Dat de "erkenning" (van personen) en de "vergunning" (van bepaalde transporten) wel degelijk van elkaar te onderscheiden zijn, blijkt voorts uit artikel 18 van de wet van 15 april 1994, naar luid waarvan het Agentschap toezicht houdt op de naleving van de bijzondere voorwaarden opgelegd door de "vergunnings- en erkenningsakten".
       De ontworpen artikelen doen, niettegenstaande de overname van de essentie van de bepalingen van het vigerende koninklijk besluit van 28 februari 1963 (29), vragen rijzen vanuit het oogpunt van hun verenigbaarheid met artikel 4 van de wet.
       ( (29) Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 april 1994 werd uitdrukkelijk melding gemaakt van de drie soorten vergunningen (algemene, bijzondere en speciale) (memorie van toelichting, Parl. St., Senaat, 1992-93, nr. 610/1, p. 14), en werd ook opgemerkt dat geen wijziging werd beoogd in de vigerende transportreglementering (eerste verslag, namens de Senaatscommissie, Parl. St., Senaat, 1992-93, nr. 610/2, p. 29). Die vaststelling kan te dezen evenwel geen afbreuk doen aan de precieze tekst van de wet. )
       Die bepaling vereist immers voor elke vervoerder, zonder uitzondering, een "erkenning". Mochten de in artikel 57 van het ontwerp bedoelde algemene en bijzondere "vergunningen" aan dat vereiste beantwoorden, dan nog moet vastgesteld worden dat in artikel 56 vrijstellingen van de vergunningsplicht bepaald worden, welke met de algemene regel van artikel 4 van de wet onverenigbaar zijn.
       De bepalingen van hoofdstuk VII dienen bijgevolg herschreven te worden opdat een duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen de "erkenning", die in alle gevallen voor de vervoerder vereist is, en de "vergunning", die voor bepaalde soorten vervoer voorbehouden kan worden.
       Wat de erkenningsvereisten betreft, moet daarenboven opgemerkt worden dat deze volgens artikel 4 van de wet slechts vastgesteld kunnen worden na advies van het Agentschap".
       De Raad van State kan te dezen niet anders dan die opmerking herhalen.
       Artikel 64
       1. Luidens artikel 6, lid 5, van de voornoemde Richtlijn 96/29/Euratom, staan de lidstaten niet toe dat er bij de productie van levensmiddelen, speelgoed, sieraden en cosmetische producten opzettelijk radioactieve stoffen worden toegevoegd, of dat dergelijke goederen worden in- of uitgevoerd.
       Artikel 64.1, b, van het ontwerp, welke bepaling de omzetting beoogt van het voornoemde artikel 6, lid 5, luidt als volgt :
       
       "(Het is verboden) om radioactieve stoffen toe te voegen, door middel van activering inbegrepen, aan eetwaren, schoonheidsproducten, sieraden, cosmetica, speelgoed en aan producten en voorwerpen voor huishoudelijk gebruik; voor wat de edelstenen, halfedelstenen en parels betreft, kan het Agentschap tolerantielimieten bepalen voor de specifieke activiteit en/of voor het dosistempo".
       De bepaling i.v.m. de mogelijkheid om voor edelstenen, halfedelstenen en parels, een tolerantielimiet te bepalen, lijkt een versoepeling in te houden van het verbod bedoeld in de Richtlijn.
       De gemachtigde ambtenaar versterkte in dit verband de volgende toelichting :
       
