J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1997/02/06/1997021032/justel

Titel
6 FEBRUARI 1997. - Koninklijk besluit betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en diensten waarop artikel 3, § 3, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten van toepassing is.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 25-02-1997 en tekstbijwerking tot 20-12-2001).

Bron : EERSTE MINISTER
Publicatie : 25-02-1997 nummer :   1997021032 bladzijde : 3736
Dossiernummer : 1997-02-06/34
Inwerkingtreding : 01-05-1997 (ART. (7))

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-8

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en diensten waarop artikel 223, § 1, b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is.
  Onder voorbehoud van wat bepaald is in dit besluit, zijn deze overheidsopdrachten onderworpen aan titel II van het eerste boek van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en aan het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, met uitzondering van de artikelen 27 tot 36, 37, eerste lid, 39, tweede lid, 40, § 2, 50, 53 tot 62, 65, tweede lid, 66, § 2, 79, 82, 83, § 1, tweede lid, en § 2 en 3, 84 en 121 van dit besluit.

  Art. 2. <KB 2001-12-06/35, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Wanneer een federaal Minister aan de Ministerraad een in artikel 1 van dit besluit beoogde opdracht voor aanneming van leveringen of diensten ter goedkeuring voorlegt die te gunnen is via offerteaanvraag of via onderhandelingsprocedure, beslist de Ministerraad, indien nodig, toe te staan dat, overeenkomstig de voorwaarden van § 6 van dit artikel, rekening wordt gehouden met overwegingen die verbonden zijn aan de versterking van het economisch of technologisch potentieel van het land en die verenigbaar zijn met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, geconcretiseerd in de vorm van nijverheidscompensaties. Deze nijverheidscompensaties hebben ofwel betrekking op de studie, de inrichting, de ontwikkeling, de gemeenschappelijke productie of de productie van leveringen of diensten die bij voorkeur van hoogtechnologische aard moeten zijn.
  De opdrachten waarvoor voorgesteld kan worden om een clausule van nijverheidscompensaties in te voegen, moeten, volgens de weerhouden gunningswijze, één van de bedragen, zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996 betreffende het voorafgaand toezicht en de overdracht van bevoegdheid inzake de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en inzake de toekenning van concessies voor openbare werken op federaal niveau, bereiken of overschrijden.
  Ongeacht de gekozen gunningswijze, maakt elke opdracht waarvoor een clausule van nijverheidscompensaties wordt toegestaan door de Ministerraad, het voorwerp uit van een aankondiging van opdracht gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen. De aankondiging vermeldt deze clausule. Voor de opdrachten te gunnen bij wijze van onderhandelingsprocedure als bedoeld in artikel 17, § 2, van de wet zijn de bekendmakingsregels bepaald in de artikelen 40, §§ 1 en 3, en 66, §§ 1 en 3, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 van toepassing.
  § 2. Het bedrag van de opdracht dient te worden geraamd volgens de regels vastgesteld door de artikelen 28 of 54 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996.
  § 3. Wanneer nijverheidscompensaties worden toegestaan, geeft het bestek het gunningscriterium betreffende de aan de opdracht verbonden compensaties aan. De instemming van de Ministerraad bepaald in § 1 van dit artikel slaat eveneens op dit criterium en op de gewogen waarde hiervan in vergelijking met de andere gunningscriteria voor de opdracht. Deze gewogen waarde mag niet hoger zijn dan 15 procent van alle criteria van de opdracht.
  De Ministerraad stemt bovendien in met het niveau van de contractuele sancties die het bestek moet bepalen bij niet-uitvoering van de door de aannemer aangegane verbintenissen inzake nijverheidscompensaties. Dit niveau bedraagt minstens 10 procent van het niet gerealiseerde bedrag van de nijverheidscompensaties.
  § 4. Wanneer nijverheidscompensaties worden toegestaan, kan de inschrijver, naast de offerte voor de leveringen en diensten die het voorwerp uitmaakt van de opdracht, eveneens een offerte indienen voor de nijverheidscompensaties. In dat geval moet hij de offerte met betrekking enerzijds tot de leveringen of de diensten en anderzijds tot de nijverheidscompensaties elk indienen onder een afzonderlijke en definitief gesloten omslag. Die omslagen worden aan de bevoegde Minister, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet verzonden of overhandigd. De afwezigheid van een offerte voor de nijverheidscompensaties of de onregelmatigheid ervan leidt niet tot de onregelmatigheid van de offerte van de inschrijver voor de leveringen en diensten die het voorwerp uitmaken van de opdracht.
  § 5. Na de opening van de offertes met betrekking tot de leveringen en de diensten bij offerteaanvraag of na hun ontvangst bij onderhandelingsprocedure worden de omslagen die de offertes voor de nijverheidscompensaties bevatten zonder verwijl en zonder te zijn geopend, overgemaakt aan de Minister bevoegd voor Economie.
  § 6. De bevoegde Minister als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet gaat over tot de beoordeling van de offertes wat hun regelmatigheid betreft, alsook van de criteria en de eisen van het bestek, waarbij een uitzondering wordt gemaakt voor het criterium betreffende de nijverheidscompensaties.
  Hij informeert zonder verwijl de Minister bevoegd voor Economie over de niet geselecteerde kandidaten of inschrijvers en over de inschrijvers wiens offerte als onregelmatig wordt beoordeeld. Deze laatste onderzoekt gelijktijdig de offertes voor de nijverheidscompensaties van de op deze wijze gekozen inschrijvers en gaat over tot de beoordeling ervan op kwalitatief en kwantitatief vlak. De voorgestelde nijverheidscompensaties worden wat de beoordeling betreft slechts in overweging genomen ten belope van het totaalbedrag van de opdracht. Daartoe kan hij, volgens de gunningsprocedure van de opdracht, de inschrijvers uitnodigen hun offertes te verduidelijken of erover te onderhandelen. De bevoegde Minister als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet bepaalt in overleg met de Minister bevoegd voor Economie de datum tot wanneer eventueel verduidelijkingen bij offerteaanvraag en wijzigingen bij onderhandelingsprocedure kunnen aangebracht worden in de offertes.
  Als de bevoegde Minister als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet uit de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde beoordeling afleidt dat offertes een vergelijkbaar belang vertegenwoordigen, wordt het criterium betreffende de nijverheidscompensaties in aanmerking genomen voor de gunning van de opdracht. In het tegengestelde geval, wordt enkel de beoordeling overeenkomstig het eerste lid van deze paragraaf in aanmerking genomen.
  Voor de toepassing van dit artikel, wordt onder offertes die een vergelijkbaar belang vertegenwoordigen, verstaan dat zij zich binnen een marge van 10 procent bevinden wat de gemotiveerde en gewogen rangschikking betreft die voortvloeit uit de beoordeling overeenkomstig het eerste lid van deze paragraaf. De marge wordt berekend in functie van het resultaat van de inschrijver die bij de vergelijking van de offertes als eerste wordt geklasseerd.
  De bevoegde Minister als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet en de Minister bevoegd voor Economie, bepalen ieder wat hem betreft, de toe te passen quoteringsmethode in het bestek.
  § 7. De bevoegde Minister als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet informeert de Minister bevoegd voor Economie over de offertes die een vergelijkbaar belang vertegenwoordigen.
  Binnen een termijn overeengekomen door beide Ministers die maximaal 30 dagen bedraagt vanaf deze informatieverstrekking, maakt de Minister bevoegd voor Economie de offertes voor de in aanmerking genomen nijverheidscompensaties over aan de bevoegde Minister als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet, samen met hun volgens de in het bestek bepaalde quoteringsmethode gewogen en gemotiveerde rangschikking.
  § 8. Na instemming van de Ministerraad wordt de opdracht gegund door de bevoegde Minister als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet. "

  Art. 3. In geval van onderhandelingsprocedure in de zin van artikel 17, § 2 en § 3, van de wet, wanneer het geraamde bedrag van de overheidsopdracht voor aanneming van leveringen of diensten, gelijk is aan of hoger is dan de bedragen, zonder belasting op de toegevoegde waarde, bepaald in artikel 120 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 en indien er meerdere gegadigden zijn, worden ze gelijktijdig en schriftelijk uitgenodigd om een offerte in te dienen. Deze uitnodiging bevat ten minste :
  1° het bestek en, eventueel, de bijgevoegde aanvullende documenten;
  2° indien nodig, het adres van de dienst waar de aanvullende documenten kunnen opgevraagd worden en de uiterste datum van aanvraag, evenals het ter verkrijging van deze documenten verschuldigd bedrag en wijze van betaling daarvan;
  3° de uiterste datum voor ontvangst van de offertes, het adres waarnaar ze moeten verstuurd worden en de taal of talen waarin ze moeten opgesteld worden;
  4° de aanduiding van de eventueel toe te voegen documenten;
  5° desgevallend, en onverminderd de wettelijke, reglementaire of bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de vergoeding van bepaalde diensten, de gunningscriteria van de opdracht.

  Art. 4. <KB 2001-12-06/35, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De aannemer is gebonden door zijn offerte voor de nijverheidscompensaties, ook al werd het criterium betreffende de nijverheidscompensaties niet in aanmerking genomen voor de gunning van de opdracht. De niet-uitvoering van de door de aannemer aangegane verbintenissen inzake nijverheidscompensaties geeft aanleiding tot de toepassing van de daartoe bepaalde sancties.

  Art. 5. De Minister tot wiens bevoegdheid Economie behoort kan zich laten bijstaan door een Raad voor de Nijverheidscompensaties bevoegd om adviezen te formuleren wat betreft de algemene lijnen in het kader van de politiek inzake compensaties. Hij bepaalt de samenstelling ervan.

  Art. 6. Het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken, is van toepassing op de in dit besluit bedoelde overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en diensten, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 3, § 1, van de wet.
  Het contract aangaande de uitvoering van de nijverheidscompensaties kan nochtans het voorwerp uitmaken van bijzondere uitvoeringsregels die het nader omschrijft of die in het bestek vermeld worden.

  Art. 7. Dit besluit treedt in werking op 1 mei 1997 voor de overheidsopdrachten die met ingang van deze datum worden gepubliceerd en voor deze waarvoor, bij ontstentenis van verplichting om een aankondiging te publiceren, met ingang van deze datum wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte of van een kandidatuur.
  De overheidsopdrachten die gepubliceerd zijn vóór 1 mei 1997 of deze waarvoor, bij ontstentenis van verplichting om een aankondiging te publiceren, wordt uitgenodigd tot het indienen van een offerte of van een kandidatuur vóór deze datum, blijven onderworpen aan de wets- en reglementsbepalingen zoals ze ten tijde van de aankondiging of van de uitnodiging gelding hadden.

  Art. 8. Onze Eerste Minister, Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Economie en Telecommunicatie en Onze Minister van Landsverdediging zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 6 februari 1997.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Eerste Minister,
  J.-L. DEHAENE
  De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie en Telecommunicatie,
  E. DI RUPO
  De Minister van Landsverdediging,
  J.-P. PONCELET

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name artikel 223, § 1, b;
   Gelet op de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, met name artikel 3, § 3;
   Gelet op het advies van de Commissie voor de overheidsopdrachten van 7 februari 1996;
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën van 18 december 1996;
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat, enerzijds, de uitvoering van de wet van 24 december 1993 moet worden vervolledigd, waarvan dit ontwerp de laatste luik voortzet, en dat anderzijds, een overtredingsprocedure voor het Gerechtshof van de Europese Gemeenschappen moet worden vermeden wegens het niet-omzetten van de richtlijnen 92/50/EEG en 93/36/EEG;
   Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 7 januari 1977, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Eerste Minister, van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Economie en Telecommunicatie en van Onze Minister van Landsverdediging en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-12-2001 GEPUBL. OP 20-12-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 4)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING.
       Sire,
       Het doel van dit ontwerp van koninklijk besluit is de uitvoering van artikel 3, § 3, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. Dit artikel machtigt de Koning inderdaad tot het onderwerpen van overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en diensten, waarop artikel 223, § 1, b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, aan gewijzigde gunningswijzen en uitvoeringsregels.
       Volgens artikel 223, § 1, b, van het Verdrag, vormen de bepalingen van het Verdrag geen hinderpaal voor het nemen, door elke Lid-Staat, van "de maatregelen die hij nodig acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de produktie van en de handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel; deze maatregelen mogen de mededingingsvoorwaarden binnen de gemeenschappelijke markt niet aantasten, wat de produkten betreft die niet voor specifiek militaire doeleinden bestemd zijn".
       Dientengevolge ontsnappen de opdrachten in het veld van artikel 223, § 1, b, van het Verdrag aan de toepassing van de regels van het Verdrag en van de Europese richtlijnen inzake overheidsopdrachten.
       In zijn advies merkt de Raad van State op in verband met het toepassingsgebied van het ontwerp, dat artikel 223, § 1, b, van het Verdrag zeer algemeen is en dat de lijst van de produkten waarop artikel 223, § 1, b, van toepassing is, die op Europees niveau op 15 april 1958 werd opgesteld door de Raad, niet aan de evolutie is aangepast. Bij de uitwerking van het ontwerp van besluit werd overwogen om het toepassingsgebied van artikel 1 te verduidelijken door de nieuwste bepaling ter zake te melden, namelijk voor de produkten, deze die vermeld staan in de tweede categorie van de bijlage van het koninklijk besluit van 8 maart 1993 tot regeling van de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materieel en de daaraan verbonden technologie. Deze oplossing werd uiteindelijk niet in aanmerking genomen aangezien de bedoeling van het koninklijk besluit van 8 maart 1993 de controle op in-, uit- en doorvoer is, wat niet noodzakelijk helemaal overeenstemt met het hier bedoelde toepassingsgebied.
       Wat de grondbeginselen van de wet betreft, deze zijn van toepassing, zelfs indien in het door het huidige besluit gedekte domein de raadpleging voor sommige opdrachten zou kunnen worden voorbehouden aan de nationale ondernemingen alleen, zodra zij in staat zijn om de goederen te vervaardigen en de diensten te leveren die het voorwerp uitmaken van de opdracht en aan te bieden in concurrentiële voorwaarden of indien daartoe een industrieel en technologisch interessant potentieel bestaat.
       Artikel 1. De gedachte die aan de basis ligt van dit ontwerp van koninklijk besluit, is dat slechts op een zo beperkt mogelijke wijze zou worden afgeweken voor de specifiek militaire leveringen en diensten van de algemene regeling die voortvloeit uit boek I, titel II, van de wet van 24 december 1993 en uit haar uitvoeringsbesluit van 8 januari 1996. Derhalve is deze regeling van toepassing behalve bij een tegengestelde bepaling van dit ontwerp van koninklijk besluit.
       Zo zijn de hierbij bedoelde overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en diensten in het veld van artikel 223, § 1, b, van het Verdrag niet onderworpen
       - aan de regels voor de Europese bekendmaking (artikelen 27 tot 36, 53 tot 61 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996), noch aan de regels voor de in mededingingstelling in het raam van het Akkoord over de Europese Economische Ruimte, van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten of van elk ander internationaal akkoord dat niet het domein van artikel 223, § 1, b, van het Verdrag betreft (artikelen 50 en 79 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996);
       - aan de regels die in de voorrang voorzien van de Europese normalisatie (artikelen 82, 83, § 1, tweede lid, § 2 en 3, en 84 van voornoemd koninklijk besluit) ;
       - aan de regels betreffende de mogelijkheid tot opstelling van een jaarlijkse lijst van leveranciers of dienstverleners die werden geselecteerd voor de opdrachten waarvan de waarde zich onder het voor de Europese bekendmaking vastgestelde drempelbedrag bevindt (artikelen 39, tweede lid, 40, § 2, 65, tweede lid en 66, § 2, van voornoemd koninklijk besluit).
       Art. 2. Artikel 2 regelt de procedure met betrekking tot het gebruik van wat men verstaat onder "nijverheidscompensaties" in het raam van de specifiek militaire opdrachten in de zin van artikel 223, § 1, b, van het Verdrag. De bedoelde overwegingen kunnen in aanmerking genomen worden bij de gunning van deze opdrachten maar de Regering wil er een grotere doorzichtigheid aan geven bij het gebruik ervan binnen de toekomstige opdrachten wat door de Parlementaire onderzoekscommissie inzake de militaire bestellingen werd gewenst. Daarom bepaalt de tekst de te volgen procedure en de objectieve voorwaarden waaronder een beroep kan worden gedaan op dergelijke overwegingen, bij de via een offerteaanvraag en via onderhandelingsprocedure gegunde opdrachten.
       Derhalve is het doel van artikel 2 het vastleggen op het niveau van de uitvoerende macht, rekening houdend met de ministeriële bevoegdheid die gebaseerd is op artikel 6 van de wet van 24 december 1993, van de procedure die moet worden gevolgd voor het plaatsen en de gunning van opdrachten die offertes voor nijverheidscompensaties bevatten. De tekst bepaalt dat deze compensaties steeds bij voorkeur moeten slaan op hoogtechnologische produkten of diensten.
       In de zin van artikel 2, § 1, moeten de compensaties bestemd om het economisch of technologisch potentieel van het land te versterken, verenigbaar zijn met het Verdrag. Zij kunnen rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van de betrokken opdracht ofwel betrekking hebben op leveringen of diensten die niet gebonden zijn aan de uitvoering van de opdracht. Zo zal de aanbestedende overheid bijvoorbeeld rekening kunnen houden met de technologische verworvenheden die voor een Belgische onderneming voortvloeien uit haar deelneming aan de uitvoering van de opdracht - als vennoot in een tijdelijke vereniging of als onderaannemer of leverancier - en dit in welk stadium dan ook van de uitvoering. Naast deze rechtstreekse compensaties kunnen ook onrechtstreekse compensaties in aanmerking komen zoals voorstellen tot ontwikkeling of aankopen die geen rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de opdracht maar de Belgische industrie de mogelijkheid bieden om haar technologisch vermogen te handhaven, te verhogen of te ontwikkelen.
       Dit betekent met name dat er voorrang dient te worden gegeven aan de betrokkenheid van de Belgische nijverheid in een zo vroeg mogelijk stadium van het ontwikkelings- en produktieproces, omdat dit de beste garantie geeft inzake technologische overdracht en vernieuwende inbreng. Op het stuk van de nijverheidsdeelname dienen de nationale ontwikkeling, de co-produktie en de samenwerking binnen de nijverheid dus te worden bevoordeeld. Bij in het buitenland geplaatste bestellingen, past het derhalve te streven naar de best mogelijke combinatie van de verschillende vormen van nijverheidscompensaties.
       Het koninklijk besluit van 14 oktober 1996 betreffende het voorafgaande toezicht en de overdracht van bevoegdheid inzake de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en inzake de toekenning van concessies voor openbare werken op federaal niveau, bepaalt met name de drempelbedragen vanaf welke, rekening houdend met de aard van de opdracht en met de voorgestelde procedure, het voorafgaand akkoord van de Ministerraad vereist is. Het akkoord van de Raad is eveneens van toepassing op de door dit artikel beoogde opdrachten vanaf dezelfde bedragen.
       Bovendien wordt in afwijking van artikel 17 van de wet bepaald dat de opdrachten bedoeld door het huidige besluit en gegund bij wijze van onderhandelingsprocedure in de zin van artikel 17, § 2, van de wet, het voorwerp van een bekendmaking bij de aanvang van de procedure moeten uitmaken wanneer nijverheidscompensaties worden gevraagd.
       § 2 bepaalt de berekeningsmodaliteiten van het geraamde bedrag van de hier bedoelde opdrachten die gebaseerd zijn op de artikelen 28 en 54 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996.
       Volgens § 3 dient de Ministerraad in ieder geval zijn goedkeuring te hechten aan de overwogen procedure. Hij moet eveneens het criterium betreffende de aan de opdracht gebonden compensaties goedkeuren en zijn gewogen waarde ten opzichte van de andere aangenomen gunningscriteria. Deze afweging gebeurt in overleg tussen de Minister bevoegd voor de gunning van de opdracht en de Minister tot wiens bevoegdheid Economie behoort. Elke in het Bulletin der Aanbestedingen bekendgemaakte aankondiging van opdracht dient te vermelden of de opdracht het voorwerp is van nijverheidscompensaties.
       § 4 en volgende voeren modaliteiten in om de beoordeling van de offertes betreffende de leveringen of diensten en van het luik inzake nijverheidscompensaties duidelijk te scheiden. Om te beginnen dient elke inschrijver voor de gunning van de opdracht zijn offerte met betrekking tot, enerzijds, de te verwerven leveringen of diensten en, anderzijds, de nijverheidscompensaties in te dienen onder afzonderlijke omslagen die gelijktijdig naar de aanbestedende overheid worden gestuurd of aan haar worden afgegeven. De omslagen die de offertes voor nijverheidscompensaties bevatten, worden, zonder te zijn geopend, overgemaakt aan de Minister tot wiens bevoegdheid Economie behoort.
       De voor de gunning van de opdracht bevoegde Minister gaat vervolgens over tot de beoordeling van de offertes op gebied van hun regelmatigheid en nadien tot de evaluatie rekening houdend met de criteria en eisen van het bestek, met uitzondering van de nijverheidscompensaties. Hij licht de Minister tot wiens bevoegdheid Economie behoort in over de inschrijvers van wie de offerte regelmatig is, omdat enkel deze offertes aanleiding dienen te geven tot een onderzoek, op kwalitatief en kwantitatief vlak, van de voorgestelde nijverheidscompensaties.
       Bij offerteaanvraag mogen verduidelijkingen gevraagd worden aan de inschrijvers maar ze mogen niet leiden tot een wijziging van de offerte noch tot onderhandelingen met de inschrijver, wat daarentegen wel toegelaten is bij onderhandelingsprocedure. De tekst van § 5 bepaalt dat de betrokken Ministers de datum dienen vast te stellen tot wanneer verduidelijkingen, bij offerteaanvraag, en wijzigingen, bij onderhandelingsprocedure, eventueel kunnen worden aangebracht aan de offertes. Deze bepaling heeft tot doel om het einde van de fase precies vast te leggen, die door de betrokken Ministers op afzonderlijke wijze werden gevoerd.
       Het onderzoek van de offertes voor nijverheidscompensaties dient te leiden tot een gemotiveerde rangschikking van deze verschillende offertes, die wordt overgemaakt aan de Minister bevoegd voor de gunning van de opdracht. Hoewel de beoordeling door de twee betrokken Ministers totaal afzonderlijk werd gevoerd dient de bevoegde Minister als aanbestedende overheid een gemotiveerde beslissing tot gunning van de opdracht op te stellen. Deze dient rekening te houden met het resultaat van de beoordelingen van de twee betrokken departementen.
       Deze gunningsbeslissing zal vooraf ter goedkeuring aan de Ministerraad worden voorgelegd.
       Art. 3. Artikel 3 bevat een bepaling die de aanbestedende overheid ertoe verplicht om, in principe, de gegadigden in het geval van een onderhandelingsprocedure schriftelijk en op hetzelfde ogenblik uit te nodigen een offerte in te dienen. Deze schriftelijke uitnodiging bevat de in dit artikel vermelde elementen en inlichtingen. Het is niet de bedoeling de aanbestedende overheden de mogelijkheid te ontzeggen om te onderhandelen over de voorwaarden van de opdracht maar wel om een voldoende openbaarheid te waarborgen door het verplicht opstellen van een bestek en het verstrekken van inlichtingen die de gegadigden moeten toelaten een offerte met kennis van zaken in te dienen.
       De invoering van doorzichtiger regels in het stadium van de indiening van de offertes voor de hier bedoelde opdrachten doet dus geen afbreuk aan andere bepalingen en in het bijzonder aan artikel 17 van de wet.
       Art. 4. Volgens artikel 4 maakt de niet-uitvoering van de door de aannemer onderschreven verplichtingen de aanwending mogelijk van de reglementaire en bij contract vastgelegde strafmaatregelen.
       Art. 5. Dit artikel voorziet dat de Minister van Economie zich kan laten bijstaan door een Raad voor de Nijverheidscompensaties. Overeenkomstig de aanbevelingen van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en rekening houdende met de problemen van onverenigbaarheid die zich kunnen stellen voor bepaalde leden van een dergelijke Raad, kan deze strikt beschouwd niet geraadpleegd worden over individuele dossiers van concrete opdrachten. De Raad zal dus bevoegd kunnen zijn om adviezen te formuleren wat betreft de algemene lijnen in het kader van de politiek inzake compensaties.
       Art. 6. Volgens dit artikel zijn de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten van toepassing op de opdrachten bedoeld in dit besluit, wat betekent dat elke afwijking van deze bepalingen dient gerechtvaardigd te zijn door de specificiteiten van de opdracht in kwestie.
       Deze bepaling doet geen afbreuk aan verschillende regels die voorzien zouden zijn in het raam van een internationaal akkoord dat gebaseerd is op artikel 3, § 1, van de wet.
       Het contract aangaande de nijverheidscompensaties kan bijzondere uitvoeringsregels inhouden nader omschreven hetzij in het bestek, hetzij in het contract zoals overeengekomen. Dit kan met name noodzakelijk blijken wanneer de nijverheidscompensaties niet rechtstreeks, maar onrechtstreeks verbonden zijn aan de uitvoering van de opdracht voor aanneming van leveringen of diensten.
       Wij hebben de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige,
       en zeer getrouwe dienaars,
       De Eerste Minister,
       J.-L. DEHAENE
       De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie en Telecommunicatie,
       E. DI RUPO
       De Minister van Landsverdediging,
       J.-P. PONCELET
       ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE.
       De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 24 december 1996 door de Eerste Minister verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en diensten waarop artikel 3, § 3, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten van toepassing is", heeft op 7 januari 1997 het volgend advies gegeven :
       Volgens artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisend karakter ervan.
       In het onderhavige geval luidt die motivering als volgt :
       " raison de l'urgence motivée par l'impérieuse nécessité, d'une part, d'achever l'exécution de la loi du 24 décembre 1993, dont le présent projet continue le dernier volet et, d'autre part, d'éviter une procédure d'infraction devant la Cour de Justice des Communautés européennes pour la non-transposition des directives 92/50/CEE et 93/36/CEE, il me serait agréable que l'avis soit rendu dans le délai prescrit par l'article 84 des lois coordonnées. "
       De motivering die in de aanvraag wordt opgegeven moet overeenkomstig het bepaalde in artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, worden overgenomen in de aanhef van het besluit in ontwerp. Bovendien zal de aanhef van het ontwerp er duidelijker moeten van blijk geven dat deze adviesaanvraag geschiedt met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
       Daarom dient het zesde lid van de aanhef vervangen te worden door twee leden, te redigeren als volgt :
       " Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat ... (letterlijk de in de adviesaanvraag gegeven motivering overnemen) ...;
       Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 7 januari 1997, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; "
       Met toepassing van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, heeft de afdeling wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot "het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan".
       Dat onderzoek noopt tot het maken van de hierna volgende opmerkingen.
       1.1. In overeenstemming met de gebruikelijke regels van de formele legistiek, verdient het aanbeveling het derde lid van de aanhef als eerste verwijzing in die aanhef te vermelden. Om dezelfde redenen kan overigens het tweede lid van de aanhef worden geschrapt omdat het daarin bedoelde koninklijk besluit niet tot rechtsgrond dient voor het ontwerp, noch erdoor wordt gewijzigd.
       1.2. De Nederlandse tekst van het ontwerp is, vanuit taalkundig oogpunt, aan een grondige herwerking toe. In het verleden reeds betreurde de Raad van State erop te moeten wijzen dat in een staatsbestel met verschillende wettelijk voorgeschreven landstalen en waar, meer bepaald, de normatieve teksten in de opgelegde talen gelijkelijk authentiek zijn, allen - en de openbare overheden in de eerste plaats - verplicht zijn voor elke taal dezelfde eerbied te betuigen en aan het ontwerpen van normatieve teksten in elk van die talen dezelfde zorg te besteden.
       2.1. De rechtsgrond van het ontwerp kan worden gevonden in artikel 3, § 3, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, welke bepaling onder meer stelt dat "de Koning (...) bepaalde overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en diensten waarop artikel 223, § 1, b van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap van toepassing is, (kan) onderwerpen aan gewijzigde gunningswijzen en algemene uitvoeringsregels".
       De zoëven genoemde verdragsbepaling houdt in dat "elke LidStaat (...) de maatregelen (kan) nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de produktie van of de handel in wapenen, munitie en oorlogsmateriaal; de maatregelen mogen de mededingingsverhoudingen op de gemeenschappelijke markt niet wijzigen voor produkten die niet bestemd zijn voor specifiek militaire doeleinden".
       Met toepassing van artikel 3, § 3, van de voornoemde wet van 24 december 1993 bepaalt het ontwerp onder meer welke artikelen van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, niet van toepassing zijn op "de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en diensten waarop artikel 223, § 1, b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is" (artikel 1 van het ontwerp) (1). Voorts wordt in het ontwerp een procedure uitgewerkt welke dient te worden gevolgd indien voor de gunning van de bedoelde overheidsopdrachten beroep wordt gedaan op een clausule van nijverheidscompensaties (artikelen 2 tot 6 van het ontwerp).
       2.2. Uit wat voorafgaat blijkt dat het ontwerp, wat het afbakenen van zijn toepassingsgebied betreft, zich ertoe bepaalt te verwijzen naar de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en diensten, die op algemene wijze omschreven worden in het voornoemd artikel 223, § 1, b, van het EG-Verdrag. Aldus doet het ontwerp niets anders dan de bewoordingen van de wetgever op dat punt herhalen. Een zo vage omschrijving van het toepassingsgebied kan bezwaarlijk toereikend worden geacht vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid. Men kan immers betwijfelen of zij een juridisch efficiënte en rechtszekere toepassing van de bepalingen van het ontwerp mogelijk maakt. Blijkens artikel 223, § 2, van het EG-verdrag, wordt aan die omschrijving invulling gegeven middels een door de Raad met eenparigheid van stemmen vast te stellen lijst van produkten waarop de bepalingen van artikel 223, § 1, b, van toepassing zijn. Zulke lijst werd opgesteld op 15 april 1958 en blijkt sindsdien niet meer herzien of aangepast te zijn (1), zodat ook dit instrument weinig dienstig lijkt voor de afbakening van het toepassingsgebied van het ontwerp. In verband daarmede kan overigens verwezen worden naar de aanbeveling die de parlementaire onderzoekscommissie aan de regering gedaan heeft en die hierop neerkomt dat "in afwachting van een nieuwe officiële lijst verwezen kan worden naar de bijlage van het koninklijk besluit van 8 maart 1993 tot regeling van de in-, uit-, en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materieel en de daaraan verbonden technologie"(1).
       3. De in artikel 5 van het ontwerp aan de bevoegde minister gegeven subdelegatie om de samenstelling en de taak van de Raad voor de Nijverheidscompensaties te bepalen is te ruim opgevat. Overigens is de toelichting bij dit artikel in het verslag aan de Koning veel concreter gesteld. De ontworpen bepaling kan dan ook beter in die zin worden geëxpliciteerd.
       4. In verband met artikel 7 van het ontwerp dient te worden opgemerkt dat de inwerkingtreding van het besluit in ontwerp en de inwerkingtreding van artikel 3, § 3, van de voornoemde wet van 24 december 1993 op elkaar moeten worden afgestemd.
       De kamer was samengesteld uit :
       de heren :
       J. De Brabandere, kamervoorzitter;
       M. Van Damme, D. Albrecht, staatsraden;
       Mevr. A. Beckers, griffier.
       De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de H. D. Albrecht.
       Het verslag werd uitgebracht door de H. P. Depuydt, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de H. P. Sourbron, adjunctreferendaris.
       De griffier,
       A. Beckers.
       De voorzitter,
       J. De Brabandere.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie