J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
28 JUNI 2001. - Omzendbrief nr. 15 betreffende het stelsel van de impliciete opheffing.

Bron :
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 28-06-2001 nummer :   2001031192 bladzijde : 22328       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2001-06-28/30
Inwerkingtreding : 28-06-2001

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. M, M1, M2, M3, M4
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel M. (Om technische redenen wordt deze omzendbrief onderverdeeld in fictieve artikelen : M1 - M4)

  Art. M1. A. TERUGBLIK OP DE EVOLUTIE VAN DE NORMEN IN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST.
  1. De hiërarchie van de plannen.
  De ordonnantie houdende organisatie van de planning bepaalt een hiërarchie van de bestemmingsplannen (G.B.P. > (GemOP wanneer dat bepalingen bevat met betrekking tot de bodembestemming) > B.B.P.).
  Die hiërarchie van de plannen vormt geen problemen wanneer het lager plan wordt goedgekeurd na het hoger plan. In dat geval dient het lager plan zich te schikken naar het hoger plan, tenzij gebruik wordt gemaakt van het afwijkingsmechanisme voorzien in de artikelen 37 en 50 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw.
  De moeilijkheden duiken op wanneer reeds een lager plan bestaat dat voorziet in bestemmingen die niet verenigbaar zijn met het nieuw hoger plan.
  2. Het principe van de expliciete opheffing mag geen obstakel vormen voor het principe van de impliciete opheffing.
  De ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw beoogde, in haar oorspronkelijke versie, de juridische zekerheid door te stellen dat de bepalingen van de lagere plannen van toepassing bleven zolang ze niet uitdrukkelijk werden opgeheven door het nieuw hoger plan. Zo voorzag artikel 34 van de ordonnantie dat het Regeringsbesluit ter goedkeuring van het gewestelijk bestemmingsplan de niet-conforme bepalingen van de gemeentelijke plannen dient op te sommen die door het gewestelijk plan werden opgeheven.
  Dat systeem bood een zeer grote rechtszekerheid, in die zin dat de burgers heel precies konden weten welke bepalingen van toepassing zijn op hun goederen, door zich te baseren op alle bepalingen van de lagere plannen die niet expliciet werden opgeheven door het gewestelijk bestemmingsplan.
  Maar de administratieve sectie van de Raad van State uitte in een princiepsarrest kritiek op die oplossing. De Raad wees erop dat het niet aan de Gewestraad is om het principe van de hiërarchie van de plannen in vraag te stellen, dat wordt bepaald in artikel 159 van de grondwet. Met andere woorden, het principe van de expliciete opheffing mag niet leiden tot uitsluiting van het principe van de impliciete opheffing van een lager plan dat niet verenigbaar is met een nieuw hoger plan (R.v.S., ASBL Front Commun des Groupements de Défense de la Nature, nr. 75.710 van 10 september 1998).
  De intrede van het principe van de impliciete opheffing, dat tot dan toe werd uitgesloten door een constante administratieve praktijk, is een bron van juridische onzekerheid. Er werden heel wat bijzondere bestemmingsplannen impliciet opgeheven door het gewestplan in 1979 door het verordenende luik van het gewestelijk ontwikkelingsplan in 1995, zonder dat een systematische evaluatie werd gemaakt van alle impliciete opheffingen, rekening houdend met het systeem van de plannenhiërarchie dat in die tijd van toepassing was.
  Bijgevolg worden de gemeentebesturen die precies willen natrekken welke bepalingen van hun bijzondere plannen nog van toepassing zijn, in principe verondersteld om vooraf na te gaan of die bepalingen overeenstemmen met het gewestplan van 1979 (wanneer het bijzonder plan werd goedgekeurd of voor het laatst werd gewijzigd vóór het gewestplan), het gewestelijk ontwikkelingsplan van 1995 (wanneer het bijzonder plan werd goedgekeurd of voor het laatst werd gewijzigd vóór het gewestelijk ontwikkelingsplan) en het gewestelijk bestemmingsplan van 2001 (wanneer het bijzonder plan werd goedgekeurd of voor het laatst werd gewijzigd vóór het gewestelijk bestemmingsplan).
  Het spreekt voor zich dat de uitvoering van een dergelijke opdracht, rekening houdend met het aantal bestaande B.B.P.'s, met drie gewestelijke plannen die elkaar in de tijd zijn opgevolgd, door de extreme complexiteit ervan leidt tot juridische onzekerheden.
  3. Vereenvoudiging van de wetgeving van 14 december 2000
  Om het werk van de ambtenaren te vereenvoudigen en opnieuw een minimum aan rechtszekerheid te bieden, werd de organieke ordonnantie gewijzigd op 14 december 2000.
  Artikel 205, § 4, van die ordonnantie bepaalt voortaan het volgende :
  " De bepalingen van de bijzondere bestemmingsplannen die impliciet werden opgeheven omdat zij niet overeenstemden met het gewestplan van de Brusselse agglomeratie of met de verordenende bepalingen van het eerste gewestelijk ontwikkelingsplan die werden goedgekeurd nadat die bepalingen van kracht werden, krijgen hun aanvankelijke uitwerking terug in de mate waarin zij overeenstemmen met het eerste gewestelijk bestemmingsplan, tenzij zij intussen werden gewijzigd of uitdrukkelijk werden opgeheven. ".
  Dit houdt concreet in dat de ambtenaren enkel nog hoeven na te gaan of de B.B.P.'s die ze toepassen, overeenstemmen met het G.B.P.

  Art. M2. B. ALGEMENE VOORSTELLING VAN DE PROBLEMATIEK VAN DE IMPLICIETE OPHEFFING.
  De problematiek van de impliciete opheffing impliceert een onderzoek van de conformiteit van de voorschriften van de van kracht zijnde bijzondere bestemmingsplannen (op de dag van de goedkeuring van het gewestelijk bestemmingsplan) met de voorschriften van het gewestelijk bestemmingsplan.
  Overeenkomstig de arresten STENOO, nr. 23.832 van 30 december 1983, LANAJO, nr. 40.533 van 30 september 1992 en ASBL Front Commun des Groupements de Défense de la Nature, nr. 75.710 van 10 september 1998, blijft het bijzonder bestemmingsplan slechts van kracht voor zover het overeenstemt met het gewestelijk bestemmingsplan.

  Art. M3. C. METHODE VOOR HET ONDERZOEK VAN DE CONFORMITEIT VAN DE BEPALINGEN VAN DE VAN KRACHT ZIJNDE B.B.P.'S MET HET G.B.P.
  Men dient een onderscheid te maken tussen het onderzoek van de verenigbaarheid van de voorschriften van de B.B.P.'s met de algemene voorschriften van het G.B.P. enerzijds, en met de bijzondere voorschriften van het G.B.P. anderzijds.
  1. Controle van de overeenstemming van de voorschriften van de B.B.P.'s met de algemene voorschriften van het G.B.P.
  a. De algemene voorschriften van het G.B.P. die wezenlijke elementen vormen van het plan.
  De algemene en bijzondere voorschriften van het G.B.P. kunnen wezenlijke elementen van het G.B.P. bevatten. De bepalingen van de bijzondere plannen mogen nooit indruisen tegen een wezenlijk element van het G.B.P. (1)
  ( (1) Dit geldt zowel ten aanzien van de B.B.P.'s die dateren van vóór het plan, in welk geval ze impliciet worden opgeheven in zover ze de realisatie van dit wezenlijk element verhinderen, als ten aanzien van de B.B.P.'s die werden goedgekeurd na het plan, in welk geval ze niet mogen afwijken van dat wezenlijk element overeenkomstig artikel 50 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw. )
  Onder de algemene voorschriften die wezenlijke elementen van het G.B.P. vormen, stippen we in het bijzonder de volgende algemene voorschriften aan :
  - Algemeen voorschrift 0.7. dat, onder bepaalde voorwaarden, de vestiging van uitrustingen van collectief belang of voor openbare diensten toelaat in alle gebieden van het plan;
  - Algemeen voorschrift 0.8 dat, onder bepaalde voorwaarden en met het oog op de bescherming van het erfgoed, de herbestemming toelaat van een onroerend goed dat is ingeschreven op de bewaarlijst of volledig of in zijn hoofdelementen gedeeltelijk beschermd is;
  - Algemeen voorschrift 0.9. dat, onder bepaalde voorwaarden, de verbouwing, renovatie, heropbouw of wijziging van gebruik of bestemming toelaat van bestaande onroerende goederen waarvan de bestemming vermeld is in de bouw- of stedenbouwkundige vergunningen die hierop betrekking hebben of, bij ontstentenis daarvan, waarvan het rechtmatig gebruik niet overeenstemt met de bestemmingen van het plan;
  - Algemeen voorschrift 0.10 dat, onder bepaalde voorwaarden, de verbouwing, renovatie en herbestemming toelaat van gebouwen die werden opgericht vóór 1979 en sinds meer dan 5 jaar leegstonden vóór de invoegetreding van het plan;
  - Algemeen voorschrift 0.11 dat de verderzetting, verlenging, vernieuwing en wijziging toelaat van milieuvergunningen die nodig zijn voor een bestemming die niet overeenstemt met de voorschriften van het plan.