       "Het gaat hier om verwerkte edelstenen/parels, dus niet om edelstenen/parels in hun natuurlijke toestand. In de edelstenen/parels in natuurlijke toestand is steeds een vorm van radioactiviteit aanwezig. Deze kan worden geactiveerd, zelfs versterkt bij verwerking. Het gaat hier dus niet om een toevoeging in de letterlijke zin van het woord. Deze radioactiviteit kan tijdelijk zijn".
       Uit die toelichting blijkt dat de stellers van het ontwerp in feite een verstrenging van de richtlijn beogen. Wat de sieraden betreft, geldt het verbod immers niet enkel voor de toevoeging van radioactieve stoffen, maar ook voor de activering ervan, zij het dan met de mogelijkheid van het aanvaarden van bepaalde tolerantiegrenzen.
       De Raad van State vraagt zich af of artikel 64.1, b, dan niet beter geredigeerd kan worden als volgt :
       
       "b) om radioactieve stoffen toe te voegen aan eetwaren, ... voor huishoudelijk gebruik. Voor wat de edelstenen, halfedelstenen en parels betreft, geldt het verbod eveneens voor de activering van de radioactiviteit die in die sieraden aanwezig is; het Agentschap kan evenwel tolerantielimieten bepalen ...;".
       2. Overeenkomstig artikel 6, lid 5, van de voornoemde Richtlijn, dient in artikel 64.2, eerste lid, van het ontwerp ook de uitvoer van de betrokken toestellen en producten te worden verboden. De gemachtigde ambtenaar is het hiermee eens.
       Artikel 74
       In verband met de bepalingen van het voornoemde ontwerp L. 24.835/8 die gelijkluidend zijn met die van artikel 74.2, 1° en 2°, van het voorliggende ontwerp, heeft de Raad van State in zijn advies van 9 mei 1996 het volgende opgemerkt :
       
       "(1.) In zoverre de voorwaarde bepaald in artikel 74.2, 1°, ertoe strekt de erkenning voor te behouden aan verenigingen naar Belgisch recht, zoals trouwens tijdens de parlementaire voorbereiding werd gesteld (30), is ze strijdig met het principe van het vrij verkeer van diensten binnen de Europese Gemeenschap (31).
       ( (30) Zie verslag namens de Kamercommissie, Parl. St., Kamer, 1992-93, nr. 1124/5, pp. 54-55. )
       ( (31) Zie in het Euratomverdrag de artikelen 2, g), 96 en 97. Uit artikel 232, tweede lid, van het E.G.-Verdrag wordt bovendien afgeleid dat ook dit verdrag geldt voor zover het Euratomverdrag er niet van afwijkt (P.J.G. Kapteyn en P. Verloren van Themaat, Inleiding tot het recht van de Europese Gemeenschappen, Deventer, Kluwer, 4e uitg., 1980, pp. 501-502). )
       (2.) Artikel 74.2, 2°, bepaalt onder meer dat de ministers de modaliteiten van de verzekering voor "burgerlijke verantwoordelijkheid" (lees : burgerlijke aansprakelijkheid) bepalen, evenals de voorwaarden waaraan de verzekering moet voldoen.
       Het toekennen van een dergelijke verordenende bevoegdheid aan ministers strookt niet met hetgeen bepaald is in artikel 108 van de Grondwet (...)".
       De Raad van State kan niet anders dan die opmerkingen herhalen.
       Artikel 76
       Het eerste lid van dit artikel legt een kennisgevingsplicht op aan o.m. de exploitanten van de inrichtingen van klasse I, II en III.
       In het tweede lid wordt voorts bepaald dat de exploitanten daartoe een aantal documenten moeten voorleggen. Die documenten worden geïdentificeerd door een verwijzing naar bepalingen die gelden voor de inrichtingen van klasse I (artikel 6.2, 7.) en klasse II (artikelen 7.2, 6., en 7.2, 7.).
       Aangezien ook de exploitanten van inrichtingen van klasse III gegevens ter kennis moeten brengen, dient allicht eveneens te worden verwezen naar de overeenkomstige bepaling die voor die inrichtingen geldt, te weten artikel 8.2, 6°.
       Artikel 77
       Volgens dit artikel sluit het Agentschap overeenkomsten met de gewesten.
       In zoverre hiermee samenwerkingsakkoorden zouden zijn bedoeld, in de zin van artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, moet worden opgemerkt dat die akkoorden niet gesloten kunnen worden door een openbare instelling als het Agentschap.
       In elk geval is de Koning onbevoegd om het Agentschap en de gewesten te verplichten om overeenkomsten te sluiten.
       Wil de regering voorzien in een wederzijdse uitwisseling van informatie en in onderlinge raadpleging, zoals bedoeld in artikel 77, dan dient het voorwerp uit te maken van een samenwerkingsakkoord tussen de Belgische Staat en gewesten.
       Gelet op het voorgaande, dient artikel 77 uit het ontwerp te worden weggelaten. De gemachtigde ambtenaar is het hiermee eens.
       Artikel 78
       1. In verband met dit artikel wordt vooreerst verwezen naar algemene opmerking 2.
       Gelet op het feit dat bepaalde bevoegdheden i.v.m. het toezicht geregeld worden in het in die algemene opmerking genoemde ontwerp 31.003/3, is het opschrift van artikel 78 ("Verdeling van het toezicht") niet correct.
       2. Het tweede lid van artikel 78 kan beter het voorwerp uitmaken van een ander artikel van het ontwerp.
       Artikel 79
       1. In de artikelen 79.1, tweede lid, en 79.2, tweede lid, wordt telkens verwezen naar "de in artikel 78 bedoelde personen".
       Zoals in algemene opmerking 2 is uiteengezet, maken de met het toezicht belaste personen het voorwerp uit, deels van artikel 78, eerste lid, deels van het ontwerp 31.003/3. De hiervóór bedoelde verwijzingen dienen dan ook aangepast te worden.
       2. Artikel 79.3 regelt het optreden van "de in artikel 78 bedoelde personen".
       In zoverre artikel 79.3 betrekking heeft op de personeelsleden van het Agentschap, belast met het toezicht op de wet en haar uitvoeringsbesluiten, is het overbodig. De in artikel 79.3 bedoelde bevoegdheden worden immers reeds toegekend bij artikel 10 van de wet van 15 april 1994.
       In zoverre artikel 79.3 betrekking heeft op de artsen belast met het medisch toezicht, bedoeld in artikel 79.3, eerste lid, moet opgemerkt worden dat de wet van 15 april 1994 geen rechtsgrond biedt om hun bevoegdheden vast te stellen.
       De conclusie is dan ook dat artikel 79.3 beter uit het ontwerp weggelaten wordt.
       3. Naar aanleiding van een vraag over de precieze draagwijdte van artikel 79.4 van het ontwerp, heeft de gemachtigde ambtenaar verklaard dat deze bepaling mag worden weggelaten.
       Artikel 81
       1. In dit artikel worden de overgangsbepalingen nu eens geredigeerd in functie van de dag van bekendmaking, dan weer in functie van de datum van inwerkingtreding van het ontworpen besluit.
       Het verdient aanbeveling voor alle overgangsbepalingen de datum van inwerkingtreding van het ontworpen besluit als vertrekpunt te nemen. De gemachtigde ambtenaar is het hiermee eens.
       2. Artikel 81.1, eerste lid, eerste volzin, is geen overgangsbepaling, doch een opheffingsbepaling. Die bepaling moet het voorwerp uitmaken van een afzonderlijk artikel, in te voegen tussen de artikelen 81 en 82.
       3. De tweede volzin van artikel 81.2, vierde lid, redigere men als volgt :
       
       "De reglementaire bepalingen inzake de fysische en medische controle, die gelden voor de nieuwe klasse, zijn evenwel van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.".
       4. Voor de duidelijkheid dient in artikel 81.3, eerste lid, een verwijzing te worden opgenomen naar artikel 20.1.3 van het ontwerp. Het is immers in dat laatste artikel dat sprake is van "twaalf opeenvolgende glijdende maanden".
       5. Artikel 81.4 bevat een overgangsregeling i.v.m. de invoer, de uitvoer, de doorvoer en de distributie van radioactieve stoffen. In die bepaling wordt verwezen naar "hoofdstuk IV". Hiermee wordt bedoeld "hoofdstuk IV van het voornoemde koninklijk besluit van 28 februari 1963". Die precisering dient in het ontwerp te worden aangebracht.
       Mutatis mutandis geldt dezelfde opmerking voor de artikelen 81.6 en 81.7 van het ontwerp.
       6.1. Artikel 81.5, vierde en zesde lid, neemt bepalingen over van het koninklijk besluit van 28 februari 1963, die bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1997 zijn gewijzigd. Omdat tegen dat laatste besluit beroepen tot vernietiging zijn ingesteld, die nog aanhangig zijn bij de afdeling administratie van de Raad van State, onthoudt de afdeling wetgeving zich ervan over die bepalingen advies te geven (32).
       ( (32) Zie opmerking 7 bij artikel 51. )
       Wel kan opgemerkt wordt dat in artikel 81.5, zesde lid, a en b, de datum "5 november 1997" telkens vervangen moet worden door "3 november 1997" (33).
       ( (33) Zie de opmerking bij artikel 44bis. )
       6.2. In artikel 81.5 komen inwerkingtredingsbepalingen voor die afwijken van de in artikel 82 van het ontwerp geregelde inwerkingtreding. Hierop zou, om redenen van rechtszekerheid, beter uitdrukkelijk de aandacht worden gevestigd.
       Dezelfde opmerking geld voor artikel 81.7 van het ontwerp.
       7. Volgens artikel 81.7, eerste lid, treden de bepalingen van artikel 73.2.9 (lees : 73.2, eerste lid, 9.) in werking drie jaar volgend op de dag van de bekendmaking van het ontworpen besluit in het Belgisch Staatsblad. Voorts wordt bepaald dat de betrokkenen "binnen een termijn van ten hoogste drie jaar na de inwerkingtreding van dit reglement" een nieuwe erkenningsaanvraag moeten indienen.
       Het is niet duidelijk of de termijn van drie jaar begint te lopen vanaf het ogenblik dat artikel 73.2.9 in werking treedt, of vanaf het ogenblik dat de overige bepalingen van het ontworpen besluit in werking zijn getreden.
       Indien de laatste hypothese de juiste is, schrijve men : "binnen de termijn van drie jaar volgend op de dag van de bedoelde bekendmaking ...".
       Artikel 82
       1. Luidens het eerste lid van dit artikel treedt het ontworpen besluit in werking de eerste dag van de maand die volgt op de publicatie (lees : de bekendmaking) ervan in het Belgisch Staatsblad.
       De stellers van het ontwerp zullen erop moeten toezien dat het ontworpen besluit pas bekendgemaakt wordt na de inwerkingtreding van de wetsbepalingen bedoeld in artikel 1 van het ontworpen koninklijk besluit tot inwerkingstelling van de wet van 15 april 1994, waarover de Raad van State op 24 april 2001 advies 30.808/3 heeft gegeven (34).
       ( (34) Zie hiervóór, voetnoot 5. )
       2. Het tweede lid van artikel 82 kan, volgens de gemachtigde ambtenaar, worden geschrapt.
       De kamer was samengesteld uit :
       
       De heren :
       
       D. Albrecht, staatsraad - voorzitter;
       P. Lemmens, J. Smets, staatsraden;
       Cousy, A. Spruyt, assessoren van de afdeling wetgeving;
       Mevr. F. Lievens, griffier.
       De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer. D. Albrecht.
       Het verslag werd uitgebracht door Mevr. R. Thielemans, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door Mevr. K. Bams, adjunct-referendaris.
       De griffier, De voorzitter,
       F. Lievens. D. Albrecht.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 66 uitvoeringbesluiten 30 gearchiveerde versies
    Franstalige versie