J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 74 uitvoeringbesluiten 54 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1998/11/19/1998002123/justel

Titel
19 NOVEMBER 1998. - Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-11-1998 en tekstbijwerking tot 23-07-2021)

Bron : OPENBAAR AMBT
Publicatie : 28-11-1998 nummer :   1998002123 bladzijde : 38161       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 1998-11-19/33
Inwerkingtreding : 01-12-1998

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1975052601        1991000134        1991012197        1997002103        1964060111        1964060113        1963030703        1967111303        1967111304        1973010803        1937100201        1963082803       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-8, 8bis, 9
HOOFDSTUK II. - Jaarlijks vakantieverlof en feestdagen.
Art. 10-14
HOOFDSTUK III. - Omstandigheidsverlof en uitzonderlijk verlof.
Afdeling 1. - Omstandigheidsverlof.
Art. 15, 15bis
Afdeling 2. - Uitzonderlijk verlof.
Art. 16-23, 23bis
HOOFDSTUK IV. - Moederschapsbescherming.
Art. 24-28, 28bis, 29-33, 33bis, 33ter
HOOFDSTUK V. - Ouderschapsverlof.
Art. 34-35, 35/1, 35bis
HOOFDSTUK VI. [1 Hoofdstuk VI.- Adoptieverlof, opvangverlof, pleegouderverlof en pleegzorgverlof ]1
Art. 36, 36bis, 36ter, 36quater, 37
HOOFDSTUK VII. - Verlof om dwingende redenen van familiaal belang.
Art. 38-40
HOOFDSTUK VIII. - Verlof wegens ziekte.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 41, 41bis, 42-48, 48bis, 48ter, 48quater, 49
Afdeling 2. - [1 Verminderde prestaties wegens medische redenen.]1
Art. 50-54
HOOFDSTUK IX. - Disponibiliteit wegens ziekte. <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 55-60
HOOFDSTUK IXbis. - Controle op de afwezigheden tengevolge van ziekte of ongeval. <ingevoegd bij KB 2007-01-17/37, art. 17; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 61-64
Afdeling 3. - Disponibiliteit wegens ziekte.
Art. 65-68
HOOFDSTUK IXter [1 - Controle van de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte]1
Art. 68bis
HOOFDSTUK X. - [1 Onthaal- en opleidingsactiviteiten en deelname aan testen]1
Afdeling 1. - [1 Onthaal- en opleidingsactiviteiten]1
Art. 69-70
Afdeling 2. - [1 De deelname aan testen]1
Art. 71
Afdeling 3. - De opleiding. [1 afgeschaft]1
Onderafdeling 1. - Dienstvrijstelling en opleidingsverlof. [1 opgeheven]1
Art. 72
Onderafdeling 2. - Dienstvrijstelling. - Voorwaarden. [1 afgeschaft]1
Art. 73
Onderafdeling 3. - Opleidingsverlof. - Voorwaarden. [1 afgeschaft]1
Art. 74-78
Onderafdeling 4. - Duur van de dienstvrijstelling en het opleidingsverlof. [1 afgeschaft]1
Art. 79-82
Onderafdeling 5. - Toelating. [1 afgeschaft]1
Art. 83-84
Onderafdeling 6. - Controle van de dienstvrijstelling en van het opleidingsverlof. [1 afgeschaft]1
Art. 85-89
Onderafdeling 7. - Aanwending van de dienstvrijstelling of van het opleidingsverlof. [1 afgeschaft]1
Art. 90-91
Onderafdeling 8. - Sancties. [1 afgeschaft]1
Art. 92
Onderafdeling 9. - Cumulatieverbod. [1 afgeschaft]1
Art. 93
Onderafdeling 10. - Reiskosten en inschrijvingskosten. [1 afgeschaft]1
Art. 94
HOOFDSTUK XI. - Verlof wegens opdracht.
Afdeling 1. - (Verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, (een beleidscel,) de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris [1 of bij het kabinet of het secretariaat van een politiek mandataris van de wetgevende macht]1.) <KB 2002-06-10/31, art. 11; Inwerkingtreding : 01-07-2002> <KB 2003-10-23/32, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 12-07-2003>
Art. 95-98
Afdeling 2. - Verlof voor opdracht van algemeen belang.
Art. 99-112
HOOFDSTUK XII. - Afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden.
Art. 113-115
HOOFDSTUK XIII. - Verlof voor loopbaanonderbreking.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 116-117, 117bis, 117ter, 118-127
Afdeling 2. - Vervanging.
Art. 128-132
Afdeling 3. - Aanvraag van de onderbrekingsuitkering en procedure.
Art. 133-138, 138/1
Afdeling 4. - Toezicht.
Art. 139
HOOFDSTUK XIV. - Verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid.
Art. 140-143
HOOFDSTUK XV. - Wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van de rijksambtenaren.
Art. 144-147
HOOFDSTUK XVI. - Wijziging van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van sommige instellingen van openbaar nut.
Art. 148-151
HOOFDSTUK XVII. - Overgangsbepalingen en slotbepalingen.
Art. 152-156
BIJLAGEN.
Art. N1, N2.Bijlage II

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1.§ 1. Dit besluit is van toepassing op de rijksambtenaren, die onderworpen zijn aan het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.
  § 2. Dit besluit is van toepassing op de stagiairs, met uitzondering van de bepalingen betreffende :
  (1° het verlof om een stage of proefperiode te verrichten en het verlof om zijn kandidatuur bij verkiezingen in te dienen;) <KB 1999-05-26/35, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  2° het verlof voor verminderde prestaties [1 wegens medische redenen]1;
  3° (...) <KB 2002-12-12/36, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  4° [3 deelname aan een selectie voor de overgang naar een hoger niveau;]3
  5° het verlof voor opdracht van algemeen belang;
  6° de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden;
  7° [7 het verlof voor loopbaanonderbreking, met uitzondering van de loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging, de loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof en de loopbaanonderbreking voor de bijstand of de verzorging van een minderjarig kind, tijdens of vlak na de hospitalisatie van het kind als gevolg van een zware ziekte;]7
  8° de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid.
  [6 In afwijking van het eerste lid en van artikel 7, § 1, eerste lid, heeft een persoon met een handicap in de zin van artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage, die een stage aflegt, recht op verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten belope van de helft en ten belope van één vijfde van de prestaties.]6
  § 3. Voor het bij [3 arbeidsovereenkomst]3 in dienst genomen personeel zijn de bepalingen van toepassing betreffende :
  1° het jaarlijks vakantieverlof en de feestdagen;
  2° [3 het omstandigheidsverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten voor dezelfde gebeurtenis;]3
  3° [3 het verlof voor het afstaan van organen of weefsels, voor het afstaan van beenmerg en voor het geven van bloed, bloedplasma en bloedplaatjes;]3
  4° het verlof voor deelname aan een assisenjury;
  5° het verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps Civiele Bescherming als vrijwillige dienstnemer bij dit korps;
  (6° het ouderschapsverlof, met uitzondering van dat wat vermeld is in artikel 35;) <KB 1999-05-26/35, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  7° [3 [9 het adoptieverlof en het opvangverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30ter, §§ 1 tot 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Het artikel 30ter, § 4, van dezelfde wet is evenwel van toepassing op het personeelslid dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven en dat gebruik maakt van het adoptieverlof voorzien bij dit besluit]9;]3
  [9 ]7° /1 het pleegzorgverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]9
  [9 7° /2 het pleegouderverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30sexies, §§ 1 tot 4 en § 6, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Het artikel 30sexies, § 5, van dezelfde wet is evenwel van toepassing op het personeelslid dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven en dat gebruik maakt van het pleegouderverlof voorzien bij dit besluit;]9
  8° [3 de onthaal- en opleidingsactiviteiten en de deelname aan testen, met uitzondering van de deelname aan een selectie voor de overgang naar een hoger niveau;]3
  9° (het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, (een beleidscel) de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris [2 of bij het kabinet of het secretariaat van een politiek mandataris van de wetgevende macht]2.) <KB 2002-06-10/31, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> <KB 2003-10-23/32, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 12-07-2003>
  (10° de borstvoedingspauzes.) <KB 2002-12-12/36, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  (11° het verwittigen van de dienst van een afwezigheid ten gevolge van een ziekte of een ongeval, in toepassing van artikel 61, met uitzondering van het vierde lid, en de mogelijkheid voor het personeelslid om te opteren voor het gebruik van één dag jaarlijks vakantieverlof in het geval van een ongerechtvaardigde afwezigheid van één dag, in toepassing van artikel 62, § 2, zesde lid.) <KB 2007-01-17/37, art. 3, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (12° de dienstvrijstelling bedoeld in artikel 41bis, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik heeft gemaakt van artikel 27, eerste lid, 2° van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.) <KB 2008-12-07/37, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [3 13° het uitzonderlijk verlof voor het vergezellen en bijstaan van zieken, personen met een handicap en maatschappelijk kwetsbare mensen tijdens vakantiereizen en -verblijven in België of het buitenland of voor het begeleiden van sporters met een handicap tijdens hun deelname aan de paralympische spelen of de " special olympics ".]3
  [4 14° de aanpassing van het begin- en einduur van de werkdag in de periode van zes maanden volgend op het ouderschapsverlof;]4
  [5 15° de controle van de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte.]5
  [8 16° het verlof voor erkende mantelzorgers.]8
  [§ 4. Voor het bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel in toepassing van artikel 4, § 1, 3° van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken zijn naast de verloven opgenomen onder § 3 de bepalingen van toepassing betreffende het verlof voor opdracht van algemeen belang in het kader van de Europees programma's Phare, Tacis of Meda.] <KB 2002-06-10/31, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  ----------
  (1)<KB 2009-10-07/11, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2010-03-15/01, art. 10, 028; Inwerkingtreding : 02-04-2010>
  (3)<KB 2011-11-14/01, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>
  (4)<KB 2012-07-20/07, art. 3, 031; Inwerkingtreding : 01-08-2012>
  (5)<KB 2013-06-18/10, art. 3, 036; Inwerkingtreding : 11-07-2013>
  (6)<KB 2013-12-21/19, art. 18, 039; Inwerkingtreding : 09-01-2014>
  (7)<KB 2017-03-09/07, art. 4, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
  (8)<KB 2020-10-19/05, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  (9)<KB 2021-06-27/21, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 2.§ 1. Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder :
  1° de ambtenaar of ambtenaren : de persoon of personen bedoeld in artikel 1;
  2° werkdagen : de dagen waarop de ambtenaar verplicht is te werken krachtens de arbeidsregeling die hem opgelegd is;
  [3 3° Bij de vaststelling van een verlof of een afwezigheid in toepassing van artikel 10, 11, 15, 20, 21, 22, 38 en 41 wordt één werkdag gelijkgesteld aan 7 u. 36 min. wanneer de ambtenaar werkt volgens een stelsel van de 38 uren-werkweek of 7 u. 12 min. in het stelsel van de 36 uren-werkweek;]3
  [4 4° langdurige pleegzorg : pleegzorg zoals omschreven in artikel 30sexies, § 6, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en waarbij het kind als deel uitmakend van dat gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het gezin, de pleegouder of pleegouders zijn/hun verblijfplaats heeft/hebben is ingeschreven;
   5° kortdurende pleegzorg : alle vormen van pleegzorg die niet voldoen aan de voorwaarden van langdurige pleegzorg;
   6° pleegkind : het kind waarvoor de ambtenaar of zijn echtgenote of samenwonende partner in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
   7° pleegvader en -moeder : de pleegouder die in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming.]4
  [In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, wordt onder werkdagen verstaan alle dagen met uitzondering van de zaterdagen, zondagen en feestdagen, bedoeld in artikel 14, § 1, voor de toepassing van [2 artikel 48bis, artikel 53, § 1 en § 3, en artikel 63]2.] <KB 2007-01-17/37, art. 4, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [3 In afwijking van § 1, eerste lid, 3°, kan een specifieke arbeidsregeling worden bepaald op basis van een 38 uren-werkweek en een 40 uren-werkweek indien dit noodzakelijk is voor de werking van de dienst, met een in ministerraad overlegd besluit en met machtiging door de minister die ambtenarenzaken in zijn bevoegdheden heeft.]3
  § 2. Tijdens de afwezigheden bedoeld in artikel 1, § 3 behoudt het personeel dat in dienst genomen is bij arbeidsovereenkomst zijn wedde en zijn aanspraken tot bevordering in zijn weddeschaal, behoudens andere bepalingen.
  [1 § 3. Voor de toepassing van dit besluit, wordt gelijkgesteld met :
   1° het huwelijk, het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door twee personen van verschillend of gelijk geslacht die samenleven als koppel;
   2° de echtgenoot van de ambtenaar, de persoon, van verschillend of gelijk geslacht, met wie de ambtenaar samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats;
   3° de echtgenote van de ambtenaar, de persoon, van verschillend of gelijk geslacht, met wie de ambtenaar samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats;
   4° de vader, de persoon van het vrouwelijk of het mannelijk geslacht getrouwd met de moeder of die met haar samenleeft als koppel, op dezelfde woonplaats.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 3, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>
  (2)<KB 2013-06-18/10, art. 4, 036; Inwerkingtreding : 11-07-2013>
  (3)<KB 2017-03-09/07, art. 5, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
  (4)<W 2021-06-27/18, art. 10, 055; Inwerkingtreding : 25-07-2021>

  Art. 3.De ambtenaar mag niet afwezig zijn van zijn dienst tenzij hij vooraf een verlof of dienstvrijstelling heeft gekregen.
  Onder dienstvrijstelling wordt verstaan de toestemming gegeven aan een ambtenaar om gedurende de diensturen afwezig te zijn voor een bepaalde duur met behoud van al zijn rechten.
  Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.
  [1 De voorzitter van het directiecomité kan enkel een dienstvrijstelling van collectieve aard toekennen voor :
   1° een culturele of sportactiviteit georganiseerd door de overheid waaronder de ambtenaar ressorteert of de sociale dienst;
   2° een activiteit georganiseerd ter gelegenheid van Nieuwjaar door de overheid waaronder de ambtenaar ressorteert.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 4, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 4. Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf of een administratieve maatregel is de ambtenaar die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, van rechtswege in non-activiteit.
  Dit artikel is niet van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.

  Art. 5. De deelneming van een ambtenaar aan een georganiseerde werkonderbreking wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Hij heeft evenwel geen recht op zijn wedde.
  Het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen dat deelneemt aan een georganiseerde werkonderbreking, heeft geen recht op wedde maar behoudt zijn rechten tot bevordering in zijn weddeschaal.

  Art. 6. De gemiddelde maximum arbeidsduur mag per week 38 uur niet overschrijden.
  Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.

  Art. 7.(§ 1.) Al de ambtenaren die titularis zijn (van klasse A4 of A5 die de leiding hebben van een dienst) zijn uitgesloten van de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid, van de voltijdse en de (halftijdse) loopbaanonderbreking en van de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden. De minister bepaalt de andere ambten waarvan de titularissen, om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst, uitgesloten zijn van dezelfde verloven en afwezigheden. <KB 1999-05-26/35, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999> <KB 2002-06-10/31, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> <KB 2004-08-04/30, art. 128, 013; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  (De voorzitter van het directiecomité) kan evenwel, in de gevallen waarin de goede werking van de dienst erdoor niet wordt verstoord, de titularissen van de ambten, uitgesloten door of krachtens het eerste lid, die erom verzoeken toestaan om de verloven en de afwezigheden te genieten opgesomd in hetzelfde lid. <KB 2002-09-05/37, art. 113, 010; Inwerkingtreding : 26-09-2002, zie ook KB 2002-09-05/37, art. 242>
  § 2. [1 In afwijking van § 1, bekomen de erin bedoelde ambtenaren de in de [2 artikelen 35, 35/1, 117, 117bis en 117ter]2 bedoelde verloven, onder de in het Hoofdstuk XIII van dit besluit voorziene voorwaarden en modaliteiten.]1
  ----------
  (1)<KB 2013-07-12/01, art. 3, 037; Inwerkingtreding : 01-08-2013>
  (2)<KB 2019-07-18/02, art. 5, 048; Inwerkingtreding : 01-08-2019>

  Art. 8. De verloven, afwezigheden en dienstvrijstellingen bedoeld in dit besluit worden toegekend (door de voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde), met uitzondering echter van, de twee volgende verloven die worden toegekend door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert :
  1° het verlof voor opdracht van algemeen belang;
  2° (het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht.) <KB 2002-06-10/31, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  De verloven, afwezigheden en dienstvrijstellingen worden toegekend (aan de voorzitter van het directiecomité) door de minister onder wie deze ressorteert. <KB 2002-09-05/37, art. 114, 010; Inwerkingtreding : 26-09-2002, zie ook KB 2002-09-05/37, art. 242>

  Art. 8bis.[1 § 1. De ambtenaar die een ouderschapsverlof wenst te genieten [2 in toepassing van de artikelen 34, 35 en 35/1,]2 een loopbaanonderbreking in toepassing van artikel 116, een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden in toepassing van artikel 113 of verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden in toepassing van artikel 140, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan.
   Die mededeling gebeurt schriftelijk en minstens twee maanden vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de ambtenaar een kortere termijn aanvaardt. Voor elke verlenging wordt een aanvraag van de betrokken ambtenaar vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend.
   § 2. In voorkomend geval wordt de arbeidsregeling voor de vermindering van de prestaties in toepassing van artikel 34, 35, 116 en 140, als volgt bepaald :
   1° de vermindering van de prestaties met één tiende is een arbeidsregeling waarbij de ambtenaar één tiende minder prestaties dient te verrichten dan die verbonden aan een voltijdse tewerkstelling; de verdeling van de prestaties geschiedt in halve dagen, volledige dagen of in uren en kunnen gespreid worden over twee weken;
   2° de vermindering van de prestaties met één vijfde is een arbeidsregeling waarbij de ambtenaar één vijfde minder prestaties dient te verrichten dan die verbonden aan een voltijdse tewerkstelling; de verdeling van de prestaties geschiedt in halve dagen, volledige dagen of in uren gespreid over één week;
   3° de vermindering van de prestaties met één vierde is een arbeidsregeling waarbij de ambtenaar één vierde minder prestaties dient te verrichten dan die verbonden aan een voltijdse tewerkstelling; de verdeling van de prestaties geschiedt in halve dagen, volledige dagen of in uren gespreid over twee weken;
   4° de vermindering van de prestaties met één derde is een arbeidsregeling waarbij de ambtenaar één derde minder prestaties dient te verrichten dan die verbonden aan een voltijdse tewerkstelling; de verdeling van de prestaties geschiedt in halve dagen, volledige dagen of in uren gespreid over drie weken;
   5° de vermindering van de prestaties met de helft is een arbeidsregeling waarbij de ambtenaar de helft minder prestaties dient te verrichten die verbonden zijn aan een voltijdse tewerkstelling; de verdeling van de prestaties geschiedt in halve dagen, volledige dagen of in uren gespreid over een week of een maand.
   In afwijking van het eerste lid kunnen de arbeidsregelingen opgesomd in het eerste lid worden aangepast zodat ze in een ploegensysteem kunnen worden ingepast.
   § 3. De aanvraag van het verlof in toepassing van paragraaf 1, bevat de wensen van de ambtenaar rond de dag of de dagen waarop hij in verlof is.
   De voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde kent het verlof toe en bepaalt de werkkalender. Indien de ambtenaar niet akkoord gaat met de werkkalender, kan hij van zijn verlofaanvraag afzien.
   In functie van de noden van de dienst of op vraag van de ambtenaar kan de werkkalender door de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde worden aangepast. Deze laatsten brengen de ambtenaar twee maanden op voorhand op de hoogte van deze aanpassing.
   Een tijdelijke aanpassing van de werkkalender is mogelijk bij onderling akkoord tussen de ambtenaar en zijn functionele chef.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2017-03-09/07, art. 6, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
  (2)<KB 2019-07-18/02, art. 6, 048; Inwerkingtreding : 01-08-2019>

  Art. 9. (Opgeheven) <KB 2002-09-05/37, art. 115, 010; Inwerkingtreding : 26-09-2002, zie ook KB 2002-09-05/37, art. 242>

  HOOFDSTUK II. - Jaarlijks vakantieverlof en feestdagen.

  Art. 10.<KB 2009-01-31/30, art. 1, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2008> De ambtenaar heeft recht op een jaarlijks vakantieverlof waarvan de duur naargelang de leeftijd als volgt is bepaald :
  - minder dan 45 jaar : 26 werkdagen;
  - van 45 tot 49 jaar : 27 werkdagen;
  - van 50 tot 54 jaar : 28 werkdagen;
  - van 55 tot 59 jaar : 29 werkdagen;
  - van 60 tot 61 jaar : 30 werkdagen;
  - op 62 jaar : 31 werkdagen;
  - op 63 jaar : 32 werkdagen;
  - [1 vanaf 64 jaar]1 : 33 werkdagen.
  ----------
  (1)<KB 2013-06-18/10, art. 5, 036; Inwerkingtreding : 11-07-2013>

  Art. 11.[1 § 1. Het jaarlijks vakantieverlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
   Het jaarlijks vakantieverlof wordt genomen naar keuze van de ambtenaar en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
   Indien het verlof gesplitst wordt en indien de ambtenaar het vraagt, omvat het een doorlopende periode van ten minste twee weken.
   § 2. De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal bepaalt de modaliteiten van een eventuele overdracht van jaarlijks vakantieverlof naar het volgende jaar. Deze overdracht geldt voor maximum één jaar.
   Indien de ambtenaar zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen opnemen ten gevolge van een afwezigheid wegens ziekte, wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval op weg van of naar het werk of wegens een beroepsziekte, dan is de overdracht niet beperkt tot één jaar. Bij de terugkeer van de ambtenaar wordt het jaarlijks vakantieverlof opgenomen naar keuze van de ambtenaar en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
   § 3. Op jaarbasis wordt het aantal werkdagen jaarlijks vakantieverlof dat kan worden opgespaard, begrensd tot het aantal werkdagen jaarlijks vakantieverlof dat hoger ligt dan de minimumduur bij voltijdse prestaties vastgelegd in artikel 9 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector komt in aanmerking. Voor deeltijdwerkers wordt dit pro rata berekend.
   Het totale opgespaarde jaarlijkse vakantieverlof mag niet hoger liggen dan 100 werkdagen.
   Bij de vaststelling van de maximumduur van 100 werkdagen bepaald in het tweede lid wordt geen rekening gehouden met het jaarlijks vakantieverlof dat overgedragen wordt in toepassing van paragraaf 2.
   Het opgespaarde jaarlijks vakantieverlof wordt genomen naar keuze van de ambtenaar en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
   Indien de ambtenaar een doorlopende periode van ten minste 20 werkdagen opgespaard jaarlijks vakantieverlof wenst op te nemen dan dient hij dit, in afwijking van het vierde lid, twee maanden voor de aanvang ervan aan te vragen, tenzij de overheid waaronder hij ressorteert een kortere termijn aanvaardt. Dit verlof kan hem niet geweigerd worden om dienstredenen.
   In afwijking van het vierde en vijfde lid, kan het opgespaard jaarlijks vakantieverlof aanvangen op de eerste dag van de week volgend op de aanvraag wanneer de ambtenaar wordt geconfronteerd met een ziekenhuisopname van een persoon die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont of van een kind, de vader of de moeder van de ambtenaar of een kind, de vader of de moeder van zijn echtgeno(o)t(e).]1
  ----------
  (1)<KB 2017-03-09/07, art. 7, 043; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 12.§ 1. Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijks vakantieverlof.
  Het vakantieverlof wordt echter in evenredige mate verminderd wanneer een ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt, zijn ambt definitief neerlegt, in dienst is genomen om onvolledige prestaties te verrichten, of tijdens het jaar een van de hierna genoemde verloven of afwezigheden heeft verkregen :
  1° de verloven vermeld in de artikelen 16 en 17 van dit besluit;
  2° de halftijdse vervroegde uittreding;
  3° de vrijwillige vierdagenweek;
  4° het verlof voor opdracht;
  5° het verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan;
  6° de afwezigheden waarbij de ambtenaar in de administratieve stand van non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst;
  [1 7° de verminderde prestaties wegens medische redenen.]1
  [3 8° de vierdagenweek met en zonder premie;
   9° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar.]3
  Indien het aldus berekende aantal vakantiedagen geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijke hogere eenheid.
  Voor de berekening van de duur van het jaarlijks vakantieverlof dat wordt toegekend aan het [...] personeel dat [2 bij arbeidsovereenkomst]2 wordt aangeworven, worden de periodes van afwezigheid [wegens ouderschapsverlof bedoeld in artikel 34 en] verloven die met het oog op de bescherming van het moederschap zijn toegekend bij de artikelen 39, 41, 41bis, 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971, beschouwd als periodes van dienstactiviteit in de zin van het eerste lid. <KB 1999-05-26/35, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999> <KB 2007-01-17/37, art. 5, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [2 Voor de berekening van de duur van het jaarlijks vakantieverlof dat wordt toegekend aan het personeel dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven, worden de periodes van afwezigheid voor [6 eboorteverlof, adoptieverlof, pleegzorgverlof en pleegouderverlof toegekend bij het artikel 30, § 2, het artikel 30ter, het artikel 30quater en het artikel 30sexies]6 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, beschouwd als periodes van dienstactiviteit in de zin van het eerste lid.
   Voor de berekening van de duur van het jaarlijks vakantieverlof dat wordt toegekend aan het personeel dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven, worden de periodes van volledige afwezigheid wegens ziekte, beschouwd als periodes van dienstactiviteit in de zin van het eerste lid.]2
  § 2. [5 ...]5
  § 3. Het jaarlijks vakantieverlof wordt opgeschort zodra de ambtenaar een verlof wegens ziekte bekomt of in disponibiliteit wegens ziekte wordt geplaatst.
  ----------
  (1)<KB 2009-10-07/11, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-11-2009>
  (2)<KB 2011-11-14/01, art. 6, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>
  (3)<KB 2012-09-20/02, art. 12, 032; Inwerkingtreding : 01-10-2012>
  (4)<KB 2017-03-09/07, art. 8, 043; Inwerkingtreding : 12-06-2014>
  (5)<KB 2017-07-13/08, art. 107, 044; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
  (6)<KB 2021-06-27/21, art. 2, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 13.
  <Opgeheven bij KB 2017-03-09/07, art. 9, 043; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 14.§ 1. De ambtenaar is met verlof op de feestdagen, die zijn opgesomd in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen alsook op (...), 2 november, 15 november en 26 december. <KB 1999-05-26/35, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  § 2. De ambtenaar is met verlof tijdens de periode van 27 december tot en met 31 december als compensatie voor de feestdagen bedoeld in § 1 die samenvallen met een niet-werkdag.
  § 3. De ambtenaar die krachtens de arbeidstijdregeling die op hem van toepassing is, of ten gevolge van de behoeften van de dienst verplicht is te werken op één van de dagen bedoeld in § 1 of gedurende de periode bedoeld in § 2, bekomt vervangende verlofdagen die kunnen genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof.
  § 4. De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Indien een ambtenaar echter op een feestdag om een andere reden met verlof is, of in disponibiliteit of in non-activiteit is geplaatst, blijft zijn administratieve stand bepaald overeenkomstig de verordeningsbepalingen die op hem van toepassing zijn.
  [1 Indien een vrije dag in het kader van deeltijds werken samenvalt met één van de dagen bedoeld in § 1 of gedurende de periode bedoeld in § 2, bekomt de ambtenaar geen vervangende verlofdag.]1
  (§ 5. Indien een ambtenaar zijn ambt definitief neerlegt vóór de periode bedoeld in § 2, dan heeft hij recht op een aantal verlofdagen gelijk aan het aantal feestdagen die samenvielen met een niet-werkdag in de periode dat hij nog wel in dienst was. Deze kunnen genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof, zoals bedoeld in artikel 11 en 12, § 2.) <KB 2005-10-12/35, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 01-12-2005>
  ----------
  (1)<KB 2012-11-26/09, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 15-12-2012>

  HOOFDSTUK III. - Omstandigheidsverlof en uitzonderlijk verlof.

  Afdeling 1. - Omstandigheidsverlof.

  Art. 15.[1 Het omstandigheidsverlof wordt toegekend binnen de perken zoals hierna bepaald :
   1° huwelijk van de ambtenaar : 4 werkdagen;
   2° de bevalling van de echtgenote van de ambtenaar : 10 werk dagen [2 , verhoogd naar 15 werkdagen vanaf 1 januari 2021 en naar 20 werkdagen vanaf 1 januari 2023]2;
   3° [3 overlijden van de echtgeno(o)t(e) van de ambtenaar, overlijden van het natuurlijk kind, adoptiekind of pleegkind in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden of in het verleden, van de ambtenaar, of van diens echtgeno(o)t(e) : 10 werkdagen, waarbij drie werkdagen door de ambtenaar te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en zeven werkdagen door de ambtenaar te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze verlofdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van de ambtenaar mits een akkoord van de werkgever;]3
  [3 3°/1 overlijden van de vader, moeder, schoonvader, stiefvader, schoonmoeder, stiefmoeder, schoondochter, schoonzoon van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) : vier werkdagen waarbij drie werkdagen door de ambtenaar te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en één werkdag door de ambtenaar te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze werkdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van de ambtenaar mits een akkoord van de werkgever;]3
  [3 3°/2 overlijden van de pleegvader of pleegmoeder van de ambtenaar in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden: vier werkdagen waarbij drie werkdagen door de ambtenaar te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en één werkdag door de ambtenaar te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze werkdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van de ambtenaar mits een akkoord van de werkgever;]3
   4° huwelijk van een kind van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) : 2 werkdagen;
   5° het huwelijk van een broer, een zuster, een schoonbroer, een schoonzuster, de vader, de moeder, de schoonvader, de stiefvader, de schoonmoeder, de stiefmoeder, een kleinkind van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) : 1 werkdag;
   6° overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) maar onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 2 werkdagen;
   7° overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede of in de derde graad van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) maar niet onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 1 werkdag;
  [3 7°/1 overlijden van een pleegkind van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden : een werkdag;]3
   8° verandering van standplaats opgelegd in het belang van de dienst, wanneer de verplaatsing een bijdrage van de Staat in de verhuiskosten meebrengt : 2 werkdagen;
   9° priesterwijding of intreden in het klooster of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) : 1 werkdag;
   10° plechtige communie of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) : 1 werkdag;
   11° deelneming van een kind van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) aan het feest van de "vrijzinnige jeugd" : 1 werkdag;
   12° oproeping als getuige voor een rechtscollege of persoonlijke verschijning op aanmaning van een rechtscollege : voor de nodige duur;
   13° de uitoefening van het ambt van voorzitter, van bijzitter of van secretaris van een stembureau of een opnemingsbureau : de nodige tijd met een maximum van twee werkdagen.
   De verloven bedoeld in dit artikel worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 8, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>
  (2)<KB 2020-12-17/26, art. 1, 053; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  (3)<W 2021-06-27/18, art. 11, 055; Inwerkingtreding : 25-07-2021>

  Art. 15bis.[1 In geval een verlof wegens ziekte andere dan een beroepsziekte, of ten gevolge van een ongeval, ander dan een arbeidsongeval of een ongeval van of naar het werk, aansluit op de afwezigheid wegens het omstandigheidsverlof dat op grond van artikel 15, 3°, wordt toegekend, dan worden de opgenomen dagen van omstandigheidsverlof vanaf de vijfde dag in mindering gebracht van het saldo van de verloven waarop artikel 41 van dit besluit recht geeft, op voorwaarde dat deze vijfde dag aansluit op een vierde dag afwezigheid toegestaan op grond van artikel 15, 3°.]1
  ----------
  (1)<W 2021-06-27/18, art. 12, 055; Inwerkingtreding : 25-07-2021>

  Afdeling 2. - Uitzonderlijk verlof.

  Art. 16. (De ambtenaar bekomt verlof om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen van de federale wetgevende kamers, van de gewest- en gemeenschapsraden, van de provincieraden, de gemeenteraden of van de europese vergaderingen.) <KB 1999-05-26/35, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  Deze verloven worden toegekend voor een periode die overeenkomt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan de betrokkenen als kandidaat deelnemen.
  Deze verloven worden niet vergoed en worden voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

  Art. 17.De ambtenaar bekomt [1 voltijds verlof]1 voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking van een overheidsdienst of van het gesubsidieerd onderwijs.
  [Dit verlof wordt toegestaan voor de normale duur van de stage of van de proefperiode. Indien het statuut geen stage of proefperiode voorziet is de maximumduur van dit verlof beperkt tot 2 jaar.] <KB 2007-01-17/37, art. 6, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Deze verloven worden niet vergoed en worden voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
  [De ambtenaar die het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.] <KB 2002-06-10/31, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 10, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 18. De ambtenaar bekomt een verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen en dit tijdens de duur van de zitting.
  Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

  Art. 19. De ambtenaar verkrijgt verlof om in vredestijd prestaties te verrichten hij het Korps Civiele Bescherming als vrijwillige dienstnemer bij dit korps.
  Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

  Art. 20.§ 1. [1 De ambtenaar bekomt uitzonderlijk verlof wegens overmacht die het gevolg is van de ziekte of van een ongeval overkomen aan één van de hierna opgesomde personen, met wie hij samenleeft op dezelfde woonplaats :
   1° de echtgeno(o)t(e) van de ambtenaar;
   2° een bloed- of aanverwant van de ambtenaar of zijn echtgeno(o)t(e);
   3°[2 3° een persoon opgenomen met het oog op zijn adoptie of met het oog op de uitoefening van een pleegvoogdij]2.
  [2 4° een pleegkind; onder `pleegkind' wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan elk kind dat op dat ogenblik in het gezin van de ambtenaar is geplaatst door de rechtbank, door een door een gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, door de diensten van "l'Aide à la Jeunesse", door het Comité Bijzondere Jeugdbijstand of door de "Jugendhilfedienst".]2
   De ambtenaar bekomt eveneens een uitzonderlijk verlof wegens overmacht die het gevolg is van de ziekte of van een ongeval overkomen aan zijn kind dat bij hem verblijft maar gedomicilieerd is bij de andere ouder van het kind.]1
  De noodzaak van de aanwezigheid wordt bewezen aan de hand van een dokterattest.
  § 2. De duur van de verloven bedoeld in § 1 is tot 4 werkdagen per jaar beperkt. De verloven zijn gelijkgesteld met periodes van [dienstactiviteit]. <KB 2002-06-10/31, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 11, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>
  (2)<KB 2021-06-27/21, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 21.[1 De ambtenaar heeft recht op een verlof van 5 werkdagen per jaar voor :
   1° zieken, personen met een handicap en maatschappelijke kwetsbare mensen te vergezellen en bij te staan tijdens vakantiereizen en -verblijven in België en het buitenland. Deze vakantiereizen en -verblijven moeten georganiseerd worden door een vereniging, een openbare instelling of een privé-instelling, waarvan de opdracht erin bestaat de zorg voor zieken, personen met een handicap of maatschappelijke kwetsbare mensen op zich te nemen en die hiervoor subsidies van de overheid krijgt;
   2° sporters met een handicap te begeleiden die deelnemen aan de paralympische spelen of de " special olympics ".
   Om het verlof in toepassing van artikel 21 van dit besluit te genieten, kan de dienst de ambtenaar vragen het bewijs te leveren van deelname aan de activiteiten.
   Het verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 12, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 22. De ambtenaar verkrijgt een verlof van ten hoogste vier werkdagen voor het afstaan van beenmerg. Het verlof neemt een aanvang op de dag waarop de beenmergafstand in de verzorgingsinstelling plaatsvindt; het wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

  Art. 23. De ambtenaar verkrijgt een verlof voor het afstaan van organen of weefsels. Dit verlof wordt toegestaan voor een periode die overeenkomt met de duur van de hospitalisatie en van de eventueel vereiste herstelperiode alsook met de duur van de voorafgaande geneeskundige onderzoeken. Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

  Art. 23bis.[2 De ambtenaar bekomt een verlof voor het geven van bloed, bloedplasma en bloedplaatjes, op voorwaarde dat hij voorafgaandelijk aan de donatie toelating heeft gekregen van de overheid waaronder hij ressorteert. Dit verlof kan worden geweigerd om dienstredenen.
   De ambtenaar krijgt verlof voor de nodige duur voor het geven van bloed, bloedplasma of bloedplaatjes en voor een maximale verplaatsingstijd van twee uur.
   Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit . ]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-11-14/01, art. 13, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>
  (2)<KB 2012-11-26/09, art. 2, 034; Inwerkingtreding : 15-12-2012>

  HOOFDSTUK IV. - Moederschapsbescherming.

  Art. 24. (het moederschapsverlof) bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. <KB 2005-10-12/35, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 01-12-2005>

  Art. 25.<KB 2005-10-12/35, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 01-07-2004> De bezoldiging over de periode gedurende welke de vrouwelijke ambtenaar moederschapsverlof geniet, mag niet meer dan vijftien weken bestrijken of negentien weken in geval van meervoudige geboorte.
  [1 ...]1
  De bezoldiging voor de verlenging van de postnatale rust toegestaan in toepassing van artikel 33bis mag niet meer dan 24 weken bestrijken.
  ----------
  (1)<KB 2020-08-22/15, art. 1, 051; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 26.
  <Opgeheven bij KB 2020-08-22/15, art. 2, 051; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 27. Wanneer de vrouwelijke ambtenaar het prenataal verlof heeft opgebruikt en de bevalling na de voorziene datum gebeurt wordt het prenataal verlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling. Tijdens deze periode bevindt de vrouwelijke ambtenaar zich (in moederschapsverlof).
  In afwijking van artikel 25 is de bezoldiging verschuldigd. <KB 2005-10-12/35, art. 8, 016; Inwerkingtreding : 01-12-2005>

  Art. 28.<KB 2002-12-12/36, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003> (Op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar wordt het moederschapsverlof, in toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gearbeid heeft vanaf de zesde week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat.) <KB 2005-10-12/35, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  Worden daarvoor gelijkgesteld met werkdagen die tot na het postnataal verlof verschoven kunnen worden :
  1° het jaarlijks vakantieverlof;
  2° de in artikel 14 bedoelde feestdagen;
  3° de in de artikelen 15 en 20 bedoelde verloven;
  4° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang;
  5° de afwezigheden wegens ziekte [1 ...]1;
  [1 6° de volledige werkverwijdering bedoeld in artikel 31.]1
  [1 ...]1
  (Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, eventueel verlengd overeenkomstig het bepaalde (in het tweede lid [1 ...]1), verlengd met een periode van (maximaal) twee weken.) <KB 2005-10-12/35, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 01-07-2004> <KB 2007-01-11/35, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  ----------
  (1)<KB 2020-08-22/15, art. 3, 051; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 28bis. [1 Overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971, kunnen de laatste twee weken van de postnatale rustperiode op haar verzoek worden omgezet in verlofdagen van postnatale rust, wanneer de vrouwelijke ambtenaar de arbeidsonderbreking na de negende week met ten minste twee weken kan verlengen.
   Ten laatste vier weken voor het einde van de verplichte periode van postnatale rust, brengt de vrouwelijke ambtenaar de overheid waaronder ze ressorteert schriftelijk op de hoogte van de omzetting en de planning bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971.
   Overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971, moeten de verlofdagen van postnatale rust worden opgenomen binnen acht weken te rekenen vanaf het einde van de ononderbroken periode van postnatale rust.
   De verlofdagen van postnatale rust worden gelijkgesteld met dienstactiviteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-01-12/03, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 11-02-2010>

  Art. 29. Zwangere of de borstgevende ambtenaren mogen geen overuren verrichten. Als overuren dienen, voor de toepassing van dit artikel, te worden beschouwd, alle werk bovenop 38 uren per week.
  Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen is.

  Art. 30. De vrouwelijke ambtenaar die in dienstactiviteit is bekomt op haar verzoek het nodig verlof om haar in staat te stellen naar prenatale medische onderzoeken, die niet buiten de diensturen kunnen plaatsvinden, te gaan en te ondergaan. De aanvraag van de ambtenaar moet worden gestaafd met elk nuttig bewijs.
  Het verlof is met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

  Art. 31. De ambtenaar die, (met toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 en het artikel 18 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector) is vrijgesteld van arbeid, wordt ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. <KB 2002-12-12/36, art. 9, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  Art. 32.[1 De artikelen 24 en 25 zijn]1 zijn niet van toepassing in geval van miskraam vóór de 181e dag van de zwangerschap.
  ----------
  (1)<KB 2020-08-22/15, art. 4, 051; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 33. § 1. Als (...), de moeder van het kind overlijdt of in het ziekenhuis wordt opgenomen, verkrijgt de vader van het kind op eigen verzoek een vaderschapsverlof om in de opvang van het kind te voorzien. <KB 2002-12-12/36, art. 10; 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 2. In geval van overlijden van de moeder is de duur van het vaderschapsverlof ten hoogste gelijk aan de duur van (het moederschapsverlof) dat de moeder nog niet opgebruikt had de ambtenaar die vader van het kind is en die het vaderschapsverlof wenst te genieten stelt daar schriftelijk de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte binnen zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder. De brief waarin hij dat doet vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het vaderschapsverlof. Hij legt zo spoedig mogelijk een uittreksel uit de overlijdensakte van de moeder voor. <KB 2005-10-12/35, art. 10, 016; Inwerkingtreding : 01-12-2005>
  § 3. In geval van hospitalisatie van de moeder kan de ambtenaar die vader van het kind is een vaderschapsverlof krijgen onder de volgende voorwaarden :
  1° de pasgeborene moet het ziekenhuis verlaten hebben;
  2° de hospitalisatie van de moeder moet langer dan zeven dagen duren.
  Het vaderschapsverlof kan niet aanvangen voor de zevende dag volgend op de dag van de geboorte van het kind en wordt beëindigd op het ogenblik dat de hospitalisatie van de moeder ten einde loopt en uiterlijk op het einde van het gedeelte van (het moederschapsverlof) dat door de moeder nog niet was opgebruikt. <KB 2005-10-12/35, art. 10, 016; Inwerkingtreding : 01-12-2005>
  De ambtenaar die de vader van het kind is en die het vaderschapsverlof wenst te genieten stelt daar schriftelijk de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte. De brief waarin hij dat doet vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof. De verlofaanvraag wordt gestaafd met een getuigschrift dat de duur van de hospitalisatie van de moeder vermeldt bovenop de zeven dagen volgend op de datum van de bevalling en de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
  § 4. Het vaderschapsverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

  Art. 33bis. <KB 2005-10-12/35, art. 11, 016; Inwerkingtreding : 01-07-2004> Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waaronder zij ressorteert :
  1° bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;
  2° in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname.

  Art. 33ter.<ingevoegd bij KB 2002-12-12/36, art. 12; Inwerkingtreding : 01-07-2002> § 1. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden en/of melk af te kolven tot [1 negen maanden]1 na de geboorte van het kind.
  [1 lid 2 opgeheven]1
  § 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag vier uur of langer werkt, heeft die dag recht op één pauze. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag ten minste zeven en een half uur werkt, heeft die dag recht op twee pauzes. Als de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op twee pauzes tijdens een werkdag, kan zij deze opnemen in één keer of twee keer.
  De duur van borstvoedingspauze(s) is bij de duur van de prestaties van de werkdag begrepen.
  De vrouwelijke ambtenaar dient met de overheid waaronder zij ressorteert overeen te komen op welk(e) moment(en) van de dag zij de borstvoedingspauze(s) kan nemen. Bij ontstentenis van een akkoord vallen de borstvoedingspauzes onmiddellijk vóór of na de in het arbeidsreglement bepaalde rusttijden.
  § 3. De vrouwelijke ambtenaar die wenst de borstvoedingspauzes te genieten brengt schriftelijk (twee weken) op voorhand de overheid waaronder ze ressorteert hiervan op de hoogte, tenzij deze op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt. <KB 2005-10-12/35, art. 12, 016; Inwerkingtreding : 01-12-2005>
  Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht, naar keuze van de vrouwelijke ambtenaar geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen (Kind en Gezin, O.N.E. of Dienst für Kind und Familie) of door een medisch getuigschrift.
  Nadien bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waarvan zij afhangt elke maand een attest of een medisch getuigschrift, telkens op de datum waarop de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes voor het eerst is ingegaan.
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 14, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  HOOFDSTUK V. - Ouderschapsverlof.

  Art. 34.[1 § 1. Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, [2 bij de geboorte of bij de adoptie van zijn kind]2, een ouderschapsverlof toegestaan dat kan genomen worden :
   - hetzij gedurende een periode van drie maanden als voltijds verlof; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in maanden;
   - hetzij gedurende een periode van zes maanden in het kader van een vermindering van de prestaties met de helft wanneer hij voltijds tewerkgesteld is; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in periodes van twee maanden of een veelvoud hiervan;
   - hetzij gedurende een periode van vijftien maanden in het kader van een vermindering van de prestaties met één vijfde wanneer hij voltijds tewerkgesteld is; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in periodes van vijf maanden of een veelvoud hiervan.
   De ambtenaar heeft de mogelijkheid om bij het opnemen van zijn ouderschapsverlof gebruik te maken van de verschillende modaliteiten vermeld in het eerste lid. Bij een wijziging van opnamevorm moet rekening worden gehouden met het principe dat één maand voltijds verlof gelijk is aan twee maanden verminderde prestaties met de helft en gelijk is aan vijf maanden verminderde prestaties met één vijfde.
   De ambtenaar heeft recht op het ouderschapsverlof :
   - naar aanleiding van de geboorte van zijn kind tot het kind twaalf jaar wordt;
   - in het kader van de adoptie van een kind gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de ambtenaar zijn verblijfplaats heeft, tot het kind twaalf jaar wordt;
  [2 ...]2
   Wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft, die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag [2 of dat ten minste 9 punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag]2, is er geen leeftijdsgrens.
   Aan de voorwaarde van de twaalfde verjaardag moet voldaan zijn uiterlijk gedurende de periode van het ouderschapsverlof.
   § 2. Het in dit artikel beoogde ouderschapsverlof wordt niet bezoldigd; voor het overige wordt het gelijkgesteld aan een periode van dienstactiviteit.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-03-09/07, art. 10, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
  (2)<KB 2021-06-27/21, art. 4, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 35.<KB 1999-05-26/35, art. 11, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999> § 1. ( [2 Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, bij de geboorte of de adoptie van zijn kind, een ouderschapsverlof toegestaan dat kan genomen worden :
   - hetzij gedurende een periode van vier maanden in het raam van de volledige onderbreking van de loopbaan bedoeld in artikel 100 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in maanden;
   - hetzij gedurende een periode van acht maanden in het raam van de halftijdse onderbreking van de loopbaan bedoeld in artikel 102 van voornoemde wet wanneer hij voltijds is tewerkgesteld; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in periodes van twee maanden of een veelvoud hiervan;
   - hetzij gedurende een periode van twintig maanden in het raam van de onderbreking van de loopbaan met één vijfde zoals bedoeld in artikel 102 van voornoemde wet wanneer hij voltijds is tewerkgesteld; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in periodes van vijf maanden of een veelvoud hiervan.
  [5 - hetzij gedurende een periode van veertig maanden in het raam van de onderbreking van de loopbaan met één tiende zoals bedoeld in artikel 102 van voornoemde wet wanneer hij voltijds is tewerkgesteld; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in periodes van tien maanden of een veelvoud hiervan.]5
   Het recht op een onderbrekingsuitkering in hoofde van ambtenaren die de vierde maand of een ander gelijkwaardig regime opnemen wordt slechts toegekend voor kinderen geboren of geadopteerd vanaf 8 maart 2012.]2
  De ambtenaar heeft de mogelijkheid om bij het opnemen van zijn ouderschapsverlof gebruik te maken van de verschillende modaliteiten vermeld in het eerste lid. [5 Bij een wijziging van opnamevorm moet rekening worden gehouden met het principe dat één maand volledige loopbaanonderbreking gelijk is aan twee maanden halftijdse loopbaanonderbreking, gelijk is aan vijf maanden loopbaanonderbreking met één vijfde en gelijk is aan tien maanden loopbaanonderbreking met één tiende.]5) <KB 2006-12-18/38, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 17-02-2007>
  [3 De ambtenaar heeft recht op het ouderschapsverlof :
   - naar aanleiding van de geboorte van zijn kind tot het kind twaalf jaar wordt;
   - in het kader van de adoptie van een kind, gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de ambtenaar zijn verblijfplaats heeft, tot het kind twaalf jaar wordt.
   Wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft, die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag [4 of dat ten minste 9 punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag]4, wordt de leeftijdsgrens vastgesteld op 21 jaar.
   Aan de voorwaarden van de twaalfde en de eenentwintigste verjaardag moet voldaan zijn uiterlijk gedurende de periode van het ouderschapsverlof.]3
  § 2. Een toelage van (508,92 EUR) per maand wordt toegekend door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de ambtenaar die zijn loopbaan volledig onderbreekt. <KB 2005-07-20/35, art. 1, 015 ; Inwerkingtreding : 01-07-2005 ; zie ook art. 3>
  Een toelage van (254,46 EUR) per maand wordt toegekend door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de ambtenaar die zijn loopbaan halftijds onderbreekt. <KB 2005-07-20/35, art. 1, 015 ; Inwerkingtreding : 01-07-2005 ; zie ook art. 3>
  (Een toelage van 86,32 EUR per maand wordt toegekend door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de ambtenaar die zijn loopbaan met een vijfde onderbreekt. Indien de ambtenaar uitsluitend samenwoont met één of meerdere kinderen die hij ten laste heeft, wordt dit bedrag van 86,32 EUR vervangen door 116,08 EUR.) <KB 2006-12-18/38, art. 5, 018; Inwerkingtreding : 17-02-2007>
  [5 Een toelage van 43,16 euro per maand wordt toegekend door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de ambtenaar die zijn loopbaan met één tiende onderbreekt. Indien de ambtenaar uitsluitend samenwoont met één of meerdere kinderen die hij ten laste heeft, wordt dit bedrag van 43,16 euro vervangen door 58,04 euro.
   Als een ambtenaar, op grond van een koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 105, § 1, vierde lid, 2°, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, met de overheid overeenkomt het recht op een onderbreking van de beroepsloopbaan in het kader van ouderschapsverlof of voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid te verdelen in weken, is het bedrag van de uitkering van de wekelijkse onderbreking gelijk aan het maandbedrag gedeeld door 26 en vermenigvuldigd met het aantal dagen van het verlof.]5
  § 3. Het in dit artikel beoogde ouderschapsverlof wordt niet bezoldigd; voor het overige wordt het gelijkgesteld aan een periode van dienstactiviteit.
  § 4. Onder voorbehoud van de bepalingen van dit artikel [5 en artikel 35/1]5 valt het ouderschapsverlof voor het overige onder de bepalingen van Hoofdstuk XIII van dit besluit.
  ----------
  (1)<KB 2010-03-04/17, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2010>
  (2)<KB 2012-07-20/07, art. 4, 031; Inwerkingtreding : 01-08-2012>
  (3)<KB 2013-04-14/09, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 20-05-2011>
  (4)<KB 2019-07-18/02, art. 7,3°, 048; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (5)<KB 2019-07-18/02, art. 7,1°,2°,4°,5°, 048; Inwerkingtreding : 01-08-2019>

  Art. 35/1. [1 § 1. In afwijking van artikel 35, § 1, eerste lid, eerste gedachtestreep, kan de periode van vier maanden mits akkoord van de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde, geheel of gedeeltelijk worden opgesplitst in periodes van een week of een veelvoud hiervan. Bij een opsplitsing in weken moet rekening worden gehouden met het principe dat vier maanden onderbreking van de loopbaan gelijk is aan zestien weken onderbreking van de loopbaan.
   De ambtenaar heeft de mogelijkheid om bij het opnemen van zijn ouderschapsverlof gebruik te maken van de verschillende modaliteiten vermeld in het eerste lid en in artikel 35, § 1, eerste lid. Onverminderd artikel 35, § 1, derde lid, moet bij een wijziging van opnamevorm na een gedeeltelijke opsplitsing in weken rekening worden gehouden met het principe dat vier weken onderbreking van de loopbaan gelijk is aan één maand onderbreking van de loopbaan.
   Wanneer ingevolge een gedeeltelijke opsplitsing in weken, het resterend gedeelte minder dan vier weken bedraagt, heeft de ambtenaar het recht om dit saldo zonder akkoord van de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde, op te nemen.
   § 2. In afwijking van artikel 35, § 1, eerste lid, tweede gedachtestreep, kan de periode van acht maanden mits akkoord van de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde, geheel of gedeeltelijk worden opgesplitst in periodes van een maand of een veelvoud hiervan.
   Wanneer ingevolge een gedeeltelijke opsplitsing in maanden, het resterend gedeelte een maand bedraagt, heeft de ambtenaar het recht om dit saldo zonder akkoord van de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde, op te nemen.
   § 3. De voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde kan de uitoefening van het in paragraaf 1, eerste lid, of paragraaf 2, eerste lid, van dit artikel of in artikel 35, § 1, eerste lid, vierde gedachtestreep, bedoelde recht weigeren.
   In dit geval dient de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde, zijn beslissing schriftelijk mee te delen aan de ambtenaar die de onderbreking van de loopbaan als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, of paragraaf 2, eerste lid, of de onderbreking van de loopbaan als bedoeld in artikel 35, paragraaf 1, eerste lid, vierde gedachtestreep, heeft aangevraagd, binnen een maand na de mededeling zoals gebeurd overeenkomstig artikel 8bis.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2019-07-18/02, art. 8, 048; Inwerkingtreding : 01-08-2019>
  

  Art. 35bis. [1 De ambtenaar kan een aangepast werkrooster aanvragen voor de periode van zes maanden die volgt op het einde van het ouderschapsverlof.
   De aanpassing dient rekening te houden met de behoeften van de dienst en die van de ambtenaar om een betere combinatie tussen werk- en gezinsleven mogelijk te maken.
   De ambtenaar bezorgt hiertoe ten laatste drie weken voor het einde van de lopende periode van ouderschapsverlof een schriftelijke aanvraag aan de overheid waaronder het ressorteert.
   De overheid beoordeelt deze aanvraag en geeft er een schriftelijke gevolg aan ten laatste één week voor het einde van het lopende ouderschapsverlof.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-07-20/07, art. 5, 031; Inwerkingtreding : 01-08-2012>

  HOOFDSTUK VI. [1 Hoofdstuk VI.- Adoptieverlof, opvangverlof, pleegouderverlof en pleegzorgverlof ]1
  ----------
  (1)<KB 2021-06-27/21, art. 5, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 36.[1 - § 1.- Een adoptieverlof wordt toegestaan gedurende een periode van maximum zes weken. aan de ambtenaar die een minderjarig kind adopteert.
   Het adoptieverlof van zes weken per adoptieouder wordt als volgt opgetrokken voor de adoptieouder of voor beide adoptieouders samen:
   1° met twee weken vanaf 1 januari 2021;
   2° met drie weken vanaf 1 januari 2023;
   3° met vier weken vanaf 1 januari 2025;
   4° met vijf weken vanaf 1 januari 2027.
   In geval van twee adoptieouders worden deze bijkomende weken onderling tussen hen verdeeld.
   Het tweede lid is enkel van toepassing op aanvragen gebeurd overeenkomstig paragraaf 2 vanaf de inwerkingtreding van de betrokken optrekking en voor zover het adoptieverlof ten vroegste aanvangt vanaf diezelfde datum van inwerkingtreding.
   Het verlof kan worden gesplitst in weken en dient te worden genomen uiterlijk binnen de zeven maanden na de opname van het kind in het gezin van de ambtenaar. In het kader van een interlandelijke adoptie kan de ambtenaar op zijn vraag ten hoogste vier weken van dit verlof opnemen vooraleer het kind effectief in het gezin wordt opgenomen om de daadwerkelijke opvang van kind in zijn gezin voor te bereiden.
   § 2.- De ambtenaar die het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. De mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
   De ambtenaar dient de volgende documenten voor te leggen:
   1° een attest, uitgereikt door de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap, waarin de toewijzing van het kind aan de ambtenaar wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste vier weken te verkrijgen vooraleer het kind wordt opgenomen in het gezin;
   2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister bevestigt om het resterend verlof te kunnen opnemen;
   3° een verklaring op eer die, al naargelang het geval, de verdeling van de bijkomende weken adoptieverlof tussen de twee adoptieouders of de toewijzing van deze weken aan de enige adoptieouder die van dit verlof gebruik maakt, vastlegt. Deze verklaring op eer is enkel nodig als het adoptiegezin bestaat uit twee adoptieouders.
   § 3.- De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66% of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten worden toegekend in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag of dat ten minste 9 punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
   De maximumduur van het adoptieverlof wordt met twee weken per adoptieouder verlengd bij de gelijktijdige adoptie van meerdere minderjarige kinderen.
   De maximumduur van het adoptieverlof wordt verminderd met twee weken, wanneer de ambtenaar voor hetzelfde kind een omstandigheidsverlof in toepassing van artikel 15, eerste lid, 2°, of een geboorteverlof in toepassing van artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten heeft genoten.
   De maximumduur van het adoptieverlof wordt verminderd met het aantal weken opvangverlof in toepassing van artikel 36bis dat de ambtenaar reeds heeft genoten voor hetzelfde kind ]1.
  ----------
  (1)<KB 2021-06-27/21, art. 6, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 36bis.<Ingevoegd bij KB 2005-10-12/35, art. 15; Inwerkingtreding : 01-12-2005> Een opvangverlof wordt toegestaan aan de ambtenaar die de pleegvoogdij opneemt van een kind beneden de tien jaar [1 ...]1.
  Het verlof bedraagt ten hoogste zes weken voor een kind beneden de 3 jaar en ten hoogste 4 weken in de andere gevallen. Het verlof vangt aan op de dag dat het kind in het gezin wordt opgenomen en kan niet gesplitst worden.
  De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag [1 of dat ten minste 9 punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag]1.
  ----------
  (1)<KB 2021-06-27/21, art. 7, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 36ter.[1 § 1. Een pleegzorgverlof wordt toegestaan aan de ambtenaar die is aangesteld als pleegouder door de rechtbank, door een door een Gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, door de diensten van " l'Aide à la Jeunesse ", door het Comité Bijzondere Jeugdbijstand of door de " Jugendhilfedienst " voor de vervulling van de verplichtingen en opdrachten of om het hoofd te bieden aan situaties die voortvloeien uit de plaatsing in zijn gezin van één of meerdere personen die in het kader van die pleegzorg aan hem zijn toevertrouwd.
   De duur van het verlof mag zes werkdagen per jaar niet overschrijden.
   § 2. Onder pleegouder moet worden verstaan de persoon die is aangesteld en vernoemd in een formele aanstellingsbeslissing uitgaande van één van de instellingen, opgesomd in § 1, eerste lid.
   Onder pleeggezin moet worden verstaan, het gezin van de persoon of van de personen die als pleegouder werd(en) aangesteld in de zin van het vorige lid.
   De plaatsing omvat alle vormen van plaatsing in het gezin waartoe kan worden besloten in het kader van een pleegzorgmaatregel, zowel de plaatsing van minderjarige personen, als de plaatsing van personen met een handicap.
   § 3. De soorten verplichtingen, opdrachten en situaties waarvoor het verlof met het oog op het verstrekken van pleegzorgen geldt, hebben betrekking op de volgende gebeurtenissen die specifiek verband houden met de pleegzorgsituatie en waarbij de tussenkomst van de ambtenaar vereist is, en dit voor zover dit niet kan plaatsvinden buiten de normale uren.
   a) alle soorten van zittingen bij de gerechtelijke en administratieve autoriteiten die bevoegd zijn voor het pleeggezin;
   b) contacten van de pleegouder of het pleeggezin met de ouders of met derden die belangrijk zijn voor het pleegkind en de pleeggast;
   c) contacten met de dienst voor pleegzorg.
   In andere dan de hiervoor vermelde situaties geldt het recht op verlof voor zover de bevoegde plaatsingsdienst een attest aflevert dat verduidelijkt waarom dergelijk verlof noodzakelijk is.
   § 4. De ambtenaar die gebruik maakt van het verlof met het oog op het verstrekken van pleegzorgen, is ertoe gehouden de overheid waaronder hij ressorteert hiervan ten minste twee weken op voorhand te verwittigen. Indien dit niet mogelijk is, moet hij de overheid waaronder hij ressorteert zo spoedig mogelijk verwittigen.
   Om het verlof te kunnen genieten, moet de ambtenaar het bewijs leveren dat hij pleegouder is aan de hand van de formele aanstellingsbeslissing uitgaande van één van de in § 1, eerste lid, bedoelde instellingen.
   Op verzoek van de overheid waaronder de ambtenaar ressorteert, levert de ambtenaar aan de hand van de gepaste documenten of bij gebreke hieraan, door ieder ander bewijsmiddel, het bewijs van de gebeurtenissen die zijn afwezigheid op het werk rechtvaardigen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-11-14/01, art. 17, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>
  

  Art. 36quater. [1 § 1.- Onverminderd artikel 36ter, heeft de ambtenaar die is aangesteld als pleegouder door de rechtbank, door een door een gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, door de diensten van "l'Aide à la Jeunesse", door het Comité Bijzondere Jeugdbijstand of door de "Jugendhilfedienst" en die naar aanleiding een plaatsing in het kader van een langdurige pleegzorg een minderjarig kind in zijn gezin onthaalt, met het oog op de zorg voor dit kind, eenmalig recht op pleegouderverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximum zes weken.
   Indien de ambtenaar ervoor kiest om niet het toegestane maximum aantal weken pleegouderverlof op te nemen, dient het verlof ten minste een week of een veelvoud van een week te bedragen.
   Het pleegouderverlof van zes weken per ouder wordt als volgt opgetrokken voor de pleegouder of voor beide pleegouders samen:
   1° met twee weken vanaf 1 januari 2021;
   2° met drie weken vanaf 1 januari 2023;
   3° met vier weken vanaf 1 januari 2025;
   4° met vijf weken vanaf 1 januari 2027.
   Het derde lid is enkel van toepassing op aanvragen gebeurd overeenkomstig paragraaf 3 vanaf de inwerkingtreding van de betrokken optrekking en voor zover het pleegouderverlof ten vroegste aanvangt vanaf diezelfde datum van inwerkingtreding.
   Indien het pleeggezin bestaat uit twee personen, die beiden zijn aangesteld als pleegouder van het kind, worden de bijkomende weken bedoeld in het derde lid onderling tussen hen verdeeld.
   § 2.- Voor de toepassing van dit artikel wordt onder langdurige pleegzorg verstaan: pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleegouder of dezelfde pleegouders zal verblijven.
   § 3.- Om het recht op pleegouderverlof te kunnen uitoefenen, moet dit verlof een aanvang nemen binnen twaalf maanden volgend op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van de ambtenaar in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft.
   De ambtenaar die het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. De mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
   De ambtenaar dient, ten laatste bij de aanvang van het pleegouderverlof, de volgende documenten voor te leggen:
   1° de documenten ter staving van de gebeurtenis die het recht op pleegouderverlof doet ontstaan;
   2° een verklaring op eer die, al naargelang het geval, de verdeling van de bijkomende weken pleegouderverlof tussen de twee pleegouders of de toewijzing van deze weken aan de enige pleegouder die van dit verlof gebruik maakt, vastlegt. Deze verklaring op eer is enkel nodig als het pleeggezin bestaat uit twee pleegouders.
   § 4.- De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verdubbeld, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66% of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten worden toegekend in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag of dat ten minste 9 punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
   De maximumduur van het pleegouderverlof wordt met twee weken per pleegouder verlengd ingeval van gelijktijdig onthaal van meerdere minderjarige kinderen naar aanleiding van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg.
   De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verminderd met het aantal weken opvangverlof in toepassing van artikel 36bis dat de ambtenaar reeds heeft genoten voor hetzelfde kind. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2021-06-27/21, art. 8, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  

  Art. 37.[1 [2 Het adoptieverlof, het opvangverlof, het pleegzorgverlof en het pleegouderverlof worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit]2.
   Het opvangverlof wordt verminderd met het aantal werkdagen pleegzorgverlof dat reeds opgenomen werd in hetzelfde jaar voor hetzelfde kind in toepassing van artikel 36ter en in toepassing van artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   Het pleegzorgverlof in toepassing van artikel 36ter wordt verminderd met het aantal werkdagen opvangverlof dat reeds opgenomen werd in hetzelfde jaar.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 18, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>
  (2)<KB 2021-06-27/21, art. 9, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  HOOFDSTUK VII. - Verlof om dwingende redenen van familiaal belang.

  Art. 38.[1 De ambtenaar heeft recht op een verlof om dwingende redenen van familiaal belang voor een periode van maximaal vijfenveertig werkdagen per jaar; het verlof wordt genomen per dag of per halve dag.
   De dwingende redenen van familiaal belang dienen erkend te worden door de dienst waaronder de ambtenaar ressorteert. Als dwingende redenen van familiaal belang worden van ambtswege erkend :
   1° de ziekenhuisopname van een persoon die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;
   2° de opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen van de ambtenaar of van de echtgeno(o)t(e) van de ambtenaar die de leeftijd van 15 jaar niet hebben bereikt;
   3° de opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen van de ambtenaar of van de echtgeno(o)t(e) van de ambtenaar die de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag;
   4° de opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen van de ambtenaar of van de echtgeno(o)t(e) van de ambtenaar die onder het statuut van verlengde minderjarigheid werden geplaatst.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 19, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 39. Het verlof om dwingende redenen van familiaal belang wordt niet vergoed. Het wordt voor het overige met periodes van dienstactiviteit gelijkgesteld.
  (Om het verlof in toepassing van artikel 38 van dit besluit te genieten, kan de dienst de ambtenaar vragen het bewijs te leveren dat een dwingende reden van familiaal belang zich voordoet.) <KB 2005-10-12/35, art. 18, 016; Inwerkingtreding : 01-12-2005>

  Art. 40. De maximumduur van het verlof om dwingende redenen van familiaal belang wordt in evenredige mate verminderd overeenkomstig artikel 12, § 1 (...). <KB 2002-06-10/31, art. 8, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>

  HOOFDSTUK VIII. - Verlof wegens ziekte.

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 41. Voor de ganse duur van zijn loopbaan kan de ambtenaar, die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, ziekteverlof krijgen tot maximum eenentwintig werkdagen per twaalf maanden dienstanciënniteit. Als hij nog geen 36 maanden in dienst is wordt zijn wedde hem niettemin gedurende 63 werkdagen gewaarborgd.
  Voor de ambtenaar die oorlogsinvalide is wordt het aantal in het eerste lid vastgestelde dagen respectievelijk op 32 en 95 gebracht.
  Het verlof wegens ziekte is met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

  Art. 41bis. <Ingevoegd bij KB 2008-12-07/37, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Een ambtenaar die ziek wordt in de loop van de dag en van zijn dienstchef de toelating krijgt het werk te verlaten, om zich naar huis te begeven of medische zorgen te ontvangen, bekomt een dienstvrijstelling.

  Art. 42.§ 1. De eenentwintig en tweeëndertig dagen waarvan sprake in artikel 41 worden verminderd in evenredigheid met de tijdens de beschouwde periode van twaalf maanden niet verrichte prestaties, wanneer de ambtenaar in de loop van die periode :
  1° een of meer verloven heeft verkregen die [1 in artikel 12, § 1, 1° tot 5°, 8° en 9°]1, opgesomd zijn;
  2° afwezig is geweest wegens ziekte, het verlof bedoeld in (artikel 46 en 47) uitgezonderd; <KB 2007-01-17/37, art. 7, 019; Inwerkingtreding : 01-12-1998>
  3° op non-activiteit is geplaatst met toepassing van artikel 4.
  § 2. Indien het aldus berekende aantal dagen ziekteverlof geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.
  § 3. Enkel de werkdagen begrepen in de periode van afwezigheid wegens ziekte worden aangerekend.
  ----------
  (1)<KB 2012-09-20/02, art. 13, 032; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Art. 43.§ 1. Het verlof wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking zoals bedoeld in Hoofdstuk XIII, [1 noch aan de verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid, zoals bedoeld in hoofdstuk XIV, noch aan de vierdagenweek met premie en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar, zoals bedoeld in de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, noch aan de vierdagenweek zonder premie, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector,]1, noch aan de stelsels van de halftijdse vervroegde uittreding en van de vierdagenweek bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector.
  De ambtenaar blijft de voor zijn verminderde prestaties verschuldigde wedde ontvangen.
  § 2. Wanneer de ambtenaar deeltijdse prestaties verricht, worden de afwezigheden wegens ziekte aangerekend op het aantal dagen verlof waarop hij krachtens artikel 41 recht heeft, naar rata van de te verrichten prestaties.
  Als het totale aantal aldus verrekende dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit geen geheel aantal is wordt de dagbreuk verwaarloosd.
  Voor de ambtenaar die deeltijdse prestaties verricht, worden als dagen ziekteverlof de dagen afwezigheid aangerekend tijdens welke de ambtenaar prestaties diende te verrichten.
  ----------
  (1)<KB 2012-09-20/02, art. 14, 032; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Art. 44. Het verlof wegens ziekte wordt tijdelijk onderbroken tijdens het verlof om dwingende redenen van familiaal belang. De dagen verlof om dwingende redenen die samenvallen met een ziekteverlof worden niet als ziekteverlofdagen beschouwd.

  Art. 45. Voor de toepassing van artikel 41 worden de werkelijke prestaties in aanmerking genomen die de ambtenaar in welke hoedanigheid ook en zonder vrijwillige onderbreking verricht heeft, als titularis van ambten met volledige prestaties in een andere overheidsdienst of een door de Staat of een Gemeenschap opgerichte, erkende of gesubsidieerde onderwijsinrichting, (...) of medisch pedagogisch instituut. <KB 2002-01-28/33, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 13-02-2002>
  (Wanneer de ambtenaar of de stagiaire deeltijdse prestaties verricht heeft worden die in aanmerking genomen naar verhouding tot de werkelijk geleverde prestaties.) <KB 2002-01-28/33, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 13-02-2002>

  Art. 46. § 1. (Onder voorbehoud van artikel 48 en in afwijking van artikel 41, wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van :
  1° een arbeidsongeval;
  2° een ongeval op de weg van en naar het werk;
  3° een beroepsziekte.
  Bovendien en behalve voor de toepassing van artikel 48 komen de verlofdagen toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, zelfs na de datum van consolidering, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen welke de ambtenaar nog kan krijgen bij toepassing van artikel 41.) <KB 2002-06-10/31, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  § 2. De ambtenaren die door een beroepsziekte bedreigd worden en die, onder de door Ons vastgestelde voorwaarden, daardoor tijdelijk ophouden hun ambt uit te oefenen, worden ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Het verlof wordt gelijkgesteld aan een periode van dienstactiviteit.

  Art. 47. De verlofdagen wegens ziekte ingevolge een ongeval veroorzaakt door de fout van een derde dat geen ongeval is als bedoeld in artikel 46, worden niet in aanmerking genomen om het aantal verlofdagen te bepalen dat de ambtenaar nog krachtens artikel 41 kan krijgen ten belope van het percentage aansprakelijkheid dat aan de derde is toegewezen en dat als grondslag dient voor de wettelijke indeplaatsstelling van de Staat.
  (De verlofdagen wegens ziekte ingevolge een arbeidsongeval dat of een beroepsziekte die de ambtenaar overkomen is bij een vorige werkgever, worden niet in aanmerking genomen om het aantal verlofdagen te bepalen dat de ambtenaar nog krachtens artikel 41 kan krijgen, voor zover dat de ambtenaar vergoedingen blijft genieten voor de ganse periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 22 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, in artikel 34 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 of in iedere equivalente norm.) <KB 2007-01-17/37, art. 8, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 48. In afwijking van (artikel 112, § 3, 4°) van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, kan de ambtenaar niet voorgoed ongeschikt worden verklaard wegens ziekte of gebrekkigheid alvorens hij de gezamenlijke verloven heeft uitgedaan waarop artikel 41 van dit besluit hem recht geeft. <KB 2007-01-17/37, art. 9, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Het eerste lid is niet toepasselijk op de ambtenaar die, nadat hij een opdracht heeft vervuld bij een buitenlandse regering, een buitenlands openbaar bestuur, of een internationale instelling, uit dien hoofde in rust werd gesteld wegens invaliditeit en een pensioen ontvangt.

  Art. 48bis. [1 Elke ambtenaar krijgt jaarlijks het overzicht van het saldo van de verloven waarop artikel 41 van dit besluit hem recht geeft.
   Indien de ambtenaar niet akkoord gaat met dit saldo, kan hij bij de directeur stafdienst Personeel en Organisatie binnen de 50 werkdagen een gemotiveerd bezwaar indienen. Deze laatste neemt een beslissing binnen de 50 werkdagen. Wanneer deze termijn verstreken is, wordt het bezwaar aanvaard.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2011-11-14/01, art. 20, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 48ter. [1 De voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde brengt de betrokken ambtenaar op de hoogte van de beslissing tot aanvraag van een onderzoek in het kader van de vroegtijdige oppensioenstelling wegens gezondheidsredenen bij het Bestuur van de medische expertise.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-06-18/10, art. 6, 036; Inwerkingtreding : 11-07-2013>

  Art. 48quater. [1 Indien het Bestuur van de medische expertise de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde meedeelt dat een ambtenaar een onderzoek in het kader van de vroegtijdige oppensioenstelling wegens gezondheidsredenen heeft belemmerd of geweigerd, dan nodigt de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde de ambtenaar uit om de redenen hiervan mee te delen binnen de veertien dagen.
   Indien de ambtenaar geen gevolg geeft aan deze vraag om toelichting te geven of geen geldige reden kan aantonen, wordt hij in non-activiteit gezet vanaf de dag waarop hij het onderzoek heeft belemmerd of geweigerd tot de dag van herneming van het werk.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-06-18/10, art. 7, 036; Inwerkingtreding : 11-07-2013>

  Art. 49. <KB 2007-01-17/37, art. 10, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De ten gevolge van ziekte of ongeval afwezige ambtenaar staat onder het geneeskundig toezicht van het in het derde lid bedoelde bestuur, overeenkomstig de artikelen 62 tot 64.
  Onverminderd de op het bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeelslid van toepassing zijnde bepalingen, staat het personeelslid dat afwezig is ten gevolge van ziekte of ongeval onder het geneeskundig toezicht van het in het derde lid bedoelde bestuur.
  Het Bestuur van de medische expertise wordt aangewezen om de controle uit te voeren op de afwezigheden ten gevolge van ziekte of ongeval.

  Afdeling 2. - [1 Verminderde prestaties wegens medische redenen.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-10-07/11, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 01-11-2009; zie ook art. 5>

  Art. 50.[1 De ambtenaar kan vragen om zijn ambt met verminderde prestaties wegens medische redenen uit te oefenen :
   1° om zich opnieuw aan te passen aan het normale arbeidsritme, na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen;
   2° wanneer hij wegens een langdurige medische ongeschiktheid, verhinderd is voltijds te werken na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen.
   De beoordeling van de medische toestand van de ambtenaar en de toekenning van de verminderde prestaties wegens medische redenen gebeurt door een arts van het Bestuur van de medische expertise.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-10-07/11, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 01-11-2009; zie ook art. 5>

  Art. 51.[1 § 1. De ambtenaar, bedoeld in artikel 50, 1°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximum drie maanden.
   De verminderde prestaties mogen worden toegestaan voor een periode van één maand. Verlengingen mogen worden toegestaan voor ten hoogste dezelfde periode, indien het Bestuur van de medische expertise bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar dit wettigt. De bepalingen van artikel 53 zijn van toepassing.
   § 2. De ambtenaar, bedoeld in artikel 50, 2°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximum twaalf maanden, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise oordeelt dat het nieuw onderzoek vroeger moet plaatsvinden.
   Verlengingen mogen worden toegestaan voor ten hoogste twaalf maanden, indien het Bestuur van de medische expertise bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar dit wettigt. De bepalingen van artikel 53 zijn van toepassing.
   § 3. Bij elk onderzoek oordeelt de arts van het Bestuur van de medische expertise of de ambtenaar geschikt is om 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties te leveren.
   Tijdens een lopende periode van verminderde prestaties wegens medische redenen kan de ambtenaar, bedoeld in § 2, een nieuw medisch onderzoek aanvragen bij het Bestuur van de medische expertise met het oog op het aanpassen van zijn arbeidsstelsel.
   § 4. De verminderde prestaties bedoeld in § 1 worden elke dag verricht, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise er uitdrukkelijk anders over beslist.
   De verminderde prestaties bedoeld in § 2 worden verricht volgens een verdeling van de prestaties over de week, conform het advies van de arts van het Bestuur van de medische expertise.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-10-07/11, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 01-11-2009; zie ook art. 5>

  Art. 52.[1 § 1. De afwezigheden van een ambtenaar tijdens deze periode van verminderde prestaties wegens medische redenen worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
   § 2. De ambtenaar, bedoeld in artikel 50, 1° en 2°, geniet zijn volledige wedde voor de eerste drie maanden van de verminderde prestaties wegens medische redenen.
   De ambtenaar, bedoeld in artikel 50, 2°, geniet vanaf de vierde maand de wedde die verschuldigd is voor de verminderde prestaties, vermeerderd met 60 % van de wedde die verschuldigd zou zijn voor de prestaties die niet worden verstrekt.
   § 3. [2 De verminderde prestaties wegens medische redenen, bedoeld in artikel 50, 2°]2 worden opgeschort door :
   1°de loopbaanonderbreking;
   2° de halftijdse vervroegde uittreding;
   3° de vrijwillige vierdagenweek;
   4° de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden;
   5° de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden;
   6° de verloven in het kader van de moederschapsbescherming;
   7° het ouderschapsverlof.
  [3 8° de vierdagenweek met en zonder premie;
   9° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar.]3
   De machtiging om verminderde prestaties wegens medische redenen te verrichten, wordt tijdelijk onderbroken tijdens een afwezigheid wegens ziekte, arbeidsongeval, een ongeval op de weg en naar het werk en een beroepsziekte.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-10-07/11, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 01-11-2009; zie ook art. 5>
  (2)<KB 2011-11-14/01, art. 21, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>
  (3)<KB 2012-09-20/02, art. 15, 032; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Art. 53.[1 § 1. De ambtenaar die verminderde prestaties wegens medische redenen wenst te genieten, dient het advies verkregen te hebben van de arts van het Bestuur van de medische expertise ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de verminderde prestaties.
   De ambtenaar, bedoeld in artikel 50, 1°, dient een geneeskundig getuigschrift en een plan voor reïntegratie voor te leggen van zijn behandelend arts. In het plan voor reïntegratie vermeldt de behandelend arts de vermoedelijke datum van de volledige werkhervatting.
   De ambtenaar, bedoeld in artikel 50, 2°, dient een omstandig geneeskundig verslag voor te leggen van een geneesheer-specialist.
   § 2. De arts van het Bestuur van de medische expertise spreekt zich uit over de medische geschiktheid van de ambtenaar om zijn ambt ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van de normale prestaties weer op te nemen. Deze overhandigt zo spoedig mogelijk, eventueel na de behandelend arts bedoeld in artikel 53, § 1, te hebben geraadpleegd, zijn bevindingen schriftelijk aan de ambtenaar.
   § 3. Na de overhandiging van de bevindingen door de arts van het Bestuur van de medische expertise in het kader van een aanvraag voor verminderde prestaties wegens medische redenen bedoeld in artikel 50, 1° en 2°, kan de ambtenaar, in onderling akkoord met het Bestuur van de medische expertise, een arts-scheidsrechter aanwijzen binnen de twee werkdagen na de overhandiging met het oog op het beslechten van het medische geschil. Indien geen akkoord kan worden bereikt binnen de twee werkdagen kan de ambtenaar met het oog op het beslechten van het medisch geschil een arts-scheidsrechter aanwijzen die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde en voorkomt op de lijst die in uitvoering van voornoemde wet werd vastgesteld.
   De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist in het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Elke andere vaststelling blijft onder het beroepsgeheim.
   De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de ambtenaar, vallen ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.
   De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de arts van het Bestuur van de medische expertise op de hoogte van zijn beslissing. Het Bestuur van de medische expertise en de ambtenaar worden onmiddellijk bij een ter post aangetekende brief verwittigd door de arts-scheidsrechter.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-10-07/11, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 01-11-2009; zie ook art. 5>

  Art. 54.[1 Indien het Bestuur van de medische expertise van oordeel is dat een ambtenaar geschikt is om zijn ambt terug op te nemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties dan geeft hij daarvan kennis aan de secretaris-generaal of de voorzitter van het directiecomité onder wie de ambtenaar ressorteert.
   De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal nodigt de ambtenaar uit het werk te hervatten.
   Indien de ambtenaar geen gevolg geeft aan deze vraag om het werk te hervatten, wordt hij in non-activiteit geplaatst. ]1
  ----------
  (1)<KB 2009-10-07/11, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 01-11-2009; zie ook art. 5>

  HOOFDSTUK IX. - Disponibiliteit wegens ziekte. <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 55. <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De disponibiliteit wegens ziekte wordt uitgesproken door de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal of door het hoofd van het bestuur aan wie hij deze bevoegdheid heeft toegekend.

  Art. 56. <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Onverminderd artikel 46 is de ambtenaar die wegens ziekte afwezig is na het maximum aantal verlofdagen hem toegekend bij artikel 41, van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte.
  § 2. Hij behoudt zijn recht op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal.
  § 3. De artikelen 47 en 62 tot 64 zijn van toepassing op de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte.

  Art. 57. <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is, ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan 60 % van zijn laatste activiteitswedde.
  Het bedrag van dit wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan :
  1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde toestand zou ontvangen indien de socialezekerheidsregeling op hem toepasselijk was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid;
  2° het pensioen dat hij zou verkregen hebben indien hij, op de datum van zijn indisponibiliteitstelling, tot de vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid was toegelaten.
  Het wachtgeld wordt vastgesteld op grondslag van de laatste activiteitswedde, in voorkomend geval herzien bij toepassing van artikel 9 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der federale overheidsdiensten.
  In geval van cumulatie van betrekkingen wordt het wachtgeld slechts toegekend op grond van het hoofdambt.

  Art. 58. <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> In afwijking van artikel 57, ontvangt de ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde indien de ziekte waaraan hij lijdt door het Bestuur van de medische expertise als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend. De arts van het Bestuur van de medische expertise bepaalt de aanvangsdatum van het recht.

  Art. 59.<KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De disponibiliteit wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking bedoeld in hoofdstuk XIII, noch aan [1 verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid, vierdagenweek met en zonder premie, halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar]1 bedoeld in hoofdstuk XIV, noch aan de stelsels van halftijdse vervroegde uittreding en van vrijwillige vierdagenweek zoals bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende de arbeidsherverdeling in de openbare sector.
  Voor de toepassing van artikel 58, is de laatste activiteitswedde deze, welke verschuldigd was overeenkomstig het prestatiestelsel op het ogenblik waarop de ambtenaar zich in disponibiliteit bevond.
  ----------
  (1)<KB 2012-09-20/02, art. 16, 032; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Art. 60.[1 De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal beslist, volgens de behoeften van de dienst, of de betrekking waarvan de ambtenaar in disponibiliteit titularis was, als vacant moet worden beschouwd.
   Hij kan die beslissing nemen zodra de disponibiliteit van de ambtenaar één jaar bereikt.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-08-03/21, art. 34, 042; Inwerkingtreding : 01-10-2016>

  HOOFDSTUK IXbis. - Controle op de afwezigheden tengevolge van ziekte of ongeval. <ingevoegd bij KB 2007-01-17/37, art. 17; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 61. <Opgeheven en hersteld door KB 2007-01-17/37, art. 16 en 17, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De ambtenaar, die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, is verplicht de overheid waaronder hij ressorteert, hiervan onmiddellijk op de hoogte te brengen volgens de modaliteiten bepaald door de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal.
  Voor een afwezigheid wegens ziekte of ongeval die langer duurt dan één dag, dient de ambtenaar zo snel mogelijk een geneeskundig getuigschrift in te dienen bij het Bestuur van de medische expertise. Het geneeskundig getuigschrift maakt melding van de ziekte, de waarschijnlijke duur ervan, de verblijfplaats van de ambtenaar en of de ambtenaar zich met het oog op de controle al dan niet naar een andere plaats mag begeven.
  (In afwijking van de bepalingen van het tweede lid, dient de ambtenaar onmiddellijk een geneeskundig getuigschrift in bij het Bestuur van de medische expertise wanneer de afwezigheid die het gevolg is van ziekte of ongeval maar één dag bedraagt en wanneer de ambtenaar tijdens het lopende kalenderjaar reeds twee maal afwezig is geweest als gevolg van ziekte of ongeval met een duur van één dag zonder een geneeskundig getuigschrift.) <KB 2008-12-07/37, art. 5, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Indien de ambtenaar het nalaat van een geneeskundig getuigschrift in te dienen bij het Bestuur van de medische expertise overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, dan bevindt hij zich van rechtswege in non-activiteit.

  Art. 62. <Opgeheven en hersteld door KB 2007-01-17/37, art. 16 en 17, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. De ambtenaar is verplicht de arts aangeduid door het Bestuur van de medische expertise, die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde, hierna de controlearts, te ontvangen of in te gaan op de oproep om zich aan te melden bij de controlearts. De ambtenaar kan het medisch onderzoek niet weigeren.
  De controle van de ambtenaar kan gebeuren op vraag van de overheid waaronder de ambtenaar ressorteert of op initiatief van het Bestuur van de medische expertise.
  De controle van de ambtenaar kan gebeuren vanaf de eerste dag van de afwezigheid en tijdens de volledige periode van de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval.
  (Het medisch onderzoek vindt plaats in de woon- of verblijfplaats van de ambtenaar. Wanneer de arts die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, oordeelt dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar hem toelaat zich naar een andere plaats te begeven, dan kan de ambtenaar ook worden opgeroepen door het Bestuur van de medische expertise om zich voor een onderzoek aan te melden bij de controlearts. Wanneer de controlearts de ambtenaar niet aantreft op de aangegeven woon- of verblijfplaats, dan laat hij een bericht achter. Behoudens wanneer de arts die het geneeskundig getuigschrift aan de ambtenaar heeft afgeleverd, oordeelt dat zijn gezondheidstoestand hem niet toelaat zich naar een andere plaats te begeven, moet de ambtenaar zich op het vermelde uur aanmelden bij de controlearts.
  Wanneer de ambtenaar zich niet naar een andere plaats mag begeven, maar op het ogenblik van de controle afwezig was, wegens redenen van overmacht, brengt hij de controlearts onmiddellijk hiervan op de hoogte, zodat een nieuwe controle kan plaatshebben.) <KB 2008-12-07/37, art. 6, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  De ambtenaar die het medisch onderzoek weigert of die het de controlearts onmogelijk maakt om het medisch onderzoek uit te voeren wordt van rechtswege in non-activiteit geplaatst.
  § 2. De controlearts gaat na of de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval gerechtvaardigd is en kan daarbij hoogstens constateren dat :
  1° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch gerechtvaardigd is,
  2° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch gerechtvaardigd is voor een kortere periode dan vermeld werd in het geneeskundig getuigschrift;
  3° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch ongerechtvaardigd is.
  De controlearts oefent zijn opdracht uit overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde.
  De controlearts overhandigt onmiddellijk, eventueel na raadpleging van diegene die het in artikel 61 bedoelde geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, zijn bevindingen schriftelijk aan de ambtenaar. Indien de ambtenaar op dat ogenblik kenbaar maakt dat hij niet akkoord gaat met de bevindingen van de controlearts, wordt dit door deze laatste vermeld op voornoemd geschrift.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 2° en 3° gaat de werkhervatting in respectievelijk op de door de controlearts vastgestelde datum of, onverminderd artikel 63, op de eerste dag volgend op het onderzoek.
  Wanneer de ambtenaar één dag afwezig is ten gevolge van ziekte of ongeval en geen arts heeft geraadpleegd, en de controlearts oordeelt na medisch onderzoek dat de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval niet gerechtvaardigd is, dan bevindt de ambtenaar zich van rechtswege in non-activiteit.
  Niettemin kan de ambtenaar opteren voor het gebruik van één dag jaarlijks vakantieverlof met akkoord van de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal of diens afgevaardigde voor een afwezigheid van één dag waarvoor de ambtenaar geen arts geraadpleegd heeft wanneer de controlearts geoordeeld heeft dat de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval ongerechtvaardigd is.

  Art. 63. <Opgeheven en hersteld door KB 2007-01-17/37, art. 16 en 17, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Binnen twee werkdagen na de overhandiging van de bevindingen door de controlearts, kan de meest belanghebbende partij met het oog op het beslechten van het medische geschil en in onderling akkoord een arts-scheidsrechter aanwijzen. Indien geen akkoord kan worden bereikt binnen de twee werkdagen kan de meest belanghebbende partij met het oog op het beslechten van het medisch geschil een arts-scheidsrechter aanwijzen die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde en voorkomt op de lijst die in uitvoering van voornoemde wet werd vastgesteld.
  Het Bestuur van de medische expertise kan de controlearts en de ambtenaar kan diegene die hem het geneeskundig getuigschrift overhandigd heeft, uitdrukkelijk machtiging geven om de arts-scheidsrechter aan te wijzen.
  De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist in het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Alle andere vaststellingen blijven onder het beroepsgeheim.
  Indien de arts-scheidsrechter een negatieve beslissing neemt, wordt, de periode tussen de datum van werkhervatting bepaald door de controlearts en de datum van de beslissing van de arts-scheidsrechter, omgezet in non-activiteit.
  De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de ambtenaar, vallen ten laste van de verliezende partij.
  De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de controlearts op de hoogte van zijn beslissing. Het Bestuur van de medische expertise en de ambtenaar worden schriftelijk bij een ter post aangetekende brief verwittigd.

  Art. 64. <Opgeheven en hersteld door KB 2007-01-17/37, art. 16 en 17, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Wanneer een ambtenaar tijdens een afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval in het buitenland wil verblijven, dient hij hiervoor voorafgaand de toestemming te krijgen van het Bestuur van de medische expertise.

  Afdeling 3. - Disponibiliteit wegens ziekte.

  Art. 65. (Abrogé) <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 66. (Abrogé) <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 67. (Abrogé) <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 68. (Abrogé) <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  HOOFDSTUK IXter [1 - Controle van de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-06-18/10, art. 8, 036; Inwerkingtreding : 11-07-2013>

  Art. 68bis. [1 Het Bestuur van de medische expertise wordt belast met de controle van de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte.
   De controle gebeurt volgens de modaliteiten bepaald in artikel 62, § 1 en § 2, eerste tot derde lid.
   Het artikel 64 is van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-06-18/10, art. 8, 036; Inwerkingtreding : 11-07-2013>

  HOOFDSTUK X. - [1 Onthaal- en opleidingsactiviteiten en deelname aan testen]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Afdeling 1. - [1 Onthaal- en opleidingsactiviteiten]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 69.[1 De voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde organiseert met de medewerking van dienstchefs het onthaal van de nieuwe personeelsleden en zorgt voor integratie. De representatieve vakorganisaties krijgen de gelegenheid zich voor te stellen.
   De deelname aan de onthaal- en opleidingsactiviteiten wordt beschouwd als dienstactiviteit.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 70.[1 Een dienstvrijstelling wordt toegekend door de voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde om opleidingsactiviteiten buiten de federale overheid bij te wonen.
   De dienstvrijstelling kan maximum 120 uren per jaar bedragen. De dienstvrijstelling kan volledig of gedeeltelijk worden geweigerd om dienstredenen of wanneer de opleiding niet overeenstemt met de gewenste ontwikkeling voor de ambtenaar.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Afdeling 2. - [1 De deelname aan testen]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 71.[1 De ambtenaar bekomt een dienstvrijstelling voor de nodige tijd voor deelname aan een door SELOR, Selectiebureau voor de federale overheid, georganiseerde test in het kader van :
   1° de taalexamens;
   2° de vergelijkende selecties voor statutaire aanwerving binnen het federaal administratief openbaar ambt;
   3° de selecties voor de overgang naar een hoger niveau.
   De ambtenaar kan een compenserende dienstvrijstelling krijgen die kan opgenomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof wanneer de test doorgaat op een niet-werkdag of wanneer de ambtenaar afwezig is op het tijdstip van de test omdat hij geniet van :
   1° een vrije dag volgens zijn werkkalender in het kader van de deeltijdse loopbaanonderbreking, de vrijwillige vierdagenweek, de halftijdse vervroegde uittreding, de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden of de verminderde prestaties wegens medische redenen;
   2° een verlof om dwingende redenen van familiaal belang.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Afdeling 3. - De opleiding. [1 afgeschaft]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Onderafdeling 1. - Dienstvrijstelling en opleidingsverlof. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 72.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Onderafdeling 2. - Dienstvrijstelling. - Voorwaarden. [1 afgeschaft]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 73.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Onderafdeling 3. - Opleidingsverlof. - Voorwaarden. [1 afgeschaft]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 74.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 75.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 76.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 77.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 78.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Onderafdeling 4. - Duur van de dienstvrijstelling en het opleidingsverlof. [1 afgeschaft]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 79.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 80.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 81.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 82.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Onderafdeling 5. - Toelating. [1 afgeschaft]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 83.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 84.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Onderafdeling 6. - Controle van de dienstvrijstelling en van het opleidingsverlof. [1 afgeschaft]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 85.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 86.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 87.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 88.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 89.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Onderafdeling 7. - Aanwending van de dienstvrijstelling of van het opleidingsverlof. [1 afgeschaft]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 90.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 91.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Onderafdeling 8. - Sancties. [1 afgeschaft]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 92.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Onderafdeling 9. - Cumulatieverbod. [1 afgeschaft]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 93.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Onderafdeling 10. - Reiskosten en inschrijvingskosten. [1 afgeschaft]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. 94.
  <Opgeheven bij KB 2011-11-14/01, art. 22, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  HOOFDSTUK XI. - Verlof wegens opdracht.

  Afdeling 1. - (Verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, (een beleidscel,) de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris [1 of bij het kabinet of het secretariaat van een politiek mandataris van de wetgevende macht]1.) <KB 2002-06-10/31, art. 11; Inwerkingtreding : 01-07-2002> <KB 2003-10-23/32, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 12-07-2003>
  ----------
  (1)<KB 2010-03-15/01, art. 11, 028; Inwerkingtreding : 02-04-2010>

  Art. 95.<KB 2002-06-10/31, art. 12, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De ambtenaar kan, met akkoord van de minister waaronder hij ressorteert verlof krijgen wanneer hij aangewezen wordt om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, (de beleidscel,) de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris [1 of bij het kabinet of het secretariaat van een politiek mandataris van de wetgevende macht]1. <KB 2003-10-23/32, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 12-07-2003>
  Met uitzondering van de Federale Regering is het akkoord voor wat betreft de andere organen afhankelijk van de voorwaarde dat deze een reglement hebben genomen waarbij de nadere regels inzake terugbetaling van de bezoldiging van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar worden bepaald. Voor wat betreft de Federale Regering, is het verlof (bezoldigd). <KB 2003-10-23/32, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 12-07-2003>
  ----------
  (1)<KB 2010-03-15/01, art. 12, 028; Inwerkingtreding : 02-04-2010>

  Art. 96.Het verlof bedoeld in artikel 95 wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. [1 Dit verlof is voltijds.]1
  (De betrokken personeelsleden kunnen vervangen worden binnen de perken van de personeelsenveloppe van hun dienst van oorsprong.) <KB 2003-10-23/32, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 12-07-2003>
  ----------
  (1)<KB 2010-03-15/01, art. 13, 028; Inwerkingtreding : 02-04-2010>

  Art. 97.
  <Opgeheven bij KB 2013-09-24/04, art. 44, 038; Inwerkingtreding : 01-11-2013>

  Art. 98. <KB 2001-07-19/35, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 07-08-2001> Bij het einde van de aanstelling en tenzij de ambtenaar naar een ander secretariaat, (beleidscel,) cel algemene beleidscoördinatie of cel algemeen beleid van de Federale Regering of kabinet overgaat bekomt hij per maand activiteit in deze organen één dag verlof met een minimum van drie werkdagen en een maximum van vijftien werkdagen. <KB 2003-10-23/32, art. 5, 012; Inwerkingtreding : 12-07-2003>
  Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

  Afdeling 2. - Verlof voor opdracht van algemeen belang.

  Art. 99.<KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De ambtenaar bekomt verlof voor de uitoefening van een opdracht.
  Onder opdracht moet worden verstaan :
  1° de uitoefening van ambten ter vervulling van een nationale of internationale opdracht toevertrouwd :
  a) door de Federale Regering, een Gewest- of Gemeenschapsregering, het College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het College van de Franse Gemeenschapscommissie of een openbaar bestuur;
  b) door een buitenlandse regering of een buitenlands overheidsbestuur;
  c) door een internationale instelling;
  2° met voorafgaande machtiging van de minister tot wiens bevoegdheid ambtenarenzaken behoort en de minister van begroting, elke opdracht die is toevertrouwd door een instelling die geen overheidskarakter heeft, die belast werd met de uitvoering van de Europese programma's Phare, Tacis of Meda; (NOTA : punt 2° heeft uitkering met ingang van 01-12-1998. Justel heeft de geldigheidsvorm van art. 99 van 01-12-1998 tot 30-06-2002 niet opgezocht.)
  3° elke internationale opdracht die is toevertrouwd door een beslissing van de ministerraad in het raam van de ontwikkelingssamenwerking, vredesopdrachten, de wetenschappelijke vorsing of de humanitaire hulp;
  4° elke nationale opdracht met voorafgaande machtiging van de minister tot wiens bevoegdheid ambtenarenzaken behoort in dienst van jeugdbewegingen, jeugddiensten of jeugdgroeperingen of in dienst van sommige culturele instellingen die erkend zijn door de bevoegde overheid.
  [1 5° een ambt uit te oefenen bij het secretariaat van een politiek mandataris van het Europees parlement.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-03-15/01, art. 14, 028; Inwerkingtreding : 02-04-2010>

  Art. 100. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> Indien de opdracht waarmede de ambtenaar belast is, hem in feite of in rechte verhindert het hem toevertrouwde ambt uit te oefenen, verkrijgt hij de vrijstellingen van dienst die voor het vervullen van een dergelijke opdracht vereist zijn.
  Die vrijstellingen worden toegekend voor een duur van ten hoogste twee jaar. Zij kunnen hernieuwd worden voor periodes waarvan er geen de duur van twee jaar mag overschrijden.

  Art. 101. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De duur van de in artikel 99, tweede lid, 2°, vermelde opdrachten mag voor de gehele loopbaan niet meer dan zes jaar bedragen.

  Art. 102. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> § 1. Iedere minister kan, met instemming van de betrokkene een ambtenaar die onder hem ressorteert, met de uitvoering van een opdracht belasten.
  Eveneens kan iedere ambtenaar, met akkoord van de minister onder wie hij ressorteert, de uitvoering van een opdracht aanvaarden.
  § 2. De ambtenaar die wordt aangewezen om een mandaat in een Belgische overheidsdienst uit te oefenen wordt ambtshalve in verlof voor opdracht geplaatst voor de duur van het mandaat.

  Art. 103. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> Met het oog op de toepassing van de beschikking van de Europese Commissie van 7 januari 1998 houdende regeling van toepassing op de nationale deskundigen die bij de diensten van de Commissie zijn gedetacheerd, maakt de minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse betrekkingen behoren in het Belgisch Staatsblad een oproep bekend waarin duidelijk wordt uiteengezet welke bekwaamheid, geschiktheid en beroepservaring van de gegadigden gevergd worden alsook hoelang de opdracht duurt en onder welke voorwaarden die wordt uitgeoefend.
  De ambtenaar maakt binnen vijftien dagen na de datum van de bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde oproep via de hiërarchische weg zijn kandidatuur aan de minister onder wie hij ressorteert, over.
  Laatstgenoemde stuurt, wanneer hij meent zich met de uitoefening van de opdracht akkoord te kunnen verklaren, de kandidatuur, met uitsluiting van elk ander element, binnen vijftien dagen na de ontvangst ervan door naar de minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse zaken behoren.
  De minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse zaken behoren legt de kandidatuur ter beslissing voor aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

  Art. 104.<KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> § 1. Tijdens de duur van een opdracht welke als van algemeen belang erkend is, is de ambtenaar met verlof.
  Het verlof wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
  § 2. In afwijking van § 1, tweede lid wordt het verlof bezoldigd :
  1° wanneer de ambtenaar wordt aangewezen als nationale deskundige krachtens de beschikking van 7 januari 1998 van de Europese Commissie;
  2° [1 ...]1
  3° wanneer de opdracht is toegekend voor een opdracht in het kader van het Europees programma "Institution Building" ingevoerd door de Verordening nr. 622/98 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de bijstand ten gunste van de kandidaat-landen;
  4° wanneer het een opdracht betreft zoals vermeld in artikel 99, tweede lid, 3°;
  ----------
  (1)<KB 2019-04-22/13, art. 10, 047; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 105.<KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> § 1. Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend :
  1° voor de opdrachten welke de uitoefening van een ambt in een ontwikkelingsland inhouden;
  2° [1 voor de opdrachten vermeld in artikel 99, tweede lid, 3°, 4° en 5°;]1
  3° voor de opdrachten vermeld in artikel 102, § 2;
  4° voor de opdrachten uitgeoefend door de ambtenaar die als nationaal deskundige is aangewezen krachtens de beschikking van de Europese Commissie van 7 januari 1998;
  5° voor de opdrachten uitgeoefend bij [2 het Federale Agentschap van de Schuld]2 voor het beheer van de federale staatsschuld;
  6° voor de opdrachten uitgeoefend in het raam van het Europees programma " Institution Building ", dat is ingesteld bij het reglement nr. 622/98 van de Raad van de Europese Unie betreffende de bijstand ten gunste van de kandidaat-landen.
  § 2. Het verlof voor opdracht kan voor de niet in § 1 bedoelde internationale opdrachten worden toegestaan door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert. De minister kan tevens het karakter van algemeen belang erkennen indien de opdracht geacht wordt van overwegend belang te zijn hetzij voor het land, hetzij voor de Federale Regering of de federale administratie.
  § 3. Iedere opdracht verliest van rechtswege haar karakter van algemeen belang vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de ambtenaar een dienstanciënniteit heeft bereikt die volstaat om aanspraak te kunnen maken op het krijgen van een onmiddellijk ingaand dan wel uitgesteld pensioen ten laste van de buitenlandse regering, van het buitenlandse openbare bestuur of van de internationale instelling ten behoeve waarvan de opdracht werd vervuld.
  ----------
  (1)<KB 2010-03-15/01, art. 15, 028; Inwerkingtreding : 02-04-2010>
  (2)<KB 2019-04-22/13, art. 11, 047; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 106. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De ambtenaar die met de uitvoering van een van algemeen belang erkende opdracht wordt belast, verkrijgt de verhogingen in zijn weddeschaal alsmede de bevorderingen (of de veranderingen van (klasse) of van graad) waarop hij aanspraak kan maken, op het tijdstip waarop hij die zou verkrijgen of zou verkregen hebben indien hij werkelijk in dienst was gebleven. <KB 2004-08-04/30, art. 131, 013; Inwerkingtreding : 01-12-2004> <KB 2008-11-19/30, art. 94, 022; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 107. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> Tijdens de duur van een opdracht die niet erkend werd als zijnde van algemeen belang, wordt de ambtenaar op non-activiteit gesteld. In die stand heeft hij geen recht op wedde en kan hij zijn aanspraken op bevordering of op bevordering in zijn weddeschaal niet doen gelden.

  Art. 108. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-08-1999> De ambtenaar met verlof wegens internationale opdracht, zoals vermeld in artikel 99, tweede lid, 1° en 3°, verkrijgt een vergoeding die bestemd is om werkelijke lasten te dragen en/of toelagen.
  De minister, onder wie de ambtenaar ressorteert, bepaalt het bedrag van deze vergoedingen en toelagen, volgens de nadere voorwaarden die van kracht zijn voor de ambtenaren van de carrière van de Buitendienst en van de Kanselarijcarrière Buitenlandse dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking en (afhankelijk van de (klasse) of de graad) waarmee de ambtenaar die met verlof is wegens opdracht bekleed is. <KB 2004-08-04/30, art. 132, 013; Inwerkingtreding : 01-12-2004> <KB 2008-11-19/30, art. 95, 022; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 109.<KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De minister, onder wie de met een opdracht belaste ambtenaar ressorteert, beslist volgens de behoeften van de dienst of de betrekking waarvan de betrokkene titularis is als vacant moet worden beschouwd zodra de betrokken ambtenaar één jaar afwezig is.
  Aan de in het eerste lid bedoelde ministeriële beslissing moet het advies (van de voorzitter van het directiecomité) voorafgaan. <KB 2002-09-05/37, art. 131, 010; Inwerkingtreding : 26-09-2002, zie ook KB 2002-09-05/37, art. 242>
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2017-03-09/07, art. 12, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 110. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> Met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten hoogste drie maanden, kan de minister onder wie de ambtenaar ressorteert, ieder ogenblik een einde maken aan de opdracht waarmee de ambtenaar is belast, tijdens de vervulling ervan.
  De ambtenaar kan op ieder ogenblik een einde maken aan de opdracht tijdens de vervulling ervan.

  Art. 111. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De ambtenaar wiens opdracht verstreken is of onderbroken wordt bij ministeriële beslissing, bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of bij beslissing van de ambtenaar zelf, stelt zich ter beschikking van de minister onder wie hij ressorteert.
  Indien hij zonder geldige reden weigert of verwaarloost dit te doen wordt hij, na tien dagen afwezigheid, als ontslaggevend beschouwd.

  Art. 112. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> Zodra zijn opdracht verstreken is, bezet de ambtenaar die in zijn opdracht niet werd vervangen, die betrekking wanneer hij zijn dienst hervat.

  HOOFDSTUK XII. - Afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden.

  Art. 113.[1 De ambtenaar bekomt een voltijds onbetaald verlof voor een periode van maximum vier jaar tijdens de hele loopbaan.
   Bij opsplitsing van deze afwezigheid moet de afwezigheid minstens zes maanden bedragen.
   In afwijking van het tweede lid, kan de ambtenaar zes maal tijdens de hele loopbaan vragen om een afwezigheid van één maand te bekomen.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-03-09/07, art. 13, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 114. Op zijn verzoek herneemt de ambtenaar zijn functies voor het einde van de lopende periode van afwezigheid, behoudens een opzegperiode van drie maanden, tenzij de overheid een kortere periode aanvaardt.

  Art. 115. Tijdens de afwezigheid bedoeld in artikel 113, bevindt de ambtenaar zich in de administratieve stand non-activiteit. Hij mag tijdens dit verlof een bezoldigde activiteit uitoefenen op voorwaarde dat deze activiteit verenigbaar is met zijn functies. (Hij is verplicht zijn dienst op de hoogte te brengen van de aard van die activiteit.) <KB 2007-06-14/31, art. 8, 020; Inwerkingtreding : 02-07-2007>

  HOOFDSTUK XIII. - Verlof voor loopbaanonderbreking.

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 116.§ 1. (De ambtenaar bekomt verlof om zijn loopbaan volledig of halftijds te onderbreken met al dan niet opeenvolgende periodes van ten minste drie maanden en ten hoogste twaalf maanden.
  De periodes waarin de ambtenaar zijn loopbaan volledig onderbreekt mogen in totaal niet meer bedragen dan tweeënzeventig maanden tijdens de hele loopbaan. Onverminderd de toepassing van het derde lid, geldt dit ook voor de periodes van halftijdse loopbaanonderbreking. De periode van volledige loopbaanonderbreking en de periode van halftijdse loopbaanonderbreking kunnen worden gecumuleerd.
  De maximumperiode van [1 zestig maanden]1 waarin de ambtenaar zijn loopbaan volledig kan onderbreken, kan op verzoek van de ambtenaar geheel of gedeeltelijk omgezet worden in eenzelfde maximumperiode van [1 zestig maanden]1 waarbinnen halftijdse loopbaanonderbreking kan opgenomen worden.
  Voor de berekening van de duur van de [1 zestig maanden]1 wordt geen rekening gehouden met de periodes van loopbaanonderbreking om palliatieve zorg te verstrekken, voor zorg voor een zwaar ziek gezins- en familielid en voor ouderschapsverlof. [3 Er wordt evenmin rekening gehouden met de periodes van loopbaanonderbreking in het kader van het verlof voor erkende mantelzorgers.]3
  [2 ...]2
  § 2. [2 De ambtenaar die zijn beroepsloopbaan wenst te onderbreken, voegt bij de mededeling bedoeld in artikel 8bis het formulier voor de aanvraag om uitkeringen bedoeld in artikel 134.]2
  (§ 3. De overheid vult het in artikel 134 vermelde formulier in en overhandigt het aan de ambtenaar.
  De overheid stuurt naar het werkloosheidsbureau van het gebied waar de ambtenaar zijn verblijfplaats heeft een getuigschrift waarin de verzekering gegeven wordt dat de vervanger de voorschriften van artikel 128 vervult.) <KB 1999-05-26/35, art. 16, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  ----------
  (1)<KB 2011-12-28/24, art. 4, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<KB 2017-03-09/07, art. 14, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2017>
  (3)<KB 2020-10-19/05, art. 2, 052; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 117. (§ 1.) In afwijking van artikel 116, kan de ambtenaar zijn loopbaan onderbreken voor een periode van één maand, eventueel verlengbaar met één maand, teneinde palliatieve zorg te verstrekken aan een persoon krachtens de bepalingen van de artikelen 100bis en 102bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.
  De ambtenaar dient niet te worden vervangen.
  Onder palliatieve zorg wordt verstaan elke vorm van bijstand en inzonderheid medische, sociale, administratieve en psychologische bijstand en verzorging van personen die lijden aan een ongeneeslijke ziekte en die zich in een terminale fase bevinden.
  De ambtenaar die om deze reden zijn loopbaan wil onderbreken brengt er de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte, voegt bij die mededeling het formulier bedoeld in artikel 134 alsmede een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van de persoon die palliatieve zorg behoeft en waaruit blijkt dat het personeelslid zich bereid heeft verklaard deze palliatieve zorg te verlenen, zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld.
  De onderbreking neemt een aanvang de eerste dag van de week volgend op die gedurende dewelke de voormelde mededeling is gebeurd.
  De overheid vult het in artikel 134 vermelde formulier in en geeft het af aan de ambtenaar.
  [1 § 1bis. In toepassing van artikel 99 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, zijn de bepalingen voorzien in artikel 100ter en 102ter van de genoemde herstelwet van 22 januari 1985, van toepassing op de ambtenaren.]1
  (§ 2. In afwijking van artikel 116 kan de ambtenaar zijn loopbaan krachtens de artikelen 100 en 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen onderbreken voor het bijstaan van of voor het verstrekken van verzorging aan een lid van zijn gezin of aan een familielid tot in de tweede graad, dat lijdt aan een ernstige ziekte, met al dan niet opeenvolgende periodes van ten minste een maand of ten hoogste drie maanden.
  De periodes gedurende welke de ambtenaar zijn loopbaan volledig onderbreekt mogen samen niet meer bedragen dan twaalf maanden per patiënt tijdens de loopbaan. De periodes gedurende welke de ambtenaar zijn loopbaan gedeeltelijk onderbreekt mogen samen niet meer bedragen dan vierentwintig maanden per patiënt tijdens de loopbaan.
  (derde lid opgeheven) <KB 2002-12-12/36, art. 20, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als lid van het gezin beschouwd, elke persoon die met de ambtenaar samenwoont en als familielid zowel de bloed- als de aanverwanten.
  Onder ernstige ziekte dient te worden verstaan elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer als dusdanig wordt beschouwd en waarvoor deze van mening is dat enige vorm van sociale, familiale of geestelijke hulp noodzakelijk is voor het herstel.
  De ambtenaar die zijn loopbaan wil onderbreken om een lid van zijn gezin of een familielid dat ernstig ziek is bij te staan of het verzorging te verstrekken, brengt er de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte, voegt bij die mededeling een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van het ernstig zieke lid van het gezin of familielid en waarbij vastgesteld wordt dat de ambtenaar zich bereid verklaard heeft de ernstig zieke persoon bij te staan of hem verzorging te verstrekken.
  De onderbreking neemt een aanvang de eerste dag van de week volgend op die gedurende welke de voormelde mededeling is gebeurd.
  De overheid vult het in artikel 134 vermelde formulier in en geeft het af aan de ambtenaar.) <KB 1999-05-26/35, art. 17, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  (Ingeval van zware ziekte van een kind dat hoogstens 16 jaar oud is en van wie de ambtenaar uitsluitend of hoofdzakelijk de last draagt in de zin van artikel 1 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, wordt, wanneer de ambtenaar alleenstaand is, de maximumperiode van de onderbreking van loopbaan bedoeld in het tweede lid van deze paragraaf uitgebreid naar 24 maanden ingeval van volledige onderbreking van de loopbaan en wordt de maximumperiode van vermindering van arbeidsprestaties ingeval van gedeeltelijke onderbreking van de loopbaan uitgebreid naar 48 maanden.
  De periodes van volledige en gedeeltelijke loopbaanonderbreking kunnen enkel worden opgenomen met periodes van minimum één maand en maximum drie maanden, aaneensluitend of niet.
  Onder alleenstaande in de zin van dit artikel wordt verstaan de ambtenaar die uitsluitend en effectief samenwoont met één of meerdere van zijn kinderen.
  Ingeval van toepassing van het achtste lid van dit artikel moet de ambtenaar bovendien het bewijs leveren van de samenstelling van zijn gezin door middel van een attest dat wordt afgeleverd door de gemeentelijke overheid en waaruit blijkt dat het personeelslid op het moment van de aanvraag uitsluitend en effectief samenwoont met één of meerdere van zijn kinderen.
  Voor iedere verlenging van een periode van volledige en gedeeltelijke loopbaanonderbreking dient de ambtenaar dezelfde procedure te volgen en de door dit koninklijk besluit vereiste attest(en) in te dienen.) <KB 2006-12-18/38, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 17-02-2007>
  (§ 3. Aan de ambtenaar die zijn loopbaan voltijds met toepassing van dit artikel onderbreekt wordt een uitkering van (508,92 EUR) per maand toegekend door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. <KB 2005-07-20/35, art. 2, 015 ; Inwerkingtreding : 01-07-2005 ; zie ook art. 3>
  (De ambtenaar die zijn loopbaan deeltijds met toepassing van dit artikel onderbreekt, ontvangt maandelijks van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een uitkering waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld :
  1° 86,32 EUR voor de ambtenaren die hun prestaties met één vijfde verminderen;
  2° (254,46 EUR) voor de ambtenaren die hun prestaties met de helft verminderen. ) <KB 2002-12-12/36, art. 20, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2005-07-20/35, art. 2, 015 ; Inwerkingtreding : 01-07-2005 ; zie ook art. 3>
  ----------
  (1)<KB 2020-10-19/05, art. 3, 052; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 117bis.[1 In afwijking van de duur van minimum één maand, zoals vermeld in artikel 117, § 2 kan de ambtenaar voor de bijstand of de verzorging van een minderjarig kind, tijdens of vlak na de hospitalisatie van het kind als gevolg van een zware ziekte, zijn beroepsloopbaan volledig onderbreken voor een duur van één week, eventueel verlengbaar met één week.
   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder zware ziekte, elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de geneesheer oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of psychologische bijstand of verzorging noodzakelijk is.
   De door het eerste lid geboden mogelijkheid staat open voor :
   - de ambtenaar die ouder is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en ermee samenwoont;
   - de ambtenaar die samenwoont met het zwaar zieke kind en belast is met de dagelijkse opvoeding.
   Wanneer de in het derde lid bedoelde ambtenaren geen gebruik kunnen maken van de door het eerste lid geboden mogelijkheid, kunnen ook de volgende ambtenaren zich op die mogelijkheid beroepen :
   - de ambtenaar die ouder is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en er niet mee samenwoont;
   - of wanneer laatstgenoemde ambtenaar in de onmogelijkheid verkeert dit verlof op te nemen, een familielid van het zwaar zieke kind tot de tweede graad.
   De volledige onderbreking van de beroepsloopbaan kan genomen worden voor een periode die het mogelijk maakt de minimum duur van een maand te bereiken wanneer de ambtenaar aansluitend op de in het eerste lid bedoelde volledige onderbreking zijn recht bedoeld in artikel 117, § 2 wenst uit te oefenen voor hetzelfde zwaar zieke kind.
   De ambtenaar die zijn loopbaan wil onderbreken om het kind dat zwaar ziek is bij te staan of het verzorging te verstrekken, brengt er de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte, voegt bij die mededeling een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van het zwaar ziek kind, waarbij vastgesteld wordt dat de ambtenaar zich bereid verklaard heeft het zwaar ziek kind bij te staan of hem verzorging te verstrekken.
   Het bewijs van hospitalisatie van het kind wordt geleverd door een attest van het betrokken ziekenhuis.
   Wanneer de hospitalisatie van het kind onvoorzienbaar is, kan worden afgeweken van de voormelde termijn in artikel 116, § 2, tweede lid. In dat geval bezorgt de ambtenaar zo spoedig mogelijk een attest van de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind waaruit het onvoorzienbaar karakter van de hospitalisatie blijkt. Deze mogelijkheid geldt ook ingeval het verlof verlengd wordt met een week.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2013-07-12/01, art. 4, 037; Inwerkingtreding : 01-08-2013>

  Art. 117ter. [1 In afwijking van artikel 117, § 2, eerste en negende lid, kan de minimumperiode van onderbreking mits akkoord van de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde, worden ingekort tot hetzij een week, hetzij twee weken, hetzij drie weken.
   Wanneer het resterend gedeelte van de maximumperiode van onderbreking als bedoeld in artikel 117, § 2, tweede en achtste lid, ingevolge de toepassing van het eerste lid minder bedraagt dan de minimale onderbrekingsperiode van één maand, heeft de ambtenaar het recht om dit saldo zonder akkoord van de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde, op te nemen.
   De voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde kan de uitoefening van het in eerste lid bedoelde recht weigeren. In dit geval dient de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde zijn beslissing schriftelijk mee te delen aan de ambtenaar binnen twee werkdagen na de ontvangst van de mededeling zoals gebeurd overeenkomstig artikel 8bis.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2019-07-18/02, art. 9, 048; Inwerkingtreding : 01-08-2019>
  

  Art. 118. § 1. Aan de ambtenaar die zijn loopbaan voltijds onderbreekt, wordt een uitkering van (260,39 EUR) per maand toegekend. <KB 2000-07-20/72, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. Het bedrag van de uitkering wordt nochtans tot (285,18 EUR) per maand verhoogd wanneer de loopbaanonderbreking ingaat binnen een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of adoptie van een tweede kind waarvoor het personeelslid dat zijn loopbaan onderbreekt of zijn echtgenoot die onder hetzelfde dak woont, kinderbijslag ontvangt. <KB 2000-07-20/72, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Het bedrag van de uitkering wordt nochtans tot (309,97 EUR) verhoogd wanneer de loopbaanonderbreking ingaat binnen een termijn van drie jaar (vanaf elke geboorte of adoptie volgend op die van een tweede kind) waarvoor de werknemer die zijn loopbaan onderbreekt, of zijn echtgenoot die onder hetzelfde dak woont, kinderbijslag ontvangt. <KB 2000-07-20/72, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2002-06-10/31, art. 16, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  De bedragen voorzien in het eerste en tweede lid blijven behouden, ook in geval van verlenging van de oorspronkelijke onderbrekingsperiode, tot maximaal de eerste dag van de maand volgend op de maand waarop het rechtgevend kind de leeftijd van drie jaar bereikt of, in geval van adoptie, tot maximaal de eerste dag van de maand volgend op de maand gedurende de welke de derde verjaardag van de homologatie van de adoptieakte wordt bereikt. In geval van overlijden van het kind dat het recht heeft geopend op dit bedrag blijft dit bedrag behouden voor de duur van de lopende onderbrekingsperiode of totdat het kind de leeftijd van drie jaar zou hebben bereikt of tot de derde verjaardag van de homologatie van de adoptieakte zou bereikt worden.
  Indien de ambtenaar tijdens een lopende loopbaanonderbreking een aanvraag doet tot het krijgen van een verhoogde onderbrekingsuitkering zoals voorzien in het eerste of het tweede lid, kan deze verhoogde uitkering toegekend worden vanaf de eerst dag van de maand volgend op de aanvraag. Als aanvraag geldt hier het indienen van de bewijsstukken waarvan sprake is in het artikel 134, tweede lid.
  § 3. Wanneer de in de vorige §§ voorziene uitkeringen niet voor een volledige maand verschuldigd zijn worden ze verminderd naar verhouding van de werkelijke duur van de loopbaanonderbreking voor die maand.
  § 4. De in dit artikel bedoelde uitkeringen worden betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

  Art. 119. <KB 2002-06-10/31, art. 17, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De ambtenaar die zijn loopbaan halftijds onderbreekt ontvangt per maand een onderbrekingstoelage van 130,20 EUR.
  Wanneer de halftijdse onderbreking van de loopbaan aanvangt binnen een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of adoptie van een tweede kind, wordt het maandelijkse bedrag van de onderbrekingstoelage, die bedoeld is in het eerste lid, verhoogd tot 142,59 EUR.
  Wanneer de halftijdse onderbreking van de loopbaan aanvangt binnen een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of adoptie vanaf elke geboorte of adoptie volgend op die van een tweede kind, wordt het maandelijkse bedrag van de onderbrekingstoelage, die bedoeld is in het eerste lid, verhoogd tot 154,99 EUR.
  De in dit artikel vermelde uitkeringen worden betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

  Art. 120. De in artikelen 118 en 119 vastgestelde bedragen blijven nochtans slechts behouden gedurende de eerste twaalf maanden van loopbaanonderbreking. Na deze periode worden ze verminderd met 5 pct.

  Art. 121. De onderbrekingsuitkeringen worden geïndexeerd en zijn gekoppeld aan de spilindex 143,59. De indexering geschiedt vanaf de tweede maand die volgt op het einde van de periode van twee maanden tijdens dewelke het gemiddeld indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.
  Voor de toepassing van deze indexering wordt het indexcijfer der consumptieprijzen van elke maand vervangen door het rekenkundig gemiddelde van het indexcijfer van de betrokken maand en de indexcijfers der drie voorgaande maanden.
  Iedere maal dat het gemiddelde van het volgens het tweede lid vervangen indexcijfer van twee opeenvolgende maanden een der spilindexen bereikt of er op teruggebracht wordt, worden de onderbrekingsuitkeringen gekoppeld aan de spilindex 143,59 opnieuw berekend door de coëfficiënt 1,02n er op toe te passen waarin n de rang van de bereikte spilindex vertegenwoordigt.
  Te dien einde, wordt iedere spilindex aangeduid met een volgnummer die zijn rang opgeeft, het nr. 1 duidt de spilindex aan die volgt op de spilindex 143,59.
  Voor het berekenen van de coëfficient 1,02n, worden de breuken van een tienduizendste van een eenheid afgerond tot het hogere tienduizendste of weggelaten naargelang zij al dan niet 50 pct. van een tienduizendste bereiken.
  Wanneer het overeenkomstig de voorgaande bepalingen berekend bedrag der onderbrekingsuitkering (wordt uitgedrukt in euro en cent wordt het afgerond naar de hogere of lager cent naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al dan niet 5 bereikt). <KB 2001-12-11/48, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 122.§ 1. (Behoudens de bepalingen inzake belangenconflicten en mits voorafgaandelijke mededeling aan de overheid door de ambtenaar van de aard van de uitgeoefende activiteit), kunnen de onderbrekingsuitkeringen gecumuleerd worden met de inkomsten die voortvloeien, ofwel uit het uitoefenen van een politiek mandaat, ofwel uit een bijkomende activiteit als loontrekkende die reeds (gedurende ten minste drie maanden) werd uitgeoefend vóór de onderbreking van de loopbaan, ofwel uit de uitoefening van een zelfstandige activiteit. De cumulatie van inkomsten uit een zelfstandige activiteit is echter uitsluitend mogelijk in geval van volledige onderbreking en dit slechts gedurende een periode van maximum twaalf maanden. <KB 1999-05-26/35, art. 19, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999> <KB 2007-06-14/31, art. 9, 020; Inwerkingtreding : 02-07-2007>
  [3 De onderbrekingsuitkeringen kunnen ook gecumuleerd worden met de uitoefening van een bijkomende zelfstandige activiteit in geval van een vermindering van de arbeidsprestaties. In dat geval, in zoverre deze zelfstandige activiteit reeds uitgeoefend werd gedurende ten minste twaalf maanden die het begin van de vermindering van de arbeidsprestaties voorafgaan, wordt de cumulatie toegelaten gedurende een periode van maximum :
   - vierentwintig maanden, in geval van vermindering met 1/2 van een voltijdse betrekking;
   - zestig maanden, in geval van vermindering met 1/5 of 1/10 van een voltijdse betrekking.]3
  [1 [2 De onderbrekingsuitkeringen kunnen niet gecumuleerd worden met een pensioen, uitgezonderd:
   a) met een overgangsuitkering overeenkomstig het Eerste Boek, Titel 1, Hoofdstuk II bis van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, Hoofdstuk II van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen of Hoofdstuk IV van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
   b) met een overlevingspensioen gedurende een eenmalige periode van maximaal 12 al dan niet opeenvolgende kalendermaanden.]2
  [2 De onder b) genoemde periode van 12 kalendermaanden wordt verminderd met het aantal maanden waarin:
   - een vergoeding in de zin van artikel 64quinquies van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
   - een vergoeding in de zin van artikel 107quater van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;
   - een vervangingsinkomen in de zin van artikel 76, 10° van de programmawet van 28 juni 2013,
   gecumuleerd werd met het genot van een overlevingspensioen.]2
   Worden voor de toepassing van deze bepaling als een pensioen aangemerkt de ouderdoms-, rust-, anciënniteits-, of overlevingspensioenen, en andere als dusdanig geldende voordelen, toegekend :
   a) door of krachtens een Belgische of buitenlandse wet;
   b) door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut.]1
  (Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als bijkomende activiteit als loontrekkende beschouwd, de activiteit in loondienst waarvan het aantal werkuren gemiddeld het aantal werkuren in de onderbroken betrekking niet overschrijdt.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als zelfstandige activiteit beschouwd, de activiteit die de ambtenaar, op grond van de van kracht zijnde reglementering, ertoe verplicht zich in te schrijven bij het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der zelfstandigen.) <KB 1999-05-26/35, art. 19, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  § 2. Wanneer het personeelslid enige betaalde arbeid in loondienst begint te verrichten of een zodanige bijkomstige werkzaamheid uitbreidt, moet hij de directeur van het werkloosheidsbureau bedoeld in artikel 133 voorafgaandelijk hiervan op de hoogte brengen alvorens een zodanige werkzaamheid te verrichten.
  De ambtenaar verliest de aanspraak op uitkeringen op de dag dat een in het eerste lid bedoelde werkzaamheid wordt uitgeoefend of bij meer dan twaalf [3 , vierentwintig of zestig]3 maanden zelfstandige activiteit [3 , zoals bepaald in § 1, tweede lid]3.
  Indien de directeur van het werkloosheidsbureau bedoeld in artikel 133 niet op de hoogte is gebracht alvorens een werkzaamheid wordt uitgeoefend, wordt de reeds betaalde uitkering teruggevorderd.
  § 3. Het personeelslid wordt, voor de betwistingen die voortvloeien uit de uitoefening van de in de §§ 1 en 2 bedoelde activiteiten en voor de controle op deze activiteiten, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen.
  ----------
  (1)<KB 2014-12-19/56, art. 3, 041; Inwerkingtreding : 01-02-2015>
  (2)<KB 2018-12-06/37, art. 3, 046; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (3)<KB 2019-07-18/04, art. 5, 049; Inwerkingtreding : 01-08-2019>

  Art. 123.Indien de ambtenaar geen recht heeft op onderbrekingsuitkeringen als gevolg van een beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau bedoeld in artikel 133 of afziet van deze uitkeringen, wordt de loopbaanonderbreking omgezet in non-activiteit.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de personeelsleden die afzien van de uitkeringen omdat de uitkeringen overeenkomstig de koninklijke besluiten nrs. 415, 416 en 418 van 16 juli 1986 niet verenigbaar zijn met het genot van een pensioen. Het is evenmin van toepassing op de personeelsleden die het recht op uitkeringen verloren hebben omdat zij de termijn van [1 ...]1 zelfstandige activiteit voorzien in artikel 122, § 2, tweede lid overschreden hebben.
  ----------
  (1)<KB 2019-07-18/04, art. 6, 049; Inwerkingtreding : 01-08-2019>

  Art. 124. Het verlof voor loopbaanonderbreking is niet bezoldigd. Het wordt voor het overige nochtans gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

  Art. 125. <KB 2002-01-28/33, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 13-02-2002> Tijdens een periode van (halftijdse) loopbaanonderbreking mag de ambtenaar geen verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid verrichten. <KB 2002-06-10/31, art. 18, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  (Het adoptieverlof, het opvangverlof, het moederschapsverlof en het vaderschapsverlof stellen een einde aan de stelsels van voltijdse en halftijdse loopbaanonderbreking.) <KB 2007-01-17/37, art. 18, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 126. § 1. Op zijn verzoek en per aangetekende brief kan de ambtenaar zijn ambt opnieuw opnemen vooraleer de periode van loopbaanonderbreking verlopen is behoudens een opzegperiode van twee maanden, tenzij de overheid waarvan hij afhangt een kortere periode aanvaardt.
  § 2. (De onderbrekingsuitkeringen die ontvangen werden voor een periode die minder bedraagt dan de verschillende minimumperiodes voorzien bij deze afdeling worden aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.) <KB 1999-05-26/35, art. 20, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  De in het eerste lid bedoelde terugbetaling wordt niet gevorderd wanneer de periode van onderbreking onmiddellijk volgt op een andere periode van loopbaanonderbreking.
  § 3. De Administrateur-Generaal van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of de door deze laatste aangewezen ambtenaar kan afzien van de terugvordering in geval van werkhervatting gemotiveerd door uitzonderlijke omstandigheden als de ambtenaar daartoe een verzoekschrift, eventueel vergezeld van de nodige bewijsstukken, heeft ingediend bij de directeur van het werkloosheidsbureau bedoeld in artikel 133 die het aan de administrateur-generaal doet toekomen.

  Art. 127.<KB 2005-06-15/31, art. 5, 014; Inwerkingtreding : 01-09-2002> Om te kunnen genieten van onderbrekingsuitkeringen dient de betrokken ambtenaar over een woonplaats te beschikken in een land behorende tot de (Europese Economische Ruimte of in Zwitserland). <KB 2007-06-07/54, art. 4, 021; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
  [1 ...]1
  De onderbrekingsuitkeringen worden echter slechts in België uitbetaald. De artikelen 161 en 162 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering zijn naar analogie van toepassing.
  ----------
  (1)<KB 2018-04-27/15, art. 4, 045; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Afdeling 2. - Vervanging.

  Art. 128. (Met toepassing van de bepalingen van de artikelen 100 en 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en van artikel 97, § 3, van de programmawet van 30 december 1988, (kan het bestuur) de ambtenaar gedurende de loopbaanonderbreking te vervangen door een werkloze die, op het moment van de indienstneming aan de volgende voorwaarden moet voldoen : <KB 2002-12-12/36, art. 21, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1°) ofwel vergoed worden in een uitkeringsstelsel van volledige uitkeringen voor alle dagen van de week;
  2°) ofwel de hoedanigheid hebben van deeltijds werknemer met behoud van rechten die een inkomensgarantie-uitkering geniet in toepassing van artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
  3°) ofwel volledig werkloos zijn, ingeschreven zijn als werkzoekende en het bestaansminimum genieten dat is vastgesteld door de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en bij de bevoegde gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling ingeschreven zijn op voorwaarde het ontvangen van het bestaansminimum te bewijzen gedurende ten minste drie maanden tijdens de zes maanden die aan de indienstneming voorafgaan;
  4°) ofwel volledig werkloos zijn, ingeschreven zijn als werkzoekende, ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, recht hebben op sociale bijstand maar geen recht hebben op het bestaansminimum wegens de nationaliteit en bij de bevoegde gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling ingeschreven zijn, op voorwaarde het ontvangen van sociale bijstand te bewijzen gedurende ten minste drie maanden tijdens de zes maanden die aan de indienstneming voorafgaan;
  5°) ofwel minder-valide werknemer in een beschermde werkplaats zijn zoals vermeld in artikel 78 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991;
  6°) ofwel jonge werknemer zijn die alle toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden vervult om recht te hebben op de wachtuitkeringen die bepaald zijn in artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, met uitzondering van die voor de wachtperiode vermeld in artikel 36, § 1, eerste lid, 4° van datzelfde besluit, voor zover het bewijs ervan wordt voorgelegd;
  7°) ofwel een persoon zijn die zich wenst in te schakelen of terug in te schakelen op de arbeidsmarkt en die tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
  a) het bewijs leveren dat hij tijdens zijn beroepsloopbaan 312 arbeidsdagen of ermee gelijkgestelde in de zin van de werkloosheidsreglementering gepresteerd heeft tijdens een periode van achttien maanden of aantonen dat hij minstens een werkloosheidsuitkering op basis van zijn arbeidsprestaties genoten heeft, buiten de onder b) vermelde periode;
  b) op het ogenblik van de indienstneming geen werkloosheidsuitkering genoten hebben en geen arbeidsprestatie als loontrekkende of zelfstandige geleverd hebben tijdens een periode van minstens vierentwintig maanden zonder onderbreking;
  c) als werkzoekende ingeschreven zijn op het ogenblik van de indienstneming;
  8°) ofwel door een arbeidsovereenkomst verbonden werknemer zijn in de zin van artikel 11 ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, op voorwaarde :
  a) uitkeringen voor alle dagen van de week genoten hebben als uitkeringsgerechtigde volledige werkloze, onmiddellijk vóór het begin van de uitvoering van de vervangingsovereenkomst of één van de voorwaarden vervullen die vastgesteld zijn in 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, en 7° of in 9°;
  b) dat de vervangingsperiode waarvoor hij in dienst genomen is beëindigd is;
  9°) ofwel werkzoekende zijn van wie het recht op uitkeringen geschorst is wegens langdurige werkloosheid, krachtens de bepalingen van Hoofdstuk 3, Afdeling 8, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 of op grond van artikel 143 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid en die gedurende ten minste vierentwintig maanden zonder onderbreking geen vergoedingen meer genoten heeft in het raam van de werkloosheidsreglementering.) <KB 1999-05-26/35, art. 21, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  Voor de toepassing van dit artikel wordt de werknemer die, de dag vóór zijn indienstneming, als vervanger voor een loopbaanonderbreking tewerkgesteld was in dezelfde openbare dienst, geacht de in het eerste lid gestelde voorwaarden te vervullen.

  Art. 129. Onder de in artikel 128 opgesomde categorieën werklozen dient het bestuur voorrang te verlenen aan de (bij SELOR. - Selectiebureau van de federale overheid) geslaagde kandidaten. <KB 2002-09-05/37, art. 132, 010; Inwerkingtreding : 26-09-2002, zie ook KB 2002-09-05/37, art. 242>

  Art. 130. (Opgeheven) <KB 2002-12-12/36, art. 22, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 131. (Opgeheven) <KB 2002-12-12/36, art. 22, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 132. (Opgeheven) <KB 2002-12-12/36, art. 22, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Afdeling 3. - Aanvraag van de onderbrekingsuitkering en procedure.

  Art. 133.[1 De ambtenaar die een onderbrekingsuitkering wenst te genieten, dient bij een ter post aangetekende brief een aanvraag in gericht aan het adres van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat is vermeld op het aanvraagformulier bedoeld in artikel 134.]1
  ----------
  (1)<KB 2018-04-27/15, art. 4, 045; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 134.De aanvraag dient te gebeuren door middel van het formulier waarvan het model en de inhoud vastgesteld worden door het beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening [1 ...]1.
  De Minister van Tewerkstelling en Arbeid bepaalt welke bewijsstukken de ambtenaar bij zijn aanvraag dient te voegen indien hij aanspraak maakt op de verhoogde uitkering voorzien bij artikel 118, § 2, of bij artikel 119, §§ 2 en 3, alsmede de termijnen binnen welke deze bewijsstukken dienen ingediend te worden.
  (Lid 3 opgeheven) <KB 1999-05-26/35, art. 23, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  De aanvraagformulieren kunnen worden verkregen op het werkloosheidsbureau.
  ----------
  (1)<KB 2018-04-27/15, art. 4, 045; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 135. Elke verlenging of nieuwe aanvraag dient te worden ingediend met inachtneming van dezelfde formaliteiten en termijnen als een eerste aanvraag.

  Art. 136.[1 [2 Het recht op uitkeringen gaat in de dag aangeduid op de aanvraag om uitkeringen, wanneer alle nodige documenten, behoorlijk en volledig ingevuld, verzonden zijn naar het adres van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat is vermeld op het aanvraagformulier, binnen de termijn van twee maanden, die ingaat de dag na de dag aangeduid in de aanvraag, en berekend van datum tot datum.]2 Wanneer de documenten behoorlijk en volledig ingevuld verzonden worden na die termijn, gaat het recht op uitkeringen slechts in de dag van de verzending ervan.
   Indien het recht op uitkeringen op een latere datum ingaat overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, wordt de ambtenaar, wat zijn bestuur betreft, toch geacht in loopbaanonderbreking te zijn vanaf de dag die op het aanvraagformulier is aangegeven.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-07-09/05, art. 8, 040; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<KB 2018-04-27/15, art. 4, 045; Inwerkingtreding : 01-06-2018>

  Art. 137. De directeur van het bevoegde werkloosheidsbureau neemt alle beslissingen inzake toekenning of ontzegging van het recht op onderbrekingen na de nodige onderzoekingen en navorsingen te hebben verricht of laten verrichten. Hij noteert zijn beslissing op een onderbrekingsuitkeringskaart waarvan het model en de inhoud worden vastgesteld door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. De directeur stuurt een exemplaar van deze onderbrekingsuitkeringskaart aan de ambtenaar.

  Art. 138.<KB 2002-06-10/31, art. 19, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> § 1 Alvorens een beslissing tot uitsluiting of terugvordering van uitkeringen te nemen, roept de directeur de ambtenaar op om hem te horen. De ambtenaar moet evenwel niet worden opgeroepen om te worden gehoord in zijn verweermiddelen :
  1° wanneer de beslissing tot uitsluiting het gevolg is van een werkhervatting, een pensionering of een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, of van het feit dat de loopbaanonderbreker de uitoefening van een zelfstandige activiteit voortzet terwijl hij reeds gedurende één jaar de uitoefening van deze activiteit heeft gecumuleerd met het genot van onderbrekingsuitkeringen;
  2° in geval van terugvordering ten gevolge van de toekenning van een uitkeringsbedrag dat niet overeenstemt met de bepalingen van de artikelen 118, 119 en 120;
  3° wanneer de ambtenaar schriftelijk heeft meegedeeld dat hij niet wenst te worden verhoord.
  Indien de ambtenaar de dag van de oproeping belet is, mag hij vragen het verhoor te verdagen tot een latere datum die niet later mag vallen dan vijftien dagen na die welke voor het eerste verhoor was vastgesteld.
  Behoudens gevallen van overmacht wordt het uitstel maar eenmaal verleend.
  De aanvraag tot uitstel moet, behoudens in de gevallen van overmacht, op het werkloosheidsbureau toekomen uiterlijk de dag voor de dag waarop de ambtenaar werd opgeroepen.
  De ambtenaar kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie, bedoeld in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en vakbonden van haar personeel.
  § 2. De beslissing van de directeur, waarbij onrechtmatig ontvangen onderbrekingsuitkeringen worden teruggevorderd, wordt bij een ter post aangetekend schrijven aan de betrokken ambtenaar ter kennis gebracht en vermeldt zowel de periode voor dewelke teruggevorderd wordt als het terug te vorderen bedrag.
  De directeur zendt een afschrift van deze beslissing aan de overheid onder welke de ambtenaar ressorteert.
  De beslissingen van de directeur moeten, op straffe van verval, binnen drie maanden na kennisgeving aan de bevoegde Arbeidsrechtbank voorgelegd worden.
  [1 § 3. De bepalingen in § 1, eerste lid, zijn evenwel niet van toepassing, indien onderstaande voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
   1° de Rijksdienst heeft een niet toegelaten cumulatie vastgesteld met een bijkomende activiteit als loontrekkende in de zin van artikel 122;
   2° de ambtenaar werd schriftelijk in kennis gesteld van deze vaststelling en van de mogelijkheid om binnen de vijftien dagen na de afgifte ter post van de brief van de Rijksdienst schriftelijk verweer te laten geworden of schriftelijk te vragen om gehoord te worden.
   Indien de ambtenaar in toepassing van deze paragraaf, vraagt gehoord te worden, wordt toepassing gemaakt van §§ 1 en 2.
   § 4. De directeur kan afzien van de terugvordering wanneer:
   - ofwel de onderbrekingsuitkeringen ten onrechte zijn uitbetaald ten gevolge van een juridische of materiële vergissing van het werkloosheidsbureau;
   - ofwel de ambtenaar die een vereiste aangifte niet heeft gedaan of deze laattijdig heeft gedaan, bewijst dat hij te goeder trouw heeft gehandeld en dat hij recht zou gehad hebben op uitkeringen indien hij tijdig zijn aangifte zou hebben gedaan.]1
  [2 Wanneer de ambtenaar evenwel bewijst dat hij te goeder trouw uitkeringen ontvangen heeft waarop hij geen recht had, wordt in elk geval de terugvordering beperkt tot de laatste honderdvijftig dagen van onverschuldigde toekenning. Deze beperking wordt niet in acht genomen in geval van cumulatie met een prestatie toegekend krachtens een regeling van sociale zekerheid.]2
  ----------
  (1)<KB 2014-07-09/05, art. 9, 040; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<KB 2019-07-18/03, art. 4, 050; Inwerkingtreding : 01-08-2019>

  Art. 138/1. [1 Het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is gemachtigd om geheel of gedeeltelijk af te zien van de nog terug te betalen bedragen overeenkomstig de artikelen 171 tot en met 174, met uitzondering van artikel 173, 5°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2012-09-20/25, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 04-10-2012>

  Afdeling 4. - Toezicht.

  Art. 139. Onverminderd de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie, worden de personeelsleden van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, aangewezen overeenkomstig artikel 22 van de wet van 14 februari 1961 van economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk.

  HOOFDSTUK XIV. - Verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid.

  Art. 140.[1 De ambtenaar mag zijn ambt met verminderde prestaties uitoefenen voor persoonlijke aangelegenheden.
   De ambtenaar moet de helft, twee derden, drie vierden, vier vijfden of negen tienden van de prestaties volbrengen die hem normaal worden opgelegd.
   De machtiging om verminderde prestaties te leveren wordt toegekend voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vierentwintig maanden.
   De verminderde prestaties moeten steeds een aanvang nemen bij het begin van de maand.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-03-09/07, art. 15, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 141. De ambtenaar kan zijn ambt voltijds hernemen, vooraleer de toegestane periode verstrijkt behoudens een opzegperiode van drie maanden tenzij de overheid een kortere periode aanvaardt.

  Art. 142.§ 1. Tijdens de duur van afwezigheid is de ambtenaar op non-activiteit. Hij kan niettemin zijn aanspraken op bevordering doen gelden.
  De bevordering (tot een hogere (klasse) of graad) maakt een einde aan de machtiging tot het uitoefenen van zijn ambt met verminderde prestaties. <KB 2004-08-04/30, art. 133, 013; Inwerkingtreding : 01-12-2004> <KB 2008-11-19/30, art. 96, 022; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  § 2. De ambtenaar geniet de wedde die verschuldigd is voor de verminderde prestaties.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2017-03-09/07, art. 16, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 143. De machtiging om verminderde prestaties te verrichten wordt opgeschort zodra de ambtenaar één van de volgende verloven bekomt :
  1° (moederschapsverlof, vaderschapsverlof, ouderschapsverlof, adoptieverlof en opvangverlof;) <KB 2007-01-17/37, art. 20, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  2° (...) <KB 2002-06-10/31, art. 20, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  3° verlof om een stage of een proefperiode te vervullen;
  4° verlof om kandidaat te zijn voor de verkiezingen;
  5° verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het korps Civiele Bescherming;
  6° verlof voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de Civiele Bescherming of van taken van openbaar nut op grond van de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980;
  7° verlof om een ambt uit te oefenen bij een ministerieel kabinet;
  8° verlof voor een opdracht die van algemeen belang is erkend;
  9° verlof voor werkzaamheden bij een erkende politieke groep in een federale wetgevende vergadering of een wetgevende vergadering van een Gemeenschap of een Gewest of bij de voorzitter van één van die groepen;
  10° om ter beschikking te worden gesteld van de Koning, van een Prins of van een Prinses van Belgïe;
  11° zoals bepaald in artikel 77, § 1, van het koninklijk besluit van 28 september 1984 houdende de uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.

  HOOFDSTUK XV. - Wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van de rijksambtenaren.

  Art. 144. Artikel 28ter, § 1, derde lid, 3°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, ingevoegd door het koninklijk besluit van 22 februari 1985, wordt vervangen door de volgende tekst :
  "3° de verloven bedoeld in de artikels 15 en 20 van de koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen;".

  Art. 145. Artikel 102 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 november 1967, 2 april 1975, 5 april 1976, 24 november 1978, 22 januari 1979, 16 november 1981, 18 november 1982, 3 juli 1985, 28 februari 1986, 16 april 1991, 21 november 1991 en 4 maart 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 102. Onder door Ons bepaalde voorwaarden krijgt de ambtenaar in dienstactiviteit verlof :
  1° voor jaarlijkse vakantie en op de feestdagen, omstandigheidsverlof en uitzonderlijk verlof;
  2° voor moederschapsbescherming; vaderschapsverlof;
  3° ouderschapsverlof; voor opvang met het oog op adoptie of pleegvoogdij;
  4° om dwingende redenen van familiaal belang;
  5° wegens ziekte;
  6° wegens verwijdering uit een schadelijke arbeidsomgeving;
  7° voor verminderde prestaties wegens ziekte;
  8° voor sociale promotie en om deel te nemen aan vormingsactiviteiten;
  9° wegens opdracht;
  10° voor onderbreking van de beroepsloopbaan;
  11° voor vakbondsopdrachten;
  12° voor werkzaamheden bij een politieke groep die erkend is in een wetgevende vergadering van de Staat, van een Gemeenschap of een Gewest, respectievelijk bij de voorzitter van een van die groepen;
  13° voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de Civiele Bescherming of van taken van openbaar nut op grond van de wet van 20 februari 1980 houdende coördinatie van de wetten betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden;
  14° halfttijdse vervroegde uittreding;
  15° om viervijfde van de prestaties die hem normaal worden opgelegd te verrichten over vier werkdagen per week.".

  Art. 146. Artikel 106, 3°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 november 1967, 26 mei 1975, 27 juli 1981 en 30 maart 1983, wordt door de volgende tekst vervangen :
  "3° indien hij de toelating bekomt om voltijds afwezig te zijn voor een periode van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden; ".

  Art. 147. Artikel 108, 3°, van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 13 november 1967, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK XVI. - Wijziging van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van sommige instellingen van openbaar nut.

  Art. 148. In artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 10 mei 1976, 13 september 1979, 16 november 1979, 26 januari 1984, 13 juli 1987, 25 november 1993 en 15 september 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 7° wordt opgeheven;
  2° punt 9° wordt vervangen door de volgende tekst :
  "9° Koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen; ";
  3° de punten 17°, 18°, 25° en 32° worden opgeheven.

  Art. 149. Hoofdstuk VII van titel III van hetzelfde besluit, dat artikel 33 bevat, wordt opgeheven.

  Art. 150. Het hoofdstuk XIV van titel III van hetzelfde besluit, dat de artikels 43 tot 47 bevat, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
  "HOOFDSTUK XIV. - Nadere regels voor de toepassing van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen.
  Art. 43. Artikel 55 moet als volgt worden gelezen :
  "Art. 55. De disponibiliteit wordt uitgesproken door de benoemende overheid. Binnen de grenzen welke deze bepaalt mag zij voor de ambtenaren van de niveau's 2+, 2, 3 en 4 haar bevoegdheid overdragen aan de leidend ambtenaar of, in voorkomend geval, aan de adjunct-leidend ambtenaar of nog aan een dienstchef.".
  Art. 44. Artikel 60, § 2 dient als volgt te worden gelezen :
  " § 2. Aan de in § 1 bedoelde beslissing moet het advies van de leidend ambtenaar of, in voorkomend geval, van de adjunct-leidend ambtenaar, voorafgaan.".
  Art. 45. Artikel 64 moet als volgt worden gelezen :
  "Art. 64. Aan de disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst moet een voorstel voorafgaan gedaan door de leidend ambtenaar of, in voorkomend geval, door de adjunct-leidend ambtenaar. Van dat voorstel wordt kennis gegeven aan de ambtenaar die daartegen kan opkomen bij de bevoegde raad van beroep.".

  Art. 151. Hoofdstuk XV van titel III van hetzelfde besluit, dat artikel 48 bevat, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK XVII. - Overgangsbepalingen en slotbepalingen.

  Art. 152.De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit verminderde prestaties uitoefenen gewettigd door sociale of familiale redenen of wegens persolijke aangelegenheid of in disponibiliteit zijn wegens persoonlijke aangelegenheden, blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde periode van afwezigheid is afgelopen.
  (De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 juni 2002, tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen een deeltijdse loopbaanonderbreking genieten ten belope van een kwart of een derde, blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde periode van afwezigheid is afgelopen.
  De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 juni 2002, tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen een verlof voor opdracht genieten blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde machtiging is afgelopen.) <KB 2002-06-10/31, art. 21, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  (De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 12 december 2002 houdende wijzigingen van diverse reglementaire bepalingen betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen een loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen of medische bijstand ten belope van één derde of één vierde van hun normale prestaties genieten, blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde periode van afwezigheid is afgelopen.) <KB 2002-12-12/36, art. 23, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [1 De ambtenaren die op datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 9 maart 2017 tot wijziging van diverse bepalingen rond flexwerk in de overheidssector een afwezigheid van lange duur of verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden genieten, blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde periode van afwezigheid is afgelopen.]1
  Dit artikel is ook toepasselijk op de vastbenoemde ambtenaren van de instellingen van openbaar nut waarvan het personeel onder de toepassing valt van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut.
  ----------
  (1)<KB 2017-03-09/07, art. 17, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 153.Voor de ambtenaren die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, hun loopbaan volledig hebben onderbroken, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de tweeënzeventig maanden vermeld in artikel 116 van dit besluit.
  (Voor de ambtenaren die vanaf 1 december 1998 hun loopbaan deeltijds hebben onderbroken, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de tweeënzeventig maanden halftijdse loopbaan-onderbreking bedoeld in artikel 116.) <KB 2002-06-10/31, art. 22, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  (Voor de ambtenaren die vóór 1 januari 2002 hun loopbaan hebben onderbroken voor palliatieve zorgen, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de maxima per omstandigheid bedoeld in artikel 117, § 1.
  Voor de ambtenaren die vóór 1 januari 2002 hun loopbaan hebben onderbroken wegens medische bijstand, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de maxima per omstandigheid bedoeld in artikel 117, § 2.) <KB 2002-12-12/36, art. 24, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [1 Voor de ambtenaren die tussen 1 december 1998 en 1 april 2017 een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden hebben genoten, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de maximumduur vermeld in artikel 113.
   Voor de ambtenaren die tussen 1 december 1998 en 1 april 2017 een ouderschapsverlof in toepassing van artikel 34 hebben genoten, worden deze periodes van verlof aangerekend op de maximumduur vermeld in artikel 34.]1
  Dit artikel is ook toepasselijk op de vastbenoemde ambtenaren van de instellingen van openbaar nut waarvan het personeel onder de toepassing valt van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut.
  ----------
  (1)<KB 2017-03-09/07, art. 18, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2017>

  Art. 154. Worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 7 maart 1963 tot vaststelling der diensten erkend van openbaar nut voor de toepassing van de wet van 27 juli 1962 waarbij sommige waarborgen worden verleend aan Belgische ambtenaren, magistraten en militairen die gemachtigd zijn in Kongo en in Ruanda-Urundi openbare ambten te aanvaarden;
  2° het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de afwezigheden wegens persoonlijke aangelegenheid;
  3° het koninklijk besluit van 1 juni 1964 houdende bijzondere bepalingen betreffende de stand disponibiliteit;
  4° het koninklijk besluit van 13 november 1967 betreffende de stand disponibiliteit van het rijkspersoneel;
  5° het koninklijk besluit van 13 november 1967 tot vaststelling van de administratieve toestand van de ambtenaren die met een opdracht worden belast;
  6° het koninklijk besluit van 26 mei 1975 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen;
  7° het koninklijk besluit van 28 februari 1991 betreffende de halftijdse loopbaanonderbreking in de rijksbesturen;
  8° het koninklijk besluit van 28 februari 1991 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan in de besturen en andere diensten van de ministeries;
  9° het koninklijk besluit van 15 september 1997 betreffende de opvang en de opleiding van de personeelsleden van de rijksbesturen.
  Opgeheven wordt, wat de personeelsleden betreft die bij arbeidsovereenkomst zijn in dienst genomen en die door dit besluit beoogd worden, het koninklijk besluit van 28 augustus 1963 betreffende het behoud van het normaal loon van de werklieden, de dienstboden, de bediende en de werknemers aangeworven voor de dienst op binnenschepen, voor afwezigheidsdagen ter gelegenheid van familiegebeurtenissen of voor de vervulling van staatsburgerlijke verplichtingen of van burgerlijke opdrachten.

  Art. 155. Dit besluit treedt in werking op 1 december 1998.

  Art. 156. Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1.Bijlage I. Lijst van de erkende opleidingen die gemeenschappelijk zijn voor alle ministeries. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 23, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>

  Art. N2.Bijlage II. - Modellen. [1 Opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2011-11-14/01, art. 23, 029; Inwerkingtreding : 08-12-2011>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 19 november 1998.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Begroting,
H. VAN ROMPUY
De Minister van Buitenlandse Zaken,
E. DERYCKE
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET
De Minister van Ambtenarenzaken,
A. FLAHAUT

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet;
   Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 11, § 1, vervangen bij de wet van 22 juli 1993;
   Gelet op de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, inzonderheid op artikel 99, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1985, bij het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 en bij de wetten van 21 december 1994 en 22 december 1995, op artikel 100, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 en bij de wet van 21 december 1994, op artikel 100bis ingevoegd door de wet van 21 december 1994, op artikel 102, ingevoegd door het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 en gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 22 december 1995 en op artikel 102bis, ingevoegd door de wet van 21 december 1994 en gewijzigd bij de wet van 22 december 1995;
   Gelet op de herstelwet van 31 juli 1984, inzonderheid op artikel 16, § 4, ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993;
   Gelet op artikel 4, § 2, 1°, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, gewijzigd bij de wet van 20 mei 1997;
   Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van de rijksambtenaren, inzonderheid op artikel 28ter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 februari 1985 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 maart 1993 en 15 maart 1993, op artikel 102, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 november 1967, 2 april 1975, 5 april 1976, 24 november 1978, 22 januari 1979, 16 november 1981, 18 november 1982, 9 juli 1985, 28 februari 1986, 16 april 1991, 21 november 1991 en 4 maart 1993 en het artikel 106, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 november 1967, 26 mei 1975, 27 juli 1981 en 30 maart 1983 en het artikel 108, gewijzigd door het koninklijk besluit van 13 november 1967;
   Gelet op het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 10 mei 1976, 13 september 1979, 16 november 1979, 26 januari 1984, 13 juli 1987, 25 november 1993 en 15 september 1997, op artikel 33, op de artikelen 43 tot 47 en op het artikel 48;
   Gelet op de arbeidswet van 16 maart 1971, inzonderheid op artikel 39, derde lid, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989 et 29 december 1990;
   Overwegende dat het past om de taak te vergemakkelijken van de overheden die met het uitvoeren van deze reglementaire bepalingen zijn belast, en gelet op de bedoeling om de rechtspositie van de ambtenaren inzake verlofreglementering doorzichtiger te maken, sommige bepalingen betreffende de verloven en afwezigheden die aan sommige personeelsleden van het federale bestuur worden toegestaan, in één besluit op te nemen;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 juni 1997;
   Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 1 juli 1997;
   Gelet op het protocol nr. 98/3 van 19 maart 1998 van het gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten;
   Gelet op het protocol nr. 282 van 23 maart 1998 van het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten;
   Gelet op de beraadslaging van de Ministerraad, op 2 april 1998, betreffende de adviesaanvraag binnen een termijn van één maand;
   Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 9 juli 1998, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996;
   Op de voordracht van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en van Onze Minister van Ambtenarenzaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-06-2021 GEPUBL. OP 23-07-2021
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 12; 20; 34; 36. 36BIS; 36quater; 37)
  • originele versie
  • WET VAN 27-06-2021 GEPUBL. OP 15-07-2021
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 15; 15bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-12-2020 GEPUBL. OP 31-12-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 15)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-10-2020 GEPUBL. OP 02-12-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 1, 116, 117)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-08-2020 GEPUBL. OP 07-09-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; 26; 28; 32)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-07-2019 GEPUBL. OP 22-07-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 122; 123)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-07-2019 GEPUBL. OP 22-07-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 138)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-07-2019 GEPUBL. OP 22-07-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8bis; 35; 35/1; 117ter)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-04-2019 GEPUBL. OP 07-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 104; 105)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-12-2018 GEPUBL. OP 17-01-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 122)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-04-2018 GEPUBL. OP 22-05-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 127; 133; 134; 136)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-07-2017 GEPUBL. OP 19-07-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 12)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-03-2017 GEPUBL. OP 21-03-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 8bis; 11; 12; 13; 34; 36; 109; 113; 116; 140; 142; 152; 153)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-08-2016 GEPUBL. OP 24-08-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 60)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-12-2014 GEPUBL. OP 12-01-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 122)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-07-2014 GEPUBL. OP 07-08-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 133; 136; 138)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-12-2013 GEPUBL. OP 30-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-09-2013 GEPUBL. OP 04-10-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 97)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-07-2013 GEPUBL. OP 19-07-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 117bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-06-2013 GEPUBL. OP 01-07-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 10; 48ter; 48quater; 68bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-04-2013 GEPUBL. OP 25-04-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 35)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-11-2012 GEPUBL. OP 05-12-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 23bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-09-2012 GEPUBL. OP 04-10-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 138/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-09-2012 GEPUBL. OP 25-09-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 42; 43; 52; 59)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2012 GEPUBL. OP 01-08-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 35; 35bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-12-2011 GEPUBL. OP 30-12-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 116)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-11-2011 GEPUBL. OP 28-11-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 3; 11; 12; 13; 15; 15bis; 17; 20; 21; 23bis; 33ter; 36; 36ter; 37; 38; 48bis; 52; 69; 70; 71; N1; N2; 1N2-3N2)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-03-2010 GEPUBL. OP 23-03-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 95; 96; 99; 105)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-03-2010 GEPUBL. OP 19-03-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 35)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-01-2010 GEPUBL. OP 01-02-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 28bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-10-2009 GEPUBL. OP 26-10-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 12; 50-54)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-01-2009 GEPUBL. OP 05-02-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 13)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-12-2008 GEPUBL. OP 17-12-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 41BIS; 50; 53; 61; 62)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-11-2008 GEPUBL. OP 26-11-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 106; 108; 142)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-06-2007 GEPUBL. OP 26-06-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 127)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-06-2007 GEPUBL. OP 22-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 115; 122)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-01-2007 GEPUBL. OP 19-02-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 12; 17; 42; 47; 48; 49; 50; 51)
    (GEWIJZIGDE ART. : 52; 53; 54; 55-68; 125; 140; 143)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-12-2006 GEPUBL. OP 07-02-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 35; 117)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-01-2007 GEPUBL. OP 30-01-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; NL26; 28)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-10-2005 GEPUBL. OP 14-11-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 11; 12; 14; NL24; 25; 26; NL27; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 28; NL33; 33BIS; 33TER; 36; 36BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 37; 38; 39)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2005 GEPUBL. OP 29-07-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 35; 117)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-06-2005 GEPUBL. OP 29-06-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 127)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-08-2004 GEPUBL. OP 16-08-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 55; 70; 106; 108; 142)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-10-2003 GEPUBL. OP 04-11-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 95; 96; 98)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-12-2002 GEPUBL. OP 25-12-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 33TER; 34; 35; 36; 56; 57; 60; 63)
    (GEWIJZIGDE ART. : 64; 117; 128; 130; 131; 132; 152)
    (GEWIJZIGD ART. : 153)
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 12; 15; 15BIS; 28; 31; 33; 33BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-09-2002 GEPUBL. OP 26-09-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8; 9; 11; 52; 55; 60; 64; 69; 70; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 75; 76; 84; 85; 86; 87; 88; 94; 109; )
    (GEWIJZIGD ART. : 129)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-06-2002 GEPUBL. OP 27-06-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 7; 8; 17; NL20; 35; 38; 40; 46; 68)
    (GEWIJZIGDE ART. : 95; 99-112; 113; 116; 118; 119)
    (GEWIJZIGDE ART. : 125; 138; 143; 152; 153)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-01-2002 GEPUBL. OP 13-02-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 45; 125)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2001 GEPUBL. OP 22-12-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 121)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-07-2001 GEPUBL. OP 28-07-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 95; 98) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-02-2001 GEPUBL. OP 20-02-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 50; 51; 52; 53; 54)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 35; 118; 119; 117)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-04-1999 GEPUBL. OP 16-06-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 109) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-05-1999 GEPUBL. OP 11-06-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 7; 10; 12; 14; 15; 16; 25; 26; 28)
    (GEWIJZIGDE ART. : 34; 35; 100; 103; 104; F113; 116)
    (GEWIJZIGDE ART. : 117; 119; 122; 126; 128; 130; 134)
    (GEWIJZIGD ART. : 136)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 74 uitvoeringbesluiten 54 gearchiveerde versies
    Franstalige versie