  De bijzondere plannen mogen nooit de afleverende instantie verhinderen om die algemene voorschriften te laten toepassen, wanneer die dat stedenbouwkundig nodig acht. De bijzondere plannen van vóór het G.B.P. die de toepassing van één van die algemene voorschriften zouden verhinderen, worden impliciet opgeheven voor zover ze de toepassing van die algemene voorschriften verhinderen.
  We vestigen de aandacht op het feit dat verscheidene van deze algemene voorschriften voorzien in speciale regelen van openbaarmaking. De bijzondere plannen die impliciet worden opgeheven omdat ze de toepassing van die algemene voorschriften verhinderen, stellen de aanvragen tot stedenbouwkundige attesten en vergunningen niet vrij van de speciale regelen van openbaarmaking die zijn vereist door die algemene voorschriften.
  Het is wel zo dat artikel 67bis van de ordonnantie stipuleert dat "het bijzonder bestemmingsplan, indien goedgekeurd na 1 januari 1981, de aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen, om verkavelingsvergunningen en om stedenbouwkundige attesten vrijstelt van de speciale regelen van openbaarmaking, vereist door de hogere plannen. " Maar die vrijstelling is niet van toepassing wanneer het voorschrift van het gewestelijk bestemmingsplan dat de speciale regelen van openbaarmaking oplegt, het bijzonder bestemmingsplan impliciet heeft opgeheven omdat het verbiedt wat het voorschrift van het gewestelijk bestemmingsplan toelaat.
  In deze hypothese wordt het bijzonder bestemmingsplan immers niet toegepast in de mate waarin dat plan juist impliciet wordt opgeheven voor zover het de toepassing verhindert van één van de beschouwde algemene voorschriften. Aangezien er geen toepassing is van het bijzonder bestemmingsplan, kan de door artikel 67bis van de ordonnantie voorziene vrijstelling ook niet van toepassing zijn.
  b. Het systeem van de kaart van de saldi van toelaatbare kantoren
  In tegenstelling tot de voorschriften van een bijzonder bestemmingsplan, bepaalt algemeen voorschrift 0.14 niet de activiteiten waarvoor een gebied bestemd kan worden.
  Het voorschrift introduceert op het niveau van elke maas van het G.B.P. een mechanisme voor het beheer van de vergunningen, rekening houdend met de tertiaire druk vanwege de kantoren en activiteiten voor de vervaardiging van immateriële goederen in de woongebieden en de gemengde gebieden. Dat beheer gebeurt op grond van de in de maas nog toelaatbare oppervlakten voor kantoren en activiteiten voor de vervaardiging van immateriële goederen. Die toelaatbare oppervlakte zal onvermijdelijk variëren in de tijd.
  Bijgevolg mag er geen conflict bestaan tussen de gevolgen van algemeen voorschrift 0.14 en de voorschriften van een bijzonder plan. Wanneer het bijzonder plan kantoren of activiteiten voor de vervaardiging van immateriële goederen toelaat in een maas met een negatief saldo, kunnen de door het bijzonder plan voorziene bestemmingen uiteraard niet worden verwezenlijkt voordat dat saldo opnieuw positief is geworden. Hier is zeker geen grond voor de toepassing van het principe van de impliciete opheffing, aangezien het normen van een andere aard betreft.
  2. Controle van de overeenstemming van voorschriften van de B.B.P.'s met de bijzondere voorschriften van het G.B.P.
  Het onderzoek van de verenigbaarheid van de bepalingen van de bestaande B.B.P.'s met de bijzondere voorschriften van het G.B.P. kan op de volgende manier gebeuren :
  a. Eerste stap : identificatie van de voorschriften van toepassing.
  Men dient voor het goed dat het voorwerp uitmaakt van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning waarvoor de overeenstemming tussen het bestaande B.B.P. en het G.B.P. moet worden gecontroleerd, volgende elementen te identificeren :
  - de toepasbare voorschriften van het bestaande B.B.P.
  - de toepasbare voorschriften van het G.B.P., rekening houdend met het gebied waarin het goed is gelegen dat het voorwerp van de aanvraag uitmaakt.
  b. Tweede stap : vergelijking van de voorschriften op basis van vergelijkbare concepten.
  Kenmerkend voor het G.B.P. is de creatie van nieuwe concepten inzake bestemming (zoals het concept "activiteiten voor de vervaardiging" dat werd geïntroduceerd door het G.B.P.) of de wijziging van de inhoud van bestaande concepten (bijvoorbeeld die van "kantoor" of van "woning").
  Bij hun goedkeuring definieerden de B.B.P.'s hun eigen concepten inzake bestemming of verwezen ze naar de concepten die worden gebruik in de gewestelijke plannen die van kracht zijn op het moment van hun goedkeuring. In dat verband mogen we niet uit het oog verliezen dat de concepten die gebruikt worden door het gewestplan van de Brusselse agglomeratie en door het GewOP van 1995 verschillen van die van het G.B.P.
  Bijgevolg dient men, alvorens de verenigbaarheid van een voorschrift van een B.B.P. met een voorschrift van het G.B.P. te controleren, na te gaan of de concepten die door die voorschriften worden gebruikt, wel precies dezelfde betekenis hebben.
  Daartoe dient men in de eerste plaats expliciet de inhoud te bepalen van de door het van kracht zijnde B.B.P. gebruikte concepten :
  - Indien het B.B.P. zelf de concepten definieert die het gebruikt, dient men zich te baseren op de woordenlijst van het B.B.P.;
  - Indien het B.B.P. niet zelf de concepten definieert die het gebruikt, dient men zich te baseren op :
  - de definities van het gewestelijk plan (gewestplan van de Brusselse agglomeratie, gewestelijk ontwikkelingsplan) op basis waarvan het B.B.P. werd goedgekeurd,
  - de courante betekenis van de gebruikte termen indien noch het B.B.P. noch het gewestelijk plan waarop het gebaseerd is, een specifieke definitie bevatten of indien het B.B.P. werd goedgekeurd vóór het gewestplan van de Brusselse agglomeratie.
  Vervolgens moeten de door het B.B.P. gebruikte concepten "vertaald" worden naar de concepten van het G.B.P., ten einde in de volgende stap voorschriften te kunnen vergelijken die gebruik maken van vergelijkbare concepten.
  Zo verschilt bijvoorbeeld het concept "woning" dat gebruikt wordt in een B.B.P. dat geen definitie van het begrip bevat maar werd goedgekeurd op basis van het gewestplan van de Brusselse agglomeratie, van het begrip "woning" dat wordt gebruikt in het G.B.P. Het concept "woning" in het gewestplan op basis waarvan het B.B.P. werd goedgekeurd, bestrijkt niet alleen het concept "woning" van G.B.P. maar ook het concept "hotelinrichting" van het G.B.P.
  Bijgevolg moeten voorschriften van het B.B.P. die de term "woning" gebruiken, gelezen worden als betreffende de "woningen" en de "hotelinrichtingen" zoals ze gedefinieerd zijn in het G.B.P.
  c. Derde stap : vergelijking van de bijzondere voorschriften van het B.B.P. met de bijzondere voorschriften van het G.B.P.
  De derde stap bestaat erin na te gaan of de voorschriften van het B.B.P. verenigbaar zijn met die van het G.B.P.
  1. Voorafgaande beschouwingen :
  1.1. De procedurele voorwaarden voorzien door de bijzondere voorschriften van het G.B.P.
  De procedurele voorwaarden die voorzien zijn door de bijzondere voorschriften van het G.B.P. (b.v. advies van de Koninklijke Commissie Monumenten en Landschappen) zijn cumulatief van toepassing met het lager plan, wat betekent dat er geen enkele onverenigbaarheid mag worden uit afgeleid.
  We wijzen evenwel op artikel 67 bis van de ordonnantie betreffende de speciale regelen van openbaarmaking : "het bijzonder bestemmingsplan, indien goedgekeurd na 1 januari 1981, stelt de aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen, om verkavelingsvergunningen en om stedenbouwkundige attesten vrij van de speciale regelen van openbaarmaking, vereist door de hogere plannen. ".
  1.2. Het lot van het bijkomend element volgt dat van het hoofdelement.
  De voorschriften van de B.B.P.'s die worden opgeheven omdat ze niet overeenstemmen, brengen tevens de opheffing met zich mee van de voorschriften waarvan de grondslag en de bestaansreden nauw verbonden zijn met de voorschriften die werden opgeheven wegens onverenigbaarheid.
  Wanneer dus bijvoorbeeld de voorschriften van een bestaand B.B.P. uitsluitend woningen voorzien in een volledig uitrustingsgebied van het G.B.P., worden die voorschriften opgeheven om de hierbeneden uiteengezette redenen, aangezien ze de realisatie van de hoofdbestemming van het uitrustingsgebied van het G.B.P. verhinderen. De voorschriften van het B.B.P. die de afmetingen van die woningen definiëren, worden eveneens opgeheven.
  1.3. De opheffing van de woordelijke voorschriften van een B.B.P. heeft een ruimtelijke dimensie
  Wanneer een woordelijk voorschrift van een B.B.P. wordt opgeheven omdat het niet overeenstemt met het hoger plan, geldt die opheffing enkel voor het gedeelte van de perimeter van het B.B.P. waarop die non-conformiteit betrekking heeft. Voor het overige blijft het woordelijke voorschrift dus volledig van toepassing.
  2. Onderzoek van de verenigbaarheid.
  De derde stap bestaat erin na te gaan of de voorschriften van het B.B.P. verenigbaar zijn met die van het G.B.P.
  - inzake de aard van de toelaatbare activiteiten (toelaatbare bestemmingstypes krachtens het B.B.P. en het G.B.P.; de inhoud van de gebruikte concepten voor het definiëren van de bestemmingen - zie hoger b.-);
  - inzake de basisvoorwaarden waaronder die activiteiten toelaatbaar zijn (b.v. beperking van de vloeroppervlakte, bouwafmetingen).
  Er kunnen zich twee hypotheses voordoen, al naargelang het B.B.P. soepeler of restrictiever is dan het hoger plan.
  2.1. Het B.B.P. is soepeler dan het G.B.P.
  Dit is de hypothese waarin het B.B.P. toelaat wat het nieuw hoger plan niet toelaat.
  Dit is het geval wanneer het B.B.P. de inplanting toelaat van bestemmingen die niet in het gebied zijn toegelaten door het G.B.P. We halen bij wijze van voorbeeld het geval aan van het hoger plan dat een gebied als groengebied bestemt, terwijl het lager plan dat voordien als bebouwbare zone had bestemd. Dat is de situatie die de Raad van State behandelt in haar arrest nr. 75.710 van 10 september 1998. In deze hypothese worden de niet-conforme voorschriften van het lager plan impliciet opgeheven.
  Hetzelfde geldt wanneer het B.B.P. bestemmingen toelaat onder minder beperkende voorwaarden dan die die voorzien zijn door het G.B.P. Voorbeeld : de voorschriften van een bijzonder plan die 500m2 kantoorruimte toelaten per onroerend goed, zijn in strijd met die van het G.B.P. dat dezelfde goederen bestemt als woongebied met residentieel karakter, waar de kantooractiviteiten beperkt zijn tot 250m2 per onroerend goed. In dat geval kunnen de voorschriften van het B.B.P. slechts worden toegepast ten belope van 250 m2, zijnde de limiet die wordt toegelaten door het G.B.P.
  Conclusie : wanneer het B.B.P. toestaat wat het nieuw hoger plan niet toelaat, wordt het B.B.P. opgeheven in de mate waarin het dingen toelaat die niet worden toegelaten krachtens het hoger plan.
  2.2. Het B.B.P. is restrictiever dan G.B.P.
  In deze hypothese moet rekening worden gehouden met het verschil tussen de hoofdbestemmingen en de secundaire bestemmingen die zijn voorzien door de bijzondere voorschriften van het G.B.P.
  Verscheidene bepalingen van het G.B.P. preciseren dat bepaalde gebieden "bestemd zijn" voor een specifiek gebruik (hoofdbestemmingen) en dat ze bovendien "ook bestemd kunnen worden" voor andere gebruiksdoeleinden (secundaire bestemmingen). Het G.B.P. voert op die manier een onderscheid in tussen de hoofdvoorschriften en de secundaire voorschriften van de verschillende gebieden.
  Er kunnen zich dan verschillende situaties voordoen :
  i. - Het B.B.P. laat niet de hoofdbestemmingen toe die door het G.B.P. zijn voorzien.
  Er geldt een impliciete opheffing van de voorschriften van het B.B.P. die de verwezenlijking van de krachtens het G.B.P. voorziene hoofdbestemmingen verhinderen.
  Men dient evenwel in elk geval afzonderlijk zorgvuldig de situatie te bestuderen alvorens te beslissen dat er sprake is van een specifieke onverenigbaarheid.
  Indien het G.B.P. bijvoorbeeld een gebied bestemt als woongebied, betekent dat niet dat het hele gebied overal bebouwd moet zijn. Een bijzonder plan dat een klein gebiedje voorbehoudt voor buurthandel, is dan niet in strijd met dat plan. Een dergelijke bestemming preciseert of opwaardeert de hoofdbestemming van het G.B.P. door de woonbestemming van het gebied van het gewestelijk ontwikkelingsplan aangenamer te maken (M. PAQUES, "L'articulation des plans d'aménagement et des schémas en Région wallonne", in La réforme du droit wallon de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme, Bruylant, 1998, p. 189).
  Anders zou het zijn indien de meer restrictieve bestemmingen van het B.B.P. de realisatie van hoofdbestemmingen van dat gebied zouden verhinderen over het hele gebied. Met andere woorden, er is geen sprake van aantasting van de hoofdbestemming zolang de bepalingen van het B.B.P. die de door het G.B.P. voorziene hoofdbestemming uitsluiten, slechts betrekking hebben op een bijkomstig of beperkt gedeelte van het gebied van het G.B.P.
  ii. - Het B.B.P. voert beperkingen in op de door het G.B.P. voorziene hoofdbestemmingen.
  De beperkingen op de hoofdbestemmingen van de gebieden van het G.B.P. - met name via de afkondiging van maximumdrempels voor de vloeroppervlakten - kunnen toegestaan worden in de mate dat ze preciseringen aanbrengen bij het gewestelijk plan zonder evenwel de realisatie van de hoofdbestemming van het gebied te verhinderen.
  Het moet echter wel zo zijn dat de het bijzonder plan door die beperkingen geen omkering veroorzaakt van de hiërarchie tussen de hoofdfuncties en de secundaire functies die door het G.B.P. zijn aangegeven.
  iii. - Het B.B.P. verhindert of beperkt de door het G.B.P. voorziene secundaire bestemmingen.
  In dit geval laat het B.B.P. de toepassing van de hoofdbestemmingen van het gewestelijk plan toe en is het dus niet onverenigbaar met dat plan. Er is dan ook geen impliciete opheffing.

  Art. M4. D. HET LOT VAN DE VERKAVELINGSVERGUNNINGEN DIE NIET OVEREENSTEMMEN MET HET G.B.P.
  1. De verkavelingsvergunningen die werden afgeleverd na 22 april 1962.
  Buiten de gevallen voorzien in de artikelen 60 en 61 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, heeft de verkavelingsvergunning een individueel karakter waardoor ze buiten het bereik valt van de tegengestelde regels van het nieuw hoger plan (R.v.S. Vandendriesche, nr. 31.059, 13 oktober 1998).
  De verkavelingsvergunning blijft volledig van toepassing, zelfs wanneer een later goedgekeurd bestemmingsplan een aantal stedenbouwkundige voorschriften niet bevat, die opgelegd zijn door de verkavelingsvergunningen (R.v.S. Schoepp, nr. 34.782, 20 april 1990).
  De bepalingen van de verkavelingsvergunning blijven van toepassing zolang ze niet werden opgeheven of gewijzigd overeenkomstig de specifieke bepalingen daartoe van de ordonnantie.
  De aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning die overeenstemmen met de voorschriften van de verkavelingsvergunningen, moeten worden ingewilligd, zelfs als ze onverenigbaar zijn met het G.B.P.
  2. De verkaveling die het voorwerp heeft uitgemaakt van een akkoord van de dienst stedenbouw vóór 22 april 1962.
  De verkaveling die het voorwerp heeft uitgemaakt van een akkoord van de dienst stedenbouw vóór 22 april 1962 geeft de aankopers van loten in een dergelijke verkaveling geen verworven rechten.
  Het akkoord van het bestuur geeft geen enkele garantie dat een stedenbouwkundige vergunning zal worden afgeleverd aan de genoemde kopers van loten wanneer de aanvraag overeenstemt met de voorschriften van het verkavelingsplan.
  Wanneer de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning overeenstemt met de voorschriften van het verkavelingsplan maar niet met de bepalingen van het G.B.P., moet die dus geweigerd worden.
  Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
  F.-X. de DONNEA
  Staatssecretaris bij het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen en Bezoldigd Vervoer van Personen,
  W. DRAPS

  BIJLAGE.

  Art. N. Inhoud.
  A. Terugblik op de evolutie van de normen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  1. De hiërarchie van de plannen
  2. Het principe van de expliciete opheffing mag geen obstakel vormen voor het principe van de impliciete opheffing
  3. Vereenvoudiging van de wetgeving van 14 december 2000
  B. Algemene voorstelling van de problematiek van de impliciete opheffing
  C. Methode voor het onderzoek van de conformiteit van de bepalingen van de van kracht zijnde B.B.P.'s met het G.B.P.
  1. Controle van de overeenstemming van de voorschriften van de B.B.P.'s met de algemene voorschriften van het G.B.P.
  a. De algemene voorschriften van het G.B.P. die wezenlijke elementen vormen van het plan
  b. Het systeem van de kaart van de saldi van toelaatbare kantoren
  2. Controle van de overeenstemming van voorschriften van de B.B.P.'s met de bijzondere voorschriften van het G.B.P.
  a. Eerste stap : identificatie van de voorschriften van toepassing.
  b. Tweede stap : vergelijking van de voorschriften op basis van vergelijkbare concepten.
  c. Derde stap : vergelijking van de bijzondere voorschriften van het B.B.P. met de bijzondere voorschriften van het G.B.P.
  1. Voorafgaande beschouwingen :
  1.1. De procedurele voorwaarden voorzien door de bijzondere voorschriften van het G.B.P.
  1.2. Het lot van het bijkomend element volgt dat van het hoofdelement
  1.3. De opheffing van de woordelijke voorschriften van een B.B.P. heeft een ruimtelijke dimensie
  2. Onderzoek van de verenigbaarheid
  2.1. Het B.B.P. is soepeler dan het G.B.P.
  2.2. Het B.B.P. is restrictiever dan G.B.P.
  i. - Het B.B.P. laat niet de hoofdbestemmingen toe die door het G.B.P. zijn voorzien.
  ii. - Het B.B.P. voert beperkingen in op de door het G.B.P. voorziene hoofdbestemmingen
  iii. - Het B.B.P. verhindert of beperkt de door het G.B.P. voorziene secundaire bestemmingen
  D. Het lot van de verkavelingsvergunningen die niet overeenstemmen met het G.B.P.
  1. De verkavelingsvergunningen die werden afgeleverd na 22 april 1962
  2. De verkaveling die het voorwerp heeft uitgemaakt van een akkoord van de dienst stedenbouw vóór 22 april 1962.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Aan het College van Burgemeester en Schepenen,
   Aan de Gemachtigde Ambtenaar,
   Aan het Stedenbouwkundig College
   Met deze omzendbrief wil de Brusselse Hoofdstedelijke Regering het stelsel van de impliciete opheffing toelichten zoals dat van toepassing is na de goedkeuring van het gewestelijk bestemmingsplan.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie