J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 481 uitvoeringbesluiten 23 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1997/04/03/1997022273/justel

Titel
3 APRIL 1997. - Koninklijk besluit houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-04-1997 en tekstbijwerking tot 30-12-2020)

Bron : SOCIALE ZAKEN.VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU.TEWERKSTELLING EN ARBEID.MIDDENSTAND.LANDBOUW
Publicatie : 30-04-1997 nummer :   1997022273 bladzijde : 10467       PDF : geconsolideerde versie
Dossiernummer : 1997-04-03/37
Inwerkingtreding : 10-05-1997

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1990000113        1982000849        1983021210        1958042814        1963041602        1989021219        1967070305        1993000447       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Definities.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Indeling van sommige organismen van openbaar nut bij de openbare instellingen van sociale zekerheid.
Art. 2-4
HOOFDSTUK III. - Bestuursovereenkomst.
Art. 5-9
HOOFDSTUK IV. - Bestuursplan en boordtabellen.
Art. 10
HOOFDSTUK V. - Begroting en rekeningen.
Art. 11-18
HOOFDSTUK VI- Personeel.
Art. 19-22
HOOFDSTUK VII. - Administratief toezicht en controle.
Art. 23-28
HOOFDSTUK VIII. - Het College van de Openbare Instellingen van Sociale Zekerheid.
Art. 29-33
HOOFDSTUK IX. - Opheffings-, wijzigings-, overgangs- en slotbepalingen.
Art. 34-46

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Definities.

  Artikel 1. Voor de uitvoering en de toepassing van dit besluit en zijn uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
  1° "openbare instelling van sociale zekerheid" : één van de instellingen bedoeld in artikel 3, § 2;
  2° "voogdijminister" : de minister of ministers onder wie de betrokken openbare instelling of instellingen van sociale zekerheid ressorteert of ressorteren;
  3° "regeringscommissaris van begroting" : de regeringscommissaris benoemd overeenkomstig artikel 23, § 1, tweede lid op voordracht van de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort;
  4° "College" : het College van de Openbare Instellingen van Sociale Zekerheid bedoeld in artikel 29.

  HOOFDSTUK II. - Indeling van sommige organismen van openbaar nut bij de openbare instellingen van sociale zekerheid.

  Art. 2.Elk van de volgende organismen behorend tot de categorie D in de zin van artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut kan een bestuursovereenkomst afsluiten met de Staat onder de voorwaarden van dit besluit :
  1° [1 ...]1;
  2° [5 Fedris]5;
  3° [6 ...]6
  4° [4 ...]4
  5° de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen;
  6° de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
  7° de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
  8° de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
  9° de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie;
  10° de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers;
  11° [2 de Federale Pensioendienst;]2
  12° de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  13° [3 ...]3;
  14° het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
  15° het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering.
  ----------
  (1)<W 2014-05-12/10, art. 53, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<W 2016-03-18/03, art. 129, 020; Inwerkingtreding : 01-04-2016>
  (3)<W 2016-07-10/03, art. 41, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (4)<KB 2018-05-15/05, art. 24, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (5)<KB 2018-09-06/13, art. 17, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (6)<KB 2018-09-06/13, art. 18, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 3.§ 1. De Koning schrapt, bij in Ministerraad overlegd besluit, een in artikel 2 bedoeld organisme, met ingang van de datum van inwerkingtreding van zijn eerste bestuursovereenkomst, in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.
  De Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, deelt een in het eerste lid bedoeld organisme, met ingang van de datum van inwerkingtreding van zijn eerste bestuursovereenkomst, in bij de openbare instellingen van sociale zekerheid. Laatstgenoemden worden gerangschikt in § 2.
  § 2. De organismen die overeenkomstig § 1 zijn ingedeeld bij de openbare instellingen van sociale zekerheid zijn :
  [Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering] <KB 2002-04-08/52, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [Kruispuntbank van de sociale zekerheid] <KB 2002-04-08/53, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie] <KB 2002-04-08/55, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [2 Federale Pensioendienst;]2
  [Rijksdienst voor sociale zekerheid] <KB 2002-04-08/61, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [4 Fedris]4;
  [Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten] <KB 2002-04-23/39, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers] <KB 2002-04-08/54, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening] <KB 2002-04-29/34, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen] <KB 2002-12-10/34, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen.] <KB 2003-07-11/01, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [3 ...]3
  [Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering] <KB 2003-10-02/42, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [5 ...]5
  [Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid] <KB 2004-01-23/44, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [1 Voor de toepassing van dit koninklijk besluit en de besluiten tot uitvoering ervan is het eHealth-platform, bedoeld in de wet van 21 augustus 2008 houdende oprichting en organisatie van het eHealth-platform, eveneens een openbare instelling van sociale zekerheid, overeenkomstig artikel 2 van laatstgenoemde wet.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-10/35, art. 60, 018; Inwerkingtreding : 10-01-2010>
  (2)<W 2016-03-18/03, art. 130, 020; Inwerkingtreding : 01-04-2016>
  (3)<KB 2018-05-15/05, art. 24, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (4)<KB 2018-09-06/13, art. 19, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (5)<KB 2018-09-06/13, art. 20, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 4. De Koning kan, in het in Ministerraad overlegd besluit tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van een in artikel 3, § 2 bedoeld organisme de wetsbepalingen, die het organiek statuut, de financiering en de werking van het betrokken organisme regelen, opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen, teneinde de daarin vervatte regelen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van dit besluit.
  De Koning kan bij het in het eerste lid bedoelde besluit de wetsbepalingen die de in artikel 3, § 2 bedoelde organismen regelen, coördineren, evenals de bepalingen waardoor ze uitdrukkelijk of impliciet gewijzigd zouden zijn op het tijdstip van deze coördinatie. Daartoe kan Hij :
  1° de volgorde, de nummering van de te coördineren bepalingen en, in het algemeen, de teksten naar de vorm wijzigen;
  2° de verwijzingen die zouden voorkomen in de te coördineren bepalingen met de nieuwe nummering overeenbrengen;
  3° de redactie van de te coördineren bepalingen wijzigen teneinde ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen, zonder afbreuk te doen aan de beginselen welke in deze bepalingen vervat zijn, behoudens bij toepassing van het eerste lid;
  4° de bepalingen van dit besluit hernemen, in de volgorde en met de nummering die Hij vaststelt;
  5° het opschrift van de coördinatie vaststellen.

  HOOFDSTUK III. - Bestuursovereenkomst.

  Art. 5. § 1. De bijzondere regels en voorwaarden waaronder een openbare instelling van sociale zekerheid de opdrachten vervult die haar door de wet zijn toevertrouwd, worden vastgelegd in een bestuursovereenkomst tussen de Staat en de betrokken instelling.
  § 2. De bestuursovereenkomst regelt de volgende aangelegenheden :
  1° de taken die de instelling op zich neemt ter vervulling van de opdrachten die haar door of krachtens de wet, of bij Regeringsbeslissing zijn toevertrouwd;
  2° de gekwantificeerde doelstellingen inzake efficiëntie en kwaliteit met betrekking tot deze taken;
  3° in de mate dat de instellingen rechtstreeks contact hebben met het publiek, de gedragsregels ten aanzien van het publiek;
  4° de methodes voor het meten en het opvolgen van de mate waarin de doelstellingen en gedragsregels worden nageleefd;
  5° de berekeningswijze en de vaststelling van de beheerskredieten die voor de uitvoering van deze taken ter beschikking worden gesteld;
  6° de berekeningswijze en de vaststelling van het maximaal bedrag aan personeelskredieten dat betrekking heeft op statutaire ambtenaren;
  7° binnen het kader bepaald door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit, de positieve sancties voor de instelling bij naleving van de verbintenissen uit de bestuursovereenkomst;
  8° binnen het kader bepaald door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit, de oplossende maatregelen of sancties bij niet-naleving door één der partijen van haar verbintenissen uit hoofde van de bestuursovereenkomst.
  (De Koning stelt de datum van inwerkingtreding van het 7° en 8° van deze paragraaf vast.) <W 2001-07-19/38, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 28-07-2001>
  § 3. Elke uitdrukkelijk ontbindende voorwaarde in de bestuursovereenkomst wordt voor niet geschreven gehouden.
  Artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de bestuursovereenkomst. De partij jegens wie een verbintenis in de bestuursovereenkomst niet is uitgevoerd, kan slechts de uitvoering van de verbintenis vorderen, onverminderd de toepassing van eventuele bijzondere sancties bepaald in de bestuursovereenkomst.
  (§ 4. De bestuursovereenkomst is geen akte of reglement bedoeld in artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Alle clausules in de bestuursovereenkomst worden geacht contractueel te zijn.) <W 1998-02-22/42, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 13-03-1998>

  Art. 6. Het College waakt over de onderlinge coördinatie en consistentie van de ontwerpen van bestuursovereenkomst van de onderscheiden openbare instellingen van sociale zekerheid, en van de ontwerpen tot wijziging ervan.

  Art. 7. § 1. Bij de onderhandeling en het sluiten van de bestuursovereenkomst wordt de Staat vertegenwoordigd door de voogdijminister, bijgestaan door de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort, voor de bepalingen met budgettaire of financiële draagwijdte, en door de minister tot wiens bevoegdheden de ambtenarenzaken behoren, voor de bepalingen die betrekking hebben op de materies die, wat betreft de openbare instellingen van sociale zekerheid, onverminderd andersluidende wets- of reglementsbepalingen, tot zijn bevoegdheid behoren.
  § 2. De openbare instelling van sociale zekerheid wordt bij de onderhandeling van de bestuursovereenkomst vertegenwoordigd door stemgerechtigde beheerders aangeduid door het beheersorgaan, de persoon belast met het dagelijks bestuur en zijn adjunct. De bestuursovereenkomst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het beheersorgaan.
  Het ontwerp van bestuursovereenkomst of van wijziging van de bestuursovereenkomst wordt voor overleg voorgelegd aan het tussenoverlegcomité of, bij gebreke daaraan, aan het basisoverlegcomité ingesteld bij de openbare instelling van sociale zekerheid. Dat overlegcomité wordt op geregelde tijdstippen door zijn voorzitter bijeengeroepen om zijn gemotiveerd advies te verlenen betreffende het verloop van de onderhandelingen.
  § 3. De bestuursovereenkomst treedt slechts in werking na goedkeuring door de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, vanaf de datum vastgesteld bij dat besluit. De Ministerraad waakt erover dat de bestuursovereenkomst in overeenstemming is met het economisch, sociaal en financieel beleid van de Staat.

  Art. 8.§ 1. De bestuursovereenkomst wordt gesloten voor een duur van ten minste drie jaar en ten hoogste vijf jaar.
  § 2. Uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van een bestuursovereenkomst legt de openbare instelling van sociale zekerheid aan de voogdijminister een ontwerp van nieuwe bestuursovereenkomst voor.
  Indien bij het verstrijken van een bestuursovereenkomst geen nieuwe bestuursovereenkomst in werking is getreden, wordt ze van rechtswege verlengd, tot op het ogenblik dat een nieuwe bestuursovereenkomst in werking is getreden. Deze verlenging wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt door de voogdijminister.
  Indien geen nieuwe bestuursovereenkomst in werking is getreden binnen een termijn van één jaar na de in het voorgaande lid bedoelde verlenging, kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, voorlopige regels vaststellen inzake de in artikel 5, § 2 bedoelde aangelegenheden. Deze voorlopige regels zullen als nieuwe bestuursovereenkomst gelden tot op het ogenblik dat een nieuwe bestuursovereenkomst, gesloten overeenkomstig artikel 7, in werking treedt.
  § 3. De bestuursovereenkomst wordt jaarlijks getoetst op basis van het verslag bedoeld in het derde lid en, in voorkomend geval, aangepast aan de gewijzigde omstandigheden met toepassing van in de bestuursovereenkomst vastgelegde objectieve parameters. De openbare instelling wordt bij de toetsing vertegenwoordigd door stemgerechtigde beheerders aangeduid door het beheersorgaan, de persoon belast met het dagelijks bestuur en zijn adjunct.
  Elke andere aanpassing voorgesteld door één van de partijen, of door hen beiden, kan slechts tot stand komen overeenkomstig artikel 7.
  De jaarlijkse toetsing bedoeld in het eerste lid geschiedt op basis van een overleg tussen de regeringscommissarissen bedoeld in artikel 23, par. 1, tweede lid, het beheersorgaan van de openbare instelling van sociale zekerheid en de persoon belast met het dagelijks bestuur van de openbare instelling van sociale zekerheid. Dit overleg heeft betrekking op de uitvoering van de bestuursovereenkomst door de openbare instelling van sociale zekerheid en de Staat. Over de resultaten van dit overleg wordt door de deelnemers een tegensprekelijk en gemotiveerd verslag opgesteld, dat met betrekking tot de aangelegenheden waarover geen overeenstemming wordt bereikt, de onderscheiden standpunten weergeeft.
  § 4. (In afwijking van § 1 wordt de eerste bestuursovereenkomst gesloten voor een duur van :
  - vier jaar indien de eerste bestuursovereenkomst uitwerking heeft op 1 januari 2002;
  - drie jaar indien de eerste bestuursovereenkomst uitwerking heeft op een latere datum.
  Over de eerste bestuursovereenkomst bedoeld onder a) wordt door de voogdijminister verslag uitgebracht aan de Ministerraad gedurende de negenendertigste maand na de inwerkingtreding ervan.
  Over de eerste bestuursovereenkomst bedoeld onder b) wordt door de Voogdijminister verslag uitgebracht aan de Ministerraad gedurende de zevenentwintigste maand na de inwerkingtreding ervan.
  Ten gevolge van de bespreking van dat verslag kan de Ministerraad de voogdijminister opdragen om, in afwijking van § 2, eerste lid, de onderhandelingen van een nieuwe bestuursovereenkomst onmiddellijk aan te vatten.) <W 2004-07-09/30, art. 112, 016; Inwerkingtreding : 31-12-2004>
  [1 § 5. In afwijking van § 1 wordt de tweede bestuursovereenkomst gesloten voor een duur van vier jaar.
  [2 ...]2.
   In afwijking van § 1 eindigt de eerste tussen de Belgische Staat en de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid gesloten bestuursovereenkomst, van rechtswege verlengd, op dezelfde datum als de tweede in eerste lid bedoelde bestuursovereenkomst en maakt ze het voorwerp uit van het in tweede lid bedoelde verslag tegelijkertijd met deze tweede overeenkomst.
   Ten gevolge van de bespreking van het verslag kan de Ministerraad de voogdijminister opdragen, om, in afwijking van § 2, eerste lid, de onderhandelingen van een nieuwe bestuursovereenkomst onmiddellijk aan te vatten.]1
  [3 § 6. In afwijking van § 1 wordt de vijfde bestuursovereenkomst gesloten voor een duur van zes jaar.
   In afwijking van § 1 wordt de derde bestuursovereenkomst van het eHealth-platform gesloten voor een duur van zes jaar.]3
  ----------
  (1)<W 2009-05-06/03, art. 73, 017; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<W 2014-05-12/10, art. 55,3°, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (3)<W 2020-12-20/09, art. 52, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 9. De besluiten tot goedkeuring van een bestuursovereenkomst, of van een aanpassing ervan worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  De bepalingen van de bestuursovereenkomst worden in bijlage bij het koninklijk besluit bekendgemaakt.

  HOOFDSTUK IV. - Bestuursplan en boordtabellen.

  Art. 10. Elke openbare instelling van sociale zekerheid stelt een bestuursplan op. Dit bestuursplan geeft aan hoe de toevertrouwde taken zullen worden uitgevoerd met het oog op het bereiken van de doelstellingen vervat in de bestuursovereenkomst. Het bestuursplan wordt voor overleg voorgelegd aan het tussenoverlegcomité of, bij gebreke daaraan, aan het basisoverlegcomité ingesteld bij de openbare instelling van sociale zekerheid.
  De mate waarin de doelstellingen worden bereikt, wordt gemeten aan de hand van indicatoren die periodiek worden berekend en opgenomen in boordtabellen. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, na advies van het College en na onderhandeling met de representatieve vakorganisaties, de materies bepalen waaromtrent eenvormige indicatoren in de boordtabellen van alle openbare instellingen van sociale zekerheid moeten worden opgenomen.

  HOOFDSTUK V. - Begroting en rekeningen.

  Art. 11. § 1. Voor elke openbare instelling van sociale zekerheid wordt een jaarlijkse begroting opgemaakt, met opgave van alle ontvangsten en alle uitgaven, welke de herkomst en de oorzaak ervan ook mogen zijn.
  Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar.
  § 2. De begroting bestaat uit :
  1° een opdrachtenbegroting die de ontvangsten en uitgaven omvat die betrekking hebben op de wettelijke opdrachten van de instelling;
  2° een beheersbegroting die de ontvangsten en uitgaven omvat die betrekking hebben op het beheer van de instelling.
  (In de beheersbegroting wordt een onderscheid gemaakt tussen de personeelsuitgaven, de werkingsuitgaven en de investeringsuitgaven.) <W 2001-07-19/38, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 28-07-2001>
  § 3. De opdrachtenbegroting kan niet-limitatieve kredieten omvatten. De beheersbegroting omvat enkel limitatieve kredieten, met uitzondering van de kredieten met betrekking tot rechtstreekse of onrechtstreekse belastingen, vergoedingen verschuldigd krachtens fiscale bepalingen of uitgaven ten gevolge van gerechtelijke procedures of beslissingen.

  Art. 12. § 1. Het ontwerp van begroting van een openbare instelling van sociale zekerheid wordt opgemaakt door het beheersorgaan.
  § 2. Op de voordracht van de voogdijminister en van de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort, stelt de Koning de datum vast, waarop de ontwerpen van begroting worden opgemaakt en regelt Hij de mededeling ervan aan de bevoegde overheden.
  § 3. Het ontwerp van begroting wordt goedgekeurd door de voogdijminister, mits de regeringscommissaris van begroting een gunstig advies heeft gegeven over de overeenstemming van het ontwerp van begroting met de wets- en reglementsbepalingen en met de bepalingen van de bestuursovereenkomst met budgettaire of financiële draagwijdte. Bij gebrek aan een advies binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de overmaking aan de regeringscommissaris van begroting van het ontwerp van begroting, wordt het advies geacht gunstig te zijn. Op gemotiveerde aanvraag van de regeringscommissaris van begroting wordt deze termijn met maximum één maand verlengd.
  Bij gebrek aan gunstig advies van de regeringscommissaris van begroting kan de voogdijminister het ontwerp van begroting goedkeuren mits de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort, hiermee instemt. Bij gebrek aan instemming van deze laatste, kan de voogdijminister het ontwerp van begroting voorleggen aan de Ministerraad.
  § 4. Indien op de eerste dag van het begrotingsjaar geen goedkeuring is gegeven over het ontwerp van begroting, belet zulks niet de aanwending van de kredieten die het ontwerp omvat.
  Het eerste lid geldt niet voor principieel nieuwe uitgaven ingeschreven in de opdrachtenbegroting, waartoe geen machtiging is verleend bij de begroting van het vorige jaar, en voor uitgaven in de beheersbegroting, waaromtrent door de regeringscommissaris van begroting een ongunstig advies werd uitgebracht wegens een gebrek aan overeenstemming met de wets- en reglementsbepalingen of de bepalingen van de bestuursovereenkomst met budgettaire of financiële draagwijdte.

  Art. 13. Synoptische tabellen van de verrichtingen van een openbare instelling van sociale zekerheid worden als bijlage gevoegd bij de administratieve begroting van het Ministerie waaronder de instelling ressorteert. Deze tabellen hergroeperen, eensdeels de budgettaire ontvangsten en uitgaven, anderdeels de kosten en opbrengsten van de instelling. Deze documenten, die volgens een type-programmastructuur worden voorgesteld, verschaffen in deze twee domeinen inlichtingen over :
  1° de gekende realisaties van het voorgaande begrotingsjaar;
  2° de vooruitzichten voor het lopende begrotingsjaar;
  3° de vooruitzichten voor de drie volgende begrotingsjaren.
  Gelijkaardige synoptische tabellen over heel de sociale zekerheid en hun repartitie per tak zijn bij de Algemene Toelichting op de Begroting gevoegd. Bedoelde documenten, die een schatting zijn, worden opgemaakt aan de hand van deze ministeriële tabellen.

  Art. 14. § 1. Het beheersorgaan kan beslissen tot overdracht van kredieten binnen de beheersbegroting van eenzelfde begrotingsjaar mits de regeringscommissaris van begroting een gunstig advies heeft gegeven over de overeenstemming van het voorstel van overdracht met de wets- en reglementsbepalingen en met de bepalingen van de bestuursovereenkomst met budgettaire of financiële draagwijdte. Bij gebrek aan een advies binnen een termijn van twintig vrije dagen te rekenen vanaf de overmaking aan de regeringscommissaris van begroting van het voorstel tot overdracht, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
  Bij gebrek aan gunstig advies van de regeringscommissaris van begroting kan de voogdijminister het voorstel tot overdracht goedkeuren mits de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort, hiermee instemt. Bij gebrek aan instemming van deze laatste, kan de voogdijminister het voorstel tot overdracht voorleggen aan de Ministerraad.
  § 2. De kredieten uitgetrokken voor (investeringsuitgaven of voor werkingsuitgaven met betrekking tot het programma van de investeringen), die niet werden aangewend tijdens het begrotingsjaar worden heringeschreven in de beheersbegroting van het volgende jaar voorzover dit nodig is voor de uitvoering van het programma van de investeringen. <W 2001-07-19/38, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 28-07-2001>

  Art. 15. § 1. Indien de overschrijding van kredieten uitgetrokken op de opdrachtenbegroting een hogere financiële Staatstussenkomst kan meebrengen dan de algemene uitgavenbegroting voorziet, moet zij vooraf door de aanneming van een overeenstemmend krediet in de algemene uitgavenbegroting worden goedgekeurd.
  § 2. Indien een krediet, dat geopend is in de begroting van de Staat, van de Gemeenschappen of van de Gewesten ten bate van een openbare instelling van sociale zekerheid wordt gewijzigd, wordt de opdrachtenbegroting van deze instelling dienovereenkomstig aangepast vanaf de betekening.

  Art. 16. § 1. De openbare instellingen van sociale zekerheid voeren een boekhouding overeenkomstig een genormaliseerd boekhoudplan vastgesteld door de Koning, op de voordracht van de voogdijminister en van de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort. Het genormaliseerd boekhoudplan wordt voorgesteld door de Commissie voor de Normalisatie van de Boekhouding van de Openbare Instellingen van Sociale Zekerheid, na advies van het College.
  § 2. Het genormaliseerd boekhoudplan van de openbare instellingen van sociale zekerheid stelt de regels vast inzake :
  1° de vorm van de begroting, de overlegging van de rekeningen en de periodieke toestandsopgaven en -verslagen;
  2° de wijze van aanrekening van ontvangsten en uitgaven;
  3° de vaststelling van winsten en verliezen;
  4° de wijze van schatting van de bestanddelen van het vermogen;
  5° de wijze van berekening van a) de afschrijvingen;
  a) de afschrijvingen;
  b) de dotaties voor de vernieuwingsfondsen;
  c) de speciale reserves en andere provisies die noodzakelijk zijn wegens de aard van de werkzaamheden van de instelling.
  § 3. Iedere openbare instelling van sociale zekerheid kan, met de goedkeuring van de voogdijminister en de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort, het genormaliseerd boekhoudplan aanvullen met een specifiek boekhoudplan.
  § 4. De openbare instellingen van sociale zekerheid voeren hun boekhouding volgens de gebruikelijke regelen van het dubbel boekhouden.
  § 5. Elk boekhoudkundig stuk moet worden getekend door twee peroneelsleden aangeduid door het beheersorgaan.

  Art. 17. § 1. De openbare instellingen van sociale zekerheid maken aan de voogdijminister en aan de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort periodieke toestandsopgaven van het actief en het passief over, alsmede een jaarverslag over hun werkzaamheden. Zij verstrekken aan voornoemde ministers alle andere inlichtingen die hun door hen worden gevraagd.
  § 2. Het beheersorgaan maakt, uiterlijk op de datum vastgesteld door de Koning, de rekeningen en toestandsopgaven op vastgelegd in het genormaliseerd boekhoudplan.
  § 3. De bescheiden bedoeld in § 2 worden goedgekeurd door de voogdijminister. De voogdijminister zendt deze bescheiden van de instelling aan de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort. Deze doet ze voor toezicht aan het Rekenhof geworden, uiterlijk op de datum vastgesteld door de Koning.
  § 4. Het Rekenhof kan een toezicht ter plaatse inrichten op de boekhouding, de verrichtingen en de afsluiting van de rekeningen van de openbare instellingen van sociale zekerheid.
  Het Rekenhof kan de rekeningen van de openbare instellingen van de sociale zekerheid in zijn opmerkingenboeken bekendmaken.

  Art. 18. § 1. Onverminderd artikel 5 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers, kunnen de openbare instellingen van sociale zekerheid, binnen de grenzen van hun doel, vrij beslissen over de verwerving, de aanwending en de vervreemding van hun lichamelijke en onlichamelijke goederen en de vestiging of opheffing van zakelijke rechten op deze goederen, alsmede over de uitvoering van dergelijke beslissingen.
  In afwijking van het eerste lid, bepaalt de bestuursovereenkomst het bedrag boven hetwelk elke beslissing tot verwerving, oprichting of vervreemding van een onroerend goed of recht onderworpen is aan de voorafgaande machtiging van de voogdijminister en de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort, binnen de in de bestuursovereenkomst bepaalde termijn.
  § 2. Onverminderd artikel 5 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers, beslissen de openbare instellingen van sociale zekerheid, binnen de grenzen van hun doel en onder de voorwaarden bepaald door de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, op de voordracht van de voogdijminister en van de Minister van Financiën, over het beheer van hun financiële reserves en over de omvang, de technieken en de voorwaarden van hun beleggingen en externe financiering.
  De leningen voor meer dan tien dagen die de openbare instellingen van sociale zekerheid, binnen de grenzen van hun doel mogen aangaan, worden aan de voogdijminister en aan de Minister van Financiën ter machtiging voorgelegd.

  HOOFDSTUK VI- Personeel.

  Art. 19. § 1. Het beheersorgaan van elke openbare instelling van sociale zekerheid stelt (het personeelsplan) vast, mits de regeringscommissaris van begroting een gunstig advies heeft gegeven over de overeenstemming van (het personeelsplan) met de wets- en reglementsbepalingen en met de bepalingen van de bestuursovereenkomst bedoeld in artikel 5, § 2, 6°. Bij gebrek aan een advies binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de overmaking aan de regeringscommissaris van begroting van het (ontwerp van personeelsplan), wordt het advies geacht gunstig te zijn. <W 2002-12-24/31, art. 446, 009; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  ((NOTA : de W 2003-04-08/33, art. 26, beschikt dat het volgend lid ingevoegd wordt tussen het eerste en het tweede lid van artikel 19; Justel veronderstelt dat in plaats van "artikel 19" "artikel 19, § 1" dient gelezen te worden) Voor de vaststelling van het aantal managementsfuncties is het akkoord van de ministers van Ambtenarenzaken en Begroting vereist.) <W 2003-04-08/33, art. 26, 010; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  Bij gebrek aan gunstig advies van de regeringscommissaris van begroting kan de voogdijminister (het personeelsplan) goedkeuren mits de ministers tot wier bevoegdheden de begroting en de ambtenarenzaken behoren hiermee instemmen. Bij gebrek aan instemming van één van deze laatsten, kan de voogdijminister (het personeelsplan) voorleggen aan de Ministerraad.<W 2002-12-24/31, art. 446, 009; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  § 2. (Het personeelsplan) bevat voor elk niveau per functie het maximum aantal betrekkingen dat kan worden toegewezen aan statutaire ambtenaren of contractuele personeelsleden, (...). <W 2000-08-12/62, art. 126, 003; Inwerkingtreding : 10-09-2000> <W 2002-12-24/31, art. 446, 009; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  Het College staat in voor de eenvormigheid van de functiebenamingen die in de (personeelsplannen) van de openbare instellingen van sociale zekerheid voorkomen. <W 2002-12-24/31, art. 446, 009; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  § 3. Het beheersorgaan van elke openbare instelling van sociale zekerheid maakt (het personeelsplan) bekend in het Belgisch Staatsblad. <W 2002-12-24/31, art. 446, 009; Inwerkingtreding : 10-01-2003>

  Art. 20. De vaststelling van de personeelsformatie door het beheersorgaan of de goedkeuring ervan houdt de machtiging in tot bezetting van de erin opgenomen betrekkingen via werving, bevordering of mobiliteit, wat de statutaire ambtenaren betreft, binnen de grenzen van de bepalingen van de bestuursovereenkomst bedoeld in artikel 5, § 2, 6° en wat de personeelsleden tewerkgesteld krachtens arbeidsovereenkomst betreft, binnen de grenzen van de bepalingen van de bestuursovereenkomst bedoeld in artikel 5, § 2, 5°.

  Art. 21. § 1. De Koning stelt het statuut vast van de personeelsleden in dienst van de openbare instellingen van sociale zekerheid, op de voordracht van de voogdijminister, en in overeenstemming met de minister tot wiens bevoegdheden de ambtenarenzaken behoren. Voor de vaststelling van het geldelijk statuut is daarenboven de instemming vereist van de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort.
  § 2. Indien het statuut van de personeelsleden in dienst van de openbare instellingen van sociale zekerheid voor bepaalde aangelegenheden verwijst naar andere bepalingen, treden wijzigingen aan deze bepalingen wat betreft de personeelsleden van de openbare instellingen van sociale zekerheid (van rechtswege in werking tenzij in deze wijzigingen zelf anders wordt bepaald). <W 2000-08-12/62, art. 127, 1°, 003; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
  (Deze wijzigingen kunnen in afwijkende regelingen voorzien wat de personeelsleden van openbare instellingen van sociale zekerheid betreft.) <W 2000-08-12/62, art. 127, 2°, 003; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
  (derde lid opgeheven) <W 2001-01-02/30, art. 63, 004; Inwerkingtreding : 03-01-2001>
  § 3. Het ontwerp van het statuut van de personeelsleden in dienst van de openbare instellingen van sociale zekerheid en elke wijziging ervan (met inbegrip van de wijzigingen bedoeld in § 2, L2) wordt door de voogdijminister voorafgaandelijk ter advies voorgelegd aan het College. Bij gebrek aan een advies binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de overmaking aan het College, wordt het advies geacht te zijn gegeven. <W 2001-12-30/30, art. 20, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 4. In afwijking van § 1, eerste lid kan het beheersorgaan van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, na advies van het College, de regeling inzake de bezoldiging bepalen van het informaticapersoneel dat in de openbare instellingen van sociale zekerheid is tewerkgesteld op basis van artikel 4, § 8 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, mits de regeringscommissaris van begroting een gunstig advies heeft gegeven. Bij gebrek aan een advies binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de overmaking aan de regeringscommissaris van begroting van het ontwerp van regeling, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
  Bij gebrek aan gunstig advies van de regeringscommissaris van begroting kan de voogdijminister de regeling inzake de bezoldiging goedkeuren mits de ministers tot wier bevoegdheden de begroting en de ambtenarenzaken behoren hiermee instemmen. Bij gebrek aan instemming van één van deze laatsten, kan de voogdijminister de regeling voorleggen aan de Ministerraad.

  Art. 22. De openbare instellingen van sociale zekerheid zijn gehouden, niet alleen aan de voogdijminister maar ook aan de ministers tot wier bevoegdheid de ambtenarenzaken of de begroting behoren alle door één van hen in verband met de administratieve en geldelijke toestand van hun personeel gevraagde inlichtingen rechtstreeks te verstrekken. Wanneer de inlichtingen worden gevraagd door de ministers tot wier bevoegdheid de ambtenarenzaken of de begroting behoren, verstrekt de instelling ze terzelfdertijd aan de voogdijminister en aan de minister die er om vraagt.

  HOOFDSTUK VII. - Administratief toezicht en controle.

  Art. 23. § 1. De openbare instellingen van sociale zekerheid staan onder de controlebevoegdheid van de voogdijminister en, wat betreft de beslissingen met een budgettaire of financiële terugslag, van de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort.
  Deze controle wordt uitgeoefend door bemiddeling van twee regeringscommissarissen die de Koning benoemt. De ene regeringscommissaris wordt benoemd op voordracht van de voogdijminister, de andere op voordracht van de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort.
  Voor het geval een regeringscommissaris verhinderd is, kan door de minister die hem heeft voorgedragen een plaatsvervanger worden aangesteld.
  § 2. De regeringscommissarissen wonen, met raadgevende stem, de vergaderingen van de beheersorganen bij. Ze beschikken voor het vervullen van hun opdracht over de ruimste bevoegdheid. Elke door het beheersorgaan van de instelling genomen beslissing wordt hen onmiddellijk meegedeeld.
  § 3. Iedere regeringscommissaris kan binnen een termijn van vier vrije dagen beroep instellen tegen elke beslissing die hij, binnen het controlebevoegdheidsdomein van de minister die hem heeft voorgedragen, strijdig acht met de wet, met de statuten, met de bestuursovereenkomst of met het algemeen belang. Het beroep is opschortend.
  Deze termijn gaat in de dag van de vergadering waarop de beslissing genomen werd, voor zover de regeringscommissaris daarop regelmatig uitgenodigd werd, en, in de andere gevallen, de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen.
  § 4. De regeringscommissaris van begroting staat ter beschikking van de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren.
  § 5. De Koning regelt de benoemingsvoorwaarden en uitoefening van de opdracht van de regeringscommissarissen.

  Art. 24. § 1. Voor de regeringscommissaris staat beroep open bij de minister die hem heeft voorgedragen.
  § 2. Heeft de minister, bij wie het beroep werd ingesteld, binnen een termijn van twintig vrije dagen, ingaand dezelfde dag als de in artikel 23, § 3, tweede lid bedoelde termijn, de nietigverklaring niet uitgesproken, na het advies van de andere betrokken minister te hebben ingewonnen, dan wordt de beslissing definitief.
  § 3. De nietigverklaring van de beslissing wordt aan het beheersorgaan betekend door de minister die ze heeft uitgesproken.

  Art. 25. § 1. De voogdijminister en de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort wijzen, in onderlinge overeenstemming, bij elke openbare instelling van sociale zekerheid één of meer revisoren aan die worden gekozen onder de leden van het Instituut voor Bedrijfsrevisoren.
  § 2. De revisoren zijn gelast op de geschriften controle uit te oefenen en ze juist en echt te verklaren.
  Zij kunnen kennis nemen, zonder verplaatsing, van de boekhouding en de comptabiliteitsbescheiden, de briefwisseling, de notulen, de periodieke toestandopgaven en, over het algemeen, van alle geschriften. Zij zien de samenstelling na van de patrimoniale goederen en van de waarden die aan de instellingen toebehoren of waarvan deze het gebruik hebben of waarover zij het beheer voeren.
  Zij mogen zich niet met het beheer van de instellingen bemoeien.
  De Koning regelt de uitoefening van de opdracht van de revisoren.
  § 3. Zij sturen ten minste éénmaal 's jaars ter gelegenheid van het opmaken van de bescheiden bedoeld in artikel 17, § 2 aan de voogdijminister, aan de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort, aan het beheersorgaan en aan de persoon belast met het dagelijks bestuur van de instelling, een verslag over het actief en het passief, evenals over de bedrijfsresultaten. Zij wijzen hen onverwijld op elk verzuim, op elke onregelmatigheid en, in het algemeen, op elke toestand die de solvabiliteit en de liquiditeit van de instelling in het gedrang kan brengen.

  Art. 26. De openbare instellingen van sociale zekerheid betalen de uit de controle van hun verrichtingen voortvloeiende uitgaven aan de Schatkist terug.

  Art. 27. De Dienst voor Begrotingsenquêtes en het Hoog Comité van Toezicht kunnen, onder de voorwaarden bepaald in hun organiek statuut, gelast worden hun respectieve opdracht in de bij artikel 3, § 2 opgenomen instellingen uit te oefenen, op verzoek van :
  1° de voogdijminister;
  2° de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort, of de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren, voor wat op grond van deze wet onder hun bevoegdheid valt.

  Art. 28. Wanneer het algemeen belang of de naleving van de wet of de reglementen het eist, kunnen de voogdijminister, of in voorkomend geval, de daartoe gemachtigde regeringscommissarissen het beheersorgaan van openbare instellingen van sociale zekerheid verplichten om, binnen de door hen gestelde termijn, te beraadslagen over iedere door hen bepaalde aangelegenheid.
  Heeft het beheersorgaan, bij het verstrijken van deze termijn, geen beslissing genomen of stemt de betrokken minister met de door dit orgaan genomen beslissing niet in, dan kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, de beslissing nemen in de plaats van het beheersorgaan. Van zijn besluit wordt onmiddellijk een afschrift overgemaakt aan de Wetgevende Kamers.

  HOOFDSTUK VIII. - Het College van de Openbare Instellingen van Sociale Zekerheid.

  Art. 29. Er wordt een College van de Openbare Instellingen van Sociale Zekerheid opgericht.

  Art. 30. Het College is samengesteld uit de personen belast met het dagelijks bestuur, en hun eventuele adjuncten, van de organismen bedoeld in artikel 2 en van de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2. Bij ontstentenis van een titularis treedt de dienstdoende persoon belast met het dagelijks bestuur in zijn plaats.
  Op uitnodiging van het College kunnen personen die een bijzondere bevoegdheid bezitten, deelnemen aan de vergaderingen van het College. Zij hebben raadgevende stem. Dit geldt in het bijzonder voor de secretarissen-generaal van de ministeries waaronder de organismen bedoeld in artikel 2 en de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 ressorteren.

  Art. 31. Het College is een advies- en coördinatieorgaan met betrekking tot aangelegenheden die het bestuur, het personeelsbeleid en de werking van de openbare instellingen van sociale zekerheid aanbelangen.
  Het College is in het bijzonder belast met de volgende taken :
  1° advies verstrekken of aanbevelingen formuleren aan de voogdijminister of elke andere minister, op hun verzoek of op eigen initiatief, over elke aangelegenheid die het bestuur en de werking van de openbare instellingen van sociale zekerheid aanbelangt; wanneer het advies of de aanbeveling gericht is aan een andere minister, bezorgt het College een afschrift aan de voogdijminister;
  2° overeenkomstig artikel 6 waken over de onderlinge coördinatie en consistentie van de ontwerpen van bestuursovereenkomst van de onderscheiden openbare instellingen van sociale zekerheid, en van de wijzigingen ervan;
  3° overeenkomstig artikel 16, § 1, advies verstrekken over het genormaliseerd boekhoudplan voorgesteld door de Commissie voor de Boekhoudkundige Normen van de Openbare Instellingen van Sociale Zekerheid;
  4° overeenkomstig artikel 19, § 2, tweede lid waken over de eenvormigheid van de functiebenamingen die in de personeelsformaties van de openbare instellingen van sociale zekerheid voorkomen;
  5° overeenkomstig artikel 21, § 3 advies verstrekken over het ontwerp van het statuut van de personeelsleden in dienst van de openbare instellingen van sociale zekerheid en elke wijziging ervan;
  6° overeenkomstig artikel 21, § 4 advies verstrekken over de regeling inzake de bezoldiging van het personeel bedoeld in artikel 4, § 8 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken.

  Art. 32. De Regering pleegt geregeld overleg met het College over het personeelsbeleid en de werking van de openbare instellingen van sociale zekerheid. De Eerste Minister, de voogdijminster, de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren en de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort, nemen namens de Regering deel aan dit overleg.

  Art. 33. Het College kiest in zijn schoot een voorzitter en één of meerdere ondervoorzitters. Het stelt zijn huishoudelijk reglement vast.

  HOOFDSTUK IX. - Opheffings-, wijzigings-, overgangs- en slotbepalingen.

  Art. 34. In artikel 1, eerste lid van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van de personeelsleden van sommige openbare instellingen en hun rechthebbenden worden tussen de woorden "organismen van openbaar nut" en de woorden "waarvan het personeel" de woorden "en de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels" ingevoegd.

  Art. 35. Artikel 20, 2° van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen wordt vervangen door de volgende tekst :
  " 2° in de openbare besturen, de instellingen van openbaar nut en de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; "

  Art. 36. Artikel 21, § 1, eerste lid, 2° van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende tekst :
  " 2° de openbare besturen, de door de Koning aangewezen instellingen van openbaar nut, met inbegrip van de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. "

  Art. 37. Artikel 21, § 3 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 3. Wat betreft de openbare besturen, de instellingen van openbaar nut, met inbegrip van de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bepaalt de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit het aantal mindervaliden dat moet worden tewerkgesteld. "

  Art. 38. Artikel 1, eerste lid, 2° van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, vervangen bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen door de volgende tekst :
  " 2° de instellingen van openbaar nut die onder het gezag, de controle of het toezicht van de staat vallen, met inbegrip van de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; "

  Art. 39. Artikel 1, eerste lid, 2° van het koninklijk besluit nr. 46 van 10 juni 1982 betreffende de cumulaties van beroepsactiviteiten in sommige openbare diensten, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986, wordt vervangen door de volgende tekst :
  " 2° van de instellingen van openbaar nut, die onderworpen zijn aan het gezag, de controle of het toezicht van de staat, met inbegrip van de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. "

  Art. 40. In artikel 2, § 1, 4° van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces worden tussen de woorden "instellingen van openbaar nut" en de woorden "met uitzondering van de openbare kredietinstellingen" de woorden "met inbegrip van de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en" ingevoegd.

  Art. 41. Artikel 93, eerste lid, 1° van de programmawet van 30 december 1988, gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993, wordt vervangen door de volgende tekst :
  " 1° de administratie en andere diensten van de Staat, de openbare instellingen die onder zijn gezag, zijn controle of zijn toezicht vallen, met inbegrip van de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; "

  Art. 42. Artikel 7, eerste lid van de wet van 20 februari 1990 betreffende het personeel van de overheidsbesturen en van sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 7 - Dit hoofdstuk is van toepassing op de besturen en andere diensten van de ministeries, op de instellingen van openbaar nut onder het gezag, de controle of het toezicht van de Staat, bedoeld in artikel 3 van de wet van 22 juli 1993, alsook op de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. "

  Art. 43. § 1. Artikel 1, § 1, tweede lid van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken wordt aangevuld als volgt :
  " 3° de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. "

  Art. 44. § 1. In artikel 4, § 1 van dezelfde wet worden tussen de woorden "federale ministeries" en de woorden "alsook in de instellingen" de woorden "in de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels," ingevoegd.
  § 2. Artikel 4 van dezelfde wet, _ gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994, wordt aangevuld met de volgende paragrafen :
  " § 6. De paragrafen 2 tot 4 zijn niet van toepassing op de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
  § 7. Na onderhandeling met de representatieve vakorganisaties, bepaalt de Koning, wat betreft de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, op de voordracht van de ministers onder wie de openbare instellingen van sociale zekerheid ressorteren, en in overeenstemming met de minister tot wiens bevoegdheden de ambtenarenzaken behoren, de in § 1, 3° bedoelde bijkomende of specifieke opdrachten, alsook de voorwaarden en de wijze waarop personen in dienst worden genomen bij arbeidsovereenkomst met inachtneming van de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
  § 8. Elke openbare instelling van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels kan personeelsleden aanwerven en tewerkstellen onder arbeidsovereenkomst onderworpen aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten met het oog op de uitvoering van taken op het vlak van informatica die een gespecialiseerde kennis of ervaring vereisen van niveau 1 of 2+, en waarvoor geen personeel kon worden aangeworven volgens de gewone procedures.
  § 9. De voorontwerpen van wet tot wijziging van de paragrafen 6 tot 9 of van de paragraaf 1, wat betreft de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, worden voorgelegd aan de voorafgaande akkoordbevinding van de ministers waaronder de openbare instellingen van sociale zekerheid ressorteren. "

  Art. 45. In artikel 8, § 3 van dezelfde wet worden de woorden "en de inspecteur-generaal van Financiën, hoofd van het korps" vervangen door de woorden ", de inspecteur-generaal van Financiën, hoofd van het korps en de leidend ambtenaar van de overheidsdienst bedoeld in artikel 1, § 1 waar het personeelslid is tewerkgesteld".

  Art. 46. Een artikel 11bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
  " Art. 11bis. - De artikelen 1, § 1, eerste lid, § 2 en § 3, 2, 5 en 10 zijn niet van toepassing op de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. "
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 3 april 1997.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Begroting,
H. VAN ROMPUY
De Minister van Pensioenen,
M. COLLA
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET
De Minister van Sociale Zaken,
Mevr. M. DE GALAN
De Minister van Kleine en Middelgrote Ondernemingen,
K. PINXTEN
De Minister van Ambtenarenzaken,
A. FLAHAUT

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, inzonderheid op artikel 47;
   Gelet op het advies van het beheerscomité van de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid;
   Gelet op het advies van het beheerscomité van het Fonds voor Arbeidsongevallen;
   Gelet op het advies van het beheerscomité van het Fonds voor Beroepsziekten;
   Gelet op het advies van het beheerscomité van de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden;
   Gelet op het advies van het beheerscomité van de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen;
   Gelet op het advies van het beheerscomité van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
   Gelet op het advies van het beheerscomité van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
   Gelet op het advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
   Gelet op het advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie;
   Gelet op het advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers;
   Gelet op het advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Pensioenen;
   Gelet op het advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
   Gelet op het advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten;
   Gelet op het advies van het algemeen beheerscomité van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
   Gelet op het advies van de Algemene Raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
   Gelet op het advies van het Comité van de Dienst voor administratieve controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
   Gelet op het advies van het beheerscomité van de dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
   Gelet op het advies van het comité van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
   Gelet op het advies van het algemeen beheerscomité van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën;
   Gelet op het protocol nr. 249 van het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten;
   Gelet op het besluit van de Ministerraad van 21 februari 1997 over de adviesaanvraag binnen een termijn van een maand;
   Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 13 maart 1997, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordra(BR)cht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, van Onze Minister van Begroting, van Onze Minister van Pensioenen, van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, van Onze Minister van Sociale Zaken, van Onze Minister van de de Kleine en Middelgrote Ondernemingen en van Onze Minister van Ambtenarenzaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 20-12-2020 GEPUBL. OP 30-12-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-09-2018 GEPUBL. OP 26-09-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-05-2018 GEPUBL. OP 30-05-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3)
  • originele versie
  • WET VAN 10-07-2016 GEPUBL. OP 26-07-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • originele versie
  • WET VAN 18-03-2016 GEPUBL. OP 30-03-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3)
  • originele versie
  • WET VAN 12-05-2014 GEPUBL. OP 10-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • WET VAN 10-12-2009 GEPUBL. OP 31-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • WET VAN 06-05-2009 GEPUBL. OP 19-05-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • WET VAN 09-07-2004 GEPUBL. OP 15-07-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-01-2004 GEPUBL. OP 02-06-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-10-2003 GEPUBL. OP 17-02-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-10-2003 GEPUBL. OP 02-02-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-10-2003 GEPUBL. OP 09-12-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-07-2003 GEPUBL. OP 06-11-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • WET VAN 08-04-2003 GEPUBL. OP 17-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-12-2002 GEPUBL. OP 10-01-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • WET VAN 24-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-04-2002 GEPUBL. OP 08-06-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-04-2002 GEPUBL. OP 04-06-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-04-2002 GEPUBL. OP 04-06-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-04-2002 GEPUBL. OP 04-06-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-04-2002 GEPUBL. OP 04-06-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-04-2002 GEPUBL. OP 04-06-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-04-2002 GEPUBL. OP 04-06-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-04-2002 GEPUBL. OP 04-06-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-04-2002 GEPUBL. OP 04-06-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • WET VAN 30-12-2001 GEPUBL. OP 31-12-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 21)
  • originele versie
  • WET VAN 19-07-2001 GEPUBL. OP 28-07-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 11; 14)
  • originele versie
  • WET VAN 02-01-2001 GEPUBL. OP 03-01-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 21)
  • originele versie
  • WET VAN 12-08-2000 GEPUBL. OP 31-08-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 21)
  • originele versie
  • WET VAN 22-02-1998 GEPUBL. OP 03-03-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 5)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING.
       Sire,
       De publieke sector, niet enkel in ons land, maar in alle landen van de Europese Unie, wordt geconfronteerd met een aantal mutaties die de werkingsomstandigheden fundamenteel beïnvloeden : een hernieuwde aandacht voor begrippen als productiviteit en rentabiliteit, de noodzaak om meer rekening te houden met de belangen van de gebruikers, de internationalisering van de concurrentie,...
       Voor een aantal overheidsbedrijven, vooral in de communicatie- en financiële sector, is het duidelijk dat hun dienstverlening bloot staat of kan staan aan de druk van de markt of, anders uitgedrukt, aan de behoeften van de gebruikers en het aanbod van andere producenten. Voor meer klassieke openbare instellingen, zoals de sociale parastatalen, lijkt de druk van de markt minder evident. Op het eerste gezicht moeten deze instellingen enkel de wetgeving toepassen, en daardoor het algemeen belang bevorderen. Nochtans is ze wel aanwezig, alleen al onrechtstreeks door de druk van de begrotingsdiscipline en door de noodzaak om de rechten van de sociaal verzekerden uit te putten en voldoende controle te organiseren om de reglementering correct te doen toepassen. Factoren die rechtstreeks een invloed uitoefenen zijn onder andere de snelle opeenvolging van sociaal-economische veranderingen, gepaard gaande met de demografische evolutie, die leiden tot een toenemende vraag naar uitkeringen. Er zijn ook andere aanbieders van de sociale dienstverlening op de markt, zoals sociale secretariaten of verzekeringsmaatschappijen.
       De sociaal-economische ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat zowel het aantal gerechtigden op sociale zekerheid als de verzekerde risico's, en dus ook onvermijdelijk de kostprijs, doorheen de tijd gestadig zijn gestegen.
       Het is noodzakelijk dat de sociale zekerheid op de maatschappelijke evolutie inspeelt, wil ze de toekomst van grote bevolkingsgroepen blijven beveiligen tegen ernstige levensrisico's zoals ziekte, handicaps, werkloosheid of armoede. Het antwoord van de sociale zekerheid moet evenwel doelmatig en doeltreffend zijn, zoniet brengt ze haar haalbaarheid en dus haar bestaan in het gedrang.
       Dergelijk doelmatig en doeltreffend antwoord is slechts mogelijk indien aan de parastatalen die belast zijn met de vaststelling, de uitbetaling en de controle van sociale zekerheidsuitkeringen, en met de inning van de bijdragen tot financiering ervan, dringend een nieuw werkkader wordt geboden, binnen het kader van het paritair beheer, dat wordt versterkt en geresponsabiliseerd. Daarom werd in de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels de mogelijkheid voorzien om dit nieuw werkkader bij koninklijk besluit uit te vaardigen. De politieke overheid is en blijft uiteraard bevoegd, in overleg met de sociale gesprekspartners, voor de uitstippeling van het sociale beleid. De sociale parastatalen moeten daarentegen meer bestuursruimte en verantwoordelijkheid krijgen om de doelstellingen vastgelegd in het beleid zo efficiënt mogelijk te bereiken en gepast in te spelen op de veranderende omgeving.
       In dat kader is een duidelijke afbakening van de bevoegdheden tussen voogdijoverheden en uitvoerende instellingen vereist. Het bepalen van de beleidseffectiviteit, d.i. de mate waarin het beleid bijdraagt tot de verwezenlijking van de doeleinden die in de wetgeving en de beleidsvoering worden nagestreefd, en het meten ervan, behoren tot de verantwoordelijkheid van de politieke overheden. De bestuurlijke efficiëntie, d.i. de wijze waarop een organisatie de doeleinden tracht te realiseren, behoort in de eerste plaats tot de verantwoordelijkheid van de instellingen.
       Om tot deze taakverdeling te komen, moet aan de sociale parastatalen de mogelijkheid worden geboden om een vernieuwde managementcultuur te ontwikkelen, die hen toelaat de vermelde verantwoordelijkheid op te nemen.
       Daartoe dient de overheid vooreerst duidelijk de finaliteit van elke instelling te bepalen, binnen het kader van de finaliteit van de sociale zekerheid in zijn geheel. Tevens moeten daaruit de concrete objectieven afgeleid worden, zowel op het vlak van de efficiëntie als op het vlak van de kwaliteit, die de instelling bij haar taakuitvoering moet realiseren, en moeten tussen de objectieven prioriteiten vastgelegd worden.
       Dit alles moet steunen op een analyse die de beslissingscriteria aan het licht brengt die de verantwoordelijken (kunnen) gebruiken. Deze criteria kunnen daarna vertaald worden in indicatoren die een kwantitatief beeld geven van de performantie van de diensten.
       Het bepalen van objectieven en mogelijke beslissingscriteria, en de constructie van resultaatindicatoren volstaan niet voor een evaluatie. De verwachte relaties tussen beslissingscriteria, performantieindicatoren en omgevingsvariabelen moeten gepreciseerd worden. Daarna kunnen de waargenomen verbanden onderzocht worden teneinde (latente) conflicten tussen realiteit en doelstellingen te identificeren.
       De openbare instellingen van sociale zekerheid hebben reeds blijk gegeven van hun wil tot verbetering van het beheer en de kwaliteit van de dienstverlening door hun initiatief tot de ontwikkeling van boordtabellen. Dit is een beleidsinstrument dat een inzicht moet geven in de relatie tussen de doelstellingen (in termen van operationele normen), de toegewezen en gebruikte middelen (in termen van kosten) en de gerealiseerde dienstverlening (in termen van bereikte resultaten). Het is een informatie- en meetsysteem dat een essentiële stap vormt in de voorbereiding van een verantwoorde bestuursautonomie. De invoering van de boordtabellen reikt de indicatoren en de normen aan die met de overheid kunnen worden afgesproken. De boordtabellen, net zoals alle andere relevante beheersinformatie, maken deel uit van een geïnformatiseerd beheersinformatiesysteem, dat de manager toelaat gemakkelijk toegang te verkrijgen tot de voor zijn werkdomein belangrijke gegevens en ze te verwerken in de vorm van tabellen, grafieken en rapporten.
       Ondanks de gescheiden verantwoordelijkheden moet de ervaring en de deskundigheid van de uitvoerende instelling benut worden bij de ontwikkeling, de evaluatie en de bijsturing van het beleid. Er moet voldoende aandacht besteed worden aan terugkoppelingsmechanismen tussen de politieke overheden, de uitvoerende instellingen en het publiek. De sociale parastatalen moeten op het publiek gericht zijn. Bij de dienstverlening moet een integrale kwaliteit nagestreefd worden.
       De Regering is, in het licht van het voorgaande, van oordeel dat inzake het bestuur en de werking van de openbare instellingen van sociale zekerheid, de klassieke gezagsverhouding moet worden vervangen door meer contractuele verhoudingen. Dergelijke evolutie is nodig om de efficiënte werking van het belangrijke beschermingssysteem, dat de sociale zekerheid is, te vrijwaren, rekening houdend met de aanzienlijke uitdagingen die aan het systeem gesteld worden en zullen worden.
       Daarom voert dit ontwerp van koninklijk besluit de techniek in van bestuursovereenkomsten tussen de overheid en de openbare instellingen van sociale zekerheid. Een bestuursovereenkomst is een contract tussen het orgaan dat delegeert (de Staat) en het orgaan dat de taak uitvoert (de instelling van sociale zekerheid : het beheerscomité en de persoon belast met het dagelijks bestuur), waarbij deze laatste een bepaalde output (d.i. dienstverlening) moet leveren en daartoe over voldoende ruimte beschikt in de inrichting van de interne organisatie en in de aanwending van het hem toegemeten budget. Dit besturen op afstand heeft tot doel uitvoerende instanties meer vrijheid te geven en een effectiever en efficiënter bestuur te bewerkstelligen. Het is een "tool of management" en houdt in dat overheidsdiensten meer autonomie krijgen en dat er een zekere integratie van beleidsvoering en beleidsuitvoering plaatsvindt.
       Er weze duidelijk gesteld dat de bestuursovereenkomsten met de instellingen van sociale zekerheid enkel betrekking hebben op het beheer van de instellingen en niet op de inhoud van de sociale programma's.
       De algemene veranderingen t.o.v. de vroegere bestuurlijke situatie behelzen hierbij :

       
       - uitdrukkelijk omschrijven van produkten en diensten (output);
       - daaraan gekoppeld toekennen van middelen (input);
       - toekennen van grotere bevoegdheden inzake het gebruik van de middelen;
       - afspraken over bewaking van voortgang en verantwoording;
       - één en ander vastgelegd in expliciete contracten.
       De belangrijkste voordelen van dit soort overeenkomst zijn : een efficiëntere bedrijfsvoering door de instelling, een grotere mate van kostenbewustheid, met als gevolg besparingen, een betere arbeidssatisfactie en snellere besluitvormingsprocedures.
       Daartegenover staan echter wel een aanvankelijke toename van de planningswerkzaamheden en een vergroting van de benodigde informatie.
       De invoering van een systeem van bestuursovereenkomsten dient noodzakelijkerwijze gepaard te gaan met de nodige maatregelen om de instellingen de voldoende bestuursruimte toe te kennen om de in hen gestelde, en contractueel vastgelegde verwachtingen te realiseren. De instellingen moeten m.a.w. in staat gesteld worden hun taak correct uit te voeren : een kwalitatieve dienstverlening door gemotiveerd personeel in een aangepaste infrastructuur.
       Elke organisatie heeft nood aan bekwaam personeel dat adequaat gevormd is voor de functies die het moet uitvoeren. Welk soort personeel heeft men nodig. Dit moet niet in de eerste plaats bepaald worden in een kader dat een opdeling van het personeel in niveaus en graden geeft, maar voornamelijk op basis van functieomschrijvingen in een functionele personeelsformatie. Deze functionele personeelsformatie moet overigens voldoende flexibel zijn om tegemoet te komen aan wijzigende organisatieomstandigheden (bijvoorbeeld nieuwe of groeiende opdrachten, informatisering,...).
       Een aangepaste werving is noodzakelijk. Voor de statutaire ambtenaren zal dit om redenen van objectiviteit blijven geschieden via het Vast Wervingssecretariaat. De selecties moeten echter beantwoorden aan de functieomschrijvingen meegedeeld door de instellingen van sociale zekerheid. De aanwervingsprocedure moet bovendien versneld worden. De instellingen moeten tenslotte voor bepaalde functies, die volgens de normale procedures niet kunnen bezet worden of waarvan het aantal afhangt van vooraf bepaalde conjuncturele factoren die nogal sterk variëren, rechtstreeks contractueel personeel kunnen aanwerven.
       Voldoende ruimte moet worden geboden om allerhande vormen van verantwoorde afwezigheid op te vangen.
       Een vormingsbeleid dat past in het algemeen beleid van de instelling is van groot belang. De promoties moeten meer afgestemd zijn op de inhoud van de vacante functie. Voordelen moeten kunnen toegekend worden voor het personeel dat zich inzet of over bepaalde uitzonderlijke bekwaamheden beschikt. Een vormingsdienst moet een permanente vorming organiseren, zowel intern als extern.
       Aan de instellingen moeten de middelen gegeven worden om een personeelsbeleid te voeren. Loopbaanplanning moet ook in een overheidsinstelling kunnen. Evaluatie moet kunnen geschieden op basis van de mate van verwezenlijking van de vooraf vastgestelde doelstellingen voor elke functie of dienst. Meer mogelijkheden tot positieve sanctionering op basis van verdiensten moeten voorzien worden. Regelmatige functioneringsgesprekken kunnen de motivatie ten goede komen. Indien een personeelslid blijk geeft van inzet en bekwaamheid moet het meer verantwoordelijkheid kunnen gegeven worden, ongeacht zijn niveau.
       Aan de instellingen moet een grotere soepelheid gegeven worden inzake het financieel en budgettair beheer, uiteraard binnen de perken van het uitgewerkte globaal financieel beheer.
       De financiering van de werking van de instelling moet gekoppeld worden aan goed gekozen variabelen die de (na te streven) doelstellingen van de instelling weerspiegelen. De financiering moet aangepast kunnen worden aan veranderingen in de (stijgende of dalende) vraag naar diensten. Ze moet rekening houden met de mate van flexibiliteit van de uitgaven, die verschilt tussen korte en lange termijn.
       Een versoepeling van de reglementen op de financiële beleggingen is nodig. De mogelijkheid moet gegeven worden te werken met programmabegrotingen : meer globale enveloppes die verschuivingen toelaten tussen verschillende uitgavencategorieën op de beheersbegroting. In het kader van een onderhandeld meerjarenplan moet een globaal budget aan personeels-, werkings- en investeringsmiddelen opgesteld worden dat jaarlijks geëvalueerd en bijgestuurd kan worden. Een systeem van analytische boekhouding en van kostenanalyse kan ingevoerd worden.
       Efficiëntie mag niet bestraft worden. De instellingen moeten binnen bepaalde perken over overschotten in de werkingsmiddelen kunnen beschikken, onder controle van de overheid, en moeten in zekere mate hun beheerskredieten kunnen overdragen over jaarbegrotingen heen.
       Alle instellingen moeten op gelijke voet behandeld worden, maar rekening houdend met de specifieke eigenschappen van elk.
       Het toezicht op het administratief en financieel beheer dient te worden geherdefinieerd. De efficiëntiecontrole is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de beheersorganen en het dagelijks bestuur.
       De taak van externe toezichtsorganen, zoals de regeringscommissarissen, situeert zich op het vlak van het wettelijkheidstoezicht en het toetsen van de conformiteit van maatregelen met het algemeen belang en de bestuursovereenkomst.
       Het voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit voorziet aldus in een aantal hervormingen die nodig zijn om de dagelijkse werking en bestuur van de onderscheiden openbare instellingen van sociale zekerheid in de hoger vermelde zin te optimaliseren. Binnen het kader van bestuursovereenkomsten, afgesloten tussen de Staat en elke instelling, zullen de instellingen beschikken over een grotere verantwoordelijkheid en autonomie inzake de aanwending van de toegewezen werkingsmiddelen met het oog op het bereiken van de op een meetbare wijze afgesproken doelstellingen. De mate waarin de doelstellingen al dan niet worden gerealiseerd geeft aanleiding tot positieve of negatieve sanctionering.
       Er weze nogmaals beklemtoond dat de bestuursovereenkomsten evenwel geen betrekking hebben op de inhoudelijke aspecten van de sociale zekerheid, die uiteraard wettelijk worden geregeld, evenmin als op de uitgaven bestemd voor sociale uitkeringen. De voorgelegde hervormingen situeren zich dan ook op een totaal ander vlak dan de maatregelen die de Regering heeft doorgevoerd in de wet van 30 maart 1994 en die niet de dagelijkse werking van instellingen betreffen, maar een globaal financieel beheer van het stelsel van de sociale zekerheid tot doel hebben. Desalniettemin is het niet volledig uitgesloten dat tengevolge van het globaal financieel beheer maatregelen nodig zijn inzake de werkingsmiddelen van bepaalde openbare instellingen van sociale zekerheid. Dit kan dan aanleiding geven tot een aanpassing of wijziging van de betrokken bestuursovereenkomsten, die echter steeds dient te geschieden volgens de vastgelegde procedures.
       De voorgestelde tekst van het koninklijk besluit houdt rekening met de bemerkingen geformuleerd door de Raad van State.
       Commentaar bij de artikelen.
       Artikel 1.
       Artikel 1 definieert een aantal begrippen die worden gebruikt in het ontwerp van koninklijk besluit en de uitvoeringsbesluiten.
       Het begrip "voogdijminister" verwijst, naargelang het geval, naar één of meerdere ministers. Indien uit de context waarin het begrip wordt gebruikt, kan worden afgeleid dat het over slechts één openbare instelling van sociale zekerheid gaat, wordt de voogdijminister(s) bedoeld waaronder deze instelling ressorteert. Wanneer uit de context daarentegen blijkt dat het over meerdere openbare instellingen van sociale zekerheid gaat, wordt het geheel van ministers bedoeld waaronder de diverse instellingen ressorteren.
       Uit het gebruik van het begrip "regeringscommissaris van begroting" mag geenszins worden afgeleid dat deze regeringscommissaris enkel opdrachten uitvoert op vraag van de Minister van Begroting. Hij wordt weliswaar door deze minister voorgedragen, maar hij bezit de volle bevoegdheid die nader wordt omschreven in hoofdstuk VII en eventuele uitvoeringsbesluiten. Daarbij wordt o.m. verwezen naar het optreden van de regeringscommissaris van begroting in opdracht van de Minister van Ambtenarenzaken, zoals voorzien in artikel 24, § 4.
       Art. 2. Artikel 2 somt de organismen op die een zekere bestuursautonomie kunnen verwerven door het sluiten van een bestuursovereenkomst met de Staat. Het moet gaan om organismen die thans behoren tot de categorie D in de zin van artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.
       Art. 3. Artikel 3 bepaalt dat een organisme slechts effectief wordt opgenomen in de categorie van de openbare instellingen van sociale zekerheid door de bekrachtiging, via een in ministerraad overlegd besluit, van de eerste bestuursovereenkomst dat het met de Staat gesloten heeft, en nadat het bij hetzelfde besluit onttrokken werd aan de toepassingssfeer van de wet van 16 maart 1954. De rangschikking van een bestaand organisme in de categorie van de openbare instellingen van sociale zekerheid impliceert in geen geval een ontbinding gevolgd door een oprichting, maar louter een omvorming.
       Art. 4. Overeenkomstig dit artikel kan de Koning in het in Ministerrraad overlegd besluit tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van een organisme, de nodige maatregelen nemen om het geheel van de wetsbepalingen m.b.t. de organismen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van dit ontwerp van koninklijk besluit. De bevoegdheden die aan de Koning worden toegekend, zijn strict omschreven. De Koning kan enkel de wetgevende bepalingen tot regeling van het organiek statuut, de financiering en de werking van de organismen in overeenstemming brengen met dit ontwerp van koninklijk besluit, en de teksten coördineren, zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in deze bepalingen vervat zijn, behoudens de aanpassingen die krachtens het eerste lid worden toegestaan. De Koning heeft evenwel duidelijk niet de bevoegdheid om wetsbepalingen aan te passen aan de bepalingen van de met de diverse instellingen gesloten bestuursovereenkomsten, zoals de Raad van State lijkt te vrezen.
       Art. 5. § 1. De organieke wet van elke openbare instelling van sociale zekerheid in het bijzonder, en de sociale zekerheidswetgeving in het algemeen, bepaalt de doelstellingen en de opdrachten van elke instelling, waarvan de vervulling in de bestuursovereenkomst nader wordt gepreciseerd. De bestuursovereenkomst regelt aldus niet de voorwaarden voor de toekenning van uitkeringen of de inning van bijdragen, evenmin als de vaststelling van de hoogte ervan, maar heeft enkel betrekking op de taken die de instelling bij zijn dagelijkse werking op zich neemt ter vervulling van de wettelijk toevertrouwde opdrachten.
       § 2. De bestuursovereenkomst heeft tot doel in hoofde van beide contractspartijen duidelijkheid te scheppen omtrent de doelstellingen die bij deze taakuitvoering moeten worden bereikt en de middelen die daarvoor ter beschikking worden gesteld. De opsomming van de aangelegenheden die in de bestuursovereenkomst worden opgenomen, is niet limitatief. Mits akkoord van beide partijen kunnen andere aangelegenheden i.v.m. het bestuur in de bestuursovereenkomst worden geregeld die de specifieke relatie betreffen tussen de Staat en de betrokken instelling. De bestuursovereenkomst kan echter geenszins afbreuk doen aan de prerogatieven van de Koning; evenmin mag ze ertoe leiden dat de autonome bestuursruimte die krachtens dit ontwerp van koninklijk besluit of andere wetten in hoofde van de openbare instellingen van sociale zekerheid wordt bewerkstelligd, wordt uitgehold. Het is dus uitgesloten dat de bestuursovereenkomst bepalingen bevat m.b.t. aangelegenheden die krachtens dit ontwerp van koninklijk besluit of andere wetten behoren tot de bevoegdheid van de Koning (zoals de vaststelling van het statuut van het personeel) of van de beheers- of bestuursorganen van de instellingen (zoals de vaststelling van de personeelsformatie of van het ontwerp van begroting).
       In elk geval worden in de bestuursovereenkomst de opgesomde aangelegenheden geregeld :

       
       1° De taken van een openbare instelling van sociale zekerheid bestaan in de vervulling van de opdrachten die haar door of krachtens de wet of bij regeringsbes
       lissing zijn toevertrouwd. Zoals elke overeenkomst, moet ook de bestuursovereenkomst door beide partijen te goeder trouw worden uitgevoerd. Dit betekent o.a. dat in hoofde van de instellingen de nodige flexibiliteit aan de dag wordt gelegd om bij de uitvoering van de overeenkomst rekening te houden met het evoluerend sociaal beleid van de Regering, waardoor de taakomschrijvingen uit de bestuursovereenkomst redelijkerwijze dynamisch moeten worden geïnterpreteerd. Vanwege de Regering kan worden verwacht dat de instellingen die zijn belast met de uitvoering van het sociale beleid, tijdig worden betrokken bij de vastlegging van de concrete wijze waarop aan dit beleid op de meest efficiënte manier vorm kan worden gegeven binnen de taakomschrijvingen vervat in de bestuursovereenkomst. Een goede ondersteuning van een dynamisch sociaal Regeringsbeleid dient m.a.w. te worden gestoeld op een actieve betrokkenheid van de uitvoerders bij de concretisering van het beleid.
       Evoluties in de taakomschrijvingen die een belangrijke impact hebben op de benodigde middelen zullen uiteraard steeds het voorwerp dienen uit te maken van een aanpassing of wijziging van de bestuursovereenkomst, overeenkomstig de voorziene procedures.
       2° De instelling verbindt er zich toe bij de uitvoering van de toevertrouwde taken doelstellingen inzake efficiëntie en kwaliteit na te streven die in de bestuursovereenkomst op een gekwantificeerde wijze worden aangegeven; in principe worden dergelijke doelstellingen gedefinieerd voor elke relevante taak. De doelstellingen dienen zo te worden gesteld dat ze de betrokken instelling aanzetten tot een permanente aandacht voor de verbetering van de productiviteit en de kwaliteit; anderzijds moeten ze steunen op realistische en zinvolle hypothesen en haalbaar zijn met behulp van de ter beschikking gestelde middelen.
       3° In de mate dat de betrokken instelling rechtstreeks contact heeft met het publiek, moet de bestuursovereenkomst gedragsregels bevatten ten aanzien van de gebruikers van de diensten verstrekt door de instelling; zo kunnen bijvoorbeeld verplichte openingsuren van loketten worden vastgesteld of regels inzake de leesbaarheid van formulieren.
       4° De mate waarin de doelstellingen en de gedragsregels ten aanzien van de gebruikers worden nageleefd, moet worden gemeten aan de hand van eenduidig vastgelegde methodes. Deze meting zal worden ondersteund door het gebruik van boordtabellen, die elke instelling krachtens artikel 10 periodiek dient uit te werken.
       5° Het geheel van de beheerskredieten, dus met uitzondering van de kredieten die bestemd zijn voor de sociale uitkeringen of voorzieningen, waarover de instelling beschikt voor de vervulling van de in de bestuursovereenkomst beschreven taken, wordt vastgesteld in de bestuursovereenkomst, met de vermelding van de berekeningswijze. De beheerskredieten worden vastgesteld, rekening houdend met het begrotingsbeleid van de Regering, hetzij in een vast bedrag, hetzij aan de hand van objectief meetbare variabelen, hetzij door een combinatie van beiden. De precisering van de berekeningswijze biedt een belangrijke ondersteuning bij een eventuele herziening van de kredieten, hetzij bij de jaarlijkse toetsing van de bestuursovereenkomst, naar aanleiding van gewijzigde omstandigheden gesteund op objectieve parameters, of nog, bij de onderhandeling van wijzigingen aan de bestuursovereenkomst, tengevolge van veranderingen in de toevertrouwde taken. De beheerskredieten hebben betrekking op de hele periode gedekt door de bestuursovereenkomst, en omvatten het geheel aan beschikbaar gestelde werkings-, investerings- en personeelskredieten. De bestuursovereenkomst regelt niet de imputatie van deze kredieten op de jaarlijkse begroting, die uitgewerkt wordt door de beheersorganen.
       6° Gezien de aanstelling van statutaire ambtenaren door een instelling pensioenlasten op lange termijn in hoofde van de Staat met zich brengt, wat in veel mindere mate het geval is voor contractuele personeelsleden, is het belangrijk dat de bestuursovereenkomst aan de Staat waarborgt dat een bepaald maximumbedrag aan personeelskredieten m.b.t. statutaire ambtenaren niet wordt overschreden. Indien aan de personeelsbehoeften van een instelling binnen het kader van deze maximale kredieten niet kan worden voldaan, kan deze instelling, binnen het kader van de bepalingen van artikel 4 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, zoals gewijzigd door artikel 42 van dit ontwerp van koninklijk besluit, contractuele personeelsleden in dienst nemen ten laste van de resterende beheerskredieten. Het is echter de uitdrukkelijke bedoeling dat de bestuursovereenkomst voldoende personeelskredieten voor statutaire ambtenaren voorziet om te voldoen aan de vaste personeelsbehoeften van de instelling. De tewerkstelling van contractuele personeelsleden blijft aldus de uitzondering. Inzake de wijze van vaststelling van het maximaal bedrag aan personeelskredieten voor statutaire ambtenaren en het nut van de vermelding van de berekeningswijze, wordt verwezen naar de uitleg bij 5°.
       7° Het bereiken van de doelstellingen inzake efficiëntie en kwaliteit vastgelegd in de bestuursovereenkomst, geeft in hoofde van de instelling aanleiding tot vormen van positieve sanctionering, zoals de toekenning van een variabele toelage aan het personeel, waarvan de modaliteiten bij uitvoeringsbesluit zullen worden geregeld. Bij de toepassing ervan zal uiteraard rekening moeten worden gehouden met de bepalingen van het koninklijk besluit van 20 december 1996 tot uitvoering van artikel 7, § 1 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen. De principes van de positieve sanctionering worden op gelijkvormige wijze vastgelegd voor alle openbare instellingen van sociale zekerheid. In de bestuursovereenkomst kunnen de principes evenwel per instelling worden geconcretiseerd.
       8° De bestuursovereenkomst dient tenslotte aan te geven wat geschiedt indien één der partijen haar verbintenissen niet nakomt. In de eerste plaats moet dan worden gedacht aan oplossende maatregelen, zoals een vervroegd overleg. Bovendien kan, onverminderd de gemeenrechtelijke sancties vastgelegd in § 3, een bijzonder stelsel van sancties worden voorzien, zoals de inperking van de autonome bestuursruimte door een grotere betrokkenheid van de regeringscommissarissen. De principes van de negatieve sanctionering worden op gelijkvormige wijze vastgelegd voor alle openbare instellingen van sociale zekerheid. In de bestuursovereenkomst kunnen de principes evenwel per instelling worden geconcretiseerd.
       Het is duidelijk dat, zoals in het gemeen recht, de partijen zich, in voorkomend geval, kunnen beroepen op overmacht ter verantwoording van het niet naleven van bepaalde verbintenissen.
       § 3. De wet van de continuïteit van de openbare dienstverlening belet de volledige toepassing van het stelsel van sancties, zoals bepaald door het gemeen recht. Daarom is artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, dat voorziet in het stilzwijgend ontbindend beding, niet van toepassing. Evenzeer wordt expliciet bepaald dat elke uitdrukkelijk ontbindende voorwaarde in de bestuursovereenkomst voor niet-geschreven wordt gehouden. Afgezien van eventuele sancties bepaald in de bestuursovereenkomst, kan de partij jegens wie een verbintenis niet wordt uitgevoerd, slechts de uitvoering ervan vorderen.
       Art. 6. De openbare instellingen van sociale zekerheid zijn voor de goede uitvoering van hun taken vaak van mekaar afhankelijk. Op bepaalde vlakken moeten de bestuursovereenkomsten van de onderscheiden instellingen dan ook op mekaar worden afgestemd. In dat licht is het noodzakelijk dat wordt gewaakt over de onderlinge coördinatie en consistentie van de ontwerpen van bestuursovereenkomsten van de onderscheiden instellingen, evenals van de ontwerpen tot wijziging ervan. Dit zal geschieden door deze ontwerpen voor te leggen aan het College, waarin de dagelijkse bestuurders van de meeste openbare instellingen van sociale zekerheid vertegenwoordigd zijn.
       Art. 7. § 1. De Staat wordt bij de onderhandeling en het sluiten van de bestuursovereenkomst en de opeenvolgende wijzigingen in de eerste plaats vertegenwoordigd door de voogdijminister van de betrokken parastatale. Hij leidt de onderhandelingen namens de Staat, maar wordt hierin voor bepaalde materies bijgestaan door collega's uit de Regering. Zo neemt de Minister van Begroting deel aan de onderhandelingen wat betreft de bepalingen met financiële of budgettaire draagwijdte. Ook de Minister van Ambtenarenzaken neemt deel aan de onderhandelingen, meer bepaald wat betreft de bepalingen die betrekking hebben op materies die, wat betreft de openbare instellingen van sociale zekerheid, tot zijn bevoegdheden behoren en niet door of krachtens andere bepalingen van dit ontwerp van koninklijk besluit of andere wetten aan andere instanties worden toevertrouwd. Op die wijze wordt in de eerste plaats een goede informatiedoorstroming gewaarborgd naar de Minister van Ambtenarenzaken toe inzake de beheerstechnieken gehanteerd door de openbare instellingen van sociale zekerheid, waaruit desgevallend conclusies kunnen worden getrokken op het vlak van het openbaar bestuur in het algemeen. Omgekeerd kan de Minister van Ambtenarenzaken op die manier bij de onderhandeling ook ervaringen en ideëen inbrengen die kunnen bijdragen tot het optimaliseren van het beheer van de openbare instellingen van sociale zekerheid in het kader van het globale federale openbaar ambt. Zoals reeds vermeld kan de bestuursovereenkomst evenwel geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van de Koning tot vaststelling van het statuut van het personeel of aan de bevoegdheid van het beheersorgaan tot vaststelling van de personeelsformatie. Deze aangelegenheden vormen dus geen onderhandelingsmaterie bij de uitwerking van de bestuursovereenkomst. Dit is evenmin het geval voor de interne organisatie van de openbare instellingen van sociale zekerheid, die krachtens de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg tot de bevoegdheid behoort van de beheersorganen.
       Voor een goed verloop van en met het oog op een optimale besluitvorming tijdens deze onderhandelingen is het van wezenlijk belang dat de vertegenwoordigers van de onderscheiden partijen over een duidelijk onderhandelingsmandaat beschikken. Onverminderd de toepassing van het koninklijk besluit van 16 november 1994 betreffende de administratieve en begrotingscontrole, worden de onderhandelingen afgesloten met een verslag, waarin de partijen die aan de onderhandelingen deelnemen eigen standpunten kunnen weergeven over de aangelegenheden waarover geen overeenstemming wordt bereikt. Al deze standpunten, die kunnen weergegeven worden in onderscheiden stukken of adviezen, worden gebundeld in een gezamenlijk document dat wordt overgemaakt aan de goedkeurende instanties.
       § 2. De openbare instelling van sociale zekerheid van haar kant wordt bij de onderhandeling van de bestuursovereenkomst vertegenwoordigd door een aantal stemgerechtigde beheerders aangeduid door het beheersorgaan, en door de persoon belast met het dagelijks bestuur en zijn adjunct. Het is evenwel het volledige beheersorgaan dat aan het resultaat van de onderhandeling zijn goedkeuring moet hechten. Het is dan ook duidelijk dat de beheerders die deelnemen aan de onderhandeling, regelmatig overleg moeten plegen met de andere leden van het beheersorgaan.
       De persoon belast met het dagelijks bestuur, of zijn adjunct, vormt tijdens de onderhandelingen de brug met het personeel van de instelling. Als voorzitter van het tussen- of basisoverlegcomité zal hij dit comité regelmatig samenroepen om informatie te verstrekken over het verloop van de onderhan
       delingen en over het ontwerp van bestuursovereenkomst, vooraleer het wordt goedgekeurd. Het overlegcomité moet over deze aangelegenheden geregeld, maar tijdig zijn gemotiveerd advies uitbrengen.
       Art. 8. § 2. Artikel 8, § 2 wil enerzijds verzekeren dat bij het verstrijken van een bestuursovereenkomst tijdig de onderhandelingen worden opgestart m.b.t. een nieuwe overeenkomst, die uiteindelijk tot stand dient te komen volgens de procedure vermeld in artikel 7, en anderzijds de continuïteit van de werking van de openbare instellingen van sociale zekerheid waarborgen indien de onderhandelingen m.b.t. de nieuwe bestuursovereenkomst niet tijdig zouden zijn afgerond. In dat geval wordt de geldende bestuursovereenkomst van rechtswege verlengd. Indien één jaar na de verlenging nog steeds geen nieuwe bestuursovereenkomst zou zijn afgesloten, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, voorlopige regels opleggen, die dezelfde uitwerking hebben als de regels van een bestuursovereenkomst, en zulks tot de inwerkingtreding van een nieuwe bestuursovereenkomst. Het spreekt voor zich dat de mogelijkheid tot uitvaardiging van dergelijke voorlopige regels slechts een ultieme bewarende maatregel inhoudt, die is bedoeld om de continuïteit van de openbare dienst in noodgevallen te verzekeren. In alle omstandigheden moeten beide partijen echter alles in het werk stellen om tijdig een nieuwe bestuursovereenkomst af te sluiten en in werking te laten treden.
       Uiteraard doet deze bepaling generlei afbreuk aan het initiatiefrecht van de beide partijen bij een bestuursovereenkomst om vóór het verstrijken een aanpassing ervan te vragen overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 7.
       § 3. Elk jaar wordt de bestuursovereenkomst getoetst. Deze toetsing wordt voorbereid door een overleg tussen de regeringscommissarissen, het beheersorgaan van de instelling en de persoon belast met het dagelijks bestuur. De resultaten van dit overleg worden neergelegd in een tegensprekelijk en gemotiveerd verslag. Elk van de partijen die aan het overleg deelnemen, kunnen in dit verslag eigen standpunten weergeven m.b.t. de aangelegenheden waarover geen overeenstemming wordt bereikt. Al deze standpunten, die kunnen worden weergegeven in onderscheiden stukken of adviezen, worden gebundeld in een gezamenlijk document en overgemaakt aan alle instanties die betrokken zijn bij de jaarlijkse toetsing.
       De Staat wordt bij deze jaarlijkse toetsing in principe vertegenwoordigd door de voogdijminister. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan hij worden bijgestaan door de Minister van Begroting en/of de Minister van Ambtenarenzaken. Dit zal in het bijzonder het geval zijn wanneer de regeringscommissaris van begroting fundamentele opmerkingen heeft geformuleerd inzake de niet-naleving van die bepalingen van de bestuursovereenkomst waarover één van deze ministers mee onderhandeld heeft.
       Naar aanleiding van de jaarlijkse toetsing kan de bestuursovereenkomst aangepast worden aan gewijzigde omstandigheden, maar enkel met toepassing van de in de overeenkomst vastgelegde objectieve parameters. Indien aanpassingen nodig zijn om andere redenen, dient de procedure vermeld in artikel 7 te worden gevolgd.
       § 4. Gezien zowel de Staat als de openbare instellingen van sociale zekerheid ervaring dienen op te doen met de methodiek van de bestuursovereenkomsten, wordt de eerste bestuursovereenkomst met elke instelling voor een beperkte duur van drie jaar gesloten. Twee jaar en drie maanden na de inwerkingtreding van de eerste bestuursovereenkomst van elke instelling, wordt over de uitvoering ervan verslag uitgebracht aan de Ministerraad, die desgevallend kan beslissen om onmiddellijk te starten met de onderhandeling van een nieuwe bestuursovereenkomst.
       Art. 9. De bepalingen van de bestuursovereenkomst worden bekendgemaakt opdat elke sociaal verzekerde er kennis van zou kunnen nemen.
       Art. 10. Elke openbare instelling van sociale zekerheid stelt een bestuursplan op, dat de doelstellingen en de strategie van de instelling op korte termijn en per dienst bevat, met het oog op het bereiken van de algemene doelstellingen vervat in de bestuursovereenkomst. Dit bestuursplan wordt voor overleg voorgelegd aan het basis- of tussenoverlegcomité.
       Daarnaast worden systematisch boordtabellen opgesteld. Dit zijn samenvattende rapporten van indicatoren die een kwantitatief inzicht geven in de mate waarin de openbare instelling van sociale zekerheid bij haar taakuitvoering de overeengekomen doelstellingen bereikt. De boordtabellen bevatten indicatoren m.b.t. alle relevante activiteitsdomeinen van de betrokken instelling. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, met het oog op de onderlinge vergelijkbaarheid van de boordtabellen van onderscheiden instellingen, alle instellingen opleggen dezelfde indicatoren te gebruiken m.b.t. activiteitsdomeinen die niet instellingspecifiek zijn.
       Art. 11. § 1. Deze paragraaf herneemt het eerste, en gedeeltelijk het derde lid van artikel 2 van de wet van 16 maart 1954.
       § 2. In de begroting van de openbare instellingen van sociale zekerheid zal voortaan een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de kredieten die betrekking hebben op de sociale uitkeringen en voorzieningen enerzijds, en de beheerskredieten anderzijds. Binnen de beheersbegroting wordt een verder onderscheid gemaakt tussen de personeelsuitgaven, de werkingsuitgaven en de investeringsuitgaven. De werkingsuitgaven worden nog verder ingedeeld in vaste en variabele uitgaven, waarbij de variabele uitgaven hetzij betrekking hebben op personeel hetzij op goederen en diensten. Op die manier wordt de transparantie van de begroting verhoogd.
       § 3. Gezien de opdrachtenbegroting betrekking heeft op de uitgaven voor sociale uitkeringen en voorzieningen, zal deze voor een groot deel niet-limitatieve kredieten omvatten. De beheersbegroting omvat evenwel enkel limitatieve kredieten, met uitzondering van een aantal posten zoals de kredieten voor de betaling van belastingen of m.b.t. uitgaven ten gevolge van gerechtelijke procedures of beslissingen.
       Art. 12. § 1. Deze paragraaf herneemt het principe vervat in artikel 3, § 3, eerste zin van de wet van 16 maart 1954.
       § 2. Deze paragraaf herneemt artikel 3, § 4 van de wet van 16 maart 1954, zij het dat het ontwerp van koninklijk besluit voortaan wordt voorgedragen door de voogdijminister en de Minister van Begroting.
       § 3. Tot nog toe dienden de ontwerpen van begroting van de organismen van categorie D te worden goedgekeurd door de voogdijminister op gelijkluidend advies van de Minister van Financiën. Voortaan geschiedt een coördinatie van de opdrachtenbegrotingen in het kader van het globaal financieel beheer en worden de beheerskredieten op meerjarenbasis vastgelegd in bestuursovereenkomsten. Tegen deze achtergrond kan de procedure voor de goedkeuring van de afzonderlijke begrotingen van elke openbare instelling van sociale zekerheid worden versoepeld. De voogdijminister keurt het ontwerp van begroting goed, voor zover de regeringscommissaris van begroting vaststelt dat het in overeenstemming is met de wets- en reglementsbepalingen en met de bepalingen van de bestuursovereenkomst met een budgettaire of financiële draagwijdte. De regeringscommissaris van begroting beschikt over één maand vanaf de overmaking van het ontwerp van begroting om de overeenstemming ervan met de vermelde bepalingen te verifiëren. Indien hij hiertoe niet over de nodige informatie beschikt, kan hij deze termijn doen verlengen met maximaal één maand. Bij gebrek aan advies binnen deze termijnen, wordt het ontwerp geacht in overeenstemming te zijn met de vermelde bepalingen. Het staat de regeringscommissaris van begroting vrij in zijn advies andere bemerkingen te formuleren dan in verband met de overeenstemming van het ontwerp van begroting, maar dergelijke bemerkingen staan, juridisch gezien, de goedkeuring van de begroting door de voogdijminister niet in de weg.
       Een specifieke procedure wordt voorzien indien de regeringscommissaris van begroting bemerkingen formuleert i.v.m. de overeensteming ervan met voormelde bepalingen.
       § 4. Deze paragraaf is geïnspireerd op artikel 4 van de wet van 16 maart 1954. In het tweede lid wordt echter een onderscheid gemaakt tussen uitgaven ingeschreven in de opdrachtenbegroting en uitgaven ingeschreven in de beheersbegroting. Deze laatste mogen, in afwachting van de goedkeuring van het ontwerp van begroting, slechts worden aangewend in de mate dat door de regeringscommissaris van begroting geen gebrek aan overeenstemming ervan is vastgesteld met de wets- of reglementsbepalingen of de bepalingen van de bestuursovereenkomst met budgettaire of financiële draagwijdte.
       Art. 13. Dit artikel herneemt artikel 3, § 3, tweede en derde lid van de wet van 16 maart 1954, zij het dat in de synoptische tabellen per instelling voortaan de vooruitzichten van de drie volgende begrotingsjaren dienen te worden opgenomen.
       Art. 14. § 1. Deze paragraaf versoepelt de overdracht van kredieten binnen de beheersbegroting van éénzelfde begrotingsjaar. Dit moet de openbare instellingen van sociale zekerheid toelaten de hen ter beschikking gestelde kredieten op de meest doelmatige wijze aan te wenden voor de uitvoering van de bestuursovereenkomst, en dus op de meest efficiënte wijze de hen toevertrouwde taken waar te nemen. De regeringscommissaris van begroting waakt, binnen stricte termijnen, over de overeenstemming van dergelijke overdrachten met de wets- en reglementsbepalingen en de bepalingen van de bestuursovereenkomst met budgettaire of financiële draagwijdte. Ingaand op de suggestie van de Raad van State, wordt een specifieke procedure voorzien indien de regeringscommissaris van begroting bemerkingen formuleert.
       § 2. Deze paragraaf voorziet in de systematische herinschrijving, in de beheersbegroting van het volgende jaar, van de investeringskredieten en de variabele werkingskredieten m.b.t. goederen en diensten die nodig zijn voor de uitvoering van het programma van de investeringen. Op die manier kan worden gewaarborgd dat omtrent het tijdstip en de financieringswijze van de investeringen kan worden beslist op basis van economische criteria i.p.v. op grond van de op jaarbasis beschikbare begrotingskredieten en de aard ervan. Het is evident dat het programma van de investeringen dermate moet worden opgesteld dat het op een doelmatige wijze bijdraagt tot de uitvoering van de bestuursovereenkomst.
       Art. 15. § 1. Deze paragraaf herneemt, mutatis mutandis, artikel 5, tweede lid van de wet van 16 maart 1954.
       § 2. Deze paragraaf herneemt, mutatis mutandis, artikel 8 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1986 houdende algemeen reglement op de begroting en de boekhouding van de instellingen van openbaar nut behorend tot categorie D, beoogd bij de wet van 16 maart 1954.
       Art. 16. § 1. Deze paragraaf verplicht de openbare instellingen van sociale zekerheid tot het houden van een boekhouding volgens een genormaliseerd boekhoudplan. Dit boekhoudplan wordt uitgewerkt door de Commissie voor de normalisatie van de boekhouding van de openbare instellingen van sociale zekerheid, heropgericht bij koninklijk besluit van 5 mei 1993 bij het Ministerie van Sociale Voorzorg, en, na advies van het college, vastgesteld bij koninklijk besluit.
       § 2. Deze bepaling omschrijft de inhoud van het genormaliseerd boekhoudplan en is geïnspireerd op artikel 7, eerste en vierde lid van de wet van 16 maart 1954.
       § 3. Deze paragraaf biedt elke openbare instelling van sociale zekerheid de mogelijkheid om, met de goedkeuring van de voogdijminister en de Minister van Begroting, het algemene genormaliseerd boekhoudplan aan te vullen met een specifiek boekhoudplan, aangepast aan de eigenheden van de instelling. Dit specifiek boekhoudplan kan bv. een analytische boekhouding inhouden.
       Art. 17. Dit artikel herneemt artikel 6, §§ 1, 2, eerste lid, 4, eerste en derde lid en 6 van de wet van 16 maart 1954, zij het dat zij in overeenstemming worden gebracht met de andere bepalingen van dit ontwerp van koninklijk besluit en dat de bevoegdheid tot vaststelling van de termijnen voor de overmaking wordt gedelegeerd aan de Koning.
       Art. 18. § 1. Zonder afbreuk te doen aan het globaal financieel beheer, ingesteld bij wet van 30 maart 1994, bevestigt deze paragraaf het vrije beschikkingsrecht van de openbare instellingen van sociale zekerheid over de roerende goederen. Dit vrije beschikkingsrecht geldt ook voor onroerende goederen beneden het bedrag dat wordt vastgesteld in de bestuursovereenkomst. Boven dat bedrag is de voorafgaande machtiging vereist van de voogdijminister en de Minister van begroting.
       § 2. Het globaal financieel beheer, ingesteld bij wet van 30 maart 1994, voorziet in een verregaande coördinatie van het financieel beleid van een aantal openbare instellingen van sociale zekerheid Deze paragraaf stelt dat de openbare instellingen van sociale zekerheid buiten dat kader zelf hun financieel beleid kunnen uitstippelen onder de voorwaarden bepaald door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit, genomen op de voordracht van de voogdijminister en de Minister van Financiën. Het aangaan van leningen voor meer dan tien dagen blijft onderworpen aan de machtiging van de voogdijminister en de Minister van Financiën.
       Art. 19. § 1. Dit artikel kent aan het beheersorgaan van elke openbare instelling van sociale zekerheid de bevoegdheid toe om de personeelsformatie autonoom vast te stellen. Deze personeelsformatie dient uiteraard in overeenstemming te zijn met de terzake geldende wets- en reglementsbepalingen en de bepalingen uit de bestuursovereenkomst m.b.t. de personeelskredieten. De regeringscommissaris van begroting waakt over deze overeenstemming. Een specifieke procedure wordt voorzien indien de regeringscommissaris van begroting bemerkingen formuleert i.v.m. de overeenstemming van de personeelsformatie met de geldende wets- en reglementsbepalingen of de bepalingen uit de bestuursovereenkomst m.b.t. de personeelskredieten. Eventuele andere bemerkingen van de regeringscommissaris van begroting staan de goedkeuring van de personeelsformatie door het beheersorgaan juridisch gezien niet in de weg.
       § 2. De personeelsformatie beschrijft alle betrekkingen die in de betrokken instelling worden bekleed of kunnen worden bekleed door statutaire ambtenaren of contractuele personeelsleden. Concreet wordt voor elk niveau het maximaal aantal betrekkingen aangegeven dat per functie kan worden bekleed, evenals de graden en rangen die de statutaire ambtenaren die titularis zijn van deze functie kunnen hebben. Door de invoering van functiebenamingen in de personeelsformatie, wordt het noodzakelijk verband gelegd tussen de personeelsformatie en het functioneel organogram. Het is dit laatste dat, aangevuld met functieomschrijvingen, de basis vormt voor een echt personeelsbeleid. Het afbakenen van verantwoordelijkheden, het vaststellen van doelstellingen, het opstellen van vormingsplannen,... geschiedt immers eerder op grond van de functie die een persoon bekleedt, dan op grond van de graad of de rang die hij heeft.
       Het College waakt over de eenvormigheid in de functiebenamingen die in de personeelsformaties van de onderscheiden instellingen voorkomen, om gemeenschappelijke initiatieven tot werving en de onderlinge mobiliteit te waarborgen.
       Art. 20. Dit artikel bepaalt dat de vaststelling van de personeelsformatie door het beheersorgaan automatisch de mogelijkheid inhoudt om de erin opgenomen betrekkingen te bezetten. Op die manier worden de openbare instellingen van sociale zekerheid in de mogelijkheid gesteld zo efficiënt mogelijk te voldoen aan de wijzigende personeelsbehoeften. Uiteraard moet de bezetting, wat betreft de statutaire ambtenaren, geschieden binnen de grenzen van de maximale kredieten voorzien voor statutairen (artikel 5, § 2, 6°), en, wat betreft de personeelsleden tewerkgesteld krachtens arbeidsovereenkomst, binnen de grenzen van de globale beheerskredieten (artikel 5, § 2, 5°).
       Art. 21. § 1. Deze paragraaf herneemt, wat betreft het statuut van de personeelsleden, artikel 11, § 1, eerste lid van de wet van 16 maart 1954, zoals gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993.
       § 2. Het statuut van de personeelsleden in dienst van de openbare instellingen van sociale zekerheid zal allicht in belangrijke mate verwijzen naar bepalingen die gelden voor het gehele federale openbaar ambt, zij het dat de nodige preciseringen of afwijkingen moeten worden voorzien om de doelstellingen inzake personeelsbeleid, die in het algemeen gedeelte van deze Memorie van Toelichting zijn beschreven, mogelijk te maken. Het is wenselijk dat bij de wijziging van de bepalingen waarnaar wordt verwezen, telkens wordt nagegaan of deze wijzigingen in overeenstemming zijn met de bedoelingen die ten grondslag liggen aan het toekennen van een zekere bestuursautonomie aan de openbare instellingen van sociale zekerheid, vooraleer ze op het personeel van deze instellingen van toepassing worden verklaard. Daarom wordt voorzien dat dergelijke wijzigingen, wat betreft de personeelsleden van de openbare instellingen van sociale zekerheid, slechts in werking treden in de mate dat daartoe de procedure vermeld in § 1 is gevolgd.
       § 4. In de mate dat voor de uitvoering van taken op het vlak van informatica die een gespecialiseerde kennis of ervaring van niveau 1 of 2+ vereisen, na uitputting van de gewone procedures voor de aanstelling van ambtenaren, contractueel personeel dient te worden aangeworven (zie de bespreking van artikel 44 van dit ontwerp van koninklijk besluit), lijkt het wenselijk voor deze categorie van personeel, die grotendeels voor onbepaalde duur zal worden aangeworven, onder coördinatie van het College, een globale bezoldigingsregeling vast te leggen door het beheersorgaan van de instelling belast met de coördinatie van de informatisering van de sociale zekerheid, met name de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, na advies van het College en na gunstig advies van de regeringscommissaris van begroting. Deze bezoldigingsregeling zou dan gelden voor de betrokken personeelsleden in dienst van om het even welke openbare instelling van sociale zekerheid, zodat een eenvormige behandeling van de personeelsleden wordt gewaarborgd. Dit moet ook de mogelijkheid scheppen om informaticapersoneel, ter beschikking gesteld van de openbare instellingen van sociale zekerheid door de Maatschappij voor Mechanografie ter toepassing van de sociale wetten, rechtstreeks onder arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur in dienst te nemen bij de openbare instellingen van sociale zekerheid.
       Art. 22. Dit artikel herneemt artikel 11, § 3 van de wet van 16 maart 1954.
       Art. 23. Dit artikel is in ruime mate geïnspireerd op artikel 9 van de wet van 16 maart 1954. Er wordt echter verduidelijkt dat de controle op elke openbare instelling van sociale zekerheid wordt uitgeoefend door bemiddeling van twee regeringscommissarissen die de Koning benoemt, de ene op voordracht van de voogdijminister, de andere op voordracht van de Minister van Begroting. Bovendien wordt, ingaand op de opmerking van de Raad van State, duidelijk aangegeven dat enkel de beslissingen van het beheersorgaan onmiddellijk aan de regeringscommissarissen moeten worden meegedeeld. Dit doet evenwel geen afbreuk aan de mogelijkheid van de regeringscommissarissen om op loutere vraag kennis te nemen van alle beslissingen.
       Tenslotte wordt uitdrukkelijk gesteld dat de regeringscommissaris van begroting ter beschikking staat van de Minister van Ambtenarenzaken.
       De regeringscommissarissen blijven o.a. belast met de externe doelmatigheids- en doeltreffendheidscontrole, zij het uiteraard binnen het kader van wat is afgesproken in de bestuursovereenkomst. In een systeem waarbij de openbare instellingen van sociale zekerheid dergelijke overeenkomsten afsluiten met de Staat, en binnen dat kader een zekere bestuursautonomie verwerven, blijft de rol van de regeringscommissarissen echter niet langer beperkt tot controle, maar moeten de regeringscommissarissen voornamelijk worden gezien als de vertegenwoordigers van een andere partij in een contractuele relatie, waarbij beide partijen gezamenlijk streven naar het bereiken van de vooropgestelde doelstellingen op de meest efficiënte manier. Dit impliceert een grotere betrokkenheid van de regeringscommissarissen bij de werking van de instelling en het opnemen, door deze laatsten, van een aantal verantwoordelijkheden inzake het tijdig aangeven van risico's tot niet-naleving van de bestuursovereenkomst. Aan de Koning wordt de bevoegdheid toevertrouwd om de uitoefening van de opdracht van de regeringscommissarissen in deze zin verder te preciseren. Daarbij kan ook aandacht worden besteed aan de taakverdeling tussen de regeringscommissarissen.
       Tenslotte wordt de mogelijkheid voorzien om de voorwaarden te regelen waaraan personen moeten voldoen om als regeringscommissaris te kunnen worden aangeduid. Wat betreft de regeringscommissaris van begroting ware een recrutering wenselijk binnen de leden van de federale Inspectie van Financiën, die, rekening houdend met de dimensie van de openbare instelling van sociale zekerheid, voldoende beschikbaar zijn.
       Art. 24. Dit artikel herneemt, mits de nodige terminologische wijzigingen, artikel 10, §§ 1, 2 en 5 van de wet van 16 maart 1954.
       Art. 25. Dit artikel herneemt, mits de nodige terminologische wijzigingen, artikel 13 van de wet van 16 maart 1954. Aan de Koning wordt bovendien de bevoegdheid toegekend de uitoefening van de opdracht van de revisoren te regelen.
       Art. 26. Dit artikel herneemt artikel 14 van de wet van 16 maart 1954.
       Art. 27. Dit artikel herneemt, mits de nodige terminologische wijzigingen, artikel 22 van de wet van 16 maart 1954.
       Art. 28. Dit artikel herneemt artikel 23 van de wet van 16 maart 1954.
       Art. 29. Dit artikel richt een College van de openbare instellingen van sociale zekerheid op.
       Art. 30. Deze bepalingen regelen de samenstelling van het College.
       Art. 31. Dit artikel omschrijft de bevoegdheden van het College in het algemeen en in het bijzonder, onder verwijzing naar bepaalde andere artikelen van het ontwerp van koninklijk besluit. Het College is een reflectie-, advies-, coördinatie- en impulsorgaan m.b.t. aangelegenheden die het bestuur, het personeelsbeleid en de werking van de openbare instellingen van sociale zekerheid aanbelangen. Zijn bevoegdheden situeren zich aldus op de eerste plaats op het vlak van de dagelijkse werking van de instellingen, en hebben geen betrekking op het globaal beheer van het stelsel van sociale zekerheid.
       Art. 32. Gelet op het aanzienlijk aantal personeelsleden in dienst van het geheel van de openbare instellingen van sociale zekerheid en het belang van de opdrachten die ze uitvoeren, is een regelmatig overleg noodzakelijk tussen het College en de bevoegde ministers omtrent het personeelsbeleid en de werking van de instellingen.
       Art. 33. Dit artikel hoeft geen bijzondere commentaar.
       Art. 34-42. Deze artikelen waarborgen de verdere toepasbaarheid van een aantal wettelijke bepalingen inzake de pensioenregeling van de ambtenaren van de openbare instellingen van sociale zekerheid, de sociale reclassering van mindervaliden, de arbeidsongevallen- en beroepsziektenverzekering, de cumulaties van beroepsactiviteiten, de gesubsidieerde contractuelen en het enig statuut, die op heden van toepassing zijn op de organismen van categorie D, op de openbare instellingen van sociale zekerheid.
       Art. 43. Dit artikel brengt de openbare instellingen van sociale zekerheid in beginsel onder het toepassingsgebied van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken. In de volgende artikelen van het ontwerp van koninklijk besluit worden echter enerzijds een aantal artikelen van deze wet aangepast om ze in overeenstemming te brengen met de autonome bestuursruimte die krachtens dit ontwerp van koninklijk besluit aan de openbare instellingen van sociale zekerheid wordt toebedeeld, en anderzijds een aantal artikelen van de wet van 22 juli 1993 niet van toepassing verklaard op deze instellingen, omdat ze strijdig zijn met de principes vastgelegd in dit ontwerp van koninklijk besluit.
       Art. 44. Zoals reeds vermeld, is het statutair stelsel de algemene regel voor het vervullen van de permanente personeelsbehoeften van elke openbare instelling van sociale zekerheid. De tewerkstelling van personeelsleden onder arbeidsovereenkomst onderworpen aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten vormt de uitzondering, en is slechts mogelijk in welomschreven gevallen. Het betreft in de eerste plaats de situaties waarin, krachtens de hogervermelde wet van 22 juli 1993, in het gehele federale openbaar ambt een beroep op contractueel personeel mogelijk is : het voldoen aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften, de vervanging van personeelsleden gedurende perioden van tijdelijke, gehele of gedeeltelijke afwezigheid en de vervulling van bijkomende of specifieke opdrachten. Gezien de bestuursruimte die aan de openbare instellingen van sociale zekerheid wordt toebedeeld onder meer inhoudt dat zij, binnen de perken van de globale beheerskredieten voorzien in de bestuursovereenkomst, vrij beslissen over hun personeelsbehoeften, worden de beperkingen die door of in uitvoering van artikel 4, §§ 2 tot en met 4 van de wet van 22 juli 1993 gesteld zijn, niet van toepassing verklaard op deze instellingen. Bij de omschrijving van wat onder bijkomende of specifieke opdrachten in de openbare instellingen van sociale zekerheid dient te worden verstaan, zullen bovendien de voogdijministers van deze instellingen worden betrokken.
       Naast de drie vermelde situaties waarbinnen contractueel personeel algemeen kan worden tewerkgesteld in het federale openbaar ambt, is het absoluut noodzakelijk de openbare instellingen van sociale zekerheid ook toe te staan contractueel personeel aan te werven voor de uitvoering van taken op het vlak van informatica die een gespecialiseerde kennis of ervaring van niveau 1 of 2+ vereisen, maar slechts voorzover alle gewone wervings-, mobiliteits- of bevorderingsprocedures niet het benodigde resultaat hebben opgeleverd. Voor de instellingen van sociale zekerheid is informatie immers, naast het personeel en de financiële middelen, een dermate belangrijke productiefactor, dat een rationele verwerking ervan de efficiëntie en de kwaliteit van de taakuitvoering wezenlijk beïnvloedt. En de praktijk wijst uit dat niet aan alle behoeften inzake gespecialiseerd en ervaren informaticapersonee
       l kan worden voldaan door werving via de normale procedures. Dit werd reeds door de wetgever erkend, toen hij aan een aantal sociale parastatalen bij artikel 39 ter van de wet van 29 juli 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, de mogelijkheid bood om zich voor de uitvoering van informaticawerkzaamheden te verenigen in een vzw, die informaticapersoneel ter beschikking kan stellen dat al dan niet in de schoot van de parastatalen wordt tewerkgesteld. Zonder dit informaticapersoneel zou de uitvoering van de sociale zekerheid zeer ernstig worden gehypothekeerd. Hoewel de formule van de terbeschikkingstelling van informaticapersoneel door de vzw al veel economischer is dan een beroep op dienstencontracten, verhoogt zij de bruto kostprijs per personeelslid met meer dan 30% (21% BTW en ruim 10% algemene kosten) ten opzichte van de kostprijs die zou gelden indien de betrokken personeelsleden rechtstreeks door de parastalen zouden kunnen worden aangeworven. Bovendien is de formule van terbeschikkingstelling van extern informaticapersoneel aan de parastatalen niet bevorderlijk voor een coherent personeelsbeleid. In een systeem waarbij de sociale parastatalen zich zullen dienen te engageren tot het bereiken van gekwantificeerde doelstellingen inzake efficiëntie, moet hen ook de mogelijkheid worden geboden om op de meest economische en doeltreffende manier informaticapersoneel te kunnen tewerkstellen onder arbeidsovereenkomst, indien het betrokken personeel niet statutair kan worden aangesteld. Opdat het personeel dat vandaag aan de parastatalen door de hoger vernoemde vzw ter beschikking wordt gesteld, als eigen personeel van de parastatalen zou kunnen worden aangetrokken, is het bovendien noodzakelijk dat krachtens een collectieve regeling de rechten die werden opgebouwd, worden gewaarborgd. Dit wordt mogelijk gemaakt door artikel 21, § 4 van het ontwerp van koninklijk besluit. Deze collectieve regeling moet overigens op een voldoende flexibele wijze kunnen worden aangepast om adekwaat in te spelen op de wijzigende marktomstandigheden voor eventueel toekomstig personeel.
       Om de bepalingen inzake de werving van contractuelen niet nodeloos te spreiden over verschillende wetten, wordt de regeling inzake de openbare instellingen van sociale zekerheid geïntegreerd in de hogervermelde algemene wet van 22 juli 1993 inzake ambtenarenzaken. Gezien de wervingspolitiek inzake contractuelen een wezenlijk element uitmaakt van de bestuursruimte die aan de openbare instellingen van sociale zekerheid wordt verstrekt met het oog op het nastreven van de in de bestuursovereenkomst afgesproken doelstellingen inzake efficiëntie en kwaliteit, kan aan de regeling terzake slechts worden geraakt mits akkoord van de voogdijministers.
       Art. 45. De wijziging die door dit artikel wordt doorgevoerd, beoogt, bij een vastgestelde niet-naleving van bepaalde wettelijke voorschriften bij de werving van een personeelslid, ook de
       nodige informatie terzake te verstrekken aan de leidend ambtenaar van de overheidsdienst waar het personeelslid is tewerkgesteld.
       Art. 46. Gezien hun strijdigheid met de principes vastgelegd in hoofdstuk VI van dit ontwerp van koninklijk besluit, worden de artikelen 1, § 1, eerste lid, § 2 en § 3, 2, 5 en 10 van de wet van 22 juli 1993, die betrekking hebben op de werving in sommige overheidsdiensten, niet toepasselijk verklaard op de openbare instellingen van sociale zekerheid.
       Wij hebben de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaars
       De Minister van Binnenlandse Zaken,
       J. VANDE LANOTTE
       De Minister van Begroting,
       H. VAN ROMPUY
       De Minister van Pensioenen,
       M. COLLA
       De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
       Mevr. M. SMET
       De Minister van Sociale Zaken,
       Mevr. M. DE GALAN.
       De Minister van de Kleine en Middelgrote Ondernemingen,
       K. PINXTEN
       De Minister van Ambtenarenzaken,
       A. FLAHAUT
       ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE.
       De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 21 februari 1997 door de Minister van Sociale Zaken verzocht haar van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels", heeft op 13 maart 1997 het volgend advies gegeven :

       
       Strekking van het ontwerp.
       1. Het voor advies aan de Raad van State voorgelegde ontwerp beoogt uitvoering te geven aan artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Deze wetsbepaling geeft aan de Koning ruime bevoegdheden, die nader omschreven worden aan de hand van doelstellingen, om een nieuw werkkader uit te werken voor de openbare instellingen van sociale zekerheid. Dat nieuw werkkader, waardoor in essentie de bedoelde instellingen geresponsabiliseerd worden, moet uiteindelijk de doelmatige werking van die instellingen ten goede komen.
       Het door de Koning te ontwerpen werkkader moet uitgaan van de volgende principes :

       
       1° het sluiten van een bestuursovereenkomst tussen de regering en de betrokken instelling waarin worden bepaald de taken die de instelling op zich dient te nemen ter vervulling van haar wettelijke opdracht, de gekwantificeerde doelstellingen inzake efficiëntie en kwaliteit met betrekking tot deze taken en de berekeningswijze van de beheerskredieten die voor de uitvoering van deze taken ter beschikking worden gesteld;
       2° het toekennen van een grotere bestuursautonomie aan de instelling op het vlak van de begroting en de rekeningen, de personeelsformatie, de werving en de tewerkstelling van statutair en contractueel personeel en de aanwending van beheerskredieten, alsmede een versterking van de rol van de beheersorganen;
       3° het afstemmen van de administratieve en begrotingscontrole op de naleving van de wetgeving en de doelstellingen vervat in de bestuursovereenkomst, via een versterking van de rol en de verantwoordelijkheid van de regeringscommissarissen;
       4° het versterken van de verantwoordelijkheid van de instellingen via het invoeren van een systeem van positieve en negatieve sancties in functie van de beoordeling van de mate waarin de doelstellingen vervat in de bestuursovereenkomst werden bereikt.
       2. Hoofdstuk II van het ontwerp bevat een regeling met betrekking tot de voornoemde estuursovereenkomst. Het bepaalt welke instellingen dergelijke overeenkomst kunnen sluiten (artikel 2 van het ontwerp). Vanaf de inwerkingtreding van zulk een overeenkomst wordt de betrokken instelling geschrapt uit de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut en ressorteert zij onder de bepalingen van het voorliggend ontwerp (artikel 3). Hoofdstuk III van het ontwerp regelt de inhoud van de bestuursovereenkomst alsmede de wijze waarop deze overeenkomst tot stand dient te komen (artikelen 5 tot 9) (1).
       Voorts voorziet het ontwerp in het opstellen van een bestuursplan en het opmaken van boordtabellen door de instelling (hoofdstuk IV artikel 10). Daarin moet worden aangegeven hoe de opgedragen taken worden uitgevoerd en in welke mate de doelstellingen opgenomen in de bestuursovereenkomst worden bereikt.
       Het ontwerp bevat verder regels inzake het opmaken van de begroting en de rekeningen (hoofdstuk V - artikelen 11 tot 18) inzake het personeel, waarbij de vaststelling van de personeelsformatie zaak wordt van het beheersorgaan en de vaststelling van het statuut zaak blijft van de Koning (hoofdstuk VI - artikelen 19 tot 22), alsmede inzake het administratief toezicht en de controle (hoofdstuk VII - artikelen 23 tot 28).
       Bovendien voorziet het ontwerp in de oprichting van het "College van de Openbare Instellingen van Sociale Zekerheid", waarin het dagelijks bestuur van de verschillende instellingen wordt vertegenwoordigd. Dat college blijkt in hoofdzaak een adviserende en coördinerende taak te hebben (hoofdstuk VIII - artikelen 29 tot 33).
       Het ontwerp bevat ten slotte een reeks opheffings- en wijzigingsbepalingen, welke ertoe strekken andere wetgevingen in overeenstemming te brengen met het voorliggend ontwerp. Hierbij zijn vooral de wijzigingen aan de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken van belang. Die wijzigingen betreffen inzonderheid de mogelijkheid voor bedoelde instellingen om contractueel personeel in dienst te nemen (hoofdstuk XI - artikelen 34 tot 47).
       3. Het ontwerp bevat een eigen autonome regeling voor de openbare instellingen van sociale zekerheid, naast die welke is opgenomen in de voornoemde wet van 16 maart 1954. In dat verband kan de vraag worden gesteld of de ontworpen regeling niet beter in de wet van 16 maart 1954 zou worden geïntegreerd. Voor een integratie in de wet van 16 maart 1954 pleit, op het eerste gezicht, het argument dat aldus de werkings- en controleregelen, van toepassing op de verschillende instellingen van openbaar nut, zouden worden gegroepeerd in één organieke wetgeving en dat de thans ontworpen regeling sterk aanleunt bij de regeling van de wet van 16 maart 1954. In dat opzicht is er een opmerkelijk verschil met de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven. De mate waarin aan beide soorten "instellingen" autonomie wordt verleend verschilt aanzienlijk. Zo behouden de instellingen van sociale zekerheid hun huidige rechtsvorm, terwijl de overheidsbedrijven kunnen worden omgevormd tot naamloze vennootschappen van publiek recht.
       Tegen de zoëven vernoemde integratie kan evenwel worden ingebracht dat de wetgever zelf reeds, met de regeling vervat in de voornoemde wet van 21 maart 1991, welke gelijklopend is met de regeling in ontwerp, de eenheid van wetgeving heeft verbroken. Alleszins lijkt er geen dwingende noodzaak te bestaan om de ontworpen regeling in de wet van 16 maart 1954 te integreren.
       Voorafgaande opmerkingen.
       1. Met toepassing van artikel 15 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg hebben de betrokken instellingen van sociale zekerheid in de loop van de maanden maart en april 1995 advies gegeven over een ontwerp van "wet" met dezelfde inhoud. Dat wetsontwerp werd in september 1996 omgevormd tot een ontwerp van koninklijk besluit dat is gesteund op de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
       Uit de aan de Raad van State medegedeelde stukken blijkt dat de Minister van Sociale Zaken destijds een dringend advies heeft gevraagd aan de betrokken beheerscomités. Dat beroep op de dringende noodzakelijkheid werd door de betrokken instellingen bekritiseerd, aangezien de regering zich op dat tijdstip in een periode van lopende zaken bevond en het ontwerp van wet onmogelijk nog binnen de lopende legislatuur door het Parlement kon worden aangenomen. Desalniettemin werd in de meeste gevallen toch advies gegeven, weze het summier. Wel werd betreurd dat de tijd ontbrak om bijvoorbeeld het ontwerp nader te bespreken in een werkgroep. Ook uitten bijna alle instellingen de wens om het ontwerp eveneens voor advies voor te leggen aan de Nationale Arbeidsraad, aangezien men vond dat het ontwerp veel aspecten vertoonde gemeen aan meer dan één instelling. Op die wens werd niet ingegaan. In sommige gevallen werd er ook van uitgegaan dat het nog maar een ontwerp van wet betrof dat uiteraard voor amendering vatbaar was.
       Uit het voorgaande volgt dat artikel 15 van de voornoemde wet van 25 april 1963 in deze n
       iet correct werd toegepast : de ingewonnen adviezen dateren immers van de periode maart-april 1995, zijn gevraagd met beroep op de dringende noodzakelijkheid en aangaande een verschillend regelgevend instrument : een ontwerp van wet in plaats van een ontwerp van koninklijk besluit.
       2. Het advies van de Inspectie van Financiën waarnaar de stellers van het ontwerp verwijzen, dateert van 14 februari 1995. Het is de vraag of dat advies nog relevant kan worden geacht, nu de budgettaire omstandigheden, naar kan worden verondersteld, er anders uitzien.
       3. Gelet op de vaststelling dat al deze adviezen ongeveer twee jaar oud zijn, moeten de hierna over de inhoud van het ontwerp gemaakte opmerkingen met dat voorbehoud worden gelezen.
       Rechtsgrond van het ontwerp.
       Zoals hiervoren reeds werd opgemerkt put het ontwerp zijn rechtsgrond uit artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Toch doorstaan sommige bepalingen van het ontwerp de toets aan deze rechtsgrond niet.
       1. Artikel 5, § 2, van het ontwerp, bepaalt - tijdens het verslag aan de Koning, op niet-limitatieve wijze - de aangelegenheden die in de bestuursovereenkomst moeten worden geregeld. Uit die bepaling moet, onder meer, worden afgeleid dat de positieve en negatieve sancties in functie van de beoordeling van de mate waarin de instelling de doelstellingen vervat in de bestuursovereenkomst bereikt, zullen worden geregeld in de bestuursovereenkomst zelf. Indien dat werkelijk de bedoeling is strookt die regeling niet met de bepalingen van artikel 47 van de voornoemde wet van 26 juli 1996, waaruit kan worden afgeleid dat het werkkader waarin de Koning zal voorzien zelf een dergelijke regeling dient vast te stellen, minstens de essentiële aspecten ervan, en derhalve het niet kan worden overgelaten aan de regering en de betrokken instelling om de regeling in haar totaliteit vast te stellen (2).
       2. Artikel 5, § 4, van het ontwerp bepaalt dat "de bestuursovereenkomst geen akte is of reglement bedoeld in artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973" en dat "alle clausules in de bestuursovereenkomst worden geacht contractueel te zijn". Die bepaling moet worden aangemerkt als rechtstreeks betrekking hebbend op de bevoegdheid van de Raad van State.
       Blijkens artikel 160, eerste lid, van de Grondwet worden de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van de Raad van State door de wet bepaald. De bevoegdheid van de Raad van State lijkt derhalve op grond van die grondwetsbepaling te moeten worden bestempeld als een aan de wetgever voorbehouden aangelegenheid welke alleen door het wetgevend orgaan zelf kan worden geregeld.
       Men kan zich nochtans afvragen of het volstaat vast te stellen dat met de ontworpen regeling wordt getreden op een bevoegdheidsterrein dat de grondwetgever blijkbaar aan de wetgever heeft willen voo
       rbehouden, om enkel op grond daarvan te besluiten dat die regeling niet tot 's Konings bevoegdheid kan worden gerekend.
       In dat verband kan worden verwezen naar het volgende citaat uit het advies L. 25.169/1/8 dat de Raad van State, afdeling wetgeving, op 31 mei 1996 heeft uitgebracht over het voorontwerp dat de wet van 26 juli 1996 houdende de modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, is geworden :

       
       " Als de wetgever zich in de onmogelijkheid denkt te bevinden om bepalingen waarvoor de Grondwet hem uitsluitend bevoegd gemaakt heeft, zelf vast te stellen en hij het nodig acht de bevoegdheid tot het uitvaardigen van die bepalingen aan de Koning op te dragen, dan is de werkwijze waarmee de in de Grondwet neergelegde beginselen in de mate van het mogelijke gevrijwaard worden, die welke erin bestaat de op grond van de bedoelde machtiging vastgestelde besluiten te onderwerpen aan spoedige bekrachtiging door de wetgever. (...)
       Het voordeel van die werkwijze is dat ze het laatste woord aan de wetgever laat, zodat het koninklijk besluit in zekere zin een voorlopige regeling blijkt in te voeren" (3).
       Uit het weergegeven citaat kan worden afgeleid dat niet per definitie uit te sluiten valt dat de wetgever die hem door de grondwetgever voorbehouden bevoegdheden delegeert aan de Koning. Vraag is evenwel of de wetgever wel degelijk de bedoeling heeft gehad om dergelijke bevoegdheden te delegeren aan de Koning en om, met name, Hem te machtigen de in het ontwerp bedoelde bestuursovereenkomst te onttrekken aan het vernietigingstoezicht van de Raad van State.
       Wat dat betreft moet worden vastgesteld dat uit artikel 47 van de wet van 26 juli 1996, waarnaar in het eerste lid van de aanhef van het ontwerp wordt verwezen, dergelijke bedoeling niet valt af te leiden (4). Meer nog, doordat in artikel 1 van de voornoemde wet is bepaald dat in die wet uitsluitend aangelegenheden worden geregeld als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet en zij niet overeenkomstig artikel 77 van de Grondwet tot stand is gekomen, mag ervan worden uitgegaan dat het geenszins in de bedoeling van de wetgever lag om aan de Koning bevoegdheden te delegeren welke behoren tot de in artikel 77, eerste lid, 8°, van de Grondwet opgesomde aangelegenheid, met name die betreffende de wetten op de Raad van State, waarvoor de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat gelijkelijk bevoegd zijn.
       Uit wat voorafgaat moet derhalve worden geconcludeerd dat de Koning uit de voornoemde wet van 26 juli 1996 niet de bevoegdheid put om een regeling uit te werken als die welke is besloten in artikel 5, § 4, van het ontwerp.
       3. Artikel 39 van het ontwerp beoogt een wijziging van artikel 43, § 3, van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966. Artikel 43 van die wetten bevat de regeling van de taalkaders in de centrale diensten en is een onderdeel van hoofdstuk V "Gebruik van de talen in de diensten waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt". De ontworpen wijziging komt hierop neer dat de betrekkingen toe te wijzen aan elke taalrol uitgedrukt zullen worden in percentages en niet langer in aantallen, althans wat de in het ontwerp bedoelde openbare instellingen betreft.
       De regeling inzake taalkaders in centrale diensten is een essentieel onderdeel van de regeling van het gebruik der talen, in de zin van artikel 30 van de Grondwet. Taalkaders strekken er immers in de eerste plaats toe de nakoming van de taalwetgeving mogelijk te maken en te bevorderen (5). Aldus begrepen, betreedt de Koning met de ontworpen bepaling een aan de wetgever voorbehouden bevoegdheid. Voor zover zulks op grond van de voornoemde wet van 26 juli 1996 mogelijk zou kunnen zijn, dient een daartoe strekkende machtiging uitdrukkelijk in die wet voor te komen en dient die wet ook uitdrukkelijk te bepalen dat zij aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet regelt, terwijl zij ook volgens de wetgevende procedure van dat artikel tot stand moet zijn gekomen. Aan geen dezer voorwaarden is in casu voldaan, zodat moet worden geconcludeerd tot de onbevoegdheid van de Koning. Artikel 39 dient derhalve uit het ontwerp te worden weggelaten.
       Bijzondere opmerkingen.
       Aanhef.
       1. In de aanhef dient te worden verwezen naar het advies van de Inspectie van Financiën alsook naar de adviezen verleend door de beheersorganen van de betrokken instellingen, waarvan sprake in de voorafgaande opmerkingen.
       2. Aangezien de adviesaanvraag is ingediend overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, verdient het aanbeveling het derde lid van de aanhef te vervangen door een derde en vierde lid, luidende als volgt :

       
       " Gelet op de beraadslaging van de Ministerraad, op 21 februari 1997, betreffende de aanvraag om advies binnen één maand;
       Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 13 maart 1997, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

       ".
       Artikel 4. Artikel 4, eerste lid, van het ontwerp luidt als volgt :

       
       " De Koning kan, in het in Ministerraad overlegd besluit tot goedkeuring van de eerste bestuursovereenkomst van een in artikel 3, § 2 bedoeld organisme de wetsbepalingen, die het organiek statuut, de financiering en de werking van het betrokken organisme regelen, opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen, teneinde de daarin vervatte regelen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van dit besluit. " .
       In tegenstelling tot wat het geval is voor het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van het ontwerp - dat een klassieke machtiging tot coördinatie inhoudt - maakt artikel 4, eerste lid, het mogelijk dat de Koning ook inhoudelijke wijzigingen aanbrengt in de wetsbepalingen die het organiek statuut, de financiering en de werking van de bedoelde organismen regelen. Deze in zeer algemene bewoordingen geformuleerde machtiging zou nochtans niet tot resultaat mogen hebben dat de Koning de bedoelde wetsbepalingen aanpast aan de bepalingen van de met de diverse instellingen gesloten bestuursovereenkomsten. Die vaststelling wint trouwens aan pertinentie daar - zoals hiervoren reeds met betrekking tot de rechtsgrond van het ontwerp werd opgemerkt het besluit in ontwerp ten onrechte de regeling van een aantal aangelegenheden doorschuift naar de te sluiten bestuursovereenkomsten.
       Artikel 14. In het ontwerp wordt een ruimere rol toebedeeld aan de regeringscommissarissen dan wat traditioneel het geval is in het kader van de voornoemde wet van 16 maart 1954. Naast de klassieke controlebevoegdheid op het vlak van wettigheid en doelmatigheid, wordt aan de regeringscommissarissen ook een adviesbevoegdheid gegeven ten aanzien van welbepaalde beslissingen (6). Het betreft dan telkens beslissingen van het beheersorgaan die maar kunnen worden genomen na gunstig advies van de regeringscommissarissen. Daarbij mag echter niet uit het oog worden verloren dat inzake administratief toezicht op een gedecentraliseerd bestuur de regeringscommissaris louter als lasthebber van de toezichthoudende overheid optreedt, doch geenszins in diens plaats kan treden. Zulks impliceert dat, zo aan de regeringscommissaris bepaalde specifieke toezichtsbevoegdheden worden toegekend, moet worden voorzien, ofwel in de mogelijkheid voor de toezichthoudende overheid om haar beslissing in de plaats te stellen van die van de regeringscommissaris, ofwel in een mogelijkheid van beroep bij de toezichthoudende overheid tegen de beslissingen van de regeringscommissaris. Dergelijke "indeplaatsstelling" blijkt wel beoogd te zijn in de artikelen 12, 19 en 21, doch, zonder aanwijsbare redenen, niet in artikel 14 van het ontwerp.
       Artikel 16. In de Nederlandse tekst van paragraaf 1, tweede volzin, schrijve men "Boekhouding" in plaats van "Boekhoudkundig".
       Artikel 18. Vermits het allicht niet de bedoeling is artikel 5 van de wet van 27 juni 1969 voor de toepassing van artikel 18 van het ontwerp in de tijd te vergrendelen, dient de vermelding van de wijzigende wetten van 30 maart 1994 en 21 december 1994 in paragraaf 1 van dit artikel te worden geschrapt.
       Artikel 20. Gelet op de samenhang met het bepaalde in artikel 19, § 1, van het ontwerp, schrijve men in artikel 20 "De vaststelling of de goedkeuring van de personeelsformatie houdt de machtiging in... " .
       Artikel 21. In fine van paragraaf 3 schrijve men "... wordt het advies geacht te zijn gegeven" in plaats van "wordt het advies geacht gunstig te zijn". Er worden immers geen rechtsgevolgen verbonden aan een gunstig of ongunstig advies.
       Artikel 23. Blijkens de laatste volzin van paragraaf 2 van dit artikel dient "elke" door de instelling genomen beslissing aan de regeringscommissarissen onmiddellijk te worden medegedeeld. Strikt genomen gaat het dus om zowel alle beslissingen welke de instelling neemt in het kader van haar opdracht als alle beslissingen genomen naar aanleiding van het bestuur van de instelling. De vraag rijst dan ook of het vereiste van de mededeling om praktische redenen niet moet worden beperkt tot bepaalde categorieën van beslissingen.
       Artikel 35. In de inleidende zin van dit artikel schrijve men "Artikel 20, 2°, van de wet van... " in plaats van "Artikel 20, eerste lid, 2°, van de wet van... ".
       Artikel 36. In de Franse tekst van de inleidende zin schrijve men "alinéa 1er" in plaats van "alinéa premier". Dezelfde opmerking geldt voor de artikelen 40 en 42.
       Artikel 37. De tekst van het ontworpen artikel 21, § 3, dient in fine te worden vervolledigd met de volgende woorden :

       
       " ... bepaalt de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit het aantal minder-validen dat moet worden tewerkgesteld. " .
       Artikel 38. In de inleidende zin van dit artikel schrijve men "vervangen bij de wet van 20 december 1995" in plaats van "laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 1991".
       Artikel 43. 1. De werkwijze die erin bestaat artikel 7 van de wet van 20 februari 1990 in zijn geheel te vervangen door het ontworpen artikel 7, heeft tot gevolg dat de overgangsregeling, vervat in het tweede lid van artikel 7 impliciet wordt opgeheven. De vraag rijst of dit wel degelijk de bedoeling is.
       2. In de inleidende zin van dit artikel dienen bovendien de woorden "gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993" te worden weggelaten.
       Artikel 45.
       1. In de inleidende zin van paragraaf 2 van dit artikel dient de wijzigende wet van 30 maart 1994 te worden vermeld.
       2. Blijkens het bepaalde in de ontworpen paragraaf 9, dienen de erin bedoelde voorontwerpen van wet voorgelegd te worden aan de voorafgaande akkoordbevinding van de ministers waaronder de openbare instellingen van sociale zekerheid ressorteren. In het verslag aan de Koning wordt daarentegen gewag gemaakt van een "voordracht van de voogdijministers in overeenstemming met de Minister van Ambtenarenzaken". Die discrepantie tussen het verslag aan de Koning en de tekst van het ontwerp dient te worden weggewerkt.
       Artikel 47. In het ontworpen artikel 11bis dient te worden verwezen naar de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2, van het voorliggende besluit in ontwerp, waarvan bovendien het opschrift moet worden vermeld.
       De kamer was samengesteld uit :

       
       De heren :

       
       J. De brabandere, kamervoorzitter;
       M. Van Damme en D. Albrecht, staatsraden;
       G. Schrans en E. Wymeersch, assessoren van de afdeling wetgeving;
       Mevr. A. Beckers, griffier.
       De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer M. Van Damme.
       Het verslag werd uitgebracht door de heer W. Van Vaerenbergh, auditeur.
       De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door Mevr. M.-C. Ceule, eerste referendaris.
       De griffier,
       A. Beckers.
       De voorzitter,
       J. De Brabandere.
       (1) De regeling vervat in de hoofdstukken II en III van het ontwerp is in sterke mate vergelijkbaar met de regeling vervat in de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
       (2) Vergelijk artikel 5, §2, 8°, van het ontwerp met artikel 47, 4°, van de wet van 26 juli 1996.
       (3) Gedr. St., Kamer, 1995-1996, nr. 607/1, blz. 58-59.
       (4) Die bedoeling zou trouwens expliciet tot uiting moeten worden gebracht precies omdat die bevoegdheid aan de wetgever is voorbehouden.
       (5) Zie A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme en J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1994, p. 205.
       (6) Zie de artikelen 12, §3, 14, §1, 19, §1, en 2, §4, van het ontwerp.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 481 uitvoeringbesluiten 23 gearchiveerde versies
    Franstalige versie